Regeling voor de voldoening van de belasting (30.06.2021) · Btw-commentaar

Naar de tekst
Juriel

5 mei 2022

Zoeken

Regeling voor de voldoening van de belasting (30.06.2021)

https://juriel.be/nl/btw-commentaar/regeling-voldoening-belasting-2ece

Datum
5 mei 2022

Over het document

Verzameling
Btw-commentaar
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

3222 paragrafen

BOEKWERK IV: Voldoening van de belasting

Hoofdstuk 13: Regeling voor de voldoening van de belasting

Bijwerking 30.06.2021 – Vorige versie: [01.07.2018]

Structuur

Afdeling 1. Wetgevend kader

Afdeling 2. Algemeenheden

Afdeling 3. Informatieve aangiften en keuzeverklaringen

Afdeling 4. Facturering

Afdeling 5. Uitreiking van een ticket van een geregistreerd kassasysteem (GKS), een rekening of ontvangstbewijs

Afdeling 6. Btw-aangiften van de belastbare handelingen en betaling van de verschuldigde belasting aan de Schatkist

Afdeling 7. Boekhouding

Afdeling 8. Jaarlijkse opgave van de handelingen met afnemers-belastingplichtigen

Afdeling 9. Opgave van de intracommunautaire handelingen

Afdeling 10. Schuldenaar van de belasting

Inhoud · 54 onderdelen

Afdeling 1 – Wetgevend kader

1. Overzicht bepalingen Btw-Wetboek

2. Overzicht bepalingen koninklijke besluiten en ministeriële besluiten

Afdeling 2 – Algemeenheden

Afdeling 3 – Informatieve aangiften en keuzeverklaringen

1. Aangiften van aanvang, wijziging en stopzetting van activiteit

A. Aangifte van aanvang van activiteit

B. Aangifte van wijziging van activiteit

C. Aangifte van stopzetting van activiteit

Afdeling 4 – Facturering

1. Belang van de facturering binnen het btw-systeem

2. Factureringsregels versus bewaringsregels

3. Verplichting tot het uitreiken van een factuur of een als zodanig geldend stuk

A. Principe

B. Tijdstip van uitreiking

a. Belang

b. Wettelijke termijn voor de diensten en leveringen van goederen andere dan vrijgestelde intracommunautaire leveringen van goederen en andere dan de diensten bedoeld in artikel 22, § 2, van het Btw-Wetboek

c. Wettelijke termijn voor de intracommunautaire leveringen van goederen

d. Wettelijke termijn voor de doorlopende leveringen en diensten

e. Bijzonder geval: werk in onroerende staat

C. Facturering van de leveringen van goederen en de diensten verricht voor natuurlijke personen die ze bestemmen voor hun privégebruik

a. Principe

b. Vrijwillige facturering

c. Tijdstip waarop de belasting opeisbaar wordt

d. Boekhoudverplichtingen

D. Uitzonderingen op de mogelijkheid om geen factuur uit te reiken

E. Uitreiking van de factuur door de medecontractant (self-billing)

F. Uitreiking van de factuur door een derde in naam en voor rekening van de leverancier/dienstverrichter (outsourcing)

G. Bijzondere gevallen van ontheffing van de factureringverplichting

a. Leveringen aan personeel

b. Openbaar vervoer

c. Esthetische ingrepen

d. Deeleconomie

4. Andere stukken die moeten worden opgemaakt en, in voorkomend geval, overhandigd aan de medecontractant

A. Verplichting een stuk op te maken voor de met leveringen van goederen of dienstverrichtingen gelijkgestelde handelingen en het tijdstip waarop dit stuk moet worden opgemaakt

a. Handelingen gelijkgesteld met een intracommunautaire levering van goederen: de overbrengingen van goederen ter bestemming van een andere lidstaat

b. Handelingen gelijkgesteld met een andere levering dan een intracommunautaire levering van goederen of met een dienstverrichting

B. Verplichting voor het lid van een btw-eenheid in de zin van artikel 4, § 2, van het Btw-Wetboek, om een stuk op te maken dat de verstrekking van goederen en diensten aan een ander lid van dezelfde btw-eenheid vaststelt

a. Principe

b. Tijdstip waarop dit stuk moet worden opgemaakt

c. Ontheffing van de verplichting om het stuk op te maken

C. Op een belastingplichtige rustende verplichting om een stuk op te maken voor de leveringen van goederen en de diensten die hem werden verstrekt door een niet-belastingplichtige of door een belastingplichtige die niet gehouden is een factuur uit te reiken

a. Verplichting om een stuk op te maken

b. Tijdstip van het opmaken van dit stuk

c. Ontheffing van de verplichting om het stuk op te maken

D. Stuk op te maken door de belastingplichtigen en de niet-belastingplichtige rechtspersonen die schuldenaar zijn van de belasting en tijdstip waarop dit stuk moet worden opgemaakt

E. Verbeterende stukken

F. Vereenvoudigde facturen

5. Inhoud en vorm van de factuur en van de verschillende als zodanig geldende stukken

A. Vermeldingen welke de factuur dient te bevatten

B. In meerdere exemplaren uitgereikte factuur

C. Intern stuk dat de verstrekking van goederen en diensten tussen leden van dezelfde btw-eenheid vaststelt

D. Stuk met betrekking tot de intracommunautaire overbrenging van goederen

E. Stuk met betrekking tot de met een andere dan een intracommunautaire levering van goederen of met een dienstverrichting gelijkgestelde handeling

F. Vermeldingen die het stuk dient te bevatten, dat moet worden opgemaakt door een lid van een btw-eenheid in de zin van artikel 4, § 2, van het Btw-Wetboek, ingevolge dienstprestaties die hem als Belgische vestiging van een niet in België gevestigde belastingplichtige werden verstrekt door die laatste

G. Vermeldingen op het door de belastingplichtige op te maken stuk ingevolge de aan hem verrichte leveringen van goederen of verstrekte diensten waarvoor geen verplichting tot facturering bestaat

H. Vermeldingen welke de door de medecontractant opgemaakte factuur dient te bevatten

I. Vermeldingen welke het door de belastingplichtigen en door de niet-belastingplichtige rechtspersonen op te maken stuk dient te bevatten wat betreft de handelingen waarvoor zij schuldenaar zijn van de btw en waarvoor zij noch de factuur, noch het als zodanig geldend stuk ontvangen hebben

J. Vermeldingen welke het verbeterende stuk dient te bevatten

K. Vermeldingen welke de vereenvoudigde factuur (minstens) dient te bevatten

L. Vorm van de factuur

M. Model van een factuur

N. Elektronische facturering

6. Bijzondere gevallen

A. Voorschotfactuur en eindfactuur

B. Verzamelfactuur

C. Pro forma factuur

D. Openbare verkoop van roerende goederen van een gefailleerde belastingplichtige

E. Verkoop op proef, zending op zicht of in consignatie

F. Overdracht van een algemeenheid van goederen of van een bedrijfsafdeling

G. Door de aansprakelijke vertegenwoordiger van een niet in België gevestigde belastingplichtige op te maken stuk

H. Belastingplichtige onderworpen aan een bijzondere regeling

7. Andere aan belastingplichtigen en niet-belastingplichtigen opgelegde verplichtingen met betrekking tot de uit te reiken, op te maken of te ontvangen stukken

A. Bewaring en mededeling

B. Sancties

Afdeling 5 – Uitreiking van een ticket van een geregistreerd kassasysteem (GKS), een rekening of ontvangstbewijs

1. Wetgevend kader

2. Opmerking betreffende voorafgaande reglementering

3. Rekening of ontvangstbewijs (artikel 22 van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd)

A. Vermeldingen aan te brengen door een erkende drukker

B. Aan te vullen vermeldingen

C. Materiële voorstelling van de stukken

D. Tijdstip waarop de stukken moeten worden uitgereikt

E. Dagelijkse aantekening

F. Bewaring en voorlegging

4. Ticket van een geregistreerd kassasysteem (artikel 21bis van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd): Verplichtingen in de horecasector

A. Drempel van 25.000 euro, exclusief btw

B. Ontheffingen

a. Onderaanneming

b. Hoteluitbaters

* Eerste Sector: hotelactiviteit

* Tweede Sector: andere dan hotelactiviteit

c. Uitbaters van bedrijfsrestaurants

C. Meerdere horecazaken onder één btw-identificatienummer

D. Referentieperiode voor de berekening van de drempel

E. Verplichting tot het uitreiken van een rekening of ontvangstbewijs tijdens de periode tussen de registratie en de ingebruikname van het geregistreerd kassasysteem

F. Vrijstelling artikel 44 van het Btw-Wetboek

G. Vrijstelling artikel 42 van het Btw-Wetboek

H. Forfaitaire regeling artikel 56 van het Btw-Wetboek

I. Vrijstellingsregeling artikel 56bis van het Btw-Wetboek

J. Verschaffers van lichte maaltijden

K. Frituuruitbaters

L. Vergunning Aanschrijving nr. 6 van 27.04.1999

M. Vergunning Beslissing nr. E.T.103.592 van 02.06.2003

5. Ticket van een geregistreerd kassasysteem (artikel 21bis van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd): Gevolgen van het overschrijden van de drempel

A. Kastickets van een geregistreerd kassasysteem

B. Kasticket ongeacht de aard van de handelingen

a. Uitzondering niet-voedingswinkel

b. Uitzondering supermarkt

c. Uitzondering automaten

d. Uitzondering internationaal passagiersvervoer

C. Kasticket ongeacht de hoedanigheid van de klant

D. Tijdstip van uitreiking van het kasticket

a. Eerste optionele afwijkende regeling voor tijdstip van uitreiking

b. Tweede optionele afwijkende regeling voor het tijdstip van uitreiking voor de cateringdiensten B2B en B2G

E. Bijzondere regels opeisbaarheid

a. Particuliere klanten: incasseringsprincipe

b. Ontvangst van een voorschot

F. Facturatie

G. Dagboek van ontvangsten

H. Einde van het gebruik van het geregistreerde kassasysteem

a. Voorbeeld café

b. Voorbeeld restaurant

I. Technische opstelling van een geregistreerd kassasysteem

J. Technische problemen

K. Bewaring

Afdeling 6 - Btw-aangiften van de belastbare handelingen en betaling van de verschuldigde belasting aan de Schatkist

1. Principe

2. Periodieke btw-aangiften (maand- en kwartaalaangiften)

A. Personen gehouden tot het indienen van periodieke aangiften

a. Principe

b. Uitzondering op de verplichting tot indiening van periodieke aangiften

c. Niet in België gevestigde belastingplichtigen

d. Btw-eenheden

B. Periode waarop de periodieke aangifte betrekking heeft

a. Principe

b. Afwijking

C. Overgang van een regeling naar een andere

D. Elektronische indiening van de periodieke aangifte

E. Indiening van de periodieke aangifte op papier

F. Indieningsdatum van de periodieke aangifte

G. Inhoud van de periodieke aangifte

H. Verplichting tot voldoening van de belasting

a. Belasting waarvan de opeisbaarheid blijkt uit de aangifte

b. Voorschot te voldoen door belastingplichtigen gehouden tot het indienen van maandaangiften

c. Voorschotten te voldoen door belastingplichtigen gehouden tot het indienen van kwartaalaangiften

3. Bijzondere btw-aangiften

A. Personen gehouden tot het indienen van de bijzondere btw-aangifte

a. Inkomende handelingen

b. Uitgaande handelingen

B. Handelingen waarvoor de btw-belastingplichtigen die geen periodieke btw-aangiften indienen schuldenaar zijn van de belasting of de belasting moeten voldoen in de plaats van de leverancier van de goederen of van de dienstverrichter

a. Intracommunautaire verwervingen van goederen en ermee gelijkgestelde handelingen

b. Diensten waarvoor de ontvanger van de diensten schuldenaar is van de belasting

c. Levering van gas via een op het grondgebied van de Gemeenschap gesitueerd aardgassysteem of een op een dergelijk systeem aangesloten net, levering van elektriciteit of levering van warmte of koude via warmte- of koudenetten

d. Diensten verstrekt aan een lid van een btw-eenheid in de zin van artikel 4, § 2, van het Btw-Wetboek door een van zijn niet in België gevestigde vestigingen.

e. Andere handelingen verstrekt door niet in België gevestigde belastingplichtigen.

C. Handelingen waarvoor de niet-belastingplichtige rechtspersonen schuldenaar zijn van de belasting

D. Periode waarop de bijzondere btw-aangifte betrekking heeft

E. Elektronische indiening van de bijzondere btw-aangifte

F. Indiening van de bijzondere btw-aangifte op papier

G. Indieningsdatum van de bijzondere btw-aangifte

H. Inhoud van de bijzondere aangifte

I. Verplichting tot betaling van de belasting

4. Andere aangiften en betalingswijzen

A. Bijzondere btw-aangifte inzake de intracommunautaire verwervingen van nieuwe vervoermiddelen

B. De aangifte ten verbruik op het stuk van de accijns

C. De aangifte van de toevallige vervreemding van een gebouw of gedeelte van een gebouw en het bijhorend terrein, de vestiging, de overdracht of de wederoverdracht van een zakelijk recht op een dergelijk goed (koninklijk besluit nr. 14 met betrekking tot de vervreemdingen van gebouwen, gedeelten van gebouwen en het bijhorende terrein en de vestigingen, overdrachten en wederoverdrachten van een zakelijk recht in de zin van artikel 9, tweede lid, 2°, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde op zulke goederen)

D. De verzamelaangifte curator

E. De aangifte MOSS

F. De OSS-aangiften

G. De specifieke btw-aangifte manifestaties, beurzen en merchandising

H. De specifieke btw-aangifte inzake bezoldigd personenvervoer

I. Verklaring nr. 110/1 met betrekking tot de toepassing van het verlaagd btw-tarief van 12 % op bepaalde handelingen met betrekking tot privéwoningen en woningcomplexen die bestemd zijn voor de huisvesting in het kader van het sociaal beleid – Privé-initiatief

Afdeling 7. - Boekhouding

1. Algemeen

2. De btw-boekhouding van de belastingplichtigen, uitgezonderd degenen bedoeld in de artikelen 44, 56bis en 57 van het Btw-Wetboek

3. Boek voor inkomende facturen

A. In te schrijven stukken

B. Vermeldingen die het boek voor inkomende facturen moet bevatten

4. Boek voor uitgaande facturen

A. In te schrijven stukken

B. Vermeldingen die het boek voor uitgaande facturen moet bevatten

5. Dagboek van ontvangsten en centralisatieregister

A. Voornaamste reglementaire bepalingen

B. Keuze voor papier of digitaal en gevolgen

C. Betrokken belastingplichtigen

D. Inhoud

a. Het dagboek van ontvangsten

b. Het centralisatieboek

E. Vorm

a. Het dagboek van ontvangsten

Het dagboek van ontvangsten, gehouden op papier

Het dagboek van ontvangsten, gehouden op digitale wijze

b. Het centralisatieboek

Centralisatieboek gehouden op papier

Centralisatieboek gehouden op digitale wijze

F. Beoogde periode

G. Bewaring en voorlegging van de registers

6. Tabel van de bedrijfsmiddelen

7. De klantenrekeningen

8. Het register voor materiële werken of expertises met betrekking tot andere goederen dan uit hun aard onroerende goederen

A. Principe

B. Vermeldingen die het register moet bevatten

9. Btw-register van de motorvoertuigen

A. Principe

B. Regeling

a. Beoogde handelingen en personen

b. Inschrijvingen in het register

c. Definities

d. Plaats van bewaring - voorlegging van het register

e. Codes die de aard van de handeling vaststellen

10. Register van niet-overbrengingen

A. Principe

B. Vermeldingen in te schrijven in het register

11. Het consignantenregister

A. Principe

B. Vermeldingen door het register te bevatten

12. Het consignatarisregister

A. Principe

B. Vermeldingen door het register te bevatten

13. De boekhouding van de belastingplichtigen, bedoeld in artikel 56bis van het Btw-Wetboek (kleine ondernemingen, onderworpen aan de vrijstellingsregeling van belasting)

A. Boek voor inkomende en boek voor uitgaande facturen

B. Dagboek van ontvangsten

C. Andere verplichtingen

14. De boekhouding van de belastingplichtigen bedoeld in artikel 57 van het Btw-Wetboek (bijzondere landbouwregeling)

15. De boekhouding van de niet-belastingplichtige rechtspersonen en de belastingplichtigen die uitsluitend handelingen verrichten die krachtens artikel 44 van het Btw-Wetboek van de belasting zijn vrijgesteld en waarvoor zij geen enkel recht op aftrek hebben

16. Het register dat moet bijgehouden worden door de belastingplichtigen onderworpen aan de vrijstellingsregeling van belasting, de belastingplichtigen onderworpen aan de bijzondere regeling van de landbouwondernemingen, de belastingplichtigen die uitsluitend handelingen verrichten die krachtens artikel 44 van het Btw-Wetboek van de belasting zijn vrijgesteld en waarvoor zij geen recht op aftrek hebben en de niet-belastingplichtige rechtspersonen

Afdeling 8 - Jaarlijkse opgave van de handelingen met afnemers-belastingplichtigen

1. Principe

2. Personen die de jaarlijkse lijst moeten opmaken

3. In te schrijven afnemers

4. Te vermelden handelingen

5. Gegevens welke de klantenlisting moet bevatten

6. Vorm van de klantenlisting en modaliteiten voor de indiening

7. ‘Nihil’-klantenlisting

8. Waarmerk, datum en handtekening

Afdeling 9 - Opgave van de intracommunautaire handelingen

1.Principe

2. Personen gehouden tot het opstellen van de btw-opgave van de intracommunautaire handelingen

3. Wijzigingen op 1 januari 2020

4. Deel 1 van de btw-opgave van de intracommunautaire handelingen

A. In te schrijven afnemers

B. Aan te geven handelingen

C. Inschrijvingen in deel 1 van de btw-opgave van de intracommunautaire handelingen

5. Deel 2 van de btw-opgave van de intracommunautaire handelingen

A. In te schrijven afnemers

B. Correcties

6. Periodiciteit van de btw-opgave van de intracommunautaire handelingen

7. Invullen en indienen van de btw-opgave van de intracommunautaire handelingen

8. De btw-opgave van de intracommunautaire handelingen (delen 1 en 2) in te dienen door de landbouwondernemers bedoeld in artikel 57 van het Btw-Wetboek

9. Waarmerk, datum en handtekening

Afdeling 10 - Schuldenaar van de belasting

1. Principes inzake de bepaling van de schuldenaar

2. Algemene regels ter bepaling van de schuldenaar

A. De belastingplichtige die in België een belastbare levering van goederen of een belastbare dienst verricht

B. Degene die in België een belastbare intracommunautaire verwerving van goederen verricht

a. intracommunautaire verwerving van goederen andere dan nieuwe vervoermiddelen en accijnsprodukten

b. intracommunautaire verwerving van accijnsprodukten

c. intracommunautaire verwerving van een nieuw vervoermiddel

C. Eenieder die op een factuur of op een als zodanig geldend stuk de belasting over de toegevoegde waarde vermeldt, zelfs indien hij geen goed heeft geleverd, noch een dienst heeft verstrekt

3. Verlegging(en) van heffing als voorzien in artikel 51, § 2, van het Btw-Wetboek

A. Situaties als bedoeld in artikel 51, § 2, eerste lid, 1°, 2°, 5° en 6°, van het Btw-Wetboek

1. Dienst die krachtens artikel 21, § 2, van het Btw-Wetboek geacht wordt plaats te vinden in België en verricht wordt door een niet in België gevestigde dienstverrichter (artikel 51, § 2, eerste lid, 1°, van het Btw-Wetboek)

1° de belastingplichtige die de handeling verricht is niet gevestigd in België,

2° de ontvanger van de dienst is een belastingplichtige in de zin van artikel 21, § 1, van het Btw-Wetboek

3° de belastbare handeling bestaat in een dienst waarvan de plaats geacht wordt zich in België te bevinden krachtens artikel 21, § 2, van het Btw-Wetboek

2. Driehoeksverkeer ABC (artikel 51, § 2, eerste lid, 2°, van het Btw-Wetboek)

3. Veralgemeende verlegging van heffing (artikel 51, § 2, eerste lid, 5°, van het Btw-Wetboek)

1) de belastingplichtige die de handeling verricht is niet gevestigd in België

2) de klant van de handeling is :

3) de belastbare handeling is niet bedoeld in artikel 51, § 2, eerste lid, 1°, 2° of 6°, van het Btw-Wetboek, noch vrijgesteld of verricht met vrijstelling van de belasting krachtens de artikelen 39 tot 44bis van het Btw-Wetboek.

a. Levering van goederen met vervoer

b. Levering van goederen met installatie of montage door de verkoper of voor zijn rekening

c. Diensten verricht aan in België gelegen onroerend goed uit zijn aard wanneer de afnemer een belastingplichtige is in de zin van artikel 21, § 1, van het Btw-Wetboek

d. De toekenning van het recht op toegang tot culturele, artistieke, sportieve, wetenschappelijke, educatieve, vermakelijkheids- of soortgelijke evenementen, zoals beurzen en tentoonstellingen, en de met de toegangverlening samenhangende diensten.

e. Restaurant- en cateringdiensten, met uitzondering van die welke materieel worden verricht aan boord van een schip, vliegtuig of trein tijdens het in de Gemeenschap verrichte gedeelte van een passagiersvervoer

4. De levering van gas via een aardgassysteem, van electriciteit of van warmte of koude via warmte- of koudenetten (artikel 51, § 2, eerste lid, 6°, van het Btw-Wetboek).

1. De belastingplichtige die de handeling verricht is niet gevestigd in België.

2. De afnemer van de handeling is in België voor btw-doeleinden geïdentificeerd overeenkomstig artikel 50, § 1, van het Btw-Wetboek.

3. de belastbare handeling bestaat in een levering van goederen die krachtens artikel 14bis van het Btw-Wetboek geacht wordt plaats te vinden in België.

a. De afnemer is een koper-wedervekoper

b. De afnemer is een eindverbruiker

5. Verplichtingen van de leverancier of de dienstverrichter

6. Verplichtingen van de medecontractant, schuldenaar van de belasting

B. Leveringen van goederen of diensten bedoeld in de artikelen 39, § 2, en 39 quater van het Btw-Wetboek (artikel 51, § 2, eerste lid, 3°, van het Btw-Wetboek)

C. De onttrekking van goederen, geplaatst onder één van de regelingen bedoeld in de artikelen 39, § 2 en 39 quater (artikel 51, § 2, eerste lid, 4°, Btw-Wetboek)

4. Verlegging van heffing, in uitvoering van artikel 51, § 4, van het Btw-Wetboek

A. Verlegging van heffing inzake werk in onroerende staat (artikel 20 van het koninklijk besluit nr. 1)

a. Principe

b. Hoedanigheid van de dienstverrichter

c. Bedoelde belastingplichtigen

d. Bedoelde handelingen

* Het bouwen, het verbouwen, het onderhouden, het afwerken, het inrichten, het herstellen, het reinigen en het afbreken, geheel of ten dele, van een uit zijn aard onroerend goed.

* De handeling die erin bestaat een roerend goed te leveren en het meteen op zodanige wijze aan te brengen aan een onroerend goed dat het onroerend uit zijn aard wordt.

* Andere handelingen van levering en aanhechting aan een gebouw en die bedoeld zijn in artikel 20, § 2, van het koninklijk besluit nr. 1.

Centrale verwarming en airconditioning.

Sanitaire installatie

Elektrische installatie

Elektrische belinstallatie, brand- en alarmtoestellen, telefooninstallatie

Kasten, gootstenen en dampkappen.

Luiken, rolluiken, rolgordijnen

Wandbekledingen en vloerbedekkingen

Het aanhechten, het plaatsen, het herstellen, het onderhouden en het reinigen

* De terbeschikkingstelling van personeel

e. De verplichtingen van de dienstverrichter en van de leverancier van de goederen

Facturering

* Periodieke aangifte

* Voldoening van de belasting

* Boekhouding

* Jaarlijkse opgave van de afnemers-belastingplichtigen

f. De verplichtingen van de medecontractant

* Periodieke btw-aangifte

* Aftrek

* Voldoening van de belasting

g. Werk in onroerende staat voor een gedeeltelijke belastingplichtige

h. Opmerking met betrekking tot artikel 19, § 2, van het Btw-Wetboek

B. Verlegging van heffing inzake goud en beleggingsgoud (artikel 20bis van het koninklijk besluit nr. 1)

a. Principe

b. Hoedanigheid van de leverancier

c. Bedoelde belastingplichtigen

d. Bedoelde handelingen

e. De verplichtingen van de leverancier van het goud in het kader van de verlegging van de heffing

C. Verlegging van heffing inzake broeikasgassen (artikel 20ter van het koninklijk besluit nr. 1)

a. Principe

b. Hoedanigheid van de dienstverrichter

c. Bedoelde belastingplichtigen

d. Verplichtingen van de dienstverrichter in het kader van de verlegging van de heffing

5. Heffing van de aanvullende belasting, die verschuldigd is in het kader van een schattingsprocedure teneinde de normale waarde te bepalen van onroerende goederen en werk in onroerende staat (artikel 51, § 3, van het Btw-Wetboek)

6. Hoofdelijkheid tot voldoening van de belasting

A. Hoofdelijkheid bedoeld in artikel 51bis van het Btw-Wetboek

a. Principe

b. Ontslag van hoofdelijkheid

c. Toepassingsgebied

d. Bijzonder geval van § 1bis van artikel 51bis van het Btw-Wetboek

B. Hoofdelijkheid bedoeld in artikel 51ter van het Btw-Wetboek

a. Principe

b. Afzwakking van het principe

C. Hoofdelijkheid tot voldoening van de belasting voor wat betreft de handelingen verricht met belastingplichtigen die niet gevestigd zijn in België, noch voor btw-doeleinden zijn geïdentificeerd in België (artikel 5 van het koninklijk besluit nr. 31, in uitvoering van artikel 55, § 6, van het Btw-Wetboek)

a. Minnelijk akkoord tussen de leverancier/dienstverrichter, zijn medecontractant en de administratie

b. De leverancier/dienstverrichter zet spontaan geen enkele stap

[Top]

Afdeling 1 – Wetgevend kader

1. Overzicht bepalingen Btw-Wetboek

Artikel 51

Artikel 51bis

Artikel 51ter

Artikel 53

Artikel 53bis

Artikel 53ter

Artikel 53quater

Artikel 53quinquies

Artikel 53sexies

Artikel 53octies

Artikel 53nonies

Artikel 53decies

Artikel 54bis

Artikel 55

Artikel 56bis

Artikel 57

Artikel 58

2. Overzicht bepalingen koninklijke besluiten en ministeriële besluiten

Koninklijk besluit nr. 1 van 29.12.1992 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de btw

Koninklijk besluit nr. 3 van 10.12.1969 met betrekking tot de aftrekregeling voor de toepassing van de btw

Koninklijk besluit nr. 4 van 29.12.1969 met betrekking tot de teruggaven inzake btw

Koninklijk besluit nr. 10 van 29.12.1992 met betrekking tot de uitoefeningsmodaliteiten van de keuzen, bedoeld in de artikelen 15, § 2, derde lid en 25ter, § 1, tweede lid, 2°, tweede lid, van het Wetboek van de btw, de aangiften van aanvang, wijziging, stopzetting van activiteit en de voorafgaande kennisgevingen inzake de btw

Koninklijk besluit nr. 23 van 09.12.2009 met betrekking tot de jaarlijkse lijst van de btw-belastingplichtige afnemers

Koninklijk besluit nr. 24 van 29.12.1992 met betrekking tot de voldoening van de btw

Koninklijk besluit nr. 31 van 02.04.2002 met betrekking tot de toepassingsmodaliteiten van de btw ten aanzien van de handelingen verricht door niet in België gevestigde belastingplichtigen

Koninklijk besluit nr. 46 van 29.12.1992 tot regeling van de aangifte van de intracommunautaire verwerving van vervoermiddelen en van de betaling van de ter zake verschuldigde btw

Koninklijk besluit nr. 50 van 09.12.2009 met betrekking tot de btw-opgave van de intracommunautaire handelingen

Koninklijk besluit nr. 51 van 14.04.1993 met betrekking tot de vereenvoudigingsregeling voor intracommunautaire verwerving van accijnsproducten op het stuk van de btw

Koninklijk besluit nr. 55 van 09.03.2007 met betrekking tot de regeling voor belastingplichtigen die een btw-eenheid vormen

Koninklijk besluit van 30.12.2009 tot het bepalen van de definitie en de voorwaarden waaraan een geregistreerd kassasysteem in de horecasector moet voldoen

[Top]

Afdeling 2 – Algemeenheden

Hoofdstuk 13 handelt over de bepalingen van de artikelen 50 tot 51ter en 53 tot 53decies van het Btw-Wetboek, die de betaling van de btw moeten verzekeren.

Deze bepalingen worden inzonderheid gepreciseerd in de koninklijke besluiten nrs. 1, 10, 23, 31 en 50.

Bijzondere verplichtingen worden anderzijds soms opgelegd in het kader van in andere hoofdstukken van deze Handleiding onderzochte besluiten (teruggaafregister, zie ‘Boekwerk IV: Voldoening van de belasting - Hoofdstuk 14: Teruggaaf van de belasting; inkoop of invoer met vrijstelling van btw met het oog op de uitvoer’, zie ‘Boekwerk II: Bepaling van de belastbare basis en het toepasselijke tarief - Hoofdstuk 8: Vrijstellingen voor uitvoer, intracommunautaire leveringen en verwervingen, invoer en internationaal vervoer’).

Achtereenvolgens worden in afzonderlijke afdelingen toegelicht:

• Informatieve aangiften en keuzeverklaringen

• Facturering

• Uitreiking van een ticket van een geregistreerd kassasysteem (GKS), een rekening of ontvangstbewijs

• Btw-aangiften van de belastbare handelingen en betaling van de verschuldigde belasting aan de Schatkist

• Boekhouding

• Jaarlijkse opgave van de handelingen met afnemers-belastingplichtigen

• Opgave van de intracommunautaire handelingen

• Schuldenaar van de btw

[Top]

Afdeling 3 – Informatieve aangiften en keuzeverklaringen

1. Aangiften van aanvang, wijziging en stopzetting van activiteit

A. Aangifte van aanvang van activiteit

Eenieder moet, vooraleer een economische activiteit uit te oefenen waardoor hij belastingplichtige wordt voor de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde, daarvan aangifte doen op het bevoegde btw-controlekantoor (controlecentrum). Die aangifte wordt gedaan door middel van het formulier 604 A (Artikel 1 van het koninklijk besluit nr. 10 van 29.12.1992 met betrekking tot de uitoefeningsmodaliteiten van de keuzen, bedoeld in de artikelen 15, § 2, derde lid, 21bis, § 2, 9°, vierde lid, 25ter, § 1, tweede lid, 2°, tweede lid en 44, § 3, 2°, d, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, de aangiften van aanvang, wijziging, stopzetting van activiteit en de voorafgaande kennisgevingen inzake de belasting over de toegevoegde waarde).

De belastingplichtigen gehouden tot de indiening van de aangifte van aanvang van activiteit, dienen die aangiften in langs elektronische weg. Zij zijn echter vrijgesteld van de verplichting tot indiening langs elektronische weg zolang zij, en in voorkomend geval de persoon die gemachtigd is de bedoelde aangiften namens hen in te dienen, niet over de nodige geïnformatiseerde middelen beschikken om aan deze verplichting te voldoen (artikel 6, van het koninklijk besluit nr. 10, voornoemd). De elektronische indiening gebeurt via de toepassing e604 (circulaire 2019/C/129 van 12.12.2019 met betrekking tot de wijzigingen aangebracht aan de koninklijk besluiten nrs. 4, 10, 19, 51 en 54 met betrekking tot de Btw en tot opheffing van het koninklijk besluit nr. 47 door het koninklijk besluit van 28.06.2019)

Deze inlichtingen dienen enkel te worden verstrekt voor zover ze niet reeds aan de Kruispuntbank van Ondernemingen bedoeld in de wet van 16.01.2003 tot oprichting van een Kruispuntbank van Ondernemingen, tot modernisering van het handelsregister, tot oprichting van erkende ondernemingsloketten en houdende diverse bepalingen, werden medegedeeld. De bedoelde inlichtingen kunnen eveneens aan het bevoegde btw-controlekantoor (controlecentrum) worden verstrekt door bemiddeling van een overeenkomstig de voormelde wet erkend ondernemingsloket (artikel 7bis van het koninklijk besluit nr. 10, voornoemd).

Deze aangifte vermeldt inzonderheid: de benaming en de juridische vorm waaronder de aangever zijn economische activiteit uitoefent, naargelang het geval, het adres van de maatschappelijke zetel of van de woonplaats, het adres van de administratieve hoofdzetel en van de bedrijfszetel van de aangever, een nauwkeurige omschrijving van de economische activiteit, de datum van aanvang van de economische activiteit die zal worden uitgeoefend en een raming van de omzet die zal verwezenlijkt worden.

Indien de aangever niet in België is gevestigd en hij geen aansprakelijke vertegenwoordiger laat erkennen, vermeldt deze aangifte bovendien een adres in België waar de boeken en stukken die de aangever overeenkomstig artikel 60 van het Btw-Wetboek moet bewaren ter inzage zullen worden voorgelegd op ieder verzoek van de ambtenaren van de administratie belast met de belasting over de toegevoegde waarde overeenkomstig artikel 61, § 1, van het Btw-Wetboek (artikel 1 van het koninklijk besluit nr. 10, voornoemd).

Indien de aangever wel in België gevestigd is, wordt de plaats van vestiging bepaald door het fiscaal domicilie van de betrokkene. Het fiscaal domicilie van een vennootschap, of meer algemeen, van een rechtspersoon, moet altijd overeenstemmen met de plaats waar het effectieve dagelijkse beheer van deze vennootschap plaatsvindt en waar de boekhouding wordt gehouden en wordt gecentraliseerd (schriftelijke parlementaire vraag nr. 404 van de heer Volksvertegenwoordiger Ludo Van Campenhout van 28.05.2004). Het fiscaal domicilie van een vennootschap zal dus de plaats zijn waar men effectief de fiscale situatie van de vennootschap kan controleren, waarbij het vanzelfsprekend aan de controlerende ambtenaar toegestaan is een bepaald element of andere gegevens op een andere plaats te gaan controleren, waar een deel van de activiteit wordt uitgeoefend. Voor natuurlijke personen blijft het fiscaal domicilie, in principe, de woonplaats van de belastingplichtige.

Wordt ontheven van de verplichting tot aangifte van aanvang van activiteit, de persoon die in de uitoefening van zijn economische activiteit uitsluitend handelingen verricht die bij toepassing van artikel 44 van het Btw-Wetboek zijn vrijgesteld en die hem geen recht op aftrek verlenen met uitzondering van de zelfstandige groeperingen van personen bedoeld in artikel 44, § 2bis, van het Btw-Wetboek.

De in artikel 44, § 2bis, van het Btw-Wetboek bedoelde zelfstandige groepering van personen is er overeenkomstig artikel 44, § 2bis, derde en vierde lid, van het Btw-Wetboek eveneens toe gehouden binnen de maand die volgt op de aanvang van haar activiteit aan het bevoegde btw-controlekantoor (controlecentrum) op papier of in elektronisch formaat een lijst voor te leggen met de naam, rechtsvorm, adres, ondernemingsnummer en de aard van de activiteit van haar leden (artikel 1 van het koninklijk besluit nr. 10, voornoemd).

Elke btw-eenheid in de zin van artikel 4, § 2, van het Btw-Wetboek, moet, bij haar oprichting, een gemotiveerd verzoek in naam en voor rekening van alle leden die de voorwaarden vervullen om deel uit te maken van een btw-eenheid, indienen bij het bevoegde btw-controlekantoor (controlecentrum).

Dit door de vertegenwoordiger van de btw-eenheid overeenkomstig artikel 2, § 2, eerste lid, van het koninklijk besluit nr. 55 van 09.03.2007 met betrekking tot de regeling voor belastingplichtigen die een btw-eenheid vormen, ingediende verzoek, op basis van een door alle leden van de btw-eenheid ondertekende volmacht, geldt als aangifte van aanvang van werkzaamheid in de zin van artikel 53, § 1, eerste lid, 1°, van het Btw-Wetboek. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van het formulier 606 A.

Overeenkomstig artikel 1, § 3, derde lid, van het koninklijk besluit nr. 55, voornoemd, duiden de leden van de btw-eenheid inderdaad één van hen aan om, in hun naam en voor hun rekening, de rechten en verplichtingen van die btw-eenheid, uit te oefenen. Dit lid wordt, voor de toepassing van dit koninklijk besluit, de vertegenwoordiger van de btw-eenheid genoemd.

Het door de vertegenwoordiger van de btw-eenheid ingediende verzoek vermeldt inzonderheid: de benaming waaronder de btw-eenheid werd opgericht, het adres waar zij is gevestigd en dat overeenstemt met het adres van het fiscaal domicilie van de vertegenwoordiger van die btw-eenheid, een nauwkeurige omschrijving van de externe economische hoofd- en nevenactiviteiten van de btw-eenheid, de datum van aanvang van de btw-eenheid, een raming van de omzet die met betrekking tot de externe handelingen zal worden gerealiseerd en de btw-regeling die op haar toepasselijk zal zijn: indiening van maandaangiften, kwartaalaangiften, btw-eenheid die uitsluitend vrijgestelde handelingen verricht zonder recht op aftrek met toekenning van een btw-identificatienummer.

B. Aangifte van wijziging van activiteit

Bovendien moet iedere belastingplichtige, gehouden tot het indienen van voornoemde aangifte, die zijn woonplaats of maatschappelijke zetel verplaatst, die de benaming of de juridische vorm waaronder hij zijn economische activiteit uitoefent, wijzigt, die een administratieve zetel, een bedrijfszetel of een bedrijfsinrichting opricht, verplaatst of afschaft, die zijn economische activiteit geheel of gedeeltelijk wijzigt, die het communicatieadres als beoogd in artikel 61, § 1, zesde lid, van het Btw-Wetboek wijzigt of die uitsluitend nog vrijgestelde handelingen als bedoeld in artikel 44 van het Btw-Wetboek zal verrichten, daarvan binnen een termijn van één maand aangifte doen op het bevoegde btw-controlekantoor (controlecentrum) (artikel 2 van het koninklijk besluit nr. 10, voornoemd). Die aangifte wordt gedaan door middel van het formulier 604 B.

De belastingplichtigen gehouden tot de indiening van de aangifte van wijziging van activiteit, dienen die aangiften in langs elektronische weg. Zij zijn echter vrijgesteld van de verplichting tot indiening langs elektronische weg zolang zij, en in voorkomend geval de persoon die gemachtigd is de bedoelde aangiften namens hen in te dienen, niet over de nodige geïnformatiseerde middelen beschikken om aan deze verplichting te voldoen (artikel 6, van het koninklijk besluit nr. 10, voornoemd) De elektronische indiening gebeurt via de toepassing e604. (circulaire 2019/C/129 van 12.12.2019 met betrekking tot de wijzigingen aangebracht aan de koninklijk besluiten nrs. 4, 10, 19, 51 en 54 met betrekking tot de Btw en tot opheffing van het koninklijk besluit nr. 47 door het koninklijk besluit van 28.06.2019) Deze inlichtingen dienen enkel te worden verstrekt voorzover ze niet reeds aan de Kruispuntbank van Ondernemingen bedoeld in de wet van 16.01.2003 tot oprichting van een Kruispuntbank van Ondernemingen, tot modernisering van het handelsregister, tot oprichting van erkende ondernemingsloketten en houdende diverse bepalingen, werden medegedeeld. De bedoelde inlichtingen kunnen eveneens aan het bevoegde btw-controlekantoor (controlecentrum) worden verstrekt door bemiddeling van een overeenkomstig de voormelde wet erkend ondernemingsloket (Artikel 7bis van het koninklijk besluit nr. 10, voornoemd).

Schriftelijke parlementaire vraag nr. 4-3.774 van de heer Senator Jurgen Ceder van 09.07.2009 bevestigt dat wanneer de benaming, het adres van de maatschappelijke zetel of de rechtsvorm van een onderneming wijzigt, in principe geen formulier 604B moet worden ingediend. Dergelijke wijzigingen worden opgenomen in de KBO en de kantoren worden van deze wijzigingen op de hoogte gebracht via een systematische gegevensuitwisseling met de KBO.

In afwijking van het eerste lid, licht de in artikel 44, § 2bis, derde lid, van het Btw-Wetboek bedoelde zelfstandige groepering van personen, overeenkomstig artikel 44, § 2bis, derde lid, van het Btw-Wetboek, op papier of in elektronisch formaat, het bevoegde btw-controlekantoor (controlecentrum) in van elke wijziging, geheel of gedeeltelijk, van haar economische activiteit, binnen de maand volgend op die gebeurtenis.

In geval van toetreding of vertrek van een lid van een in artikel 44, § 2bis, van het Btw-Wetboek bedoelde zelfstandige groepering van personen of bij wijziging van de activiteit van één van haar leden, licht de groepering overeenkomstig artikel 44, § 2bis, derde en vierde lid, van het Btw-Wetboek binnen de maand volgend op die gebeurtenis dezelfde dienst op papier of in elektronisch formaat daarvan in (artikel 2 van het koninklijk besluit nr. 10, voornoemd).

Elke belastingplichtige die recht heeft op de teruggaaf bedoeld in artikel 81, van het koninklijk besluit nr. 4, en die zijn bankgegevens of de wijziging van zijn bankgegevens, inclusief IBAN en BIC, nog niet aan de administratie heeft meegedeeld, dient deze gegevens op te nemen in het formulier 604 B overeenkomstig de modaliteiten voorzien in artikel 2, eerste lid van het koninklijk besluit nr. 10, voornoemd. De kennisgeving van deze gegevens heeft uitwerking op de eerste dag van de tweede maand die volgt op het tijdvak waarop het terug te geven belastingoverschot betrekking heeft, wanneer deze wijziging wordt ingediend voor het einde van de maand volgend op datzelfde tijdvak.

Voorbeeld:

De belastingplichtige X geniet een belastingkrediet met betrekking tot het eerste kwartaal van 2010 en wijzigt zijn bankrekeningnummer op datum van 25.03.2010. Hij deelt de nieuwe gegevens mee aan de hand van het formulier 604 B dat hij op 10.04.2010 naar zijn bevoegde btw-controlekantoor (controlecentrum) stuurt.

Aangezien de belastingplichtige zijn nieuw rekeningnummer meedeelt vóór het einde van de maand april, zijnde de maand volgend op het tijdvak waarop het terug te betalen belastingkrediet betrekking heeft, heeft de wijziging uitwerking op 01.05.2010. De terugbetaling aan de belastingplichtige kan op het nieuw rekeningnummer gebeuren op de reglementair voorziene datum, met name ten laatste op 30.06.2010.

Wat de btw-eenheid in de zin van artikel 4, § 2, van het Btw-Wetboek betreft, is haar vertegenwoordiger gehouden om het voor die btw-eenheid bevoegde btw-controlekantoor (controlecentrum), in kennis te stellen van elke in hoofde van die laatste opgetreden wijziging.

Die aangifte kan betrekking hebben op:

• een wijziging van de gegevens met betrekking tot de identificatie van de btw-eenheid (verandering van benaming, van fiscaal domicilie, wijziging van alle of van een deel van de externe activiteiten, wijziging van de regeling van indiening van de periodieke aangiften)

• een wijziging van de persoonlijke gegevens van één of meerdere leden van de btw-eenheid (adreswijziging van een lid, wijziging van de ganse of van een deel van de interne of externe economische activiteit van een lid, stopzetting van de activiteit in hoofde van een lid)

• de toetreding, na optie, van een nieuw lid tot de btw-eenheid (artikel 4, § 1 van het koninklijk besluit nr. 55, voornoemd)

• de verplichte toetreding van een nieuw lid tot de btw-eenheid (artikel 4, § 2, eerste lid van het koninklijk besluit nr. 55, voornoemd)

• de vrijwillige uittreding van een lid van de btw-eenheid na het verstrijken van de verplichte termijn (artikel 5, § 1, eerste lid van het koninklijk besluit nr. 55, voornoemd)

• de verplichte uittreding van een lid dat de voorwaarden voor lidmaatschap van een btw-eenheid niet langer vervult (artikel 5, § 2, tweede lid van het koninklijk besluit nr. 55, voornoemd)

• de verplichte uittreding van een lid dat verwikkeld is in een insolvabiliteit-procedure (artikel 6, § 2 van het koninklijk besluit nr. 55, voornoemd)

• de vrijwillige of verplichte uittreding van de vertegenwoordiger van de btw-eenheid of de stopzetting van diens lastgeving (artikel 6, § 3 van het koninklijk besluit nr. 55, voornoemd)

Deze door de vertegenwoordiger van de btw-eenheid verrichte kennisgeving op basis van de door alle leden van de btw-eenheid ondertekende volmacht, geldt als een aangifte van wijziging van werkzaamheid in de zin van artikel 53, § 1, eerste lid, 1°, van het Btw-Wetboek.

C. Aangifte van stopzetting van activiteit

Elke belastingplichtige die alle economische activiteit stopzet waarvoor hij belastingplichtige is, moet daarvan eveneens binnen een termijn van één maand aangifte doen op het bevoegde btw-controlekantoor (controlecentrum) (artikel 3 van het koninklijk besluit nr. 10, voornoemd). Die aangifte wordt gedaan door middel van het formulier 604 C.

De belastingplichtigen gehouden tot de indiening van de aangifte van stopzetting van activiteit, dienen die aangiften in langs elektronische weg. Zij zijn echter vrijgesteld van de verplichting tot indiening langs elektronische weg zolang zij, en in voorkomend geval de persoon die gemachtigd is de bedoelde aangiften namens hen in te dienen, niet over de nodige geïnformatiseerde middelen beschikken om aan deze verplichting te voldoen (artikel 6, van het koninklijk besluit nr. 10, voornoemd). De elektronische indiening gebeurt via de toepassing e604.

(circulaire 2019/C/129 van 12.12.2019 met betrekking tot de wijzigingen aangebracht aan de koninklijk besluiten nrs. 4, 10, 19, 51 en 54 met betrekking tot de Btw en tot opheffing van het koninklijk besluit nr. 47 door het koninklijk besluit van 28.06.2019)

Deze inlichting dient enkel te worden verstrekt voor zover ze niet reeds aan de Kruispuntbank van Ondernemingen werd medegedeeld. Ze kan eveneens aan het bevoegde btw-controlekantoor (controlecentrum) worden verstrekt door bemiddeling van een erkend ondernemingsloket (artikel 7bis van het koninklijk besluit nr. 10, voornoemd).

De hoedanigheid van btw-belastingplichtige gaat slechts verloren zo de werkzaamheid waardoor die hoedanigheid ontstond definitief een einde neemt.

Zo verliest een handelaar, natuurlijke persoon, die een werkzaamheid uitoefent die hem de hoedanigheid van btw-belastingplichtige verleent, in principe slechts die hoedanigheid op het tijdstip waarop hij de vereffening van zijn onderneming beëindigt en dientengevolge geen handelingen meer kan verrichten die in het Btw-Wetboek zijn bedoeld.

Wanneer tot de ontbinding van een vennootschap wordt besloten, behoudt die vennootschap eveneens de hoedanigheid van btw-belastingplichtige tot de definitieve sluiting van de vereffening. De registratie van een vennootschap in vereffening mag nochtans, op haar verzoek, worden doorgehaald van zodra vaststaat dat die vennootschap geen handelingen meer kan verrichten waardoor ze tegenover de Staat schuldenares van belasting kan worden. Die doorhaling kan onder meer worden toegestaan wanneer de vennootschap in vereffening geen realiseerbare activa meer bezit en haar werkzaamheid nog slechts bestaat in het invorderen van haar schuldvorderingen tegenover derden (schriftelijke parlementaire vraag nr. 175 van de heer Senator Jean-Pierre de Clippele van 11.04.1983).

Wanneer de erfgenamen de onderneming van de overleden belastingplichtige vereffenen of overdragen, moeten zij alle verplichtingen nakomen die de belastingplichtige had moeten naleven indien hij zelf zijn zaak zou hebben uitverkocht of overgedragen. Inzonderheid moeten zij, binnen vijftien dagen na de sluiting van de vereffening of na de overdracht, de aangifte van stopzetting van werkzaamheid indienen (schriftelijke parlementaire vraag nr. 57 van de heer Senator Maurits Coppieters van 27.06.1979).

Ingeval van faillissement, moet de curator binnen een maand na de sluiting van het faillissement een aangifte van stopzetting van activiteit indienen. Hij mag ze vroeger indienen zodra blijkt dat er geen handelingen meer worden verricht die de belasting opeisbaar maken (aanschrijving nr. 26/1978 van 31.08.1978, randnummer 25 en schriftelijke parlementaire vraag nr. 446 van de heer Volksvertegenwoordiger Alfons Borginon van 05.09.2000). Het btw-nummer mag in principe niet afgesloten worden vóór de aanrekening van het ereloon van de curator (nrs. 150 – 153 van de circulaire 47/2013 van 20.11.2013) (nrs. 124 e.v. van de beslissing ET 126 564 van 18.07.2014)

Wat de btw-eenheid in de zin van artikel 4, § 2, van het Btw-Wetboek betreft, is haar vertegenwoordiger gehouden, overeenkomstig artikel 3, § 1, van het koninklijk besluit nr. 55, voornoemd, om het voor die btw-eenheid bevoegde btw-controlekantoor (controlecentrum), in kennis te stellen van de stopzetting van de btw-eenheid.

De btw-eenheid kan worden stopgezet omwille van de twee volgende redenen:

• De voorwaarden voor het bestaan van de eenheid als bedoeld in artikel 1, § 1, van het koninklijk besluit nr. 55, voornoemd, zijn niet meer vervuld in hoofde van de leden van die eenheid.

• De btw-eenheid verzoekt op vrijwillige basis om haar stopzetting, ofschoon de voorwaarden voor haar bestaan nog steeds worden vervuld.

Deze kennisgeving geldt als een aangifte van stopzetting van werkzaamheid van de btw-eenheid in de zin van artikel 53, § 1, eerste lid, 1°, van het Btw-Wetboek. Die kennisgeving moet worden gedaan aan het voor de btw-eenheid bevoegde btw-controlekantoor (controlecentrum) binnen de maand na dat feit.

[Top]

Afdeling 4 – Facturering

1. Belang van de facturering binnen het btw-systeem

Het btw-stelsel kan enkel goed functioneren zo de factureringsplicht gewaarborgd is. Deze plicht en de uitreiking van facturen in het algemeen worden behandeld in de artikelen 219bis tot 225 van de richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28.11.2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde.

De regels inzake de factuurinhoud en die met betrekking tot papieren facturen en elektronische facturen worden bepaald door de artikelen 226 tot 237 van diezelfde richtlijn. Deze factureringsregels werden grondig gewijzigd door de richtlijn 2010/45/EU van de Raad van 13.07.2010 tot wijziging van richtlijn 2006/112/EG, richtlijn die met ingang op 01.01.2013 werd omgezet in Belgisch recht.

In de praktische toepassing van de btw vormt de factuur immers de spil van het aftrekmechanisme. Het is aan de hand van zijn aankoopfacturen dat elke belastingplichtige die als zodanig handelt het bedrag van de hem door zijn leveranciers of dienstverrichters aangerekende btw (voorbelasting genoemd) aantoont en geheel of gedeeltelijk in aftrek kan brengen, terwijl het in de regel aan de hand van zijn verkoopfacturen is dat hij het door hem aan de Staat verschuldigde btw-bedrag bepaalt.

Voormeld basisprincipe, dat teruggaat op artikel 178 van de richtlijn 2006/112/EG (en de voorgaanden ervan), werd als zodanig ingeschreven in artikel 3, § 1, 1°, van het koninklijk besluit nr. 3 van 10.12.1969 met betrekking tot de aftrekregeling voor de toepassing van de btw, dat bepaalt dat een belastingplichtige, om zijn recht op aftrek van de voorbelasting geheven van de aan hem geleverde goederen en verrichte diensten te kunnen uitoefenen, in het bezit moet zijn van een factuur uitgereikt overeenkomstig de artikelen 53, § 2 en 53decies, § 2, van het Btw-Wetboek waarop de vermeldingen voorkomen bedoeld in artikel 5, § 1, van het koninklijk besluit nr. 1 van 29.12.1992 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de btw.

Alleen het originele exemplaar van de factuur mag in principe gelden als bewijs voor (de uitoefening van) het recht op aftrek. Wanneer dus verscheidene exemplaren van een factuur worden uitgereikt, moet de leverancier op de aan de afnemer uitgereikte bijkomende exemplaren duidelijk de vermelding ‘duplicaat’ aanbrengen of enige andere vermelding waaruit blijkt dat een andere exemplaar van de factuur het originele exemplaar is dat alleen mag worden aangewend voor de aftrek van de belasting (aanschrijving nr. 91/1970 van 21.12.1970).

Opgemerkt wordt dat de administratie, onder druk van coherente rechtspraak van het Europese Hof van Justitie ter zake, haar rigide standpunt als voormeld betreffende de factuur als voorwaarde voor het uitoefenen van het recht op aftrek inzake btw, heeft genuanceerd (circulaire 2017/C/64 (nr. E.T. 131.409) van 12.10.2017).

De factuur, de factureringsplicht en de factuurinhoud maken het voorwerp uit van de artikelen 1, § 13, 53, §§ 2 en 3, 53decies en 54 van het Btw-Wetboek en van de artikelen 1 tot en met 13 van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd.

De ‘factuur’ als basisbegrip wordt door artikel 1, § 13, 1°, van het Btw-Wetboek omschreven als ‘elk document of bericht op papier of in elektronisch formaat dat voldoet aan de voorwaarden vastgesteld in het Btw-Wetboek en zijn uitvoeringsbesluiten’ (artikel 218 van de richtlijn 2006/112/EG). Overeenkomstig artikel 53, § 2, van het Btw-Wetboek ‘geldt ieder document of bericht dat wijzigingen aanbrengt in en specifiek en ondubbelzinnig verwijst naar de oorspronkelijke factuur, als factuur’ (artikel 219 van de richtlijn 2006/112/EG).

Bovendien bepaalt artikel 60, § 5, eerste lid, van het Btw-Wetboek, ook dat, gezien de facturen een nauwkeurige weerspiegeling moeten zijn van de werkelijke verrichte leveringen van goederen en/of diensten, de authenticiteit van de herkomst, de integriteit van de inhoud en de leesbaarheid van elke factuur, op papier of in elektronisch formaat, moeten worden gewaarborgd vanaf het tijdstip waarop de factuur wordt uitgereikt tot het einde van de bewaringstermijn.

De richtlijn 2010/45/EU van de Raad van 13.07.2010 tot wijziging van richtlijn 2006/112/EG betreffende het gemeenschappelijk stelsel van btw wat de factureringsregels betreft laat de methode om die waarborgen te bieden over aan de keuze van de btw-plichtige en vermeldt inzonderheid als voorbeeld, naast de geavanceerde elektronische handtekening en de elektronische uitwisseling van gegevens (EDI), ook de bedrijfscontroles die een betrouwbaar controlespoor tussen een factuur en een levering van goederen of een dienstprestatie opleveren. Het gebruik van deze controles was trouwens al mogelijk sinds de datum van inwerkingtreding van het koninklijk besluit van 15.12.2009 tot wijziging van het Btw-Wetboek, dat dit precies als doelstelling had (schriftelijke parlementaire vraag nr. 239 van de heer Volksvertegenwoordiger Christian Brotcorne van 21.01.2011).

Aangezien zowel voor de papieren factuur als voor de elektronische factuur elke belastingplichtige vrij is om te bepalen op welke wijze hij aan deze drie voorwaarden gaat voldoen, legt de genoemde bepaling geen bijkomende administratieve lasten op met betrekking tot papieren facturen. Bedrijfscontroles die een betrouwbaar controlespoor vormen tussen een factuur en een levering van een goed of dienst, zijn slechts een voorbeeld van de wijze waarop aan de vermelde voorwaarden kan worden voldaan (schriftelijke parlementaire vraag nr. 601 van de heer Volksvertegenwoordiger Christian Brotcorne van 03.12.2012).

Deze nieuwe benadering van de factuur, die teruggaat op overweging nr. 10 van de voormelde richtlijn 2010/45/EU van de Raad van 13.07.2010, heeft tot gevolg dat de administratie voortaan de rol van de factuur als hét basisdocument voor de uitoefening van het recht op aftrek loslaat en eist dat er naast de factuur een aantal bijkomende elementen moet voorhanden zijn dat toelaat om de juistheid van de factuur en de waarachtigheid van de handeling die achter de factuur schuilgaat op afdoende wijze na te gaan. Er is meer dan de factuur op zich, inzonderheid wat betreft de uitoefening van het recht op aftrek.

Deze en andere bepalingen van de Richtlijn 2010/45/EU, die principieel moesten worden toegepast met ingang op 01.01.2013, werden in nationaal recht omgezet middels:

• de wet van 17.12.2012 tot wijziging van het Btw-Wetboek, gepubliceerd in het BS dd. 21.12.2012, tweede editie, p. 86994 tot 87005,

• het koninklijk besluit van 19.12.2012 tot wijziging van het koninklijk besluit nr. 1 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde, gepubliceerd in het BS dd. 31.12.2012, eerste editie, p. 88563 tot 88573.

Naar aanleiding van de voormelde wetswijzigingen, werd door de Administratie van Fiscale Zaken (nu de Stafdienst BEO) de circulaire AFZ nr. 02/2013 van 23.01.2013 houdende een Eerste commentaar van de Wet van 17.12.2012 tot wijziging van het Btw-Wetboek, met bijlage 1, 2 en 3 uitgebracht. De hierin verstrekte commentaar gaat hoofdzakelijk gesteund op de ‘explanatory notes’ die de Europese Commissie en met name de DG TAXUD op 05.10.2011 heeft gepubliceerd (in 21 talen) bij de nieuwe factureringsregels van de voormelde richtlijn 2010/45/EU. Deze toelichting is niet wettelijk bindend, maar wil enkel richtinggevend zijn op een praktische en informele manier.

Het standpunt dat er meer is dan de factuur op zich, inzonderheid wat betreft de uitoefening van het recht op aftrek, werd trouwens onlangs nogmaals bevestigd én uitgebreid in de recent gepubliceerde circulaire 2017/C/64 (nr. E.T. 131.409) van 12.10.2017 betreffende de factuur, voorwaarde voor het uitoefenen van het recht op aftrek inzake btw.

Behoudens de gehele of gedeeltelijke verwerping van het recht op aftrek, kunnen de overtredingen van de wettelijke bepalingen van de artikelen 53, § 2, en 60 van het Btw-Wetboek, ook aanleiding geven tot het opleggen van administratieve geldboeten en desgevallend laattijdigheidsinteresten.

2. Factureringsregels versus bewaringsregels

Bij gebreke aan voldoende uniformiteit ter zake op communautair vlak in het verleden, werd middels artikel 1, 12) van de richtlijn 2010/45/EU, het artikel 219bis ingevoegd in de richtlijn 2006/112/EU, artikel dat de bevoegdheden verduidelijkt van de lidstaten voor de regels die inzake facturering van toepassing zijn, meer bepaald op het vlak van de uitreiking, de inhoud en de maatregelen inzake vereenvoudiging, maar met uitsluiting van de regels in verband met de bewaring van facturen. Deze inzake de papieren én elektronische facturering geldende regels werden omgezet via de bepalingen van artikel 53decies, van het Btw-Wetboek (circulaire AAFisc nr. 14/2014 (nr. E.T. 120.000) van 04.04.2014 met betrekking tot de elektronische facturering, basisvoorwaarden, aanbevelingen en voorbeelden).

Beknopt gesteld gelden voor de facturering principieel de regels die van toepassing zijn in de lidstaat waar de levering van het goed of de dienst geacht wordt te zijn verricht, onder voorbehoud weliswaar van hetgeen volgt.

Immers en in afwijking van dit principe, gelden voor de facturering de regels die van toepassing zijn in de lidstaat waar de leverancier of de dienstverrichter de zetel van zijn economische activiteit of een vaste inrichting heeft gevestigd van waaruit hij de levering van het goed of de dienst verricht, of bij gebreke aan een dergelijke zetel of inrichting, waar hij zijn woonplaats of zijn gebruikelijke verblijfplaats heeft, wanneer:

• de leverancier of de dienstverrichter niet gevestigd is in de lidstaat waar de levering van het goed of de dienst geacht wordt te zijn verricht, of zijn vaste inrichting in die lidstaat niet betrokken is bij het verrichten van de levering van het goed of de dienst én de tot voldoening van de belasting gehouden persoon degene is voor wie de levering van het goed of de dienst wordt verricht. Indien in dit geval de afnemer zelf de factuur uitreikt, is evenwel de basisregel van toepassing en is de factuur onderworpen aan de regels die van toepassing zijn in de lidstaat waar de levering van de goederen of de dienstprestatie geacht wordt te zijn verricht.

• de levering van het goed of de dienst niet geacht wordt in de Gemeenschap te zijn verricht

De facturering is dus onderworpen aan de regels die in België van toepassing zijn, indien:

• deze facturering leveringen van goederen of diensten betreft die geacht worden te zijn verricht in België of die plaatsvinden buiten de Gemeenschap én de leverancier of de dienstverrichter zijn zetel van zijn economische activiteit of zijn vaste inrichting van waaruit hij de levering van het goed of de dienst verricht, in België heeft gevestigd

• deze facturering leveringen van goederen of diensten betreft die geacht worden te zijn verricht in België en de leverancier of dienstverrichter de schuldenaar van de belasting is, zelfs als hij niet in België is gevestigd

• de leverancier of de dienstverrichter gevestigd is in een andere lidstaat dan België (hij heeft noch zijn zetel van zijn economische activiteit, noch zijn vaste inrichting van waaruit hij de levering van het goed of de dienst verricht, in België gevestigd) en de afnemer is zowel schuldenaar van de belasting in België als uitreiker van de factuur (self-billing)

• de leverancier of dienstverrichter gevestigd is in België en leveringen van goederen of diensten verricht die geacht worden te zijn verricht in een andere lidstaat, voor een afnemer, gevestigd in die andere lidstaat, die er schuldenaar is van de belasting en die niet zelf de factuur uitreikt

• de leverancier of de dienstverrichter gevestigd is buiten de Gemeenschap (hij heeft noch zijn zetel van zijn economische activiteit, noch zijn vaste inrichting van waaruit hij leveringen van goederen of diensten verricht, gevestigd in België of in een andere lidstaat) en leveringen van goederen of diensten verricht die geacht worden plaats te vinden in België

Voor een beter overzicht van de bevoegdheidsregels inzake van facturering wordt verwezen naar de tabel die vervat gaat onder hoofdstuk II, A, van de voormelde circulaire AFZ nr. 02/2013 van 23.01.2013 houdende een Eerste commentaar van de Wet van 17.12.2012 tot wijziging van het Btw-Wetboek, inclusief bijlage 1, 2 en 3.

Bovendien wordt verwezen naar de tabel in hoofdstuk IV van de circulaire AFZ nr. 53/2013 van 16.12.2013, met betrekking tot de regels van toepassing op de factuur in geval van self-billing.

Bijzondere regels voor de handelingen waarvoor de belastingplichtige gebruik maakt van één van de bijzondere regelingen OSS

In afwijking van deze regel bepaalt artikel 53decies, § 1, vierde lid, (nieuw) van het Btw-Wetboek, van toepassing vanaf 01.07.2021, dat de bevoegde lidstaat diegene is waar de belastingplichtige die gebruikmaakt van één van de bijzondere regelingen van het OSS-systeem bedoeld in titel XII, hoofdstuk 6, van richtlijn 2006/112/EG (regeling EU, niet-EU of invoerregeling), voor de toepassing van die regeling is geïdentificeerd.

De plaats waar de bedoelde handeling voor btw-doeleinden geacht wordt plaats te vinden heeft geen belang; die kan dus ook plaatsvinden in een andere lidstaat dan degene waarin de belastingplichtige voor de toepassing van de bijzondere regeling is geïdentificeerd.

Deze regel heeft tot doel de regels inzake aangifte, betaling en facturering van handelingen waarvoor de belastingplichtige gebruik maakt van één van deze bijzondere regelingen inzake territoriale bevoegdheid op elkaar af te stemmen.

Voor een gedetailleerde omschrijving van die bepalingen wordt verwezen naar hoofdstuk 16, Afdeling 10, titels 2, 3 en 4.

Echter, de lidstaat die bevoegd is voor de factureringsregels is daarom niet altijd dezelfde als de lidstaat die bevoegd is voor de regels inzake de bewaring van de facturen.

3. Verplichting tot het uitreiken van een factuur of een als zodanig geldend stuk

A. Principe

Overeenkomstig artikel 53, § 2, eerste lid, van het Btw-Wetboek, dient de belastingplichtige die andere leveringen van goederen of diensten verricht dan die welke krachtens artikel 44, van het Btw-Wetboek, zijn vrijgesteld en andere dan die welke bedoeld zijn in artikel 135, lid 1, punten a) tot g) van richtlijn 2006/112/EG, een factuur uit te reiken aan zijn medecontractant en een kopie ervan op te stellen of ervoor te zorgen dat in zijn naam en voor zijn rekening, door zijn medecontractant of een derde een factuur wordt uitgereikt en een kopie daarvan wordt opgesteld:

• wanneer hij een levering van goederen of een dienst heeft verricht voor een belastingplichtige of een niet-belastingplichtige rechtspersoon

• wanneer hij een levering van goederen heeft verricht bedoeld in artikel 15, §§ 1 of 2, voor elke niet-belastingplichtige natuurlijke persoon, behalve wanneer hij gebruikmaakt van de bijzondere regeling bedoeld in titel XII, hoofdstuk 6, afdeling 3, van de richtlijn 2006/112/EG;

(regeling OSS (regeling EU of OSS Unie) voor de intracommunautaire afstandsverkopen)

Voor een omschrijving van de regels van toepassing inzake de factureringsverplichting voor de belastingplichtigen die afstandsverkopen van goederen verrichten die plaatsvinden op basis van artikel 15, §§ 1 of 2, en die zich al dan niet beroepen op één van de bijzondere regelingen bedoeld in de artikelen 58quater en 58quinquies, van het Btw-Wetboek, wordt verwezen naar hoofdstuk 16, Afdeling 10, titels 2 en 3.

• wanneer hij een in artikel 39bis, eerste lid, 2°, van het Btw-Wetboek bedoelde intracommunautaire levering van nieuwe vervoermiddelen in de zin van artikel 8bis, § 2, van het Btw-Wetboek, heeft verricht voor elke niet-belastingplichtige persoon

• wanneer de belasting opeisbaar wordt over de gehele of een deel van de prijs van de handeling, bij toepassing van de artikelen 17, § 1, derde lid en § 4 en 22bis, § 1, derde lid, § 2, tweede lid en § 4, van het Btw-Wetboek, vooraleer een levering van een goed of een dienst bedoeld in 1° en 2°, wordt verricht

Opdat een belastingplichtige verplicht zou zijn een factuur uit te reiken is het evenwel niet voldoende dat hij een goed levert of een dienst verricht. De factureringsplicht geldt immers enkel en alleen ten aanzien van de handelingen die worden verricht in de uitoefening van zijn economische activiteit. Daarbij moet geen onderscheid worden gemaakt naargelang de afnemer een belastingplichtige is, een in artikel 44 van het Btw-Wetboek bedoelde belastingplichtige, een niet belastingplichtige rechtspersoon of om 't even welke andere persoon of nog naargelang de handeling effectief aan de belasting onderworpen is, vrijgesteld is krachtens de artikelen 39 tot 42 van het Btw-Wetboek of eenvoudig niet belastbaar omdat zij niet hier te lande plaatsvindt.

Wat de btw-eenheden in de zin van artikel 4, § 2, van het Btw-Wetboek betreft, rust de verplichting om een factuur uit te reiken op het lid dat de handeling verricht waarvoor, krachtens hetgeen voorafgaat, verplicht een factuur moet worden uitgereikt. De verplichting om overeenkomstig artikel 53, § 2, eerste lid, van het Btw-Wetboek, een factuur uit te reiken, heeft geen betrekking op de handelingen die het lid van een btw-eenheid verricht met andere leden van dezelfde btw-eenheid.

Van de factuur dient ook steeds een kopie te worden opgemaakt.

Voorbeelden:

• Een groothandelaar in kosmetische producten die scheercrème, tandpasta, enzovoort, verkoopt aan een haarkapper, is verplicht een factuur uit te reiken.

• Diezelfde groothandelaar is tevens verplicht een factuur uit te reiken wanneer die haarkapper bij de bestelling een voorschot betaalt. In dit geval is de belasting immers verschuldigd over het bedrag van het ontvangen voorschot.

• De handelaar in kosmetische producten is niet verplicht een factuur uit te reiken wanneer hij uit zijn privéverzameling een schilderij verkoopt, zelfs niet wanneer de koper een belastingplichtige is (bijvoorbeeld een handelaar in kunstvoorwerpen). In dit geval handelt de verkoper immers niet in de uitoefening van zijn activiteit waarvoor hij belastingplichtige is.

• Wanneer deze groothandelaar een goed zou verkopen dat hij in de uitoefening van zijn activiteit als belastingplichtige heeft gebruikt, is hij echter wel verplicht een factuur uit te reiken. Dit zou onder meer het geval zijn wanneer hij een door hem gebruikt kasregister verkoopt aan een belastingplichtige of een niet-belastingplichtige rechtspersoon.

• Een fabrikant van machines verkoopt een machine aan een in Frankrijk gevestigde firma. Hij verricht zelf het vervoer van de machine naar zijn afnemer in Frankrijk. Hoewel deze handeling krachtens artikel 39bis, 1°, van het Btw-Wetboek vrijgesteld is, dient de fabrikant een factuur uit te reiken.

• Diezelfde fabrikant ontvangt, voor dezelfde handeling, een voorschot van zijn Franse afnemer. Aangezien de ontvangst van het voorschot in dit geval geen aanleiding geeft tot het opeisbaar worden van btw (artikel 17, § 2, van het Btw-Wetboek), is de fabrikant er niet toe gehouden een factuur uit te reiken voor het ontvangen voorschot (artikel 53, § 2, eerste lid, 4°, van het Btw-Wetboek).

B. Tijdstip van uitreiking

a. Belang

Een factuur wordt geacht te zijn uitgereikt wanneer de leverancier of de dienstverrichter, een derde die optreedt in diens naam, of de afnemer zelf bij self-billing, de factuur beschikbaar stelt zodat deze door de afnemer kan ontvangen worden. Bovendien is het vaststellen van de datum waarop de factuur wordt geacht te zijn uitgereikt belangrijk, zowel voor de leverancier/dienstverrichter die de verplichting heeft om een factuur uit te reiken binnen de voorgeschreven periode, maar ook voor de ontvanger die verplichtingen heeft met betrekking tot de bewaring van facturen (circulaire AFZ nr. 02/2013 van 23.01.2013 houdende een Eerste commentaar van de Wet van 17.12.2012 tot wijziging van het Btw-Wetboek, randnummers 45 en 46.

b. Wettelijke termijn voor de diensten en leveringen van goederen andere dan vrijgestelde intracommunautaire leveringen van goederen en andere dan de diensten bedoeld in artikel 22, § 2, van het Btw-Wetboek

Artikel 4, § 1, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd, bepaalt dat de factuur en het in artikel 3, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd, bedoeld stuk moeten worden uitgereikt of opgesteld uiterlijk de vijftiende dag van de maand na die waarin het belastbare feit van de belasting heeft plaatsgevonden overeenkomstig de artikelen 16 en 22 van het Btw-Wetboek.

In afwijking van het eerste lid, worden de factuur en het in artikel 3, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd, bedoeld stuk respectievelijk uitgereikt of opgesteld uiterlijk de vijftiende dag van de maand na die waarin de belasting overeenkomstig de artikelen 17, § 1, derde lid en § 4, en 22bis, § 1, derde lid en § 4, van het Btw-Wetboek, opeisbaar wordt over het geheel of een deel van de prijs.

Een factuur van 10 februari zal aldus evengoed op een levering van 31 januari als op een levering van 6 januari kunnen slaan, met dien verstande dat de belastingplichtige maandaangever, die op 10 februari een factuur uitreikt met betrekking tot handelingen van januari, deze handelingen moet opnemen in zijn periodieke aangifte betreffende de maand februari, het is te zeggen op het moment waarop overeenkomstig artikel 17, § 1, van het Btw-Wetboek, de belasting opeisbaar wordt. De datum van de levering moet overigens steeds op de factuur worden vermeld. De afnemer, die op 10 februari een factuur betreffende leveringen van januari ontvangt, kan in de hypothese dat hij maandaangever is, pas ten vroegste de btw die erop is vermeld in aftrek brengen in zijn aangifte betreffende de handelingen van de maand februari (artikel 2, 1°, van het koninklijk besluit nr. 3, voornoemd).

Zoals hiervoor gesteld, moet de belastingplichtige die een onttrekking of een ingebruikneming als bedoeld in artikel 12 of een handeling die door artikel 19 van het Btw-Wetboek met een dienst wordt gelijkgesteld verricht, een stuk opmaken dat die handeling vaststelt uiterlijk de vijftiende dag van de maand na die waarin de belasting opeisbaar wordt over het geheel of een deel van de prijs. Ook het lid van de btw-eenheid aan wie een in artikel 19bis van het Btw-Wetboek bedoelde dienst wordt verstrekt is gehouden om binnen diezelfde termijn als voormeld een stuk op te maken dat die handeling vaststelt (artikelen 3 en 4, § 1, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd).

Het voor de handelingen, verricht tussen leden van een btw-eenheid, op te maken stuk moet eveneens worden uitgereikt uiterlijk de vijftiende dag van de maand na die waarin het goed of de dienst aan een ander lid werd verstrekt. Evenwel, wanneer de prijs of een deel ervan werd ontvangen vóór de levering van het goed of het verrichten van de dienst, moet het stuk worden uitgereikt uiterlijk de vijftiende van de maand na die van de ontvangst van de prijs of een deel ervan (artikel 4, § 4, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd).

c. Wettelijke termijn voor de intracommunautaire leveringen van goederen

Voor de intracommunautaire leveringen van goederen, moeten de factuur en het in artikel 2 bedoelde stuk, overeenkomstig artikel 4, § 2, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd, worden uitgereikt respectievelijk opgesteld uiterlijk de vijftiende dag van de maand na die waarin de levering werd verricht.

Een factuur van 10 februari, waarop de datum van het belastbare feit van de intracommunautaire levering steeds moet worden vermeld, zal aldus evengoed op een intracommunautaire levering van 31 januari als op een intracommunautaire levering van 6 januari kunnen slaan, met dien verstande dat de belastingplichtige, die op 10 februari een factuur uitreikt met betrekking tot handelingen van januari, deze handelingen moet opnemen in zijn periodieke aangifte met betrekking tot de maand februari zo hij maandaangever is (de belasting wordt opeisbaar op 10 februari. De belastingplichtige verwerver die op 10 februari een factuur betreffende intracommunautaire leveringen van januari ontvangt, moet, via zijn aangifte betreffende de handelingen van de maand februari, binnen de wettelijke termijn de betaling van de btw verrichten en kan, in voorkomend geval, de aftrek van de btw uitoefenen.

d. Wettelijke termijn voor de doorlopende leveringen en diensten

Voor de leveringen van goederen bedoeld in artikel 16, § 2, eerste lid, van het Btw-Wetboek en de diensten bedoeld in artikel 22, § 2, eerste lid, van het Btw-Wetboek, die aanleiding geven tot opeenvolgende afrekeningen of betalingen, wordt de factuur uitgereikt uiterlijk de vijftiende dag van de maand na het verstrijken van de periode waarop de afrekening of de betaling betrekking heeft (artikel 4, § 3, eerste lid, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd). Bedoeld worden hier onder andere de leveringen van gas, elektriciteit, water en de verstrekking van telecommunicatiediensten zoals telefonie en internet.

Voor doorlopende diensten die gedurende een periode langer dan één jaar geen aanleiding geven tot afrekeningen of betalingen in die periode, bedoeld in artikel 22, § 2, tweede lid, van het Btw-Wetboek, wordt de factuur uitgereikt uiterlijk de vijftiende dag na het verstrijken van elke kalenderjaar (artikel 4, § 3, tweede lid, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd).

e. Bijzonder geval: werk in onroerende staat

Inzake werk in onroerende staat ontstaan er dikwijls na het feitelijk beëindigen van het werk betwistingen tussen de partijen omtrent de omvang en de kwaliteit ervan, zodat het soms moeilijk is de juiste datum vast te stellen waarop het werk overeenkomstig de bepalingen van het contract voltooid werd. Om deze reden zal er geen kritiek worden uitgebracht wanneer de factuur is uitgereikt uiterlijk op het einde van de derde maand na die waarin de aannemer heeft opgehouden te werken (schriftelijke parlementaire vraag nr. 49 van de heer Senator Alfons Verbist van 28.03.1972). Het hoeft evenwel geen betoog dat indien vóór het verstrijken van de hier bedoelde termijn aan de aannemer een betaling wordt gedaan, dit feit de belasting opeisbaar maakt over het ontvangen bedrag en een factuur moet worden uitgereikt binnen de termijn gesteld onder subrubriek a, hiervoor.

C. Facturering van de leveringen van goederen en de diensten verricht voor natuurlijke personen die ze bestemmen voor hun privégebruik

a. Principe

Uit de lezing van artikel 53, § 2, van het Btw-Wetboek volgt dat er in hoofde van de belastingplichtige geen verplichting bestaat tot het uitreiken van een factuur met betrekking tot de levering van goederen of het verstrekken van diensten aan een natuurlijke persoon die deze goederen of diensten bestemt voor zijn privégebruik.

Deze niet-verplichting tot het uitreiken van een factuur betreft dus de aankopen, verricht door natuurlijke personen, al dan niet btw-belastingplichtigen, wanneer zij deze goederen of diensten bestemmen voor hun privégebruik.

Worden dus niet bedoeld: de aanschaf van goederen en diensten door al dan niet btw-belastingplichtige rechtspersonen (bijvoorbeeld een handelsvennootschap, een vzw, openbare instellingen, verenigingen en federaties, kloostergemeenschappen, hospitalen, scholen, enzovoort).

Voorbeeld:

• Verkoop van een slaapkamer door een kleinhandelaar in meubelen aan een loontrekkende, een slager, een notaris: er is ontheffing van de factureringsplicht.

• Dezelfde meubelhandelaar verkoopt een kantoormeubel aan een arts of een tandarts: deze personen zijn belastingplichtigen die door artikel 44 van het Btw-Wetboek vrijgestelde handelingen verrichten en die handelen in de uitoefening van hun economische activiteit: er is dus geen ontheffing van factureringsplicht.

b. Vrijwillige facturering

De belastingplichtige behoudt de mogelijkheid om een factuur uit te reiken wanneer er daartoe geen verplichting is. Zijn keuze heeft evenwel gevolgen ten aanzien van zijn boekhoudkundige en fiscale verplichtingen, waar die factuur verplicht alle factuurvermeldingen van artikel 5, § 1 van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd, moet bevatten én worden ingeschreven in het boek voor uitgaande facturen van de belastingplichtige.

c. Tijdstip waarop de belasting opeisbaar wordt

Wanneer de belastingplichtige die niet gehouden is een factuur uit te reiken, er daadwerkelijk geen uitreikt, volgt hieruit geen belastingvrijstelling: de btw blijft opeisbaar overeenkomstig de artikelen 17, § 3, en, 22bis, § 3, van het Btw-Wetboek over het ontvangen bedrag op het tijdstip waarop de betaling of de subsidies als bedoeld in artikel 26, eerste lid, van het Btw-Wetboek worden ontvangen.

Wanneer de belastingplichtige, hoewel hij niet gehouden is een factuur uit te reiken, toch een factuur uitreikt aan een natuurlijke persoon die handelt voor privédoeleinden, wordt de belasting opeisbaar volgens diezelfde regels.

d. Boekhoudverplichtingen

Wanneer de belastingplichtige, voor handelingen met natuurlijke personen die de hen verstrekte goederen of diensten voor hun privégebruik bestemmen, daadwerkelijk geen factuur uitreikt, moet hij, met het oog op de aangifte en de betaling van de opeisbare belasting, de ontvangsten met betrekking tot deze handelingen inschrijven in een dagboek van ontvangsten.

Zodoende is ook de notaris verplicht om de handelingen waarvoor hij niet gehouden is een factuur op te maken en waarvoor hij er daadwerkelijk geen uitreikt (bijvoorbeeld het opstellen van een aangifte van nalatenschap en/of de verdeling van een nalatenschap), in te schrijven in het dagboek van ontvangsten dat de notaris moet houden op grond van artikel 14, § 2, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd. Artikel 15, § 2, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd, bepaalt dat de inschrijvingen in het dagboek van ontvangsten gesteund moeten zijn op gedateerde verantwoordingsstukken (schriftelijke parlementaire vraag nr. 248 van de heer Volksvertegenwoordiger Christian Brotcorne van 08.03.2012). Aangezien er geen factuur wordt uitgereikt (door de notaris), kan er op het duplicaat van het (door hem af te leveren fiscaal) ontvangstbewijs ook geen nummer van inschrijving (van die factuur) in het boek voor uitgaande facturen worden vermeld. De hiervoor voorbehouden plaats blijft dan ook ontdaan van elke inschrijving (schriftelijke parlementaire vraag nr. 247 van de heer Volksvertegenwoordiger Christian Brotcorne van 07.03.2013).

Wanneer de belastingplichtige over meerdere bedrijfszetels beschikt, moet hij een dagboek van ontvangsten houden per bedrijfszetel en moet hij bovendien een centralisatiedagboek houden waarin hij op het einde van elke aangifteperiode, per tarief, het totaalbedrag van de ontvangsten inschrijft van dat tijdvak, ingeschreven in de verschillende dagboeken van ontvangsten (artikel 14, § 2, eerste lid, 3°, en vierde lid, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd).

In de regel worden de ontvangsten niet handeling per handeling ingeschreven, maar wel gegroepeerd per dag en per tarief. In sommige gevallen is een afzonderlijke inschrijving evenwel verplicht.

Wanneer de belastingplichtige, hoewel hij er niet toe is gehouden, toch een factuur uitreikt aan een natuurlijke persoon die de hem verstrekte goederen of diensten bestemt voor zijn privégebruik, dan moeten de betrokken ontvangsten niet in het dagboek van ontvangsten worden ingeschreven, vermits die factuur in het boek voor uitgaande facturen dient ingeschreven te worden en de opeisbare belasting aldus in de periodieke aangifte opgenomen zal worden (artikel 14, § 2, 2°, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd).

In dit kader kan worden vermeld dat bepaalde belastingplichtigen die overeenkomstig de btw-reglementering geen factuur moeten uitreiken aan hun klanten, mits naleving van de daartoe gestelde voorwaarden, gebruik kunnen maken van een kasregister en dus de gegevens van de door hen verrichte handelingen uitsluitend op digitale wijze kunnen bewaren. Het onmiddellijk uitreiken van een kassaticket aan de klant voor elke verrichte handeling is één van deze voorwaarden. Zij zijn ervan ontheven om per bedrijfszetel een dagboek van ontvangsten bij te houden. Het bijhouden van een centralisatieregister blijft wel verplicht (beslissing nr. E.T. 103.018 van 27.06.2002 en 02.06.2003 en de beslissing nr. E.T. 103.592 van 02.06.2003).

De administratie aanvaardt dat dit kassaticket wordt uitgereikt aan de klant hetzij op papier onder de voorwaarden vastgelegd door de beslissing nr. E.T. 103.018 van 27.06.2002 en 02.06.2003, hetzij op digitale wijze indien alle daartoe gestelde voorwaarden worden gerespecteerd (beslissing nr. E.T. 124.772 van 20.10.2014).

D. Uitzonderingen op de mogelijkheid om geen factuur uit te reiken

Overeenkomstig artikel 1 van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd, moet voor de volgende handelingen, wanneer ze overeenkomstig de artikelen 14, 14bis, 15 en 21bis van het Btw-Wetboek plaatsvinden in België of wanneer, vóór de handeling, de belasting opeisbaar wordt over de gehele of een deel van de prijs van de handeling bij toepassing van de artikelen 17, § 1, derde lid, en 22bis, § 1, derde lid, van het Btw-Wetboek, altijd een factuur worden uitgereikt, zelfs indien de medecontractant een natuurlijke persoon is die handelt voor privédoeleinden:

1. de leveringen:

a. van voor personen- of goederenvervoer bestemde nieuwe of tweedehandse landvoertuigen, voorzien van een motor met een cilinderinhoud van meer dan 48 kubieke centimeter of met een vermogen van meer dan 7,2 kilowatt, alsmede hun aanhangwagens, met inbegrip van de auto’s voor dubbel gebruik en de kampeerwagens

b. van jachten en plezierboten

c. van vliegtuigen, watervliegtuigen, hefschroefvliegtuigen, zweefvliegtuigen, vrije of bestuurbare luchtballonnen en andere dergelijke luchtvaartuigen, ongeacht of ze zwaarder of lichter zijn dan de lucht, met of zonder motor

2. de leveringen van goederen bedoeld in artikel 1, § 9, van het Btw-Wetboek alsook de vestigingen, overdrachten en wederoverdrachten van zakelijke rechten op zulke goederen die niet overeenkomstig artikel 44, § 3, 1°, van het Btw-Wetboek van de belasting zijn vrijgesteld.

Hier worden de nieuwe gebouwen in de zin van het Btw-Wetboek bedoeld alsmede de vestigingen, overdrachten en wederoverdrachten van zakelijke rechten met betrekking tot dergelijke gebouwen.

3. de in artikel 20, § 2, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd, vermelde handelingen.

Het betreft alle werk in onroerende staat in de zin van artikel 19, § 2, van het Btw-Wetboek alsmede een aantal onderscheiden handelingen met betrekking tot onroerende goederen uit hun aard.

4. de leveringen van goederen en de diensten bestemd voor de oprichting van een gebouw bedoeld in artikel 64, § 4, van het Btw-Wetboek

5. de verkopen op afbetaling en de huurkopen.

Voor de toepassing van dit 5°, dient onder verkoop op afbetaling meer bepaald te worden verstaan ieder contract van kredietverstrekking dat, ongeacht de benaming of de vorm ervan, aanleiding geeft tot de verwerving van lichamelijke goederen of diensten en waarvan de prijs voldaan wordt, bij wege van periodieke betalingen, in minstens drie termijnen, het voorschot niet inbegrepen.

Het stuk (contract) waarbij de handeling verplicht wordt vastgesteld, mag als factuur gelden op voorwaarde dat alle vermeldingen erop voorkomen die vereist zijn opdat het voor de toepassing van de btw als een factuur zou worden aangemerkt. In dat geval moet het opschrift van het stuk worden aangevuld met het woord ‘factuur’. De maatstaf van heffing omvat noch de bedongen interesten, noch de kosten inherent met de dienstverrichting (aanschrijving nr. 2/1983 van 08.02.1983, randnummer 8).

6. de leveringen:

a.van goederen die, gelet op de aard ervan, de wijze waarop zij worden aangeboden, de verkochte hoeveelheden of de toegepaste prijzen, kennelijk bestemd zijn voor een economisch gebruik.

Ter zake dient aangestipt dat als kennelijk bestemd voor een handels- of beroepsgebruik (m.a.w. een economisch gebruik) moeten worden aangemerkt de goederen die uitsluitend of in hoofdzaak voor gebruik of verhandeling in een handelszaak of de uitoefening van een beroepsactiviteit in aanmerking komen of waarvan de wijze van aanbieding, zoals verpakking, gebruiksaanwijzing, hoeveelheden, expliciet of impliciet op zodanig gebruik of zodanige verhandeling is ingesteld (bijvoorbeeld gespecialiseerd gereedschap, kopieermachines, elektrische meet- en controletoestellen, leder en rubber in grote platen, producten zoals verbeteraars die speciaal worden bereid voor gebruik door bakkers, banketbakkers of andere ambachtslui, cosmeticaproducten voor haarkappers- en kapsters, spijkers en schroeven voor schrijnwerkers en andere vaklui, jam en bereide vruchten voor banketbakkers, andere producten waarvan de aard en de wijze van aanbieding doen blijken dat het gaat om leveringen in hoeveelheden die de normale behoeften van particulieren overstijgen) (aanschrijving nr. 95/1971 van 08.06.1971).

Zo heeft het Hof van Beroep van Brussel geoordeeld dat, gelet op de hoeveelheid geleverde vaten bier aan particulieren, er mag worden van uitgegaan dat de vaten bestemd waren voor economisch gebruik, waardoor een factuur diende opgemaakt te worden overeenkomstig artikel 1, §1, 6° van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd (Arrest van het hof van beroep te Brussel nr. B06/2 van 21.09.2006).

Goederen zijn daarenboven, door hun aard of wijze van aanbieding, alleen dan niet meer kennelijk voor handels- of beroeps- (economisch) gebruik bestemd wanneer ze in zulke mate ook door particulieren worden gekocht dat bij het publiek, wanneer het met die goederen of die wijze van aanbieding wordt geconfronteerd, geen spontane associatie met handels- of beroepsgebruik wordt gewekt (Arrest van het Hof van Cassatie nr. C.02.0245.F van 21.11.2003).

b.van goederen van dezelfde soort als deze waarin de verkrijger handel drijft of die hij normaal bestemt voor de uitoefening van zijn economische activiteit.

Dit laatste geldt zelfs al verklaart de verkrijger te kopen als particulier, voor zijn privégebruik (bijvoorbeeld de aankoop van levensmiddelen door een kruidenier, van parfumerie-artikelen door een kapper …) (aanschrijving nr. 109/1972 van 20.11.1972, randnummer 3).

7. de leveringen verricht in inrichtingen of op plaatsen die normaal niet toegankelijk zijn voor particulieren.

Bedoeld worden hier de inrichtingen die, in principe, slechts toegankelijk zijn voor andere kopers dan particulieren, zelfs indien uitzonderlijk bepaalde particulieren worden toegelaten. Dit geldt bijvoorbeeld voor de inrichtingen die ‘cash and carry’ worden genoemd of voor de verkoopzalen of veilingen waarvan de toegang voorbehouden is aan handelaars of ambachtslieden (aanschrijving nr. 95/1971 van 08.06.1971, randnummer 9).

Echter, de ondernemingen die aan hun personeelsleden goederen leveren zijn ontheven van de verplichting om deze verkopen door facturen vast te stellen op voorwaarde dat de handelingen afzonderlijk worden opgetekend in een register of op lijsten (met vermelding van datum, naam en adres van de kopers, geleverde goederen, totale prijs en tarief) die voor ieder aangiftetijdvak worden opgesteld. Deze afwijking geldt niet voor de handelingen bedoeld in 1°, 2°, 3°, 5° en 9°, b, van onderhavige rubriek D (aanschrijving nr. 119/1971 van 29.07.1971).

8. de leveringen verricht door voortbrengers- of grossiersbedrijven.

In dit geval moet er steeds een factuur worden uitgereikt en dit ongeacht of zo’n bedrijf al dan niet bijzonder ingericht is voor de verkoop in het klein en of de medecontractant een natuurlijke persoon is die handelt voor privédoeleinden (Arrest van het hof van beroep te Antwerpen, van 08.02.2005).

Om te voorkomen dat een onderneming haar kosten en administratieve lasten zou zien toenemen, staat de administratie evenwel een afwijking toe voor zover de onderneming bestaat uit twee bedrijfsafdelingen in de zin van artikel 11 van het Btw-Wetboek en de ondernemer binnen zijn onderneming, doch onafhankelijk van elkaar zowel een ‘groothandel’ als een ‘kleinhandel’ uitbaat die, vanuit technisch oogpunt beide in staat zijn door eigen middelen te functioneren (schriftelijke parlementaire vraag nr. 232 van de heer Senator Luk Vandenberghe van 08.04.1997).

Te dien einde en met het oog op de beoordeling van het al dan niet bestaan van twee afzonderlijke bedrijfsafdelingen onderzoekt de administratie, geval per geval, iedere bijzondere situatie die haar wordt voorgelegd, rekening houdend met alle omstandigheden eigen aan de zaak in kwestie.

In bevestigend geval – er is met andere woorden sprake van een aparte winkelinrichting geschikt voor de verkoop in het klein en die vrij toegankelijk is voor particulieren - en onder voorbehoud van de andere bepalingen van artikel 1 van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd, mag de handelaar gebruik maken van de ontheffing van de factureringsplicht voor zijn leveringen aan particulieren, op voorwaarde dat hij voor iedere handeling waarvoor hij gebruik maakt van deze ontheffing, in zijnen hoofde kan aantonen dat hij effectief als kleinhandelaar heeft gehandeld ten overstaan van een fysieke persoon handelend voor zijn privégebruik, daarbij rekening houdend met de aard van de geleverde goederen, de wijze waarop zij worden aangeboden, de verkochte hoeveelheden en de toegepaste prijzen. Dit bewijs kan worden geleverd met alle middelen van het gemeen recht, met uitzondering van de eed. Het kan inzonderheid bestaan uit de dubbels van de door de leverancier opgemaakte en uitgereikte stukken (bijvoorbeeld kastickets).

Anderzijds, wanneer een handelaar zich op enigerlei wijze (bijvoorbeeld door middel van reclame) in de relatie met potentiële klanten uitgeeft als voortbrenger of grossier, ofschoon hij dit in werkelijkheid niet is, moet die handelaar als dusdanig worden aangemerkt voor de toepassing van het bepaalde in het vorige lid. Dit geldt zelfs wanneer hij zich als dusdanig uitgeeft in de relatie met bepaalde potentiële klanten en niet met andere potentiële klanten.

Opgemerkt wordt dat de ontheffing van de factureringsplicht in hoofde van een onderneming voor de aan haar personeelsleden verrichte leveringen van goederen onder de in 7°, tweede lid, hiervoor vermelde voorwaarden, is eveneens toepasselijk op de in dit 8° bedoelde handelingen.

Bovendien heeft de administratie, gelet op de praktische en bedrijfsorganisatorische moeilijkheden eigen aan die sector, aanvaard dat groothandelaars in bouwmaterialen geen factuur dienen uit te reiken aan natuurlijke personen die handelen voor privédoeleinden wanneer strikt voldaan is aan de volgende cumulatieve voorwaarden:

• de natuurlijke persoon moet de goederen ter plekke komen afhalen

• er moet een leveringsbon worden uitgereikt met een minimum aan vermeldingen

• een dubbel van de leveringsbon moet door de groothandelaar bewaard worden en is een verplicht verantwoordingsstuk voor de inschrijvingen in het dagboek van ontvangsten

• het maximumbedrag van de totale bestelling van bouwmaterialen bedraagt 500 euro (inclusief btw)

• de levering moet gevolgd worden door de onmiddellijke betaling voor het volledige bedrag via een betaalterminal, met andere woorden op moment van afhalen dient de betaling elektronisch te gebeuren

Een handelaar in bouwmaterialen zal van deze gunstregeling worden uitgesloten wanneer niet zeer strikt voldaan wordt aan alle bovenvermelde voorwaarden, bijvoorbeeld wanneer zou blijken dat de bestelling wordt opgesplitst over verschillende leveringsbonnen ten einde het maximumbedrag van 500 euro (inclusief btw) niet te overschrijden.

Deze regeling geldt onder de hiervoor gestelde voorwaarden als een tolerantie op de factureringsplicht ingevolge artikel 1, 8°, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd, onverminderd de andere bepalingen inzake factureringsplicht voor leveringen en diensten verricht voor natuurlijke personen die ze bestemmen voor hun privégebruik. In die zin zullen de leveringen bedoeld in het artikel 1, 4° en 6°, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd, steeds het voorwerp moeten uitmaken van een factuur (beslissing nr. E.T. 125.414 van 08.10.2014).

Deze algemene factureringsplicht door voortbrengers- en grossiersbedrijven geldt eveneens ongeacht het bedrag of de verkochte hoeveelheden. Wanneer evenwel die factureringsplicht in het kader van bepaalde uitzonderlijke stockverkopen voor de betrokkenen aanleiding zou geven tot praktische problemen, is de administratie steeds bereid geval per geval te onderzoeken of hiervan kan worden afgeweken en of eventueel een vergunning kan worden verleend om de verkopen anderszins te registreren, bijv. door gebruik te maken van een kasregister, en dit onder de door de administratie te bepalen voorwaarden. Rekening houdend met de principiële factureringsplicht kan in casu de aanschaf of het gebruik van een elektronisch kasregister door de administratie niet worden geëist, tenzij het gebruik van dergelijk register noodzakelijk wordt geacht in het kader van een eventuele afwijking op deze plicht. Inzake btw is er geen specifieke meldingsplicht van toepassing en dienen de betrokkenen evenmin een toelating of vergunning aan te vragen voor de bedoelde verkopen (schriftelijke parlementaire vraag nr. 314 van mevrouw de Volksvertegenwoordiger Ingrid Claes van 14.01.2010).

9.

a. de leveringen van onderdelen, toebehoren en uitrustingsstukken voor de onder 1° hiervoor vermelde goederen, wanneer de prijs (btw inbegrepen), meer bedraagt dan 125 euro. Bijvoorbeeld: motoren, lampen, achteruitkijkspiegels, wieldoppen, bagagedragers, brandblusapparaten, banden, batterijen.

b. de werken, andere dan het wassen, verricht aan de in 1° hiervoor vermelde goederen, met inbegrip van de levering van de goederen die worden verbruikt voor de uitvoering van deze werken, wanneer de prijs (btw inbegrepen) meer bedraagt dan 125 euro. Bijvoorbeeld: smeren, verversen van olie, schilderen, geven van een beschermende behandeling, installeren van een alarm- of antidiefstalsysteem.

Met de onder 9, b), hiervoor vermelde werken worden bedoeld elk herstellings- of onderhoudswerk aan de onder 1° hiervoor vermelde voertuigen, daaronder begrepen de eventuele levering van goederen (onderdelen, benodigdheden, smeerolie, enzovoort).

Echter, die bepaling is niet van toepassing op de levering van brandstoffen, noch op de levering van banden of batterijen, met of zonder plaatsing, noch op de levering, zonder plaatsing, van onderdelen. Ze is evenmin van toepassing op de levering van benodigdheden, buiten enig herstellings- of onderhoudswerk, ook al gaat die levering noodzakelijkerwijze gepaard met een bepaald montagewerk (aanschrijving nr. 95/1971 van 08.06.1971, randnummer 12 a).

10. de verrichtingen van verhuizing of meubelbewaring en de bij die handelingen behorende prestaties.

De uitreiking van een factuur is niet alleen verplicht wanneer de dienstverrichter gespecialiseerd is in de verrichtingen van verhuizing of meubelbewaring, maar eveneens wanneer het een andere belastingplichtige is die het voertuig waarover hij beschikt gebruikt om een verhuizing te doen. Met bijhorende prestaties worden o.a. bedoeld: het inpakken, het uitpakken, het uit elkaar nemen, het ineenzetten, het ter beschikking stellen van kisten, zielen of dekens, het wegnemen en terugplaatsen van tapijten, gordijnen, overgordijnen of verwarmingstoestellen (aanschrijving nr. 10/1976 van 25.06.1976).

Op te merken valt dat voor de in de nummers 4°, 5°, 6°, 7°, 8°, 9° b, en 10° hiervoor bedoelde handelingen, de factuur die uitgereikt wordt aan een natuurlijke persoon die de hem verstrekte goederen of diensten bestemt voor zijn privégebruik, het btw-bedrag niet afzonderlijk moet vermelden. Er mag dus inclusief belasting gefactureerd worden en het volstaat het tarief van de btw op de factuur te vermelden. Deze factuur moet dan wel de volgende vermelding dragen: ‘Handeling met een natuurlijke persoon. Prijs gefactureerd btw inbegrepen. Aanschrijving 119/1971’. Wat de levering van gebruikte goederen, kunstvoorwerpen, voorwerpen voor verzamelingen en antiquiteiten evenals de gebruikte vervoermiddelen onder de bijzondere regeling van heffing over de winstmarge bij toepassing van artikel 58, § 4, van het Btw-Wetboek betreft, moet de prijs gefactureerd worden btw inbegrepen. Op de factuur of het als zodanig geldend stuk dient bovendien, naar gelang het geval, de volgende vermelding te worden aangebracht: ‘Bijzondere regeling – gebruikte goederen’, ‘Bijzondere regeling – kunstvoorwerpen’, ‘Bijzondere regeling – voorwerpen voor verzamelingen of antiquiteiten’ (artikel 5, § 1, 10° ter, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd, en de aanschrijving nr. 1/1995 van 02.01.1995 en de aanschrijving nr. 2/1995 van 02.01.1995).

11. de leveringen van goederen en dienstverrichtingen beoogd in artikel 42, § 3, eerste lid, 1° tot 8°, van het Btw-Wetboek (de leveringen van goederen en diensten aan internationale instellingen, diplomaten en ambassades)

12. de leveringen van beleggingsgoud, zoals gedefinieerd in artikel 1, § 8, van het Btw-Wetboek, waarvan het bedrag meer dan 2.500 euro bedraagt, waaronder beleggingsgoud dat belichaamd is in certificaten voor toegewezen of niet-toegewezen goud of dat verhandeld wordt op goudrekeningen, en waaronder, in het bijzonder, goudleningen en swaps, die een eigendoms- of vorderingsrecht op beleggingsgoud belichamen, evenals voor handelingen betreffende beleggingsgoud bestaande in future- en termijncontracten die leiden tot de overdracht van een eigendoms- of vorderingsrecht met betrekking tot beleggingsgoud.

Die maatregel heeft uitsluitend tot doel het uitreiken van een factuur verplicht te maken voor de leveringen van goud die vrijgesteld zijn krachtens artikel 44bis van het Btw-Wetboek en waarvan het bedrag meer dan 2.500 euro bedraagt wanneer de klant een natuurlijk persoon is die dit goud bestemt voor zijn persoonlijk gebruik (aanschrijving nr. 3/2000 van 12.10.2000).

E. Uitreiking van de factuur door de medecontractant (self-billing)

Teneinde rekening te houden met bepaalde bijzondere situaties (situaties waarin met name de medecontractant beter dan zijn leverancier geplaatst is om aan de factureringsverplichting tegemoet te komen, meer bepaald omdat hij over het algemeen vóór hem beschikt over de noodzakelijke gegevens voor het opmaken van de factuur, bijvoorbeeld in de verhouding tussen de suikerraffinaderijen of de melkerijen en hun respectievelijke leveranciers van suikerbieten of van melk) mag de factuur, overeenkomstig artikel 53, § 2, tweede lid, van het Btw-Wetboek, in naam en voor rekening van de leverancier of dienstverrichter worden uitgereikt door de medecontractant voor de aan hem verrichte levering van goederen of de aan hem verstrekte dienst op voorwaarde dat:

1. de partijen voorafgaand onderling overeenkomen om de procedure van self-billing toe te passen. Dit akkoord moet bestaan alvorens de medecontractant de eerste factuur uitreikt of moet uitreiken. Het bestaan zelf van dit voorafgaandelijk akkoord moet steeds, op verzoek van de administratie, kunnen worden aangetoond door elk van de partijen, maar moet niet worden voorgelegd of meegedeeld aan de administratie om geldig te zijn. Om die reden is het aangewezen dat partijen beschikken over een schriftelijk voorafgaand akkoord.

2. elke factuur het voorwerp moet uitmaken van een procedure van aanvaarding door de belastingplichtige die de goederen levert of de diensten verricht. De aanvaarding van een factuur kan, naar keuze van de partijen, hetzij expliciet (uitdrukkelijk), hetzij impliciet (stilzwijgend) gebeuren. De gekozen wijze en termijn van aanvaarding moeten evenmin worden genotificeerd aan of goedgekeurd door de administratie.

3. de Belgische factureringsregels zijn overeenkomstig de bepalingen van artikel 53decies, § 1, van het Btw-Wetboek in geval van self-billing van toepassing voor:

a. alle handelingen verricht in België, en dit ongeacht de plaats waar de leverancier of dienstverrichter of zijn medecontractant gevestigd is

b. alle handelingen die plaatsvinden buiten de Europese Unie die zijn verricht door een leverancier of dienstverrichter gevestigd in België (circulaire AAFisc nr. 53/2013 van 16.12.2013, randnummers 17 tot en met 19)

4. de factuur uitgereikt door de medecontractant zichtbaar dezelfde vermeldingen moet bevatten als de factuur die zou zijn uitgereikt door de leverancier of dienstverrichter, namelijk deze opgesomd in artikel 5, § 1, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd. Verschillend en bijkomend zal ze de in 9°ter van dit artikel bedoelde vermelding ‘Factuur uitgereikt door afnemer’ moeten dragen. In voorkomend geval kan een vereenvoudigde factuur in de zin van artikel 13 van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd, worden uitgereikt.

5. in geval van toepassing van de verlegging van heffing in het kader van self-billing (zie voor de toepassingsvoorwaarden de randnummers 36 en 37 van de circulaire AAFisc nr. 53/2013 van 16.12.2013) stelt de medecontractant de dienst van de administratie belast met de belasting over de toegevoegde waarde waaronder hij ressorteert in kennis van zijn keuze om deze verlegging van heffing toe te passen voor welbepaalde handelingen (alle handelingen van een bepaald type). Correlatief moet de leverancier of dienstverrichter de dienst van de administratie belast met de belasting over de toegevoegde waarde waaronder hij ressorteert de identiteit van al zijn medecontractanten die hebben geopteerd voor deze verlegging, alsmede de aard van de verrichte handelingen meedelen.

De procedure van self-billing is slechts van toepassing in de gevallen waar krachtens het Btw-Wetboek en zijn uitvoeringsbesluiten in beginsel verplicht een factuur moet worden uitgereikt door de belastingplichtige die een goed levert of een dienst verstrekt.

Voor meer details in verband met het bijzondere stelsel van self-billing wordt verwezen naar de circulaire AAFisc nr. 53/2013 van 16.12.2013.

Outsourcing (door de medecontractant) van self-billing is eveneens toegestaan (zie titel 2, rubriek F, infra).

F. Uitreiking van de factuur door een derde in naam en voor rekening van de leverancier/dienstverrichter (outsourcing)

Artikel 53, § 2, van het Btw-Wetboek stelt dat de belastingplichtige hetzij zelf een factuur moet (opmaken en) uitreiken aan zijn medecontractant en een kopie ervan opstellen, hetzij ervoor moet instaan dat in zijn naam en voor zijn rekening door een derde (naar keuze) die factuur wordt uitgereikt aan zijn medecontractant en een kopie daarvan wordt opgemaakt.

Het uitbesteden (outsourcing) van de handeling van het uitreiken van de factuur door een belastingplichtige is bijgevolg toegestaan voor de btw.

De verantwoordelijkheid voor het uitreiken van de factuur, dit wil zeggen het opstellen, het uitreiken en het overhandigen ervan aan de klant, berust eerst en vooral bij de belastingplichtige die de bedoelde handeling verricht. Dit niettegenstaande het feit dat er tussen die laatste en de derde noodzakelijkerwijs en verplicht een voorafgaande overeenkomst wordt gesloten over de uitbesteding van de uitreiking van de facturen van de leverancier/dienstverrichter.

Dergelijke facturen moeten geen specifieke wettelijke vermelding, verwijzend naar die outsourcing, bevatten. Dit belet niet dat de derde op die facturen gewag maakt van zijn coördinaten, gevolgd door een vermelding in de zin van ‘Facturering in naam en voor rekening van X (de leverancier/dienstverrichter)’ en de coördinaten van die laatste. Een dergelijke vermelding, indien aangebracht op de factuur, mag evenwel niet van aard zijn om bij de klant enige verwarring aangaande de tot uitreiking gehouden persoon te veroorzaken.

Opgemerkt wordt dat outsourcing aan een derde, beheerder van een webportaal of elektronisch platform, die voor de via dat portaal/platform verstrekte en betaalde leveringen en diensten verzamelfacturen uitreikt aan zowel de leveranciers/dienstverrichters als aan hun klanten, door de administratie op individuele basis kan worden vergund, mits invulling van een aantal specifieke voorwaarden.

Outsourcing (door de medecontractant) van self-billing is eveneens toegestaan.

G. Bijzondere gevallen van ontheffing van de factureringverplichting

a. Leveringen aan personeel

Aanvaard wordt dat de ondernemingen die aan hun personeelsleden goederen leveren, ontheven zijn van de verplichting om die verkopen door facturen vast te stellen mits ze die handelingen aantekenen in een register of inschrijven op lijsten die voor ieder aangiftetijdvak worden opgesteld. Voor de in dit register of die lijsten op te nemen vermeldingen en de van deze tolerantie uitgesloten handelingen wordt verwezen naar de aanschrijving nr. 119/1971 van 29.07.1971.

Deze tolerantie geldt ook voor wat betreft de aan de btw onderworpen voordelen in natura die een onderneming toestaat aan een personeelslid, zaakvoerder of bestuurder. In dat geval moet de inschrijving preciseren of het de onderneming of de rechthebbende van het voordeel in natura is die de btw ten laste neemt (beslissing nr. E.T. 41.331 van 03.02.1982).

b. Openbaar vervoer

Gelet op de bijzondere omstandigheden waarin de maatschappijen voor openbaar vervoer aan de reizigers vervoerbewijzen uitreiken, zijn deze maatschappijen bij de afgifte van de vervoerbewijzen, reisbiljetten, kaarten, abonnementen die voor beroepsbehoeften worden gekocht, ervan ontheven een factuur uit te reiken (beslissing nr. E.T. 16.172 van 31.07.1975 en schriftelijke parlementaire vraag nr. 963 van de heer Volksvertegenwoordiger Louis Michel van 01.07.1997).

Wat inzonderheid het vervoer per spoor betreft, kunnen btw-plichtige reizigers in de stations een kwitantie krijgen waarbij voor internationale biljetten melding wordt gemaakt van het Belgische aandeel in de prijs van het biljet en van de erop betrekking hebbende btw, begrepen in het bedrag vermeld op het vervoerbewijs (schriftelijke parlementaire vraag nr. 1358 van de heer Volksvertegenwoordiger Jean-Pierre de Clippele van 10.01.1995).

c. Esthetische ingrepen

Ingrepen en behandelingen met een esthetisch karakter zijn met ingang van 01.01.2016 uitgesloten van de btw-vrijstellingen bedoeld in artikel 44, § 1, 1° en § 2, 1°, a), van het Btw-Wetboek. Aangezien die prestaties uitsluitend betrekking hebben op het menselijke lichaam, is de medecontractant van de dienstverrichter steeds een natuurlijke persoon en nooit een rechtspersoon, zelf niet indien de natuurlijke persoon zijn beroepsactiviteit verricht middels deze rechtspersoon.

In het uitzonderlijke geval dat de patiënt in eigen naam en voor eigen rekening een beroepsactiviteit uitoefent waarvoor hij de hoedanigheid van belastingplichtige heeft én de esthetische ingreep of behandeling in enigerlei mate verband heeft met de uitoefening van die activiteit, dient de zorgverlener aan zijn medecontractant een factuur uit te reiken uiterlijk de vijftiende dag van de maand volgend op de maand waarin de esthetische prestatie werd verricht of, indien een bedrag wordt ontvangen voorafgaand aan de datum van de voltooiing van de prestatie, op de datum van de ontvangst van dat bedrag (beslissing nr. E.T. 127.740 van 22.03.2016, randnummers 63 en 64 en beslissing nr. E.T. 127.740/2 van 31.05.2016).

d. Deeleconomie

Bij koninklijk besluit van 07.11.2019 (BS 25.11.2019) worden, in het kader van de vereenvoudiging inzake deeleconomie, de in artikel 50, § 4, van het Btw-Wetboek bedoelde belastingplichtigen ervan ontheven om facturen uit te reiken voor de diensten bestemd voor het privé-gebruik van natuurlijke personen (artikel 1, 2de lid, koninklijk besluit nr. 1 van 29.12.1992).

4. Andere stukken die moeten worden opgemaakt en, in voorkomend geval, overhandigd aan de medecontractant

A. Verplichting een stuk op te maken voor de met leveringen van goederen of dienstverrichtingen gelijkgestelde handelingen en het tijdstip waarop dit stuk moet worden opgemaakt

a. Handelingen gelijkgesteld met een intracommunautaire levering van goederen: de overbrengingen van goederen ter bestemming van een andere lidstaat

Overeenkomstig artikel 12bis van het Btw-Wetboek, wordt de verzending van een lichamelijk goed, buiten België maar binnen de Gemeenschap door een belastingplichtige voor bedrijfsdoeleinden, onder de in dit artikel uiteengezette omstandigheden, gelijkgesteld met een intracommunautaire levering van goederen onder bezwarende titel. Deze stof wordt besproken in hoofdstuk 8, naar hetwelk verwezen wordt (‘Boekwerk II: Bepaling van de belastbare basis en het toepasselijke tarief - Hoofdstuk 8: Vrijstellingen voor uitvoer, intracommunautaire leveringen en verwervingen, invoer en internationaal vervoer’). Deze handelingen moeten, krachtens artikel 2 van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd, vastgesteld worden in een door de belastingplichtige op te maken stuk en kopie ervan. Dit stuk wordt meestal aangeduid met de term ‘overbrengingsstuk’ (circulaire AOIF nr. 38/2006 van 28.08.2006).

Overeenkomstig artikel 4, § 2, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd, moet het stuk dat dient opgemaakt te worden ter vaststelling van die handelingen worden uitgereikt uiterlijk de vijftiende dag van de maand na die waarin de levering werd verricht.

b. Handelingen gelijkgesteld met een andere levering dan een intracommunautaire levering van goederen of met een dienstverrichting

Bepaalde handelingen worden, ingevolge artikel 12, respectievelijk artikel 19 van het Btw-Wetboek, gelijkgesteld hetzij met een levering van goederen in de zin van artikel 10, § 1, van het Btw-Wetboek, hetzij met een dienst in de zin van artikel 18, § 1, van voornoemd Wetboek. Deze handelingen worden uitvoerig behandeld in de ‘Boekwerk I: Belastingplicht en belastbare handelingen - Hoofdstuk 2: Leveringen van goederen en Hoofdstuk 3: Diensten’. Met het oog op de voldoening van de belasting die uit hoofde van deze handelingen opeisbaar is, dient de belastingplichtige, krachtens artikel 3, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd, een stuk op te maken dat de handeling vaststelt.

Voor een dienstprestatie, bedoeld in artikel 19bis (oud) van het Btw-Wetboek, was het lid van de btw-eenheid in de zin van artikel 4, § 2, van het Btw-Wetboek, dat zulke dienst ontving, overeenkomstig artikel 3, tweede lid (oud), van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd, gehouden een stuk op te maken dat deze handeling vaststelt. Het betrof in dit geval de gelijkstelling met een dienst verricht onder bezwarende titel, van het verstrekken van een andere dienst dan die bedoeld in artikel 21, § 3, van het Btw-Wetboek, door een niet in België gevestigde belastingplichtige voor één van zijn vestigingen die lid is van een btw-eenheid in België. Deze verplichting werd opgeheven met ingang op 07.01.2016, als logisch gevolg van de opheffing van artikel 19bis van het Btw-Wetboek op datum van 27.12.2015.

Overeenkomstig artikel 4, § 1, eerste lid van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd, dient het ter vaststelling van dergelijke handelingen op te maken stuk te worden opgesteld uiterlijk de vijftiende dag van de maand na die waarin het belastbare feit heeft plaatsgevonden overeenkomstig de artikelen 16 en 22 van het Btw-Wetboek (onttrekking van een goed of het verrichten van de met een dienst gelijkgestelde handeling).

In afwijking daarvan, moet het in artikel 3, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd, bedoelde stuk worden opgesteld uiterlijk de vijftiende dag van de maand na die waarin de belasting overeenkomstig de artikelen 17, § 1, derde lid, en § 4, en 22bis, § 1, derde lid, en § 4, van het Btw-Wetboek opeisbaar wordt over het geheel of een deel van de prijs.

B. Verplichting voor het lid van een btw-eenheid in de zin van artikel 4, § 2, van het Btw-Wetboek, om een stuk op te maken dat de verstrekking van goederen en diensten aan een ander lid van dezelfde btw-eenheid vaststelt

a. Principe

De handelingen die tot stand komen tussen de leden van eenzelfde btw-eenheid, behoren niet tot het toepassingsgebied van de btw-reglementering. Bijgevolg is er geen btw verschuldigd over die handelingen en moeten zij dan ook niet het voorwerp uitmaken van een factuur, opgesteld binnen de termijn en volgens de vormvoorschriften van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd. Nochtans belet niets het lid dat de handeling verricht om aan zijn medecontractant een volgens de wettelijke voorschriften opgemaakte factuur uit te reiken. In dat geval moet geen enkel ander stuk worden uitgereikt om de handeling tussen de leden vast te stellen (schriftelijke parlementaire vraag nr. 3-6.893 van mevrouw de Senator Clotilde Nyssens van 30.01.2007).

Als er geen factuur wordt opgemaakt is het lid dat de handeling stelt, overeenkomstig artikel 53, § 3, van het Btw-Wetboek, evenwel gehouden aan zijn medecontractant (het andere lid) een bijzonder stuk uit te reiken dat deze handeling vaststelt en een kopie daarvan op te stellen of ervoor te zorgen dat in zijn naam en voor zijn rekening, door zijn medecontractant of door een derde, een dergelijk stuk wordt opgesteld of uitgereikt (circulaire AOIF nr. 42/2007 (nr. E.T. 111.702) van 09.11.2007).

Indien het stuk wordt opgemaakt door de medecontractant in naam en voor rekening van het lid dat de levering of dienst verstrekt, moeten ook de voorwaarden inzake self-billing worden ingevuld.

b. Tijdstip waarop dit stuk moet worden opgemaakt

Dit bijzonder stuk, eveneens intern stuk genoemd, moet aan het lid worden uitgereikt uiterlijk de vijftiende dag van de maand na die waarin het goed of de dienst aan het andere lid werd verstrekt (artikel 4, § 4, eerste lid, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd).

Evenwel, wanneer de prijs of een deel ervan werd ontvangen vóór de levering van het goed of het verrichten van de dienst, wordt het stuk uitgereikt uiterlijk de vijftiende dag van de maand na die van de ontvangst van de prijs of een deel ervan (artikel 4, § 4, tweede lid, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd).

c. Ontheffing van de verplichting om het stuk op te maken

Het lid van de btw-eenheid in de zin van artikel 4, § 2, van het Btw-Wetboek is echter niet gehouden zulk stuk op te maken in de mate waarin het vrijwillig aan het andere lid binnen de termijn, voorzien in artikel 4, § 1, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd, een factuur uitreikt die de in artikel 5, § 1, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd, bedoelde vermeldingen bevat.

Naar analogie met de regel, vervat in artikel 53, § 2, eerste lid, van het Btw-Wetboek inzake de uitreiking van de factuur, eist de administratie de uitreiking van dit stuk niet wanneer de handeling die werd verricht voor een ander lid van de btw-eenheid buiten het stelsel van de btw-eenheid, vrijgesteld zou zijn geweest krachtens artikel 44 van het Btw-Wetboek of zou zijn bedoeld in artikel 135, lid 1, punten a) tot g), van richtlijn 2006/112/EG.

C. Op een belastingplichtige rustende verplichting om een stuk op te maken voor de leveringen van goederen en de diensten die hem werden verstrekt door een niet-belastingplichtige of door een belastingplichtige die niet gehouden is een factuur uit te reiken

a. Verplichting om een stuk op te maken

De belastingplichtige, die leveringen van goederen of diensten verricht, andere dan deze die vrijgesteld zijn door artikel 44 van het Btw-Wetboek, waarvoor hij geen recht op aftrek heeft, stelt op de dag zelf van de handeling een stuk in twee exemplaren op voor de voor zijn economische activiteit bestemde goederen en diensten, die hem onder bezwarende of om niet worden verstrekt door een niet-belastingplichtige of door een belastingplichtige die niet gehouden is een factuur uit te reiken (artikel 10 van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd).

Dit stuk wordt door beide contracterende partijen voor akkoord ondertekend, met vermelding van de hoedanigheid van de ondertekenaars; een exemplaar van het stuk wordt overhandigd aan de leverancier van de goederen of aan de dienstverrichter.

b. Tijdstip van het opmaken van dit stuk

Het in artikel 10, § 1, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd, bedoelde stuk (zie hiervoor) dient de dag zelf van de levering van de goederen of de dienst te worden opgemaakt.

c. Ontheffing van de verplichting om het stuk op te maken

De belastingplichtige is ervan ontheven het in artikel 10, § 1, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd, bedoelde stuk op te stellen, wanneer zijn medecontractant aan hem een stuk uitreikt dat de handeling vaststelt.

Anderzijds heeft de administratie, rekening houdend met de handelspraktijken van bepaalde sectoren, de volgende afwijkingen toegestaan (schriftelijke parlementaire vraag nr. 1.452 van de heer Volksvertegenwoordiger de Jean-Pierre de Clippele van 06.03.1995):

• Voornoemd document mag worden vervangen door andere stukken waaruit het akkoord van de partijen blijkt (contract, ondertekende bestelbon …) of door een document dat de betaling vaststelt (ontvangstbewijs, kwitantie, rekeninguittreksel, document bedoeld in artikel 320 van het Wetboek der Inkomstenbelastingen …), maar voor zover welteverstaan de reden van de betaling kan worden aangetoond.

• In het specifieke geval van onroerende verhuur is de belastingplichtige die een gebouw huurt ervan ontheven om voormeld document op te stellen wanneer het huurcontract geregistreerd is.

• In afwijking van artikel 14, § 2, 1°, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd, moeten de in 1° en 2° hierboven beoogde documenten niet worden ingeschreven in het boek voor inkomende facturen van de belastingplichtige.

Deze afwijkende bepalingen zijn evenwel niet van toepassing op de volgende aan de belastingplichtige verstrekte handelingen:

• leveringen van goederen zoals handelsgoederen, grondstoffen en hulpstoffen

• diensten, werken en studies, in de mate dat deze diensten, werken en studies als zodanig het voorwerp uitmaken van een doorfacturering aan de klanten of rechtstreeks betrekking hebben op de aan klanten gefactureerde producten

• leveringen van bedrijfsmiddelen en dienstverrichtingen die strekken of bijdragen tot de totstandkoming, het omvormen of het verbeteren van een bedrijfsmiddel

D. Stuk op te maken door de belastingplichtigen en de niet-belastingplichtige rechtspersonen die schuldenaar zijn van de belasting en tijdstip waarop dit stuk moet worden opgemaakt

Elke belastingplichtige en niet-belastingplichtige rechtspersoon, die schuldenaar van de belasting is, moet, behalve ingeval de factuur moet worden uitgereikt door de medecontractant in naam en voor rekening van de leverancier of dienstverrichter (self-billing) uiterlijk de vijftiende dag van de maand na die waarin de belasting overeenkomstig de artikelen 16, § 1, 17, § 1, 22, § 1, 22bis, § 1 of 25sexies, § 2, tweede lid, van het Btw-Wetboek opeisbaar wordt, een stuk (ook ‘wachtdocument’ genoemd) opmaken, wanneer zij voor de bedoelde handeling nog niet in het bezit zijn van de factuur of het transfertdocument (overbrengingsstuk) met betrekking tot de handeling op de datum waarop de factuur of het transfertdocument wettelijk moest worden uitgereikt (artikel 9, § 1, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd, en de circulaire AFZ nr. 7/2007 van 07.05.2007):

• voor hun intracommunautaire verwervingen van goederen (artikel 51, § 1, 2°, van het Btw-Wetboek)

• voor de door een niet in België gevestigde belastingplichtige verstrekte diensten waarvan de plaats geacht wordt zich in België te bevinden krachtens artikel 21, § 2, van het Btw-Wetboek (artikel 51, § 2, eerste lid, 1°, van het Btw-Wetboek en ‘Boekwerk I: Belastingplicht en belastbare handelingen - Hoofdstuk 3: Diensten’)

• voor de leveringen van goederen in België, aansluitend op een door een niet in België gevestigde, maar voor de btw in een andere lidstaat geïdentificeerde belastingplichtige verrichte verwerving van goederen, waarvoor de afnemer wordt aangewezen als schuldenaar van de belasting (driehoeksverkeer - artikel 51, § 2, eerste lid, 2°, van het Btw-Wetboek en ‘Boekwerk II: Bepaling van de belastbare basis en het toepasselijke tarief - Hoofdstuk 8: Vrijstellingen voor uitvoer, intracommunautaire leveringen en verwervingen, invoer en internationaal vervoer’)

• voor de door een niet in België gevestigde belastingplichtige verrichte leveringen van goederen of verstrekte diensten (andere dan deze bedoeld in artikel 51, § 2, eerste lid, 1°, 2° en 6°, van het Btw-Wetboek) die hier te lande belastbaar zijn en niet zijn vrijgesteld of worden verricht met vrijstelling van btw ingevolge de artikelen 39 tot 44bis van het Btw-Wetboek, waarvoor de afnemer de btw moet voldoen (artikel 51, § 2, eerste lid, 5°, van het Btw-Wetboek)

• voor de door een niet in België gevestigde belastingplichtige verrichte leveringen van gas via een aardgassysteem of een op een dergelijk systeem aangesloten net op het grondgebied van de Gemeenschap, van elektriciteit of van warmte of koude via warmte- of koudenetten, die overeenkomstig artikel 14bis van het Btw-Wetboek, geacht worden in België plaats te vinden (artikel 51, § 2, eerste lid, 6°, van het Btw-Wetboek)

• voor het werk in onroerende staat verricht door een in België gevestigde belastingplichtige zoals bedoeld in artikel 20 van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd

• voor de leveringen van goud zoals bedoeld in artikel 20bis van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd

• voor de overdracht van broeikasgasemissierechten zoals bedoeld in artikel 20ter van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd

Wanneer zij de factuur of het als zodanig geldend stuk hebben ontvangen dienen dezelfde personen hierop een verwijzing naar het stuk dat zij hebben moeten opmaken (wachtdocument) aan te brengen, en op laatstgenoemd stuk dienen ze een verwijzing naar de factuur of het transfertdocument aan te brengen (artikel 9, § 4, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd).

E. Verbeterende stukken

Ieder document dat wijzigingen aanbrengt in en specifiek en ondubbelzinnig verwijst naar de oorspronkelijke factuur geldt als factuur (artikel 53, § 2, derde lid, van het Btw-Wetboek). Inzake btw heeft het begrip ‘verbeterend stuk’ een ruimere draagwijdte dan het begrip ‘creditnota’ (of ‘debetnota’) (schriftelijke parlementaire vraag nr. 3-6.211 van mevrouw de Senator Clotilde Nyssens van 03.11.2006).

De belastingplichtigen zijn ertoe gehouden om een verbeterend stuk uit te reiken wanneer de factuur, en bijvoorbeeld de verplichte facturen aan particulieren, het overbrengingsstuk of het stuk ter vaststelling van de levering van een goed of een dienst aan hem door een niet-belastingplichtige of een niet tot factureren gehouden belastingplichtige, na de uitreiking ervan moeten worden verbeterd, alsook om een kopie ervan op te maken.

Onder de in artikel 53, § 2, tweede lid, van het Btw-Wetboek bedoelde voorwaarden (inzake van self-billing) mag dit verbeterend stuk worden vervangen door een door de medecontractant opgestelde verbeterende afrekening (artikel 12, § 1 en 4, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd).

Opgemerkt wordt dat, tot 01.01.2013, artikel 53, § 2, derde lid, van het Btw-Wetboek bepaalde dat het verbeterend stuk diende te worden uitgereikt door dezelfde persoon als degene die de oorspronkelijke factuur heeft uitgereikt en dat voornoemd artikel niet in strijd is met richtlijn 2006/112/EG (schriftelijke parlementaire vraag nr. 233 van de heer Volksvertegenwoordiger Christian Brotcorne van 06.03.2012).

De belastingplichtigen en niet-belastingplichtige rechtspersonen zijn ertoe gehouden om een verbeterend stuk op te maken wanneer bijvoorbeeld het stuk tot vaststelling van een onttrekking of een ingebruikneming, het stuk tot vaststelling van de levering van een goed of een dienst aan hem door een niet-belastingplichtige of een niet tot factureren gehouden belastingplichtige, moet worden verbeterd na de inschrijving ervan in het boek voor inkomende facturen of in het voor deze doeleinden gehouden register (artikel 12, § 2, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd).

De genoemde verbeterende stukken moeten een verwijzing bevatten naar de te verbeteren factuur of naar het te verbeteren stuk (artikel 12, § 3, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd).

Voor de toepassing van artikel 10 (van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd), moeten het verbeterend stuk en de kopie ervan voor akkoord worden ondertekend door beide partijen met vermelding van hoedanigheid van de ondertekenaars (artikel 12, § 5, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd).

Aangezien de juiste factuurvermeldingen in principe geen voorwerp kunnen uitmaken van een rechtzetting, zal een uitgereikte factuur in de regel door één enkel document worden verbeterd, nl. het verbeterend stuk, dat zich zal beperken tot het verbeteren of vervolledigen van de foutieve of ontbrekende vermeldingen op deze factuur. In dat geval vormen de onjuiste oorspronkelijke factuur en het verbeterend stuk samen de uitgereikte factuur.

Wanneer echter de oorspronkelijke factuur verkeerdelijk werd opgemaakt op naam van een andere persoon dan de klant van de handeling, dan dient ze volledig geannuleerd te worden door een verbeterend stuk en moet er een nieuwe factuur worden uitgereikt aan de juiste klant.

De administratie aanvaardt evenwel een afwijking op het principe van de verbetering door middel van één enkel stuk zoals hiervoor bedoeld, wanneer de begane vergissing in de oorspronkelijke factuur tot gevolg heeft dat de handeling, geheel of gedeeltelijk, moet worden opgenomen in een ander rooster van Kader II (Uitgaande handelingen: roosters 00 tot en met 47) van de periodieke btw-aangifte. In dat geval staat het de leverancier of de dienstverrichter vrij om deze factuur volledig te annuleren door middel van een creditnota en tegelijkertijd een nieuwe factuur uit te reiken aan zijn medecontractant.

Bijgevolg, wanneer een factuur een fout bevat die geen impact heeft op de maatstaf van heffing of op de verschuldigde btw, dient er een onderscheid te worden gemaakt naargelang het type vergissing dat begaan werd in de uitgereikte, oorspronkelijke factuur:

• Indien de begane vergissing geen aanleiding geeft tot opname van de bedoelde handeling in een ander rooster van Kader II van de periodieke btw-aangifte, dan dient de uitreiker van de oorspronkelijke factuur deze te verbeteren door middel van één enkel stuk. Het verbeterend stuk beperkt zich tot het verbeteren of vervolledigen van de foutieve of ontbrekende vermeldingen op deze factuur.

• Indien de begane vergissing echter leidt tot de opname van de handeling in een ander rooster van Kader II van de periodieke btw-aangifte, dan heeft de uitreiker van de oorspronkelijke factuur de keuze (om) hetzij enkel een verbeterend stuk uit te reiken dat zich beperkt tot het verbeteren of vervolledigen van de foutieve of ontbrekende vermeldingen op deze factuur, hetzij tegelijkertijd een creditnota die de oorspronkelijke factuur volledig annuleert én een nieuwe factuur uit te reiken (schriftelijke parlementaire vraag nr. 102 van de heer Volksvertegenwoordiger Christian Brotcorne van 14.01.2009).

Voor een voorbeeld van de rechtzetting van een factuur middels één enkel verbeterend stuk wordt verwezen naar het antwoord op de schriftelijke parlementaire vraag nr. 429 van de heer Volksvertegenwoordiger Christian Brotcorne van 23.04.2009).

F. Vereenvoudigde facturen

In uitvoering van artikel 53decies, § 2, van het Btw-Wetboek, bepaalt artikel 13, eerste lid, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd, dat belastingplichtigen een vereenvoudigde factuur mogen uitreiken in de volgende gevallen:

• wanneer het bedrag van de factuur niet hoger dan 100 euro is, exclusief btw

• wanneer, onder de voorwaarden te bepalen door de minister van Financiën, de handels- of administratieve praktijken van de betrokken bedrijfssector of de technische voorwaarden waaronder die facturen worden uitgereikt, de naleving bemoeilijken van alle bedoelde verplichtingen

• wanneer het uitgereikte document of bericht met een factuur wordt gelijkgesteld overeenkomstig artikel 53, § 2, derde lid, van het Btw-Wetboek (zie onder 4, E, supra)

De vereenvoudigde factuur moet in elke geval alle vermeldingen, bedoeld in artikel 13, tweede lid, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd, bevatten (zie onder 5, infra).

Een dergelijke vereenvoudigde factuur mag evenwel niet worden uitgereikt voor:

• de leveringen met installatie en montage, bedoeld in artikel 14, § 3, van het Btw-Wetboek

• de verkopen op afstand, bedoeld in artikel 15, §§ 1 en 2, van het Btw-Wetboek

• de intracommunautaire leveringen, bedoeld in artikel 39bis van het Btw-Wetboek

• de intracommunautaire verwervingen, bedoeld in artikel 25ter van het Btw-Wetboek

• de handelingen waarvoor de btw verschuldigd is door de medecontractant krachtens artikel 51, §§ 2 of 4 van het Btw-Wetboek

Deze bepalingen zijn de omzetting van de artikelen 220bis, 221 en 226ter van de btw-richtlijn in Belgisch recht en vervangen sinds 01.01.2013 de vroegere, weze het minder expliciete bepalingen ter zake.

De administratie behoudt desondanks en tot nader order de op het oude versie artikel 13 van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd, gebaseerde afwijkingen inzake factuurvermeldingen. Onder deze afwijkende regelingen wordt onder andere toegestaan dat:

• de landbouwondernemer door een nummer wordt geïdentificeerd op de afrekeningen die door zuivelfabrieken worden gericht aan landbouwondernemers die onderworpen zijn aan de bijzondere landbouwregeling (aanschrijving nr. 56/1971 van 09.04.1971, randnummer 3)

• de distributiebedrijven op hun facturen met betrekking tot hun leveringen van water, gas en elektriciteit en hun bijkomende prestaties, o.a. mogen vermelden: de verbruiksperiode én datum van de meteropname in de plaats van de datum van uitreiking, het abonneenummer als volgnummer, de totale prijs (inclusief btw), het bedrag van de btw en het btw-tarief i.p.v. de maatstaf van heffing, voor de aanduiding van de niet-belastingplichtige klant de vermelding van het bezet onroerend goed of het bezet gedeelte van een onroerend goed of voor een belastingplichtige klant, van diens naam en adres opdat de factuur als regelmatig kan worden beschouwd en gelden als bewijs voor de aftrek (aanschrijving nr. 65/1971 van 27.04.1971, randnummer 1)

• voor de leveringen van brandstoffen waarvan de betaling gebeurt door middel van een BANCONTACT-kaart, de koper kan kiezen tussen de volgende 2 mogelijkheden: de onmiddellijke uitreiking van een vereenvoudigde factuur, analoog aan die voorzien in de aanschrijving nr. 22 van 04.12.1981, of de onmiddellijk uitreiking van een ticket (met vermelding van ‘BTW NIET RECUP’) en de opmaak, voor de leveringen van brandstof verricht gedurende een maand, van een verzamelfactuur die aan de koper wordt uitgereikt uiterlijk de vijfde werkdag van de daarop volgende maand. (Deze termijn is door de wijziging van artikel 4 van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd, voortaan verlengd tot de vijftiende werkdag van de daarop volgende maand. In verband met de vereenvoudigde factuur wordt opgemerkt dat met ingang van 01.01.2013 de bepalingen van artikel 13 van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd, van toepassing zijn.) In verband met de verzamelfactuur wordt opgemerkt dat het de vennootschap BANCONTACT is die maandelijks, voor rekening van de leveranciers van brandstof, opmaakt en uitreikt zowel één verzamelfactuur per klant, bestemd voor die klant en waarin de leveringen verricht door verschillende leveranciers aan die klant zijn opgenomen, als één dubbel van de factuur per leverancier voor de door hem gedane leveringen en waarin leveringen aan verschillende klanten worden opgenomen (aanschrijving nr. 9/1983 van 13.07.1983)

• voor de leveringen van brandstoffen waarvan de betaling gebeurt door middel van een Mister Cash-kaart golden gelijkaardige vereenvoudigingen. Gezien de betrokken debetkaart niet meer bestaat, is deze regeling de facto komen te vervallen (aanschrijving nr. 1/1986 van 14.02.1986)

5. Inhoud en vorm van de factuur en van de verschillende als zodanig geldende stukken

A. Vermeldingen welke de factuur dient te bevatten

De vermeldingen die op een factuur moeten voorkomen worden nauwkeurig opgesomd in artikel 5, § 1, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd. Zij moeten opgenomen worden op elke factuur die wordt uitgereikt waarop de Belgische factureringsregels van toepassing zijn. De vuistregel is dat de lidstaat waar de levering of de dienst plaatsvindt, de factureringsregels bepaalt (artikel 53decies, § 1, eerste lid, van het Btw-Wetboek).

Er zijn echter uitzonderingen op bovenvermelde algemene regel. Zo gelden voor de facturering de regels van de lidstaat waar de leverancier of de dienstverrichter de zetel van zijn economische activiteit of een vaste inrichting heeft gevestigd van waaruit hij de levering van het goed of de dienst verricht, of, bij gebreke van een dergelijke zetel of vaste inrichting, de lidstaat waar de leverancier of dienstverrichter zijn woonplaats of zijn gebruikelijke verblijfplaats heeft, wanneer:

• de leverancier of de dienstverrichter niet gevestigd is in de lidstaat waar de levering van het goed of de dienst geacht wordt te zijn verricht, of zijn vaste inrichting in die lidstaat niet betrokken is bij het verrichten van de levering van het goed of de dienst, en de tot voldoening van de belasting gehouden persoon degene is voor wie de levering van het goed of de dienst wordt verricht.

Wanneer in dat geval de afnemer evenwel zelf de factuur uitreikt (self-billing), moet de algemene regel van het eerste lid van artikel 53decies, § 1, van het Btw-Wetboek, altijd worden toegepast en zal de factuur dus onderworpen zijn aan de regels van toepassing in de lidstaat waar de levering van het goed of de dienst geacht wordt te zijn verricht.

• de levering van het goed of de dienst niet geacht wordt te zijn verricht in de

Gemeenschap

Nog in afwijking van artikel 53, § 1, eerste lid, van het Btw-Wetboek is de facturering onderworpen aan de regels die van toepassing zijn in de lidstaat waar de belastingplichtige die gebruikmaakt van één van de bijzondere regelingen bedoeld in titel XII, hoofdstuk 6, van de richtlijn 2006/112/EG (OSS Unieregeling, OSS niet-Unie-regeling en IOSS), is geïdentificeerd (artikel 53decies, § 1, derde lid, van het Btw-Wetboek).

Voor het gemak worden de vermeldingen hierna voorgesteld in tabelvorm, waar nodig wordt een summiere uitleg verstrekt.

VERPLICHTE VERMELDINGENTOELICHTING
1°Datum van de uitreikingartikel 5, § 1, 1°, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemdDeze datum mag niet later zijn dan de vijftiende dag van de maand na die waarin het belastbare feit van de belasting heeft plaatsgevonden overeenkomstig de artikelen 16 en 22 van het Btw-Wetboek of in afwijking hiervan, uiterlijk de vijftiende dag van de maand na die waarin de belasting overeenkomstig artikel 17, § 1, derde lid en § 4, en 22bis, § 1, derde lid en § 4, van het Btw-Wetboek opeisbaar wordt over het geheel of een deel van de prijs.
2°Volgnummerartikel 5, § 1, 1°, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemdHet volgnummer waaronder de factuur in het boek voor uitgaande facturen wordt ingeschreven. Volgens constante rechtspraak van het Hof van Cassatie moet de factuur het inschrijvingsnummer in het boek voor uitgaande facturen bevatten om de uitoefening van het recht op aftrek van de btw te kunnen laten gelden (Arrest van het Hof van Cassatie nr. C96/3 van 19.09.1996 en het Arrest van het Hof van Cassatie nr. C/005 van 13.10.2000) (circulaire nr. 2017/C/64 (nr. E.T. 131.409) van 12.10.2017)
3°Naam en adres van de belastingplichtige leverancier van goederen of van de dienstverrichter of van het lid van de btw-eenheidartikel 5, § 1, 2°, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd
4°Het btw-identificatienummer van de belastingplichtigeartikel 5, § 1, 2°, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd
5°De identiteit, het adres en de hoedanigheid van de aansprakelijke vertegenwoordiger van de belastingplichtigeartikel 5, § 1, 2°bis, a), van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemdWanneer de belastingplichtige niet in België is gevestigd, schuldenaar is van de belasting en hij hier te lande een aansprakelijke vertegenwoordiger heeft laten erkennen overeenkomstig artikel 55, § 1 of § 2, van het Btw-Wetboek.
6°De identiteit, het adres, het btw-identificatienummer en de hoedanigheid van de vooraf erkende persoonartikel 5, § 1, 2°bis, b), van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemdWanneer de belastingplichtige niet in België is gevestigd, schuldenaar is van de belasting en hij wordt vertegenwoordigd door een vooraf erkende persoon overeenkomstig artikel 55, § 3, van het Btw-Wetboek.
7°Naam en adres van de medecontractantartikel 5, § 1, 3°, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd
8°Btw-identificatienummer van de medecontractantartikel 5, § 1, 3° en 4°, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemdDit nummer werd, naargelang het geval, aan de medecontractant toegekend hetzij overeenkomstig artikel 50 van het Btw-Wetboek, hetzij door een andere lidstaat.
9°De identiteit, het adres en de hoedanigheid van de aansprakelijke vertegenwoordiger van de medecontractantartikel 5, § 1, 3°bis, a), van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemdWanneer de medecontractant niet in België is gevestigd, schuldenaar is van de belasting en hij hier te lande een aansprakelijke vertegenwoordiger heeft laten erkennen overeenkomstig artikel 55, § 1 of § 2, van het Btw-Wetboek.
10°De identiteit, het adres, het btw-identificatienummer en de hoedanigheid van de vooraf erkende persoonartikel 5, § 1, 3°bis, b), van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemdWanneer de medecontractant niet in België is gevestigd, schuldenaar is van de belasting en hij wordt vertegenwoordigd door een vooraf erkende persoon overeenkomstig artikel 55, § 3, van het Btw-Wetboek.
11°Datum waarop het belastbaar feit voor de levering van de goederen of de dienstverrichting heeft plaatsgevonden of de datum van de ontvangst van de prijs of een deel ervan, voor zover die datum vastgesteld is en verschilt van de uitreikingsdatum van de factuurartikel 5, § 1, 5°, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemdDoor te oordelen dat de vermelding van de datum van levering van de goederen nodig is om de inning van de belasting en de controle daarop door de administratie mogelijk te maken en dat de verweerder bijgevolg terecht het recht op aftrek met betrekking tot de facturen waarop de leveringsdatum niet is vermeld heeft verworpen, verantwoorden de appelrechters hun beslissing naar recht (Arrest van het Hof van Cassatie nr. F.12.0044.N van 16.01.2014) (circulaire nr. 2017/C/64 (nr. E.T. 131.409) van 12.10.2017).Wanneer er, ingevolge de aard zelf van de handeling, sprake is van een doorlopende levering, dient de factuur melding te maken van de periode waarop ze betrekking heeft (inzonderheid leveringen van water, gas en elektriciteit door de distributiemaatschappijen).
12°De gegevens die nodig zijn om de handeling te determineren en om het tarief van de verschuldigde belasting vast te stellen, inzonderheid de gebruikelijke benaming van de geleverde goederen en van de verstrekte diensten en hun hoeveelheid alsook het voorwerp van de dienstenartikel 5, § 1, 6°, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemdAlle gegevens die dienstig zijn om de aard van de handelingen vast te stellen moeten vermeld worden.Ter aanduiding van de goederen en diensten mogen codevermeldingen worden gebruikt, in zover de afnemer in het bezit is van de sleutel van die codes en de administratie van de btw er eveneens kan over beschikken.Wanneer, om welke reden ook, producten gratis worden geleverd aan de klant (bijvoorbeeld de levering van 13 stuks voor de prijs van 12), dient de factuur de werkelijk geleverde hoeveelheid te vermelden.
Artikel 5, § 1, 7°, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd.Voor de leveringen van nieuwe vervoermiddelen dient de factuur te vermelden:• voor de landvoertuigen, de datum waarop zij voor het eerst in het verkeer werden gebracht, de cilinderinhoud en de motorsterkte, het aantal afgelegde kilometers• voor de boten, de lengte en het aantal uren navigatie• voor de vliegtuigen, het totaalgewicht bij het opstijgen en het aantal vlieguren
Bovendien dient de factuur eveneens melding te maken van: het merk, het model, de cilinderinhoud, de motorsterkte en het chassisnummer in geval van levering van nieuwe of tweedehandse personenauto’s of auto’s voor dubbel gebruik en, wanneer het gaat om tweedehandse personenauto’s of auto’s voor dubbel gebruik, de datum van de eerste inverkeersstelling, en voor de werken, het wassen uitgezonderd, verricht aan motorvoertuigen, de vermelding van de nummerplaat van het voertuig.Deze krachtens dit artikel vereiste technische gegevens van de motorvoertuigen die worden verhandeld of waaraan wordt gewerkt, meent de administratie, zijn noch zo talrijk noch zo technisch dat zij de uitoefening van het recht op aftrek in het gedrang brengen (schriftelijke parlementaire vraag nr. 14 van mevrouw de Volksvertegenwoordiger Veerle Wouters van 14.12.2011).
13°Voor elk tarief of elke vrijstelling, de maatstaf van heffing, de eenheidsprijs exclusief belasting, evenals de eventuele vooruitbetalingskortingen, prijskortingen en -rabatten indien deze niet in de eenheidsprijs zijn begrepenartikel 5, § 1, 8°, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemdDienen inzonderheid vermeld te worden: de als kosten voor verloren verpakking en vervoerkosten afzonderlijk in rekening gebrachte sommen.Het principe van de aanduiding van de eenheidsprijs op een factuur is van toepassing ongeacht of deze factuur een levering van goederen of een dienstprestatie vaststelt (schriftelijke parlementaire vraag nr. 3-6.215 van mevrouw de Senator Clotilde Nyssens van 03.11.2006).
14°De vermelding van de tarieven van de belastingartikel 5, § 1, 9°, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemdCodevermeldingen zijn toegestaan als de sleutel ervan op de factuur is vermeld.
15°Het totaalbedrag van de te betalen of te herziene belasting, uitgedrukt in de nationale munteenheid van de lidstaat die de toe te passen regels bepaalt voor de uitreiking van de facturen, overeenkomstig artikel 53decies, § 1, van het Btw-Wetboek en, wanneer de handeling plaatsvindt in een andere lidstaat van de Gemeenschap, de vermelding dat het tarief en de te betalen of te herziene belasting die lidstaat betreffen;artikel 5, § 1, 9°, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemdIngeval de gefactureerde handelingen aan verschillende tarieven onderworpen zijn, dient voor elk tarief het bedrag van de verschuldigde belasting, alsmede het totaalbedrag van de belasting vermeld te worden.Het totaalbedrag van de te betalen belasting moet in euro uitgedrukt zijn. Het totaalbedrag van de belasting is het bedrag dat de leverancier of de dienstverrichter in zijn periodieke aangifte zal opnemen als aan de Staat verschuldigd en dat op basis waarvan de afnemer, indien hij een belastingplichtige is die recht op aftrek heeft, overgaat tot aftrek.
Wanneer een factuur wordt uitgereikt aan een particulier, en behoudens de onder 1°, 2°, 3° en 9° van rubriek D van titel 1 hiervoor bedoelde gevallen, mag de factuur de prijs inclusief btw en het tarief van de belasting vermelden (aanschrijving nr. 119/1971 van 29.01.1971 en aanschrijving nr. 116/1972 van 13.12.1972). Hetzelfde geldt voor de facturen van minder dan 125 euro, zelfs in het geval ze worden gericht aan personen andere dan particulieren, wanneer de handeling gesteld werd in een detailhandelszaak (winkel, parking, benzinestation, café, restaurant…) en de factuur onmiddellijk uitgereikt wordt (aanschrijving nr. 22/1981 van 04.12.1981, randnummers 4 tot 6).In de situaties waarin de belastingplichtige de verplichting heeft een factuur uit te reiken of vrijwillig een factuur uitreikt en de afronding van het totaal te betalen bedrag op het dichtstbijzijnde meervoud van 5 cent effectief wordt toegepast, moet op de aan de consument uitgereikte factuur , bovenop de vermeldingen van artikel 5, § 1, van het KB nr. 1, het te betalen totaalbedrag vóór afronding en het werkelijk betaalde afgeronde bedrag worden aangebracht. Wanneer het gaat om een creditnota of debetnota, moet de factuur of het als zodanig geldende stuk het terug te betalen totaalbedrag vóór afronding en het terug te betalen totaalbedrag na afronding vermelden (Circulaire 2019/C/123 van 27.11.2019, randnummer 4.1).Wat betreft de leveringen van gebruikte goederen, kunstvoorwerpen, voorwerpen voor verzamelingen en antiquiteiten, evenals tweedehandse vervoermiddelen die onder de bijzondere regeling van belastingheffing over de winstmarge vallen, moet de prijs gefactureerd worden btw inbegrepen. De btw moet niet worden afgetrokken van de maatstaf van heffing (aanschrijving nr. 1/1995 van 02.01.1995 en aanschrijving nr. 2/1995 van 02.01.1995).Wanneer de belastingplichtige geen enkel bedrag aan btw in rekening moet brengen, kan hij dan ook geen bedrag aan belasting op de factuur of het als zodanig geldend stuk opnemen.Inzake de vermelding van de btw op de factuur, heeft het Europees Hof van Justitie geoordeeld dat artikel 203 van richtlijn 2006/112/EG aldus moet worden uitgelegd dat de op een factuur vermelde btw verschuldigd is door de persoon die deze btw op de factuur heeft vermeld, ongeacht of er daadwerkelijk een belastbare handeling is verricht (Hof van Justitie van de Europese Unie, Arrest Story Trans EOOD, zaak C-642/11, van 31.01.2013).Dit principe gaat eveneens vervat in artikel 51, § 1, 3°, van het Btw-wetboek, bepaling die voornamelijk bedoeld is als een maatregel in de strijd tegen de fraude, genomen binnen het toepassingsveld van artikel 273 van de btw-richtlijn (circulaire AFZ nr. 2/2013 van 23.01.2013, randnummer 107).
“Btw-tarief (Frankrijk)”“Btw-bedrag (Frankrijk)”“Btw-bedrag : xx,xx EUR (Frankrijk)”‘Btw verlegd’‘Factuur uitgereikt door afnemer’Wanneer België de bevoegde EU Lidstaat is mbt. de factureringsregels van toepassing op telecommunicatiediensten, radio- en televisieomroepdiensten en elektronische diensten verricht voor niet-btw-plichtigen in een situatie waarin een btw-plichtige die voor btw-doeleinden geïdentificeerd is in België btw van een andere EU Lidstaat in rekening moet brengen, dient deze EU Lidstaat vermeld te worden op de factuur.artikel 5, § 1, 9°bis, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemdWanneer de belasting verschuldigd is door de medecontractant, moet op de factuur de vermelding ‘Btw verlegd’ worden aangebracht in de plaats van de vermelding van de tarieven en van het totaalbedrag van de verschuldigde belasting.artikel 5, § 1, 9°ter, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemdWanneer de medecontractant de factuur uitreikt in naam en voor rekening van de leverancier of de dienstverrichter, moet op de factuur de vermelding ‘factuur uitgereikt door afnemer’ worden aangebracht.
16°De vermelding van de betreffende bepaling van de richtlijn of van de overeenkomstige nationale bepaling op grond waarvan de handeling van de belasting is vrijgesteld, of enige andere vermelding dat de handeling is vrijgesteld‘Bijzondere regeling – reisbureaus’‘Bijzondere regeling – gebruikte goederen’‘Bijzondere regeling – kunstvoorwerpen’‘Bijzondere regeling – voorwerpen voor verzamelingen of antiquiteiten’artikel 5, § 1, 10°, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemdZijn inzonderheid vrijgesteld van de belasting de in de artikelen 39 tot 42 en 44bis van het Btw-Wetboek bedoelde handelingen.artikel 5, § 1, 10°bis, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemdWanneer de bijzondere regeling voor reisbureaus wordt toegepast, moet op de factuur de vermelding ‘Bijzondere regeling – reisbureaus’ worden aangebracht.artikel 5, § 1, 10°ter, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemdWanneer één van de bijzondere regelingen voor gebruikte goederen, kunstvoorwerpen, voorwerpen voor verzamelingen of antiquiteiten wordt toegepast, moet op de factuur de respectieve vermelding ‘Bijzondere regeling – gebruikte goederen’, ‘Bijzondere regeling – kunstvoorwerpen’ of ‘Bijzondere regeling – voorwerpen voor verzamelingen of antiquiteiten’ worden aangebracht.
17°Een verwijzing naar het (de) vroeger(e) uitgereikte stuk of stukkenartikel 5, § 1, 11°, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemdWanneer meerdere facturen of stukken worden uitgereikt voor éénzelfde handeling (het geval van de voorschotfactuur of de deelfactuur), mag de definitieve factuur de medecontractant niet debiteren voor een bedrag, als belasting, waarvoor hij reeds eerder werd gedebiteerd.
18°Alle andere vermeldingen voorgeschreven ter uitvoering van het Btw-Wetboek of de uitvoeringsbesluitenartikel 5, § 1, 12°, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemdBijvoorbeeld: de vermeldingen met betrekking tot de toepassing van de artikelen 7 en 20 van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd; de vermeldingen die kleine ondernemingen onderworpen aan de vrijstellingsregeling van belasting moeten aanbrengen (artikel 9 van het koninklijk besluit nr. 19 van 29.06.2014 met betrekking tot de vrijstellingsregeling van de btw in het voordeel van de kleine ondernemingen).

B. In meerdere exemplaren uitgereikte factuur

Wanneer een factuur in meerdere exemplaren wordt uitgereikt, moet de leverancier op het of de bijkomende exemplaren die aan de afnemer worden bezorgd duidelijk de vermelding ‘duplicaat’ of ‘dubbel’ of enige andere vermelding aanbrengen, die aangeeft dat een ander exemplaar het origineel uitmaakt en enkel dat voor aftrek kan dienen (aanschrijving nr. 91/1970 van 21.12.1970, in fine, en aanschrijving nr. 22/1981 van 04.12.1981, randnummer 7).

Als het originele exemplaar evenwel per toeval verloren is gegaan of vernietigd is, mag de belasting in aftrek worden gebracht op zicht van een dubbel dat bestemd is om de verloren gegane of vernietigde factuur te vervangen, overeenkomstig en onder naleving van de voorwaarden die ter zake worden gesteld (aanschrijving nr. 10/1974 van 09.08.1974 betreffende het verlies of de vernietiging van facturen en de aftrek).

C. Intern stuk dat de verstrekking van goederen en diensten tussen leden van dezelfde btw-eenheid vaststelt

De vermeldingen die op dit stuk moeten voorkomen, worden opgesomd in artikel 5, § 1bis, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd. Krachtens deze bepaling moet dit intern stuk de volgende vermeldingen bevatten:

VERPLICHTE VERMELDINGENTOELICHTING
1°Datum waarop het goed of de dienst werd verstrekt, de prijs of een deel ervan werd ontvangen of voor de doorlopende diensten, de periode waarop de afrekening betrekking heeftartikel 5, § 1bis, 1° van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemdWanneer er, ingevolge de aard zelf van de handeling, sprake is van een doorlopende levering, dient het stuk melding te maken van de periode waarop het betrekking heeft (inzonderheid leveringen van water, gas en elektriciteit door de distributiemaatschappijen).
2°Datum waarop het wordt opgesteldartikel 5, § 1bis, 2°, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemdDit stuk moet worden opgesteld uiterlijk de vijftiende dag van de maand na die waarin de oorzaak van de opeisbaarheid van de belasting zich heeft voorgedaan.
3°Volgnummerartikel 5, § 1bis, 2°, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemdHet volgnummer waaronder het stuk in het boek voor uitgaande facturen van het lid wordt ingeschreven.
4°Naam en adres van het lid dat de goederen of diensten verstrektartikel 5, § 1bis, 3°, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd
5°Het sub-btw-identificatienummer van het lid dat de goederen of diensten verstrektartikel 5, § 1bis, 3°, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemdDit nummer wordt aan de leden van de btw-eenheid toegekend krachtens artikel 50, § 1, eerste lid, 6°, van het Btw-WetboekIn geen geval mag het lid op het stuk het btw-identificatienummer van de btw-eenheid vermelden.
6°Naam en adres van het lid- medecontractantartikel 5, § 1bis, 4°, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd
7°Het sub-btw-identificatienummer van het lid dat de goederen of diensten ontvangt.artikel 5, § 1bis, 4°, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemdZie onder 5° hiervoor
8°De gegevens die nodig zijn om de handeling te bepalen, inzonderheid de gebruikelijke benaming van de geleverde goederen en verstrekte diensten en hun hoeveelheid alsook het voorwerp van de dienstenartikel 5, § 1bis, 5°, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemdZie titel 5, rubriek A, tabel, 12°, hiervoor
9°De eenheidsprijs exclusief btw evenals de eventuele vooruitbetalingskortingen, prijskortingen, en -rabatten indien deze niet in de eenheidsprijs zijn begrepenartikel 5, § 1bis, 6°, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemdZie titel 5, rubriek A, tabel, 12°, hiervoor
10°Het totaalbedrag van de handeling.artikel 5, § 1bis, 7°, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd

D. Stuk met betrekking tot de intracommunautaire overbrenging van goederen

Dit stuk, ook ‘overbrengingsstuk’ genoemd, moet, behalve de vermeldingen die een factuur moet bevatten, inzonderheid de naam of de maatschappelijke benaming, het adres en het btw-identificatienummer dat in de lidstaat van bestemming van de goederen aan de belastingplichtige is toegekend, vermelden (artikel 5, § 1, 3°, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd).

E. Stuk met betrekking tot de met een andere dan een intracommunautaire levering van goederen of met een dienstverrichting gelijkgestelde handeling

Wanneer de belastingplichtige een door artikel 12 van het Btw-Wetboek met een levering van goederen of een door artikel 19 van het Btw-Wetboek met een dienst gelijkgestelde handeling stelt, is hij gehouden een stuk op te maken dat de handeling vaststelt (artikel 3, eerste lid, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd). De vermeldingen die op dit stuk moeten voorkomen zijn in de hiernavolgende tabel opgenomen.

VERPLICHTE VERMELDINGENTOELICHTING
1°Nummer van inschrijving in het boek voor uitgaande facturenartikel 5, § 2, 1°, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemdZie titel 5, rubriek A, tabel, 2°, hiervoor
2°Naam en adres van de belastingplichtige en van het lid van de btw-eenheidartikel 5, § 2, 2°, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemdZie titel 5, rubriek A, tabel, 3°, hiervoor
3°Btw-identificatienummer van de belastingplichtige en van het lid van de btw-eenheidartikel 5, § 2, 2°, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemdZie titel 5, rubriek A, tabel, 4°, hiervoor
4°Datum van de handelingartikel 5, § 2, 3°, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemdZie titel 5, rubriek A, tabel, 11°, hiervoor
5°De gegevens die nodig zijn om de handeling te determineren en om het tarief van de verschuldigde belasting vast te stellenartikel 5, § 2, 4°, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemdZie titel 5, rubriek A, tabel, 12°, hiervoor
6°De vermelding, per tarief, van de maatstaf van heffingartikel 5, § 2, 5°, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd
7°Het totaalbedrag van de verschuldigde belastingartikel 5, § 2, 5°, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemdZie titel 5, rubriek A, tabel, 15°, hiervoor

F. Vermeldingen die het stuk dient te bevatten, dat moet worden opgemaakt door een lid van een btw-eenheid in de zin van artikel 4, § 2, van het Btw-Wetboek, ingevolge dienstprestaties die hem als Belgische vestiging van een niet in België gevestigde belastingplichtige werden verstrekt door die laatste

De verplichting tot opmaak van dit stuk werd opgeheven met ingang op 07.01.2016, als logisch gevolg van de opheffing van artikel 19bis van het Btw-Wetboek op datum van 27.12.2015.

Het stuk dat het lid van de btw-eenheid in de zin van artikel 4, § 2, van het Btw-Wetboek overeenkomstig artikel 3, tweede lid, (oud) van het koninklijk besluit nr. 1 , voornoemd, diende op te maken tot vaststelling van de verstrekking van een dienst die hem als Belgische vestiging van een niet in België gevestigde belastingplichtige werd verstrekt door die laatste, diende de volgende vermeldingen te bevatten die opgenomen waren in artikel 5, § 2bis, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd, die eveneens met ingang van 07.01.2016 werden opgeheven:

VERPLICHTE VERMELDINGENTOELICHTING
1°Datum waarop de dienst werd ontvangenartikel 5, § 2bis, 1°, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd
2°Datum waarop het wordt opgesteldartikel 5, § 2bis, 2°, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemdDit stuk moet worden uitgereikt uiterlijk de vijftiende dag van de maand na die waarin de belasting opeisbaar wordt.
3°Volgnummerartikel 5, § 2bis, 2°, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemdZie titel 5, rubriek C, tabel, 3°, hiervoor
4°Naam en adres van de inrichting van waaruit de dienst wordt verrichtartikel 5, § 2bis, 3°, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd
5°Naam en adres van het lid dat de dienst ontvangtartikel 5, § 2bis, 4°, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd
6°Het sub-btw-identificatienummer van het lid dat de dienst ontvangtartikel 5, § 2bis, 4°, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemdZie titel 5, rubriek C, tabel, 7°, hiervoor
7°De gegevens die nodig zijn om het voorwerp van de dienst te bepalenartikel 5, § 2bis, 5°, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemdZie titel 5, rubriek A, tabel, 12°, hiervoor
8°De normale waarde van de dienstartikel 5, § 2bis, 6°, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemdDeze normale waarde wordt vastgesteld overeenkomstig artikel 32 van het Btw-Wetboek.
9°De vermelding van de tarieven van de belastingartikel 5, § 2bis, 7°, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemdZie titel 5, rubriek A, tabel, 14°, hiervoor
10°Het totaalbedrag van de verschuldigde belastingartikel 5, § 2bis, 7°, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemdZie titel 5, rubriek A, tabel, 15°, hiervoor

G. Vermeldingen op het door de belastingplichtige op te maken stuk ingevolge de aan hem verrichte leveringen van goederen of verstrekte diensten waarvoor geen verplichting tot facturering bestaat

Het stuk dat de belastingplichtige moet opmaken ingevolge de leveringen van goederen en de diensten die hem worden verstrekt en waarvoor geen verplichting tot facturering bestaat (zie titel 4, rubriek C, hiervoor), bevat de volgende vermeldingen:

VERPLICHTE VERMELDINGENTOELICHTING
1°Nummer van inschrijving in het boek voor inkomende facturen van de belastingplichtige of het lid van de btw-eenheidartikel 10, § 1, tweede lid, 1°, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd
2°Naam en adres van de partijenartikel 10, § 1, tweede lid, 2°, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemdBehalve zijn naam of maatschappelijke benaming en zijn adres, moet de belastingplichtige tevens de naam en het adres van de derde waarmee hij een contract heeft gesloten, vermelden.
3°Btw-identificatienummer van de belastingplichtigeartikel 10, § 1, tweede lid, 3°, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd
4°De datum van de handelingartikel 10, § 1, tweede lid, 4°, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemdHet opmaken van dit stuk geschiedt de dag zelf van de handeling.
5°De gegevens die nodig zijn om de handeling te determinerenartikel 10, § 1, tweede lid, 5°, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd
6°De prijsartikel 10, § 1, tweede lid, 6°, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemdWanneer de handeling er één is onder bezwarende titel.

Overeenkomstig het bepaalde in artikel 10, § 1, derde lid, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd, wordt dit stuk door beide partijen voor akkoord ondertekend, met vermelding van de hoedanigheid van de ondertekenaars. Een exemplaar van het stuk wordt overhandigd aan de leverancier van de goederen of aan de dienstverrichter.

H. Vermeldingen welke de door de medecontractant opgemaakte factuur dient te bevatten

De factuur die wordt opgemaakt door de medecontractant van de leverancier of dienstverrichter (ook ‘afrekening’ of ‘self-bill’ genoemd) dient alle in titel 5, rubriek A, tabel, 1° tot 18°, hiervoor bedoelde vermeldingen te bevatten.

Verschillend van de factuur uitgereikt door de leverancier of dienstverrichter, zal de door de medecontractant uitgereikte factuur ook de vermelding ‘Factuur uitgereikt door afnemer’ dragen.

In geval van verlegging van heffing naar de medecontractant in het kader van de toepassing van het stelsel ‘self-billing’ (circulaire AAFisc nr. 53/2013 van 16.12.2013, randnummers 36 en 37), bevat de factuur eveneens de vermelding ‘Btw verlegd’ in plaats van de vermelding van de btw-tarieven en van het totaalbedrag van de verschuldigde belasting (artikel 5, § 1, 9°bis en 9°ter, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd).

I. Vermeldingen welke het door de belastingplichtigen en door de niet-belastingplichtige rechtspersonen op te maken stuk dient te bevatten wat betreft de handelingen waarvoor zij schuldenaar zijn van de btw en waarvoor zij noch de factuur, noch het als zodanig geldend stuk ontvangen hebben

Dit stuk dient de volgende vermeldingen te bevatten:

VERPLICHTE VERMELDINGENTOELICHTING
1°Datum waarop het stuk is opgemaaktartikel 9, § 2, 1°, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd
2°Naam en adres van de bij de handeling betrokken partijen.artikel 9, § 2, 2°, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd
3°Btw-identificatienummer van de persoon die dit stuk opmaaktartikel 9, § 2, 3°, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd
4°Datum van het belastbaar feitartikel 9, § 2, 4°, a), van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemdVoor de intracommunautaire verwervingen: deze datum laat toe de datum van opeisbaarheid van de belasting te bepalen (artikel 25sexies, Btw-Wetboek).
5°De datum waarop de handeling wordt verricht of de datum van de opeisbaarheid van de belastingartikel 9, § 2, 4°, b), van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemdVoor de in artikel 51, § 2, eerste lid, van het Btw-Wetboek, of in artikelen 20, 20bis of 20ter, bedoelde handelingen, dient de datum waarop de handeling wordt verricht vermeld te worden.Wanneer de belasting opeisbaar wordt bij toepassing, van artikel 17, § 1, derde lid of van artikel 22bis, § 1, derde lid en § 2, tweede lid van het Btw-Wetboek, dient de datum waarop de belasting opeisbaar wordt vermeld te worden.
6°De gegevens die nodig zijn om de handeling en het tarief van de belasting te bepalen, inzonderheid de gebruikelijke benaming van de geleverde goederen en de verstrekte diensten en hun hoeveelheid, alsook het voorwerp van die dienstenartikel 9, § 2, 5°, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemdZie titel 5, rubriek A, tabel, 12°, hiervoor
7°De aanduiding, per tarief, van de maatstaf van heffingartikel 9, § 2, 6°, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemdZie titel 5, rubriek A, tabel, 14°, hiervoor
8°Het totaalbedrag van de verschuldigde belastingartikel 9, § 2, 6°, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd
9°Een verwijzing naar de overeenkomst of naar elk ander stuk opgemaakt tussen de betrokken partijenartikel 9, § 2, 7°, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemdDie stukken moeten de aard en de hoeveelheid van de verkregen goederen of het voorwerp van de ontvangen diensten alsmede de prijs en het toebehoren ervan kunnen staven.
10°Nummer van inschrijving in het boek voor inkomende facturen of het ad hoc-boekartikel 9, § 2, 8°, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemdBepaalde belastingplichtigen of leden van een btw-eenheid en de niet-belastingplichtige rechtspersonen moeten het stuk dat zij opmaken inschrijven in een boek dat zij moeten houden overeenkomstig artikel 14, §§ 5 en 6, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd.
Bij de ontvangst van de factuur of het als zodanig geldend stuk dient het in onderhavig nummer bedoeld stuk te worden aangevuld met een verwijzing naar de ontvangen factuur of het als zodanig geldend stuk en omgekeerd (artikel 9, § 4, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd).

J. Vermeldingen welke het verbeterende stuk dient te bevatten

Gezien het verbeterende stuk door artikel 53, § 2, van het Btw-Wetboek wordt gelijkgesteld met een factuur, moet dat stuk in principe alle verplichte factuurvermeldingen van artikel 5, § 1, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd bevatten.

Bovendien moet het verbeterende stuk ook een verwijzing bevatten naar de factuur of het stuk dat zij verbeteren (artikel 12, § 3, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd).

Daarenboven moet, om het recht op teruggaaf te kunnen uitoefenen, op het verbeterende stuk (creditnota) de vermelding ‘Btw terug te storten aan de Staat in de mate waarin ze oorspronkelijk in aftrek werd gebracht’ worden aangebracht. Dit verbeterende stuk moet eveneens worden ingeschreven in het teruggaafregister (artikel 4 van het koninklijk besluit nr. 4, van 29.12.1969 met betrekking tot de teruggaven inzake btw).

De leverancier of dienstverrichter is evenwel niet verplicht om teruggaaf van btw te vragen wanneer de oorspronkelijke handeling betrekking heeft op een levering of een dienst, die in België werd verricht voor een belastingplichtige die gehouden is periodieke btw-aangiften in te dienen en die de hem oorspronkelijk in rekening gebrachte btw integraal en definitief in aftrek heeft kunnen brengen. In dat geval maakt de creditnota geen melding van de btw en moet de medecontractant ook geen btw aan de Staat terugstorten (aanschrijving nr. 78/1970 van 24.11.1970, randnummer 30).

K. Vermeldingen welke de vereenvoudigde factuur (minstens) dient te bevatten

De verplicht op de vereenvoudigde factuur aan te brengen vermeldingen worden weergegeven in de tabel hieronder.

VERPLICHTE VERMELDINGENTOELICHTING
1°Datum waarop ze is uitgereiktartikel 13, lid 2, 1°, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd
2°Volgnummer van inschrijving in het boek voor uitgaande facturenartikel 13, lid 2, 1°, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd
3°Naam en adres van de belastingplichtige leverancier van goederen of van de dienstverrichter of van het lid van de btw-eenheidartikel 13, lid 2, 2°, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd
4°Btw-identificatienummer van de belastingplichtige en van het lid van de btw-eenheidartikel 13, lid 2, 2°, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd
5°Btw-identificatienummer van de verkrijger of ontvanger of anders, zijn naam of maatschappelijke benaming en volledig adresartikel 13, lid 2, 3°, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd
6°De identificatie van de aard van de geleverde goederen of verrichte dienstenartikel 13, lid 2, 4°, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd
7°De aanduiding, per tarief, van de maatstaf van heffing en het bedrag van de verschuldigde belastingartikel 13, lid 2, 5°, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd
8°Een specifieke en ondubbelzinnige verwijzing naar de oorspronkelijke factuur, met specifieke vermelding van de aangebrachte wijziging, wanneer het uitgereikte document of bericht wordt gelijkgesteld met een factuur (een verbeterend stuk)artikel 13, lid 2, 6°, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd

L. Vorm van de factuur

Het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd legt geen uniform factuurmodel op. Iedere belastingplichtige bepaalt bijgevolg vrij op welke wijze hij zijn factuur zal opmaken voor zover uiteraard de factuur alle verplichte vermeldingen bevat.

Bovendien staat het de belastingplichtige vrij een factuur op te maken in zoveel exemplaren als hij verkiest. Het voorgeschreven minimum is echter een factuur in tweevoud, namelijk een origineel (dat moet worden uitgereikt aan de medecontractant) en een kopie (welke hij zelf dient te bewaren) (artikel 53, § 2, eerste lid, van het Btw-Wetboek).

Aan de afnemer mag de leverancier of de dienstverrichter een factuur uitreiken in zoveel exemplaren als hij wil, maar aangezien alleen het originele exemplaar van een factuur als bewijs voor het recht op aftrek mag gelden, moet op de bijkomende exemplaren duidelijk de vermelding ‘duplicaat’ of ‘dubbel’ worden aangebracht of een andere vermelding waaruit blijkt dat een ander exemplaar van de factuur het origineel is (aanschrijving nr. 22/1981 van 04.12.1981, randnummer 7).

M. Model van een factuur

Hierna volgt een model van een factuur opgemaakt in euro met drie tarieven, waarop de meest voorkomende bijzonderheden opgenomen zijn:

• De commerciële korting (of handelskorting) van 10% wordt van de totale prijs afgetrokken voor de berekening van de btw, omdat ze definitief verworven is op het tijdstip van de levering.

• De vervoerkosten moeten bij de prijs worden gevoegd, maar worden eenvormig belast tegen het laagste tarief dat op de factuur is toegepast.

• de afzonderlijk gefactureerde verpakkingskosten (3,75 euro) worden niet in de maatstaf van heffing opgenomen, omdat verpakkingsmiddelen waarvoor statiegeld aangerekend wordt, mogen worden teruggezonden aan de leverancier tegen terugbetaling van de gewaarborgde som.

• Het disconto (korting voor contante betaling of financiële korting) van 2% wordt voor de heffing van de prijs afgetrokken, ongeacht of de klant al dan niet binnen tien dagen betaalt. Merk op dat het hier gaat om een disconto van 2% van de brutoprijs.

N.V. ZeepfabriekZeepstraat 731150 BrusselBTW BE 0403.720.037Factuurnr. 212 d.d. 06.04.2018C. VANDINGENENBorstelplein 111010 BrusselBTW BE 0659.999.666
Datum LeveringGeleverde goederenEenheids- prijsMaatstaf van heffingTotaal te betalen
in euro6%12%21%in euro
120 dozen 500 gr zeeppoeder ‘Hagelblank’0,6072,00
15 flessen 5 l. afwasmiddel ‘buddelschoon AA’5,2078,00
200 stukken toiletzeep ‘Luxon’0,2550,00
12 flesjes 15 cl. Ontvlekker ‘Wimpel’1,4917,88
2 bewerkte apotheekzakjes en – dozen4,959,90
06.04.20183 pakken Luierbroekjes6,2018,60
9,9018,60217,88
Handelskorting 10%-0,99-1,86-21,79
8,9116,74196,09
Vervoerkosten6,00
Totaal14,9116,74196,09227,74
Statiegeld 15 flessen tegen 0,25 euro3,75
231,49
Disconto 2%- 0,30- 0,33- 3,92
14,6116,41192,17
Btw0,881,9740,3643,21
Totaal te betalen274,70

N. Elektronische facturering

Het begrip ‘elektronische factuur’ wordt in artikel 1, § 13, 2°, van het Btw-Wetboek omschreven als ‘een factuur die de in het Btw-Wetboek en zijn uitvoeringsbesluiten voorgeschreven gegevens bevat en in om het even welke elektronische vorm wordt uitgereikt en ontvangen’.

Op heden moeten deze elektronische facturen voldoen aan de volgende 2 basisvoorwaarden:

• Gezien de facturen een correcte weerspiegeling moeten zijn van één of meer werkelijk verrichte levering(en) van goederen en/of dienst(en), moeten de authenticiteit van de herkomst, de integriteit van de inhoud en de leesbaarheid van de (papieren zowel als elektronische) facturen worden gewaarborgd en dat vanaf het tijdstip waarop de factuur wordt uitgereikt tot op het einde van de verplichte bewaringstermijn.

• Wat inzonderheid de elektronische facturen betreft, is het gebruik ervan enkel toegestaan mits hun aanvaarding door de afnemer.

Voor wat betreft de invulling van de laatste voorwaarde, vervat in artikel 53, § 2, vierde lid, van het Btw-Wetboek, moet, gelet op de gelijkstelling van papieren en elektronische facturen, de aanvaarding van een elektronische factuur door de afnemer op dezelfde manier worden bepaald als zijn aanvaarding van een papieren factuur. Het kan hierbij dus gaan om een schriftelijke, al dan niet formele aanvaarding, of een aanvaarding op grond van een stilzwijgende overeenkomst, bijvoorbeeld door de verwerking of betaling van de ontvangen factuur.

Wat de eerste voorwaarde betreft, dienen enerzijds onder de begrippen ‘authenticiteit van herkomst’, respectievelijk ‘integriteit van inhoud’ te worden verstaan, ‘het waarborgen van de identiteit van de leverancier of de uitreiker van de factuur’, respectievelijk ‘het feit dat de inhoud die voorgeschreven is door de toepasselijke regels inzake facturering geen wijzigingen heeft ondergaan’ (artikel 60, § 5, tweede en derde lid, van het Btw-Wetboek). De leesbaarheid van een factuur anderzijds betekent dat de factuur leesbaar moet zijn voor mensen, met andere woorden dat de factuur moet worden getoond in een stijl waarin alle btw-gegevens van de factuur duidelijk leesbaar zijn, op papier of op een scherm, zonder dat daarvoor buitensporig veel onderzoek of interpretatie nodig is. Voor elektronische facturen wordt deze voorwaarde geacht te zijn vervuld als de factuur op verzoek binnen een redelijke termijn in een voor mensen leesbare vorm op het scherm of via afdrukken kan worden voorgelegd ter inzage, zonder onnodig uitstel, ook na een omzettingsproces (circulaire AFZ nr. 2/2013 van 23.01.2013 en de circulaire AAFisc nr. 14/2014 van 04.04.2014).

Bovendien voorziet artikel 60, § 5, van het Btw-Wetboek, dat elke btw-plichtige zelf bepaalt hoe de authenticiteit van de herkomst, de integriteit van de inhoud en de leesbaarheid van de factuur worden gewaarborgd. In de mate dat een bedrijfscontrole een betrouwbaar controlespoor aantoont tussen een factuur en een levering van een goed of een dienst, kan deze gebruikt worden om deze waarborg te leveren (schriftelijke parlementaire vraag nr. 601 van de heer Volksvertegenwoordiger Christian Brotcorne van 22.10.2012).

Artikel 233, van de richtlijn 2006/112/EG, zoals gewijzigd door de richtlijn 2010/45/EU van 13.07.2010, vermeldt de methode van de bedrijfscontroles die een betrouwbaar controlespoor oplevert, alsook de toepassing van technologieën van de gekwalificeerde elektronische handtekening enerzijds en van EDI of Electronic Data Interchange en de betrokken Interchange-agreements anderzijds ten titel van voorbeelden van wijzen waarop de authenticiteit van de herkomst, de integriteit van de inhoud en de leesbaarheid van de factuur kunnen worden gewaarborgd. Echter, de vermelding van die ‘voorbeelden’ sluit het gebruik van een andere methode, procedure of technologie niet uit, mits die toelaat om de invulling van drie voormelde, noodzakelijke factuurkenmerken te verzekeren.

Het gebruik van een zuiver technologische oplossing, zoals de geavanceerde of de gekwalificeerde elektronische handtekening, een bepaalde EDI-toepassing of een andere technologie, ontheft evenwel noch de verstrekker, noch de afnemer van de handeling van de verplichting om de werkelijkheid van de handeling achter de factuur aan te tonen, bijvoorbeeld door bijkomend gebruik te maken van elke mogelijke bedrijfscontrole die een betrouwbaar controlespoor tussen een factuur en een verrichte handeling oplevert.

Elke belastingplichtige op zich is gehouden om zelf het nodige bewijs te leveren van het door hem of in zijn hoofde vervuld en gewaarborgd zijn van de voormelde voorwaarden of factuurkenmerken. Bovendien moet hij dat bewijs steeds en op elk verzoek kunnen voorleggen aan de bevoegde controleagenten.

Voor meer details met betrekking tot de omschrijving van die voorwaarden en de diverse mogelijke wijzen waarop de partijen die authenticiteit van herkomst, integriteit van inhoud en leesbaarheid van de facturen kunnen waarborgen, aanbevelingen en praktijkvoorbeelden incluis, wordt verwezen naar de desbetreffende circulaire AAFisc nr. 14/2014 van 04.04.2014. Voor wat betreft de verdere uitbouw van de elektronische factuur, wordt verwezen naar het antwoord op de schriftelijke parlementaire vraag nr. 66 van de heer Volksvertegenwoordiger Vincent Van Quickenborne van 25.11.2014.

6. Bijzondere gevallen

A. Voorschotfactuur en eindfactuur

Wanneer een factuur wordt uitgereikt omdat een voorschot op de prijs van het goed of van de dienst werd betaald, wordt het bedrag van dit voorschot en, in voorkomend geval, het bedrag van de daarover verschuldigde btw vermeld.

De latere uitgereikte eindfactuur moet verwijzen naar de voorschotfactuur (of -facturen). Ze mag de medecontractant niet opnieuw debiteren voor het btw-bedrag dat reeds op de voorschotfactuur (of - facturen) was vermeld (titel 5, rubriek A, tabel, 17°, hiervoor).

Met betrekking tot intracommunautaire leveringen moet evenwel opgemerkt worden dat er geen verplichting bestaat om een factuur uit te reiken voor elk voorschot dat gestort werd vóór de datum van opeisbaarheid van de belasting. De definitieve factuur die de handeling vaststelt, herneemt de volledige maatstaf van heffing en verwijst naar de wetsbepaling die de vrijstelling van belasting instelt (titel 5, rubriek A, tabel, 16°, hiervoor) wanneer er toch voorschotfacturen werden uitgereikt, aangezien het voorschot, in dit geval, de belasting niet opeisbaar maakt.

In verband met voorschotfacturen en opeisbaarheid wordt verwezen naar de circulaire 2018/C/20 (nr. E.T. 131.539) van 12.02.2018 betreffende de aanpassingen aan het Btw-Wetboek door de wet van 29.11.2017.

B. Verzamelfactuur

Een belastingplichtige mag zich ertoe beperken uiterlijk de vijftiende dag van iedere maand één enkele verzamelfactuur aan zijn afnemer uit te reiken waarin alle handelingen van de afgelopen maand met die afnemer (contant of op krediet) zijn opgenomen en waarin het totale btw-bedrag verschuldigd voor die maand, in rekening wordt gebracht.

Op te merken valt tevens dat de verzamelfactuur enkel de handelingen mag bevatten die in de loop van de maand waarop ze betrekking heeft, werden verricht.

Dergelijke verzamelfacturen kunnen eveneens worden opgemaakt en uitgereikt, op papier of elektronisch, in naam en voor rekening van de belastingplichtige leverancier of dienstverrichter door diens medecontractant (self-billing) of een derde.

C. Pro forma factuur

Gezien de uitoefening van het recht op aftrek overeenkomstig de btw-regelgeving het bezit van een regelmatige factuur in de zin van artikel 5, § 1, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd, veronderstelt, is het uitgesloten dat een belastingplichtige zijn recht op aftrek van de btw zou kunnen uitoefenen op grond van enig ander stuk met betrekking tot de belastbare handeling, welke ook de aan dat stuk toegekende functie of benaming is (bijvoorbeeld ‘pro forma factuur’). Ofschoon een dergelijk stuk door de belastingplichtige niet moet worden ingeschreven in zijn boek voor inkomende facturen, dient het wel te worden beschouwd als een stuk met betrekking tot de uitgeoefende werkzaamheid in de zin van artikel 60, § 1 (nu § 4), tweede lid, van het Btw-Wetboek, dat moet worden bewaard gedurende zeven jaar te rekenen vanaf de eerste januari volgend op zijn datum (schriftelijke parlementaire vraag nr. 276 van mevrouw de Volksvertegenwoordiger Ingrid Claes van 02.02.2009).

D. Openbare verkoop van roerende goederen van een gefailleerde belastingplichtige

Bij de openbare verkoop van roerende goederen van een gefailleerde belastingplichtige mag de factuur worden vervangen door een door de instrumenterende notaris of gerechtsdeurwaarder op basis van het proces-verbaal van toewijzing opgesteld stuk dat aan de koper wordt uitgereikt, onder de volgende voorwaarden (artikel 6 van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd):

• Het proces-verbaal en het stuk bevatten, per toegewezen lot, de in titel 5, rubriek A, opgesomde vermeldingen, met uitzondering van het volgnummer in het boek voor uitgaande facturen, en, voor leveringen aan overeenkomstig artikel 50 van het Btw-Wetboek voor btw-doeleinden geïdentificeerde belastingplichtigen, hun btw-identificatienummer.

In het proces-verbaal mogen deze vermeldingen evenwel worden vervangen door een refertenummer dat aan ieder stuk wordt toegekend.

• Een dubbel van het stuk wordt aan de curator overhandigd.

Voor de andere gevallen waarin en voorwaarden waaronder het door de instrumenterende notaris of gerechtsdeurwaarder aan de koper uitgereikte uittreksel van het proces-verbaal van toewijzing kan worden aangemerkt als factuur, wordt verwezen naar de aanschrijving nr. 26/1978 van 31.08.1978, aangevuld door de aanschrijving nr. 8/1994 van 29.03.1994.

E. Verkoop op proef, zending op zicht of in consignatie

In geval van verkoop op proef of van zending op zicht of in consignatie, dient de belastingplichtige, bij de overhandiging of de verzending van de goederen, aan de geadresseerde of de consignataris een stuk uit te reiken waarop worden vermeld, benevens de naam en het adres van de bij de handeling betrokken partijen, een volgnummer dat aan het stuk werd toegekend, de datum van de overhandiging of de verzending van de goederen, de gebruikelijke benaming ervan en de hoeveelheid van de overhandigde of de verzonden goederen (artikel 7, § 1, eerste lid, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd).

De hiervoor bedoelde belastingplichtige dient eveneens aan de geadresseerde of aan de consignataris een stuk uit te reiken bij de ontvangst van de goederen die hem door laatstgenoemden, geheel of gedeeltelijk, worden teruggegeven. Dit stuk bevat de vermeldingen bedoeld in het vorige lid, met uitzondering van de datum van de overhandiging of van de verzending van de goederen, die wordt vervangen door de datum van ontvangst van de goederen. (artikel 7, § 1, tweede lid, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd).

De belastingplichtige stelt een kopie op van de hiervoor bedoelde stukken (artikel 7, § 1, derde lid, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd).

De factuur, die de belastingplichtige moet uitreiken aan de geadresseerde of de consignataris wanneer deze eigenaar wordt van de goederen, moet verwijzen naar de in de eerste twee leden hiervoor bedoelde stukken (artikel 7, § 1, laatste lid, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd).

Wanneer evenwel een afrekening met betrekking tot goederen die zich in een depot bevinden door de consignataris wordt overgelegd en de éénheidsprijs van de verzonden goederen niet meer bedraagt dan 125 euro (exclusief btw), dient de factuur niet te verwijzen naar het overeenkomstige stuk of de overeenkomstige stukken opgemaakt bij de overhandiging of de verzending (aanschrijving nr. 86/1971 van 19.05.1971).

Wanneer de voormelde stukken verbeterd moeten worden, is de belastingplichtige gehouden een verbeterend stuk in tweevoud op te maken (artikel 12, §§ 1 en 4, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd).

Geen enkel stuk dient opgemaakt te worden wanneer de belastingplichtige, in geval van verkoop op proef of van zending op zicht, het in artikel 23 bedoelde bijzonder register der niet-overbrengingen dient aan te vullen of in geval van consignatieverkoop, wanneer hij voor de overdracht van de goederen naar een andere lidstaat met het oog op deze verkoop, het in titel 4, rubriek A, subrubriek a, hiervoor bedoelde overbrengingsstuk dient uit te reiken of wanneer de belastingplichtige het in artikel 24bis bedoelde register in het kader van de regeling voor voorraden op afroep moet aanvullen. (artikel 7, § 1, vierde lid, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd).

Overigens, wanneer de belastingplichtige, die goederen op proef verkoopt of ze op zicht of in consignatie zendt, niet in België is gevestigd en evenmin gehouden is om het in artikel 7, § 1, eerste lid, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd bedoelde stuk op te maken, is de belastingplichtige die de goederen ontvangt, gehouden zelf een stuk op te maken waarop de in voornoemd lid bedoelde gegevens voorkomen, met uitzondering van de verzendingsdatum die wordt vervangen door de datum van ontvangst van de goederen (artikel 7, § 2, eerste lid, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd).

Diezelfde belastingplichtige, die de goederen heeft ontvangen, dient eveneens een stuk op te stellen bij de gehele of gedeeltelijke teruggave van de goederen. Dit stuk bevat dezelfde vermeldingen, met uitzondering van de datum van ontvangst van de goederen die wordt vervangen door de datum van hun teruggave (artikel 7, § 2, tweede lid, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd).

Wanneer hij eigenaar wordt van de goederen, brengt de belastingplichtige op de factuur die aan hem wordt uitgereikt een verwijzing aan naar het opgestelde stuk (artikel 7, § 2, derde lid, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd) en maakt hij een verbeterend stuk op in geval het stuk dat hij diende op te stellen verbeterd moet worden na de inschrijving ervan in het boek voor inkomende facturen (artikel 12, § 2, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd).

De bepalingen van het eerste, het tweede en het derde lid zijn niet van toepassing in geval van consignatieverkoop wanneer de belastingplichtige die de goederen ontvangt het in artikel 24ter bedoelde register in het kader van de regeling voor voorraden op afroep bedoeld in artikel 17bis van de richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28.11.2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde moet aanvullen (artikel 7, § 2, vierde lid, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd).

De nieuwe regeling voorraad op afroep is één geharmoniseerde vereenvoudigingsregeling die in alle lidstaten onder dezelfde voorwaarden van toepassing is en die doel heeft te vermijden dat de consignant zich voor btw-doeleinden moet identificeren in de lidstaat van aankomst van de goederen. Deze regeling is uiteengezet in nr. 6 van de circulaire 2020/C/50 van 02.04.2020 betreffende het btw-stelsel van het B2B intracommunautair handelsverkeer van goederen.

F. Overdracht van een algemeenheid van goederen of van een bedrijfsafdeling

De in artikel 11 van het Btw-Wetboek bedoelde overdracht van een algemeenheid van goederen of van een bedrijfsafdeling, evenals de in artikel 18, § 3, van het Btw-Wetboek bedoelde handelingen, moeten worden vastgesteld in een stuk dat door de bij de overdracht betrokken partijen wordt opgesteld en waarvan elke partij een exemplaar ontvangt (artikel 11 van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd).

Dit stuk moet inzonderheid de volgende vermeldingen bevatten:

• de datum van de overdracht of van de handelingen

• de naam of de maatschappelijke benaming en het adres van de betrokken partijen en, in voorkomend geval, hun btw-identificatienummer

• een nauwkeurige beschrijving van het voorwerp van de overdracht of van de handeling

• de prijs

Wanneer dit stuk, na de inschrijving ervan in de door artikel 14 van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd, voorgeschreven boeken, verbeterd dient te worden, zijn de partijen gehouden een verbeterend stuk op te maken (artikel 12, § 2, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd).

G. Door de aansprakelijke vertegenwoordiger van een niet in België gevestigde belastingplichtige op te maken stuk

De aansprakelijke vertegenwoordiger van een niet in België gevestigde belastingplichtige of de vooraf erkende persoon die hem vertegenwoordigt moet, op zicht van de factuur die deze belastingplichtige hem toezendt, het door artikel 4 van het koninklijk besluit nr. 31 van 02.04.2002 met betrekking tot de toepassingsmodaliteiten van de btw ten aanzien van de handelingen verricht door niet in België gevestigde belastingplichtigen, voorgeschreven stuk opmaken. Dit stuk moet aan de medecontractant van de niet in België gevestigde belastingplichtige worden uitgereikt binnen de wettelijke termijn voorzien voor het uitreiken van facturen (zie titel 3, rubriek B, hiervoor). Dit stuk dient de vermeldingen van de factuur als bedoeld in titel 5, rubriek A, hiervoor te bevatten. De aansprakelijke vertegenwoordiger stuurt het origineel van dat stuk naar de medecontractant van de niet in België gevestigde belastingplichtige na de factuur welke die belastingplichtige voor zijn medecontractant heeft bestemd eraan gehecht te hebben. Hij bewaart het dubbel van dat stuk. Dit stuk dient te worden beschouwd als noodzakelijk deel uitmakend van de factuur die wordt uitgereikt door de niet in België gevestigde belastingplichtige (artikel 4, § 2, tweede lid, van het koninklijk besluit nr. 31, voornoemd).

Ingevolge een zekere vertraging, opgelopen bij het overzenden van de factuur waaraan noch de niet in België gevestigde belastingplichtige, noch de aansprakelijke vertegenwoordiger enige schuld heeft, gebeurt het dat deze laatste niet in de mogelijkheid verkeert het hiervoor bedoelde stuk binnen de vereiste termijn uit te reiken.

In die omstandigheden wordt toegestaan dat de aansprakelijke vertegenwoordiger, indien hij niet in de mogelijkheid verkeert het stuk uit te reiken binnen de voorgeschreven termijn, het nog geldig kan uitreiken tot bij het verstrijken van de bedoelde maand (in plaats van tot de vijftiende dag van deze maand).

Er dient daarenboven op gewezen te worden dat de aansprakelijke vertegenwoordiger, onder bepaalde voorwaarden en op grond van artikel 4, § 3, van het koninklijk besluit nr. 31, voornoemd kan ontheven worden van de verplichting tot het opstellen van voormeld stuk, wanneer de door de niet in België gevestigde belastingplichtige opgemaakte factuur alle in titel 5, rubriek A, hiervoor, opgesomde vermeldingen bevat. De afwijking bedoeld in voorgaand lid kan slechts worden ingeroepen als de aansprakelijke vertegenwoordiger voorafgaandelijk het hoofd van het Team Beheer 1 van het Centrum Buitenland hiervan schriftelijk in kennis heeft gesteld en het voordeel ervan kan door de administratie worden ingetrokken indien de opgelegde voorwaarden niet worden vervuld (circulaire AOIF nr. 4/2003 van 04.03.2003, randnummers 155 tot 157).

H. Belastingplichtige onderworpen aan een bijzondere regeling

Voor de verplichtingen die op het stuk van de facturering moeten worden nagekomen door de aan de bijzondere regeling van de landbouwondernemers en aan de belastingvrijstellingsregeling onderworpen belastingplichtigen, wordt verwezen naar ‘Boekwerk V: Bijzondere regelingen -Hoofdstuk 15: Bijzondere regelingen’.

7. Andere aan belastingplichtigen en niet-belastingplichtigen opgelegde verplichtingen met betrekking tot de uit te reiken, op te maken of te ontvangen stukken

A. Bewaring en mededeling

Behoudens een door of vanwege de minister van Financiën toe te stane afwijking, dienen de inkomende facturen en stukken en de kopieën van de uitgaande facturen en stukken bewaard te worden gedurende zeven jaar te rekenen vanaf de eerste januari die volgt op hun datum (artikel 60 van het Btw-Wetboek).

Bovendien dienen de inkomende facturen en stukken en de kopieën van de uitgaande facturen en stukken, zonder verplaatsing, ter inzage te worden voorgelegd op ieder verzoek van de ambtenaren van de administratie belast met de belasting over de toegevoegde waarde (artikel 61 van het Btw-Wetboek).

Wat betreft de wijzen van bewaring en voorlegging van (papieren) facturen wordt verwezen naar de circulaire AOIF nr. 16/2008 van 13.05.2008 inzake btw en bewaring en haar bijlagen (bijlage 1 en bijlage 2). De krachtlijnen hiervan werden later ook door de administratie belast met de inkomstenbelasting onderschreven middels de circulaire AOIF nr. 15/2010 (nr. Ci. RH 81/593.456) van 19.02.2010. Voor wat betreft de wettelijke bewijswaarde van digitaal gearchiveerde facturen wordt verwezen naar het antwoord op de schriftelijke parlementaire vraag nr. 628 van de heer Volksvertegenwoordiger Peter Dedecker van 04.11.2015.

B. Sancties

Alle overtredingen van de bepalingen van de artikelen 60, 61 en 62 van het Btw-Wetboek worden, overeenkomstig artikel 70, § 4, eerste lid, van het Btw-Wetboek, bestraft met een niet-proportionele fiscale geldboete van 50 euro tot 5.000 euro per overtreding. Het bedrag van deze geldboete wordt naargelang van de aard en de ernst van de overtreding bepaald volgens de schaal, die vervat gaat in het koninklijk besluit nr. 44 van 09.07.2012 tot vaststelling van het bedrag van de niet-proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde.

Echter, wanneer de factuur of het als zodanig geldend stuk, waarvan de uitreiking is voorgeschreven door de artikelen 53, 53decies en 54, van het Btw-Wetboek of door de ter uitvoering ervan genomen besluiten, niet is uitgereikt of onjuiste vermeldingen bevat ten aanzien van het identificatienummer, de naam of het adres van de bij de handeling betrokken partijen, de aard of de hoeveelheid van de geleverde goederen of verstrekte diensten, de prijs of het toebehoren ervan, wordt een geldboete opgelegd gelijk aan het dubbel van de op de handeling verschuldigde belasting, zonder dat ze minder mag bedragen dan 50 euro (artikel 70, § 2, eerste lid, van het Btw-Wetboek).

Gevat door een prejudiciële vraag ter zake van het Hof van Cassatie, heeft het Grondwettelijk Hof voor recht verklaard dat artikel 70, § 2, van het Btw-Wetboek, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt in zoverre het de rechtbank van eerste aanleg niet mogelijk maakt de in die bepaling bedoelde geldboeten gepaard te laten gaan met een uitstel, maar dat artikel 70 van het Btw-Wetboek niet onbestaanbaar is met de artikel 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, in zoverre het de rechtbank van eerste aanleg niet mogelijk maakt een maatregel tot opschorting van de uitspraak toe te kennen (Arrest van het Grondwettelijk Hof nr. 13/2013 van 21.02.2013).

Die geldboete is verschuldigd individueel door de leverancier of de dienstverrichter en door zijn medecontractant, behoudens wanneer de overtreding als louter toevallig kan worden aangemerkt of wanneer de leverancier of de dienstverrichter geen ernstige reden had om te twijfelen aan de niet-belastingplichtigheid van de medecontractant (artikel 70, § 2, tweede lid, van het Btw-Wetboek). In deze situatie en in de mate dat het niet gaat om een overtreding van de verplichting de btw te voldoen, worden de overtredingen bestraft met de niet-proportionele geldboeten bedoeld in artikel 70, § 4, van het Btw-Wetboek en overeenkomstig de barema’s opgenomen in de bijlagen bij het koninklijk besluit nr. 44, voornoemd.

Op te merken valt dat die geldboete kan worden verminderd overeenkomstig de in tabel C van de bijlage bij het koninklijk besluit nr. 41 van 30.01.1987 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde, bepaalde verminderingsschaal.

De aandacht wordt eveneens gevestigd op de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de voldoening van de btw van de medecontractant van de schuldenaar van de belasting, wanneer de factuur niet werd opgemaakt of onjuiste vermeldingen bevat. Overeenkomstig artikel 51bis, § 2, van het Btw-Wetboek evenwel is de medecontractant die de identiteit van zijn leverancier of dienstverrichter aantoont en bewijst hem de prijs en de bijhorende belasting of een deel daarvan te hebben betaald in diezelfde mate ontslagen van die hoofdelijke aansprakelijkheid (Arrest van het hof van beroep te Antwerpen nr. 2013/AR/1359 van 08.11.2016).

Krachtens artikel 73bis, eerste lid, van het Btw-Wetboek, wordt gestraft met een gevangenisstraf van een maand tot vijf jaar en met een geldboete 250 euro tot 500.000 euro of met één van die straffen alleen hij die, met het oogmerk om een van de in artikel 73, van het Btw-Wetboek bedoelde misdrijven te plegen, valsheid pleegt in openbare geschriften, in handelsgeschriften of in private geschriften of in informatica, zoals bedoeld in artikel 210bis, § 1, van Boek II van het Strafwetboek of die van een zodanig vals geschrift gebruik maakt.

Artikel 73bis van het Btw-Wetboek, aldus geïnterpreteerd dat het misdrijf van gebruik van valse stukken blijft voortduren, zelfs zonder een nieuw feit van de dader en zonder zijn herhaald optreden, zolang het door hem beoogde doel niet volledig is bereikt en zolang de hem verweten beginhandeling, zonder verzet van zijn kant, het nuttige gevolg heeft dat hij ervan verwachtte, schendt niet de artikelen 12, tweede lid, en 14 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 7 van het Europees verdrag voor de rechten van de mens (Arrest van het Grondwettelijk Hof nr. 17/2010 van 25.02.2010).

[Top]

Afdeling 5 – Uitreiking van een ticket van een geregistreerd kassasysteem (GKS), een rekening of ontvangstbewijs

1. Wetgevend kader

• Artikel 21bis en artikel 22 van het koninklijk besluit nr. 1 van 29.12.1992 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de btw

• Koninklijk besluit van 30.12.2009 tot het bepalen van de definitie en de voorwaarden waaraan een geregistreerd kassasysteem in de horecasector moet voldoen

• Circulaire 2017/C/70 (nr. E.T. 129.043) van 06.11.2017 betreffende het geregistreerde kassasysteem

Met betrekking tot de technische aspecten van het geregistreerde kassasysteem wordt bovendien verwezen naar de volgende teksten:

• Wet van 30.07.2013 met betrekking tot de certificatie van een geregistreerd kassasysteem in de horecasector

• Koninklijk besluit van 01.10.2013 met betrekking tot de toepassingsmodaliteiten ten aanzien van de certificatie van een geregistreerd kassasysteem in de horecasector

• Circulaire AAFisc Nr. 33/2016 (nr. E.T. 124.747) van 08.11.2016

2. Opmerking betreffende voorafgaande reglementering

De oorspronkelijke reglementering wat betreft het geregistreerde kassasysteem in de horecasector, met name het oorspronkelijke artikel 21bis, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd, bepaalde dat een belastingplichtige een geregistreerd kassasysteem in gebruik moest nemen indien hij regelmatig restaurant- of cateringdiensten verrichtte. Deze regel werd door de administratie geïnterpreteerd door middel van de zogenaamde ‘10% regel’: Een belastingplichtige verricht regelmatig restaurant- of cateringdiensten, indien de omzet uit de restaurant- en cateringdiensten 10% of meer bedraagt van zijn totale omzet gerealiseerd door horeca-activiteiten.

De Raad van State was echter van mening dat er sprake was van een schending van het gelijkheidsbeginsel, aangezien het onderscheidingscriterium – het begrip ‘regelmatig’ – niet voldoende objectief vast te stellen is en aldus ruimte laat voor willekeur. Het oorspronkelijke artikel 21bis, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd, werd aldus vernietigd ten gevolge de arresten van de Raad van State nr. 232.545 en nr. 232.548 van 14.10.2015. De beslissing nr. E.T. 123.798 van 24.01.2014 die deze wetgeving toelichtte, werd vernietigd ten gevolge het arrest van de Raad van State nr. 232.549 van 14.10.2015. De beslissing nr. E.T. 127.190 van 26.11.2014 verschafte bijkomende toelichting in een aantal bijzondere gevallen en werd vernietigd ten gevolge het arrest van de Raad van State nr. 237.674 van 16.03.2017 omwille van problemen wat betreft delegatie en omwille van het ten onrecht niet vooraf voor advies voorleggen aan de afdeling wetgeving van de Raad van State.

Historiek van administratieve richtlijnen en commentarenOnderwerpStand van zaken
Aanschrijving nr. 6 van 27.04.1999Rekening of ontvangstbewijs en vergunning oude kassaGedeeltelijk opgeheven
Beslissing nr. E.T. 103.592 van 02.06.2003Vergunning oude kassaGedeeltelijk opgeheven
Beslissing nr. E.T. 118.066 van 09.03.2010 + Erratum – Addendum van 11.06.2010Invoering geregistreerde kassasystemen en overgangsperiodesOpgeheven
Beslissing nr. E.T. 123.798 van 24.01.2014Invoering van de geregistreerde kassasystemen volgens de ‘10% regel’Vernietigd door de Raad van State
Beslissing nr. E.T. 127.190 van 26.11.2014Verduidelijkingen en bijzonderheden met betrekking tot de invoering van de geregistreerde kassasystemen volgens de ‘10% regel’Vernietigd door de Raad van State
Beslissing nr. E.T. 127.736 van 16.02.2015Uitzondering wegens occasionele handelingenOpgeheven
Beslissing nr. E.T. 127.735 van 02.03.2015Uitzondering wegens volledige onderaannemingOpgeheven
3. Rekening of ontvangstbewijs (artikel 22 van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd)

A. Vermeldingen aan te brengen door een erkende drukker

De rekening of het ontvangstbewijs, eveneens btw-bonnetje genoemd, is een formulier, dat op voorhand op kosten van de belastingplichtige of het lid van de btw-eenheid in de zin van artikel 4, § 2, van het Btw-Wetboek door een erkende drukker moeten worden gedrukt dat in ieder geval de nagenoemde gegevens moet bevatten (artikel 22, § 2, tweede tot vierde lid van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd):

• de naam en de voornaam of, voor een rechtspersoon, de maatschappelijke benaming, alsmede het adres van de belastingplichtige of van het lid van de btw-eenheid in de zin van artikel 4, § 2, van het Btw-Wetboek, die de documenten zal gebruiken

• het btw-identificatienummer van de betrokkene

• een kader waarvan de afmetingen niet kleiner mogen zijn dan 6 cm bij 3 cm en waarin moeten worden gedrukt:

o de vermeldingen ‘Belasting over de toegevoegde waarde’ en ‘Rekening’ of ‘Ontvangstbewijs’

o een waarmerk bestaande uit een leeuw in het midden en de letter B

o een volgnummer bestaande uit vijf cijfers dat wordt genomen uit een reeks van 00.001 tot 99.999 en dat wordt gevolgd door een of meer letters van het alfabet om de reeks aan te duiden (voorbeeld: 00.025 AA)

o de coördinaten van de drukker

o een druknummer dat de maand en het jaar aangeeft waarin de documenten werden gedrukt (voorbeeld: 09/18 voor de documenten die worden gedrukt in september 2018)

• de vermelding ‘kopie’ op het dubbel van de rekening of het ontvangstbewijs

De drukkers die wensen te worden erkend voor het drukken van rekeningen of ontvangstbewijzen, moeten een verzoek richten tot de Algemene Administratie van de Fiscaliteit, Centrale diensten, Operationele Expertise en Ondersteuning, Taxatieprocedure en verplichtingen, Afdeling operationele expertise, North Galaxy, Toren A, Koning Albert II-laan 33, bus 25, te 1030 Brussel.

B. Aan te vullen vermeldingen

De rekening of het ontvangstbewijs wordt in tweevoud opgemaakt door de belastingplichtige of het lid van de btw-eenheid in de zin van artikel 4, § 2, van het Btw-Wetboek en bevat de volgende vermeldingen (artikel 22, § 2, eerste lid van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd):

• de datum

• het bedrag, belasting over de toegevoegde waarde inbegrepen, verschuldigd of betaald door de klant

• in voorkomend geval, het aantal verbruikte maaltijden evenals het onderscheid tussen het bedrag voor het verschaffen van de maaltijden en het bedrag voor het verschaffen van de dranken (in geval van uitreiking voor het verschaffen van maaltijden en daarbij horende dranken, artikel 22, § 1, 2° van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd)

C. Materiële voorstelling van de stukken

Onder voorbehoud van de voormelde verplichtingen, is de materiële voorstelling van die stukken niet gereglementeerd, zodat de gebruikers daar vrij kunnen over beslissen. Het volstaat bijgevolg dat die documenten enkel de hiervoor bedoelde gegevens bevatten, maar ze mogen ook worden gecombineerd, bijvoorbeeld met de traditionele hotel- of restaurantrekening, zodat ze in feite het detail van de verstrekte diensten en bepaalde teksten of elementen met publicitaire doeleinden bevatten. Ze mogen eveneens worden opgemaakt in de vorm van een echte factuur (met vermelding van de klant).

Anderzijds moeten deze stukken worden opgemaakt in twee exemplaren, waarvan het door de belastingplichtige te bewaren exemplaar moet worden gerangschikt volgens de datum ervan (artikel 22, § 6, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd), derwijze dat de inschrijvingen op het origineel tegelijkertijd kunnen worden overgebracht op het dubbel, door middel van carbonpapier, van een laag carbon op de keerzijde van het origineel of door enig ander procedé. Het dubbel moet de vermelding ‘kopie’ dragen. De stukken mogen worden samengevoegd in boekjes. Ze mogen ook op losse bladen worden opgemaakt.

D. Tijdstip waarop de stukken moeten worden uitgereikt

De rekening of het ontvangstbewijs moet worden uitgereikt aan de klant op het tijdstip waarop de dienst voltooid is (artikel 22, § 4, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd), met andere woorden:

• ten aanzien van de hotels, wanneer het verblijf van de klant in het hotel ophoudt of wanneer er een gedeeltelijke afrekening wordt opgemaakt

• ten aanzien van de inrichtingen waar maaltijden worden verbruikt, wanneer de klant zijn maaltijd heeft beëindigd of ten laatste wanneer hij de inrichting verlaat. Echter, voor maaltijden die in hotel-restaurants verschaft worden aan personen die er verblijven, is het niet nodig een apart btw-ontvangstbewijs uit te reiken wanneer de prijs van de maaltijden niet onmiddellijk wordt betaald. In dergelijk geval moet de prijs van de maaltijden worden opgenomen in de globale hotelrekening.

• ten aanzien van het wassen van voertuigen, wanneer het gewassen voertuig ter beschikking wordt gesteld van de eigenaar

De rekening of het ontvangstbewijs moet onmiddellijk aan de klant worden overhandigd, zelfs wanneer die klant op dat moment niet betaalt en, bijvoorbeeld, de hotel- of restauranthouder de gewoonte heeft op bepaalde tijdstippen een verzamelfactuur uit te reiken. In dat geval wordt aangeraden dat op de factuur een verwijzing wordt aangebracht naar de nummers van de overeenstemmende rekeningen of ontvangstbewijzen.

Evenwel is de belastingplichtige niet gehouden de rekening of het ontvangstbewijs op te maken voor zover hij op het tijdstip waarop de dienst is beëindigd aan de klant een factuur uitreikt die de vermeldingen bedoeld in artikel 5, § 1, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd, bevat of een kasticket uitreikt overeenkomstig artikel 21bis van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd.

De verplichting om een rekening of ontvangstbewijs uit te reiken bij de voltooiing van de dienst wijzigt in geen enkel opzicht de oorzaak van de opeisbaarheid van de belasting.

E. Dagelijkse aantekening

De nummers van de rekeningen of van de ontvangstbewijzen die in de loop van de dag worden gebruikt moeten dagelijks worden aangetekend in het dagboek van ontvangsten bedoeld in artikel 14, § 2, 3°, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd (zie Afdeling 7, dagboek van ontvangsten), na de inschrijving van de ontvangsten ten aanzien waarvan de belastingplichtige gebruik heeft gemaakt van de ontheffing van de factureringsplicht (artikel 22, § 5 van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd). Indien meerdere reeksen rekeningen of ontvangstbewijzen gelijktijdig worden gebruikt (zie de ondernemingen die afzonderlijke reeksen laten gebruiken door de verschillende personeelsleden of in de verschillende verbruiksinrichtingen), moeten de nummers van iedere reeks worden aangetekend.

Er bestaat geen bezwaar tegen dat een bijzonder register, onderscheiden van het dagboek van ontvangsten, wordt gebruikt voor de dagelijkse inschrijving van de nummers van de gebruikte rekeningen of ontvangstbewijzen.

F. Bewaring en voorlegging

De belastingplichtige of het lid van de btw-eenheid in de zin van artikel 4, § 2, van het Btw-Wetboek, moet op ieder verzoek van de ambtenaren die belast zijn met de controle van de btw, de dubbels van de stukken die hij aan de klanten heeft uitgereikt, alsook de stukken die hij heeft laten drukken maar nog niet heeft gebruikt, ter inzage voorleggen. Hij moet eveneens kunnen aantonen welke bestemming hij heeft gegeven aan de stukken die hij van de drukker heeft ontvangen (artikel 22, § 7 van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd).

Bovendien moeten die stukken worden bewaard gedurende 7 jaar te rekenen vanaf de eerste januari van het jaar dat volgt op hun datum (artikel 60 van het Btw-Wetboek).

4. Ticket van een geregistreerd kassasysteem (artikel 21bis van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd): Verplichtingen in de horecasector

Naar aanleiding van de tariefverlaging van 21% naar 12% voor restaurant- en cateringdiensten (het verschaffen van dranken daaronder niet inbegrepen) met ingang van 01.01.2010, werd aan de sector een extra inspanning gevraagd voor de juiste rapportering van de verrichte handelingen. Dit heeft geleid tot de ontwikkeling van het geregistreerde kassasysteem in de horecasector. Het concept werd als dusdanig ontwikkeld dat elke poging tot omzeiling ervan of fraude, in tegenstelling tot vroeger, detecteerbaar wordt (schriftelijke parlementaire vraag nr. 491 van mevrouw de Volksvertegenwoordiger Kattrin Jadin van 28.07.2015 en schriftelijke parlementaire vraag nr. 588 van de heer Volksvertegenwoordiger Stefaan Vercamer van 23.10.2015 en schriftelijke parlementaire vraag nr. 379 van de heer Volksvertegenwoordiger Vincent Scourneau van 02.06.2015)

A. Drempel van 25.000 euro, exclusief btw

De exploitant van een inrichting waar maaltijden worden verbruikt en de traiteur die cateringdiensten verricht, moeten kastickets uitreiken met behulp van een geregistreerd kassasysteem wanneer de jaaromzet, exclusief btw, met betrekking tot de restaurant- en cateringdiensten, met uitsluiting van het verschaffen van dranken, meer bedraagt dan 25.000 euro (artikel 21bis, § 1, eerste lid, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd).

De drempel wordt berekend met bedragen exclusief btw en omvat de omzet uit restaurant- en cateringdiensten. Wordt niet meegenomen in de berekening van de drempel, de omzet uit:

• het verschaffen van dranken bij een maaltijd

• het verschaffen van dranken buiten een maaltijd

• de leveringen van meeneemmaaltijden

• de verkopen van voeding in het algemeen

• andere (horeca-)activiteiten

Er wordt geen onderscheid gemaakt tussen de belastingplichtige die zelf de restaurant- of cateringdiensten verstrekt en de belastingplichtige die hiervoor een beroep doet op een onderaannemer (commissionairsprincipe). Iedere belastingplichtige, hoofd- of onderaannemer, moet berekenen of hij de drempel overschrijdt of niet.

De verhuur van tafels, stoelen, borden, glazen, personeel voor bediening en dergelijke meer waarvoor een afzonderlijke prijs wordt aangerekend (niet begrepen in de prijs van de maaltijd), wordt niet meegenomen in de berekening van de drempel. Indien de drempel van 25.000 euro wordt overschreden, moeten er voor dergelijke verhuur enkel kastickets van een geregistreerd kassasysteem worden uitgereikt indien de verhuur verband houdt met een evenement waar de betrokken belastingplichtige ook restaurant- of cateringdiensten verricht.

Bijkomende activiteiten, zoals de verkoop van meubels, toegang tot wellness, casino, bowling, binnenspeeltuin, optredens of animatie, inkomgeld dancing… zijn geen restaurant- of cateringdiensten en worden dus niet in de berekening van de drempel opgenomen. Indien de drempel van 25.000 euro wordt overschreden, hoeven er ook geen kastickets van een geregistreerd kassasysteem uitgereikt te worden voor deze activiteiten.

De omzet uit restaurant- en cateringdiensten die in het buitenland worden verricht, moet niet opgenomen worden in de berekening van de drempel. Er moeten geen kastickets van een geregistreerd kassasysteem worden uitgereikt voor in het buitenland verrichte handelingen (gezien de Belgische wetgeving niet van toepassing is op dergelijke handelingen). De in het buitenland verrichte handelingen mogen wel, op vrijwillige basis, worden opgenomen in het geregistreerde kassasysteem (ermee rekening houdend dat in de Belgische btw-aangifte, deze handelingen verricht in het buitenland duidelijk te onderscheiden moeten zijn van de handelingen verricht in België).

Indien de belastingplichtige voor maximum 25.000 euro omzet, exclusief btw, restaurant- en cateringdiensten, met uitsluiting van het verschaffen van dranken, verricht, is hij er niet toe gehouden kastickets met behulp van een geregistreerd kassasysteem uit te reiken. Hij moet echter wel rekeningen of ontvangstbewijzen uitreiken voor de verschafte maaltijden en bijhorende dranken. Hij kan er echter steeds voor opteren vrijwillig een geregistreerd kassasysteem te gebruiken. Alle verplichtingen en gevolgen die gelden voor de belastingplichtige die de drempel overschrijdt, zijn ook van toepassing op diegene die vrijwillig een geregistreerd kassasysteem gebruikt.

B. Ontheffingen

Artikel 21bis van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd, voorziet in drie ontheffingen van de verplichting een kasticket met behulp van een geregistreerd kassasysteem uit te reiken. Deze ontheffingen worden steeds toegepast per inrichting.

a. Onderaanneming

Er wordt voorzien in een ontheffing van de verplichting een kasticket met behulp van een geregistreerd kassasysteem uit te reiken voor de belastingplichtige die aan een eindconsument restaurant- en cateringdiensten verstrekt en hiervoor voor de totaliteit van zijn activiteit van verrichter van restaurant- en cateringdiensten een beroep doet op een onderaannemer die gehouden is het kasticket uit te reiken, op voorwaarde dat de belastingplichtige op geen enkele manier tussenkomt bij de voorbereiding van de maaltijden noch bij de aankoop van niet bereide voedingsmiddelen (artikel 21bis, § 1, vijfde lid, 1°, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd).

Bij wijze van tolerantie is de belastingplichtige die op grond van deze ontheffing niet gehouden is een geregistreerd kassasysteem te gebruiken, eveneens ontheven van het uitreiken van rekeningen of ontvangstbewijzen voor de verschafte maaltijden en bijhorende dranken. Alle handelingen die hij verricht liggen namelijk reeds volledig vast in de ontvangen kastickets van het geregistreerde kassasysteem van de onderaannemer.

De onderneming dient een dagboek van ontvangsten te houden en de inschrijvingen te verrichten op basis van gedateerde verantwoordingsstukken, volgens de normale regels van artikelen 14 en 15 van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd. Deze verantwoordingsstukken kunnen bijvoorbeeld zijn: tickets van een gewone kassa, bewijzen van elektronische betalingen …

b. Hoteluitbaters

De belastingplichtige die gemeubeld logies verschaft als bedoeld in artikel 18, § 1, tweede lid, 10°, van het Btw-Wetboek, is niet gehouden tot het uitreiken van kastickets met behulp van een geregistreerd kassasysteem ten aanzien van het verschaffen van spijzen en dranken, voor zover deze worden aangerekend en opgenomen in de globale hotelrekening aan de gasten die er verblijven (artikel 21bis, § 1, vijfde lid, 2°, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd).

* Eerste Sector: hotelactiviteit

Deze sector omvat het verschaffen van gemeubeld logies (dat al dan niet gepaard gaat met het verschaffen van spijzen en dranken of met bijkomende diensten) door een exploitant van een hotelinrichting en dergelijke aan hotelgasten én die verrekend worden via de globale hotelrekening.

Meer algemeen betreft deze sector al wie een inrichting drijft waar aan betalende gasten onderdak wordt verschaft.

Voor deze handelingen moet overeenkomstig artikel 22, § 1, 1°, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd, een rekening of ontvangstbewijs worden uitgereikt en dit op het tijdstip waarop de dienst is voltooid. De rekening of het ontvangstbewijs mag vervangen worden door een volledige factuur op naam van de klant, voor zover deze wordt uitgereikt op het tijdstip waarop de dienst is voltooid.

De drempel van 25.000 euro inzake het geregistreerd kassasysteem kan nooit toepassing vinden in deze eerste sector.

Enkel de belastingplichtige die zich beperkt tot de handelingen bedoeld in deze eerste sector die steeds worden opgenomen op de globale hotelrekening, kan de rekening of het ontvangstbewijs nog vervangen door een kasticket dat gegenereerd werd door een kasregister met een vergunning bedoeld in de beslissing nr. E.T. 103.592 van 02.06.2003.

* Tweede Sector: andere dan hotelactiviteit

Binnen deze sector dient men de drempel van 25.000 euro inzake het geregistreerde kassasysteem toe te passen om te bepalen of men gebruik moet maken van hetzij rekeningen of ontvangstbewijzen, hetzij kastickets van het geregistreerde kassasysteem.

Het drempelbedrag omvat de omzet uit de restaurant- en cateringdiensten met uitsluiting van het verschaffen van dranken (waaronder begrepen de maaltijden verstrekt aan niet-hotelgasten en aan hotelgasten voor zover de maaltijden niet zijn opgenomen in de globale hotelrekening). Voor de drempel wordt dus geen rekening gehouden met de logies, het ontbijt of andere maaltijden verschaft aan hotelgasten, opgenomen in de globale hotelrekening.

c. Uitbaters van bedrijfsrestaurants

De belastingplichtige werkgever die een bedrijfsrestaurant uitbaat, is niet gehouden kastickets met behulp van een geregistreerd kassasysteem uit te reiken (artikel 21bis, § 1, vijfde lid, 3°, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd) wanneer de volgende voorwaarden samen vervuld zijn:

• De activiteit van de onderneming is een andere activiteit dan een activiteit met betrekking tot restaurant- en cateringdiensten.

• Het bedrijfsrestaurant is slechts toegankelijk voor personeelsleden van de onderneming en voor personeelsleden van een verbonden onderneming. Wordt eveneens bedoeld het bedrijfsrestaurant dat door verschillende ondernemingen gemeenschappelijk wordt uitgebaat en dat slechts toegankelijk is voor personeelsleden van deze ondernemingen (waarvan de zetel zich bijvoorbeeld in hetzelfde gebouw bevindt). Bij wijze van tolerantie mogen de personen die door middel van een outsourcingscontract op middellange of op lange termijn tewerkgesteld zijn bij de outsourcer (bijvoorbeeld inzake IT), ook als (gelieerde) personeelsleden worden beschouwd voor het gebruik van het bedrijfsrestaurant. Bij wijze van tolerantie mogen, in zeer beperkte mate, ook genodigden gebruik maken van het bedrijfsrestaurant (de genodigden mogen maximum 5 % van de omzet exclusief btw uitmaken).

• Het bedrijfsrestaurant is slechts toegankelijk tijdens de werkuren van de onderneming.

Bij wijze van tolerantie is de belastingplichtige die een bedrijfsrestaurant uitbaat en die op grond van deze ontheffing niet gehouden is een geregistreerd kassasysteem te gebruiken, eveneens ontheven van het uitreiken van rekeningen of ontvangstbewijzen voor de maaltijden verschaft aan zijn personeelsleden en aan de personeelsleden van een gelieerde onderneming en voor de bijhorende dranken.

De onderneming dient een dagboek van ontvangsten te houden en de inschrijvingen te verrichten op basis van gedateerde verantwoordingsstukken, volgens de normale regels van artikelen 14 en 15 van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd. Deze verantwoordingsstukken kunnen bijvoorbeeld zijn: tickets van een gewone kassa, bewijzen van elektronische betalingen …

Wanneer een derde de maaltijden verstrekt in een bedrijfsrestaurant moet aangenomen worden dat er tussen de onderneming(en) en de derde een contract bestaat met betrekking tot het verstrekken van cateringdiensten. Wanneer kan beschouwd worden dat, ingevolge dat contract of anderzijds, de onderneming voor de totaliteit van haar activiteit van verrichter van restaurantdiensten aan haar personeelsleden of aan de personeelsleden van een gelieerde onderneming, een beroep doet op een derde, de onderaannemer die gehouden is kastickets van een geregistreerd kassasysteem uit te reiken aan de onderneming, is de ontheffing van kastickets van een geregistreerd kassasysteem in de relatie tussen de onderneming en bedoelde personeelsleden ingevolge onderaanneming mogelijk (artikel 21bis, § 1, vijfde lid, 1°, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd). De van toepassing zijnde ontheffing is niet die ingevolge een bedrijfsrestaurant zoals bedoeld in artikel 21bis, § 1, vijfde lid, 3°, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd.

Tot slot wordt opgemerkt dat wanneer de derde de bedoelde maaltijden volledig onafhankelijk aan de personeelsleden van de onderneming of van een gelieerde onderneming zou verstrekken, bijvoorbeeld ingevolge een concessieovereenkomst tussen de derde en de onderneming tot uitbating van een restaurant, zijn de gewone regels inzake het geregistreerde kassasysteem van toepassing in de relatie tussen de derde en de bedoelde personeelsleden. De onderneming komt in dit geval niet tussen in de prijs van de maaltijden die de personeelsleden ontvangen. De onderneming verstrekt geen restaurant- of cateringdiensten. De ontheffingen ingevolge ondernaanneming of ingevolge een bedrijfsrestaurant zijn niet van toepassing.

C. Meerdere horecazaken onder één btw-identificatienummer

Indien onder hetzelfde btw-identificatienummer, meerdere horecazaken worden uitgebaat, moet de drempel van 25.000 euro per inrichting (artikel 21bis § 1, tweede lid, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd) worden bekeken. Elke inrichting volgt dus haar eigen regeling.

Indien het echter gaat om inrichtingen die materieel met elkaar verbonden zijn, waarbij de klanten zich vrij, en zonder het gebouw te verlaten, kunnen verplaatsen tussen de verschillende inrichtingen, moet de drempel worden berekend over het geheel van deze inrichtingen.

Het gaat bijvoorbeeld over een ijsverkoper met een verbruikssalon enerzijds en een mobiele ijskar anderzijds, de verschillende eet- en drinkgelegenheden binnen één pretpark of voetbalstadion, alsook de slager met een slagerij enerzijds en cateringdiensten anderzijds (schriftelijke parlementaire vraag nr. 1.789 van de heer Volksvertegenwoordiger Michel de Lamotte van 16.08.2017).

D. Referentieperiode voor de berekening van de drempel

Wanneer de belastingplichtige bij de indiening van de periodieke btw-aangifte, vaststelt dat de totale omzet exclusief btw, met betrekking tot de restaurant- en cateringdiensten, met uitsluiting van het verschaffen van dranken, gerealiseerd tijdens het lopende kalenderjaar 25.000 euro overschrijdt, is hij gehouden zich te laten registreren bij de FOD Financiën uiterlijk bij het verstrijken van de tweede maand die volgt op het betreffende btw-aangiftetijdvak (artikel 21bis, § 3, eerste lid, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd). De belastingplichtige moet uiterlijk op het einde van de derde maand die volgt op het betreffende btw-aangiftetijdvak, een geregistreerd kassasysteem in gebruik nemen in die inrichting (artikel 21bis, § 3, tweede lid, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd).

De belastingplichtige die zijn activiteit aanvangt, is gehouden te verklaren, onder controle van de administratie die belast is met de belasting over de toegevoegde waarde, dat naar alle waarschijnlijkheid het bedrag van zijn jaaromzet exclusief btw, met betrekking tot restaurant- en cateringdiensten, met uitsluiting van het verschaffen van dranken, bedoeld in § 1, eerste lid, van artikel 21bis van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd, 25.000 euro niet zal overschrijden. Indien de belastingplichtige van oordeel is dat zijn jaaromzet het bedrag van 25.000 euro zal overschrijden, is hij gehouden zich te laten registreren uiterlijk bij het verstrijken van de tweede maand die volgt op de datum van aanvang van zijn activiteit (artikel 21bis, § 2, tweede lid, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd). De belastingplichtige moet uiterlijk op het einde van de derde maand die volgt op de datum van aanvang van zijn activiteit, een geregistreerd kassasysteem in gebruik nemen in die inrichting (artikel 21bis, § 2, derde lid, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd).

De omzet van de restaurant- en cateringdiensten dient door de exploitant te worden geraamd (hij kan zich bijvoorbeeld baseren op een realistisch businessplan). Deze schatting moet voorgelegd kunnen worden op moment van controle. Iemand die een zaak overneemt zonder toepassing van artikel 11 van het Btw-Wetboek, wordt beschouwd als een starter.

Een belastingplichtige wordt als een overnemer beschouwd indien de overname gebeurt met toepassing van artikel 11 van het Btw-Wetboek. Dit is het geval wanneer het gaat om de overdracht van een algemeenheid van goederen of van een bedrijfsafdeling. De overnemer wordt geacht de persoon van de overdrager voort te zetten.

De overnemer dient zijn ramingen te baseren op de gegevens van de overdrager. Wanneer de jaaromzet van de overdrager voortkomend uit de restaurant- en cateringdiensten, met uitsluiting van het verschaffen van dranken, het bedrag van 25.000 euro overschrijdt, is de overnemer als belastingplichtige die een activiteit start, gehouden zich te laten registreren uiterlijk bij het verstrijken van de tweede maand die volgt op de datum van aanvang van zijn activiteit. De belastingplichtige moet uiterlijk op het einde van de derde maand die volgt op de datum van aanvang van zijn activiteit, een geregistreerd kassasysteem in gebruik nemen in die inrichting.

E. Verplichting tot het uitreiken van een rekening of ontvangstbewijs tijdens de periode tussen de registratie en de ingebruikname van het geregistreerd kassasysteem

De belastingplichtige die zich heeft laten registreren bij de FOD Financiën en die nog niet beschikt over een geregistreerd kassasysteem dat hem toelaat het kasticket uit te reiken, is gehouden tijdens deze periode de rekening of het ontvangstbewijs uit te reiken bedoeld in artikel 22, § 1, eerste lid, 2°, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd (artikel 21bis, § 4, eerste lid, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd).

Bij wijze van tolerantie en om praktische redenen dient de rekening en ontvangstbewijs ook in deze context enkel uitgereikt te worden voor de maaltijden en de dranken, verschaft bij deze maaltijden.

F. Vrijstelling artikel 44 van het Btw-Wetboek

Handelingen die aan de voorwaarden van artikel 44 van het Btw-Wetboek, voldoen, zijn vrijgesteld van btw. School- en ziekenhuiscafetaria’s bijvoorbeeld kunnen eventueel onder bepaalde voorwaarden genieten van deze vrijstelling. In dat geval worden ze ontheven van het gebruik van het geregistreerde kassasysteem voor de restaurant- en cateringdiensten die genieten van de vrijstelling voorzien door artikel 44 van het Btw-Wetboek. Voor deze restaurant- en cateringdiensten moet evenmin een rekening of ontvangstbewijs uitgereikt worden. Het staat de belastingplichtige vrij om vrijwillig een geregistreerd kassasysteem in gebruik te nemen.

Wanneer vrijgestelde handelingen gecombineerd worden met belaste handelingen, wordt enkel de omzet uit de restaurant- of cateringdiensten die niet zijn vrijgesteld van btw, meegeteld voor de berekening van de drempel.

Het didactisch restaurant, uitgebaat door een school, dat openstaat voor het publiek en commercieel wordt geëxploiteerd, is niet vrijgesteld door artikel 44, § 2, 4°, van het Btw-Wetboek, en wordt beoogd door de regelgeving inzake het geregistreerde kassasysteem.

G. Vrijstelling artikel 42 van het Btw-Wetboek

In tegenstelling tot de handelingen vrijgesteld door artikel 44, van het Btw-Wetboek, die geen recht op aftrek van de btw verlenen, verlenen de handelingen vrijgesteld door artikel 42, van dit Wetboek wel recht op aftrek.

Dit verschil leidt ertoe dat, in tegenstelling tot de activiteiten van artikel 44, van het Btw-Wetboek, de handelingen van artikel 42, van dit Wetboek, volgens de normale regels meegenomen worden in de berekening van de drempel. Indien de 25.000 euro wordt overschreden, moeten er ook kastickets van een geregistreerd kassasysteem worden uitgereikt voor de door artikel 42, van het Btw-Wetboek, vrijgestelde handelingen die verband houden met het verstrekken van maaltijden en dranken. Indien de 25.000 euro niet wordt overschreden, moeten er rekeningen of ontvangstbewijzen zoals bedoeld in artikel 22, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd, worden uitgereikt voor de verschafte maaltijden en bijhorende dranken, ook indien ze vrijgesteld zijn door artikel 42, van hetzelfde Wetboek. Wanneer toch alle door een belastingplichtige verrichte restaurant- en cateringdiensten vrijgesteld zouden zijn ingevolge artikel 42, van het Btw-Wetboek, wordt aanvaard dat een geregistreerd kassasysteem niet moet gebruikt worden.

H. Forfaitaire regeling artikel 56 van het Btw-Wetboek

Ook de belastingplichtigen die gebruik maken van de forfaitaire regeling van artikel 56, § 1, van het Btw-Wetboek, moeten de drempel van 25.000 euro toepassen om te bepalen of zij al dan niet verplicht zijn kastickets van een geregistreerd kassasysteem uit te reiken. Het gaat hier om frituurexploitanten, caféhouders, slagers, bakkers en ijsbereiders met een verbruikssalon. Deze lijst is echter niet exhaustief. Indien belastingplichtigen die gebruik maken van een andere forfaitaire regeling, ook te maken krijgen met de problematiek rond het geregistreerde kassasysteem, is de uiteenzetting hieronder eveneens op hen van toepassing.

Degenen die de 25.000 euro niet overschrijden, zijn gehouden rekeningen of ontvangstbewijzen zoals bedoeld in artikel 22, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd, uit te reiken voor de verschafte maaltijden en bijhorende dranken. Het blijft mogelijk de forfaitaire regeling toe te passen.

Degenen die de 25.000 euro overschrijden, zijn gehouden kastickets van een geregistreerd kassasysteem uit te reiken. Aangezien het gebruik van een geregistreerd kassasysteem (verplicht of vrijwillig) niet verenigbaar is met de toepassing van de forfaitaire regeling, verliezen zij de toepassing van deze regeling vanaf het kalenderjaar volgend op de overschrijding van de drempel (beslissing nr. E.T. 131.030 van 10.11.2016). Deze beslissing is in werking getreden op 01.01.2017.

I. Vrijstellingsregeling artikel 56bis van het Btw-Wetboek

De kleine ondernemingen, waarvan de jaaromzet niet meer bedraagt dan 25.000 euro, exclusief btw, kunnen genieten van een belastingvrijstelling voor de leveringen van goederen en diensten die ze verrichten. Ook de kleine ondernemingen onder de vrijstellingsregeling moeten de drempel van 25.000 euro toepassen indien zij restaurant- of cateringdiensten verrichten.

Diegenen die voor hun restaurant- en cateringdiensten, met uitsluiting van het verschaffen van dranken, de 25.000 euro niet overschrijden, zijn gehouden rekeningen of ontvangstbewijzen zoals bedoeld in artikel 22, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd, uit te reiken voor de verschafte maaltijden en bijhorende dranken (beslissing nr. E.T. 114.588 van 01.12.2008 werd opgeheven).

De belastingplichtigen die de 25.000 euro voor hun restaurant- en cateringdiensten, met uitsluiting van het verschaffen van dranken, overschrijden, zijn gehouden kastickets van een geregistreerd kassasysteem uit te reiken. Bovendien, aangezien hun totale jaarlijkse omzet dus vanzelfsprekend de drempel van 25.000 euro overschrijdt, kunnen zij niet langer genieten van de toepassing van de vrijstellingsregeling voor kleine ondernemingen (artikel 56bis, § 1, eerste lid, van het Btw-Wetboek).

J. Verschaffers van lichte maaltijden

De tolerantiemaatregel omschreven in de aanschrijving nr. 6/1999 van 27.04.1999, randnummer 18, waardoor verschaffers van lichte maaltijden geen controledocument moeten uitreiken, is voor alle belastingplichtigen afgeschaft door de invoering van de geregistreerde kassasystemen.

Zij dienen hetzij kastickets van een geregistreerd kassasysteem, hetzij rekeningen of ontvangstbewijzen uit te reiken.

K. Frituuruitbaters

De tolerantiemaatregel omschreven in de aanschrijving nr. 6/1999 van 27.04.1999, randnummer 19, waardoor frituuruitbaters geen controledocument moeten uitreiken, is voor alle belastingplichtigen afgeschaft door de invoering van de geregistreerde kassasystemen.

Zij dienen hetzij kastickets van een geregistreerd kassasysteem, hetzij rekeningen of ontvangstbewijzen uit te reiken.

L. Vergunning Aanschrijving nr. 6 van 27.04.1999

De vergunningen 'Aanschrijving 6/1999', waardoor belastingplichtigen een kasticket van een vergunde kassa konden uitreiken ter vervanging van een rekening of ontvangstbewijs zoals bedoeld in artikel 22, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd, zijn voor alle belastingplichtigen (met uitzondering van zij die automobielen wassen) afgeschaft door de invoering van de geregistreerde kassasystemen.

Zij dienen hetzij kastickets van een geregistreerd kassasysteem, hetzij rekeningen of ontvangstbewijzen uit te reiken.

M. Vergunning Beslissing nr. E.T.103.592 van 02.06.2003

De vergunningen 'Beslissing E.T. 103.592', waardoor belastingplichtigen een kasticket van een vergunde kassa konden uitreiken ter vervanging van een rekening of ontvangstbewijs zoals bedoeld in artikel 22, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd, zijn voor alle belastingplichtigen (met uitzondering van zij die aan betalende gasten onderdak verschaffen en van zij die automobielen wassen) afgeschaft door de invoering van de geregistreerde kassasystemen.

Zij dienen hetzij kastickets van een geregistreerd kassasysteem, hetzij rekeningen of ontvangstbewijzen uit te reiken.

5. Ticket van een geregistreerd kassasysteem (artikel 21bis van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd): Gevolgen van het overschrijden van de drempel

A. Kastickets van een geregistreerd kassasysteem

Van zodra de drempel van 25.000 euro overschreden wordt, is de belastingplichtige verplicht kastickets uit te reiken met behulp van een geregistreerd kassasysteem, volgens onderstaande toelichtingen. Voor een uitgebreide technische toelichting van het geregistreerde kassasysteem en het koninklijk besluit van 30.12.2009 ter bepaling van de definitie en de voorwaarden waaraan een geregistreerd kassasysteem in de horecasector moet voldoen, wordt verwezen naar de circulaire AAFisc nr. 33/2016 (nr. E.T. 124.747) van 08.11.2016.

Wat betreft de identificatie van de belastingplichtige leverancier of dienstverrichter, wordt toegestaan dat het adres van de inrichting wordt vermeld op het kasticket, in plaats van het domicilie of de maatschappelijke zetel van de belastingplichtige, op voorwaarde dat zowel de benaming als het btw-nummer correct vermeld worden op het kasticket.

Het kasticket vermeldt eveneens de gebruikelijke benaming en de prijs van de geleverde goederen en van de verstrekte diensten. Deze gegevens zijn nodig om de handeling te determineren en om het tarief van de belasting vast te stellen. Zonder voldoende gedetailleerde vermelding van de verkochte artikelen kan ook de toepassing van een verlaagd btw-tarief niet verantwoord worden. Enkel in uitzonderlijke gevallen, bijvoorbeeld 100 verschillende flessen wijn, kan worden toegestaan dat de omschrijving van het artikel wordt veralgemeend, bijvoorbeeld naar 10 verschillende prijscategorieën voor de wijn.

Sommige geregistreerde kassasystemen zijn in de mogelijkheid een vereenvoudigd kasticket af te drukken. Het gaat met name om een kopie van het normale kasticket die echter geen gedetailleerde informatie weergeeft over de verstrekte dienst. Het vereenvoudigd kasticket wordt niet automatisch, maar op vraag van de klant afgedrukt en bevat een verwijzing naar het gedetailleerde kasticket. Er gaat altijd een gedetailleerd kasticket aan vooraf. De afdruk van een vereenvoudigd kasticket wordt ook onveranderlijk bewaard in de fiscale data module.

In tegenstelling tot de bepalingen voorzien in artikel 22, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd, voorzien de bepalingen van artikel 21bis, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd, niet dat het kasticket van een geregistreerd kassasysteem vervangen kan worden door een factuur, zelfs niet indien deze uitgereikt wordt op het tijdstip van de levering of op het tijdstip waarop de dienst wordt verricht. Onder bepaalde voorwaarden kan een factuur worden aangemaakt met behulp van een geregistreerd kassasysteem, onder de vorm van een kasticket. Ook een dergelijke factuur kan nooit het 'btw-kasticket' van een geregistreerd kassasysteem vervangen.

Omgekeerd, kan de uitreiking van een kasticket van een geregistreerd kassasysteem, de belastingplichtige niet ontheffen van de verplichting tot het uitreiken van een factuur indien de dienst is verricht voor een belastingplichtige of een niet belastingplichtige rechtspersoon (artikel 53, § 2, van het Btw-Wetboek).

B. Kasticket ongeacht de aard van de handelingen

Er moet een kasticket van een geregistreerd kassasysteem uitgereikt worden voor alle handelingen die in de uitoefening van de economische activiteit worden verricht en die verband houden met het verstrekken van maaltijden en dranken, al dan niet verschaft bij de maaltijd, met inbegrip van alle verkopen van spijzen en dranken in de betrokken inrichting (artikel 21bis, § 1, eerste lid, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd).

Tevens wordt benadrukt dat het uitreiken aan de klant van het pro forma ticket dat kan aangemaakt worden door het geregistreerde kassasysteem niet voldoende is. De klant dient het btw-kasticket gegenereerd door het geregistreerde kassasysteem te ontvangen.

De aandacht wordt gevestigd op het feit dat het kasticket van een geregistreerd kassasysteem moet worden uitgereikt ongeacht de aard van de handeling (bijvoorbeeld: ook voor de levering van meeneemmaaltijden en voor het leveren of verschaffen van dranken buiten het kader van een maaltijd). Ook alle andere verkopen van spijzen en dranken in de betrokken inrichting worden beoogd (bijvoorbeeld: leveringen van brood in een bakkerij met verbruikszaal).

Bij overschrijding van de drempel van 25.000 euro aan restaurant- en cateringdiensten, met uitsluiting van het verschaffen van dranken, moet er voor de verhuur van tafels, stoelen, borden, glazen, personeel voor bediening en dergelijke meer waarvoor er een afzonderlijke prijs wordt aangerekend, enkel kastickets van een geregistreerd kassasysteem worden uitgereikt indien de verhuur verband houdt met een evenement waar de betrokken belastingplichtige ook restaurant- of cateringdiensten verricht.

Handelingen buiten de voedingssfeer worden niet beoogd door het geregistreerde kassasysteem. Het gaat hier onder meer om de verkoop van meubels, toegang tot wellness, casino, bowling, binnenspeeltuin, optredens of animatie, inkomgeld dancing… Het is steeds toegestaan deze handelingen op vrijwillige basis op te nemen in het geregistreerde kassasysteem.

Hetzelfde geldt voor restaurant- en cateringdiensten die in het buitenland worden verricht, gezien de Belgische wetgeving niet van toepassing is op dergelijke handelingen. De buitenlandse handelingen mogen wel, op vrijwillige basis, worden opgenomen in het geregistreerde kassasysteem (ermee rekening houdend dat in de Belgische btw-aangifte, deze handelingen verricht in het buitenland duidelijk te onderscheiden moeten zijn van de handelingen verricht in België).

Er dient evenmin een ticket van het geregistreerde kassasysteem uitgereikt te worden voor de uitzonderlijk uitgaande handelingen zoals de verkoop van een bedrijfsmiddel.

a. Uitzondering niet-voedingswinkel

Indien in een niet-voedingswinkel (bijvoorbeeld een kledingzaak) een beperkt voedingsassortiment wordt aangeboden, dat door de aard van de producten en hun conditionering niet bedoeld zijn voor onmiddellijke consumptie, hoeft hiervoor geen kasticket van een geregistreerd kassasysteem te worden uitgereikt, voor zover de verkoop van deze goederen niet wordt geregistreerd samen met handelingen waarvoor wel de verplichting bestaat een kasticket van een geregistreerd kassasysteem uit te reiken.

b. Uitzondering supermarkt

In de praktijk komt het voor dat een supermarkt een ruimte voorziet voor verbruik ter plaatse van spijzen en dranken. De administratie aanvaardt dat het kasticket van het geregistreerd kassasysteem enkel voor de restaurant- en cateringdiensten moet uitgereikt worden. De verkopen, ook van spijzen en dranken, in het winkelgedeelte zelf hoeven niet opgenomen te worden in het geregistreerd kassasysteem, tenzij de restaurant- en cateringdiensten samen met de verkopen in de winkel worden afgerekend of het niet ongebruikelijk is dat de in de winkel aangekochte spijzen en dranken verbruikt worden in de verbruiksruimte.

c. Uitzondering automaten

De administratie aanvaardt dat de door middel van automaten verstrekte spijzen en dranken voor de toepassing van de btw-tarieven zonder onderscheid geacht worden het voorwerp uit te maken van een eenvoudige levering, ongeacht dus de plaats waar de automaten staan.

Deze leveringen tellen niet mee in de berekening van de drempel.

Indien de 25.000 euro wordt overschreden, moeten er in principe kastickets van een geregistreerd kassasysteem worden uitgereikt voor alle verkopen van spijzen en dranken in de betrokken inrichting. Om praktische redenen geldt deze verplichting echter niet voor de verkopen via de automaten.

d. Uitzondering internationaal passagiersvervoer

Omwille van de praktische redenen, moeten er geen kastickets van een geregistreerd kassasysteem worden uitgereikt aan boord van een vliegtuig. Ook aan boord van een schip of trein ingezet voor internationaal passagiersvervoer moeten er geen kastickets van een geregistreerd kassasysteem worden uitgereikt.

C. Kasticket ongeacht de hoedanigheid van de klant

Er dient te worden opgemerkt dat, in tegenstelling tot artikel 22, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd, dat voorziet dat de rekening of het ontvangstbewijs, onder bepaalde voorwaarden, kan vervangen worden door een volledige factuur, artikel 21bis, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd, deze mogelijkheid niet voorziet voor de kastickets van een geregistreerd kassasysteem. Dit betekent dat het kasticket van een geregistreerd kassasysteem altijd moet uitgereikt worden en nooit vervangen kan worden door een factuur.

Het kasticket moet uitgereikt worden ongeacht de hoedanigheid van de klant. Het uitreiken van een factuur kan het uitreiken van een kasticket van het geregistreerde kassasysteem immers nooit vervangen, zelfs niet wanneer de factuur wordt uitgereikt op het tijdstip waarop de dienst is verricht of op het tijdstip van de levering.

Ter volledigheid wordt herhaald dat het uitreiken van een kasticket van een geregistreerd kassasysteem nooit het uitreiken van een factuur kan vervangen.

D. Tijdstip van uitreiking van het kasticket

Overeenkomstig artikel 21bis, § 1, derde lid van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd, moet het kasticket van het geregistreerde kassasysteem worden uitgereikt op het tijdstip van de voltooiing van de dienst of van de levering van de goederen.

a. Eerste optionele afwijkende regeling voor tijdstip van uitreiking

In principe moet het kasticket uitgereikt worden bij de voltooiing van de dienst, evt. op het einde van het evenement. Praktisch gezien is dit niet altijd mogelijk, bijvoorbeeld bij cateringdiensten op locatie of restaurantdiensten door feestzaaluitbaters. Daarom aanvaardt de administratie de volgende afwijkende regeling.

Er hoeft geen kasticket van een geregistreerd kassasysteem uitgereikt te worden bij de voltooiing van de dienst wanneer dit praktisch niet mogelijk is, op voorwaarde dat de handeling op voorhand werd geregistreerd op het kassasysteem ter waarde van de offerte, bestelbon of geschatte waarde en dat eventuele correcties binnen de 7 kalenderdagen na het evenement worden geregistreerd op het kassasysteem. Beide kastickets moeten worden uitgereikt aan de klant, eventueel samen met de factuur en uiterlijk op de 15e dag van de maand volgend op die waarin de dienst plaatsvond. (schriftelijke parlementaire vraag nr. 726 van mevrouw de Volksvertegenwoordiger Els Van Hoof van 12.01.2016)

b. Tweede optionele afwijkende regeling voor het tijdstip van uitreiking voor de cateringdiensten B2B en B2G

Om tegemoet te komen aan de praktische problemen die specifiek zijn voor B2B-en B2G cateringhandelingen en traiteurdiensten (diensten bestemd voor belastingplichtigen of niet belastingplichtige rechtspersonen), wordt bijkomend voorzien in een algemene tolerantie voor die cateringhandelingen en traiteurdiensten waarvoor de verplichting bestaat een factuur uit te reiken aan de medecontractant.

Voor de cateringhandelingen en traiteurdiensten waarvoor de verplichting bestaat een factuur uit te reiken aan de medecontractant, hoeft er geen kasticket van een geregistreerd kassasysteem uitgereikt te worden bij de voltooiing van de dienst wanneer dit praktisch niet mogelijk is, op voorwaarde dat er minstens maandelijks een kasticket van een geregistreerd kassasysteem wordt aangemaakt dat alle, in de voorbije kalendermaand, voor een bepaalde klant, verrichte handelingen die in het geregistreerde kassasysteem moeten opgenomen worden, opneemt. De administratie aanvaardt dat de inhoud van dit maandelijks kasticket bovendien beperkt is tot het totaal bedrag per btw-tarief op voorwaarde dat de factuur (of de bijlage die een onderdeel is van de factuur) een volledige detaillering bevat.

Dit kasticket, alsook de verplichte factuur, moeten worden uitgereikt aan de klant, en dit uiterlijk op de 15e dag van de maand volgend op die waarin de dienst plaatsvond. In het geval de factuur op elektronische wijze wordt uitgereikt, is het bovendien toegestaan dat het kasticket onder de vorm van een pdf-bestand, samen met de elektronische factuur, wordt uitgereikt aan de klant.

Beide afwijkende regelingen werden beschreven in de schriftelijke parlementaire vraag nr. 587 van de heer Volksvertegenwoordiger Stefaan Vercamer van 23.10.2015.

E. Bijzondere regels opeisbaarheid

a. Particuliere klanten: incasseringsprincipe

Wanneer (catering)diensten worden verricht voor een particulier, wordt de btw pas opeisbaar bij de incassering van de prijs, zelfs indien er vrijwillig gefactureerd wordt (artikel 22bis, § 3, van het Btw-Wetboek).

Indien de klant nog niet betaald heeft op het einde van de aangifteperiode waarin het evenement plaatsvond, mag, bij het invullen van de btw-aangifte, de handeling in mindering worden gebracht van de omzet die resulteert uit de dagrapporten van het geregistreerde kassasysteem en is het dit resultaat dat opgenomen wordt in de btw-aangifte. In de aangifteperiode waarin de betaling wordt ontvangen, moet de handeling opnieuw bij de omzet resulterend uit de dagrapporten van het geregistreerd kassasysteem geteld worden om de btw-aangifte in te vullen. Dit kan trouwens steeds worden toegepast wanneer bij het invullen van de btw-aangifte blijkt dat de btw over de handelingen die in het geregistreerd kassasysteem dienden opgenomen te worden nog niet opeisbaar is.

De dienstverrichter mag er evenwel voor opteren de btw te vroeg te voldoen aan de Schatkist, zodat bovenstaande correcties niet hoeven te gebeuren.

b. Ontvangst van een voorschot

Strikt genomen hoeft er geen kasticket van een geregistreerd kassasysteem te worden uitgereikt bij de ontvangst van een voorschot, omdat de levering van goederen nog niet heeft plaatsgevonden of de dienst nog niet voltooid is. De betaling van een voorschot maakt de btw echter opeisbaar en moet dus opgenomen worden in de btw-aangifte. Gezien de dagrapporten van het geregistreerde kassasysteem, het dagboek van ontvangsten vervangen, moet elk voorschot in het geregistreerde kassasysteem worden ingetikt. Op deze manier kan de omzet uit de dagrapporten van het geregistreerde kassasysteem, zonder correcties te moeten verrichten, opgenomen worden in de periodieke btw-aangifte.

Het vormt op zich geen probleem dat voorschotten die werden betaald via overschrijving met enige vertraging worden geregistreerd in het geregistreerde kassasysteem, bijvoorbeeld bij nazicht van de rekeninguittreksels, zolang de handeling wordt opgenomen in de btw-aangifte met betrekking tot de periode waarin het voorschot betaald werd.

Het kasticket van het geregistreerde kassasysteem, dat wordt aangemaakt bij het intikken van het voorschot, moet worden uitgereikt aan de klant. Het is echter voldoende dat dit kasticket wordt uitgereikt samen met het kasticket van het geregistreerde kassasysteem dat de levering van de goederen of de voltooiing van de dienst vaststelt.

F. Facturatie

Indien de klant een belastingplichtige of niet-belastingplichtige rechtspersoon is, dient naast het kasticket van het geregistreerde kassasysteem, steeds een factuur te worden uitgereikt, overeenkomstig artikel 53, § 2, eerste lid, van het Btw-Wetboek. Het uitreiken van een kasticket van een geregistreerd kassasysteem kan echter nooit het uitreiken van een factuur vervangen.

Krachtens artikel 4, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd, moet de factuur worden uitgereikt uiterlijk de 15e dag van de maand na het tijdstip van de levering, het verrichten van de dienst of de betaling van het voorschot.

Deze factuur moet worden opgenomen in het uitgaande facturenboek, onder een opeenvolgende nummering. Bij het invullen van de btw-aangifte moet het bedrag van deze handeling in mindering worden gebracht van de totale omzet opgenomen in het geregistreerde kassasysteem zodat de handeling geen tweemaal wordt opgenomen in de btw-aangifte.

Het uitreiken van een kasticket van een geregistreerd kassasysteem kan dus nooit het uitreiken van een factuur vervangen. De factuur is een boekingsstuk dat in principe een belastbare handeling vaststelt. Het kasticket van een geregistreerd kassasysteem is net zoals de rekening of het ontvangstbewijs een controledocument, dat de uitvoering van een dienst vaststelt op het tijdstip waarop die dienst wordt verricht.

Indien er een creditnota wordt uitgereikt voor een handeling die werd opgenomen in het geregistreerde kassasysteem, moet deze eveneens worden ingetikt in dit systeem. Het totaal van de ingetikte gegevens moet namelijk de horecaomzet correct weergeven. Bij het invullen van de btw-aangifte moet het bedrag van de creditnota opgeteld worden bij de totale omzet opgenomen in het geregistreerde kassasysteem zodat de creditnota geen tweemaal wordt opgenomen in de btw-aangifte.

Er kan worden toegestaan dat de factuur wordt uitgereikt onder de vorm van een kasticket, aangemaakt met het geregistreerde kassasysteem, nadat er een 'btw-kasticket' met behulp van het geregistreerde kassasysteem werd uitgereikt om te voldoen aan de verplichting van artikel 21bis, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd. Ook hier kan de factuur nooit het kasticket van een geregistreerd kassasysteem vervangen en moet bovendien aan de volgende voorwaarden voldaan zijn:

• Het geregistreerde kassasysteem maakt eerst een kasticket aan, en kan pas daarna, op vraag van de gebruiker, ook een factuur aanmaken voor dezelfde handeling.

• De factuur dient alle verplichte vermeldingen van artikel 5, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd, te bevatten (waaronder de naam, het adres en het btw-identificatienummer van de klant).

• De factuur bevat de vermelding 'Factuur', in plaats van 'Btw-kasticket'.

• De factuurtickets bevatten een aparte opeenvolgende nummering van het uitgaande facturenboek voor alle facturen uitgereikt met een geregistreerd kassasysteem, in combinatie met een verwijzing naar het nummer van het oorspronkelijke kasticket.

• De gegevens van alle aangemaakte factuurtickets kunnen onder de vorm van een subboek voor uitgaande facturen uit het geregistreerde kassasysteem worden gehaald.

• Ook factuurtickets worden versleuteld en bewaard door het geregistreerde kassasysteem, waarbij de controlegegevens echter niet worden afgedrukt op het factuurticket.

G. Dagboek van ontvangsten

De belastingplichtige die gebruik maakt van een geregistreerd kassasysteem en voldoet aan alle daaromtrent opgelegde reglementering, is ontheven van de verplichting tot het houden van een dagboek van ontvangsten per bedrijfszetel zoals bedoeld in artikel 14, § 2, 3°, eerste lid, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd. Wel moeten dagelijks de nodige rapporten met behulp van het geregistreerde kassasysteem worden aangemaakt (dagelijks financieel rapport en dagelijks gebruiker rapport, krachtens artikel 2, punt 5, van het koninklijk besluit van 30.12.2009, voornoemd).

Indien deze belastingplichtige echter verschillende inrichtingen uitbaat, moet hij wel nog steeds het centralisatiedagboek bedoeld in artikel 14, § 2, 3°, vierde lid, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd, houden. Bij het gebruik van een geregistreerd kassasysteem, moet het centralisatieregister verplicht digitaal worden gehouden.

H. Einde van het gebruik van het geregistreerde kassasysteem

De verplichting tot uitreiking van een kasticket van een geregistreerd kassasysteem eindigt op het tijdstip waarop de belastingplichtige zijn activiteit die bestaat uit het verrichten van restaurant- en cateringdiensten, definitief stopzet (artikel 21bis, § 1, vierde lid, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd). Deze bepaling moet begrepen worden als volgt.

a. Voorbeeld café

Een café verschaft naast dranken ook lichte maaltijden, bijvoorbeeld spaghetti en croque-monsieur, waarmee hij de drempel van 25.000 euro overschrijdt. Hierdoor is de uitbater gehouden een geregistreerd kassasysteem te gebruiken. Hij reikt kastickets uit voor alle handelingen, zowel aan de klant die ter plaatse een lichte maaltijd nuttigt, als aan de klant die enkel een koffie drinkt.

In 2017 daalt de omzet uit de lichte maaltijden onder de 25.000 euro. Hij moet echter verder gebruik blijven maken van een geregistreerd kassasysteem. Wanneer de uitbater beslist om vanaf 01.01.2018 geen maaltijden meer aan te bieden in zijn café, en dus nog enkel dranken verschaft, mag hij stoppen met het gebruiken van een geregistreerd kassasysteem.

b. Voorbeeld restaurant

Een Chinees restaurant, gehouden tot het indienen van periodieke kwartaalaangiften, verschaft zowel maaltijden ter plaatse als meeneemmaaltijden. In 2016 wordt 10.000 euro omzet gerealiseerd door de maaltijden ter plaatse. Er moeten dus geen kastickets van een geregistreerd kassasysteem uitgereikt worden. In 2017 is de situatie identiek. In de loop van het derde kwartaal van 2018, stelt het restaurant vast dat de totale omzet aan restaurant- en cateringdiensten, gerealiseerd in de loop van het kalenderjaar 2018, de drempel van 25.000 euro heeft overschreden. Daarom moet een geregistreerd kassasysteem in gebruik genomen worden uiterlijk op het einde van de maand december 2018 (artikel 21bis, § 3, tweede lid, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd).

In het jaar 2021 beslist de belastingplichtige zich hoofdzakelijk te richten op meeneemmaaltijden, waardoor slechts 5.000 euro omzet gerealiseerd wordt door de maaltijden ter plaatse. Toch moet de betrokkene verder kastickets uitreiken met behulp van een geregistreerd kassasysteem. Pas wanneer er beslist wordt dat er geen maaltijden ter plaatse meer verschaft worden en er enkel nog meeneemmaaltijden mogelijk zijn, is het gebruik van een geregistreerd kassasysteem niet meer verplicht.

I. Technische opstelling van een geregistreerd kassasysteem

Gelet op het feit dat de invoering van de geregistreerde kassasystemen in de horecasector een antifraudemaatregel is, spreekt het voor zich dat pogingen om bepaalde handelingen niet op te nemen in het geregistreerde kassasysteem, niet zijn toegestaan.

Een geregistreerd kassasysteem:

• is een apparaat dat gebruikt wordt voor de registratie van uitgaande handelingen

• waarborgt de onveranderlijkheid van de ingebrachte gegevens

• bewaart alle ingebrachte gegevens (met inbegrip van alle boekingen: bestellingen

• terugnames, wijzigingen …) in een elektronisch journaal of journaalbestand en

• is uitgerust met een module die deze gegevens ontvangt, controlegegevens aanmaakt, alle relevante data opslaat.

In het geval een belastingplichtige gebruikt maakt:

• van een bestaand of nieuw kassasysteem waarin alle bestellingen gedetailleerd worden ingebracht met een functionaliteit van tafelbeheer en/of om de keuken/bar aan te sturen en bovendien

• van een ander kassasysteem waarin deze boekingen worden hernomen voor het louter afdrukken en uitreiken van een kasticket overeenkomstig artikel 21bis, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd,

dienen beide kassasystemen de beveiligingen van een geregistreerd kassasysteem te bevatten. De uitgaande handelingen worden immers initieel geregistreerd in het eerste systeem en getransfereerd naar het tweede systeem.

Er wordt bovendien op gewezen dat alle gebruikte kassasystemen, alsook de gegevens die erin opgeslagen worden, moeten bewaard worden door de belastingplichtige overeenkomstig artikel 60, van het Btw-Wetboek.

Voor een uitgebreide technische toelichting van het geregistreerde kassasysteem en het koninklijk besluit van 30.12.2009, voornoemd, wordt verwezen naar de circulaire AAFisc nr. 33/2016 (nr. E.T. 124.747) van 08.11.2016.

J. Technische problemen

Vanaf de ingebruikneming van het geregistreerde kassasysteem, moet de belastingplichtige, op de plaats waar het geregistreerde kassasysteem is geïnstalleerd, in het bezit zijn van een voorraad rekeningen of ontvangstbewijzen als bedoeld in artikel 22, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd (artikel 21bis, § 4, tweede lid, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd).

Ingeval de werking van het geregistreerde kassasysteem om welke reden ook is verstoord is de belastingplichtige ertoe gehouden een rekening of een ontvangstbewijs uit te reiken (artikel 21bis, § 4, derde lid, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd) (schriftelijke parlementaire vraag nr. 850 van mevrouw de Volksvertegenwoordiger Sybille de Coster-Bauchau van 07.03.2016).

Teneinde te garanderen dat een belastingplichtige die gebruik maakt van het geregistreerde kassasysteem (verplicht of vrijwillig) te allen tijde aan zijn fiscale verplichtingen kan voldoen, dient hij voor elke periode waarin zijn geregistreerd kassasysteem niet kan functioneren, krachtens artikel 21bis, § 5, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd, te handelen als omschreven in punt 3.11. van de circulaire 2017/C/70 (nr. E.T.129.043) van 06.11.2017 betreffende het geregistreerde kassasysteem.

K. Bewaring

Krachtens artikel 60, § 4 van het Btw-Wetboek, dienen alle boeken en stukken met betrekking tot de uitgeoefende werkzaamheid bewaard te worden gedurende 7 jaar te rekenen vanaf 1 januari van het jaar volgend op hun sluiting wat boeken betreft, op hun datum wat de andere stukken betreft.

Hierdoor worden onder andere beoogd:

• de Fiscale Data Module en de erin opgeslagen gegevens

• de VAT Signing Card

• de in de kassa opgeslagen gegevens waaronder het elektronisch journaal, de dagelijkse financiële en gebruikersrapporten, de gedetailleerde bestellingen onder tafelbeheer, boekingen op klantenrekeningen …

maar ook:

• papieren boekjes en opnamebriefjes door kelners gebruikt om bestellingen te noteren

• boek met reserveringen, bestellingen, voorschotbetalingen …

In het geval de belastingplichtige op zijn geregistreerd kassasysteem gebruik maakt van de functionaliteit 'tafelbeheer' wordt elke bestelling gedetailleerd bewaard in het elektronisch journaal van zijn geregistreerd kassasysteem én wordt een 'samenvatting’ (waaronder de maatstaf van heffing per tarief) versleuteld en bewaard op de Fiscale Data Module. Naargelang de wens van de uitbater, kan deze bestelling ook doorgezonden worden en afgedrukt als bar- of keukenticket. Dit papieren ticket bevat vaak geen prijs of andere btw-gegevens. Btw-technisch kan aanvaard worden dat de digitale bewaring van de bestellingen in het elektronisch journaal én de samenvatting in de Fiscale Data Module volstaan. Het papieren bar- of keukenticket hoeft onder deze voorwaarden dus niet bewaard te worden.

In het geval de uitbater evenwel géén gebruik maakt van voormelde functionaliteit, dan wordt de bestelling eerst op briefjes, kaartjes, bonnetjes… genoteerd en doorgegeven aan de keuken en/of bar. De registratie in het geregistreerde kassasysteem gebeurt dan pas op het ogenblik dat de klant de rekening vraagt. In dit geval kan er geen twijfel over bestaan dat deze briefjes, kaartjes, bonnetjes… wel degelijk onder de bewaringsplicht van artikel 60, § 4, van het Btw-Wetboek vallen, en bovendien als verantwoording dienen voor de registratie in het geregistreerde kassasysteem.

Wat betreft de registratie- en aankoopprocedure voor belastingplichtige uitbaters, wordt verwezen naar punt 4 van de circulaire 2017/C/70 (nr. E.T. 129.043) van 06.11.2017 betreffende het geregistreerde kassasysteem en de door de FOD Financiën ter beschikking gestelde webapplicatie (website FOD Financiën www.financien.belgium.be > Zelfstandigen en vrije beroepen > Geregistreerde kassa’s).

[Top]

Afdeling 6 - Btw-aangiften van de belastbare handelingen en betaling van de verschuldigde belasting aan de Schatkist

1. Principe

Elke maand zijn de belastingplichtigen, met uitzondering van degenen die geen enkel recht op aftrek van de belasting hebben (artikel 53, § 1, eerste lid, 2°, van het Btw-Wetboek), namelijk degenen:

• die uitsluitend leveringen van goederen of diensten verrichten, vrijgesteld door artikel 44 van het Btw-Wetboek, waarvoor zij geen enkel recht op aftrek hebben

• die genieten van de regeling bedoeld in artikel 56bis van het Btw-Wetboek (kleine ondernemingen onderworpen aan de vrijstellingsregeling)

• die genieten van de regeling bedoeld in artikel 57, § 1, van het Btw-Wetboek (de landbouwondernemers)

gehouden een aangifte in te dienen van het bedrag van de in het Wetboek bedoelde handelingen die zij gedurende de vorige maand hebben verricht of die aan hen werden verstrekt in het kader van hun economische activiteit, van het bedrag van de opeisbare belasting, van de te verrichten aftrek en van de te verrichten herzieningen, en van de gegevens die de Koning noodzakelijk acht om te voldoen aan de door de Gemeenschap uitgevaardigde regelgeving inzake statistieken en om de controle op de toepassing van de belasting te waarborgen. De Koning kan toelaten dat de aangifte driemaandelijks, zesmaandelijks of jaarlijks wordt ingediend (artikel 53octies, § 1, eerste lid, van het Btw-Wetboek).

De belastingplichtigen zijn gehouden de verschuldigde belasting te voldoen binnen de termijn van indiening van de periodieke aangifte (artikel 53, § 1, eerste lid, 3°, van het Btw-Wetboek).

Bovendien zijn de belastingplichtigen die geen periodieke btw-aangiften indienen en de niet-belastingplichtige rechtspersonen gehouden tot het indienen van een bijzondere btw-aangifte met betrekking tot de handelingen waarvoor zij schuldenaar zijn van de belasting (artikel 53ter van het Btw-Wetboek, zie titel 3 hierna). Deze aangifte moet worden ingediend voor het kwartaal waarop deze handelingen betrekking hebben.

De verschuldigde belasting die betrekking heeft op de bijzondere btw-aangifte moet aan de Schatkist worden voldaan binnen de termijn voorzien voor de indiening van deze aangifte.

2. Periodieke btw-aangiften (maand- en kwartaalaangiften)

A. Personen gehouden tot het indienen van periodieke aangiften

a. Principe

De verplichting om een periodieke btw-aangifte in te dienen rust op alle belastingplichtigen met uitzondering van degenen die geen recht op aftrek hebben. Deze aangiften hebben als voornaamste doel de administratie in kennis te stellen van enerzijds het bedrag van de verschuldigde btw op de door de aangever verrichte handelingen en anderzijds het bedrag van de door de aangever in aftrek te brengen btw. Zij vermelden ook het bedrag van de omzet (handelingen verricht door de aangever), het bedrag van de aankopen van de handelsgoederen, de diensten en diverse goederen en de door de belastingplichtige gedane investeringen, alsook de verschillende handelingen die hij heeft ontvangen en waarvoor hij schuldenaar is van de btw aan de Schatkist. Tenslotte is het ook in hun aangifte dat de belastingplichtigen in principe hun recht op teruggaaf uitoefenen en herzieningen verrichten eigen aan de uitoefening van hun activiteit.

Opmerking:

Voor wat betreft de inlichtingen vermeld op het rekeninguittreksel nr. 671 dat de administratie opmaakt en aan de belastingplichtigen zendt om hen de toestand van hun btw-rekening-courant mee te delen, wordt verwezen naar de schriftelijke parlementaire vraag nr. 573 van de heer Senator Olivier de Clippele van 07.04.2000. Dit uittreksel houdt rekening met de ingediende periodieke aangiften, de uitgevoerde betalingen, de aangerekende interesten of boeten. Men kan de actuele stand van de btw-rekening-courant eveneens raadplegen via MyMinfin.be.

Enkele voorbeelden van belastingplichtigen die een periodieke btw-aangifte moeten indienen:

• notarissen: beslissing nr. E.T. 121.923 van 03.04.2012 en beslissing nr. E.T. 121.923/2 van 15.12.2014

• gerechtsdeurwaarders: beslissing nr. E.T. 122.121 van 08.03.2012 en beslissing nr. E.T. 122.121/2 van 23.04.2012 (addendum bij de beslissing nr. E.T.122.121 van 08.03.2012) (circulaire 2018/C/30 van 07.03.2018 betreffende de btw- behandeling van de handelingen van gerechtsdeurwaarders (nr. E.T. 133.130): deze circulaire vult de gepubliceerde beslissing nr. E.T. 122.121 van 08.03.2012 aan: handelingen vrijgesteld van btw)

• advocaten: circulaire AAFisc nr. 47/2013 van 20.11.2013 (bijwerking 01.04.2017) (nr. E.T. 124.411)

• overheidslichamen:

Indien een overheidslichaam (Staat, Gemeenschappen, Gewesten, provincies, agglomeraties, gemeenten, openbare instellingen …) de hoedanigheid heeft van gedeeltelijke belastingplichtige aangezien het zowel handelt als overheid, als belastingplichtige met recht op aftrek en eventueel ook handelingen verricht die overeenkomstig artikel 44, van het Btw-Wetboek, zijn vrijgesteld, bekomt het een btw-identificatienummer en moet het periodieke aangiften indienen (circulaire AAFisc nr. 42/2015 van 10.12.2015 (nr. E.T. 125.567) en circulaire 2017/C/91 van 22.12.2017 betreffende praktische toepassingsgevallen inzake de belastingplicht van publiekrechtelijke lichamen (nr. E.T. 130.932)).

• artsen, ziekenhuizen en privéklinieken die ingrepen en behandelingen met een esthetisch karakter verrichten (beslissing nr. E.T. 127.740 van 22.03.2016 en beslissing nr. E.T. 127.740/2 van 31.05.2016)

• de wisselagenten en wisselagentcorrespondenten zijn aan de normale belastingregeling onderworpen inzake btw en, in principe, aan de normale regeling van indiening van periodieke aangiften (beslissing nr. E.T. 98.160 van 28.02.2001)

• organisatoren van kans- en geldspelen:

Voor de periode van 01.08.2016 tot en met 21.05.2018 werd de btw-vrijstelling opgeheven met betrekking tot de kans- en geldspelen, andere dan loterijen, verstrekt langs elektronische weg, door de artikelen 29 tot 34 van de programmawet van 01.07.2016 (circulaire 2018/C/99 van 20.07.2018 betreffende de gevolgen van het arrest van het Grondwettelijk Hof nr. 34/2018 van 22.03.2018 (nr. E.T. 133.771)).

Sedert de publicatie op 22.05.2018 van het arrest van het Grondwettelijk Hof nr. 34/2018 van 22.03.2018 stelt artikel 44, § 3, 13°, van het Btw-Wetboek de weddenschappen, loterijen en andere kans- en geldspelen, al dan niet verstrekt langs elektronische weg, opnieuw vrij van de belasting (de artikelen 29 tot 34 van de programmawet van 01.07.2016 werden vernietigd maar de gevolgen van de vernietigde bepalingen blijven gehandhaafd, zie Arrest van het Grondwettelijk Hof nr. 34/2018 van 22.03.2018). De organisator van online kans- en geldspelen andere dan loterijen moet in principe geen periodieke aangiften meer indienen voor de handelingen met betrekking tot de periode waarin hij enkel nog uitgaande handelingen verricht die door artikel 44 van het Btw-Wetboek zijn vrijgesteld (circulaire 2018/C/99 van 20.07.2018 betreffende de gevolgen van het arrest van het Grondwettelijk Hof nr. 34/2018 van 22.03.2018).

b. Uitzondering op de verplichting tot indiening van periodieke aangiften

De volgende belastingplichtigen zijn niet gehouden tot het indienen van periodieke btw-aangiften:

• de belastingplichtige die uitsluitend leveringen van goederen of diensten verricht vrijgesteld door artikel 44 van het Btw-Wetboek waarvoor hij geen recht op aftrek heeft

• de belastingplichtige die geniet van de regeling bedoeld in artikel 56bis van het Btw-Wetboek (vrijgestelde kleine ondernemingen)

• de belastingplichtige die geniet van de regeling bedoeld in artikel 57 van het Btw-Wetboek (de landbouwondernemers)

Bovendien kan de administratie bepaalde andere belastingplichtigen onder welbepaalde voorwaarden, in het kader van bepaalde bijzondere regelingen, ontheffen van de verplichting periodieke aangiften in te dienen. Het betreft met name:

• de handelaars in recuperatiestoffen en -producten (aanschrijving nr. 88/1970 van 15.12.1970 en 120/1971 van 30.07.1971)

• de depothouders van wasserijen, ververijen en stomerijen of stoppage-ondernemingen (aanschrijving nr. 28/1975 van 19.11.1975)

• depothouders, inzamelaars en ophalers van deelnemingsformulieren voor een pool met betrekking tot sportwedstrijden en agentschappen voor weddenschappen op paardenwedrennen die tussenkomen bij het inzamelen van inzetten op Belgische wedrennen (aanschrijving nr. 94/1971 van 08.06.1971 en aanschrijving nr. 15/1974 van 02.10.1974)

• de schippers die niet meer dan vijf boten exploiteren (aanschrijving nr. 109/1970 van 31.12.1970, aanschrijving nr. 27/1975 van 19.11.1975 en beslissing nr. E.T. 85.017 van 29.10.1997)

• solvabiliteitsonderzoekers voor rekening van kredietinstellingen (aanschrijving nr. 181/1971 van 30.12.1971)

• tussenpersonen in de sector van de directe verkopen wanneer de organisator van de verkopen van een bijzondere vergunning geniet (beslissing nr. E.T. 102.595 van 19.06.2002)

• tussenpersonen bij het werven van abonnees-eindverbruikers, hetzij voor leveringen van gas en/of elektriciteit, hetzij voor diensten inzake telecommunicatie, waarbij de leverancier van gas en elektriciteit of de operator inzake telecommunicatie een bijzondere vergunning geniet (beslissing nr. E.T. 110.297 van 13.05.2008)

• artsen en ziekenhuizen die naast hun krachtens artikel 44 van het Btw-Wetboek vrijgestelde activiteiten geen andere met btw belaste activiteit verrichten dan onderzoekswerk, met inbegrip van klinische proeven en kiezen voor de bijzondere regeling voor artsen en ziekenhuizen (beslissing nr. E.T. 116.111 van 21.02.2011). De btw wordt toegepast op de bijdragen betaald voor adviezen gegeven door de ethische comités in het kader van klinische proeven (beslissing nr. E.T. 116.111/2, van 27.06.2013)

• artsen die naast hun activiteiten die op grond van artikel 44 van het Btw-Wetboek zijn vrijgesteld tevens te belasten prestaties met betrekking tot ingrepen en behandelingen met een esthetisch karakter verrichten en die opteren voor (beslissing nr. E.T. 127.740 van 22.03.2016, randnummers 38 tot en met 47):

o de ontheffing van de verplichting tot indiening van periodieke btw-aangiften

o een bijzondere wijze van betalen

• artsen en ziekenhuizen die naast hun krachtens artikel 44 van het Btw-Wetboek vrijgestelde activiteiten:

o te belasten prestaties met betrekking tot ingrepen en behandelingen met een esthetisch karakter verrichten waarvoor zij geopteerd hebben voor de vrijstellingsregeling voor kleine ondernemingen bedoeld in artikel 56bis van het Btw-Wetboek (beslissing nr. E.T. 127.740 van 22.03.2016, randnummer 48) en

o onderzoekswerk met inbegrip van klinische proeven verrichten waarvoor zij voor de bijzondere regeling voor artsen en ziekenhuizen kiezen (beslissing nr. E.T. 116.111 van 21.02.2011)

• de advocaten-medewerkers en de advocaten-stagiairs die geen enkele andere, aan de btw onderworpen activiteit verrichten dan de diensten die ze verstrekken aan het advocatenkantoor waarvoor ze werken, en die kiezen voor de bijzondere regeling voor de advocaten-medewerkers en de advocaten-stagiairs (circulaire AAFisc nr. 47/2013 (nr. E.T. 124.411) van 20.11.2013 (bijwerking 01.04.2017), randnummers 164 tot 188), beslissing nr. E.T. 126.564 van 18.07.2014, randnummers 172 tot 180, schriftelijke parlementaire vraag nr. 767 van de heer Volksvertegenwoordiger Stefaan Van Hecke van 28.01.2016 en de beslissing nr. E.T. 124.411/2 van 23.02.2016).

Soms staat de administratie belastingplichtigen toe om onder welbepaalde voorwaarden, in het kader van bijzondere regelingen, een ander type van aangiften in te dienen. Het betreft:

• de belastingplichtigen die eenmaal per jaar een handelsbeurs, een feest of een gelijkaardige manifestatie organiseren en die geen periodieke aangiften moeten indienen voor het uitoefenen van een andere belastingplichtige activiteit. Ze kunnen gemachtigd worden slechts één btw-aangifte per manifestatie in te dienen (aanschrijving nr. 79/1972 van 17.07.1972).

• de organisatoren van sportevenementen die in beginsel onderworpen zijn aan de normale regeling die slechts één maal per jaar een sportevenement organiseren en buiten het kader van dit sportevenement geen andere met btw te belasten handelingen verrichten. De administratie staat aan dergelijke organisatoren een vereenvoudigde regeling toe die hen ontheft van het indienen van periodieke aangiften. Zij zijn gehouden een specifieke jaaraangifte in te dienen ten laatste op het einde van de tweede kalendermaand volgend op de maand waarin het bedoelde sportevenement eindigt (beslissing nr. E.T. 119.653 van 11.07.2011).

• de curator in geval van faillissement van een belastingplichtige. Artikel 3 van het koninklijk besluit van 07.11.2019 tot wijziging van de koninklijke besluiten nrs. 1, 7, 10, 24, 31, 35, 46 en 56 met betrekking tot de belasting over de toegevoegde waarde bepaalt dat artikel 18 van het koninklijk besluit nr. 1 van 29.12.1992 wordt aangevuld met een paragraaf 8. Deze bepaling houdt in dat de curator van een gefailleerde belastingplichtige, in afwijking van artikel 53, § 1, eerste lid, 2°, van het Wetboek, uitgezonderd in de gevallen bedoeld in artikel XX.140 van het Wetboek economisch recht, volgens de modaliteiten bepaald in paragraaf 4 en 5 en ten laatste op 28 februari van het kalenderjaar volgend op dat waarop ze betrekking heeft, jaarlijks een aangifte indient voor de aan de belasting onderworpen handelingen die hij verricht in naam van die belastingplichtige met ingang van de dag van het vonnis van faillietverklaring.

De curator voldoet de verschuldigde belasting ten laatste op 30 april van het kalenderjaar volgend op dat waarop de aangifte bedoeld in het eerste lid betrekking heeft.

In afwijking van het eerste lid, dient de curator bij de sluiting van het faillissement de in het eerste lid bedoelde aangifte in ten laatste op de laatste dag van de tweede maand die volgt op de datum van het vonnis van faillietverklaring.

De curator voldoet de verschuldigde belasting ten laatste binnen de drie maanden volgend op het verstrijken van de termijn voor de indiening van de in het derde lid bedoelde aangifte (Circulaire 2020/C/89 van 30.06.2020 met betrekking tot de wijzigingen aangebracht aan koninklijke besluiten 1, 7, 10, 24, 31, 35, 46 et 56 inzake btw door het koninklijk besluit van 07.11.2019 (nr. E.T. 137.009)).

• een belastingplichtige, waarvan de economische activiteit niet bestaat in de geregelde verkoop van nieuwe gebouwen in de zin van artikel 44, § 3, 1°, van het Btw-Wetboek, die een dergelijk gebouw vervreemdt en voor de toepassing van belasting over de toegevoegde waarde heeft geopteerd. Hij mag bedoelde handeling niet opnemen in de periodieke btw-aangifte, maandelijks of trimestrieel, die hij moet indienen in de uitoefening van zijn geregelde economische activiteit. De belastingplichtige moet die toevallige handeling opnemen in de bijzondere aangifte bedoeld in artikel 2 van het koninklijk besluit nr. 14 van 03.06.1970 met betrekking tot de vervreemdingen van gebouwen, de vestigingen van een zakelijk recht op een gebouw en de overdrachten en wederoverdrachten van dergelijk recht overeenkomstig het bepaalde in artikel 8 of in artikel 44, § 3, 1°, a), tweede streepje, of b), tweede streepje, van het Btw-Wetboek (schriftelijke parlementaire vraag nr. 681 van mevrouw de Senator Clotilde Nyssens van 25.05.2000). Wanneer het gebouw dat het voorwerp is van de vervreemding, deel uitmaakt van een algemeenheid van goederen of van een bedrijfsafdeling, waarvan de overdracht tot de werkingssfeer van de artikelen 11 en 18, § 3, van het Btw-Wetboek behoort, moet de hiervoor bedoelde bijzondere aangifte worden ingediend binnen de maand te rekenen vanaf de overdracht. Bovendien dient zij te vermelden dat het gebouw deel uitmaakt van een algemeenheid van goederen of van een bedrijfsafdeling waarvan de overdracht, ingevolge voornoemde artikelen, de btw niet verschuldigd maakt. De maatstaf van heffing, bepaald overeenkomstig de in deze materie van kracht zijnde wettelijke bepalingen, moet opgenomen worden in de bijzondere aangifte (schriftelijke parlementaire vraag nr. 654 van de heer Senator Olivier de Clippele van 15.05.2000)

• belastingplichtigen die telecommunicatiediensten, radio- en televisieomroepdiensten en langs elektronische weg verrichte diensten verrichten voor een niet belastingplichtige ontvanger van diensten en zich in principe voor de btw moeten laten identificeren in alle lidstaten waar die diensten plaatsvinden (waar de ontvanger van die diensten is gevestigd) en waar zij nog niet zijn gevestigd of geïdentificeerd (geen zetel of vaste inrichting). Deze belastingplichtigen mogen deze verplichting vervullen via het Mini Enig Loket inzake btw (Mini One Stop Shop (MOSS)) door zich te registreren in één enkele lidstaat van identificatie (artikelen 58ter en 58quater van het Btw-Wetboek). De indiening van de aangifte MOSS gebeurt per kwartaal. Zoals bij de registratie, kan die indiening alleen volledig geautomatiseerd gebeuren via het portaal Intervat, module MOSS. De aangifte MOSS moet uiterlijk de 20e dag van de maand volgend op het betreffende kwartaal worden ingediend. Een aangifte is verplicht zelfs al werd er tijdens het kwartaal geen enkele handeling verricht. De aangifte MOSS vermeldt het behaalde omzetcijfer en de verschuldigde btw per betrokken lidstaat (beslissing nr. E.T. 126.947 van 22.12.2014).

• aan de voormelde regelingen werden met ingang op 01.07.2021, belangrijke wijzigingen aangebracht:

- de uitbreiding van het toepassingsgebied van de twee bestaande vereenvoudigingsregelingen ('EU-regeling' en 'niet-EU-regeling') binnen de MOSS ('Mini-One-stop-shop') die voortaan globaal de intracommunautaire afstandsverkopen van goederen en alle aan particulieren verrichte diensten door communautaire marktdeelnemers ('EU-regeling') zal omvatten alsook alle aan particulieren verrichte diensten door marktdeelnemers van buiten de gemeenschap ('niet-EU-regeling');

- de invoering van een volledig nieuw onderdeel binnen het MOSS-systeem waarbij de btw verschuldigd op de verkopen op afstand van goederen afkomstig uit derde landen of derdelandsgebieden op een vereenvoudigde manier kan worden aangegeven en betaald ('invoerregeling').

Ingevolge de aanzienlijke uitbreiding van het toepassingsgebied van MOSS, wordt het systeem voortaan OSS ('one stop shop') genoemd.

Voor meer details wordt verwezen naar de circulaire 2021/C/72 van 27.07.2021 en naar hoofdstuk 16, Afdeling 10, titels 2, 3 en 4.

c. Niet in België gevestigde belastingplichtigen

Wanneer hij in België andere handelingen verricht dan deze waarvoor zijn medecontractant overeenkomstig artikel 51, § 2, eerste lid, 1°, 2° en 5° en 6°, van het Btw-Wetboek schuldenaar is van de btw, is de belastingplichtige die niet in België is gevestigd, gehouden, naargelang het geval:

• zich in België voor btw-doeleinden te laten identificeren zonder een aansprakelijke vertegenwoordiger te laten erkennen (rechtstreekse identificatie), wanneer hij een in de Gemeenschap gevestigde belastingplichtige is. Hij kan evenwel, in bepaalde omstandigheden, een aansprakelijke vertegenwoordiger laten erkennen, indien hij dat wenst

• een aansprakelijke vertegenwoordiger in België te laten erkennen, wanneer hij een niet in de Gemeenschap gevestigde belastingplichtige is

Wanneer hij een rechtstreekse identificatie heeft, is de belastingplichtige zelf gehouden periodieke btw-aangiften in te dienen. Wanneer hij een aansprakelijke vertegenwoordiger heeft laten erkennen, is het deze laatste die in de rechten en plichten treedt van de niet in België gevestigde belastingplichtige en die, in het bijzonder, gehouden is de periodieke btw-aangiften van deze belastingplichtige in te dienen.

De wettelijke bepalingen met betrekking tot de niet in België gevestigde belastingplichtigen zijn opgenomen in artikel 55 van het Btw-Wetboek en de toepassingsmodaliteiten in het koninklijk besluit nr. 31 van 31.02.2002 met betrekking tot de toepassingsmodaliteiten van de belasting over de toegevoegde waarde ten aanzien van de handelingen verricht door niet in België gevestigde belastingplichtigen. Deze bepalingen worden toegelicht in de circulaire AOIF nr. 4/2003 (nr. E.T. 103.925) van 04.03.2003.

Werken in onroerende staat door een buitenlandse btw-plichtige

Voor het werk in onroerende staat dat hij verricht in België is zijn medecontractant, als in België gevestigde belastingplichtige gehouden tot het indienen van periodieke aangiften, de schuldenaar van de btw overeenkomstig artikel 51, § 2, eerste lid, 5°, van het Btw-Wetboek.

Daarentegen is de buitenlandse dienstverrichter, in principe, de schuldenaar van de btw over de met een intracommunautaire verwerving van goederen gelijkgestelde bestemming van de bouwmaterialen, wat hem ertoe verplicht om zich voor de btw te laten identificeren in België.

Echter, de administratie aanvaardt, als administratieve tolerantie en bij wijze van proef, dat de buitenlandse aannemer, voor zover de uitgaande handelingen die hij in België verricht uitsluitend handelingen zijn waarvoor hij niet de schuldenaar is van de btw, zich niet moet laten identificeren voor de btw in België.

In dit kader aanvaardt de administratie dat, voor de bestemming van de materialen in België, de door artikel 40bis van het Btw-Wetboek voorziene vrijstelling zou kunnen worden toegepast voor zover de verwerver van de goederen in ieder geval recht zou hebben op de volledige teruggave van de btw op grond van artikel 76, § 2, van het Btw-Wetboek.

De niet in België, maar in de EU gevestigde belastingplichtige dienstverrichter, die op het Belgisch grondgebied een werk in onroerende staat verricht voor een niet btw-plichtige particulier, is schuldenaar van de btw in België in toepassing van artikel 51, § 1, 1°, van het Btw-Wetboek. Die situatie verplicht hem ertoe om zich te laten identificeren voor de btw in België. Hij zal dan ook de btw die verschuldigd is over dat werk in onroerende staat en, in voorkomend geval, over de bestemming van de uit een andere lidstaat afkomstige bouwmaterialen, moeten voldoen via een periodieke btw-aangifte (Schriftelijke parlementaire vraag nr. 230 van de heer Volksvertegenwoordiger Benoît Piedboeuf van 20.02.2020).

Aankopen en verkopen van de in een douane- of btw-entrepot geplaatste goederen verricht door een buitenlandse belastingplichtige.

De schriftelijke parlementaire vraag nr. 348 van de heer Volksvertegenwoordiger Richard Fournaux van 23.05.2000 houdt uitsluitend rekening met de veronderstelling dat de aankopen en verkopen van de in een douane- of btw-entrepot geplaatste goederen worden verricht door de buitenlandse belastingplichtige, aankoper-verkoper, met behoud van deze regelingen, hetgeen betekent dat deze belastingplichtige de goederen niet uit het entrepot uitslaat. Bovendien is de door de buitenlandse belastingplichtige aangeduide aansprakelijke vertegenwoordiger noodzakelijkerwijze een aansprakelijke vertegenwoordiger met toekenning van een Belgisch individueel btw-identificatienummer waaronder hij de buitenlandse belastingplichtige vertegenwoordigt. De regeling van de vertegenwoordiging met een Belgisch globaal btw-identificatienummer kan immers niet worden toegepast voor de bovengenoemde handelingen.

De in het onderhavige geval beoogde handelingen zijn vrijgesteld van de belasting over de toegevoegde waarde, enerzijds krachtens artikel 40, § 2, 1°, van het Btw-Wetboek, indien het goederen betreft die geplaatst zijn in een douane-entrepot, en anderzijds krachtens artikel 39quater, § 1, 2°, van hetzelfde wetboek, indien het goederen betreft die geplaatst zijn in een btw-entrepot. Voor het verrichten van de genoemde handelingen is de niet in België gevestigde belastingplichtige ervan ontheven hier te lande een aansprakelijke vertegenwoordiger te laten erkennen bij toepassing van artikel 55, vierde lid, van het Btw-Wetboek. Uit deze ontheffing vloeit voort dat de bedoelde handelingen niet worden opgenomen in een Belgische btw-aangifte.

Indien echter de buitenlandse belastingplichtige over een aansprakelijke vertegenwoordiger in België beschikt, moeten, alhoewel zoals hierboven reeds werd vermeld de betreffende handelingen vrijgesteld zijn van de belasting en niet de voorafgaande erkenning vereisen van een Belgische aansprakelijke vertegenwoordiger, deze handelingen worden geboekt door de vertegenwoordiger van de buitenlandse belastingplichtige. De bedoelde handelingen moeten tevens worden opgenomen in de periodieke btw-aangifte die de vertegenwoordiger indient voor de buitenlandse belastingplichtige (de aankopen worden vermeld in rooster 81, de verkopen in rooster 47). Deze oplossing geldt zowel voor de handelingen verricht in douane-entrepot als in btw-entrepot.

Ontslag of ontheffing met betrekking tot de btw-identificatie in België

Wanneer een ontslag of een ontheffing van toepassing is met betrekking tot de btw-identificatie of met betrekking tot de erkenning van een aansprakelijke vertegenwoordiger, moet geen periodieke btw-aangifte worden ingediend. Deze afwijkingen en ontheffingen leiden echter niet tot vrijstelling van belasting voor de belastbare handelingen verricht hier te lande.

Bijzondere regelingen

De niet in België gevestigde organisatoren van schouwspelen, manifestaties en beurzen, de niet in België gevestigde deelnemers aan schouwspelen, manifestaties en beurzen en de niet in België gevestigde tussenpersonen gespecialiseerd in merchandising op dergelijke evenementen kunnen onder de voorwaarden bedoeld in de beslissing nr. E.T. 116.547 van 09.06.2009 de bijzondere regeling ‘manifestaties, beurzen en merchandising’ genieten (zie ook beslissing nr. E.T. 116.547 van 09.06.2009 - bijlage 1, aangifte en beslissing nr. E.T. 116.547 van 09.06.2009 - bijlage 2, bijlage bij de aangifte). Deze regeling voorziet een afwijking op de na te leven formaliteiten op het stuk van de btw en houdt onder andere in dat er, in de plaats van de periodieke btw-aangifte, naar gelang de omzet, jaarlijks of semestrieel, een specifieke aangifte moet worden ingediend.

De niet in België gevestigde belastingplichtigen die hier te lande bezoldigd personenvervoer over de weg verrichten kunnen onder de voorwaarden bedoeld in de beslissing nr. E.T. 122.611 van 20.02.2014 de bijzondere regeling genieten. Deze regeling voorziet een afwijking op de na te leven formaliteiten op het stuk van de btw en houdt onder andere in dat er, in de plaats van de periodieke btw-maand- of kwartaalaangifte, naar gelang het door de vervoerder te betalen bedrag van de belasting, per kwartaal of jaarlijks, een ‘Specifieke btw-aangifte inzake bezoldigd personenvervoer’ moet worden ingediend. De belastingplichtige die geniet van de onderhavige regeling en de drempel van 125.000 euro overschrijdt of die andere handelingen stelt dan deze bedoeld in het toepassingsgebied van deze bijzondere regeling en de toepassing van de normale regeling van indiening van periodieke btw-aangiften vereisen, dient het KMO Centrum Specifieke Materies hiervan in kennis te stellen. Hij moet zonder uitstel met betrekking tot het afgelopen kwartaal een laatste ‘Specifieke btw-aangifte inzake bezoldigd personenvervoer’ indienen, zelfs indien hij normaliter jaarlijks zijn specifieke aangifte indient.

d. Btw-eenheden

In het kader van het stelsel van de btw-eenheid dienen de handelingen, die tijdens een aangifteperiode door de leden van deze btw-eenheid werden verricht, te worden ingeschreven in één enkele aangifte die wordt ingediend onder de naam en het btw-identificatienummer van de eenheid. De aangifteverplichtingen op btw-vlak van de leden van een btw-eenheid, worden vanaf het ontstaan van de btw-eenheid, overgenomen door deze laatste via de vertegenwoordiger die in naam en voor rekening van al de leden van de btw-eenheid handelt. Vanaf dat moment zijn de leden van die verplichtingen ontheven (schriftelijke parlementaire vraag nr. 3-6.898 van mevrouw de Senator Clotilde Nyssens van 30.01.2007).

Overeenkomstig artikel 53, § 1, eerste lid, 2°, van het Btw-Wetboek, in combinatie met artikel 1, § 3, derde lid, van het koninklijk besluit nr. 55 van 09.03.2007 met betrekking tot de regeling voor belastingplichtigen die een btw-eenheid vormen, is de vertegenwoordiger van de btw-eenheid gehouden om iedere maand of ieder kwartaal een periodieke btw-aangifte in te dienen in naam en voor rekening van alle leden van de eenheid.

Het stelsel van indiening van de periodieke aangifte dat toepasselijk is op de btw-eenheid, volgt de normale regels, die van toepassing zijn op andere belastingplichtigen.

In principe zijn handelingen tussen twee inrichtingen van een belastingplichtige niet onderworpen aan btw, omdat ze aangemerkt worden als een interne handeling van de belastingplichtige (Hof van Justitie van de Europese Unie, Arrest FCE Bank, zaak C-210/04, van 23.03.2006).

In het Arrest van het Hof van 17.09.2014, zaak C-7/13, Skandia America Corp. (USA), filial Sverige, heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie evenwel voor recht gezegd dat de artikelen 2, lid 1, 9 en 11 van de btw-richtlijn moeten worden uitgelegd dat de diensten die een in een derde land gevestigd hoofdkantoor verricht voor zijn filiaal in een lidstaat, belastbare handelingen vormen indien dat filiaal lid is van een groep personen die voor de belasting over de toegevoegde waarde als één belastingplichtige kunnen worden aangemerkt (Hof van Justitie van de Europese Unie, Arrest Skandia America Corp., zaak C-7/13, van 17.09.2014, handelingen hoofdkantoor – filiaal: zie beslissing nr. E.T. 127.577 van 03.04.2015.

B. Periode waarop de periodieke aangifte betrekking heeft

a. Principe

Bij toepassing van artikel 53, § 1, eerste lid, 2°, van het Btw-Wetboek is in principe iedere belastingplichtige, met uitzondering van degene die geen recht op aftrek heeft, gehouden tot het indienen van een btw-maandaangifte, en dit ongeacht de belangrijkheid van zijn omzetcijfer.

b. Afwijking

Artikel 53octies, § 1, eerste lid, van het Btw-Wetboek voorziet dat de Koning kan toelaten af te wijken van de verplichting tot maandelijkse indiening. Deze aan de Koning toegekende wettelijke bevoegdheid maakt het voorwerp uit van de bepalingen van artikel 18, § 2, van het koninklijk besluit nr. 1 van 29.12.1992, met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde.

Krachtens artikel 18, § 2, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd, wordt de belastingplichtige gemachtigd slechts om de drie maanden een aangifte in te dienen, uiterlijk de twintigste van de maand na ieder kalenderkwartaal, wanneer de volgende voorwaarden allen worden voldaan:

• zijn jaaromzet (exclusief btw) voor de volledige economische activiteit bedraagt niet meer dan 2.500.000 euro

• zijn jaaromzet (exclusief btw) bedraagt niet meer dan 250.000 euro voor het geheel van de leveringen van de navolgende goederen:

o energieproducten bedoeld in artikel 415, § 1, van de programmawet van 27.12.2004

o toestellen voor mobiele telefonie en computers alsmede hun randapparatuur, toebehoren en onderdelen

o landvoertuigen uitgerust met een motor onderworpen aan de reglementering betreffende de inschrijving

• hij is niet gehouden, krachtens artikel 53sexies, § 1, van het Btw-Wetboek, tot de maandelijkse indiening van de btw-opgave van de intracommunautaire handelingen

Onder omzet wordt verstaan het geheel van uitgaande handelingen op te nemen in de aangifte, met name de som van de in de roosters 00 tot en met 47 te vermelden handelingen waarvan de in de roosters 48 en 49 op te nemen bedragen worden afgetrokken.

Het betreft onder meer:

• de handelingen vrijgesteld door de artikelen 39 tot 42 van het Btw-Wetboek

• de handelingen vrijgesteld door artikel 44 van het Btw-Wetboek die al dan niet recht op aftrek verlenen

• de handelingen die plaatsvinden in het buitenland

• de handelingen die aan een bijzondere regeling onderworpen zijn (bijvoorbeeld de verkoop van tabaksfabrikaten, de verkoop van tweedehandse goederen onder de winstmargeregeling)

• de uitzonderlijke handelingen bedoeld in de artikelen 11, 12, 18, § 3, en 19 van het Btw-Wetboek

Voor de btw-eenheden betreft de omzet uitsluitend de externe handelingen ten behoeve van derden vreemd aan de btw-eenheid. De interne handelingen tussen de leden beïnvloeden immers de omzetdrempel niet voor de bepaling van de aangifteregeling (maand- of kwartaalaangever).

Wanneer de overschrijding van de drempel van 2.500.000 euro uitzonderlijk is, kan de belastingplichtige een gemotiveerd verzoek richten aan het hoofd van het bevoegde btw-controlekantoor (controlecentrum) om te kunnen blijven genieten van de indiening van kwartaalaangiften.

Wanneer een belastingplichtige meerdere beroepswerkzaamheden uitoefent (bijvoorbeeld bakker en kruidenier), moet het totaal worden gemaakt van de door die verschillende activiteiten gerealiseerde omzet. Er moet daarentegen geen rekening worden gehouden met de inkomsten genoten in de hoedanigheid van loontrekkende, noch met de handelingen onderworpen aan de bijzondere regeling van artikel 57 van het Btw-Wetboek (landbouwregeling).

Wanneer meerdere belastingplichtigen beroepswerkzaamheden uitoefenen in onverdeeldheid of in vereniging dient het bedrag van de totale omzet van die gemeenschappelijk uitgeoefende werkzaamheden in aanmerking te worden genomen.

Wanneer daarentegen ieder van de echtgenoten een onderscheiden beroepswerkzaamheid uitoefent waarvoor een btw-identificatienummer werd verkregen (bijvoorbeeld de man caféhouder en de vrouw kruidenierster), moet het bedrag van de door ieder van hen verwezenlijkte omzet apart in aanmerking worden genomen, ongeacht het huwelijksvermogensstelsel.

Zelfs indien de onderneming meerdere onderscheiden bedrijfszetels omvat, moet slechts één periodieke aangifte worden ingediend.

Opmerking:

Met ingang van 01.01.2014 werden de drempels en de voorwaarden voor de indiening van periodieke btw-kwartaalaangiften gewijzigd ingevolge een wijziging van het artikel 18, § 2, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd (beslissing nr. E.T. 125.313 van 28.01.2014).

C. Overgang van een regeling naar een andere

De overgang van de regeling kwartaalaangiften naar maandaangiften geschiedt bij het verstrijken van het kalenderkwartaal waarin voor de eerste maal niet meer aan alle vereiste voorwaarden is voldaan. De belastingplichtige is tevens gehouden het team Beheer waaronder hij ressorteert, schriftelijk kennis te geven van deze overgang uiterlijk de tiende van de maand volgend op het bovenbedoelde kalenderkwartaal (artikel 18, § 3, eerste lid van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd).

Alle andere overgangen van een aangifteregeling naar een andere zullen slechts kunnen worden verkregen mits machtiging van de administratie en op uitdrukkelijk verzoek van de belastingplichtige (gemotiveerd schriftelijk verzoek in te dienen bij het team Beheer waaronder de belastingplichtige ressorteert). Zij treden in werking op de eerste dag van het aangiftetijdvak van de door de belastingplichtige gevraagde nieuwe regeling volgend op de datum van aanvaarding van de aanvraag door de betrokken administratie (artikel 18, § 3, tweede lid, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd).

D. Elektronische indiening van de periodieke aangifte

Artikel 18, § 4, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd, stipuleert dat de belastingplichtigen die gehouden zijn tot het indienen van aangiften bedoeld in artikel 53, § 1, eerste lid, 2°, van het Btw-Wetboek, deze aangiften langs elektronische weg moeten indienen.

Paragraaf 5 van artikel 18 van hetzelfde koninklijk besluit preciseert evenwel dat de hiervoor bedoelde belastingplichtigen van de verplichting tot indiening langs elektronische weg zijn vrijgesteld zolang zij, en in voorkomend geval de persoon die gemachtigd is de bedoelde aangiften namens hen in te dienen, niet over de nodige geïnformatiseerde middelen beschikken om aan deze verplichting te voldoen.

Om de aangifte via elektronische weg in te dienen maakt de belastingplichtige gebruik van de toepassing Intervat die hem door de administratie ter beschikking wordt gesteld op de internetsite van de FOD Financiën www.financiën.belgium.be (ondernemingen, E-services).

De belastingplichtige kan eveneens praktische informatie op voormelde site terugvinden (rubriek E-services, Intervat).

Voor de Intervat-toepassing is het gebruik van een digitaal certificaat klasse 3 of een elektronische identiteitskaart vereist. Voor de modaliteiten voor de toegang tot Intervat wordt tevens verwezen naar de schriftelijke parlementaire vraag nr. 404 van heer Volksvertegenwoordiger Christian Brotcorne van 02.04.2009.

Voor nadere inlichtingen wordt tevens verwezen naar de circulaire met betrekking tot de periodieke elektronische aangifte: circulaire AFZ nr. 02/2002 van 20.02.2002.

De belastingplichtige indieners van btw-kwartaalaangiften dienen deze aangiften vanaf 01.04.2009 verplicht elektronisch in te dienen (schriftelijke parlementaire vraag nr. 4-2.879 van de heer Senator Dirk Claes van 28.01.2009).

Opmerking:

In het begin van de informatisering van de indiening van de periodieke btw-aangiften traden er diverse problemen op, in het bijzonder inzake:

• het uitreiken van een ontvangstbewijs (mondelinge parlementaire vraag nr. B095 van de heer Volksvertegenwoordiger Yves Leterme van 26.02.2003)

• ICT-capaciteitsproblemen in verband met de btw-website, het certificaat voor de btw-aangifte via de btw-website en de informaticaproblemen met Intervat (mondelinge parlementaire vraag nr. 5.449 en nr. 5.450 van mevrouw de Volksvertegenwoordiger Barbara Pas en nr. 5.651 van de heer Volksvertegenwoordiger Peter Luykx van 27.05.2008)

E. Indiening van de periodieke aangifte op papier

Ingeval van vrijstelling van de verplichting tot elektronische indiening of ingeval van overmacht (bijvoorbeeld technische problemen), mag de periodieke btw-aangifte nog op papier worden ingediend. In dat geval mag de belastingplichtige enkel het door de administratie aangemaakte formulier gebruiken. Dit formulier kan de betrokkene bekomen op het team Beheer waaronder hij ressorteert en dient, zodra vervolledigd, te worden toegezonden aan het bevoegde scanningscentrum:

• hetzij te Gent (Nederlandstalige formulieren), op volgend adres:

Federale Overheidsdienst FINANCIEN

Algemene administratie van de Fiscaliteit

Scanningscentrum

Zuiderpoort – Blok B

Gaston Crommenlaan 6, bus 001

9050 Gent (Ledeberg)

• hetzij te Namen (Franstalige en Duitstalige formulieren), op volgend adres:

Service Public Fédéral FINANCES

Administration générale de la Fiscalité

Centre de scanning

Avenue du Prince de Liège 133, Bâtiment A

5100 Namur (Jambes)

Opmerkingen:

• De belastingplichtige houders van de vergunning voor maandelijkse teruggave, die genieten van een vrijstelling van indiening van hun periodieke btw-aangiften via elektronische weg krachtens artikel 18, § 5, eerste lid, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd, respecteren de indieningsprocedure door hun aangifte in te dienen op papier, maar verliezen automatisch de regeling van maandelijkse teruggave.

De belastingplichtigen die genieten van een vrijstelling van indiening van hun periodieke btw-aangiften via elektronische weg krachtens artikel 18, § 5, eerste lid, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd, respecteren de indieningsprocedure door hun aangifte in te dienen op papier, maar kunnen echter niet genieten van de nieuwe regeling van maandelijkse teruggave voor 'starters' (Circulaire 2019/C/128 van 11.12.2019 betreffende de teruggaven inzake Btw aan belastingplichtigen die hun economische activiteit aanvangen (nr. E.T. 136.371)).

• Btw-aangiften - Werking scanningscentra (schriftelijke parlementaire vraag nr. 1.395 van de heer Volksvertegenwoordiger Hagen Goyvaerts van 04.09.2006)

• Verzendingskosten naar het scanningcentrum - Verzending in genormaliseerde omslagen (schriftelijke parlementaire vraag nr. 136 van de heer Volksvertegenwoordiger Yves Leterme van 17.11.2003)

F. Indieningsdatum van de periodieke aangifte

De maandaangifte moet uiterlijk de 20e van de maand die volgt op de maand waarop zij betrekking heeft, worden ingediend bij de door de minister van Financiën aangewezen dienst.

De kwartaalaangifte moet uiterlijk de 20e van de maand volgend op het verstrijken van het kalenderkwartaal waarop zij betrekking heeft, worden ingediend bij de door de minister van Financiën aangewezen dienst.

Echter, wanneer de 20e een zaterdag, een zondag of een wettelijke feestdag is, wordt de indieningstermijn verlengd tot de eerstvolgende werkdag, ongeacht de indieningsregeling (maand- of kwartaalaangifte).

In geval van niet-naleving van de verplichting tot indiening van de periodieke btw-aangifte of bij laattijdige aangifte, kunnen boeten worden opgelegd aan de belastingplichtige. Het bedrag van de boeten varieert naargelang de ernst van de inbreuk begaan door de belastingplichtige (mondelinge parlementaire vraag nr. 16.910 van mevrouw de Volksvertegenwoordiger Valérie Warzée-Caverenne van 17.04.2013 en schriftelijke parlementaire vraag nr. 409 van mevrouw de Volksvertegenwoordiger Valérie Warzée-Caverenne van 22.05.2013).

Als steunmaatregel om de gevolgen van het coronavirus te verzachten werd uitstel toegekend voor indiening van de btw-aangiften van de maanden februari, maart en april 2020 en van het eerste kwartaal van 2020. De indieningstermijn van de aangifte van februari werd verlengd tot 06.04.2020, die van de aangifte van maart en het eerste kwartaal tot 07.05.2020 en die van de aangifte van april tot 05.06.2020 (artikel 9, § 3, van het bijzondere machtenbesluit nr. 7 van 19.04.2020 houdende bijkomende steunmaatregelen inzake vennootschapsbelasting, rechtspersonenbelasting, belasting niet-inwoners, personenbelasting, belasting over de toegevoegde waarde, bedrijfsvoorheffing, registratierechten en retributies).

G. Inhoud van de periodieke aangifte

Naast de identificatie van de belastingplichtige en het tijdvak waarop de aangifte betrekking heeft alsmede de eventuele aanvraag om terugbetaling, moet de periodieke aangifte verschillende gegevens bevatten die blijken uit de boekhouding die de belastingplichtige moet houden overeenkomstig artikel 14 van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd. Deze gegevens betreffen:

• het bedrag van de gerealiseerde omzet, ongeacht of het gaat om handelingen die al dat niet recht op aftrek verschaffen (kader II van de aangifte, roosters 00 tot 49)

• het bedrag van de door de aangever verschuldigde belasting (kader IV van de aangifte, roosters 54 tot 57)

• het bedrag van de herzieningen (kaders IV en V van de aangifte, roosters 61 tot 64)

• het bedrag van de inkomende handelingen (kader III van de aangifte, roosters 81 tot 88)

• het bedrag van de aftrekbare belasting (kader V van de aangifte, rooster 59)

• het saldo van de aangifteperiode (kader VI, rooster 71 of 72)

Een aan te vinken rooster in Kader VIII van de aangifte laat de belastingplichtige toe de administratie mee te delen dat hij geen handelingen heeft verricht die in de jaarlijkse opgave van de belastingplichtige klanten moeten worden vermeld. De belastingplichtige die dit rooster in de laatste aangifteperiode van het betreffende jaar aanvinkt, moet dus geen nihil-klantenlisting meer indienen.

Het formulier van de in artikel 53, § 1, 2°, van het Btw-Wetboek bedoelde aangifte wordt ingevuld overeenkomstig de daarin voorkomende aanduidingen, gewaarmerkt, gedagtekend en ondertekend (artikel 53terdecies, § 1, van het Btw-Wetboek).

De door de Federale Overheidsdienst Financiën ter beschikking gestelde elektronische aangifte die werd ingevuld en overgezonden overeenkomstig de daarin voorkomende aanduidingen, wordt gelijkgesteld met een gewaarmerkte, gedagtekende en ondertekende aangifte (artikel 53terdecies, § 2, van het Btw-Wetboek).

De wijzigingen die de periodieke btw-aangifte op 01.01.2010 heeft ondergaan worden uiteengezet in de beslissing nr. E.T. 117.215/2 van 16.11.2009 (uitgaande handelingen) en de beslissing nr. E.T. 117.215/3 van 16.11.2009 (inkomende handelingen).

Voor nadere informatie omtrent de in de periodieke btw-aangifte op te nemen bedragen wordt verwezen naar de Toelichting voor het invullen van de periodieke Btw-aangifte van 01.01.2014 (schriftelijke parlementaire vraag nr. 366 van de heer Volksvertegenwoordiger François-Xavier de Donnea van 10.05.2012).

Voorbeelden:

• Circulaire 2020/C/50 van 02.04.2020 betreffende het btw-stelsel van het B2B intracommunautair handelsverkeer van goederen (nr. E.T. 135.109) : Verplichtingen die voortvloeien uit de intracommunautaire levering in België die vrijgesteld is door artikel 39bis, eerste lid, 1°, van het Btw-Wetboek (titel 3.7.1.), Verplichtingen die voortvloeien uit de belastbare intracommunautaire verwerving (titel 4.9.2.), Verplichtingen in België die voortvloeien uit vrijgestelde overbrengingen (titel 5.3.8.1.), Verplichtingen die voortvloeien uit de bestemming van goederen (titel 5.4.9.2.), Verplichtingen betreffende de regeling inzake voorraad op afroep (titel 6.2.3.4.)

• De btw-belastingplichtigen dienen een periodieke aangifte in waarbij de globale handelingen verricht gedurende een bepaalde periode zijn opgenomen. Er wordt dus geen opdeling gemaakt naar aard van de betrokken debiteuren of crediteuren waarmee deze handelingen verricht zijn (schriftelijke parlementaire vraag nr. 1.522 van mevrouw de Volksvertegenwoordiger Leen Dierick van 23.02.2017).

• Voor wat betreft de directe verkopen in de sector van de energie en de telecommunicatie, zie beslissing nr. E.T.110.297 van 13.05.2008.

• Het recht op teruggaaf wordt uitgeoefend via de periodieke btw-aangifte. In het betreffende rooster van de btw-aangifte worden evenwel ook andere bedragen opgenomen (schriftelijke parlementaire vraag nr. 668 van de heer Volksvertegenwoordiger Frank Wilrycx van 27.11.2015).

• De herziening van artikel 10, § 1, eerste lid, 5°, van het koninklijk besluit nr. 3, van 10.12.1969, met betrekking tot de aftrekregeling voor de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde in het voordeel van de Schatkist, moet worden opgenomen in rooster 61 van de btw-aangifte. De herziening van artikel 10, § 2, tweede streepje, van het koninklijk besluit nr. 3, voornoemd, in het voordeel van de belastingplichtige, moet in rooster 62 van de btw-aangifte worden opgenomen. Deze twee bepalingen moeten onder de gestelde voorwaarden worden toegepast. Krachtens artikel 10, § 3, van het koninklijk besluit nr. 3, voornoemd, mogen de beide herzieningen in dezelfde btw-aangifte van de btw-eenheid worden opgenomen. In die zin worden beide herzieningen met elkaar gecompenseerd (schriftelijke parlementaire vraag nr. 355 van mevrouw de Volksvertegenwoordiger Veerle Wouters van 10.03.2013).

• Intracommunautaire handelingen. Opname in de periodieke aangifte en in de opgave van intracommunautaire handelingen (schriftelijke parlementaire vraag nr. 301 van de heer Volksvertegenwoordiger Christian Brotcorne van 08.03.2013).

• Vennootschappen die op non-actief worden gezet. De definitieve stopzetting van werkzaamheid brengt in theorie automatisch het verlies van de hoedanigheid van btw-belastingplichtige met zich mee, maar zonder de inlichtingen verstrekt door het formulier nr. 604C kan de administratie echter geen kennis hebben van de stopzetting en kan ze de identificatie van de belastingplichtige in principe niet doorhalen. Bijgevolg zal de belastingplichtige die dit formulier niet binnen de termijn heeft ingediend, verondersteld worden nog steeds actief te zijn en blijft hij, zolang hij de stopzetting van activiteit niet meldt, gehouden periodieke btw-aangiften in te dienen, zelfs in het geval hij geen enkele belastbare activiteit meer uitoefent. Wanneer hij in voorkomend geval in de loop van een aangifteperiode geen enkele in de overeenstemmende periodieke btw-aangifte te vermelden handeling heeft verricht, zal de belastingplichtige een nihil-periodieke btw-aangifte moeten indienen. De middels het voormelde formulier nr. 604C aan de administratie meegedeelde stopzetting van werkzaamheid heeft de doorhaling van het btw-identificatienummer van de belastingplichtige tot gevolg en beëindigt zijn verplichting tot indiening van periodieke btw-aangiften voor de toekomst (schriftelijke parlementaire vraag nr. 42 van mevrouw de Volksvertegenwoordiger Barbara Pas van 06.11.2014).

• De zelfstandige die zijn beroepswerkzaamheden stopzet, bijvoorbeeld om medische redenen, behoudt zijn hoedanigheid van btw-belastingplichtige met het oog op de vereffening van zijn zaak. Hij verliest deze hoedanigheid slechts vanaf het tijdstip waarop hij de vereffening van zijn onderneming beëindigt en geen handelingen meer zal verrichten waardoor hij schuldenaar van de btw wordt. Bijgevolg kan de betrokkene worden geschrapt nadat de bedrijfsmiddelen, die in het kader van zijn activiteit werden gebruikt, werden verkocht of in het uitzonderlijke geval dat hij er behoudt, nadat hij de onttrekking van artikel 12, § 1, 5°, van het Btw-Wetboek of de herziening waarvan sprake in artikel 48, § 2, van dit wetboek heeft toegepast. Tot de schrapping blijft de betrokkene vanzelfsprekend verplicht tot het indienen van periodieke aangiften, zodanig dat hij door middel van deze aangiften zijn verplichtingen inzake betaling van de btw kan voldoen en zijn eventueel recht op aftrek uitoefent (schriftelijke parlementaire vraag nr. 271 van de heer Volksvertegenwoordiger Guy Hove van 15.03.2000).

• Publiekrechtelijk lichaam: circulaire AAFisc nr. 42/2015 (nr. E.T. 125.567) van 10.12.2015 en circulaire AAFisc nr. 42/2015 (nr. E.T. 125.567) van 10.12.2015 - Bijlagen

Titel VIII, D van de circulaire: Indienen van aangiften (randnummers 80 tot 91):

1. Het lichaam handelt voor zijn volledige activiteit als overheid en wordt uitsluitend beschouwd als een niet-belastingplichtige rechtspersoon.

Wanneer het publiekrechtelijk lichaam schuldenaar is van de btw en al dan niet reeds indiener is van bijzondere btw-aangiften, dient de verschuldigde btw te worden voldaan door opname van de handeling in de bijzondere btw-aangifte met betrekking tot het kwartaal waarin de btw over deze handeling opeisbaar is geworden.

2. Het lichaam heeft de hoedanigheid van gedeeltelijke belastingplichtige aangezien het zowel handelt als overheid als handelingen verricht die overeenkomstig artikel 44, van het Btw-Wetboek, zijn vrijgesteld.

Wanneer het publiekrechtelijk lichaam schuldenaar is van de btw en al dan niet reeds indiener is van bijzondere btw-aangiften, dient de verschuldigde btw te worden voldaan door opname van de handeling in de bijzondere btw-aangifte met betrekking tot het kwartaal waarin de btw over deze handeling opeisbaar is geworden.

3. Het lichaam heeft de hoedanigheid van gedeeltelijke belastingplichtige aangezien het zowel handelt als overheid, als belastingplichtige met recht op aftrek en eventueel ook handelingen verricht die overeenkomstig artikel 44, van het Btw-Wetboek, zijn vrijgesteld

Wanneer het publiekrechtelijk lichaam, schuldenaar van de btw, reeds indiener is van periodieke aangiften, dient de btw te worden voldaan door opname van de handeling in de periodieke aangifte met betrekking tot het tijdvak waarin de belasting over deze handeling opeisbaar is geworden.

• Schuldenaar van intracommunautaire verwerving van goederen (artikel 51, § 1, 2° van het Btw-Wetboek):

rooster 86: de maatstaf van heffing

rooster 55: de verschuldigde btw

rooster 81/82/83: het gedeelte van de maatstaf van heffing dat betrekking heeft op de economische activiteit van het publiekrechtelijk lichaam (vrijgestelde activiteit en/of belastbare activiteit) verhoogd met het bedrag van de niet aftrekbare btw dat betrekking heeft op de genoemde economische activiteiten

rooster 59: het bedrag van de btw dat voor aftrek in aanmerking komt

• Schuldenaar van ontvangen intracommunautaire dienst (artikel 51, § 2, eerste lid, 1° van het Btw-Wetboek):

rooster 88: de maatstaf van heffing

rooster 55: de verschuldigde btw

rooster 81/82/83: het gedeelte van de maatstaf van heffing dat betrekking heeft op de economische activiteit van het publiekrechtelijk lichaam (vrijgestelde activiteit en/of belastbare activiteit) verhoogd met het bedrag van de niet aftrekbare btw dat betrekking heeft op de genoemde economische activiteiten

rooster 59: het bedrag van de btw dat voor aftrek in aanmerking komt

• Schuldenaar van ontvangen intracommunautaire dienst volgens artikel 51, § 2, eerste lid, 5° van het Btw-Wetboek en schuldenaar van ontvangen werk in onroerende staat volgens artikel 20, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd:

rooster 87: de maatstaf van heffing

rooster 56: de verschuldigde btw

rooster 81/82/83: het gedeelte van de maatstaf van heffing dat betrekking heeft op de economische activiteit van het publiekrechtelijk lichaam (vrijgestelde activiteit en/of belastbare activiteit) verhoogd met het bedrag van de niet aftrekbare btw dat betrekking heeft op de genoemde economische activiteiten

rooster 59: het bedrag van de btw dat voor aftrek in aanmerking komt

• Schuldenaar van handeling artikel 19, § 2, eerste lid, 1°, van het Btw-Wetboek (artikel 51, § 1, 1°, van het Btw-Wetboek):

rooster 03: de maatstaf van heffing van de diensten bedoeld in artikel 19, § 2, eerste lid, 1°, van het Btw-Wetboek

rooster 54: de verschuldigde btw over de diensten bedoeld in artikel 19, § 2, eerste lid, 1°, van het Btw-Wetboek

rooster 82: de maatstaf van heffing met betrekking tot de aankoop van de materialen die voor bedoelde werken werden aangewend voor zover deze inschrijving nog niet is gebeurd in een voorgaande aangifte

rooster 83: de maatstaf van heffing van de diensten bedoeld in artikel 19, § 2, eerste lid, 1°, van het Btw-Wetboek met inbegrip van de hierop geheven btw die niet voor aftrek in aanmerking komt

rooster 59: de btw geheven van de materialen die voor bedoelde werken werden aangewend alsmede de btw geheven van de diensten bedoeld in artikel 19, § 2, eerste lid, 1°, van het Btw-Wetboek, die voor aftrek in aanmerking komt

De periodieke aangifte moet worden ingediend uiterlijk de 20e van de maand volgend op de maand (in het geval maandaangifte) of volgend op het kalenderkwartaal (in geval van kwartaalaangifte) waarop zij betrekking heeft. In geval er voor de betrokken periode geen aan te geven handelingen zijn, dient een nihilaangifte ingediend te worden.

De indiening van de periodieke aangifte dient verplicht elektronisch te gebeuren via de toepassing Intervat. Voor bijkomende inlichtingen zie www.financien.belgium.be.

De verschuldigde belasting voor de aangifteperiode moet uiterlijk de 20e van de maand die volgt op de periode voldaan worden.

• Prijsvermindering toegestaan door een buitenlandse leverancier aan zijn Belgische klant, in het kader van intracommunautaire verwervingen. Verbeterend stuk. Opname in de periodieke btw-aangifte (schriftelijke parlementaire vraag nr. 289 van de heer Volksvertegenwoordiger Christian Brotcorne van 24.07.2008).

• De verbetering van de periodieke btw-aangifte ingevolge de uitreiking van een creditnota en een verbeterend stuk: zie schriftelijke parlementaire vraag nr. 196 van de heer Volksvertegenwoordiger Benoît Piedboeuf van 06.02.2020 en schriftelijke parlementaire vraag nr. 102 van de heer Volksvertegenwoordiger Christian Brotcorne van 14.01.2009

Verbeterende stukken maken slechts het voorwerp uit van een inschrijving in de periodieke btw-aangifte wanneer zij bedragen wijzigen, in casu wanneer het gaat om credit- of debetnota's. Ter zake past het hier een onderscheid te maken tussen verbeterende stukken die wel en deze die niet worden uitgereikt. Wanneer het verbeterend stuk door de opsteller niet werd uitgereikt aan zijn medecontractant omdat de uitreiking ervan niet gerechtvaardigd was, dan kan dit stuk slechts worden opgenomen in de periodieke btw-aangifte van eerstgenoemde. Deze inschrijving gebeurt door een positieve of negatieve correctie van de oorspronkelijke roosters met betrekking tot de omzet en/of verschuldigde belasting, in de periodieke btw-aangifte met betrekking tot de periode in de loop waarvan het verbeterend stuk werd opgesteld. Daarentegen, wanneer het verbeterend stuk wel werd uitgereikt, dan moet het het voorwerp uitmaken van een inschrijving in de periodieke btw-aangifte van beide partijen. Het doel is een onderlinge samenhang tussen hun respectieve btw-aangiften mogelijk te maken.

Daarom gebruiken de leverancier van de goederen of dienstverrichter en zijn medecontractant in principe de hiertoe in de periodieke btw-aangifte voorziene correctieroosters met betrekking tot de uitgereikte of ontvangen creditnota's. Wat betreft de uitgereikte debetnota's, moeten daarentegen, in hoofde van beide partijen, de bedragen die deze documenten bevatten worden ingeschreven in de oorspronkelijke roosters en mogen de correctieroosters niet worden gebruikt (schriftelijke parlementaire vraag nr. 3-6.211 van mevrouw de Senator Clotilde Nyssens van 03.11.2006).

• Werk in onroerende staat verricht voor een gedeeltelijke belastingplichtige. Schuldenaar van de btw

De verlegging van heffing dient toegepast te worden voor het verrichten door een in België gevestigde belastingplichtige van bedoeld werk in onroerende staat voor een volledige, voor een gemengde en, vanaf 01.07.2012, eveneens voor een gedeeltelijke belastingplichtige, indiener van periodieke btw-aangiften (met uitzondering van de buitenlandse belastingplichtige die hier te lande geen aansprakelijke vertegenwoordiger heeft laten erkennen), ongeacht de bestemming die de medecontractant aan deze werken geeft. Uiteraard wordt hier niet de situatie bedoeld van een belastingplichtige medecontractant, fysieke persoon die uitsluitend handelt voor zijn privédoeleinden. Voorts wordt opgemerkt dat de verlegging van heffing bijgevolg niet van toepassing is wanneer het werk in onroerende staat wordt verricht voor een niet-belastingplichtige rechtspersoon die niet gehouden is periodieke aangiften in te dienen, zelfs wanneer die persoon voor btw-doeleinden geïdentificeerd is omwille van optie- of drempeloverschrijding inzake intracommunautaire verwervingen van goederen en gehouden is tot het indienen van bijzondere btw-aangiften. Wat voorafgaat geldt eveneens voor de toepassing van artikel 51, § 2, eerste lid, 5°, van het Btw-Wetboek, met name voor het werk in onroerende staat dat wordt verricht door een niet in België gevestigde belastingplichtige (beslissing nr. E.T. 122.360 van 20.03.2012).

• Voorafbetaalde telefoonkaarten uitgegeven door een niet in België gevestigde telecomoperator. Heffing van de belasting en verplichtingen op het stuk van de btw. Stelsel van toepassing op de kaarten uitgegeven door operatoren gevestigd in een andere Lidstaat van de Europese Gemeenschap. Aangifte (beslissing nr. E.T. 108.686 van 19.01.2005, titel C, 2).

• De btw-behandeling van vouchers: circulaire 2020/C/121 van 18.09.2020 betreffende btw-behandeling van vouchers, titel 5.

Opmerking:

Ten gevolge van een wijziging van boek VI van het Wetboek van economisch recht door de wet van 02.05.2019 houdende diverse bepalingen inzake economie, voorziet artikel VI.7/1 van dit Wetboek dat vanaf 01.12.2019, de ondernemingen, naargelang het geval, de verplichting of de mogelijkheid hebben het totaal te betalen bedrag af te ronden op het dichtstbijzijnde meervoud van 5 cent.

Deze afronding heeft gevolgen op de maatstaf van heffing en op de documenten die inzake btw moeten gehouden en/of uitgereikt worden.

Indien de onderneming gehouden is het te betalen totaalbedrag geheel of gedeeltelijk af te ronden of indien zij hiervoor kiest en dit bedrag effectief geheel of gedeeltelijk wordt afgerond, moet de btw in principe worden geheven in functie van de werkelijk van de klant gevorderde prijs, namelijk de afgeronde prijs. Deze oplossing kan echter praktische problemen veroorzaken wanneer het aan de kassa betaalde bedrag betrekking heeft op leveringen van goederen of diensten die onderworpen zijn aan verschillende btw-tarieven, hetgeen aldus de toepassing van de 'de regel van drie' veronderstelt.

Gezien het zeer kleine bedrag van de afrondingen kan hun verdeling op deze manier een onevenredige administratieve last met zich meebrengen. De administratie staat daarom via administratieve tolerantie toe dat de btw wordt berekend op het totaal te betalen bedrag per btw-tariefgroep voorafgaand aan de afronding en dit onder de strikte voorwaarde dat de onderneming die gebruik maakt van deze vereenvoudigingsmaatregel dit systematisch doet voor alle te betalen bedragen die afgerond zijn, hetzij naar boven, hetzij naar beneden. De maatstaf van heffing voor afronding en de verschuldigde btw per tariefgroep worden opgenomen in de periodieke btw-aangifte. De aldus gemaakte keuze geldt als definitief. De bepalingen inzake afrondingen blijven op deze wijze zonder gevolg op vlak van btw.

De wetgeving inzake economisch recht voorziet dat indien zij de afronding toepast, 'de onderneming uitdrukkelijk de toegepaste afronding vermeldt op elk document waarop het te betalen totaalbedrag vermeld staat’ (artikel VI.7/2, van het Wetboek van economisch recht).

Deze bepaling heeft aldus gevolgen op vlak van de vermeldingen aan te brengen op de factuur, op kassatickets, op kastickets van een geregistreerd kassasysteem (GKS), alsook op btw-bonnetjes in de situaties waarin de belastingplichtige de verplichting heeft of kiest voor de uitreiking van deze documenten (circulaire 2019/C/123 van 27.11.2019 betreffende de afronding van te betalen bedragen inzake de Btw (nr. E.T. 135.952)).

H. Verplichting tot voldoening van de belasting

a. Belasting waarvan de opeisbaarheid blijkt uit de aangifte

De voor de aangifteperiode verschuldigde belasting moet uiterlijk de twintigste van de maand die volgt op deze periode worden voldaan.

Wanneer de twintigste een zaterdag, een zondag of een wettelijke feestdag is, wordt de betalingstermijn verlengd tot de eerstvolgende werkdag.

De betaling moet gebeuren op de postrekening nr. 679-2003000-47 van ‘Btw-ontvangsten’ Brussel, zoals vermeld in artikel 2 van het koninklijk besluit nr. 24 van 29.12.1992 met betrekking tot de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde. Deze betaling heeft uitwerking:

• voor een storting op een postkantoor, op de datum van de storting of

• voor een overschrijving, de laatste werkdag die voorafgaat aan de datum van creditering van de voormelde postrekening. Als werkdagen worden aangemerkt alle andere dagen dan de zaterdagen, de zondagen en de wettelijke feestdagen (artikel 4 van het koninklijk besluit nr. 24, voornoemd)

Opmerkingen:

• Voertuigen die intracommunautair verworven worden. Overbrenging van een andere lidstaat naar België. Inschrijving in België. Wanneer de voertuigen, voorwerp van de verkoop en van de inschrijving, zich op het tijdstip van de verkoop reeds fysiek in België bevonden, wordt die verschuldigde btw geheven naargelang de hoedanigheid van de koper (beslissing nr. E.T. 119.434, van 21.02.2013).

• Het is van belang dat elke belastingplichtige de door hem verschuldigde btw onder aftrek van de door hem betaalde btw binnen de gestelde wettelijke termijn aangeeft en betaalt. Wat het afleveren van een attest in het kader van een openbare aanbesteding betreft, wordt er enkel rekening gehouden met de opeisbare btw-schulden. Dat betekent dat, indien er een verschuldigd btw-bedrag blijkt uit een btw-aangifte die vóor de vervaldag werd ingediend, de bevoegde ontvanger dat bedrag niet in aanmerking zal nemen wanneer hij eveneens vóór die vervaldag dat attest uitreikt (mondelinge parlementaire vraag nr. 20470 van de heer Volksvertegenwoordiger Luk Van Biesen van 19.11.2013).

b. Voorschot te voldoen door belastingplichtigen gehouden tot het indienen van maandaangiften

Principe

De belastingplichtige die op 1 december van het lopende kalenderjaar btw-maandaangiften indient overeenkomstig artikel 53, § 1, eerste lid, 2°, van het Btw-Wetboek, diende een voorschot te betalen op de belasting die verschuldigd is over zijn handelingen van de maand december van datzelfde jaar (artikel 19, § 2, eerste lid (oud) van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd).

Deze bepaling is afgeschaft met ingang van 10.04.2021 (zie artikel 1 van het

koninklijk besluit van 29.03.2021 tot wijziging van de koninklijke besluiten nrs. 1, 4, 24 en 41 met betrekking tot de belasting over de toegevoegde waarde en houdende ondersteuningsmaatregelen ten gevolge van de COVID-19-pandemie, B.S. 31.03.2021).

c. Voorschotten te voldoen door belastingplichtigen gehouden tot het indienen van kwartaalaangiften

Principe

De belastingplichtige die op 1 oktober van het lopende kalenderjaar btw-kwartaalaangiften indient overeenkomstig artikel 18, § 2, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd, diende een voorschot te betalen op de belasting die verschuldigd is over zijn handelingen van het vierde kwartaal van datzelfde jaar (artikel 19, § 1 (oud), van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd).

Deze bepaling is afgeschaft met ingang van 10.04.2021 (zie artikel 1 van het

koninklijk besluit van 29.03.2021 tot wijziging van de koninklijke besluiten nrs. 1, 4, 24 en 41 met betrekking tot de belasting over de toegevoegde waarde en houdende ondersteuningsmaatregelen ten gevolge van de COVID-19-pandemie, B.S. 31.03.2021).

3. Bijzondere btw-aangiften

A. Personen gehouden tot het indienen van de bijzondere btw-aangifte

a. Inkomende handelingen

De bijzondere btw-aangifte moet worden ingediend door (artikel 53ter van het Btw-Wetboek):

• de btw-belastingplichtigen, met inbegrip van de btw-eenheden in de zin van artikel 4, § 2, van het Btw-Wetboek, die geen periodieke btw-aangiften indienen en die overeenkomstig artikel 51, § 1, 2°, en § 2, eerste lid, 1°, 2° of 6°, van het Btw-Wetboek schuldenaar zijn van de belasting.

Moeten bijgevolg een bijzondere btw-aangifte indienen, de belastingplichtigen die:

o uitsluitend leveringen van goederen of diensten verrichten vrijgesteld door artikel 44 van het Btw-Wetboek waarvoor zij geen recht op aftrek hebben

o de regeling bedoeld in artikel 56bis van het Btw-Wetboek genieten (kleine vrijgestelde ondernemingen) (circulaire AAFisc nr. 34/2014 (nr. E.T. 123.849) van 25.08.2014, hoofdstuk IV en V)

o de regeling bedoeld in artikel 57, § 1, van het Btw-Wetboek genieten (de landbouwondernemers)

o genieten van een bijzondere regeling van niet-indiening van periodieke btw-aangiften als voorzien in een administratieve beslissing of circulaire

• de niet-belastingplichtige rechtspersonen die overeenkomstig artikel 51, § 1, 2° en § 2, eerste lid, 1°, 2°, of 6°, van het Btw-Wetboek schuldenaar zijn van de btw. De bepalingen van artikel 51, § 1, 1°, van het Btw-Wetboek zijn van toepassing op de niet-belastingplichtige rechtspersonen voor zover zij over een btw-identificatienummer beschikken om hun intracommunautaire verwervingen van goederen aan de btw te onderwerpen. Indien aan hen in dit geval diensten beoogd in artikel 21, § 2, van het Btw-Wetboek worden verstrekt, worden zij ingevolge artikel 21, § 1, van het Btw-Wetboek beschouwd als belastingplichtigen voor de toepassing van artikel 21, § 2, van het Btw-Wetboek

• de btw-belastingplichtigen, met inbegrip van de btw-eenheden in de zin van artikel 4, § 2, van het Btw-Wetboek, die geen periodieke btw-aangiften indienen en de niet-belastingplichtige rechtspersonen, die bij toepassing van artikel 5, § 1, 2°, van het koninklijk besluit nr. 31, voornoemd, hoofdelijk gehouden zijn tot voldoening van de belasting in de plaats van de niet in België gevestigde leverancier of dienstverrichter die er niet voor btw-doeleinden is geïdentificeerd

Opmerkingen:

De intracommunautaire verwervingen van nieuwe vervoermiddelen en van accijnsproducten, verricht door de belastingplichtige op wie de in artikel 56bis van het Btw-Wetboek, bepaalde vrijstellingsregeling of de in artikel 57 van het Btw-Wetboek bedoelde landbouwregeling toepasselijk is, de belastingplichtige die uitsluitend leveringen van goederen of diensten verricht waarvoor hij geen recht op aftrek heeft of de niet-belastingplichtige rechtspersoon moeten slechts in de bijzondere btw-aangifte worden opgenomen wanneer die personen ervoor gekozen hebben om al hun intracommunautaire verwervingen van goederen in België aan de btw te onderwerpen of wanneer het totaalbedrag van hun intracommunautaire verwervingen, voor het lopende kalenderjaar of voor het vorige kalenderjaar, van andere goederen dan nieuwe vervoermiddelen en accijnsproducten de drempel van 11.200 euro overschrijdt.

De belastingplichtige op wie de in artikel 56bis van het Btw-Wetboek, bepaalde vrijstellingsregeling of de in artikel 57 van het Btw-Wetboek bedoelde landbouwregeling toepasselijk is, de belastingplichtige die uitsluitend leveringen van goederen of diensten verricht waarvoor hij geen recht op aftrek heeft of de niet-belastingplichtige rechtspersoon gehouden tot het indienen van de bijzondere btw-aangifte aan wie een btw-identificatienummer werd toegekend dat de letters BE bevat, worden geacht de keuze te hebben gedaan en aldus al hun intracommunautaire verwervingen van goederen in België aan de btw te onderwerpen wanneer zij hun identificatienummer dat de letters BE bevat aan een leverancier mededelen om een intracommunautaire verwerving van goederen te doen, ofschoon het totaal bedrag van hun intracommunautaire verwervingen van andere goederen dan nieuwe vervoermiddelen en accijnsproducten voor het lopende jaar of voor het vorige jaar de drempel van 11.200 euro niet overschrijdt of nog, ze de in artikel 25ter, § 1, tweede lid, 2°, tweede lid, van het Btw-Wetboek bedoelde keuzeverklaring niet hebben ingediend (artikel 25ter, § 1, tweede lid, 2°, vierde lid van het Btw-Wetboek en artikel 53quater, § 1, tweede lid van het Btw-Wetboek).

De door artikel 20 van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd, ingevoerde regeling legt de medecontractant van de in België gevestigde belastingplichtige in bepaalde gevallen de verplichting op zelf de verschuldigde btw te voldoen. De verlegging van heffing dient te worden toegepast voor het verrichten door een in België gevestigde belastingplichtige van bedoeld werk in onroerende staat voor een volledige, voor een gemengde en, vanaf 01.07.2012, eveneens voor een gedeeltelijke belastingplichtige, indiener van periodieke btw-aangiften (met uitzondering van de buitenlandse belastingplichtige die hier te lande geen aansprakelijke vertegenwoordiger heeft laten erkennen), ongeacht de bestemming die de medecontractant aan deze werken geeft. Uiteraard wordt hier niet de situatie bedoeld van een belastingplichtige medecontractant, fysieke persoon die uitsluitend handelt voor zijn privédoeleinden. Voorts wordt opgemerkt dat de verlegging van heffing bijgevolg niet van toepassing is wanneer het werk in onroerende staat wordt verricht voor een niet-belastingplichtige rechtspersoon die niet gehouden is periodieke aangiften in te dienen, zelfs wanneer die persoon voor btw-doeleinden geïdentificeerd is omwille van optie- of drempeloverschrijding inzake intracommunautaire verwervingen van goederen en gehouden is tot het indienen van bijzondere btw-aangiften (beslissing nr. E.T. 122.360 van 20.03.2012).

b. Uitgaande handelingen

De bijzondere btw-aangifte moet worden ingediend door (artikel 53ter van het Btw-Wetboek):

• de belastingplichtigen die onderworpen zijn aan de bijzondere landbouwregeling en een bijkomende activiteit bestaande uit werk in onroerende staat verrichten en die bij administratieve tolerantie de landbouwregeling mogen behouden voor de hoofdactiviteit (zie ‘Boekwerk V: Bijzondere regelingen - Hoofdstuk 15: Bijzondere regelingen, afdeling 5, titel 11, A, administratieve tolerantie’)

• de belastingplichtigen bedoeld in artikel 50, § 1, 1°, van het Btw-Wetboek die genieten van een bijzondere regeling van niet-indiening van periodieke btw-aangiften als voorzien in een administratieve beslissing of circulaire, die schuldenaar zijn van de btw

Het betreft inzonderheid de advocaten die gekozen hebben voor de facultatieve bijzondere regeling voor de advocaten-medewerkers en de advocaten-stagiairs voor wat betreft de aan de btw onderworpen bijkomstige activiteiten die zij verrichten bovenop hun dienstprestaties voor hun advocatenkantoor (circulaire AAFisc nr. 47/2013 (nr. E.T. 124.411) van 20.11.2013, randnummers 183 tot 185). Die verschuldigde btw moet de advocaatmedewerker dan zelf aanrekenen aan zijn cliënten en ook zelf doorstorten aan de Schatkist via een bijzondere btw-aangifte (schriftelijke parlementaire vraag nr. 767 van de heer Volksvertegenwoordiger Stefaan Van Hecke van 28.01.2016).

Het betreft eveneens de arts of het ziekenhuis die naast zijn krachtens artikel 44 van het Btw-Wetboek vrijgestelde activiteiten, geen andere met btw belaste activiteit verricht dan onderzoekswerk, met inbegrip van klinische proeven, die kiest voor de bijzondere regeling voor artsen en ziekenhuizen. Wanneer hij laatstgenoemde handelingen verricht voor een in België gevestigde opdrachtgever die niet gehouden is tot indiening van periodieke btw-aangiften is er geen verlegging van heffing naar de medecontractant mogelijk en voldoet de arts of het ziekenhuis overeenkomstig artikel 51, § 1, 1°, van het Btw-Wetboek de btw door opname van deze diensten in zijn bijzondere btw-aangifte (beslissing nr. E.T. 116.111 van 21.02.2011, titel 4.6).

Het betreft ook belastingplichtigen die geen recht op aftrek hebben omdat zij een bijzondere regeling genieten waardoor zij geen periodieke btw-aangiften bedoeld in artikel 53, § 1, eerste lid, 2°, van het Btw-Wetboek moeten indienen zoals bijvoorbeeld:

- de bijzondere regeling voor recuperatiestoffen en -producten van aanschrijving nr. 88 van 15.12.1970

- de bijzondere regeling voor wasserij, ververij, stomerij of stoppageondernemingen van aanschrijving nr. 28 van 19.11.1975

- de bijzondere regeling voor schippers die niet meer dan 5 boten exploiteren van aanschrijving nr. 109 van 31.12.1970

Als deze belastingplichtigen zelf een werk in onroerende staat uitvoeren voor de doeleinden van hun economische activiteit, zouden zij geen recht op aftrek hebben van de btw indien zij dergelijk werk zouden afnemen van een andere belastingplichtige. In die situatie is artikel 19, § 2, eerste lid, 1°, van het Btw-Wetboek altijd van toepassing (circulaire 2019/C/19 van 01.03.2019 betreffende de gelijkstelling van een werk in onroerende staat met een dienst onder bezwarende titel (artikel 19, § 2, van het Btw-Wetboek), titel 4.2.8.).

• de belastingplichtigen zonder recht op aftrek die werken verrichten beoogd in artikel 19, § 2 eerste lid, 1°, van het Btw-Wetboek (werk in onroerende staat met uitsluiting van herstellings- onderhouds- en reinigingswerk verricht door hun personeel) (zie ‘Boekwerk I: Belastingplicht en belastbare handelingen – Hoofdstuk 3: Diensten, afdeling 6, titel 2, rubriek B, subrubriek a’, schriftelijke parlementaire vraag nr. 28 van de heer Christian Volksvertegenwoordiger Christian Brotcorne van 07.12.2009 en Circulaire 2019/C/19 van 01.03.2019 betreffende de gelijkstelling van een werk in onroerende staat met een dienst onder bezwarende titel (artikel 19, § 2, van het Btw-Wetboek),titel 4.2.2.)

• de Staat, de Gemeenschappen en de Gewesten van de Belgische Staat, de provincies, de agglomeraties, de gemeenten en de openbare instellingen die schuldenaar zijn van de btw wanneer zij werken verrichten beoogd in artikel 19, § 2, eerste lid, 1°, van het Btw-Wetboek (werk in onroerende staat met uitsluiting van herstellings- onderhouds- en reinigingswerk verricht door hun personeel, dat niet uitsluitend bestemd is voor de openbare infrastructuur die specifiek wordt gebruikt voor het stellen van handelingen als overheid) (circulaire AAFisc Nr. 42/2015 (nr. E.T. 125.567) van 10.12.2015, randnummers 29 tot en met 35 en Circulaire 2019/C/19 van 01.03.2019 betreffende de gelijkstelling van een werk in onroerende staat met een dienst onder bezwarende titel (artikel 19, § 2, van het Btw-Wetboek),titel 4.2.6.)

B. Handelingen waarvoor de btw-belastingplichtigen die geen periodieke btw-aangiften indienen schuldenaar zijn van de belasting of de belasting moeten voldoen in de plaats van de leverancier van de goederen of van de dienstverrichter

a. Intracommunautaire verwervingen van goederen en ermee gelijkgestelde handelingen

De belastingplichtigen, met inbegrip van de btw-eenheden in de zin van artikel 4, § 2, van het Btw-Wetboek, die geen periodieke btw-aangiften (maand- of kwartaalaangiften) indienen, zijn schuldenaar van de btw wegens de intracommunautaire verwervingen:

• van accijnsproducten (energieproducten, minerale oliën, alcohol, alcoholhoudende dranken en tabaksfabrikaten, uitgezonderd de elektriciteit en het gas dat geleverd wordt via een aardgasdistributiesysteem)

• van nieuwe vervoermiddelen, zoals bepaald in artikel 8bis, § 2, van het Btw-Wetboek

• van andere goederen dan deze bedoeld in het eerste en tweede • hiervoor, wanneer het gaat om belastingplichtigen die enkel door artikel 44 van het Btw-Wetboek vrijgestelde leveringen van goederen of diensten verrichten of die genieten van één van de in de artikelen 56bis en 57 van het Btw-Wetboek voorziene regelingen, en het totaalbedrag van deze verwervingen de drempel van 11.200 euro overschrijdt tijdens het lopende jaar of het voorgaande jaar

• van andere goederen dan deze bedoeld in het eerste en tweede • hiervoor, wanneer het gaat om belastingplichtigen die enkel door artikel 44 van het Btw-Wetboek vrijgestelde leveringen van goederen of diensten verrichten of die genieten van één van de in de artikelen 56bis en 57 van het Btw-Wetboek voorziene regelingen en zij ervoor gekozen hebben deze handelingen in België aan de btw te onderwerpen

• van andere goederen dan deze bedoeld in het eerste en tweede • hiervoor, wanneer het gaat om belastingplichtigen die genieten van een bijzondere regeling van niet-indiening van periodieke btw-aangiften (andere dan deze die enkel door artikel 44 van het Btw-Wetboek vrijgestelde leveringen van goederen of diensten verrichten en dan deze die genieten van één van de in de artikelen 56bis en 57 van het Btw-Wetboek voorziene regelingen)

Het betreft bijvoorbeeld de schipper die niet meer dan vijf boten exploiteert die overeenkomstig de administratieve aanschrijving nr. 109/1970, aangevuld met de aanschrijvingen nummers 84/1971 en 2/1973 ontslaan is van de verplichting de btw te voldoen die verschuldigd is op het door hem verrichte vervoer. De voldoening wordt toevertrouwd aan degene voor wie het vervoer is verricht of geacht wordt te zijn verricht. Bovendien is bedoelde belastingplichtige gemachtigd om geen periodieke btw-aangiften in te dienen. Bedoelde belastingplichtige kan, zoals iedere gewone belastingplichtige, intracommunautaire handelingen verrichten, mits bepaalde voorwaarden worden nageleefd zoals de indiening, overeenkomstig artikel 53ter van het Btw-Wetboek, van een bijzondere btw-aangifte bij het verrichten van een intracommunautaire verwerving van goederen beoogd in artikel 25ter, § 1, eerste lid, van het Btw-Wetboek waarvoor bedoelde belastingplichtige schuldenaar is van de belasting overeenkomstig artikel 51, § 1, 2°, van het Btw-Wetboek (beslissing nr. E.T. 85.017 van 29.10.1997 en Circulaire 2020/C/50 van 02.04.2020 betreffende het btw-stelsel van het B2B intracommunautair handelsverkeer van goederen, titel 4.2.3.3.).

b. Diensten waarvoor de ontvanger van de diensten schuldenaar is van de belasting

Diezelfde belastingplichtigen zijn eveneens schuldenaar van de btw, wanneer zij diensten ontvangen die geacht worden in België plaats te vinden, overeenkomstig artikel 21, § 2, van het Btw-Wetboek, en die verstrekt worden door belastingplichtigen die niet in België zijn gevestigd (artikel 51, § 2, eerste lid, 1°, van het Btw-Wetboek). Hun verplichtingen ingevolge de wijzigingen op 01.01.2010 betreffende de plaats van de dienst worden beknopt uiteengezet in de beslissing nr. E.T. 117.143/1 van 30.11.2009 (landbouwondernemers die onder de bijzondere regeling voor landbouwondernemingen vallen), beslissing nr. E.T. 117.143/2 van 30.11.2009 (niet-belastingplichtige rechtspersonen met een btw-identificatienummer), beslissing nr. E.T. 117.143/3 van 30.11.2009 (belastingplichtigen die uitsluitend leveringen van goederen of diensten verrichten vrijgesteld door artikel 44 van het Btw-Wetboek waarvoor zij geen recht op aftrek hebben) en beslissing nr. E.T. 117.143/4 van 30.11.2009 (kleine vrijgestelde ondernemingen).

Het gaat om alle diensten verricht door dienstverrichters die gevestigd zijn in een andere lidstaat of in een derde land, met uitzondering van deze diensten die bedoeld zijn in artikel 21, § 3, van het Btw-Wetboek en die zijn de:

• diensten die verband houden met een onroerend goed

• personenvervoerdiensten

• diensten die bestaan in het verlenen van toegang tot culturele, artistieke, sportieve, wetenschappelijke, educatieve, vermakelijkheids- en soortgelijke evenementen, zoals beurzen en tentoonstellingen en met de toegangverlening samenhangende diensten

• restaurant- en cateringdiensten (behalve deze verricht aan boord van een schip, vliegtuig, trein in de Europese Unie)

• verhuur op korte termijn van een vervoermiddel

• restaurant- en cateringdiensten aan boord van een schip, vliegtuig of trein in de Europese Unie

c. Levering van gas via een op het grondgebied van de Gemeenschap gesitueerd aardgassysteem of een op een dergelijk systeem aangesloten net, levering van elektriciteit of levering van warmte of koude via warmte- of koudenetten

Krachtens artikel 51, § 2, eerste lid, 6°, van het Btw-Wetboek, zijn dezelfde belastingplichtigen schuldenaar van de belasting voor de leveringen van gas, elektriciteit, warmte of koude, door een niet in België gevestigde belastingplichtige, wanneer deze handeling hier te lande belastbaar is overeenkomstig artikel 14bis van het Btw-Wetboek.

d. Diensten verstrekt aan een lid van een btw-eenheid in de zin van artikel 4, § 2, van het Btw-Wetboek door een van zijn niet in België gevestigde vestigingen.

De btw-eenheid is schuldenaar van de btw die verschuldigd is op dienstprestaties die haar leden ontvangen van hun buiten België gevestigde vestigingen.

In principe zijn handelingen tussen twee inrichtingen van een belastingplichtige niet onderworpen aan btw, omdat ze aangemerkt worden als een interne handeling van de belastingplichtige (Hof van Justitie van de Europese Unie, Arrest FCE Bank, zaak C-210/04 van 23.03.2006). In het arrest van 17.09.2014 in de zaak C-7/13, Skandia America Corp. (USA), filial Sverige (Hof van Justitie van de Europese Unie, Arrest Skandia America Corp., zaak C-7/13 van 17.09.2014), heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie evenwel voor recht gezegd dat de artikelen 2, lid 1, 9 en 11 van de btw-richtlijn moeten worden uitgelegd dat de diensten die een in een derde land gevestigd hoofdkantoor verricht voor zijn filiaal in een lidstaat, belastbare handelingen vormen indien dat filiaal lid is van een groep personen die voor de belasting over de toegevoegde waarde als één belastingplichtige kunnen worden aangemerkt (beslissing nr. E.T. 127.577 van 03.04.2015).

De btw-eenheid die is onderworpen aan de verplichting tot indiening van de periodieke btw-aangiften op grond van artikel 53, § 1, eerste lid, 2°, van het Btw-Wetboek, voldoet de btw in de voormelde periodieke aangifte.

Evenwel, de btw-eenheid die uitsluitend leveringen van goederen of diensten verricht die krachtens artikel 44 van het Btw-Wetboek zijn vrijgesteld van btw en waarvoor zij geen recht op aftrek heeft, is gehouden deze btw in een bijzondere aangifte te voldoen.

Eén enkele bijzondere btw-aangifte, moet door de vertegenwoordiger van de btw-eenheid worden ingediend onder het identificatienummer dat de btw-eenheid werd toegekend (schriftelijke parlementaire vraag nr. 3-6.898 van mevrouw de Senator Clotilde Nyssens van 30.01.2007).

e. Andere handelingen verstrekt door niet in België gevestigde belastingplichtigen.

De personen gehouden tot het indienen van een bijzondere btw-aangifte zijn eveneens schuldenaar van de belasting voor de aan hen verrichte leveringen van goederen door een niet in België gevestigde leverancier die in een andere lidstaat voor btw-doeleinden geïdentificeerd is, wanneer de voorwaarden van de vereenvoudigingsregeling inzake driehoeksverkeer vervuld zijn.

Overigens moeten de hiervoor bedoelde belastingplichtigen ook de verschuldigde belasting voldoen waarvoor zij hoofdelijk gehouden zijn tot betaling voor de handelingen verricht in België door belastingplichtigen die er niet gevestigd zijn en die geen aansprakelijke vertegenwoordiger hebben laten erkennen of die er niet voor de btw geïdentificeerd zijn (artikel 5 van het koninklijk besluit nr. 31, voornoemd).

Voorbeelden:

• De arts of het ziekenhuis die onderzoekswerk verricht, met inbegrip van klinische proeven, is gehouden een bijzondere btw-aangifte in te dienen zoals bedoeld in artikel 53ter van het Btw-Wetboek wanneer hij intracommunautaire verwervingen van goederen doet, intracommunautaire diensten ontvangt of bedoeld onderzoekswerk verricht voor een in België gevestigde belastingplichtige opdrachtgever die niet gehouden is tot indiening van periodieke btw-aangiften. De arts of het ziekenhuis dient derhalve de btw over de verrichte handelingen te voldoen via de bijzondere btw-aangifte wanneer hij goederen intracommunautair verwerft zoals bedoeld in artikel 25bis van het Btw-Wetboek en hij overeenkomstig artikel 51, § 1, 2°, van voornoemd wetboek schuldenaar is van de belasting, wanneer hij diensten ontvangt van een niet in België gevestigde belastingplichtige, waarbij de diensten (behoudens enkele uitzonderingen bedoeld in artikel 21, § 3, van het Btw-Wetboek) overeenkomstig artikel 21, § 2, van het Btw-Wetboek in België plaatsvinden en hij schuldenaar is van de btw overeenkomstig artikel 51, § 2, 1°, van voornoemd Wetboek en wanneer hij onderzoekswerk verricht voor een in België gevestigde opdrachtgever die niet gehouden is tot indiening van periodieke btw-aangiften en er geen verlegging van heffing mogelijk is (beslissing nr. E.T. 116.111 van 21.02.2011).

• De kleine ondernemingen onderworpen aan de vrijstellingsregeling van belasting beoogd in artikel 56bis van het Btw-Wetboek zijn gehouden om onder andere een bijzondere aangifte in te dienen voor handelingen waarvoor zij btw-schuldenaar zijn omdat er in België een dienst wordt ontvangen van een belastingplichtige die niet in het land gevestigd is (schriftelijke parlementaire vraag nr. 266 van de heer Volksvertegenwoordiger Jef Van den Bergh van 07.03.2013).

• De vrije beroepen, daaronder begrepen advocaten en advocaat-stagiairs, kunnen onder de vrijstellingsregeling voor kleine ondernemingen vallen. De juridische vorm (natuurlijke persoon, vennootschap, vereniging …) is daarbij van geen enkel belang. Omdat vrijgestelde kleine ondernemingen geen btw betalen noch aftrekken, hoeven ze ook geen periodieke btw-aangiften in te dienen. Zij moeten echter wel intracommunautair verwerven als zij de aankoopdrempel van 11.200 euro in het lopende kalenderjaar of in het voorgaande kalenderjaar overschrijden of als zij ervoor opteren hun intracommunautaire verwervingen aan de btw te onderwerpen. Bovendien zijn zij verplicht de btw te voldoen over de aan hen door een niet in België gevestigde dienstverrichter verstrekte diensten onder toepassing van de B2B-hoofdregel. Deze verplichtingen worden nageleefd via de indiening van een bijzondere btw-aangifte (circulaire AAFisc nr. 47/2013 (E.T. 124.411) van 20.11.2013 (bijwerking 01.04.2017).

• Indiening van een bijzondere btw-aangifte (mondelinge parlementaire vraag nr. 2341 van mevrouw de Volksvertegenwoordiger Muriel Gerkens van 02.02.2011).

C. Handelingen waarvoor de niet-belastingplichtige rechtspersonen schuldenaar zijn van de belasting

De niet-belastingplichtige rechtspersonen zijn schuldenaar van de btw voor dezelfde handelingen als de handelingen die in rubriek B hierboven omschreven werden, met uitzondering van die bedoeld onder rubriek B, subrubriek a, vijfde •.

De Staat, de Gemeenschappen en de Gewesten van de Belgische Staat, de provincies, de agglomeraties, de gemeenten en de openbare instellingen zijn eveneens schuldenaar van de btw wanneer zij werken uitvoeren, bedoeld in artikel 19, § 2, eerste lid, 1°, van het Btw-Wetboek (werk in onroerende staat, ander dan herstellings-, onderhouds- en reinigingswerk, uitgevoerd door eigen personeel en niet uitsluitend bestemd voor overheidsinfrastructuur die specifiek wordt gebruikt voor hun taak als overheid) (Circulaire 2019/C/19 van 01.03.2019 betreffende de gelijkstelling van een werk in onroerende staat met een dienst onder bezwarende titel (artikel 19, § 2, van het Btw-Wetboek),titel 4.2.6.).

D. Periode waarop de bijzondere btw-aangifte betrekking heeft

De bijzondere btw-aangifte is een kwartaalaangifte die betrekking heeft op de belastbare handelingen, verricht gedurende een kalenderkwartaal en waarvoor de aangever:

• gehouden is tot de betaling van de belasting

• van een vrijstelling van de belasting geniet

Er moet geen bijzondere btw-aangifte worden ingediend als er geen enkele belastbare handeling of herziening heeft plaatsgevonden gedurende het betrokken kalenderkwartaal (geen nihilaangifte).

De belastingplichtige onderworpen aan de vrijstellingsregeling moet een bijzondere aangifte, bedoeld in artikel 53ter van het Btw-Wetboek, indienen uiterlijk de 20e dag van de maand die volgt op het kalenderkwartaal waarin hij een goed of een dienst heeft ontvangen waarvoor hij schuldenaar is van de btw (circulaire AAFisc nr. 34/2014 (nr. E.T. 123.849) van 25.08.2014).

E. Elektronische indiening van de bijzondere btw-aangifte

De personen die een bijzondere btw-aangifte moeten indienen kunnen deze aangifte langs elektronische weg indienen sedert 01.04.2013.

Om de aangifte via elektronische weg in te dienen moeten zij gebruik maken van de toepassing Intervat die hen door de administratie ter beschikking wordt gesteld op de internetsite van FOD Financiën www.financien.belgium.be.

Praktische informatie kan men eveneens op voormelde site terugvinden (rubriek E-services, Intervat).

F. Indiening van de bijzondere btw-aangifte op papier

De personen gehouden tot het indienen van de bijzondere aangifte kunnen ook gebruik maken van de formulieren die hen door de administratie worden verstrekt.

Dit formulier nr. 629 kunnen de betrokkenen bekomen op het team Beheer waaronder zij ressorteren of downloaden van www.myminfin.be (Formulieren) en afdrukken. Zij moeten dit formulier indienen op voormeld kantoor.

G. Indieningsdatum van de bijzondere btw-aangifte

De bijzondere aangifte moet worden ingediend bij het team Beheer waaronder de belastingplichtige ressorteert, uiterlijk de twintigste dag van de maand die volgt op het kalenderkwartaal waarin de btw opeisbaar is geworden, overeenkomstig:

• het artikel 25sexies van het Btw-Wetboek, voor de intracommunautaire verwervingen van goederen

• de artikelen 22 en 22bis van het Btw-Wetboek, voor de diensten

• de artikelen 16 en 17 van het Btw-Wetboek, voor de leveringen van goederen

In geval van niet-indiening van de aangifte of in geval van laattijdige indiening worden geldboeten opgelegd (schriftelijke parlementaire vraag nr. 442 van mevrouw de Volksvertegenwoordiger Valérie De Bue van 14.06.2013).

H. Inhoud van de bijzondere aangifte

Naast de identificatie van de aangever en het tijdvak waarop de bijzondere aangifte betrekking heeft, moet de aangifte verschillende gegevens vermelden die voortvloeien uit het register dat de belastingplichtige of de niet-belastingplichtige rechtspersoon moet houden overeenkomstig artikel 14, §§ 5 en 6 van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd.

Deze gegevens betreffen inzonderheid:

• het bedrag van de intracommunautaire verwervingen van goederen en gelijkgestelde handelingen (kader II van de aangifte, roosters 71 tot 73)

• het bedrag van de intracommunautaire diensten met verlegging van heffing (kader II van de aangifte, rooster 75)

• het bedrag van de andere handelingen waarvoor de aangever de btw moet voldoen (kader II van de aangifte, rooster 76)

• het bedrag van de ontvangen creditnota’s en de negatieve verbeteringen (kader II van de aangifte, roosters 77 en 78)

• het bedrag van de verschuldigde belasting en de herzieningen (kader III van de aangifte, roosters 80 tot 82)

• het resultaat van het kwartaal (kader IV van de aangifte, roosters 83 en 84)

Het formulier van de in artikel 53ter, 1°, van het Btw-Wetboek bedoelde aangifte wordt ingevuld overeenkomstig de daarin voorkomende aanduidingen, gewaarmerkt, gedagtekend en ondertekend (artikel 53terdecies, § 1, van het Btw-Wetboek).

De door de Federale Overheidsdienst Financiën ter beschikking gestelde elektronische aangifte die werd ingevuld en overgezonden overeenkomstig de daarin voorkomende aanduidingen, wordt gelijkgesteld met een gewaarmerkte, gedagtekende en ondertekende aangifte (artikel 53terdecies, § 2, van het Btw-Wetboek).

Voor nadere informatie, zie koninklijk besluit nr. 1 van 29.12.1992, voornoemd, bijlage III, en btw-bericht, van 29.03.2013 - De bijzondere btw-aangifte: omschrijving van de roosters.

Het invullen van de bijzondere btw-aangifte van publiekrechtelijke lichamen wordt uiteengezet in de circulaire AAFisc nr. 42/2015 (nr. E.T. 125.567) van 10.12.2015 en de circulaire AAFisc nr. 42/2015 (nr. E.T. 125.567) van 10.12.2015-Bijlagen. Er wordt een onderscheid gemaakt naar gelang het lichaam voor zijn volledige activiteit als overheid handelt (niet- belastingplichtig rechtspersoon) dan wel zowel handelt als overheid als handelingen verricht die overeenkomstig artikel 44 van het Btw-Wetboek zijn vrijgesteld of handelt als overheid, als belastingplichtige met recht op aftrek en eventueel ook handelingen verricht die overeenkomstig artikel 44 van het Btw-Wetboek zijn vrijgesteld (gedeeltelijke belastingplichtige).

I. Verplichting tot betaling van de belasting

De verschuldigde belasting voor de bijzondere aangifteperiode moet uiterlijk de 20e van de maand die volgt op deze aangifteperiode worden voldaan (artikel 53ter, 2°, van het Btw-Wetboek en artikel 18, § 1, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd).

Wanneer de 20e een zaterdag, een zondag of een wettelijke feestdag is, wordt de betalingstermijn verlengd tot de eerstvolgende werkdag.

In het kader van de steunmaatregelen rond het coronavirus werd de betalingstermijn voor de bijzondere aangiften 629, met betrekking tot het eerste kwartaal van 2020, verlengd tot 20.06.2020.

In het geval de betaling van de verschuldigde belasting niet plaatsvindt binnen de termijn voorzien voor de indiening van de bijzondere aangifte is de schuldenaar een interest van 0,8% per maand vertraging (elke begonnen maand wordt als een volledige maand geteld), alsmede een fiscale geldboete wegens laattijdige betaling verschuldigd.

4. Andere aangiften en betalingswijzen

A. Bijzondere btw-aangifte inzake de intracommunautaire verwervingen van nieuwe vervoermiddelen

Ieder persoon die op grond van artikel 51, § 1, 2°, van het Btw-Wetboek gehouden is tot voldoening van de belasting verschuldigd ter zake van de in de uitsluiting van artikel 53ter, 1°, van het Btw-Wetboek bedoelde intracommunautaire verwerving van een nieuw vervoermiddel, dient voor deze intracommunautaire verwerving die hij heeft verricht een afzonderlijke bijzondere aangifte in te dienen op een douanekantoor naar zijn keuze (artikel 1 van koninklijk besluit nr. 46 van 29.12.1992 tot regeling van de aangifte van de intracommunautaire verwerving van vervoermiddelen en van de betaling van de ter zake verschuldigde btw).

Bijgevolg moeten de belastingplichtige op wie de in artikel 56bis van het Btw-Wetboek, bepaalde vrijstellingsregeling of de in artikel 57 van het Btw-Wetboek bedoelde landbouwregeling toepasselijk is, de belastingplichtige die uitsluitend leveringen van goederen of diensten verricht waarvoor hij geen recht op aftrek heeft of de niet-belastingplichtige rechtspersoon bedoeld in titel 3, rubriek A, subrubriek a, eerste en tweede •, hiervoor die intracommunautaire verwervingen van nieuwe vervoermiddelen verrichten, terwijl zij gedurende het jaar of het vorige jaar de drempel van 11.200 euro voor hun intracommunautaire verwervingen van goederen andere dan nieuwe vervoermiddelen en accijnsproducten, niet hebben overschreden, of die er niet voor gekozen hebben om deze intracommunautaire verwervingen van goederen in België aan de btw te onderwerpen, een bijzondere aangifte nr. 446 met als titel ‘Bijzondere btw-aangifte inzake de intracommunautaire verwerving van nieuwe vervoermiddelen’ indienen op een douanekantoor, waar de btw zal betaald worden.

Ook iedere andere niet-belastingplichtige (particulier) die een intracommunautaire verwerving van een nieuw vervoermiddel in de zin van artikel 8bis, § 2 van het Btw-Wetboek verricht moet een bijzondere aangifte nr. 446 indienen.

Wanneer de belastingplichtige beoogd in artikel 56bis van het Btw-Wetboek, de belastingplichtigen onderworpen aan de in artikel 57 van het Btw-Wetboek bedoelde landbouwregeling, de belastingplichtige die uitsluitend leveringen van goederen of diensten verricht waarvoor hij geen recht op aftrek heeft of de niet-belastingplichtige rechtspersoon ervoor gekozen hebben om al hun intracommunautaire verwervingen van goederen in België aan de btw te onderwerpen of wanneer het totaalbedrag van hun intracommunautaire verwervingen, voor het lopende kalenderjaar of voor het vorige kalenderjaar, van andere goederen dan nieuwe vervoermiddelen en accijnsproducten de drempel van 11.200 euro overschrijdt, moeten zij hun intracommunautaire verwervingen van nieuwe vervoermiddelen opnemen in de bijzondere btw-aangifte (zie titel 3, rubriek A, hiervoor).

Ieder persoon die gehouden is tot het indienen van de in artikel 53, § 1, eerste lid, 2°, of 53ter, 1°, van het Btw-Wetboek bedoelde aangifte, is verplicht voor de heffing van de belasting verschuldigd ter zake van de intracommunautaire verwerving van een vervoermiddel of van een daarmee gelijkgestelde handeling die hij heeft verricht, de in artikel 1 bedoelde bijzondere aangifte in te dienen op een douanekantoor naar zijn keuze wanneer hij op het tijdstip waarop de belasting opeisbaar wordt geheel of ten dele in gebreke blijft de door de artikelen 53, § 1, eerste lid, 2° en 3°, 53bis, § 1, 53ter of 53quater van het Btw-Wetboek voorgeschreven verplichtingen na te komen (artikel 2 van het koninklijk besluit nr. 46, voornoemd).

Ingevolge dit artikel moet ieder persoon die gehouden is een periodieke of bijzonder btw-aangifte in te dienen maar die zijn aangifteverplichtingen geheel of ten dele niet naleeft, voor de intracommunautaire verwerving van een vervoermiddel (nieuw in de zin van artikel 8bis, § 2 van het Btw-Wetboek of niet nieuw) een bijzondere aangifte nr. 446 indienen op een douanekantoor naar zijn keuze.

De aangifte moet worden ingediend vóór het verstrijken van de maand die volgt op deze waarin het belastbaar feit plaatsvindt (artikel 7, eerste lid, van het koninklijk besluit nr. 46, voornoemd).

Wanneer het vervoermiddel een luchtvaartuig of landvoertuig is waarvoor overeenkomstig de reglementering betreffende de luchtvaart of de inschrijving van motorvoertuigen een inschrijvingsbewijs moet worden aangevraagd, of wanneer het een schip is waarvoor een vlaggenbrief wordt aangevraagd, dient de aangifte nr. 446 bovendien te worden ingediend vóór de indiening van de aanvraag om inschrijving of uitreiking van de vlaggenbrief, doch binnen de in artikel 7, eerste lid, van het koninklijk besluit nr. 46, voornoemd, bedoelde termijn (artikel 7, tweede lid, van het koninklijk besluit nr. 46, voornoemd).

De belasting verschuldigd ter zake van de intracommunautaire verwerving van een vervoermiddel of van een daarmee gelijkgestelde handeling waarvoor een bijzondere aangifte nr. 446 moet worden ingediend, moet worden voldaan vóór het verstrijken van de maand die volgt op deze waarin het belastbaar feit plaatsvindt (artikel 8, eerste lid, van het koninklijk besluit nr. 46, voornoemd).

Wanneer de opeisbaarheid van de belasting blijkt uit de bijzondere aangifte nr. 446 en die aangifte ingediend wordt binnen de in artikel 7, eerste lid, van het koninklijk besluit nr. 46, voornoemd, bedoelde termijn, moet de belasting worden voldaan op het tijdstip waarop die aangifte wordt ingediend. De betaling dient te gebeuren in speciën aan de ontvanger van het douanekantoor waar de bijzondere aangifte nr. 446 werd ingediend of door overschrijving op de postrekening van dit kantoor of op een andere wijze bepaald door of vanwege de minister van Financiën in de door of namens hem te bepalen gevallen (artikel 8, tweede lid, van het koninklijk besluit nr. 46, voornoemd).

De particulier, niet-belastingplichtige natuurlijke persoon, die in België een intracommunautaire verwerving van een nieuw vervoermiddel herkomstig uit een andere lidstaat verricht, heeft de verplichting een bijzondere aangifte, aangifte nr. 446 genaamd, in te dienen op een douanekantoor naar zijn keuze vóór het verstrijken van de maand die volgt op deze waarin het belastbaar feit heeft plaatsgevonden. Teneinde het voertuig op zijn naam in te schrijven, dient hij terzelfder tijd als de aangifte nr. 446 een op zijn naam opgestelde aanvraag om inschrijving voor te leggen op het douanekantoor. De belastingplichtige gehouden tot indiening van periodieke btw-aangiften (maand- of kwartaalaangiften) die schuldenaar van de btw is wegens de intracommunautaire verwerving van een nieuw vervoermiddel, dient zich eveneens aan te bieden op een Belgisch douanekantoor naar zijn keuze. De rol van het douanekantoor bestaat erin na te gaan of de betrokken belastingplichtige zijn verplichtingen inzake btw op regelmatige wijze naleeft. In het geval waarin uit het nazicht verricht door het douanekantoor blijkt dat deze belastingplichtige verwerver bepaalde van zijn verplichtingen inzake btw geheel of gedeeltelijk niet naleeft (bijvoorbeeld afwezigheid van indienen van periodieke aangiften, afwezigheid van betaling van de verschuldigde btw opgenomen in de btw-aangiften, niet indiening van de klantenlisting), werd er in een bijzondere procedure voorzien (artikel 2 van het koninklijk besluit nr. 46, voornoemd). Volgens deze bepalingen, aanvaardt het douanekantoor de zending van een elektronisch signaal e-705 slechts op voorwaarde van indiening van een aangifte nr. 446. De regeling zoals hiervóór uiteengezet voor de particulieren niet-belastingplichtigen is aldus van toepassing (schriftelijke parlementaire vraag nr. 648 van de heer Senator Olivier de Clippele van 15.05.2000).

B. De aangifte ten verbruik op het stuk van de accijns

De intracommunautaire verwerving van accijnsproducten, in de zin van de richtlijn 2008/118/EG, door een belastingplichtige-indiener of een belastingplichtige op wie de in artikel 56bis van het Btw-Wetboek bepaalde vrijstellingsregeling of de in artikel 57 van het Btw-Wetboek bedoelde landbouwregeling toepasselijk is, een belastingplichtige die uitsluitend leveringen van goederen of diensten verricht waarvoor hij geen recht op aftrek heeft of een niet-belastingplichtige rechtspersoon, is, ongeacht of hij de intracommunautaire verwervingsdrempel al dan niet heeft overschreden, in België steeds aan de btw onderworpen.

Wanneer een belastingplichtige op wie de in artikel 56bis van het Btw-Wetboek, bepaalde vrijstellingsregeling of de in artikel 57 van het Btw-Wetboek bedoelde landbouwregeling toepasselijk is, een belastingplichtige die uitsluitend leveringen van goederen of diensten verricht waarvoor hij geen recht op aftrek heeft of een niet-belastingplichtige rechtspersoon intracommunautaire verwervingen van accijnsproducten verricht en er niet voor gekozen heeft om al zijn intracommunautaire verwervingen van goederen in België aan de btw te onderwerpen of wanneer het totaalbedrag van zijn intracommunautaire verwervingen, voor het lopende kalenderjaar of voor het vorige kalenderjaar, van andere goederen dan nieuwe vervoermiddelen en accijnsproducten de drempel van 11.200 euro niet overschrijdt, moet hij de aangifte ten verbruik op het stuk van de accijns indienen op het bevoegde kantoor der accijnzen waar de btw moet worden voldaan. Deze aangifte geldt als aangifte voor de betaling van de belasting over de toegevoegde waarde (artikel 5 van het koninklijk besluit nr. 51 van 14.04.1993 met betrekking tot de vereenvoudigingsregeling voor intracommunautaire verwerving van accijnsproducten op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde en aanschrijving nr. 8/1998 van 08.10.1998, randnummers 85 tot 90).

Wanneer deze belastingplichtigen en niet-belastingplichtige rechtspersonen ervoor gekozen hebben om al hun intracommunautaire verwervingen van goederen in België aan de btw te onderwerpen of wanneer het totaalbedrag van hun intracommunautaire verwervingen, voor het lopende kalenderjaar of voor het vorige kalenderjaar, van andere goederen dan nieuwe vervoermiddelen en accijnsproducten de drempel van 11.200 euro overschrijdt moeten zij hun intracommunautaire verwervingen van accijnsproducten opnemen in de bijzondere btw-aangifte (zie titel 3, rubriek A, hiervoor).

C. De aangifte van de toevallige vervreemding van een gebouw of gedeelte van een gebouw en het bijhorend terrein, de vestiging, de overdracht of de wederoverdracht van een zakelijk recht op een dergelijk goed (koninklijk besluit nr. 14 met betrekking tot de vervreemdingen van gebouwen, gedeelten van gebouwen en het bijhorende terrein en de vestigingen, overdrachten en wederoverdrachten van een zakelijk recht in de zin van artikel 9, tweede lid, 2°, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde op zulke goederen)

Deze aangifte kan worden ingediend door twee groepen personen indien zij binnen de gestelde termijn opteren voor het belasten met btw van de toevallige handeling:

• De persoon die binnen het kader van een andere economische activiteit dan die van beroepsoprichter toevallig een nieuw gebouw of gedeelte van een gebouw en het bijhorend terrein vervreemdt, een zakelijk recht in de zin van artikel 9, tweede lid, 2°, van het Btw-Wetboek op een dergelijk goed vestigt, overdraagt of wederoverdraagt en die binnen de gestelde termijn, voor het belasten met btw van die toevallige handeling geopteerd heeft, moet voor die handeling een afzonderlijke aangifte indienen. De over die handeling verschuldigde btw mag bijgevolg niet worden opgenomen in de periodieke btw-aangifte die hij in voorkomend geval, moet indienen wegens de uitoefening van zijn geregelde economische activiteit.

• De persoon die, anders dan in de uitoefening van een economische activiteit, een nieuw gebouw of een gedeelte van een gebouw en het bijhorend terrein dat hij heeft opgericht, laten oprichten of met voldoening van de btw heeft verkregen, binnen de gestelde termijn, onder bezwarende titel, met toepassing van die belasting overdraagt of met een zakelijk recht bedoeld in artikel 9, tweede lid, 2°, van het Btw-Wetboek bezwaart of het met toepassing van de btw te zijnen bate gevestigde of aan hem overgedragen zakelijk recht binnen dezelfde termijn onder bezwarende titel met toepassing van die belasting overdraagt of wederoverdraagt.

Een gebouw wordt, voor de toepassing van de btw, in de regel als nieuw aangemerkt tot 31 december van het tweede jaar volgend op het jaar van de eerste ingebruikneming of de eerste inbezitneming (artikel 44, § 3, 1°, van het Btw-Wetboek). Bovengenoemde overeenkomsten moeten dus vóór het verstrijken van die termijn gesloten zijn.

De belastingplichtige moet vooraleer de overeenkomst met betrekking tot die handeling wordt gesloten, bij het team Beheer waaronder hij ressorteert, een verklaring in tweevoud indienen waarin hij zijn bedoeling uitdrukt om deze handeling te verrichten met voldoening van de btw, middels het formulier nr. 104.1. Hij moet ook zijn medecontractant op de hoogte brengen van zijn bedoeling in de eerste akte die tussen hen titel vormt van deze handeling.

Die aangifte gebeurt middels het formulier nr. 104.5 en moet in drievoud worden ingediend bij het btw-controlekantoor (controlecentrum) waaronder de vervreemder ressorteert. Een exemplaar van de aangifte zal hem worden teruggegeven voorzien van een ontvangstmelding en met vermelding van de postrekening waarop de opeisbare btw moet worden gestort.

De aangifte moet worden ingediend binnen een maand te rekenen vanaf het tijdstip dat de belasting opeisbaar is geworden over de volledige maatstaf van heffing. Vóór die tijd moet geen aangifte worden ingediend, ook niet als krachtens artikel 17, § 1, van het Btw-Wetboek reeds btw opeisbaar is geworden over een deel van de prijs van de levering met betrekking tot het gebouw of gedeelte van het gebouw en het bijhorend terrein (bijvoorbeeld omdat de koper vóór het belastbaar feit van de levering een afbetaling heeft gedaan).

De btw waarvan de verschuldigdheid blijkt uit de in te dienen bijzondere aangifte moet worden voldaan binnen de termijn die voor de indiening van de aangifte is gesteld.

In beginsel moet per levering van een gebouw of gedeelte van een gebouw en het bijhorend terrein per vestiging, overdracht of wederoverdracht van een zakelijk recht op een dergelijk goed één aangifte worden ingediend. Niets belet echter dat de belastingplichtige die de optie heeft uitgeoefend om voornoemde handelingen aan de belasting te onderwerpen, in éénzelfde aangifte verscheidene leveringen zou begrijpen op voorwaarde dat deze aangifte voor alle desbetreffende belastbare handelingen tijdig is ingediend.

D. De verzamelaangifte curator

Wanneer de belastingplichtige failliet wordt verklaard, wordt de curator in het kader van de vereffening in de plaats gesteld van de belastingplichtige ten aanzien van alle rechten die zijn verleend en alle verplichtingen die zijn opgelegd aan de laatstgenoemde door het Btw-Wetboek en de ter uitvoering ervan genomen besluiten (artikel 53undecies van het Btw-Wetboek).

Uitgezonderd in de gevallen bedoeld in artikel XX.140 van het Wetboek van economisch recht mag de curator, in geval van faillissement van een belastingplichtige, voor alle handelingen die hij sinds de dag van het vonnis van de faillietverklaring heeft verricht, zich beperken tot het indienen van een verzamelaangifte. De verzamelaangifte wordt jaarlijks ingediend ten laatste op 28 februari van het kalenderjaar volgend op dat waarop ze betrekking heeft (zie artikel 18, § 8, eerste lid, van het koninklijk besluit nr. 1 van 29.12.1992, voornoemd).

De verzamelaangifte moet in principe elektronisch worden ingediend, via Intervat (de indiening op papier bij het bevoegde team Beheer waaronder de gefailleerde ressorteert is alleen nog mogelijk indien de curator niet over de nodige geïnformatiseerde middelen beschikt om aan deze verplichting te voldoen, of bij technische problemen).

De curator voldoet de verschuldigde belasting ten laatste op 30 april van het kalenderjaar volgend op dat waarop de aangifte betrekking heeft (zie artikel 18, § 8, tweede lid, van het koninklijk besluit nr. 1 van 29.12.1992).

De curator dient bij de sluiting van het faillissement de verzamelaangifte in ten laatste op de laatste dag van de tweede maand die volgt op de datum van het vonnis van faillietverklaring.

De curator voldoet de verschuldigde belasting ten laatste binnen de drie maanden volgend op het verstrijken van de termijn voor de indiening van deze aangifte (zie artikel 18, § 8, derde en vierde lid, van het koninklijk besluit nr. 1 van 29.12.1992).

De curator is tevens gehouden om binnen een maand na de sluiting van het faillissement bij het team Beheer waaronder de gefailleerde ressorteert een aangifte van stopzetting van werkzaamheid in te dienen. Om de indiening van meerdere nihil-verzamelaangiften te voorkomen, aanvaardt de administratie dat de genoemde aangifte van stopzetting van werkzaamheid reeds wordt ingediend op het tijdstip waarop vaststaat dat de failliete massa geen handelingen meer kan verrichten waarvoor zij schuldenares van de btw tegenover de Staat kan worden. In het geval deze administratieve tolerantie wordt toegepast, moet de laatste verzamelaangifte worden ingediend binnen de maand na indiening van de aangifte van stopzetting van werkzaamheid (schriftelijke parlementaire vraag nr. 446 van de heer Volksvertegenwoordiger Borginon van 05.09.2000).

E. De aangifte MOSS

Belastingplichtigen die telecommunicatiediensten, radio- en televisieomroepdiensten en langs elektronische weg verrichte diensten verrichten voor een niet belastingplichtige ontvanger van diensten en zich in principe voor de btw moeten laten identificeren in alle lidstaten waar die diensten plaatsvinden (waar de ontvanger van die diensten is gevestigd) en waar zij nog niet zijn gevestigd of geïdentificeerd (geen zetel of vaste inrichting), mogen (van 01.01.2015 tot 30.06.2021) deze verplichting vervullen via het Mini Enig Loket inzake btw (Mini One Stop Shop (MOSS)) door zich te registreren in één enkele lidstaat van identificatie. De indiening van de aangifte MOSS gebeurt per kwartaal. De bijzondere regeling voor deze diensten is opgenomen in artikel 58ter (diensten verricht door niet in de Europese Unie gevestigde belastingplichtigen) en 58quater (diensten verricht door in de Europese Unie doch niet in de lidstaat van verbruik gevestigde belastingplichtigen) van het Btw-Wetboek. Zoals bij de registratie, kan die indiening alleen volledig geautomatiseerd gebeuren via het portaal Intervat, module MOSS. De aangifte MOSS moet uiterlijk de 20e dag van de maand volgend op het betreffende kwartaal worden ingediend. Een aangifte is verplicht zelfs al werd er tijdens het kwartaal geen enkele handeling verricht. De aangifte MOSS vermeldt het behaalde omzetcijfer en de verschuldigde btw per betrokken lidstaat (beslissing nr. E.T. 126.947 van 22.12.2014).

F. De OSS-aangiften

Vanaf 01.07.2021 werd de regeling MOSS grondig gewijzigd.

De belangrijkste wijzigingen die aan de btw-regeling werden aangebracht kunnen als volgt worden samengevat :

• de uitbreiding van het toepassingsgebied van de twee bestaande vereenvoudigingsregelingen ('EU-regeling' en 'niet-EU-regeling') binnen de MOSS ('Mini-One-stop-shop') die voortaan globaal de intracommunautaire afstandsverkopen van goederen en alle aan particulieren verrichte diensten door communautaire marktdeelnemers ('EU-regeling') zal omvatten alsook alle aan particulieren verrichte diensten door marktdeelnemers van buiten de gemeenschap ('niet-EU-regeling');

• de invoering van een volledig nieuw onderdeel binnen het MOSS-systeem waarbij de btw verschuldigd op de verkopen op afstand van goederen afkomstig uit derde landen of derdelandsgebieden op een vereenvoudigde manier kan worden aangegeven en betaald ('invoerregeling').

Ingevolge de aanzienlijke uitbreiding van het toepassingsgebied van MOSS, wordt het systeem voortaan OSS ('one stop shop') genoemd.

Voor een gedetailleerde omschrijving van die regelingen wordt verwezen naar hoofdstuk 16, Afdeling 10, titels 2, 3 en 4.

G. De specifieke btw-aangifte manifestaties, beurzen en merchandising

De niet in België gevestigde organisatoren van schouwspelen, manifestaties en beurzen, de niet in België gevestigde deelnemers aan schouwspelen, manifestaties en beurzen en de niet in België gevestigde tussenpersonen gespecialiseerd in merchandising op dergelijke evenementen kunnen onder de voorwaarden bedoeld in de beslissing nr. E.T. 116.547 van 09.06.2009 de bijzondere regeling ‘manifestaties, beurzen en merchandising’ genieten. Deze regeling voorziet een afwijking op de na te leven formaliteiten op het stuk van de btw en houdt onder andere in dat er, in de plaats van de periodieke btw-aangifte, naar gelang de omzet, jaarlijks of semestrieel, een specifieke aangifte moet worden ingediend. Deze ‘Specifieke btw-aangifte MANIFESTATIES, BEURZEN en MERCHANDISING’ (formulier 631) moet bij het KMO-Centrum Specifieke Materies worden ingediend. In het geval er geen handelingen verricht zijn in de betrokken periode dient een nihilaangifte ingediend te worden (beslissing nr. E.T. 116.547 van 09.06.2009, bijlage 1, aangifte en bijlage 2, bijlage bij de aangifte).

H. De specifieke btw-aangifte inzake bezoldigd personenvervoer

De niet in België gevestigde belastingplichtigen die hier te lande bezoldigd personenvervoer over de weg verrichten kunnen onder de voorwaarden bedoeld in de beslissing nr. E.T. 122.611 van 20.02.2014 de bijzondere regeling genieten. Deze regeling voorziet een afwijking op de na te leven formaliteiten op het stuk van de btw en houdt onder andere in dat er, in de plaats van de periodieke btw-aangifte, naar gelang het door de vervoerder te betalen bedrag van de belasting, per kwartaal of jaarlijks, een ‘Specifieke btw-aangifte inzake bezoldigd personenvervoer’ moet worden ingediend. De specifieke btw-aangifte inzake bezoldigd personenvervoer (formulier nr. 799) moet ingediend worden bij het KMO Centrum Specifieke Materies. Wanneer in de loop van een kwartaal of een kalenderjaar, naargelang het geval, geen enkele inkomende noch uitgaande handeling verricht wordt, moet de vervoerder een nihilaangifte indienen (beslissing nr. E.T. 122.611 van 20.02.2014, beslissing nr. E.T. 122.611 van 20.02.2014 – Bijlage: aangifte, Btw-brochure - Toelichting voor het invullen van de specifieke Btw-aangifte inzake bezoldigd personenvervoer - 2014).

I. Verklaring nr. 110/1 met betrekking tot de toepassing van het verlaagd btw-tarief van 12 % op bepaalde handelingen met betrekking tot privéwoningen en woningcomplexen die bestemd zijn voor de huisvesting in het kader van het sociaal beleid – Privé-initiatief

Vanaf 01.01.2017 kunnen privé-investeerders (een verwerver, bouwheer of leasingnemer), indien zij voldoen aan bepaalde voorwaarden, het btw-tarief van 12 % toepassen op:

• leveringen van en vestigingen, overdrachten en wederoverdrachten van zakelijk rechten

• werken in onroerende staat

• onroerende financieringshuur of onroerende leasing en de onroerende verhuur bedoeld in artikel 44, § 3, 2°, d), van het Btw-Wetboek

met betrekking tot privéwoningen en woningcomplexen bedoeld in artikel 1, § 9, van het Btw-Wetboek die worden verhuurd aan een in rubriek XI, § 1 van tabel B van de bijlage bij het koninklijk besluit nr. 20 genoemde hoofdhuurder (ook sociale actor genoemd, het betreft publiekrechtelijke of privaatrechtelijke rechtspersonen die deze goederen bestemmen om te verhuren in het kader van het sociaal beleid).

Dit tarief kan eveneens worden toegepast op de hierboven vermelde handelingen met betrekking tot de genoemde privéwoningen en woningcomplexen bestemd voor huisvesting in het kader van het sociaal beleid, die worden verhuurd in het kader van een beheersmandaat toegekend aan een beheerder (ook beheersmandataris genoemd, dit is de in rubriek XI, § 1, van tabel B van de bijlage bij het koninklijk besluit nr. 20 bedoelde publiekrechtelijke of privaatrechtelijke rechtspersonen).

Om het verlaagd tarief in het kader van het privé-initiatief te kunnen genieten moet de privé-investeerder onder meer een verklaring nr. 110/1 indienen bij het voor zijn woonplaats of maatschappelijke zetel bevoegd team Beheer van de Administratie KMO, GO of het PCE.

Deze verklaring moet worden ingediend vooraleer de btw opeisbaar wordt overeenkomstig de artikelen 17 en 22bis van het Btw-Wetboek.

Teneinde het verlaagd tarief te behouden moeten de privéwoningen of woningcomplexen voor minstens 15 jaar worden verhuurd in het kader van het sociaal beleid.

Indien zich in de loop van deze termijn wijzigingen voordoen waardoor de voorwaarden voor de toepassing van het verlaagd tarief niet meer vervuld zijn, dient de privé-investeerder enerzijds en de hoofdhuurder of beheerder anderzijds het voor hem bevoegd team Beheer van de Administratie KMO, GO of het Polyvalent Centrum Eupen (PCE) van deze wijziging in kennis te stellen. De privé-investeerder dient het belastingvoordeel dat hij heeft genoten terug te storten aan de staat voor het jaar waarin de wijziging zich voordoet en voor de nog te lopen jaren tot beloop van een vijftiende per jaar.

De voorwaarden voor de toepassing van het verlaagd tarief van 12 % waarvoor de verklaring nr. 110/1 kan worden ingediend zijn opgenomen in het koninklijk besluit nr. 20 van 20.07.1970 tot vaststelling van de tarieven van de belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling van de goederen en de diensten bij die tarieven, Bijlage, Tabel B, rubriek XI.

[Top]

Afdeling 7. - Boekhouding

1. Algemeen

Het systeem van de btw is essentieel gebaseerd op de boekhouding. Het berekenen van de verschuldigde belasting voor elke aangifte-periode, het bepalen van het bedrag van de aftrekbare btw, het verzamelen van de verschillende gegevens voor het opmaken van de periodieke btw-aangiften, van de jaarlijkse opgave van afnemers-belastingplichtigen en van de opgave van de intracommunautaire handelingen; genoemde verplichtingen vereisen dat de belastingplichtige het administratief beheer van zijn onderneming op een aangepaste wijze organiseert.

Bovendien moet de administratie kunnen nagaan of de inschrijvingen in de boekhouding waarachtig zijn en of ze correct zijn overgenomen in de aangiften.

Om bovengenoemde redenen leggen de artikelen 14 tot 16 van het koninklijk besluit nr. 1, van 29.12.1992 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde, diverse boekhoudkundige verplichtingen op aan de belastingplichtigen, met uitzondering van diegenen die uitsluitend handelingen verrichten als bedoeld in artikel 8bis van het Btw-Wetboek (intracommunautaire levering van nieuwe vervoermiddelen).

Elke btw-belastingplichtige is vrij zijn boekhouding te organiseren zoals hij wil, op voorwaarde dat ze voldoet aan de eisen van de fiscale wetgeving. (Arrest van het Hof van beroep te Gent nr. 2015/AR/736, van 27.09.2016) (Arrest van het Hof van beroep te Gent nr. 2015/AR/1430, van 31.05.2016) (Arresten van het hof van beroep te Brussel nr. 2006/AR/2868-3498, van 10.07.2015) Van deze algemene regel wordt enkel afgeweken voor de btw-belastingplichtigen onderworpen aan de forfaitaire regeling. Laatstgenoemden zijn immers verplicht hun boek voor inkomende facturen te houden op de door de administratie bepaalde wijze.

De btw-belastingplichtigen moeten een aan de omvang van hun activiteiten aangepaste boekhouding voeren om de btw te kunnen toepassen en controleren. Te dien einde moet de boekhouding minstens de volgende boeken omvatten: een boek voor inkomende facturen, een boek voor uitgaande facturen, een dagboek van ontvangsten per bedrijfszetel en in voorkomend geval, een centralisatieboek (artikel 14, § 2 van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd).

Bovendien legt artikel 14, § 4 van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd, bijzondere regels op voor de kleine ondernemingen die de vrijstellingsregeling toepassen. Anderzijds worden in de §§ 5 en 6 van dit artikel bijzondere verplichtingen opgelegd aan bepaalde belastingplichtigen en aan niet-belastingplichtige rechtspersonen in het geval zij schuldenaar zijn van de belasting.

Er wordt opgemerkt dat de belastingplichtigen onderworpen aan de bijzondere regeling van de landbouwondernemingen een zeer beperkte boekhouding voeren ten aanzien van die handelingen waarvoor zij aan die regeling onderworpen zijn.

Bij de organisatie van zijn boekhouding mag de belastingplichtige die eraan onderworpen is, de wettelijke bepalingen en reglementeringen inzake de boekhouding, opgenomen in Boek III van het Wetboek van Economisch Recht en in de besluiten genomen ter uitvoering van deze wet. Boek III van het Wetboek van Economisch Recht dat van kracht is geworden op 09.05.2014 vervangt de Wet van 17.07.1975 met betrekking tot de boekhouding en de jaarrekeningen van de ondernemingen die werd opgeheven door de wet van 02.04.2014 (BS van 28.04.2014).

Tenslotte vermelden we dat een boekhouding als voldoende kan beschouwd worden op fiscaal vlak, zelfs als ze niet strikt voldoet aan de wensen van de boekhouder en aan de eisen van de boekhoudtechniek. Een boekhouding kan aanvaard worden als de boekingen gestaafd zijn met bewijsstukken en als het geheel kan beschouwd worden als voldoende controleerbaar, oprecht en correct voor de toepassing van de btw. Bijgevolg zal de administratie geen boekhouding verwerpen die enkel vormgebreken vertoont die geen invloed hebben op het bepalen van de juiste omzet van de belastingplichtige (bijvoorbeeld indien de formaliteiten van parafering en van visum niet vervuld zijn). (Hof van Justitie van de Europese Unie, Arrest Maks Pen EOOD tegen Direktor na Direktsia ‘Obzhalvane i danachno-osiquritelna praktika’, zaak C-18/13, van 13.02.2014, punten 10, 40 en 48) (Hof van Justitie van de Europese Unie, Arrest ET ‘Maya Marinova’ tegen Direktor na Direktsia ‘Obzhalvane i danachno-osiquritelna praktika’ Veliko Tarnovo pri Tsentralno upravlenie na Natsionalnata agentsia za prihodite, zaak C-576/15, van 05.10.2016).

2. De btw-boekhouding van de belastingplichtigen, uitgezonderd degenen bedoeld in de artikelen 44, 56bis en 57 van het Btw-Wetboek

Krachtens artikel 14, § 1, van koninklijk besluit nr. 1, voornoemd, moeten de belastingplichtigen en de leden van een btw-eenheid in de zin van artikel 4, § 2, van het Btw-Wetboek, een aan de omvang van hun activiteiten aangepaste boekhouding voeren om de btw te kunnen toepassen en deze te kunnen controleren. Dit veronderstelt, enerzijds, dat de inschrijvingen in de boeken de bedragen vermelden welke in de periodieke btw-aangiften moeten worden opgenomen, en anderzijds, dat alle inschrijvingen gestaafd worden door rechtvaardigingsstukken.

De boekhouding van de belastingplichtigen moet minstens bevatten:

• een boek voor inkomende facturen

• een boek voor uitgaande facturen

• een dagboek van ontvangsten per bedrijfszetel (voor de handelingen verricht met natuurlijke personen waarvoor zij niet gehouden zijn een factuur uit te reiken en waarvoor zij ook geen factuur hebben uitgereikt) en, in voorkomend geval, een centralisatieboek

Bovendien schrijft artikel 11, § 5 van het koninklijk besluit nr. 3 van 10.12.1969, met betrekking tot de aftrekregeling voor de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde, het houden van een tabel van de bedrijfsmiddelen voor, terwijl artikel 5 van het koninklijk besluit nr. 23 van 09.12.2009, met betrekking tot de jaarlijkse lijst van de btw-belastingplichtige afnemers, en artikel 8 van het koninklijk besluit nr. 50 van 09.12.2009, met betrekking tot de btw-opgave van de intracommunautaire handelingen, het houden van klantenrekeningen voorschrijven. Overigens legt artikel 4, § 1, van het koninklijk besluit nr. 4 van 29.12.1969, met betrekking tot de teruggaven inzake belasting over de toegevoegde waarde, het bijhouden van een teruggaafregister op.

Behoudens de hiervoor bedoelde boeken en registers wordt de belastingplichtige verplicht andere boeken of registers te houden ingevolge de btw-wetgeving.

Het betreft:

• het register voor materiële werken of expertises met betrekking tot andere goederen dan uit hun aard onroerende goederen (zie nr. 9)

• het register van de niet-overbrengingen (zie nr. 11)

• het btw-register van de motorvoertuigen (zie nr. 10)

Overigens moeten de niet-belastingplichtige rechtspersonen en de belastingplichtigen gehouden tot het indienen van de bijzondere aangifte en die schuldenaar zijn van de belasting voor hun intracommunautaire verwervingen van goederen, andere dan nieuwe vervoermiddelen en accijnsproducten, een boekhouding voeren die hen toelaat de overschrijding van de drempel van 11.200 euro voor dergelijke verwervingen na te gaan (zie nr. 15).

Bovendien moeten de belastingplichtigen die handelingen van verkoop verrichten in het kader van de regeling van verkopen op afstand, krachtens artikel 16, § 1, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd, een boekhouding houden die op zodanige wijze is georganiseerd dat de administratie een controle kan uitoefenen op het bedrag van de met betrekking tot deze materie gestelde drempel.

De boeken waarvan hierboven sprake moeten geen afzonderlijke documenten zijn die uitsluitend voor btw-doeleinden dienen. Ze mogen worden opgenomen in het geheel van de boekhouding waar men ze onder diverse benamingen kan terugvinden: inkoopboek of inkoopjournaal, verkoopboek of verkoopjournaal, dagboek van de financiële bewerkingen, enzovoort. Kortom, de btw-verplichtingen en boekhoudverplichtingen mogen worden gecombineerd, op voorwaarde dat ze de controle op de juiste heffing van de belasting mogelijk maken.

In dit verband moet er opgemerkt worden dat krachtens artikel III.85 van het Wetboek van Economisch Recht (oude artikel 5 van de wet van 17.07.1975 met betrekking tot de boekhouding van ondernemingen) de kleine ondernemingen ten minste de volgende drie dagboeken moeten bijhouden: een aankoopboek, een verkoopboek en een thesaurieboek.

Als men deze verplichting vergelijkt met deze die voortvloeit uit de btw-reglementering stelt men vast dat het aankoopboek en het verkoopboek respectievelijk overeenstemmen met het boek voor inkomende en uitgaande facturen, onder dit voorbehoud dat in de marge van deze inschrijvingen het bedrag, de wijze en de datum van betaling moeten worden aangetekend. Het thesaurieboek van zijn kant verschilt duidelijk van het dagboek van ontvangsten aangezien het niet alleen de leveringen en diensten verricht met particulieren zonder uitreiking van een factuur omvat, maar ook alle ontvangsten, zonder uitzondering en bovendien alle uitgaven, de onttrekkingen van fondsen andere dan voor de behoeften van de onderneming, alsook de dagelijkse saldi in contanten.

De boeken die deel uitmaken van de boekhouding vormen, ieder naargelang zijn oogmerk, een doorlopende reeks; uiterlijk op het tijdstip van gebruik worden zij geïdentificeerd door de precisering van dit oogmerk, hun plaats in deze reeks, de naam of de maatschappelijke benaming van de belastingplichtige, van het lid van de btw-eenheid in de zin van artikel 4, § 2, van het Btw-Wetboek of van de niet-belastingplichtige rechtspersoon en zijn in artikel 50 van het Btw-Wetboek bedoelde btw-identificatienummer (artikel 15, § 1, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd).

De belastingplichtigen mogen tegelijk verscheidene factuurboeken houden, zowel inkomende als uitgaande (bijvoorbeeld per exploitatiezetel, per afdeling…). Ze moeten echter op ieder ogenblik een inventaris houden van de factuurboeken die in gebruik zijn met vermelding van de aan elk ervan voorbehouden bestemming. Bovendien moeten ze voor ieder aangiftetijdvak een samenvattende tabel opmaken die, per rooster of per rubriek van de aangifte, de bedragen vermeldt die voortkomen uit de onderscheiden factuurboeken.

De factuurboeken mogen onder de navolgende voorwaarden op losse bladen worden gehouden:

• De bladen moeten, uiterlijk op het ogenblik waarop ze gebruikt worden, genummerd worden volgens een ononderbroken reeks (minimum voor een jaar).

• De bladen moeten steeds bewaard worden in volgorde van de nummers.

• De facturen en andere stukken worden ingeschreven volgens een ononderbroken reeks nummers (minimum voor een jaar).

• De ingeschreven bedragen worden, hetzij per jaar, hetzij per aangiftetijdvak, getotaliseerd. Blad per blad wordt een totaal gemaakt dat wordt overgemaakt naar de volgende bladzijde.

• Wanneer een gedeelte van een blad ongebruikt blijft om technische redenen, moet dat gedeelte door middel van een streep onbruikbaar worden gemaakt.

Het dagboek van ontvangsten en het centralisatieboek mogen niet op losse bladen worden gehouden (artikel 15, § 1, tweede lid, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd).

De inschrijvingen met betrekking tot de boekhouding moeten gesteund zijn op verantwoordingsstukken die gedateerd zijn en waarvan, naargelang het geval, een origineel exemplaar of een dubbel dient te worden bewaard (artikel 15, § 2, eerste lid, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd).

De inschrijvingen in de factuurboeken moeten zonder uitstel, in volgorde van de data en zonder enig wit vlak noch leemte worden verricht en in geval van verbetering moet de oorspronkelijke inschrijving leesbaar blijven. Bovendien worden de totalen van elk blad bovenaan op het volgend blad overgedragen. (artikel 15, § 2, tweede lid, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd).

Dit dagboek van ontvangsten kan op elektronische wijze worden gehouden overeenkomstig artikel 14, § 2, tweede lid, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd.

3. Boek voor inkomende facturen

A. In te schrijven stukken

De belastingplichtige of het lid van een btw-eenheid in de zin van artikel 4, § 2, van het Btw-Wetboek, moet een boek voor inkomende facturen houden waarin hij de navolgende facturen en stukken inschrijft:

• de facturen en de als zodanig geldende stukken (bijvoorbeeld de kwitanties), evenals de creditnota's die aan hem zijn uitgereikt met betrekking tot zijn economische activiteit

• de stukken betreffende invoer van goederen met betrekking tot de economische activiteit van de btw-belastingplichtige, in voorkomend geval met verwijzing naar de overeenkomstige inkoopfacturen

• de stukken met betrekking tot de overdracht van een algemeenheid van goederen of van een bedrijfsafdeling, alsook de diensten die ingevolge een dergelijke overdracht zijn verricht (artikelen 11 en 18, § 3, van het Btw-Wetboek, en artikel 11, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd)

• de stukken die de belastingplichtige of het lid van een btw-eenheid in de zin van artikel 4, § 2, van het Btw-Wetboek, moet opstellen om volgende handelingen te staven:

o een ingebruikneming van goederen gelijkgesteld met een levering van goederen (artikel 12, § 1, 3° en 4°, van het Btw-Wetboek, en artikel 3, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd)

o de uitvoering van een werk in onroerende staat voor de doeleinden van zijn economische activiteit, ingeval dergelijk werk wordt verricht door een andere belastingplichtige, hij geen volledig recht op aftrek van de belasting zou hebben (artikel 19, § 2, 1° en § 3, van het Btw-Wetboek en artikel 3, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd)

o een dienst, verstrekt aan een lid van een btw-eenheid door een van zijn vestigingen buiten België

o een intracommunautaire verwerving, een levering van goederen of een dienstprestatie, waarvoor hij nog geen factuur in zijn bezit heeft, uiterlijk de vijftiende dag van de maand na die waarin de belasting opeisbaar wordt en waarvoor hij schuldenaar van de belasting is (artikel 9, § 1, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd)

o een levering van goederen of een dienstverrichting bestemd voor zijn economische activiteit die hem wordt verstrekt door een niet-belastingplichtige of door een belastingplichtige die uitsluitend door artikel 44 van het Btw-Wetboek vrijgestelde handelingen verricht, waarvoor hij geen recht op aftrek heeft (artikel 10, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd)

• de factuur die, onder bepaalde voorwaarden, mag worden opgesteld door de medecontractant, voor de leveringen van goederen en diensten die hem zijn verschaft (artikel 53, § 2, tweede lid, van het Btw-Wetboek)

• het interne stuk, bedoeld in artikel 53, § 3, van het Btw-Wetboek, dat de tussen twee leden van eenzelfde btw-eenheid gerealiseerde handelingen vaststelt

Bovendien spreekt het vanzelf dat een factuur die zowel op privébehoeften als op beroepsbehoeften betrekking heeft, als dusdanig in haar geheel wordt ingeschreven, met dien verstande dat het privégedeelte in een aparte kolom wordt vermeld.

B. Vermeldingen die het boek voor inkomende facturen moet bevatten

Artikel 15, § 3, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd, somt de vermeldingen op die het boek voor inkomende facturen verplicht moet bevatten:

• het volgnummer toegekend aan de factuur of aan het inkomend stuk

• de datum van de factuur of van het stuk

• de naam of de maatschappelijke benaming van de leverancier of de dienstverrichter

• per factuur of per stuk en, indien nodig per tarief, de maatstaf van heffing en het bedrag van de overeenkomstige belasting

• de prijs van de handeling wanneer deze niet belastbaar is

• een uitsplitsing met het oog op het invullen van de btw-aangifte evenals op het einde van elke aangifteperiode, per rooster van de aangifte, het totaalbedrag van de periode

Deze vermeldingen zijn over het algemeen niet voldoende om het beheer van de onderneming op te volgen. In dit kader, hoewel iedere onderneming zelf moet bepalen welke voor haar de optimale indeling is van het boek voor inkomende facturen, is er desalniettemin reden om in elk geval een aparte inschrijving en dus een aparte kolom te voorzien voor de elementen die moeten worden opgenomen in de kaders III en V van de periodieke btw-aangifte.

4. Boek voor uitgaande facturen

A. In te schrijven stukken

De btw-belastingplichtige of het lid van een btw-eenheid in de zin van artikel 4, § 2, van het Btw-Wetboek, moet een boek voor uitgaande facturen houden waarin hij de handelingen inschrijft waarvoor hij een factuur of een als zodanig geldend stuk moet uitreiken:

• de factuur en het als zodanig geldend stuk met betrekking tot zijn economische activiteit dat hij uitreikt of dat wordt uitgereikt en opgesteld in zijn naam door een derde of door zijn medecontractant (artikel 53, § 2, eerste en tweede lid, van het Btw-Wetboek). Is eveneens bedoeld het stuk opgesteld door de instrumenterende notaris of gerechtsdeurwaarder in geval van een openbare verkoop van roerende goederen van een gefailleerde (artikel 6 van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd). Zijn eveneens beoogd de commissienota's die voorgesteld worden als creditnota's ontvangen door de belastingplichtige.

• de stukken met betrekking tot de overdracht van een algemeenheid van goederen of van een bedrijfsafdeling, alsook de diensten die ingevolge een dergelijke overdracht zijn verricht (artikelen 11 en 18, § 3 van het Btw-Wetboek en artikel 11 van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd)

• de stukken die de belastingplichtige moet opstellen voor onttrekkingen en andere handelingen gelijkgesteld met leveringen van goederen of diensten (artikelen 12 en 19 van het Btw-Wetboek en artikel 3 van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd)

• de stukken die de belastingplichtige moet opstellen voor de intracommunautaire overbrengingen van goederen (artikel 39bis, eerste lid, 4°, van het Btw-wetboek en artikel 2 van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd)

• het interne stuk, bedoeld in artikel 53, § 3, van het Btw-Wetboek, dat de tussen twee leden van eenzelfde btw-eenheid gerealiseerde handelingen vaststelt

De creditnota's uitgereikt door de belastingplichtige of, in zijn naam en voor zijn rekening, door zijn medecontractant, worden in principe ingeschreven in het teruggaafregister volgens artikel 4 van het koninklijk besluit nr. 4, voornoemd, maar mogen ook in het boek voor uitgaande facturen worden ingeschreven (in het rood of met een passende vermelding, CT of -). Ze mogen ook worden ingeschreven in een speciaal daartoe gehouden afzonderlijk register bedoeld voor de creditnota's bij uitgaande handelingen.

B. Vermeldingen die het boek voor uitgaande facturen moet bevatten

Artikel 15, § 3, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd, somt de vermeldingen op die het boek voor uitgaande facturen verplicht moet bevatten:

• het volgnummer toegekend aan de factuur of aan het uitgaande stuk

• de datum van de factuur of van het stuk

• de naam of de maatschappelijke benaming van de klant

• per factuur of per stuk en, indien nodig per tarief, de maatstaf van heffing en het bedrag van de overeenkomstige belasting

• de prijs van de handeling wanneer deze niet belastbaar is

• een uitsplitsing met het oog op het invullen van de btw-aangifte evenals, op het einde van elke aangifteperiode, per rooster van de aangifte, het totaalbedrag van de periode

Zoals voor het boek voor inkomende facturen, moet het boek voor uitgaande facturen worden uitgesplitst, enerzijds om een goed beheer van de onderneming te waarborgen en anderzijds om te voldoen aan de wettelijke verplichtingen.

5. Dagboek van ontvangsten en centralisatieregister

A. Voornaamste reglementaire bepalingen

Ter herinnering, artikel 14, § 2, van voormeld koninklijk besluit nr. 1, bepaalt dat de boekhouding van de belastingplichtigen, behalve van degenen die uitsluitend handelingen verrichten bedoeld in artikel 8bis van het Wetboek, inzonderheid de volgende boeken bevat :

• een boek voor inkomende facturen waarin zij de facturen en de stukken inschrijven met betrekking tot hun economische activiteit;

• een boek voor uitgaande facturen waarin zij de facturen, de stukken bedoeld in de artikelen 2, 3, 6 en 11 en die bedoeld in artikel 53, § 3, eerste lid, van het Btw-Wetboek inschrijven, evenals de ermee verband houdende verbeterende stukken;

• een dagboek per bedrijfszetel waarin zij de ontvangsten inschrijven met betrekking tot de handelingen waarvoor zij niet verplicht zijn een factuur of het in artikel 53, § 3, eerste lid van het Btw-Wetboek bedoeld stuk uit te reiken en waarvoor zij geen factuur of niet dat stuk hebben uitgereikt. (schriftelijke parlementaire vraag nr 2064 van de heer Senator Olivier de Clippele van 25.04.2002) (schriftelijke parlementaire vraag nr 851 van de heer Volksvertegenwoordiger Van den Eynde van 24.06.2005).

Dit dagboek kan op papier worden gehouden in overeenstemming met de bepalingen van artikel 15, § 1, tweede en derde lid, of op elektronische wijze overeenkomstig de modaliteiten bepaald door of vanwege de Minister van Financiën (Circulaire 2020/C/20 van 27.01.2020 met betrekking tot het digitaal gehouden dagboek van ontvangsten en centralisatieboek).

Het dagboek van ontvangsten met betrekking tot de in de bedrijfszetel verrichte handelingen alsook de verantwoordingsstukken bedoeld in artikel 15, § 2, die erop betrekking hebben met inbegrip van, in voorkomend geval, de in artikel 22 bedoelde dubbels van de rekeningen of van de ontvangstbewijzen, dienen zich op die bedrijfszetel te bevinden tot het verstrijken van de derde maand volgend op die waarin het genoemd dagboek werd afgesloten. Indien het dagboek van ontvangsten op elektronische wijze wordt gehouden, dient het binnen voornoemde periode elektronisch toegankelijk te zijn op de bedrijfszetel.

De belastingplichtigen die over meerdere bedrijfszetels beschikken moeten bovendien een centralisatiedagboek bijhouden waarin zij op het einde van elke aangifteperiode, per tarief, het totaalbedrag van de ontvangsten inschrijven van dat tijdvak, ingeschreven in de verschillende dagboeken van ontvangsten. Dit centralisatiedagboek kan op papier worden gehouden in overeenstemming met de bepalingen van artikel 15, § 1, tweede en derde lid, of door middel van geïnformatiseerde systemen overeenkomstig de modaliteiten bepaald door of vanwege de Minister van Financiën.

Krachtens artikel 15, § 1, van het voormeld koninklijk besluit nr. 1, vormen de boeken die deel uitmaken van de boekhouding, ieder naargelang zijn oogmerk, een doorlopende reeks; uiterlijk op het tijdstip van gebruik worden zij geïdentificeerd door de precisering van dit oogmerk, hun plaats in deze reeks, de naam of de maatschappelijke benaming van de belastingplichtige, van het lid van de btw-eenheid in de zin van artikel 4, § 2, van het Wetboek of van de niet-belastingplichtige rechtspersoon en zijn in artikel 50 van het Wetboek bedoelde btw-identificatienummer.

De boeken bedoeld in artikel 14 mogen worden bijgehouden op losse bladen, met uitzondering van het dagboek van ontvangsten en het centralisatieboek bedoeld in § 2, 3°, van dit artikel.

De bladen van het dagboek van ontvangsten en van het centralisatieboek bedoeld in artikel 14, § 2, 3°, moeten genummerd worden uiterlijk op het tijdstip waarop die boeken in gebruik worden genomen.

Het dagboek van ontvangsten dient de handelingen op te nemen verricht tijdens een periode van twaalf maanden.

Overeenkomstig artikel 15, § 2, van dit koninklijk besluit, moeten de inschrijvingen met betrekking tot de boekhouding zijn gesteund op verantwoordingsstukken die gedateerd zijn en waarvan, naargelang het geval, een origineel exemplaar of een dubbel dient te worden bewaard. De inschrijvingen in de boeken worden zonder uitstel, in volgorde van de data, zonder enig wit vlak noch leemte verricht; in geval van verbetering moet de oorspronkelijke inschrijving leesbaar blijven; de totalen van elk blad worden overgedragen bovenaan op het volgend blad.

Krachtens artikel 15, § 4, van datzelfde koninklijk besluit wordt, per bedrijfszetel, het totale bedrag van de dagontvangsten van dag tot dag ingeschreven in het dagboek van ontvangsten.

Een afzonderlijke inschrijving met vermelding van de aard van de verkochte goederen is evenwel noodzakelijk voor de ontvangsten die voortkomen van de levering van goederen waarvan de prijs, per in de handel gebruikelijke eenheid, meer bedraagt dan 250 euro, belasting over de toegevoegde waarde inbegrepen.

De in het vorige lid bedoelde afzonderlijke inschrijving mag worden vervangen door een dagelijkse globale inschrijving wanneer de verantwoordingsstukken die moeten worden opgesteld, benevens de ontvangst, de aard van de verkochte goederen nauwkeurig vermelden.

Wanneer de ontvangsten onderworpen zijn aan verschillende tarieven, worden ze per tarief ingeschreven. In de gevallen en onder de voorwaarden die zij bepalen, kan door of vanwege de Minister van Financiën nochtans van dit voorschrift worden afgeweken door toe te staan dat de ontvangsten worden ingeschreven zonder onderscheid te maken naargelang het belastingtarief en dat aangepaste methodes worden aangewend voor het uitsplitsen van deze ontvangsten per tarief.

Bovendien worden op het einde van elke aangifteperiode, per tarief, het totaalbedrag van de maatstaf van heffing en van de overeenkomstige belasting met betrekking tot de periode, naargelang het geval in het enige dagboek van ontvangsten of in het centralisatieboek ingeschreven.

B. Keuze voor papier of digitaal en gevolgen

Vooreerst weze opgemerkt dat met het houden van een boek op digitale wijze uiteraard het onmiddellijk aanmaken van dat boek op een digitaal medium wordt beoogd en in geen enkel geval het scannen van een boek dat op papier werd gehouden.

De belastingplichtige die slechts één bedrijfszetel bezit en die derhalve maar één dagboek van ontvangsten moet houden, kan er voor kiezen dit boek te houden, hetzij op papier onder de voormelde voorwaarden van artikel 15, §§ 1, 2 en 4 van het koninklijk besluit nr. 1, hetzij op digitale wijze onder de hierna uiteengezette voorwaarden. De inschrijvingen in het enig dagboek van ontvangsten moeten gebeuren op een consistente wijze en met respect voor de gemaakte keuze.

Indien een belastingplichtige ervoor kiest om het enige dagboek van ontvangsten op geïnformatiseerde wijze te houden, moet die keuze geacht worden te gelden voor het geheel van de activiteiten van die bedrijfszetel. Het is uitgesloten dat het dagboek van ontvangsten gedeeltelijk op geïnformatiseerde wijze en gedeeltelijk op papier wordt gehouden.

De belastingplichtige die over meerdere bedrijfszetels beschikt en die aldus voor elke bedrijfszetel een dagboek van ontvangsten moet houden, kan ervoor kiezen om, hetzij alle dagboeken op papier te houden onder de voorwaarden van artikel 15, §§ 1, 2 en 4 van het voormeld koninklijk besluit nr. 1, hetzij alle dagboeken op digitale wijze te houden onder de hierna uiteengezette voorwaarden, hetzij een gedeelte van die dagboeken op papier en het andere gedeelte op digitale wijze te houden met inachtneming van de voorwaarden eigen aan iedere methode.

De wijze waarop het centralisatieboek moet worden gehouden door een belastingplichtige die over meerdere bedrijfszetels beschikt, hangt af van de wijze waarop de dagboeken van ontvangsten waarop het betrekking heeft, worden gehouden. Indien minstens één dagboek van ontvangsten op digitale wijze wordt gehouden, moet het centralisatieboek eveneens op digitale wijze worden gehouden onder de voorwaarden als hierna uiteengezet. Indien echter alle dagboeken van ontvangsten op papier worden gehouden, kan het centralisatieboek worden gehouden, naar keuze, hetzij op papier onder de voormelde voorwaarden van artikel 15, §§ 1, 2 en 4 van het voormeld koninklijk besluit nr. 1, hetzij op digitale wijze onder de hierna uiteengezette voorwaarden.

Het op papier gehouden dagboek van ontvangsten en/of het centralisatieboek moeten worden bewaard en ter inzage worden voorgelegd op de bedrijfszetel van de belastingplichtige gedurende de periode waarop het/ze betrekking heeft/hebben en de drie maanden die volgen op de datum van afsluiting ervan. Na die periode moeten ze worden bewaard in België en ter inzage worden voorgelegd in principe op het fiscaal domicilie van de belastingplichtige. Voor een rechtspersoon komt het fiscaal domicilie overeen met de administratieve zetel. Een natuurlijke persoon moet zijn boekhouding in beginsel ter inzage voorleggen op zijn fiscaal domicilie (zijn woonplaats). Indien evenwel de bedrijfszetel zich bevindt op een andere plaats dan het fiscaal domicilie, en de boekhouding op die bedrijfszetel wordt gehouden, is een natuurlijk persoon, bij toepassing van artikel 61, § 1, eerste lid, van het Btw-Wetboek, gehouden de boekhouding op die zetel voor te leggen.

Indien het dagboek van ontvangsten en/of centralisatieboek digitaal wordt gehouden, moet een volledige online toegang tot de betrokken gegevens worden gewaarborgd op de bedrijfszetel, ongeacht de plaats waar die gegevens zich digitaal bevinden, tot bij het verstrijken van de derde maand die volgt op de afsluiting ervan en, na afloop van die periode, in principe op het fiscaal domicilie.

C. Betrokken belastingplichtigen

Alle belastingplichtigen, behalve degene die uitsluitend handelingen verrichten bedoeld in artikel 8bis van het Btw-Wetboek, zijn gehouden om een dagboek van ontvangsten per bedrijfszetel te houden waarin zij de ontvangsten inschrijven met betrekking tot de handelingen waarvoor zij niet verplicht zijn een factuur of het in artikel 53, § 3, eerste lid van het Btw-Wetboek bedoeld stuk uit te reiken en waarvoor zij geen factuur of niet dat stuk hebben uitgereikt.

Moeten dit dagboek van ontvangsten (en het centralisatiedagboek) evenwel niet houden:

• de belastingplichtigen die uitsluitend handelingen bedoeld in artikel 8bis van het Btw-Wetboek verrichten (zie artikel 14, § 2, koninklijk besluit nr. 1);

• de belastingplichtigen die genieten van de forfaitaire regeling van artikel 56 van het Btw-Wetboek (zie artikel 14, § 3, koninklijk besluit nr. 1);

• de belastingplichtigen die uitsluitend handelingen verrichten vrijgesteld van de belasting krachtens artikel 44 van het Btw-Wetboek waarvoor zij geen recht op aftrek hebben (zie artikel 14, § 5, koninklijk besluit nr. 1);

• de belastingplichtigen die de in artikel 57 van het Btw-Wetboek beoogde landbouwregeling genieten (zie artikel 14, § 5, koninklijk besluit nr. 1);

• de niet-belastingplichtige rechtspersonen (zie artikel 14, § 6, koninklijk besluit nr. 1).

Voor al wat nuttig is wordt eraan herinnerd dat de belastingplichtigen die genieten van hetzij de beslissing nr. E.T.103.018 van 27.06.2002 en 02.06.2003, hetzij de beslissing nr. E.T.103.592 van 02.06.2003 met betrekking tot de digitale bewaring van kasticketten, ontslagen zijn van de verplichting om een dagboek van ontvangsten per bedrijfszetel te houden.

Ook de belastingplichtige die gebruik maakt van een geregistreerd kassasysteem en voldoet aan alle daaromtrent opgelegde reglementering, is ontheven van de verplichting tot het houden van een dagboek van ontvangsten per bedrijfszetel. Wel moeten dagelijks de nodige rapporten (dagelijks financieel rapport en dagelijks gebruiker rapport) met behulp van het geregistreerde kassasysteem worden aangemaakt (zie artikel 2, punt 5, van het koninklijk besluit van 30.12.2009 tot het bepalen van de definitie en de voorwaarden waaraan een geregistreerd kassasysteem in de horecasector moet voldoen).

Echter, indien deze belastingplichtige verschillende inrichtingen uitbaat, moet hij wel nog steeds het centralisatiedagboek, bedoeld in artikel 14, § 2, 3°, vierde lid, van het koninklijk besluit nr. 1, houden. Bij het gebruik van een geregistreerd kassasysteem, moet het centralisatieboek verplicht digitaal worden gehouden (circulaire 2017/C/70 (nr. E.T. 129.043) van 06.11.2017, punt 3.7).

D. Inhoud

a. Het dagboek van ontvangsten

Op te merken valt dat de wijze waarop of vorm waarin het dagboek van ontvangsten wordt gehouden (op papier of op digitale wijze) geen enkele invloed heeft op de inhoud ervan. Het moet steeds de ontvangsten vermelden met betrekking tot de handelingen waarvoor er geen verplichting tot het uitreiken van een factuur of het in artikel 53, § 3, eerste lid van het Btw-Wetboek bedoeld stuk bestaat en waarvoor er geen factuur of niet dat stuk werd uitgereikt.

Per bedrijfszetel wordt het totale bedrag van de dagontvangsten (btw inbegrepen) van dag tot dag ingeschreven in het dagboek van ontvangsten. Bijgevolg moet ook een nulontvangst op dag Y als zodanig worden ingeschreven in het dagboek van ontvangsten en moet elke niet inschrijving van een bedrag op dag Z worden gemotiveerd door vermelding bijv. van 'sluiting' of 'verlof'.

Een afzonderlijke inschrijving met vermelding van de aard van de verkochte goederen is evenwel noodzakelijk voor de ontvangsten die voortkomen van de levering van goederen waarvan de prijs, per in de handel gebruikelijke eenheid, meer bedraagt dan 250 euro, belasting over de toegevoegde waarde inbegrepen. Echter, deze afzonderlijke inschrijving mag worden vervangen door een dagelijkse globale inschrijving wanneer de verantwoordingsstukken die moeten worden opgesteld, benevens de ontvangst, de aard van de verkochte goederen nauwkeurig vermelden.

Wanneer de ontvangsten onderworpen zijn aan verschillende tarieven, worden ze per tarief ingeschreven. In de gevallen en onder de voorwaarden die zij bepalen, kan door of vanwege de Minister van Financiën nochtans van dit voorschrift worden afgeweken door toe te staan dat de ontvangsten worden ingeschreven zonder onderscheid te maken naargelang het belastingtarief en dat aangepaste methodes worden aangewend voor het uitsplitsen van deze ontvangsten per tarief.

Bovendien dient, in het geval de belastingplichtige slechts over één bedrijfszetel beschikt, op het einde van iedere aangifteperiode, per tarief, het totaalbedrag van de maatstaf van heffing en van de overeenkomstige belasting met betrekking tot de periode te worden ingeschreven in het enige dagboek van ontvangsten (zie artikel 15, § 4, van het koninklijk besluit nr. 1).

Wat het dagboek van ontvangsten gehouden op digitale wijze betreft, indien het informaticasysteem van de belastingplichtige op het einde van iedere dagelijkse openingsperiode een financieel rapport genereert dat minstens de vermeldingen opgenomen in artikel 15, § 4, van voormeld koninklijk besluit nr. 1 bevat, aanvaardt de administratie dat het geheel van deze dagelijkse financiële rapporten geldt als dagboek van ontvangsten wanneer deze rapporten worden bewaard in een afzonderlijke database en de hierna uiteengezette voorwaarden qua beveiliging van die gegevens worden nageleefd.

De inschrijvingen moeten gebeuren aan de hand van verantwoordingsstukken die, krachtens artikel 60, § 1, van het Btw-Wetboek, in principe moeten worden bewaard door de belastingplichtige gedurende een periode van zeven jaar te rekenen vanaf de eerste januari van het jaar volgend op hun datum.

Ook dienen, overeenkomstig artikel 15, § 2, 2de lid, van het voornoemd koninklijk besluit nr. 1, de inschrijvingen in het dagboek van ontvangsten zonder uitstel te gebeuren, in volgorde van de data, zonder enig wit vlak noch leemte, en moet, in geval van verbetering, de oorspronkelijke inschrijving leesbaar blijven. Bovendien moeten de totalen van elk blad worden overgedragen bovenaan op het volgend blad.

Het kan gebeuren dat een inschrijving in het dagboek van ontvangsten (hetzij op papier, hetzij digitaal) dient te worden verbeterd ingevolge het vaststellen van een materiële vergissing of nog wanneer een handeling die reeds werd ingeschreven in het dagboek van ontvangsten later het voorwerp moet uitmaken van een factuur. Evenwel kan er geen sprake zijn van het uitwissen van de oorspronkelijke inschrijving, zelfs niet wanneer de verbetering achteraf van de oorspronkelijke inschrijving absoluut noodzakelijk en gerechtvaardigd is.

Deze maatregel, oorspronkelijk genomen ten aanzien van het op papier gehouden dagboek van ontvangsten, heeft duidelijk tot doel om het onomkeerbaar karakter van deze inschrijvingen te waarborgen. Dit laatste moet logischerwijze ook worden gewaarborgd in het kader van het digitaal gehouden dagboek van ontvangsten.

Een rechtzetting van een inschrijving in het digitaal dagboek van ontvangsten moet dan ook en zonder uitstel gebeuren door een nieuwe afzonderlijke inschrijving. Deze moet worden uitgevoerd op de datum waarop de belastingplichtige kennis heeft van de vergissing en moet, naast het bedrag van de rechtzetting (btw inbegrepen) in min of in meer, een verwijzing bevatten hetzij rechtstreeks naar de oorspronkelijke foutieve handeling indien deze het voorwerp heeft uitgemaakt van een afzonderlijke inschrijving in het dagboek van ontvangsten (goed van meer dan 250 euro – zie 3de paragraaf van punt a. “Het dagboek van ontvangsten” hiervoor), hetzij, bij gebrek aan een afzonderlijke inschrijving, naar de datum van de oorspronkelijke inschrijving waarop de rechtzetting betrekking heeft, evenals de reden van de rechtzetting.

Voorbeeld: De levering van een goed met een waarde van 150 euro, incl. btw, werd in het dagtotaal van 15.10.2018 opgenomen in het digitaal dagboek van ontvangsten. Op 18.10.2018 vraagt de klant om een factuur op te maken met betrekking tot deze levering. Een afzonderlijke negatieve inschrijving van -150 euro andere dan de dagelijkse inschrijving, dient te worden opgenomen in het digitaal dagboek van ontvangsten op datum van 18.10.2018 met een verwijzing naar zowel 15.10.2018 als naar het nummer van de uitgereikte factuur.

b. Het centralisatieboek

Het centralisatieboek vermeldt, ongeacht of het wordt gehouden op papier of op digitale wijze, per tarief, op het einde van elke aangifteperiode, het totaalbedrag van de ontvangsten (btw inbegrepen) van die periode, ingeschreven in de verschillende dagboeken van ontvangsten van de belastingplichtige.

Bovendien moet het centralisatieboek op het einde van iedere aangifteperiode, per tarief, het totaalbedrag van de maatstaf van heffing vermelden evenals het bedrag van de daarmee overeenstemmende belasting, met betrekking tot die periode.

E. Vorm

a. Het dagboek van ontvangsten

Het dagboek van ontvangsten kan hetzij op papier, hetzij op geïnformatiseerde wijze worden gehouden.

De inschrijvingen in het (enig) dagboek van ontvangsten moeten gebeuren op een consistente wijze en met respect voor de gemaakte keuze. Enkel wanneer de belastingplichtige over meerdere bedrijfszetels beschikt en dus voor elke bedrijfszetel een dagboek van ontvangsten moet houden, kan hij ervoor kiezen om hetzij alle dagboeken op papier te houden, hetzij alle dagboeken op digitale wijze te houden, hetzij een gedeelte van die dagboeken op papier en het andere gedeelte op digitale wijze te houden (zie titel D. “Inhoud” hiervoor).

Het dagboek van ontvangsten, gehouden op papier

Het dagboek van ontvangsten moet nog vóór zijn eerste gebruik worden samengesteld uit bladen die door alle passende middelen samengevoegd zijn (innaaien, nieten, plakken van de rug, …). Het mag niet door losse bladen worden vervangen. De bladen van het dagboek van ontvangsten moeten worden genummerd uiterlijk op het tijdstip waarop dat boek in gebruik wordt genomen. Dit wil zeggen dat elke bladzijden of elk blad een nieuw nummer moet dragen. Die nummering kan gedaan worden ter gelegenheid van het drukken of daarna, onder andere met de hand.

De inschrijvingen worden zonder uitstel, in volgorde van de data, zonder enig wit vlak noch leemte verricht. In geval van verbetering moet de oorspronkelijke inschrijving altijd leesbaar blijven. De totalen onderaan elk blad worden overgedragen bovenaan het volgende blad.

Voor het overige is het papieren dagboek van ontvangsten aan geen bijzondere vormvoorwaarden onderworpen. Uiteraard moet het alle verplichte vermeldingen, bedoeld in titel D. “Inhoud”, punt b. “Het dagboek van ontvangsten” hiervoor, bevatten. Bovendien moet ook in dit kader voldaan worden aan de hierna gestelde integriteits- en leesbaarheidsvoorwaarden.

Het dagboek van ontvangsten, gehouden op digitale wijze

De belastingplichtige is niet gehouden om de administratie in kennis te stellen van zijn keuze om het dagboek van ontvangsten digitaal (in de plaats van op papier) te houden.

Ongeacht de vorm waarvoor hij kiest, moet de belastingplichtige erover waken dat voldaan wordt aan de volgende twee voorwaarden:

Eerste voorwaarde: de belastingplichtige moet de integriteit van de inhoud van het dagboek van ontvangsten garanderen vanaf het moment van inschrijving tot het einde van de wettelijke bewaartermijn.

Onder 'integriteit van de inhoud' verstaat men het feit dat de in het dagboek van ontvangsten opgenomen vermeldingen niet worden gewijzigd na de inschrijving ervan. Elke inschrijving in het dagboek van ontvangsten moet bijgevolg een onveranderlijk karakter hebben.

In geval van verbetering van een reeds gemaakte inschrijving, mag de oorspronkelijke foutieve vermelding in geen enkele omstandigheid en onder geen enkel voorwendsel worden uitgewist.

In de context van een digitaal dagboek van ontvangsten, houdt dit in dat het technisch gezien niet mogelijk mag zijn om een gegeven, na de inschrijving ervan in het dagboek van ontvangsten, te wijzigen of te verwijderen zonder hiervan een spoor na te laten.

De oorspronkelijke inschrijving moet altijd leesbaar blijven. Concreet betekent dit dat de te wijzigen regel of vermelding, bij voorbeeld, mag doorstreept worden, maar alleen op zo'n wijze dat de doorstreepte gegevens ontcijferd kunnen worden. Indien een volledige regel doorstreept werd, wordt de correcte inschrijving vervolgens geplaatst op de eerstvolgende beschikbare regel. Indien daarentegen één (meerdere) gegeven(s) van een regel moet(en) gecorrigeerd worden zonder afbreuk te doen aan de volledige regel, wordt (worden) het (de) correcte gegeven(s) ingeschreven in hetzelfde (dezelfde) vak(ken) als het (de) doorstreepte gegeven(s).

De belastingplichtige bepaalt zelf hoe de integriteit van de inhoud van het dagboek van ontvangsten wordt gewaarborgd. Hij moet daarom, op elke vraag van controleagenten van de bevoegde administratie, kunnen bewijzen dat aan deze voorwaarde is voldaan.

Hij kan daartoe, bijvoorbeeld, gebruik maken van:

• de beveiliging van de dagelijkse inschrijving door middel van een geavanceerde elektronische handtekening;

• een systeem van bedrijfscontroles dat toelaat om de overeenstemming na te gaan van de inschrijvingen in het dagboek van ontvangsten met de bedragen vermeld op andere documenten (offertes, werkbonnen, rekeninguittreksels, …) en zo vast te stellen dat de inhoud van het dagboek van ontvangsten juist is en niet werd gewijzigd;

• een vertrouwde (externe) cloud aanbieder;

• een onveranderlijke database (met cryptografie om te controleren);

• een systeem van blockchain (blokken van data gelinkt via cryptografie);

• een database met cryptografische verificatie (en ondertekening door een externe partij);

• een combinatie van 2 of meer van de voorgaande middelen of systemen.

Tweede voorwaarde: de belastingplichtige moet de leesbaarheid van het dagboek van ontvangsten garanderen van het moment van inschrijving tot het einde van de wettelijke bewaartermijn.

Onder 'leesbaarheid' verstaat men het feit dat het dagboek van ontvangsten zo wordt getoond dat alle gegevens welke het bevat en die verband houden met de btw duidelijk leesbaar zijn, op papier of op digitaal scherm, zonder dat er daarvoor veel onderzoek of interpretatie nodig is.

De belastingplichtige bepaalt zelf hoe de leesbaarheid van het dagboek van ontvangsten wordt gewaarborgd.

Er wordt geen specifieke vorm opgelegd aan het digitaal gehouden dagboek van ontvangsten, noch aan de verantwoordingsstukken waarop alle inschrijvingen in het dagboek moeten steunen. Uiteraard moet het digitaal dagboek, zoals de papieren vorm, ook alle verplichte vermeldingen, voorzien in titel D. “Inhoud”, punt a. “Het dagboek van ontvangsten” hiervoor, bevatten.

b. Het centralisatieboek

Het centralisatieboek kan hetzij op papier, hetzij op geïnformatiseerde wijze worden gehouden. In bepaalde gevallen evenwel is de belastingplichtige verplicht om het register dat gehouden wordt als centralisatieboek op digitale wijze te houden (zie punt “Centralisatieboek gehouden op digitale wijze” hierna).

Centralisatieboek gehouden op papier

Het centralisatieboek moet nog vóór zijn eerste gebruik worden samengesteld uit bladen die door alle passende middelen samengevoegd zijn (innaaien, nieten, plakken van de rug, …). Het mag niet door losse bladen worden vervangen. De bladen van het centralisatieboek moeten worden genummerd uiterlijk op het tijdstip waarop dat boek in gebruik wordt genomen. Dit wil zeggen dat elke bladzijde of elk blad een nieuw nummer moet dragen. Die nummering kan gedaan worden ter gelegenheid van het drukken, of daarna, onder andere met de hand.

De inschrijvingen worden zonder uitstel, in volgorde van de data, zonder enig wit vlak noch leemte verricht. In geval van verbetering moet de oorspronkelijke inschrijving altijd leesbaar blijven. De totalen van elk blad worden overgedragen bovenaan het volgende blad.

Voor het overige is het papieren centralisatieboek aan geen bijzondere vormvoorwaarden onderworpen. Uiteraard moet het alle verplichte vermeldingen, bedoeld in titel D. “Inhoud”, punt b. “Het centralisatieboek” hiervoor, bevatten. Bovendien moet ook in dit kader voldaan worden aan de hiervoor gestelde integriteits- en leesbaarheidsvoorwaarden.

Centralisatieboek gehouden op digitale wijze

De belastingplichtige is niet gehouden om de administratie in kennis te stellen van zijn keuze om het centralisatieboek digitaal (in de plaats van op papier) te houden.

In bepaalde gevallen is hij evenwel verplicht om het register dat gehouden wordt als centralisatieboek op digitale wijze te houden. Dit laatste is onder meer het geval voor:

• de belastingplichtige die gebruik maakt van hetzij de beslissing nr. E.T.103.018 van 27.06.2002 en 02.06.2003, hetzij de beslissing nr. E.T.103.592 van 02.06.2003 en de door hem uitgereikte kasticketten op digitale wijze bewaart: hij moet het register dat gehouden wordt als centralisatieboek op digitale wijze houden, ongeacht of hij over één of meer bedrijfszetel(s) beschikt.

De betrokken belastingplichtige moet immers geen dagboek van ontvangsten per bedrijfszetel houden, maar op het einde van elke dagelijkse openingsperiode een financieel rapport (Z-totaal) genereren per reeks van opeenvolgende nummers per kassa, per reeks van kassa's in dezelfde inrichting of voor het totaal van de kassa's van eenzelfde inrichting, volgens de voorwaarden bepaald in de voormelde beslissingen. Bovendien garandeert de toepassing van een algoritme bij de digitale opmaak van het kasticket als bedoeld in voormelde beslissingen, reeds voldoende het onveranderlijk en onomkeerbaar karakter van de registratie van de handeling én van het afgeleverde kasticket met veiligheidszegel. Daarenboven is het doel van de twee voormelde beslissingen precies het vermijden van de bewaring van documenten op papier.

Derhalve moet de belastingplichtige, ongeacht of hij over één of meerdere bedrijfszetels beschikt, het in de twee voormelde beslissingen nr. E.T.103.018 of nr. E.T.103.592 bedoelde register, in afwijking van deze beslissingen, verplicht op digitale wijze houden. Een register op papier is dus uitgesloten in het kader van deze twee beslissingen. Bovendien voorzien beide beslissingen dat dit register op het einde van elke aangifteperiode, per tarief, het totaalbedrag van de ontvangsten van die periode moet vermelden. Voortaan zal dit register eveneens de ventilatie van dat bedrag moeten hernemen door, per tarief, het bedrag van de maatstaf van heffing te onderscheiden van het bedrag van de belasting met betrekking tot die periode. Deze maatregel is bedoeld om de bedragen te bekomen die de belastingplichtige zal moeten opnemen in de roosters 01 tot 03 en 54 van zijn periodieke aangifte voor de handelingen van die periode waarvoor geen verplichting bestaat tot het uitreiken van een factuur;

• de belastingplichtige die gebruik maakt van een geregistreerd kassasysteem en die verschillende inrichtingen uitbaat; hij moet het centralisatieboek verplicht digitaal houden (circulaire 2017/C/70 (nr. E.T. 129.043) van 06.11.2017, punt 3.7.).

Ongeacht de vorm waarvoor hij kiest, moet de belastingplichtige erover waken dat zowel de integriteit van de inhoud als de leesbaarheid van de vermeldingen van het centralisatieboek worden gewaarborgd vanaf de inschrijving tot het einde van de wettelijke bewaartermijn. De belastingplichtige bepaalt zelf hoe de hiervoor uiteengezette voorwaarden worden ingevuld.

F. Beoogde periode

Het dagboek van ontvangsten, ongeacht of het wordt gehouden op papier of op een digitale wijze, dient de handelingen op te nemen verricht tijdens een periode van 12 maanden. Deze periode zal meestal overeenstemmen met de duur van één kalenderjaar.

In het geval het dagboek van ontvangsten op digitale wijze wordt gehouden, is het in principe noodzakelijk om op het einde van de periode van twaalf maanden een nieuw digitaal dagboek van ontvangsten te creëren voor het inschrijven tijdens de daaropvolgende twaalf maanden van de verrichtingen die door dit dagboek worden beoogd.

Administratieve toegeving: Teneinde de administratieve organisatie van de belastingplichtigen te vereenvoudigen, aanvaardt de administratie evenwel dat het digitaal dagboek van ontvangsten niet wordt beperkt tot een periode van twaalf maanden maar een langere periode kan omvatten (periode vrij te kiezen door de belastingplichtige). De aandacht wordt echter gevestigd op het feit dat het toepassen van deze toegeving enerzijds verstrekkende gevolgen heeft op de bewaringstermijn, wetende dat deze wettelijke termijn pas aanvangt vanaf de eerste januari van het jaar volgend op de datum van afsluiting van het bestand. Anderzijds beïnvloedt deze toegeving eveneens de plaats van bewaring aangezien het dagboek van ontvangsten zich moet bevinden op de bedrijfszetel tot op het einde van de derde maand volgend op de afsluiting ervan. (Desalniettemin moet, zoals is verduidelijkt onder de titels C. “Betrokken belastingplichtigen” en D. “Inhoud” hiervoor, op vraag van de controlerende ambtenaar het digitaal dagboek van ontvangsten voorgelegd worden op het fiscaal domicilie van de belastingplichtige gedurende de periode tijdens dewelke dit boek zich op de bedrijfszetel moet bevinden).

Wanneer de belastingplichtige die een dagboek van ontvangsten op papier houdt op een bepaald moment beslist om over te gaan naar een digitaal dagboek van ontvangsten, onderbreekt deze overgang de begonnen periode van twaalf maanden niet en oefent deze geen enkele invloed uit op de berekening van die periode. Aldus loopt de periode van twaalf maanden die aanving met het op papier gehouden dagboek van ontvangsten verder tot zijn einde, zelfs wanneer ondertussen werd overgeschakeld op een digitaal dagboek van ontvangsten.

De periode die het centralisatieboek bestrijkt, wordt daarentegen niet beperkt in de tijd. In de praktijk zal die periode meestal overeenstemmen met de periode waarop de verschillende dagboeken van ontvangsten, die worden samengevat in het centralisatieboek, betrekking hebben.

G. Bewaring en voorlegging van de registers

Krachtens artikel 60, § 4, van het Btw-Wetboek, moeten de boeken (dagboeken van ontvangsten en centralisatieboeken) worden bewaard door de personen die ze hebben gehouden, gedurende zeven jaar te rekenen vanaf 1 januari van het jaar volgend op hun sluiting.

Ongeacht de vorm waarin deze boeken worden gehouden, moeten de nodige maatregelen worden getroffen opdat de integriteit van de inhoud van de boeken, alsmede hun leesbaarheid kunnen worden gegarandeerd tijdens de volledige bewaringstermijn (zie hiervoor).

De inschrijvingen gebeuren aan de hand van verantwoordingsstukken die, krachtens artikel 60, § 4, 2de lid, van het Btw-Wetboek, in principe (ook) moeten worden bewaard door de belastingplichtige gedurende een periode van zeven jaar te rekenen vanaf de eerste januari van het jaar volgend op hun datum (zie hiervoor).

In afwijking hiervan, moeten, voor de belastingplichtigen die genieten van de beslissing nr. E.T.103.018 van 27.06.2002 en 02.06.2003 aangaande de digitale bewaring van kasticketten, de detailgegevens van de handelingen waarvoor overeenkomstig de btw-reglementering geen factuur moet worden uitgereikt, slechts worden bewaard voor fiscale doeleinden gedurende een periode van vijf jaar vanaf 1 januari van het jaar volgend op de datum van de handelingen, met dien verstande dat deze periode evenwel nooit korter mag zijn dan deze bepaald in artikel 315, WIB 92 (artikel 60, § 4, 4de lid, van het Btw-Wetboek).

Deze kortere bewaringstermijn is evenwel niet van toepassing op de detailgegevens van de handelingen die worden verricht door de belastingplichtige die gehouden is tot de uitreiking hetzij van een rekening of een ontvangstbewijs krachtens artikel 22, § 1, van voormeld koninklijk besluit nr. 1, hetzij van een kasticket, bedoeld in het koninklijk besluit van 30.12.2009 tot het bepalen van de definitie en de voorwaarden waaraan een geregistreerd kassasysteem in de horecasector moet voldoen, krachtens artikel 21bis van datzelfde koninklijk besluit nr. 1. Die gegevens moeten derhalve worden bewaard gedurende de voormelde termijn van zeven jaar.

Overeenkomstig artikel 14, § 2, van het voornoemd koninklijk besluit nr. 1 dienen het dagboek van ontvangsten met betrekking tot de in de bedrijfszetel verrichte handelingen, alsook de verantwoordingsstukken die erop betrekking hebben (met inbegrip van de in artikel 22 van het koninklijk besluit nr. 1 bedoelde dubbels van de rekeningen of van de ontvangstbewijzen), zich op die bedrijfszetel te bevinden tot het verstrijken van de derde maand volgend op die waarin het genoemd dagboek werd afgesloten.

Dit principe is eveneens van toepassing wanneer het dagboek van ontvangsten op digitale wijze wordt gehouden. In dit geval is de belastingplichtige ertoe gehouden te verzekeren dat de ambtenaren van de administratie die belast is met de belasting over de toegevoegde waarde, op de bedrijfszetel toegang hebben tot de gegevens van het dagboek van ontvangsten tijdens de in het voorgaande lid bedoelde termijn.

Indien het dagboek van ontvangsten evenwel niet wordt gehouden op de bedrijfszetel, is de belastingplichtige ertoe gehouden vanuit die bedrijfszetel een volledige online toegang te waarborgen tot de gegevens van het dagboek van ontvangsten gedurende de periode waarop het dagboek betrekking heeft én de drie maanden volgend op de sluiting van dit dagboek.

De bewuste digitale informatiedrager kan ofwel in België ofwel in een andere lidstaat van de Europese Unie of in een derde land worden bewaard op voorwaarde dat de belastingplichtige – en, bijgevolg ook de ambtenaren van de administratie – over een volledige online toegang tot de gegevens van die informatiedrager beschikt/beschikken, op de bedrijfszetel gedurende de periode waarop het dagboek betrekking heeft én de drie maanden volgend op de sluiting van het dagboek en in principe op het fiscaal domicilie van de belastingplichtige (zie titel B. “Keuze voor papier of digitaal en gevolgen” hiervoor) na afloop van die periode en gedurende de volledige wettelijke bewaringstermijn.

Krachtens artikel 61, § 1, 4de lid, van het Btw-Wetboek hebben de ambtenaren van de administratie belast met de belasting over de toegevoegde waarde het recht om zich de op informatiedragers geplaatste gegevens in een leesbare en verstaanbare vorm te doen voorleggen. Deze ambtenaren kunnen eveneens diegene die gehouden is tot bewaring verzoeken om in hun bijzijn en op zijn uitrusting kopieën te maken onder de door hen gewenste vorm van het geheel of een deel van de voormelde gegevens, evenals om de informaticabewerkingen te verrichten die nodig worden geacht om de juiste heffing van de belasting na te gaan. Aldus zullen deze ambtenaren de praktische invulling van de door de administratie gestelde beveiligingsvoorwaarden met het oog op het waarborgen van de onomkeerbaarheid en de onveranderlijkheid van de verrichte inschrijvingen, kunnen nagaan.

Het centralisatieboek moet aan de ambtenaren van de administratie kunnen worden voorgelegd op het fiscaal domicilie van de belastingplichtige. De bepalingen van artikel 61 van het Btw-Wetboek, zoals onder voorgaande paragraaf vermeld, zijn eveneens van toepassing op het centralisatieboek.

6. Tabel van de bedrijfsmiddelen

Om, met het oog op een eventuele herziening van de aftrek, de bedrijfsmiddelen te kunnen volgen gedurende de herzieningsperiode, moet de belastingplichtige een tabel van de bedrijfsmiddelen houden (artikel 11, § 5, van het koninklijk besluit nr. 3, voornoemd).

De tabel van de bedrijfsmiddelen is aan geen enkele bijzondere vormvoorwaarde onderworpen. De belastingplichtige hoeft zelfs geen afzonderlijke tabel van de bedrijfsmiddelen te houden indien al de nodige elementen voor een eventuele herziening teruggevonden kunnen worden in andere tabellen of registers (bijvoorbeeld in de afschrijvingstabellen gehouden inzake inkomstenbelasting of zelfs in een aparte kolom van het boek voor inkomende facturen) (schriftelijke parlementaire vraag nr. 5-7825 van de heer Senator Yoeri Vastersavendts van 21.01.2013).

7. De klantenrekeningen

Krachtens artikel 5 van het koninklijk besluit nr. 23, voornoemd, en artikel 8 van het koninklijk besluit nr. 50, voornoemd, moet de belastingplichtige klantenrekeningen houden of alle andere stukken om te kunnen voldoen aan de verplichting van indiening van enerzijds de opgave van de afnemers-belastingplichtigen en anderzijds de opgave van de intracommunautaire handelingen. Desnoods volstaat het dat de belastingplichtige per klant een bijkomend dubbel bijhoudt van alle facturen en stukken die hij uitreikt met betrekking tot de handelingen die moeten worden vermeld in voornoemde opgaven.

De klantenrekeningen zijn aan geen enkele bijzondere vormvoorwaarde onderworpen. Ze moeten echter op een zodanige manier worden gehouden dat de belastingplichtige in staat is de gegevens te verzamelen die nodig zijn voor het opmaken van de bedoelde opgaven.

Deze klantenrekeningen moeten bijgevolg, voor elke klant, de volgende gegevens bevatten:

• de naam en het adres

• het btw-identificatienummer

• het bedrag, exclusief belasting, van de handelingen die werden gefactureerd

• in voorkomend geval, het bedrag van de in rekening gebrachte belasting

• het bedrag van de uitgereikte creditnota's

• in voorkomend geval, het bedrag van de btw met betrekking tot de uitgereikte creditnota's

8. Het register voor materiële werken of expertises met betrekking tot andere goederen dan uit hun aard onroerende goederen

A. Principe

Overeenkomstig artikel 54bis, § 1, tweede lid, en § 2 van het Btw-Wetboek, en artikel 25 van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd, moet iedere belastingplichtige of lid van een btw-eenheid in de zin van artikel 4, § 2, van het Btw-Wetboek een register houden van de goederen die hem door een belastingplichtige worden toevertrouwd met het oog op de oplevering aan laatstgenoemde van een maakloonwerk in de zin van artikel 18, § 1, tweede lid, 1°, van het Btw-Wetboek. In dit register vermeldt de belastingplichtige eveneens de goederen die hem vanuit een andere lidstaat werden toegezonden door of voor rekening van een in die andere lidstaat voor btw-doeleinden geïdentificeerde belastingplichtige en die het voorwerp uitmaken van een expertise of van een materieel werk, ander dan een maakloonwerk in de zin van artikel 18, § 1, tweede lid, 1°, van het Btw-Wetboek.

Dit register dient evenwel niet te worden gehouden of ingevuld voor wat betreft de handelingen die moeten worden opgenomen in het btw-register van de motorvoertuigen (artikel 25, § 4, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd, zie nr. 10)

B. Vermeldingen die het register moet bevatten

In dit register vermeldt de belastingplichtige:

• een volgnummer

• de datum van ontvangst van de goederen

• de naam en het adres van de opdrachtgever

• het btw-identificatienummer van de opdrachtgever

• de hoeveelheid goederen die hem zijn toevertrouwd

• de gebruikelijke benaming van die goederen en hun nummers of identificatie-kentekens wanneer ze ervan voorzien zijn

• dadelijk na de voltooiing van de expertise of van het werk, de datum van de verzending of van het vervoer van de goederen die het voorwerp hebben uitgemaakt van de dienstverrichting

• per verzending, de hoeveelheid van de verzonden goederen alsook de gebruikelijke benaming ervan

• de hoeveelheid en de gebruikelijke benaming van de goederen die hem zijn toevertrouwd en die niet aan de opdrachtgever worden teruggegeven

• de datum en het inschrijvingsnummer in het boek voor uitgaande facturen van de facturen en de creditnota's die hij met betrekking tot de verrichte dienst heeft uitgereikt

Wanneer de belastingplichtigen een boekhouding voeren waarin deze vermeldingen voorkomen, zijn zij ervan ontheven een dergelijk register te houden.

Bovendien moet het register vóór elk gebruik worden genummerd en vervolgens worden voorgelegd, ter visering en parafering, bij het btw-controlekantoor (team beheer) van het ambtsgebied waarin de belastingplichtige gevestigd is (artikel 29, eerste lid, van het voormelde koninklijk besluit nr. 1). Deze verplichting werd opgeheven inzake boekhouding (artikel 2, § 1, van het koninklijk besluit van 25.01.2005 tot wijziging van het koninklijk besluit van 12.09.1983 tot uitvoering van de wet van 17.07.1975 op de boekhouding van de ondernemingen, het koninklijk besluit van 12.09.1983 tot bepaling van de minimumindeling van een algemeen rekeningstelsel en het koninklijk besluit van 16.06.1994 tot vaststelling van de bijdrage van de ondernemingen in de werkingskosten van de Commissie voor Boekhoudkundige Normen). Via administratieve toegeving, is deze verplichting tot visering en parafering geschorst.

Dit register kan op geïnformatiseerde wijze worden gehouden overeenkomstig de modaliteiten bepaald door of vanwege de Minister van Financiën.

9. Btw-register van de motorvoertuigen

A. Principe

Artikel 28 van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd, verplicht de garagisten en, meer algemeen, de belastingplichtigen of leden van een btw-eenheid in de zin van artikel 4, § 2, van het Btw-Wetboek, die geregeld bepaalde handelingen met betrekking tot motorvoertuigen verrichten, om een register bij te houden, per bedrijfszetel, bestemd voor de inschrijving van alle voertuigen die in hun inrichting binnenkomen met het oog op het verrichten van één of meerdere van deze handelingen.

Overeenkomstig artikel 29 van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd, moeten de inschrijvingen in het register zonder enig wit vlak noch leemte worden verricht; in geval van verbetering moet de oorspronkelijke inschrijving leesbaar blijven. Vóór elk gebruik moeten de registers genummerd worden en vervolgens voorgelegd worden om geviseerd en geparafeerd te worden op het btw-controlekantoor (controlecentrum) waaronder de belastingplichtige ressorteert (zie evenwel infra).

Dit register kan ook op geïnformatiseerde wijze worden gehouden overeenkomstig de modaliteiten bepaald door of vanwege de minister van Financiën.

Deze modaliteiten werden vastgelegd in de circulaire 2018/C/47 (nr. E.T. 130.170) van 19.04.2018 met betrekking tot het btw-register van de motorvoertuigen die bepaalt onder welke voorwaarden een geïnformatiseerd register kan gehouden worden. De belastingplichtige dient de integriteit van de inhoud en de leesbaarheid van het register te waarborgen tot het einde van de wettelijke bewaarperiode. De belastingplichtige bepaalt zelf de wijze waarop voldaan wordt aan deze twee voorwaarden. Het komt hem eveneens toe het bewijs hiertoe te leveren, op elke vraag van de bevoegde controleagenten van de administratie.

Voornoemde circulaire becommentarieert eveneens het bijhouden van dit register op papier en voorziet in randnummer 38 een tolerantie op de verplichting om het register vóór elk gebruik voor te leggen bij het hoofd van het btw-controlekantoor (controlecentrum) waaronder de belastingplichtige ressorteert om geviseerd en geparafeerd te worden. Deze verplichting werd afgeschaft wat betreft de boekhouding (artikel 2, § 1, van het koninklijk besluit van 25.01.2005). Bij wijze van administratieve tolerantie moet het register niet meer ter visering en parafering voorgelegd worden op voornoemd kantoor.

Dit register vervangt het register van de voor verkoop bestemde tweedehandse vervoermiddelen, dat wordt becommentarieerd in de aanschrijving nr. 4/1995 van 22.02.1995, evenals het register voor de werken aan motorvoertuigen, beschreven in de aanschrijving nr. 5/1995 van 02.03.1995.

Bovendien heeft het bijhouden van het hogervermeld garageregister tot gevolg dat, voor de handelingen die dienen te worden opgenomen in dit register, de verplichting wordt opgeheven voor het bijhouden of het invullen van het register bestemd voor de inschrijving van de goederen die het voorwerp uitmaken van een maakloonwerk in de zin van artikel 18, § 1, tweede lid, 1°, van het Btw-Wetboek, van een expertise of een materieel werk ander dan een maakloonwerk (artikel 25, § 4, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd).

B. Regeling

a. Beoogde handelingen en personen

Overeenkomstig artikel 28, §§ 1 en 4, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd, moet elke belastingplichtige of elk lid van een btw-eenheid in de zin van artikel 4, § 2, van het Btw-Wetboek, die, in het kader van zijn economische activiteit, regelmatig één of meerdere van de volgende handelingen verricht, per bedrijfszetel, een register bijhouden van de motorvoertuigen die in zijn inrichting aanwezig zijn:

• elke levering en/of dienstverrichting betreffende een motorvoertuig, met uitzondering van het wassen van goederen bedoeld in artikel 22, § 1, 3°, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd

• elke levering van tweedehandse voertuigen

• elke tussenkomst als tussenpersoon in de levering van tweedehandse motorvoertuigen

Deze bepaling is evenwel niet van toepassing op de belastingplichtigen of leden van een btw-eenheid in de zin van artikel 4, § 2, van het Btw-Wetboek, die uitsluitend handelingen van montage, assemblage of constructie verrichten.

b. Inschrijvingen in het register

Dit register moet door de betrokken persoon worden aangevuld door het inschrijven van:

• zodra het voertuig binnenkomt in zijn inrichting teneinde er het voorwerp uit te maken van een handeling bedoeld in subrubriek a hierboven, een volgnummer, de datum van binnenkomst van het voertuig in zijn inrichting, de nummerplaat van dit voertuig of, bij gebrek daaraan, zijn chassisnummer, in voorkomend geval, het identificatienummer van de opdrachtgever toegekend door een andere lidstaat en de code die de aard van de handeling identificeert (zie subrubriek e, hierna) en die wordt vastgesteld door de Minister van Financiën of zijn afgevaardigde

• wanneer het voertuig zijn inrichting verlaat: de datum van het verlaten van de inrichting

• ten laatste op het einde van de maand volgend op die waarin het voertuig zijn inrichting heeft verlaten, een verwijzing naar de factuur of, bij gebrek daaraan, naar een ander verantwoordingsstuk bedoeld in artikel 15, § 2, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd, of de reden waarom geen enkel stuk werd opgemaakt

c. Definities

Onder motorvoertuigen wordt verstaan de landvoertuigen die uitgerust zijn met een motor en onderworpen aan de reglementering betreffende de inschrijving.

De bromfietsen van klasse A, de bromfietsen van klasse B en de Speed Pedelecs worden niet beoogd door de verplichting tot inschrijving in het register (circulaire 2018/C/47 (nr. E.T. 130.170) van 19.04.2018, randnummer 6.

Onder tweedehandse motorvoertuigen wordt verstaan de hierboven beoogde voertuigen, met inbegrip van de voertuigen bedoeld in artikel 8bis, § 2, eerste lid, 2°, van het Btw-Wetboek en welke als zodanig of na herstelling geschikt zijn om opnieuw te worden gebruikt.

d. Plaats van bewaring - voorlegging van het register

Het btw-register van de motorvoertuigen moet zich bevinden op de bedrijfszetel tot het verstrijken van de derde maand die volgt op zijn sluiting (artikel 28, § 5, van het koninklijk besluit nr.1, voornoemd).

Tijdens deze periode moet het register op uitdrukkelijk verzoek van de ambtenaren van de administraties die bevoegd zijn voor de belasting over de toegevoegde waarde, de inkomstenbelastingen en de douane en accijnzen, zonder uitstel op de bedrijfszetel voorgelegd worden ter inzage.

Na deze termijn moet de belastingplichtige dit register in principe bewaren op zijn administratieve zetel of in ieder geval de bewaring van dit register organiseren zodat hij kan voldoen aan de verplichting tot voorlegging bedoeld in artikel 61, § 1, van het Btw-Wetboek.

Wanneer dit register op geïnformatiseerde wijze wordt gehouden, moet, ongeacht waar de gegevens digitaal worden bewaard, een volledige online toegang tot de betrokken gegevens gewaarborgd worden op de bedrijfszetel tot het verstrijken van de derde maand die volgt op zijn sluiting en na deze termijn op de administratieve zetel van de belastingplichtige.

e. Codes die de aard van de handeling vaststellen

Code 1

De code uitgedrukt door het cijfer ‘1’ zal worden gebruikt ter identificering van de handelingen van onderhoud, herstelling, omvorming, installatie, alsmede van elke andere handeling die niet strikt bedoeld wordt door de codes 2, 3 en 4.

Wanneer het voertuig het voorwerp moet uitmaken van een handeling als bedoeld door de code ‘1’, maar ook van handelingen bedoeld door de codes 2 en/of 3, moet enkel de code 1 worden vermeld.

Code 2

De code uitgedrukt door het cijfer ‘2’ zal worden gebruikt ter identificering van de handelingen die geheel worden verricht ter uitvoering van een waarborgverplichting.

In zover een handeling moet worden verricht deels onder garantie en deels op kosten van de klant of van enig ander persoon, zal de code ‘1’ worden gebruikt.

Code 3

De code uitgedrukt door het cijfer ‘3’ zal worden gebruikt wanneer het voertuig, tijdens zijn verblijf in de inrichting van de belastingplichtige, uitsluitend het voorwerp uitmaakt van een bestek, onder bezwarende titel of om niet.

Code 4

De code uitgedrukt door het cijfer ‘4’ zal worden gebruikt ter identificering, in hoofde van de persoon die wordt beoogd door het houden van het register, hetzij van de levering van een tweedehands motorvoertuig voor zijn rekening, hetzij van diens tussenkomst als tussenpersoon bij een dergelijke levering.

Als deze levering of tussenkomst bij deze levering eveneens gepaard gaat met het stellen, door de belastingplichtige of het lid van een btw-eenheid in de zin van artikel 4, § 2, van het Btw-Wetboek, dat het register moet houden, van een handeling, bedoeld door de codes 1 en/of 2 en/of 3, zal steeds de code ‘4’ worden vermeld.

10. Register van niet-overbrengingen

A. Principe

Krachtens artikel 54bis, § 1, eerste lid, van het Btw-Wetboek moet iedere belastingplichtige (of lid van een btw-eenheid in de zin van artikel 4, § 2, van het Btw-Wetboek) een register houden van de goederen die hij heeft verzonden of vervoerd, of die voor zijn rekening werden verzonden of vervoerd, naar een andere lidstaat voor de handelingen, bedoeld in artikel 12bis, tweede lid, 4° tot 6°, van het Btw-Wetboek (beslissing nr. E.T. 103.629 van 04.11.2002).

Anderzijds moet, overeenkomstig de bepalingen van artikel 58, § 4, 10°, van het Btw-Wetboek, de belastingplichtige wederverkoper bedoeld in 1° van dat artikel een register houden van de goederen, onderworpen aan de bijzondere regeling van de belastingheffing over de winstmarge, die hij heeft verzonden of vervoerd, of die voor zijn rekening werden verzonden of vervoerd, naar een andere lidstaat met het oog op eventuele verkoop in de lidstaat van aankomst van de verzending of van het vervoer van de goederen.

De artikelen 23, 24, 27 en 29 van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd, regelen de toepassingsmodaliteiten voor het houden van dit register.

De belastingplichtige vermeldt in dit register de goederen die door hemzelf of voor zijn rekening zijn verzonden of vervoerd, voor bedrijfsdoeleinden, naar een andere lidstaat, met het oog op:

• de verrichting voor de belastingplichtige van een dienst in verband met werkzaamheden betreffende deze goederen, die daadwerkelijk worden verricht in de lidstaat van aankomst van de verzending of het vervoer van de goederen, voor zover de goederen na de werkzaamheden worden teruggezonden naar de belastingplichtige in België van waar zij oorspronkelijk verzonden of vervoerd werden

• het tijdelijk gebruik van deze goederen op het grondgebied van de lidstaat van aankomst van de verzending of van het vervoer van deze goederen, ten behoeve van een dienst die door de belastingplichtige wordt verricht

• het tijdelijk gebruik van deze goederen voor een periode van ten hoogste 24 maanden op het grondgebied van een andere lidstaat, waar de invoer van dezelfde goederen uit een derde land, met het oog op tijdelijk gebruik, in aanmerking zou komen voor de regeling voor tijdelijke invoer met volledige vrijstelling van invoerrechten

• de eventuele verkoop indien de belastingplichtige een belastingplichtige wederverkoper is, bedoeld in artikel 58, § 4, van het Btw-Wetboek, die de goederen onderwerpt aan de bijzondere regeling van belastingheffing over de winstmarge

B. Vermeldingen in te schrijven in het register

In dit register vermeldt de belastingplichtige, voor elke handeling (artikel 24, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd):

• een volgnummer

• de datum van de handeling

• de naam en het adres van de bestemmeling van de betrokken goederen

• in voorkomend geval, het btw-identificatienummer van die bestemmeling en de plaats van bestemming van de betrokken goederen

• de hoeveelheid van de verzonden of de vervoerde goederen en de gebruikelijke benaming van deze goederen

• hun nummers of identificatiekentekens wanneer deze ervan voorzien zijn

• de waarde van de verzonden of de vervoerde goederen bepaald overeenkomstig artikel 33, 1° van het Btw-Wetboek

• de datum van terugkeer van de goederen

• de hoeveelheid en de gebruikelijke benaming van de teruggekeerde goederen, wanneer deze verschillen van die der verzonden of vervoerde goederen

• de hoeveelheid van de goederen die niet zijn teruggekeerd, alsook de reden van niet terugkeer

• de datum en het inschrijvingsnummer in de factuurboeken van de facturen of de als zodanig geldende stukken en van de creditnota's die hij heeft ontvangen of uitgereikt met betrekking tot deze handelingen

Wanneer de belastingplichtigen een boekhouding voeren waarin deze vermeldingen voorkomen, zijn zij ervan ontheven een dergelijk register te houden (artikel 27 van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd).

Bovendien moet het register, in principe, vóór elk gebruik worden genummerd en vervolgens, ter visering en parafering, worden voorgelegd op het btw-controlekantoor (team beheer) van het ambtsgebied waarin de belastingplichtige gevestigd is (artikel 29, eerste lid, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd). Deze verplichting werd opgeheven inzake boekhouding (artikel 2, § 1, van het koninklijk besluit van 25.01.2005 tot wijziging van het koninklijk besluit van 12.09.1983 tot uitvoering van de wet van 17.07.1975 op de boekhouding van de ondernemingen, het koninklijk besluit van 12.09.1983 tot bepaling van de minimumindeling van een algemeen rekeningstelsel en het koninklijk besluit van 16.06.1994 tot vaststelling van de bijdrage van de ondernemingen in de werkingskosten van de Commissie voor Boekhoudkundige Normen). Via administratieve toegeving, is deze verplichting tot visering en parafering geschorst.

Anderzijds kan dit register op geïnformatiseerde wijze gehouden worden overeenkomstig de modaliteiten bepaald door of vanwege de minister van Financiën (artikel 29, tweede lid, van het voornoemd koninklijk besluit nr. 1, voornoemd).

Overigens, voor wat betreft de verzending of het vervoer van een lichamelijk goed buiten België maar binnen de Gemeenschap, door of voor rekening van een belastingplichtige gevestigd in België, voor zover dit goed respectievelijk:

• tijdelijk gebruikt wordt op het grondgebied van de lidstaat van aankomst van de verzending of het vervoer van het goed, ten behoeve van een dienstverrichting door de belastingplichtige (artikel 12bis, tweede lid, 5°, van het Btw-Wetboek)

• tijdelijk gebruikt wordt voor een periode van ten hoogste 24 maanden op het grondgebied van een andere lidstaat waar de invoer van hetzelfde goed uit een derde land met het oog op een tijdelijk gebruik in aanmerking zou komen voor de regeling van tijdelijke invoer met volledige vrijstelling van invoerrechten (artikel 12bis, tweede lid, 6°, van het Btw-Wetboek)

heeft de administratie beslist, bij wijze van proef, geen kritiek te leveren, vanaf 01.01.1993, op de niet-inschrijving in het register van niet-overbrengingen, van volgende goederen:

• de vervoermiddelen die in België ingeschreven zijn in een normale reeks

• laadborden, containers en andere speciaal ontworpen en herbruikbare verpakkingsgoederen bestemd voor transporten

• uitrusting voor de pers, voor de radio en voor de televisie

• de beroepsuitrusting die nodig is voor de uitoefening van een ambacht of van een beroep wanneer:

o de prijs van dit goed of, bij gebreke van een prijs, de normale waarde ervan, per gebruikelijke handelseenheid, minder bedraagt dan 1.250 euro en het materieel niet meer dan zeven dagen buiten België gebruikt wordt

o de prijs van dit goed of, bij gebreke van een prijs, de normale waarde ervan, per gebruikelijke handelseenheid, minder bedraagt dan 250 euro en het materieel meer dan zeven dagen maar minder dan 24 maanden buiten België gebruikt wordt

• de draagbare computers en aanverwante beroepsuitrusting meegenomen naar een andere lidstaat tijdens beroepsreizen door kaderleden of personeelsleden van een belastingplichtige onderneming of instelling

11. Het consignantenregister

A. Principe

Via een aanpassing van de richtlijn 2006/112/EG en de uitvoeringsverordening EU/282/2011 werd een vereenvoudigde regeling inzake voorraad op afroep ingevoerd, die op geharmoniseerde wijze van toepassing is in alle lidstaten.

Deze wijzigingen werden omgezet in het Belgische Btw-Wetboek door de Wet van 03.11.2019 tot wijziging van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde ter omzetting van richtlijn (EU) 2019/475 en richtlijn (EU) 2018/1910, gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 13.11.2019, en in het koninklijk besluit nr. 1 door het koninklijk besluit van 11.12.2019 tot wijziging van de koninklijke besluiten nr. 1, 3 en 44 met betrekking tot de belasting over de toegevoegde waarde wat de registers in het kader van de regeling inzake voorraad op afroep, de herzieningen inzake onroerende bedrijfsmiddelen en de niet-proportionele fiscale geldboeten met betrekking tot overtredingen inzake de verplichting tot indiening van de btw-opgave van de intracommunautaire handelingen en de lijst van de intracommunautaire leveringen van nieuwe vervoermiddelen, betreft, gepubliceerd in het Belgisch staatsblad van 23.12.2020.

Deze bepalingen zijn van toepassing op goederen die werden verzonden of vervoerd vanaf 01.01.2020, vanuit België naar een andere lidstaat of omgekeerd onder de vereenvoudigde regeling inzake voorraad op afroep beoogd in artikel 17bis van de richtlijn 2006/112/EG.

Krachtens artikel 54bis, § 1, derde lid (nieuw), van het Btw-Wetboek, houdt elke belastingplichtige, die goederen verzendt naar een andere lidstaat in het kader van de regeling inzake voorraad op afroep beoogd door artikel 12ter, een register bij dat de administratie, bevoegd met de belasting over de toegevoegde waarde, in staat stelt de correcte toepassing van de regeling te controleren.

De artikelen 24bis en 29, van het koninklijk besluit nr. 1, voormeld, regelen de toepassingsmodaliteiten betreffende het houden van dit register.

Inzake het houden van dit register, worden de goederen van zijn onderneming beoogd die worden verzonden of vervoerd door of voor rekening van een belastingplichtige onder de regeling inzake voorraad op afroep, naar een andere lidstaat.

Krachtens artikel 12ter, § 2, van het Btw-Wetboek, wordt geacht sprake te zijn van een regeling inzake voorraad op afroep wanneer aan de volgende voorwaarden is voldaan:

• de goederen worden verzonden of vervoerd door een belastingplichtige of door een derde partij voor diens rekening naar een andere lidstaat om die goederen daar, in een later stadium en na aankomst, aan een andere belastingplichtige te leveren die ertoe gerechtigd zal zijn om over deze goederen als eigenaar te beschikken krachtens een bestaande overeenkomst tussen de beide belastingplichtigen;

• de belastingplichtige die de goederen verzendt of vervoert, heeft zijn zetel van economische activiteit niet gevestigd en heeft geen vaste inrichting in de lidstaat waarnaar de goederen worden verzonden of vervoerd;

• de belastingplichtige voor wie de goederen zijn bestemd om te worden geleverd, is voor btw-doeleinden geïdentificeerd in de lidstaat waarnaar de goederen worden verzonden of vervoerd, en zowel zijn identiteit als het btw-identificatienummer dat door die lidstaat aan hem is toegekend, zijn bij de belastingplichtige bekend op het tijdstip waarop de verzending of het vervoer aanvangt;

• de belastingplichtige die de goederen verzendt of vervoert, neemt het vervoer van de goederen op in het in artikel 54bis, § 1, derde lid, bedoelde register en vermeldt de identiteit van de belastingplichtige die de goederen afneemt, evenals het btw-identificatienummer dat aan hem is toegekend door de lidstaat waarnaar de goederen worden verzonden of vervoerd, overeenkomstig artikel 53sexies, § 1, 4°, in de btw-opgave van de intracommunautaire handelingen.

B. Vermeldingen door het register te bevatten

Dit register moet voor elke handeling de volgende informatie bevatten (zie artikel 54bis, lid 1, van de uitvoeringsverordening EU/282/2011):

• de lidstaat waaruit de goederen zijn verzonden of vervoerd en de datum van verzending of vervoer van de goederen;

• het btw-identificatienummer van de consignataris, toegekend door de lidstaat waarnaar de goederen worden verzonden of vervoerd;

• de lidstaat waarnaar de goederen worden verzonden of vervoerd, het btw-identificatienummer van de entrepothouder, het adres van het entrepot waar de goederen bij aankomst worden opgeslagen en de datum van aankomst van de goederen in het entrepot;

• de waarde, de beschrijving en de hoeveelheid van de in het entrepot aangekomen goederen;

• het btw-identificatienummer van de belastingplichtige die de consignataris vervangt onder de in artikel 12ter, § 6, van het Btw-Wetboek, bedoelde omstandigheden;

• de maatstaf van heffing, de beschrijving en de hoeveelheid van de geleverde goederen en de datum waarop de levering van de goederen plaatsvindt, en het btw-identificatienummer van de koper;

• de maatstaf van heffing, de beschrijving en de hoeveelheid van de goederen, de datum waarop een situatie zich voordoet waarin één van de voorwaarden van de regeling inzake voorraad op afroep niet langer vervuld is en de respectieve grond overeenkomstig artikel 12ter, § 7, van het Btw-Wetboek;

• de waarde, de beschrijving en de hoeveelheid van de teruggezonden goederen en de datum van terugzending van de goederen in de omstandigheden voorzien door artikel 12ter, § 5, van het Btw-Wetboek.

Elk lid van een btw-eenheid houdt het consignantenregister voor de handelingen die hem betreffen (zie artikel 24bis, § 2, van het koninklijk besluit nr. 1, voormeld).

De inschrijvingen in het register worden zonder enig wit vlak noch leemte verricht. Ingeval van verbeteringen moet de oorspronkelijke inschrijving leesbaar blijven.

Artikel 29, eerste lid, van het koninklijk besluit nr. 1, voormeld, bepaalt dat vóór elk gebruik het register moet worden voorgelegd om geviseerd en geparafeerd te worden op het controlekantoor van de belasting over de toegevoegde waarde waaronder de belastingplichtige ressorteert. Deze verplichting is opgeheven op het gebied van boekhouding (zie artikel 2, § 1, van het koninklijk besluit van 25.01.2005 tot wijziging van het koninklijk besluit van 12.09.1983 tot uitvoering van de wet van 17.07.1975 op de boekhouding van de ondernemingen, het koninklijk besluit van 12.09.1983 tot bepaling van de minimumindeling van een algemeen rekeningstelsel en het koninklijk besluit van 16.06.1994 tot vaststelling van de bijdrage van de ondernemingen in de werkingskosten van de Commissie voor Boekhoudkundige Normen). Bij administratieve tolerantie is deze verplichting van visa en paraaf opgeschort.

Het register kan op geïnformatiseerde wijze worden gehouden (zie artikel 29, tweede lid van het koninklijk besluit nr. 1 voormeld).

Overeenkomstig artikel 64, § 1, van het Btw-Wetboek bestaat het weerlegbaar wettelijk vermoeden dat hij die goederen verkrijgt of produceert om ze te verkopen behoudens tegenbewijs wordt geacht de door hem verkregen of geproduceerde goederen te hebben geleverd onder voorwaarden waaronder de belasting opeisbaar wordt. De consignant heeft er dus alle belang bij om het consignantenregister nauwgezet bij te houden aangezien het een belangrijk element is om het vermoeden te weerleggen. Indien de belastingplichtigen een boekhouding houden waarin deze vermeldingen voorkomen, zijn ze ontheven van het houden van een dergelijk register (artikel 27 van het koninklijk besluit nr. 1, voormeld).

12. Het consignatarisregister

A. Principe

Via een aanpassing van de richtlijn 2006/112/EG en de uitvoeringsverordening EU/282/2011 werd een vereenvoudigde regeling inzake voorraad op afroep ingevoerd, die op geharmoniseerde wijze van toepassing is in alle lidstaten (zie Afdeling 7, titel 11, hiervoor).

Krachtens artikel 54bis, § 1, vierde lid (nieuw), van het Btw-Wetboek, houdt elke belastingplichtige, bestemmeling van een levering van goederen in België in het kader van de regeling inzake voorraad op afroep, beoogd door artikel 17bis van de richtlijn 2006/112/EG een register bij van deze goederen.

De artikelen 24bis en 29, van het koninklijk besluit nr. 1, voormeld, regelen de toepassingsmodaliteiten betreffende het houden van dit register.

Inzake het houden van dit register, worden de goederen van zijn onderneming beoogd die worden verzonden of vervoerd door of voor rekening van een belastingplichtige onder de regeling inzake voorraad op afroep, naar een andere lidstaat.

Krachtens artikel 17bis, paragraaf 2, van de richtlijn 2006/112/EG, voormeld, wordt geacht sprake te zijn van een regeling inzake voorraad op afroep wanneer aan de volgende voorwaarden is voldaan:

• de goederen worden verzonden of vervoerd door een belastingplichtige of door een derde partij voor diens rekening naar een andere lidstaat om die goederen daar, in een later stadium en na aankomst, aan een andere belastingplichtige te leveren die ertoe gerechtigd zal zijn om over deze goederen als eigenaar te beschikken krachtens een bestaande overeenkomst tussen de beide belastingplichtigen;

• de belastingplichtige die de goederen verzendt of vervoert, heeft zijn zetel van economische activiteit niet gevestigd en heeft geen vaste inrichting in de lidstaat waarnaar de goederen worden verzonden of vervoerd;

• de belastingplichtige voor wie de goederen zijn bestemd om te worden geleverd, is voor btw-doeleinden geïdentificeerd in de lidstaat waarnaar de goederen worden verzonden of vervoerd, en zowel zijn identiteit als het btw-identificatienummer dat door die lidstaat aan hem is toegekend, zijn bij de belastingplichtige bekend op het tijdstip waarop de verzending of het vervoer aanvangt;

• de belastingplichtige die de goederen verzendt of vervoert, neemt het vervoer van de goederen op in het in artikel 243, paragraaf 3, van de richtlijn 2006/112/EG, bedoelde register en vermeldt de identiteit van de belastingplichtige die de goederen afneemt, evenals het btw-identificatienummer dat aan hem is toegekend door de lidstaat waarnaar de goederen worden verzonden of vervoerd, in de verzamelstaat voorzien door artikel 262, paragraaf 2, van de richtlijn 2006/112/EG.

B. Vermeldingen door het register te bevatten

Dit register moet voor elke handeling de volgende informatie bevatten (zie artikel 54bis, lid 2, van de uitvoeringsverordening EU/282/2011):

• het btw-identificatienummer van de consignant;

• de beschrijving en de hoeveelheid van de voor hem bestemde goederen;

• de datum van aankomst in het entrepot van de voor hem bestemde goederen;

• de maatstaf van heffing, de beschrijving en de hoeveelheid van de aan hem geleverde goederen en de datum waarop de intracommunautaire verwerving van de goederen (zie artikels 25bis, § 3 en 25sexies, § 1, van het Btw-Wetboek) geacht werd plaats te vinden;

• de beschrijving en de hoeveelheid van de goederen en de datum waarop de goederen in opdracht van de consignant uit het entrepot worden verwijderd;

• de beschrijving en de hoeveelheid van de vernietigde of verdwenen goederen en de datum van vernietiging, verlies of diefstal van de voordien in het entrepot aangekomen goederen of de datum waarop de vernietiging of verdwijning van de goederen is vastgesteld.

De informatie bedoeld onder het 3de , 5de en 6de punt, moet niet in het consignatarisregister worden opgenomen, wanneer de goederen in het kader van de regeling inzake voorraad op afroep worden verzonden of vervoerd naar een entrepothouder die niet de consignataris is (zie artikel 54bis, lid 2, tweede alinea, van de uitvoeringsverordening EU/282/2011).

Elke lid van een btw-eenheid houdt het consignatarisregister voor de handelingen die hem betreffen (artikel 24ter, § 2, van het koninklijk besluit nr. 1, voormeld).

De inschrijvingen in het register worden zonder enig wit vlak noch leemte verricht. Ingeval van verbeteringen moet de oorspronkelijke inschrijving leesbaar blijven.

Artikel 29, eerste lid, van het koninklijk besluit nr. 1, voormeld, bepaalt dat vóór elk gebruik het register moet worden voorgelegd om geviseerd en geparafeerd te worden op het controlekantoor van de belasting over de toegevoegde waarde waaronder de belastingplichtige ressorteert. Deze verplichting is opgeheven op het gebied van boekhouding (zie artikel 2, § 1, van het koninklijk besluit van 25.01.2005 tot wijziging van het koninklijk besluit van 12.09.1983 tot uitvoering van de wet van 17.07.1975 op de boekhouding van de ondernemingen, het koninklijk

besluit van 12.09.1983 tot bepaling van de minimumindeling van een algemeen rekeningstelsel en het koninklijk besluit van 16.06.1994 tot vaststelling van de bijdrage van de ondernemingen in de werkingskosten van de Commissie voor Boekhoudkundige Normen). Bij administratieve tolerantie is deze verplichting van visa en paraaf opgeschort.

Het register kan op geïnformatiseerde wijze worden gehouden (zie artikel 29, tweede lid van het koninklijk besluit nr. 1, voormeld).

Overeenkomstig artikel 65 van het Btw-Wetboek bestaat het weerlegbaar wettelijk vermoeden dat op zicht gezonden of in consignatie gegeven goederen (verzending van voorraad op afroep inbegrepen) worden geacht door de geadresseerde of de consignataris te zijn gekocht, indien deze niet kan bewijzen dat hij ze onder zich houdt of ze aan de afzender of de consignant heeft teruggestuurd. In die situatie heeft de consignataris er alle belang bij om het consignatarisregister nauwgezet bij te houden aangezien het een belangrijk element is om het vermoeden te weerleggen.

13. De boekhouding van de belastingplichtigen, bedoeld in artikel 56bis van het Btw-Wetboek (kleine ondernemingen, onderworpen aan de vrijstellingsregeling van belasting)

De belastingplichtige voert een boekhouding naargelang de omvang van zijn activiteit. Deze boekhouding moet het mogelijk maken de btw toe te passen en te controleren; zij is gebaseerd op het houden van minimum drie boeken.

De kleine ondernemingen onderworpen aan de vrijstellingsregeling van belasting bedoeld in artikel 56bis, van het Btw-Wetboek, genieten faciliteiten voor het houden van hun boekhouding.

A. Boek voor inkomende en boek voor uitgaande facturen

Krachtens artikel 14, § 4, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd, is de belastingplichtige onderworpen aan de vrijstellingsregeling van belasting ervan ontheven een boek voor inkomende en uitgaande facturen te houden wanneer:

• hij de facturen en de stukken of, in voorkomend geval, de dubbels van de facturen en de stukken bewaart, die in principe worden ingeschreven in het boek voor inkomende of uitgaande facturen, volgens een ononderbroken reeks volgnummers welke hij eraan toekent bij de ontvangst, de uitreiking of het opmaken ervan

• hij een speciaal register houdt bedoeld in titel 16 hierna

B. Dagboek van ontvangsten

De belastingplichtige onderworpen aan de vrijstellingsregeling moet het dagboek van ontvangsten houden als bedoeld in titel 5, met dien verstande evenwel dat de ontvangsten niet moeten worden opgesplitst per toepasselijk btw-tarief.

C. Andere verplichtingen

Deze kleine ondernemingen moeten nog klantenrekeningen houden teneinde de jaarlijkse opgave van de afnemers-belastingplichtigen op te stellen.

14. De boekhouding van de belastingplichtigen bedoeld in artikel 57 van het Btw-Wetboek (bijzondere landbouwregeling)

De belastingplichtigen onderworpen aan de bijzondere regeling van de landbouwondernemingen houden een zeer beperkte boekhouding. Zij moeten evenwel enerzijds klantenrekeningen houden met het oog op het opstellen van hun jaarlijkse opgave van de belastingplichtige-afnemers en de jaarlijkse opgave van de intracommunautaire handelingen (zie titel 8), alsook het register bedoeld in titel 15 hierna. Daarenboven moeten zij eveneens een register van niet-overbrengingen houden (zie titel 11) en moeten zij op elk ogenblik in staat zijn om ten behoeve van de ambtenaren van de administratie, voor het lopende kalenderjaar, het totale bedrag te bepalen van hun leveringen van goederen die in aanmerking komen voor de berekening van de drempels bedoeld door de regeling van de verkopen op afstand (artikel 16, § 1 van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd).

15. De boekhouding van de niet-belastingplichtige rechtspersonen en de belastingplichtigen die uitsluitend handelingen verrichten die krachtens artikel 44 van het Btw-Wetboek van de belasting zijn vrijgesteld en waarvoor zij geen enkel recht op aftrek hebben

De niet-belastingplichtige rechtspersonen, evenals de belastingplichtigen die uitsluitend handelingen verrichten die krachtens artikel 44 van het Btw-Wetboek, van de belasting zijn vrijgesteld en waarvoor zij geen enkel recht op aftrek hebben, moeten voor de toepassing van de btw geen boekhouding houden uitgezonderd het register bedoeld in titel 16 hierna.

16. Het register dat moet bijgehouden worden door de belastingplichtigen onderworpen aan de vrijstellingsregeling van belasting, de belastingplichtigen onderworpen aan de bijzondere regeling van de landbouwondernemingen, de belastingplichtigen die uitsluitend handelingen verrichten die krachtens artikel 44 van het Btw-Wetboek van de belasting zijn vrijgesteld en waarvoor zij geen recht op aftrek hebben en de niet-belastingplichtige rechtspersonen

De belastingplichtigen onderworpen aan de vrijstellingsregeling van belasting, de belastingplichtigen onderworpen aan de bijzondere regeling voor de landbouwondernemingen, de belastingplichtigen die uitsluitend handelingen verrichten die krachtens artikel 44, van het Btw-Wetboek, van de belasting zijn vrijgesteld en waarvoor zij geen enkel recht op aftrek hebben en de niet-belastingplichtige rechtspersonen moeten een register houden waarin zij de facturen en de stukken met betrekking tot hun activiteit inschrijven die de handelingen vaststellen waarvoor zij schuldenaar zijn van de belasting. Voor deze handelingen moeten zij een bijzondere aangifte indienen.

Correlatief met dit register, zijn deze personen gehouden tot het opstellen van een teruggaafregister (artikel 4 van het koninklijk besluit nr. 4, voornoemd).

Bovendien moeten de hierboven genoemde personen op elk ogenblik in staat zijn om ten behoeve van de ambtenaren van de administratie, voor het lopende kalenderjaar, het totale bedrag te bepalen van hun intracommunautaire verwervingen van andere goederen dan nieuwe vervoermiddelen en accijnsproducten (artikel 16, § 2, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd). Deze bepalingen betreffen echter niet de voornoemde personen die ervoor gekozen hebben hun bovengenoemde intracommunautaire verwervingen aan de belasting in België te onderwerpen wanneer het totale bedrag van deze verwervingen voor het lopende kalenderjaar of voor het vorige kalenderjaar de drempel van 11.200 euro niet bereikt.

Om aan deze verplichting te voldoen dienen de hierboven vermelde personen die geen boekhouding voeren die het mogelijk maakt, per kalenderjaar, na te gaan of de voormelde drempel al of niet werd overschreden, bij voorbeeld, een lijst die of een geschikt register dat toelaat de drempel te controleren, te houden.

[Top]

Afdeling 8 - Jaarlijkse opgave van de handelingen met afnemers-belastingplichtigen

1. Principe

Krachtens artikel 53quinquies van het Btw-Wetboek en artikel 1, § 1, van het koninklijk besluit nr. 23 van 09.12.2009 met betrekking tot de jaarlijkse lijst van de btw-belastingplichtige afnemers, zijn de belastingplichtigen die overeenkomstig artikel 50, § 1, eerste lid, 1°, van het Btw-Wetboek, met uitsluiting van de btw-eenheden in de zin van artikel 4, § 2, van het Btw-Wetboek, en artikel 50, § 1, eerste lid, 3°, van het Btw-Wetboek voor btw-doeleinden zijn geïdentificeerd, de leden van een btw-eenheid bedoeld in artikel 50, § 1, eerste lid, 6°, van het Btw-Wetboek, de niet in België gevestigde belastingplichtigen die voor de handelingen die zij hier te lande verrichten zijn vertegenwoordigd door een vooraf erkende persoon, overeenkomstig artikel 55, § 3, tweede lid, van het Btw-Wetboek, en de andere niet in België gevestigde belastingplichtigen bedoeld in artikel 50, § 3, van het Btw-Wetboek, gehouden jaarlijks voor elk lid van een btw-eenheid en voor iedere belastingplichtige die voor btw-doeleinden moet geïdentificeerd zijn, behalve voor degenen die uitsluitend handelingen verrichten die krachtens artikel 44 van het Btw-Wetboek van de belasting zijn vrijgesteld, en waaraan zij goederen hebben geleverd of diensten hebben verstrekt in de loop van het vorige jaar, de administratie belast met de belasting over de toegevoegde waarde in kennis te stellen van het totale bedrag van die handelingen alsmede van het totale bedrag van de in rekening gebrachte belasting.

Het opmaken van de jaarlijkse lijst van de btw-belastingplichtige afnemers, ook ‘klantenlisting’ genoemd, maakt het voorwerp uit van de aanschrijving nr. 3/1986 van 20.03.1986.

2. Personen die de jaarlijkse lijst moeten opmaken

Alle belastingplichtigen en leden van een btw-eenheid dienen dus de jaarlijkse lijst van hun belastingplichtige afnemers op te maken, met uitzondering van de belastingplichtigen die uitsluitend handelingen verrichten die krachtens artikel 44 van het Btw-Wetboek van de belasting zijn vrijgesteld zonder enig recht op aftrek te doen ontstaan. Het betreft in hoofdzaak:

• belastingplichtigen die periodieke aangiften indienen

• de in artikel 57 van het Btw-Wetboek bedoelde landbouwondernemers

• de belastingplichtigen onder de vrijstellingsregeling van belasting voorzien in artikel 56bis van het Btw-Wetboek. Echter, de belastingplichtige op wie de in artikel 56bis, van het Btw-Wetboek, bedoelde regeling van toepassing is en die geen enkele in de lijst op te nemen handeling verricht, is niet gehouden de administratie hiervan in kennis te stellen (artikel 53quinquies, derde lid, van het Btw-Wetboek)

• bepaalde categorieën van belastingplichtigen die door de administratie worden ontheven van het indienen van periodieke aangiften, zoals bijvoorbeeld:

o verkopers van recuperatiestoffen en –producten (aanschrijving nr. 88/1970 van 15.12.1970 en 120/1971 van 30.07.1971)

o artsen en ziekenhuizen die naast hun krachtens artikel 44 van het Btw-Wetboek vrijgestelde activiteiten geen andere met btw belaste activiteit verrichten dan onderzoekswerk, met inbegrip van klinische proeven en kiezen voor de bijzondere regeling voor artsen en ziekenhuizen. Deze artsen en ziekenhuizen zijn overeenkomstig artikel 53quinquies van het Btw-Wetboek gehouden om jaarlijks vóór 31 maart een opgave in te dienen van de btw-belastingplichtige afnemers. Concreet dienen de artsen en ziekenhuizen een opgave in te dienen bevattende de opdrachtgevers voor wie ze het afgelopen kalenderjaar voor minstens 250 euro (exclusief btw) onderzoekswerken hebben verricht (beslissing nr. E.T. 116.111 van 21.02.2011).

o de advocaten die gekozen hebben voor de facultatieve bijzondere regeling voor de advocaten-medewerkers en advocaten-stagiairs. De advocaat-medewerkers of -stagiairs zijn krachtens artikel 53quinquies van het Btw-Wetboek gehouden om jaarlijks vóór 31 maart een opgave in te dienen van de btw-belastingplichtige afnemers. Concreet dienen de advocaat-medewerkers of -stagiairs een opgave in te dienen van de belastingplichtige afnemers voor wie ze het afgelopen kalenderjaar voor minstens 250 euro (exclusief btw) prestaties hebben verricht (circulaire AAFisc nr. 47/2013 (nr. E.T. 124.411) van 20.11.2013 (bijwerking 01.04.2017), randnummers 164 tot 188).

• bepaalde categorieën van belastingplichtigen die onder welbepaalde voorwaarden, in het kader van bijzondere regelingen, een ander type van aangiften mogen indienen, zoals bijvoorbeeld:

o de organisatoren van sportevenementen die in beginsel onderworpen zijn aan de normale regeling die slechts één maal per jaar een sportevenement organiseren en buiten het kader van dit sportevenement geen andere met btw te belasten handelingen verrichten. Zij zijn gehouden een specifieke jaaraangifte in te dienen ten laatste op het einde van de tweede kalendermaand volgend op de maand waarin het bedoelde sportevenement eindigt, evenals een jaarlijkse opgave van de handelingen met afnemers-belastingplichtigen (beslissing nr. E.T. 119.653 van 11.07.2011).

Anderzijds ontslaat de administratie bepaalde belastingplichtigen van de indiening van de jaarlijkse lijst. Het gaat onder meer om belastingplichtigen die eveneens ontslagen zijn van de indiening van periodieke btw-aangiften (aanschrijving nr. 3/1986 van 20.03.1986, randnummer 8):

• de schippers die niet meer dan vijf boten exploiteren en geen periodieke btw-aangiften indienen (aanschrijving nr. 109/1970 van 31.12.1970, 84/1971 van 14.05.1971 en 2/1973 van 04.01.1973)

De niet in België gevestigde belastingplichtigen die in België belastbare diensten verrichten die bestaan uit bezoldigd personenvervoer over de weg, die onder bepaalde voorwaarden genieten van een afwijking op de na te leven formaliteiten op het vlak van btw, zijn niet gehouden tot indiening van de jaarlijkse lijst van de belastingplichtige afnemers (punt 10 van de beslissing nr. E.T. 122.611 van 20.02.2014)

De niet in België gevestigde organisatoren van schouwspelen, manifestaties en beurzen, de niet in België gevestigde deelnemers aan schouwspelen, manifestaties en beurzen en de niet in België gevestigde tussenpersonen gespecialiseerd in merchandising op dergelijke evenementen kunnen onder de voorwaarden bedoeld in de beslissing nr. E.T. 116.547 van 09.06.2009 de bijzondere regeling ‘manifestaties, beurzen en merchandising’ genieten (beslissing nr. E.T. 116.547 van 09.06.2009 - bijlage 1, aangifte en bijlage 2, bijlage bij de aangifte). Deze regeling voorziet een afwijking op de na te leven formaliteiten op het stuk van de btw en houdt onder andere in dat zij niet gehouden zijn tot indiening van de jaarlijkse lijst van de belastingplichtige-afnemers bedoeld in artikel 53quinquies van het Btw-Wetboek.

Voor de belastingplichtigen die niet in België gevestigd zijn en die een aansprakelijke vertegenwoordiger hebben laten erkennen of vertegenwoordigd worden door een vooraf erkende persoon moet, naargelang het geval, de aansprakelijke vertegenwoordiger of de vooraf erkende persoon de jaarlijkse lijst indienen. Artikel 55, § 4, van het Btw-Wetboek bepaalt namelijk dat de aansprakelijke vertegenwoordiger (of de vooraf erkende persoon) in de plaats wordt gesteld van zijn lastgever ten aanzien van alle rechten die aan laatstgenoemde zijn verleend of van alle verplichtingen die hem zijn opgelegd door of ter uitvoering van dit Wetboek.

Wanneer een aansprakelijke vertegenwoordiger verschillende in het buitenland gevestigde belastingplichtigen vertegenwoordigt, moet hij voor iedere belastingplichtige die hij vertegenwoordigt een klantenlisting opstellen. Deze lijst wordt ingediend onder het individueel btw-identificatienummer dat aan deze belastingplichtige werd toegekend. De vooraf erkende persoon is, wat hem betreft, gehouden om één enkele jaarlijkse lijst (onder het globaal nummer) in te dienen voor het geheel van de in het buitenland gevestigde belastingplichtigen die hij vertegenwoordigt.

De curator van een gefailleerde belastingplichtige is gehouden de jaarlijkse lijst van de btw-belastingplichtige afnemers van de gefailleerde in te dienen met de handelingen die na het vonnis van faillietverklaring werden verricht. Artikel 53undecies, NIEUW, van het Btw-Wetboek bepaalt namelijk dat wanneer de belastingplichtige failliet wordt verklaard, de curator in het kader van de vereffening in de plaats wordt gesteld van de belastingplichtige ten aanzien van alle rechten die zijn verleend en alle verplichtingen die zijn opgelegd aan de laatstgenoemde door het Wetboek en de ter uitvoering ervan genomen besluiten.

De in artikel 44 van het Btw-Wetboek bedoelde belastingplichtigen moeten deze jaarlijkse lijst niet indienen.

Wat de btw-eenheden in de zin van artikel 4, § 2, van het Btw-Wetboek betreft, bestaat de verplichting tot indiening van de jaarlijkse klantenlisting enkel in hoofde van hun leden voor de handelingen die hen betreffen. Elk lid is gehouden zijn eigen klantenlisting binnen de wettelijke termijn in te dienen onder het sub-btw-identificatienummer, dat hem door de administratie werd toegekend op grond van artikel 50, § 1, eerste lid, 6°, van het Btw-Wetboek.

Opmerking:

Vóór 31 maart van ieder jaar moet de belastingplichtige onderworpen aan de vrijstellingsregeling van belasting bij het team Beheer waaronder hij ressorteert een lijst indienen waarin hij elke belastingplichtige afnemer opneemt waaraan hij goederen heeft geleverd of diensten heeft verstrekt voor minstens 250 euro. De kleine ondernemingen die de vrijstellingsregeling van belasting toepassen op 31 december van het jaar waarop bovengenoemde lijst betrekking heeft, zijn gehouden deze lijst aan te vullen met een verklaring die melding maakt van:

• het bedrag van het omzetcijfer gerealiseerd in de loop van het kalenderjaar waarop deze lijst betrekking heeft, berekend overeenkomstig artikel 56bis, § 4 van het Btw-Wetboek

• de datum (dag/maand) waarop de kleine onderneming van de vrijstellingsregeling van belasting is beginnen genieten, indien de werkzaamheid onder de vrijstellingsregeling van belasting werd aangevangen in de loop van het jaar waarop voornoemde lijst betrekking heeft

De jaarlijkse lijst van de belastingplichtige afnemers en de aangifte van het omzetcijfer maken het voorwerp uit van één enkel formulier. De verplichting om deze opgave langs elektronische weg in te dienen geldt niet voor de belastingplichtige die onderworpen is aan de vrijstellingsregeling. Hij kan wel opteren om de indiening op elektronische wijze te doen (circulaire AAFisc nr. 34/2014 (nr. E.T. 123.849) van 25.08.2014).

De belastingplichtigen die de vrijstellingsregeling bedoeld in artikel 56bis van het Btw-Wetboek genieten en die in de loop van het voorbije jaar geen handelingen hebben verricht die moeten worden opgenomen in de klantenlisting, moeten sedert 01.07.2016 niet langer een nihil-klantenlisting indienen (artikel 53quinquies, derde lid, van het Btw-Wetboek)(zie punt 7 hieronder).

3. In te schrijven afnemers

De jaarlijkse klantenlisting moet alle afnemers vermelden, belastingplichtigen of leden van een btw-eenheid, die krachtens artikel 50 van het Btw-Wetboek in België voor btw-doeleinden geïdentificeerd zijn, behalve degenen die ingevolge artikel 44 van het Btw-Wetboek uitsluitend van de belasting vrijgestelde handelingen verrichten. Het betreft:

• belastingplichtigen onderworpen aan de normale regeling van de belasting

• belastingplichtigen onderworpen aan een forfaitaire regeling

• belastingplichtigen die de bijzondere landbouwregeling genieten

• belastingplichtigen die de vrijstellingsregeling van belasting, bedoeld in artikel 56bis van het Btw-Wetboek, genieten

• niet in België gevestigde belastingplichtigen die voor btw-doeleinden in België geïdentificeerd zijn

• leden van een btw-eenheid in de zin van artikel 4, § 2, van het Btw-Wetboek

Er wordt opgemerkt dat in de listing slechts die belastingplichtige afnemers of leden van een btw-eenheid moeten worden vermeld aan wie in de loop van het voorbije jaar goederen werden geleverd of diensten werden verstrekt voor een totaal bedrag (exclusief belasting) van meer dan 250 euro (aanschrijving nr. 3/1986 van 20.03.1986, randnummer 11).

Wat betreft de btw-eenheden in de zin van artikel 4, § 2, van het Btw-Wetboek, vermeldt de klantenlisting die door het lid wordt ingediend, behalve zijn belastingplichtige afnemers die in België voor btw-doeleinden zijn geïdentificeerd krachtens artikel 50 van het Btw-Wetboek, zijn afnemers die lid zijn van dezelfde of van een andere btw-eenheid en die voor btw-doeleinden zijn geïdentificeerd krachtens artikel 50, § 1, eerste lid, 6°, van het Btw-Wetboek.

Opmerking: Advocaten – Beroepsgeheim

De gegevens, opgenomen in de btw-listing, die de advocaat dient door te geven aan de btw-administratie, zijn inherent verbonden aan de vaststelling dat hij, sedert 1 januari 2014, btw-plichtig is. Die btw-listing heeft tot doel de invordering van de btw te verzekeren en belastingontduiking te vermijden.

Het is niet zonder redelijke verantwoording een advocaat te verplichten de, in de btw-listing vermelde, beperkte gegevens ter kennis te brengen van de btw-administratie, gelet op de doelstelling van de wetgever.

Ten slotte verhindert de geheimhoudingsplicht die ten aanzien van de btw-administratie bestaat (artikel 93bis van het Btw-Wetboek) dat de administratie die informatie doorgeeft aan derden, hetgeen een bijkomende waarborg op bescherming van het privéleven van de btw-plichtige cliënten is.

De in geding zijnde bepaling is niet onbestaanbaar met het beginsel van het beroepsgeheim van de advocaat.

De omstandigheid dat de btw mede wordt beheerst door het recht van de Europese Unie, leidt niet tot een ander besluit, nu de artikelen 7 en 47, tweede alinea, voor wat de waarborgen in die laatste bepaling betreft, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, overeenkomstig artikel 52, lid 3, van dat Handvest, in de zin van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens moeten worden uitgelegd.

Het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie sluit niet uit dat een verschil in behandeling tussen categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is. Dat beginsel verzet er zich overigens tegen dat categorieën van personen, die zich ten aanzien van de betwiste maatregel in wezenlijk verschillende situaties bevinden, op identieke wijze worden behandeld, zonder dat daarvoor een redelijke verantwoording bestaat.

Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de ter zake geldende beginselen; het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie is geschonden wanneer vaststaat dat geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel.

De wetgever had de bedoeling de invordering van de btw te verzekeren en belastingontduiking te vermijden. De verplichting tot het indienen van een btw-listing geldt voor alle belastingplichtigen, ongeacht de al dan niet toepassing van een beroepsgeheim op een bepaalde categorie van belastingplichtigen.

De vaststelling dat het jaarlijks doorgeven van een btw-listing niet onbestaanbaar is met het beroepsgeheim van de advocaat en dat de gegevens, opgenomen in de btw-listing, in se geen betrekking hebben op activiteiten die de kern uitmaken van de opdracht van de advocaat, aangezien ze geen betrekking hebben op vertrouwelijke informatie die door een cliënt aan zijn advocaat wordt meegedeeld en mogelijk voor de cliënt incriminerend is, heeft tot gevolg dat de in het geding zijnde bepaling niet onbestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 6 en 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens (Arrest van het Grondwettelijk Hof nr. 43/2019 van 14.03.2019).

4. Te vermelden handelingen

Overeenkomstig artikel 1, § 2 van het koninklijk besluit nr. 23, voornoemd, moet de lijst slechts de handelingen vermelden waarvoor de belastingplichtige of het lid van een btw-eenheid in de zin van artikel 4, § 2, van het Btw-Wetboek, ofwel aan zijn afnemer een factuur of het stuk bedoeld in artikel 53, § 3, van het Btw-Wetboek moet uitreiken, ofwel van die afnemer het stuk moet ontvangen bedoeld in artikel 4 van het koninklijk besluit nr. 22 van 15.09.1970 met betrekking tot de bijzondere regeling voor landbouwondernemers inzake belasting over de toegevoegde waarde.

Bovendien worden in de lijst van de belastingplichtige afnemers in principe alle leveringen van goederen en diensten voor een bedrag (exclusief btw) van meer dan 250 euro opgenomen, die tijdens het voorbije jaar, aan belastingplichtigen of aan leden van een btw-eenheid werden verstrekt en waarvoor de aangever ofwel aan zijn afnemer een factuur of het stuk bedoeld in artikel 53, § 3, van het Btw-Wetboek moet uitreiken, ofwel van die afnemer het aankoopborderel bedoeld in artikel 4 van het koninklijk besluit nr. 22, voornoemd, moet ontvangen als hij een landbouwer onderworpen aan de bijzondere landbouwregeling is.

Wat betreft de handelingen die een verschaffer van financiële diensten dient op te nemen in de jaarlijkse lijst van de belastingplichtige afnemers, dient opgemerkt dat de jaarlijkse lijst enkel de handelingen moet bevatten waarvoor een factuur moest uitgereikt worden aan de klant.

Overeenkomstig artikel 53, § 2, eerste lid, van het Btw-Wetboek, treft de verplichting tot het uitreiken van een factuur elke belastingplichtige die leveringen van goederen of diensten verricht voor een belastingplichtige of een niet belastingplichtige rechtspersoon, andere dan:

• diegenen die gevestigd zijn in België en krachtens artikel 44, van het Btw-Wetboek, zijn vrijgesteld

• diegenen die, ongeacht waar ze gevestigd zijn, beoogd zijn door de punten a) tot g) van artikel 135, lid 1, van de richtlijn 2006/112/EG (zelfs indien de belastingplichtige voor deze handelingen geopteerd heeft voor de taxatie krachtens artikel 44, § 3, 8°, van het Btw-Wetboek), met name:

o handelingen ter zake van verzekering en herverzekering met inbegrip van daarmee samenhangende diensten, verricht door assurantiemakelaars en verzekeringstussenpersonen

o de verlening van kredieten en de bemiddeling inzake kredieten, alsmede het beheer van kredieten door degene die deze heeft verleend

o de bemiddeling bij en het aangaan van borgtochten en andere zekerheids- en garantieverbintenissen, alsmede het beheer van kredietgaranties door degene die het krediet heeft verleend

o handelingen, bemiddeling daaronder begrepen, betreffende deposito's, rekening-courantverkeer, betalingen, overmakingen, schuldvorderingen, cheques en andere handelspapieren met uitzondering van de inning van schuldvorderingen

o handelingen, bemiddeling daaronder begrepen, betreffende deviezen, bankbiljetten en munten die wettig betaalmiddel zijn, met uitzondering van munten en biljetten die verzamelobject zijn, namelijk gouden, zilveren of uit een ander metaal geslagen munten, alsmede biljetten, die normaal niet als wettig betaalmiddel worden gebruikt of die een numismatische waarde hebben

o handelingen, bemiddeling daaronder begrepen, uitgezonderd bewaring en beheer, inzake aandelen, deelnemingen in vennootschappen of verenigingen, obligaties en andere waardepapieren, met uitzondering van documenten die goederen vertegenwoordigen en van de in artikel 15, lid 2, bedoelde rechten of effecten

o het beheer van gemeenschappelijke beleggingsfondsen, zoals omschreven door de lidstaten

Deze handelingen die niet dienen opgenomen te worden in de listing ingevolge voorgaande mogen er toch verder in worden vermeld. De verschaffer van financiële diensten gehouden tot het indienen van periodieke aangiften die enkel de hierboven opgesomde handelingen heeft verricht waarvoor er geen verplichting tot factureren bestaat, moet geen enkele handeling opnemen in de jaarlijkse lijst van de belastingplichtige afnemers. Wanneer de belastingplichtige geen enkele handeling heeft verricht die beoogd wordt door de lijst, is hij gehouden de administratie hiervan op de hoogte te brengen door het vakje in kader VIII van de periodieke aangifte met betrekking tot de handelingen van de laatste periode van het jaar, aan te kruisen of door een nihil jaarlijkse lijst in te dienen (beslissing nr. E.T. 128.477 van 15.06.2015).

Bepaalde handelingen moeten evenwel niet worden opgenomen (aanschrijving nr. 3/1986 van 20.03.1986, randnummer 20), zoals onder meer:

• de leveringen van water, gas, elektriciteit en stoom door distributiebedrijven

• de diensten verricht door telecommunicatiebedrijven

• de handelingen verricht door reisbureaus

De leverancier/ dienstverrichter moet in de opgave van de belastingplichtige afnemers alle in het Btw-Wetboek beoogde handelingen opnemen (leveringen van goederen of dienstverrichtingen), zonder onderscheid te maken naargelang de schuldenaar van de belasting, naargelang het gaat om belastbare of van de btw vrijgestelde handelingen, of nog, naargelang het handelingen betreft die plaats vinden in België of in het buitenland, maar evenwel met uitsluiting van de intracommunautaire leveringen van goederen:

A. De leverancier/dienstverrichter is een belastingplichtige wiens domicilie, maatschappelijke of statutaire zetel zich in België bevindt.

De belastingplichtige dient in de opgave van de belastingplichtige afnemers de volgende handelingen op te nemen:

1) de handelingen die hij heeft verricht en die plaatsvinden in België;

2) de handelingen die hij heeft verricht en die plaatsvinden in het buitenland.

B. De leverancier/dienstverrichter is een belastingplichtige wiens domicilie of maatschappelijke of statutaire zetel zich niet in België bevindt en die geen vaste inrichting heeft in België.

De belastingplichtige dient de handelingen die hij heeft verricht en die plaatsvinden in België op te nemen in de opgave van de belastingplichtige afnemers.

C. De leverancier/dienstverrichter is een belastingplichtige wiens domicilie of maatschappelijke of statutaire zetel zich in België bevindt en die beschikt over een vaste inrichting in het buitenland, ofwel een belastingplichtige wiens domicilie of maatschappelijke of statutaire zetel zich niet in België bevindt maar die beschikt over een vaste inrichting in België.

In de beide gevallen dient de belastingplichtige in de opgave van de belastingplichtige afnemers de volgende handelingen op te nemen:

1) de handelingen die plaatsvinden in België en die worden verricht door zijn Belgische of buitenlandse zetel;

2) de handelingen die plaatsvinden in het buitenland en die worden verricht door zijn Belgische zetel.

Wanneer in de gevallen waarbij de handelingen plaatsvinden in het buitenland als beoogd onder A, 2), en C, 2), ten minste één partij die betrokken is bij de handeling in het land waar de handeling plaatsvindt dient te beschikken over een btw-identificatienummer of er een dergelijk nummer heeft en wanneer de reglementering van dat land het gebruik van dat nummer voor de betreffende handeling oplegt, moet een dergelijke handeling niet worden opgenomen in de opgave van de belastingplichtige afnemers.

Rekening houdend met wat voorafgaat en voor zover de voormelde beperking niet van toepassing is, moet de levering van goederen die plaatsvindt in het buitenland in de gevallen beoogd onder A, 2), en C, 2), worden opgenomen in de opgave van de belastingplichtige afnemers.

Anderzijds dient de levering van goederen in btw-entrepot in België, niet te worden opgenomen in de opgave van de belastingplichtige afnemers voor zover de klant terecht niet voor de btw is geïdentificeerd in België (dit is bijvoorbeeld het geval wanneer de klant, een buitenlandse belastingplichtige, goederen koopt en verkoopt met behoud van de regeling btw-entrepot) (schriftelijke parlementaire vraag nr. 1.868 van mevrouw de Senator Clotilde Nyssens van 04.02.2002).

5. Gegevens welke de klantenlisting moet bevatten

De jaarlijkse klantenlisting moet, voor iedere afnemer beoogd in titel 3 hiervoor, de volgende gegevens bevatten:

• het btw-identificatienummer of, voor de leden van een btw-eenheid, het sub-btw-identificatienummer, dat hem werd toegekend

• het totaal bedrag, exclusief btw, van de goederen die hem werden geleverd en van de aan hem verstrekte diensten. Wat de tabaksfabrikaten betreft en rekening houdend met de bijzondere regeling waaraan die producten onderworpen zijn, is het niet nodig om de belasting die begrepen is in de gefactureerde bedragen af te zonderen. Wat de leveringen betreft van gebruikte goederen, kunstvoorwerpen, voorwerpen voor verzamelingen en antiquiteiten, alsook van vervoermiddelen verkocht onder de bijzondere regeling van belastingheffing over de winstmarge, moet het bedrag van de totale verkoopprijs, btw inbegrepen, worden vermeld.

• het totaalbedrag van de aan de afnemer in rekening gebrachte belasting. Wat de leveringen betreft van gebruikte goederen, kunstvoorwerpen, voorwerpen voor verzamelingen en antiquiteiten, alsook van vervoermiddelen verkocht onder de bijzondere regeling van belastingheffing over de winstmarge, mag het bedrag van de ‘inbegrepen’ belasting niet voorkomen in de tot dat doel voorziene kolom, aangezien dit bedrag reeds voorkomt in de kolom bestemd voor het bedrag van de jaaromzet (zie hiervoor). Wat de handelingen met een ander lid van dezelfde btw-eenheid betreft, mag geen enkel btw-bedrag voorkomen in de tot dat doel voorziene kolom, aangezien deze handelingen nooit aan de btw werden onderworpen.

De belastingplichtigen die op 31 december van het jaar waarop de jaarlijkse lijst van belastingplichtige afnemers betrekking heeft, genieten van de vrijstellingsregeling van belasting bedoeld in artikel 56bis van het Btw-Wetboek, zijn gehouden deze lijst aan te vullen met een verklaring die vermeldt:

• het bedrag van de omzet gerealiseerd in de loop van het jaar waarop deze lijst betrekking heeft

• indien de werkzaamheid onder de vrijstellingsregeling werd aangevangen in de loop van het jaar waarop deze lijst betrekking heeft, dient de datum te worden vermeld waarop de kleine onderneming deze regeling is beginnen toepassen

De landbouwondernemingen die onderworpen zijn aan de bijzondere landbouwregeling (zie ‘Boekwerk V: Bijzondere regelingen - Hoofdstuk 15: Bijzondere regelingen’) dienen bedoelde lijst aan te vullen met een verklaring waarin zij aangeven dat zij de jaarlijkse intracommunautaire btw-opgave al dan niet moeten indienen.

De belastingplichtige die handelingen verricht als bedoeld in de artikelen 20, § 2, 20bis, § 2, en 20ter, tweede lid, van het koninklijk besluit nr. 1 van 29.12.1992 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde, moet zijn medecontractanten vermelden in de jaarlijkse lijst van belastingplichtige afnemers, maar mag het bedrag van de belasting niet opnemen in de daartoe voorziene kolom.

De belastingplichtige die handelingen verricht die vrijgesteld zijn bij toepassing van artikel 44bis van het Btw-Wetboek of voor dewelke zijn medecontractant schuldenaar is van de belasting krachtens artikel 20bis van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd, dient bijgevolg zijn medecontractanten op te nemen op de jaarlijkse lijst van belastingplichtige afnemers, maar het bedrag van de belasting mag uiteraard niet voorkomen in de daartoe voorziene kolom.

De verkopers van recuperatiestoffen en –producten die ervoor kiezen om periodieke btw-aangiften in te dienen vermelden de handelingen opgenomen in rooster 00 van hun periodieke btw-aangifte in de kolom omzet (exclusief Btw) van hun klantenlisting.

6. Vorm van de klantenlisting en modaliteiten voor de indiening

Bij toepassing van artikel 2, § 1, eerste lid van het koninklijk besluit nr. 23, voornoemd, moet de jaarlijkse lijst van belastingplichtige afnemers langs elektronische weg ingediend worden.

Artikel 2, § 1, tweede lid van het koninklijk besluit nr. 23, voornoemd, bepaalt evenwel dat de belastingplichtigen en de leden van een btw-eenheid, vrijgesteld zijn van de verplichting tot indiening langs elektronische weg zolang zij en in voorkomend geval de persoon die gemachtigd is de bedoelde lijst namens hen in te dienen, niet over de nodige geïnformatiseerde middelen beschikken om aan deze verplichting te voldoen.

Bovendien bepaalt artikel 2, § 2, van het koninklijk besluit nr. 23, voornoemd, dat de belastingplichtigen die niet gehouden zijn tot de indiening van de in artikel 53, § 1, eerste lid, 2°, van het Btw-Wetboek bedoelde aangifte, de keuze hebben om de jaarlijkse lijst langs elektronische weg dan wel op papier in te dienen (schriftelijke parlementaire vraag nr. 1.064 van mevrouw de Volksvertegenwoordiger Fabienne Winckel van 21.06.2016). Er wordt opgemerkt dat de leden van een btw-eenheid bedoeld in artikel 50, § 1, eerste lid, 6° van het Btw-Wetboek, niet beoogd zijn door deze bepaling en die keuze niet kunnen genieten. Bijgevolg moeten zij de jaarlijkse klantenlisting elektronisch indienen.

Om de jaarlijkse lijst langs elektronische weg in te dienen, gebruikt de belastingplichtige of het lid van een btw-eenheid in de zin van artikel 4, § 2, van het Btw-Wetboek, de toepassing Intervat, die door de administratie ter beschikking wordt gesteld op de website van de FOD Financiën www.financien.belgium.be/nl/E-services/Intervat, volgens dezelfde modaliteiten als deze die van toepassing zijn inzake de elektronische indiening van de periodieke btw-aangifte (schriftelijke parlementaire vraag nr. 4-2.879 van de heer Senator Dirk Claes van 28.01.2009 en schriftelijke parlementaire vraag nr. 0286 van meneer de Volksvertegenwoordiger Karel Uyttersprot van 28.02.2011).

Om de jaarlijkse lijst op papier in te dienen gebruikt de belastingplichtige of het lid van een btw-eenheid in de zin van artikel 4, § 2, van het Btw-Wetboek die vrijgesteld is van de verplichting tot elektronische indiening, het door de administratie verstrekte papieren formulier waarvan het model in bijlage gaat van voornoemd koninklijk besluit nr. 23, voornoemd. Dit formulier kan de betrokkene bekomen bij het team Beheer waaronder hij ressorteert en dient, zodra vervolledigd, te worden toegezonden aan het bevoegde scanningscentrum:

• hetzij te Gent (Nederlandstalige formulieren), op volgend adres:

Federale Overheidsdienst FINANCIEN

Algemene administratie van de Fiscaliteit

Scanningscentrum

Zuiderpoort – Blok B

Gaston Crommenlaan 6, bus 001

9050 Gent (Ledeberg)

• hetzij te Namen (Franstalige en Duitstalige formulieren), op volgend adres:

Service Public Fédéral FINANCES

Administration générale de la Fiscalité

Centre de scanning

Avenue du Prince de Liège 133, Bâtiment A

5100 Namur (Jambes)

De jaarlijkse klantenlisting moet vóór 31 maart van het jaar volgend op dat in de loop waarvan de handelingen hebben plaatsgevonden, worden ingediend. Elke belastingplichtige (of lid van een btw-eenheid) kan slechts één klantenlisting indienen voor het geheel van zijn activiteiten van het voorbije jaar.

Laattijdige indiening: Een geldboete van 3000 € werd opgelegd aan een btw-belastingplichtige omdat zij de lijst van haar belastingplichtige klanten voor het jaar 2014 bijna een jaar na de wettelijk voorgeschreven datum had ingediend.

Het bestaan van de overtreding wordt niet betwist, maar de belastingplichtige beroept zich op overmacht als rechtvaardiging voor het niet tijdig nakomen van haar wettelijke verplichting.

Overmacht kan een vooraf bepaalde termijn verlengen ten belope van de tijd die vereist is om te handelen. Toch wordt dit begrip strikt geïnterpreteerd. Het gaat om een onoverkomelijke of onweerstaanbare gebeurtenis waarop de mens geen greep heeft, dat wil zeggen door de menselijke wil niet kon worden voorzien of voorkomen.

In het onderhavige geval merkt de rechtbank op dat de btw-aangiften voor 2014 tijdig door de belastingplichtige konden worden ingediend. Er was dus geen sprake van een absolute onmogelijkheid om te handelen als gevolg van een onoverkomelijke of onweerstaanbare gebeurtenis die kon worden waargenomen (Vonnis van de Rechtbank van eerste aanleg te Bergen van 29.01.2019).

De kleine ondernemingen onderworpen aan de vrijstellingsregeling van belasting beoogd in artikel 56, § 2, van het Btw-Wetboek (sinds 01.04.2014 in artikel 56bis van het Btw-Wetboek) zijn onder meer, in voorkomend geval, gehouden tot de indiening van de jaarlijkse lijst van de afnemers-belastingplichtigen waaraan zij goederen hebben geleverd of diensten hebben verstrekt (schriftelijke parlementaire vraag nr. 266 van de heer Volksvertegenwoordiger Jef Van den Bergh van 07.03.2013).

Wanneer iemand enkel nog handelingen verricht die zijn vrijgesteld door artikel 44 van het Btw-Wetboek en die geen recht op aftrek verlenen of wanneer hij de hoedanigheid van belastingplichtige verliest, moet de klantenlisting binnen drie maanden na deze wijziging of dit verlies worden ingediend.

Overeenkomstig artikel 1, § 3, van het koninklijk besluit nr. 23, voornoemd, is de belastingplichtige die deze hoedanigheid verliest evenwel gehouden de jaarlijkse lijst van zijn belastingplichtige afnemers binnen drie maanden na dit verlies in te dienen, zelfs indien hij in de loop van deze periode geen enkele klant moet vermelden op deze lijst. Bij gebrek zal hem de boete voorzien in afdeling 1, rubriek IV, 1, van de bijlage bij het koninklijk besluit nr. 44 van 09.07.2012 tot vaststelling van het bedrag van de niet-proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde worden opgelegd. Er is geen stopzetting van werkzaamheid ingeval van een wijziging van zaakvoerder, bestuurder of aandeelhouder van de onderneming en dat haar btw-identificatienummer behouden blijft. Het spreekt voor zich dat de onderneming in dit geval gehouden blijft tot de indiening van periodieke btw-aangiften en van de jaarlijkse lijst van de btw-belastingplichtige afnemers (schriftelijke parlementaire vraag nr. 42 van mevrouw de Volksvertegenwoordiger Barbara Pas van 06.11.2014).

Binnen de drie maanden na het beëindigen van de exploitatie van zijn landbouwbedrijf moet de landbouwer bij zijn team Beheer de lijst van de belastingplichtige klanten indienen met betrekking tot het verstreken gedeelte van het lopende kalenderjaar (artikel 1, voorlaatste lid, van het koninklijk besluit nr. 23, voornoemd). In deze lijst moet hij tevens verklaren of hij al dan niet gehouden is tot het indienen van de jaarlijkse intracommunautaire opgave als bedoeld in artikel 6 van het koninklijk besluit nr. 50 van 11.12.2019 met betrekking tot de btw-opgave van de intracommunautaire handelingen (artikel 3 van het koninklijk besluit nr. 23, voornoemd). Van zodra deze formaliteiten zijn vervuld, dient hij voor de toekomst geen enkele nihil-listing in te dienen (schriftelijke parlementaire vraag nr. 624 van mevrouw de Volksvertegenwoordiger Trees Pieters van 14.03.2001).

Wanneer een btw-eenheid in de zin van artikel 4, § 2, van het Btw-Wetboek, enkel nog handelingen verricht die zijn vrijgesteld door artikel 44 van het Btw-Wetboek en die geen recht op aftrek verlenen of wanneer zij de hoedanigheid van belastingplichtige verliest, moeten de klantenlistings van de leden binnen drie maanden na deze wijziging of dit verlies worden ingediend.

7. ‘Nihil’-klantenlisting

De belastingplichtigen die gehouden zijn tot het indienen van periodieke btw-aangiften, die in de loop van het voorbije jaar geen handelingen verricht hebben die moeten opgenomen worden in de jaarlijkse klantenlisting, moeten de administratie hiervan in kennis te stellen door middel van het aankruisen van het tot dat doel bestemde vakje in Kader VIII van hun periodieke btw-aangifte met betrekking tot het laatste tijdvak van het kalenderjaar. Ze dienen dan geen ‘nihil’-klantenlisting meer in te dienen. Bij wijze van tolerantie neemt de administratie ook de in de periodieke btw-aangiften van de eerste drie maanden of van het eerste kwartaal van het kalenderjaar aangekruiste vakjes in aanmerking.

Indien de belastingplichtige om welke reden ook nagelaten heeft dit vakje aan te kruisen in de voorziene periodieke aangiften moet hij:

• hetzij een ‘nihil’-lijst indienen (langs elektronische weg of, in geval van vrijstelling van indiening langs elektronische weg, op papier)

• hetzij het team Beheer waaronder hij ressorteert op schriftelijke wijze in kennis stellen (zonder een specifiek formulier te gebruiken), dat hij in de loop van het door de klantenlisting beoogde jaar geen handelingen verricht heeft die in deze lijst moeten vermeld worden

De belastingplichtigen die de vrijstellingsregeling bedoeld in artikel 56bis van het Btw-Wetboek genieten en die in de loop van het voorbije jaar geen handelingen verricht hebben die moeten worden opgenomen in de klantenlisting, moeten sedert 01.07.2016 niet langer een nihil-klantenlisting indienen (artikel 53quinquies, derde lid, van het Btw-Wetboek). Dit is meer bepaald het geval wanneer:

• geen enkele klant (terecht) een belastingplichtige is of een lid van een btw-eenheid die beschikt over een Belgisch btw-identificatienummer

• bepaalde klanten wél belastingplichtigen zijn of leden van een btw-eenheid die beschikken over een Belgisch btw-identificatienummer, maar hun jaarlijkse omzet per klant met een Belgisch btw-identificatienummer bedraagt niet meer dan 250 euro

• hun enige belastingplichtige afnemers die een Belgisch btw-identificatienummer hebben en voor wie zij een jaaromzet van meer dan 250 euro hebben gerealiseerd, zijn belastingplichtigen die uitsluitend van de belasting vrijgestelde handelingen verrichten overeenkomstig artikel 44 van het Btw-Wetboek of leden van een btw-eenheid die uitsluitend van de belasting vrijgestelde handelingen verricht overeenkomstig artikel 44 van het Btw-Wetboek

De belastingplichtigen onderworpen aan de bijzondere landbouwregeling bedoeld in artikel 57 van het Btw-Wetboek moeten, wat hen betreft, steeds een nihil-lijst indienen wanneer ze in de loop van het voorbije jaar geen handelingen verricht hebben die moeten worden opgenomen in de klantenlisting. Ze moeten eveneens de vermeldingen aanbrengen die hen in het bijzonder aanbelangen, met name de verklaring met betrekking tot het stellen van intracommunautaire handelingen voor de landbouwondernemers.

De leden van een btw-eenheid die in de loop van het voorbije jaar geen handelingen verricht hebben die moeten worden opgenomen in de jaarlijkse klantenlisting, moeten:

• hetzij een ‘nihil’-lijst indienen (langs elektronische weg of, in geval van vrijstelling van indiening langs elektronische weg, op papier)

• hetzij het team Beheer waaronder zij ressorteren op schriftelijke wijze in kennis stellen (zonder een specifiek formulier te gebruiken) dat zij in de loop van het door de klantenlisting beoogde jaar geen handelingen verricht hebben die in deze lijst moeten vermeld worden

Op elke nihil-listing dienen de niet gebruikte roosters blanco gelaten te worden. Deze mogen geen gegevens, nullen, strepen of andere vermeldingen zoals ‘nihil’ bevatten, noch worden doorstreept.

8. Waarmerk, datum en handtekening

Het formulier van de in artikel 53quinquies van het Btw-Wetboek bedoelde aangifte wordt ingevuld overeenkomstig de daarin voorkomende aanduidingen, gewaarmerkt, gedagtekend en ondertekend (artikel 53terdecies, § 1, van het Btw-Wetboek).

De door de Federale Overheidsdienst Financiën ter beschikking gestelde elektronische aangifte die werd ingevuld en overgezonden overeenkomstig de daarin voorkomende aanduidingen, wordt gelijkgesteld met een gewaarmerkte, gedagtekende en ondertekende aangifte (artikel 53terdecies, § 2, van het Btw-Wetboek).

[Top]

Afdeling 9 - Opgave van de intracommunautaire handelingen

1.Principe

Ingevolge het afschaffen op 01.01.1993 van de fiscale controles aan de binnengrenzen van de lidstaten van de Europese Unie heeft de Raad van de Europese Unie, ten einde te voorkomen dat de lidstaten belastingopbrengsten derven, een gemeenschappelijk systeem voor de uitwisseling van inlichtingen betreffende intracommunautaire transacties tussen de bevoegde overheden van de lidstaten uitgewerkt (Verordening (EU) nr. 904/2010 van de Raad van 07.10.2010 betreffende de administratieve samenwerking en de bestrijding van fraude op het gebied van de belasting over de toegevoegde waarde).

In België moeten de ondernemingen die intracommunautaire handelingen verrichten of die betrokken zijn bij handelingen van driehoeksverkeer dergelijke inlichtingen verstrekken door middel van het indienen van een opgave hierna aangeduid als: Btw-opgave van de intracommunautaire handelingen. Het indienen van een opgave van de intracommunautaire handelingen heeft generlei invloed op de ongewijzigde verplichting tot het indienen van de jaarlijkse listing van de afnemers-belastingplichtigen (zie Afdeling 8 - Jaarlijkse opgave van de handelingen met afnemers-belastingplichtigen). Immers, de aard van de handelingen die enerzijds in de opgave van de intracommunautaire handelingen en anderzijds in de jaarlijkse listing moeten worden opgenomen, sluit elk dubbel gebruik tussen de opgave en de listing uit.

Overeenkomstig artikel 53sexies, § 1, van het Btw-Wetboek moeten de belastingplichtigen, die overeenkomstig artikel 50, § 1, eerste lid, 1° van het Btw-Wetboek, met uitsluiting van de btw-eenheden in de zin van artikel 4, § 2, artikel 50, § 1, eerste lid, 3° en 5°, van het Btw-Wetboek, voor btw-doeleinden zijn geïdentificeerd, de leden van een btw-eenheid in de zin van artikel 4, § 2, van het Btw-Wetboek, alsook de niet in België gevestigde belastingplichtigen die voor de handelingen die ze hier te lande verrichten worden vertegenwoordigd door een overeenkomstig artikel 55, § 3, tweede lid, van het Btw-Wetboek vooraf erkende persoon, iedere kalendermaand voor iedere persoon die in een andere lidstaat voor btw-doeleinden is geïdentificeerd, de administratie die belast is met de belasting over de toegevoegde waarde in kennis stellen van bepaalde gegevens, waarbij een onderscheid moet worden gemaakt naargelang de aard van de handelingen.

Brexit

De Europese Unie en het Verenigd Koninkrijk hebben een terugtrekkingsakkoord gesloten dat op 01.02.2020 in werking is getreden (akkoord 2019/C 384 I/01 inzake de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland uit de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie).

Krachtens het terugtrekkingsakkoord is het Verenigd Koninkrijk nu officieel geen EU-land meer (maar een derde land).

De Europese Unie en het Verenigd Koninkrijk hebben echter een overgangsperiode afgesproken, die op 31.12.2020 afliep.

Tijdens de overgangsperiode waren er geen btw-implicaties.

Derhalve verwijzen tijdens deze overgangsperiode (van 01.02.2020 tot 31.12.2020) de termen ‘andere lidstaat’, ‘Europese Unie’, ‘intracommunautaire handelingen’, ‘intracommunautaire leveringen’ en ‘intracommunautaire diensten’ in de onderstaande commentaar niet alleen naar handelingen tussen EU-lidstaten, maar ook naar handelingen tussen EU-lidstaten en het Verenigd Koninkrijk.

De Handels-en samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, enerzijds, en het Verenigd koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, anderzijds, (L 444-14, Publicatieblad van de Europese Unie van 31.12.2020) heeft een einde gesteld aan deze overgangsperiode.

Handelingen verricht vanaf 1 januari 2021

Het voornaamste gevolg van de Brexit inzake leveringen van goederen is de herinvoering van de fiscale grenzen tussen de Europese Unie (EU) en het Verenigd Koninkrijk. Dat impliceert het einde van de regels van het intracommunautaire stelsel van toepassing op het verkeer van goederen van de Europese Unie naar het Verenigd Koninkrijk.

De levering van goederen door een leverancier in België aan een belastingplichtige klant in het Verenigd Koninkrijk (B2B) die vervoerd worden van België naar het Verenigd Koninkrijk, wordt niet meer als een intracommunautaire levering van goederen behandeld, maar als een uitvoer van goederen die in de meeste gevallen is vrijgesteld van de btw overeenkomstig artikel 39, §§, 1 en 2, van het Btw-Wetboek.

Het voornaamste gevolg van de Brexit inzake diensten is dat het Verenigd Koninkrijk moet aangemerkt worden als een buiten de Gemeenschap gelegen gebied voor de toepassing van de regels inzake de diensten (plaats, vrijstelling, enz.).

Dat heeft als gevolg dat deze handelingen (leveringen en diensten) geen intracommunautaire handelingen meer zijn en dus niet meer mogen opgenomen worden in de btw-opgave van de intracommunautaire handelingen.

Bijzondere status van Noord-Ierland

Artikel 8 van het Protocol inzake Ierland en Noord-Ierland, dat integraal deel uitmaakt van het Terugtrekkingsakkoord (Akkoord inzake de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland uit de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, PB L 29 van 31.01.2020, blz. 7), voorziet in een bijzondere status, inzake onder andere btw, van Noord-Ierland.

Overeenkomstig dit Protocol blijft Noord-Ierland, ook na 31.12.2020, onder de btw-wetgeving van de EU vallen wat goederen betreft, dit om een harde grens tussen Ierland en Noord-Ierland te vermijden. Echter, voor diensten wordt Noord-Ierland, samen met de rest van het Verenigd Koninkrijk beschouwd als zijnde buiten de EU gelegen.

Opdat het btw-systeem van de EU ordelijk zou functioneren, is het essentieel dat belastingplichtigen die in Noord-Ierland leveringen van goederen (inclusief de zogenaamde intracommunautaire leveringen) of intracommunautaire verwervingen van goederen (inclusief door niet-belastingplichtige rechtspersonen) verrichten, geïdentificeerd zijn voor btw-doeleinden met een btw-identificatienummer, dat toegekend is overeenkomstig de btw-reglementering van de EU en dat het onderscheid mogelijk maakt met belastingplichtigen die transacties stellen waarop de btw-regelgeving uit het Verenigd Koninkrijk van toepassing is.

Bijgevolg wordt een btw-identificatienummer met speciale prefix “XI” toegekend aan deze categorieën van personen die gevestigd zijn in Noord-Ierland.

Dat heeft als gevolg dat:

• de leveringen en goederenbewegingen tussen België en Noord-Ierland aangemerkt blijven als intracommunautaire handelingen en moeten opgenomen worden in de btw-opgave van de intracommunautaire handelingen

• de B2B diensten die overeenkomstig artikel 21, § 2, van het Btw-Wetboek gelocaliseerd worden en die door een Belgische belastingplichtige verstrekt worden aan een belastingplichtige gevestigd in Noord-Ierland, plaatsvinden buiten de Europese Unie en niet meer mogen opgenomen worden in de btw-opgave van de intracommunautaire handelingen

2. Personen gehouden tot het opstellen van de btw-opgave van de intracommunautaire handelingen

De belastingplichtigen beoogd in artikel 53sexies van het Btw-Wetboek die, wanneer ze handelingen verrichten bedoeld in titel 4 of 5 hierna, gehouden zijn de opgave van de intracommunautaire handelingen in te dienen (deel 1 en/of deel 2), zijn de volgende:

• de belastingplichtigen die gehouden zijn tot het indienen van periodieke btw-aangiften

• de belastingplichtigen onderworpen aan de vrijstellingsregeling beoogd in artikel 56bis van het Btw-Wetboek. De kleine ondernemingen onderworpen aan de vrijstellingsregeling van belasting beoogd in artikel 56bis van het Btw-Wetboek zijn gehouden tot de indiening van, onder andere, in voorkomend geval, de opgave van de intracommunautaire handelingen (deel 1) (schriftelijke parlementaire vraag nr. 266 van de heer Volksvertegenwoordiger Jef Van den Bergh van 07.03.2013).

• de belastingplichtige landbouwondernemers die onderworpen zijn aan de bijzondere regeling voorzien in artikel 57 van het Btw-Wetboek. De verplichtingen die deze landbouwondernemers moeten nakomen op het stuk van het opstellen van de opgave van de intracommunautaire handelingen (deel 1 en/of deel 2) verschillen enigszins van de verplichtingen die de andere belastingplichtigen ter zake moeten vervullen (zie titel 8).

• de belastingplichtigen die uitsluitend handelingen verrichten bedoeld in artikel 44 van het Btw-Wetboek die geen recht op aftrek verlenen en die diensten verstrekken die geacht worden, krachtens artikel 21, § 2, van het Btw-Wetboek, in een andere lidstaat plaats te vinden en waarvoor de belasting verschuldigd is door de ontvanger overeenkomstig artikel 196 van de richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28.11.2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde

• de belastingplichtigen die genieten van een bijzondere regeling van niet-indiening van periodieke btw-aangiften als voorzien in een administratieve beslissing of circulaire

• de leden van een btw-eenheid in de zin van artikel 4, § 2, van het Btw-Wetboek

• de niet in België gevestigde belastingplichtigen die handelingen verrichten bedoeld in het Btw-Wetboek waarvoor recht op aftrek is ontstaan en waarvoor zij krachtens de artikelen 51 en 52 van het Btw-Wetboek schuldenaar zijn van de belasting in België, met uitzondering van de belastingplichtigen die uitsluitend diensten verrichten waarvoor zij gebruik maken van één van de bijzondere regelingen bedoeld in de artikelen 358bis tot en met 369duodecies van richtlijn 2006/112/EG

• de niet in België gevestigde belastingplichtigen die worden vertegenwoordigd door een overeenkomstig artikel 55, § 3, tweede lid, van het Btw-Wetboek vooraf erkende persoon

Voorbeelden:

• De vrijgestelde belastingplichtige die diensten verricht die worden geacht plaats te vinden in een andere lidstaat en waarbij zijn klanten gehouden zijn de btw te voldoen, moet zich in België identificeren voor btw-doeleinden en is gehouden deel 1 van de opgave in te dienen voor zijn intracommunautaire handelingen. Telkens als de dienst effectief wordt belast in de lidstaat van zijn uitgever, zijnde de ontvanger van de diensten, moet de dienstverrichter (schrijver of onderzoeker) de handeling opnemen in de opgave voor de intracommunautaire handelingen. De eventuele vrijstelling van een handeling in een andere lidstaat moet beoordeeld worden aan de hand van de wettelijke en reglementaire bepalingen van deze lidstaat (schriftelijke parlementaire vraag nr. 106 van de heer Volksvertegenwoordiger Christian Brotcorne van 16.12.2009).

• Op grond van artikel 53sexies van het Btw-Wetboek en het koninklijk besluit nr. 50 van 11.12.2019 met betrekking tot de btw-opgave van de intracommunautaire handelingen, moeten de advocaten eventueel deel 1 van de opgave van de intracommunautaire handelingen indienen. Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer zij diensten verrichten voor een belastingplichtige van een andere lidstaat van de Europese Unie die volgens artikel 21, § 2, van het Btw-Wetboek daar plaatsvinden en waarbij deze belastingplichtige schuldenaar is van de belasting voor zover deze diensten niet vrijgesteld zijn van de belasting in die lidstaat. In dat geval dient het btw-identificatienummer van de afnemer van de dienst en het bedrag van de handeling (exclusief btw) opgenomen te worden in de opgave (deel 1) met betrekking tot het tijdvak waarin de belasting opeisbaar is geworden. De intracommunautaire opgave (deel 1) moet in principe maandelijks worden ingediend uiterlijk de 20e dag van de maand volgend op het tijdvak waarop ze betrekking heeft. De indieners van periodieke kwartaalaangiften kunnen deze opgave (deel 1) echter per kwartaal indienen als voldaan is aan de voorwaarden van artikel 5 van het koninklijk besluit nr. 50, voornoemd. De opgave (deel 1) moet niet worden ingediend indien er geen handelingen moeten opgenomen worden. Als de advocaat-medewerker of advocaat-stagiair intracommunautaire diensten verricht voor een opdrachtgever gevestigd in een andere lidstaat van de Europese Unie, vinden de diensten overeenkomstig artikel 21, § 2, van het Btw-Wetboek in de andere lidstaat van de Europese Unie plaats en worden, behoudens vrijstelling, daar met btw belast. Hij moet een intracommunautaire opgave (deel 1) indienen (circulaire AAFisc nr. 47/2013 (nr. E.T. 124.411) van 20.11.2013 (bijwerking 01.04.2017)).

• Wanneer de artsen of ziekenhuizen gekozen hebben voor de bijzondere regeling voor artsen en ziekenhuizen en onderzoekswerk verrichten voor een opdrachtgever gevestigd in een andere lidstaat van de Europese Unie, vinden deze diensten overeenkomstig artikel 21, § 2, van het Btw-Wetboek in de andere lidstaat plaats en worden, behoudens vrijstelling, aldaar met btw belast. Deze diensten moeten worden opgenomen in een door de arts of het ziekenhuis in te dienen opgave van de intracommunautaire handelingen (deel 1) zoals bedoeld in artikel 53sexies, § 1, van het Btw-Wetboek (beslissing nr. E.T. 116.111 van 21.02.2011) en beslissing nr. E.T. 116.111/2 van 27.06.2013).

De volgende belastingplichtigen moeten daarentegen nooit een opgave van de intracommunautaire handelingen (noch deel 1, noch deel 2) opstellen:

• de toevallige belastingplichtigen als bedoeld in de artikelen 8 (personen die occasioneel hetzij een nieuw gebouw vervreemden, hetzij een zakelijk recht op een nieuw gebouw in de zin van artikel 9, tweede lid, 2°, van het Btw-Wetboek vestigen, overdragen of wederoverdragen) en 8bis van het Btw-Wetboek (personen die occasioneel een intracommunautaire levering verrichten van een nieuw vervoermiddel)

• de btw-eenheden in de zin van artikel 4, § 2, van het Btw-Wetboek, aangezien de verplichting tot indiening van de opgave van de intracommunautaire handelingen enkel bestaat in hoofde van de leden van deze btw-eenheden

De volgende belastingplichtigen moeten evenmin een deel 1 van de opgave van de intracommunautaire handelingen opstellen, indien zij kiezen voor de toepassing van de bijzondere regeling of tolerantie:

• de niet in België gevestigde organisatoren van schouwspelen, manifestaties en beurzen, de niet in België gevestigde deelnemers aan schouwspelen, manifestaties en beurzen en de niet in België gevestigde tussenpersonen gespecialiseerd in merchandising op dergelijke evenementen, die, onder bepaalde voorwaarden (zoals onder andere het niet verrichten van vrijgestelde intracommunautaire leveringen in België), genieten van een afwijking op de principes van de wegens het stellen van belastbare handelingen in België na te leven formaliteiten op het stuk van de btw (beslissing nr. E.T. 116.547 van 09.06.2009, randnummer 9)

• de niet in België gevestigde belastingplichtigen die in België belastbare diensten verrichten die bestaan uit bezoldigd personenvervoer over de weg, die onder bepaalde voorwaarden (zoals onder andere het niet verrichten van vrijgestelde intracommunautaire leveringen in België), genieten van een afwijking op de na te leven formaliteiten op het vlak van btw (beslissing nr. E.T. 122.611 van 20.02.2014, randnummer 10)

• de in een andere lidstaat gevestigde aannemer die overbrengingen van materialen verricht die in het kader van een werk in onroerende staat in België worden ingelijfd in het bouwwerk. Hij kan onder bepaalde voorwaarden genieten van een tolerantie (geen verplichting). Indien hij kiest voor de toepassing van de tolerantie, hoeft hij zich niet in België te identificeren voor btw-doeleinden. Wat betreft de eventuele overschotten van de goederen die bestemd waren om te worden ingelijfd in het bouwwerk, maar door de belastingplichtige terug worden meegenomen naar zijn vestiging in de lidstaat van herkomst, kan de administratie aanvaarden dat de belastingplichtige zich voor deze overbrenging niet in België moet identificeren voor btw-doeleinden en ontheven is van de verplichting tot het indienen van een btw-opgave van de intracommunautaire handelingen (Circulaire 2020/C/50 van 02.04.2020 betreffende het btw-stelsel van het B2B intracommunautair handelsverkeer van goederen, titel 5.4.8.9.).

3. Wijzigingen op 1 januari 2020

De invoering van de vereenvoudigde regeling voor voorraden op afroep op 01.01.2020 (zie artikel 12ter, nieuw, van het Btw-Wetboek en circulaire 2020/C/50 van 02.04.2020 betreffende het btw-stelsel van het B2B intracommunautair handelsverkeer van goederen, afdelingen 6 en 8) brengt een aantal specifieke verplichtingen met zich mee met betrekking tot de btw-opgave van de intracommunautaire handelingen.

Voorts zijn nog een aantal andere punten gewijzigd inzake de modaliteiten van de btw-opgave van de intracommunautaire handelingen.

Het nieuwe artikel 53sexies, § 1, 4°, van het Btw-Wetboek verplicht de belastingplichtige ertoe aanvullende inlichtingen te verstrekken wanneer hij goederen naar een andere lidstaat verzendt in het kader van de regeling voorraad op afroep.

Als gevolg van deze bijkomende verplichtingen is het koninklijk besluit nr. 50 van 09.12.2009 met betrekking tot de btw-opgave van de intracommunautaire handelingen vervangen door het koninklijk besluit nr. 50 van 11.12.2019 met betrekking tot de btw-opgave van de intracommunautaire handelingen.

Voortaan bestaat de btw-opgave van de intracommunautaire handelingen om praktische en IT-redenen uit twee delen, namelijk:

- deel 1 dat betrekking heeft op de btw-opgave zoals die vóór 01.01.2020 bestond, met een aantal wijzigingen

- deel 2 dat de gegevens bevat die moeten worden verstrekt wanneer een belastingplichtige goederen naar een andere lidstaat zendt in het kader van de regeling voorraad op afroep

4. Deel 1 van de btw-opgave van de intracommunautaire handelingen

In deel 1 van de btw-opgave van de intracommunautaire handelingen moeten de inlichtingen worden verstrekt op grond van artikel 53sexies, § 1, 1° tot 3° van het Btw-Wetboek. Dit komt overeen met de vroegere btw-opgave van de intracommunautaire handelingen die vóór 01.01.2020 van toepassing was, met uitzondering van enkele nieuwe elementen.

A. In te schrijven afnemers

De aangever moet in deel 1 van de opgave van de intracommunautaire handelingen de afnemers opnemen die in een andere lidstaat van de Europese Unie voor btw-doeleinden zijn geïdentificeerd en met wie hij in de loop van de verstreken kalendermaand (of het verstreken kalenderkwartaal, zie titel 6 hierna) handelingen heeft verricht opgenomen in de categorieën 1 tot 3, als bedoeld in titel B hierna.

Onder afnemer wordt verstaan de medecontractant van de aangever, namelijk de koper van de goederen of de afnemer van de diensten.

In het geval de indiener van deel 1 van de opgave goederen van zijn bedrijf overbrengt naar een andere lidstaat, dient hij zichzelf als afnemer in genoemde opgave te vermelden.

Gelet op de aard van de handelingen die in deel 1 van de opgave van de intracommunautaire handelingen moeten worden opgenomen, is het in ieder geval uitgesloten dat in deel 1 van die opgave een afnemer wordt vermeld met een Belgisch btw-identificatienummer dat werd toegekend door de administratie belast met de belasting over de toegevoegde waarde.

Elke afnemer moet in deel 1 van die opgave worden opgenomen ongeacht het belang van de verrichte handelingen.

Voor elke afnemer die in deel 1 van de opgave moet worden vermeld dient in de daartoe bestemde kolom tevens het btw-identificatienummer dat de bevoegde lidstaat aan die afnemer heeft toegekend te worden opgenomen.

De structuur van de btw-identificatienummers die wordt toegekend door de 26 andere lidstaten en het Verenigd Koninkrijk, ziet eruit als volgt:

Tot 31.12.2021 was de structuur van de btw-identificatienummers toegekend door het Verenigd Koninkrijk de volgende:

(1) Opmerking met betrekking tot de na de landencode gebruikte symbolen: 9 = een cijfer, X = een letter of een cijfer, S = een letter, een cijfer, “+” of “*”, L = een letter, B = de letter “B”.

Men kan de geldigheid van dit btw-identificatienummer controleren via de dienst International Exchange Of Information – Value Added Taks (2) (voorheen CLO, zie ook schriftelijke parlementaire vraag nr. 494 van de heer Volksvertegenwoordiger François-Xavier de Donnea van 28.05.2009, schriftelijke parlementaire vraag nr. 1.170 van de heer Volksvertegenwoordiger Francis Van den Eynde van 06.03.2006, schriftelijke parlementaire vraag nr. 628 van de heer Senator Alain Zenner van 08.05.2000) of via de toepassing VIES (VAT Information Exchange System, www.ec.europa.eu/taxation_customs/vies) van de Europese commissie. Hierbij dient echter te worden opgemerkt dat een verificatie via deze website toelaat om de geldigheid van een door een klant medegedeeld btw-identificatienummer na te gaan, maar, in tegenstelling tot een verificatie via de dienst IEOI-VAT, niet altijd toelaat om na te gaan of het opgegeven btw-identificatienummer effectief aan die klant werd toegekend (afhankelijk van het feit of de lidstaat die het btw-nummer heeft toegekend de verspreiding van deze informatie toestaat).

(2) Dienst IEOI-VAT, North Galaxy, Koning Albert-II laan 33, bus 280, 1030 Brussel, Tel.: 0257 740 30 (alle werkdagen van 8u00 tot 17u00), Fax: 0257 963 57, vat.validation@minfin.fed.be

In Frankrijk beginnen deze btw-identificatienummers met de landcode (FR) gevolgd door twee karakters, die letters of cijfers kunnen zijn, en door het ‘SIREN’-nummer. Laatstgenoemd nummer bestaat uit 9 cijfers. Het Franse btw-identificatienummer is bijgevolg samengesteld uit 11 karakters voorafgegaan door de code FR. Enkel dat nummer mag worden opgenomen in de bovenvermelde intracommunautaire opgave (schriftelijke parlementaire vraag nr. 575 van de heer Volksvertegenwoordiger Jean Geraerts van 25.09.1996).

In de Bondsrepubliek Duitsland worden dergelijke btw-identificatienummers (genoemd:’Umsatzsteuer-Identifikationsnummer’ of afgekort ‘UstIdNr.’) toegekend aan ondernemingen, en bepaalde andere personen, die deelnemen aan het intracommunautair goederen- en dienstenverkeer. De nummers beginnen met de landencode DE die wordt gevolgd door een blok van 9 cijfers: ‘DE999999999’. Het Duitse ‘Ust-IdNr.’ bevat bijgevolg 11 posities. Daarnaast beschikken Duitse belastingplichtigen over één of eventueel meerdere, gewone binnenlandse algemene belastingnummers. Dergelijk nationaal nummer wordt ‘Steuernummer’ genaamd. Het wordt toegekend door het bevoegde ‘Finanzamt’ van de Duitse deelstaten (Länder). Enkel de opgave van zijn bovengenoemd ‘UstIdNr.’ door de Duitse koper, biedt de Belgische belastingplichtige-leverancier de mogelijkheid om intracommunautaire leveringen te verrichten aan deze koper, met vrijstelling van de Belgische btw (schriftelijke parlementaire vraag nr. 512 van de heer Volksvertegenwoordiger Jean Geraerts van 19.07.1996).

B. Aan te geven handelingen

In toepassing van artikel 1, 2°, van het koninklijk besluit nr. 50 van 11.12.2019 met betrekking tot de btw-opgave van de intracommunautaire handelingen, worden de in deel 1 van de opgave van de intracommunautaire handelingen aan te geven handelingen onderverdeeld in drie categorieën. Deze onderverdeling is van fundamenteel belang aangezien elke categorie van handelingen in voorkomend geval voor iedere afnemer afzonderlijk moet worden aangegeven. De drie categorieën van handelingen behelzen:

• categorie I: de vrijgestelde intracommunautaire leveringen van goederen

• categorie II: de leveringen van goederen verricht in de lidstaat van aankomst van de verzending of het vervoer van de goederen, in het geval van driehoeksverkeer

• categorie III: de diensten verricht voor een belastingplichtige van een andere lidstaat waar deze belastingplichtige schuldenaar is van de belasting en voor zover deze diensten niet zijn vrijgesteld van de belasting in die lidstaat

Voor wat betreft de sancties in het geval van het niet naleven van de verplichting tot opname van handelingen in de intracommunautaire opgave: zie schriftelijke parlementaire vraag nr. 252 van de heer Volksvertegenwoordiger François-Xavier de Donnea van 06.01.2010.

Categorie I: De vrijgestelde intracommunautaire leveringen van goederen

In categorie I worden bedoeld de leveringen van goederen die plaatsvinden in België en die van de belasting zijn vrijgesteld bij toepassing van artikel 39bis, eerste lid, 1° en 4° van het Btw-Wetboek (het algemeen stelsel dat van toepassing is op de intracommunautaire handelingen wordt uiteengezet in de circulaire nr. 2020/C/50 van 02.04.2020). De volgende handelingen zijn bedoeld:

a. de leveringen van goederen door de verkoper, andere dan een belastingplichtige die de regeling geniet bepaald in artikel 56bis van het Btw-Wetboek, door de afnemer of voor hun rekening verzonden of vervoerd buiten België maar binnen de Gemeenschap, die worden verricht voor een andere belastingplichtige, of voor een niet-belastingplichtige rechtspersoon, die als zodanig optreedt in een andere lidstaat en die er aldaar toe gehouden is zijn intracommunautaire verwervingen van goederen aan de belasting te onderwerpen voor zover deze leveringen van goederen niet onderworpen zijn aan de bijzondere regeling van belastingheffing over de winstmarge ingesteld bij artikel 58, § 4, van het Btw-Wetboek (artikel 39bis, eerste lid, 1° van het Btw-Wetboek)

Voor deze handelingen wordt de medecontractant-koper, die in de lidstaat van aankomst van de verzending of van het vervoer van goederen gehouden is zijn intracommunautaire verwerving van goederen aan de belasting te onderwerpen, in deel 1 van de opgave vermeld als afnemer. Bedoelde afnemer wordt in deel 1 van de opgave opgenomen met aanduiding van het btw-identificatienummer dat hem werd toegekend door de lidstaat van aankomst van de verzending of het vervoer van de goederen, waaronder de goederen aan hem zijn geleverd. Dit geldt eveneens wanneer de afnemer een in België gevestigde onderneming is die in een andere lidstaat voor btw-doeleinden is geïdentificeerd.

De leveringen die in het kader van de regeling voorraad op afroep ingevolge artikel 12ter, § 3, van het Btw-Wetboek worden gelijkgesteld met een intracommunautaire levering van goederen die is vrijgesteld overeenkomstig artikel 39bis, eerste lid, 1°, van het Btw-Wetboek, zijn eveneens beoogd.

Het betreft de levering van goederen die eerst door de afzender vanuit België naar een andere lidstaat worden gezonden en vervolgens aan de geadresseerde worden geleverd in het kader van de toepassing van de regeling voorraad op afroep.

Zo ook zal de handeling die bestaat in het toestaan van een verbruiklening in andere lidstaten eveneens aangemerkt worden als een levering van goederen. In dat geval zal het, wanneer die lening toegestaan wordt aan een Belgische belastingplichtige, voor degene die de goederen aan zijn medecontractant ter beschikking stelt om een vrijgestelde intracommunautaire levering gaan die op zijn intracommunautaire opgave moeten worden vermeld (schriftelijke parlementaire vraag nr. 781 van de heer Volksvertegenwoordiger Richard Fournaux van 24.02.1997).

b. de in artikel 12bis van het Btw-Wetboek bedoelde leveringen van goederen, andere dan deze onderworpen aan de bijzondere regeling van belastingheffing over de winstmarge ingesteld bij artikel 58, § 4, van het Btw-Wetboek, waarvoor de vrijstelling als bedoeld in artikel 39bis, eerste lid, 1°, van dat Wetboek zou gelden, indien zij voor een andere belastingplichtige zouden zijn verricht (artikel 39bis, eerste lid, 4°, van het Btw-Wetboek)

De hier bedoelde handelingen hebben betrekking op de overbrenging door een belastingplichtige of een lid van een btw-eenheid in de zin van artikel 4, § 2, van het Btw-Wetboek van een goed van zijn bedrijf naar een andere lidstaat. Bedoeld wordt onder meer de onderneming (die geen lid is van een btw-eenheid) die over bijhuizen beschikt in verschillende lidstaten en goederen verzendt vanuit haar Belgische vestiging naar de andere bijhuizen. Dergelijke handelingen moeten in deel 1 van de opgave worden opgenomen met als afnemer de indiener van die opgave (belastingplichtige of lid van een Belgische btw-eenheid) en met de aanduiding van het btw-identificatienummer waaronder deze onderneming is geregistreerd in de lidstaat waar de verwerving van de goederen plaatsvindt (lidstaat van aankomst van de verzending of het vervoer van de goederen).

De handelingen die niet worden aanzien als overbrengingen moeten niet worden opgenomen in deel 1 van de opgave van de intracommunautaire handelingen (voorbeeld: goederen vervoerd naar een andere lidstaat om er te worden gemonteerd of geïnstalleerd door of voor rekening van de leverancier).

Wanneer één van de voorwaarden om niet te worden aanzien als overbrenging, niet meer wordt vervuld, wordt het bedoelde goed beschouwd als overgebracht naar een andere lidstaat. In dat geval vindt de overbrenging plaats op het tijdstip waarop de voorwaarde niet meer wordt vervuld en dient deze handeling als dusdanig in deel 1 van de opgave van de intracommunautaire handelingen te worden opgenomen. Dat is met name het geval indien de toepassingsvoorwaarden van de regeling voorraad op afroep niet meer vervuld zijn.

Categorie II: De leveringen van goederen verricht in de lidstaat van aankomst van de verzending of het vervoer van de goederen, in het geval van driehoeksverkeer

Categorie II behelst elke levering van goederen verricht in een andere lidstaat dan België door de belastingplichtige of het lid van een btw-eenheid, die overeenkomstig artikel 50, § 1, eerste lid, of § 2, tweede lid van het Btw-Wetboek voor btw-doeleinden is geïdentificeerd (indiener van deel 1 van de opgave van de intracommunautaire handelingen) voor zover hij niet in die andere lidstaat is gevestigd en de voorwaarden vereist voor de vereenvoudigingsmaatregelen inzake driehoeksverkeer zijn vervuld (titel 7.4. van de circulaire nr. 2020/C/50 van 02.04.2020).

Dit impliceert dat de belastingplichtige of het lid van een btw-eenheid (indiener van deel 1 van de opgave) de intracommunautaire verwerving en de daarop aansluitende levering van goederen heeft verricht onder het btw-identificatienummer dat hem door de administratie werd toegekend bij toepassing van artikel 50, § 1, eerste lid, of § 2, tweede lid, van het Btw-Wetboek.

Opgemerkt moet worden dat het feit van het opnemen van de handelingen van categorie II in deel 1 van de opgave één van de voorwaarden is om de intracommunautaire verwerving van de goederen niet aan de belasting te onderwerpen in de lidstaat die het btw-identificatienummer heeft toegekend waaronder de belastingplichtige deze verwerving heeft verricht (artikel 25quinquies, § 3, laatste lid van het Btw-Wetboek).

Voor de handelingen van categorie II wordt de medecontractant-koper, met de aanduiding van het btw-identificatienummer waaronder hij in de lidstaat van bestemming van de goederen is geregistreerd, in deel 1 van deze opgave vermeld als afnemer.

Voorbeeld:

De onderneming A, gevestigd in lidstaat 1, verkoopt een partij goederen aan de onderneming B, gevestigd in lidstaat 2. B verkoopt deze goederen op haar beurt aan de onderneming C, gevestigd in lidstaat 3. A, B en C zijn enkel in hun eigen lidstaat voor btw-doeleinden geïdentificeerd. De goederen worden voor rekening van B vanuit de magazijnen van A in lidstaat 1 rechtstreeks verzonden naar C in lidstaat 3. Voor de door haar verrichte levering van goederen duidt B haar klant C aan als schuldenaar van de belasting.

Eerste hypothese: lidstaat 1 is België

De Belgische onderneming A verricht in België een intracommunautaire levering van goederen die krachtens artikel 39bis, eerste lid, 1°, van het Btw-Wetboek is vrijgesteld.

In deel 1 van de opgave van de intracommunautaire handelingen neemt A genoemde levering op als een handeling beoogd in categorie I met als afnemer de medecontractant B zoals die is geregistreerd in lidstaat 2.

Tweede hypothese: lidstaat 2 is België

De Belgische onderneming B verricht in lidstaat 3 een levering van goederen waarvoor hij zijn klant C aanduidt als schuldenaar van de belasting.

In deel 1 van de opgave van de intracommunautaire handelingen neemt B genoemde levering op als een handeling beoogd in categorie II met als afnemer de medecontractant C zoals die is geregistreerd in lidstaat 3.

Derde hypothese: lidstaat 3 is België

De Belgische onderneming C dient geen handeling op te nemen in deel 1 van de opgave.

Categorie III: De dienst verricht voor een belastingplichtige van een andere lidstaat waar deze belastingplichtige schuldenaar is van de belasting en voor zover deze diensten niet zijn vrijgesteld van de belasting in die lidstaat

Deel 1 van de opgave moet handelingen van categorie III vermelden die overeenstemmen met dienstprestaties die voldoen aan de volgende voorwaarden:

• De klant is een belastingplichtige in de zin van artikel 43 van de richtlijn 2006/112/EG (cfr. artikel 21, § 1, van het Btw-Wetboek). Voor de toepassing van deze bepaling dient onder ‘belastingplichtige’ te worden verstaan de persoon beoogd in artikel 4 van het Btw-Wetboek, de belastingplichtige die eveneens activiteiten of handelingen verricht die niet als in artikel 2 van het Btw-Wetboek beoogde handelingen worden beschouwd, of een niet-belastingplichtige rechtspersoon die voor btw-doeleinden is geïdentificeerd.

• De diensten vinden, krachtens de algemene regel voor de plaats van de dienst (artikel 44 van de richtlijn 2006/112/EG - cfr. artikel 21, § 2, van het Btw-Wetboek), plaats in een andere lidstaat.

Worden dus bedoeld: alle diensten, met uitzondering van deze die krachtens een afwijkend criterium (artikelen 47, 48, 53, 55, 56, lid 1 en 57 van de richtlijn 2006/112/EG - cfr. artikel 21, § 3, van het Btw-Wetboek) plaatsvinden in een andere lidstaat. Laatstbedoelde diensten worden in rooster 47 van de periodieke aangifte opgenomen en hebben betrekking op:

o een onroerend goed

o personenvervoer

o het verlenen van toegang tot culturele, artistieke, sportieve, wetenschappelijke, educatieve, vermakelijkheids- of soortgelijke evenementen

o restaurant en catering (met uitzondering van die diensten die materieel worden verricht aan boord van een schip, vliegtuig of trein in de Europese Unie)

o verhuur op korte termijn van een vervoermiddel

o restaurant en catering (aan boord van een schip, vliegtuig of trein in de Europese Unie)

• De ontvanger van de dienst is overeenkomstig artikel 196 van de richtlijn 2006/112/EG schuldenaar van de belasting (ofwel heeft de dienstverrichter geen vaste inrichting in de lidstaat van de ontvanger, ofwel komt de vaste inrichting waarover de dienstverrichter in deze lidstaat beschikt niet tussen bij de dienstprestaties).

• De diensten zijn niet vrijgesteld van de belasting in de lidstaat waar ze plaatsvinden.

Het gaat om handelingen die moeten worden ingeschreven in rooster 44 van de periodieke btw-aangifte. In voorkomend geval dient rekening te worden gehouden met correcties betreffende deze handelingen die worden ingeschreven in rooster 48 van de periodieke aangifte.

Zo zal een Belgische vzw die een opleiding organiseert voor rekening van een Franse klant zich in Frankrijk niet moeten laten identificeren voor btw-doeleinden. Deze vzw moet zich wel in België identificeren om een intracommunautaire opgave te kunnen indienen, in zoverre deze handeling in Frankrijk aan de btw onderworpen is (mondelinge parlementaire vraag nr. 2.341 van mevrouw de Volksvertegenwoordiger Muriel Gerkens van 02.02.2011).

Met ingang van 01.01.2010 zullen de Belgische belastingplichtigen in hun opgave van de intracommunautaire handelingen de diensten moeten vermelden die verricht werden aan een belastingplichtige van een andere lidstaat, voor zover deze belastingplichtige schuldenaar is van de belasting en deze diensten niet vrijgesteld zijn van de belasting in deze lidstaat. In de hypothese dat deze diensten vrijgesteld zijn van de belasting in de lidstaat van de afnemer, en dat ongeacht de reden, zullen ze niet mogen opgenomen worden in de opgave van de intracommunautaire handelingen van de Belgische dienstverrichter. Indien de Belgische belastingplichtige de nodige stappen heeft ondernomen en niet op de hoogte is van het bestaan van een vrijstelling die van toepassing is op de gestelde handeling, zal hij de betreffende dienst opnemen in zijn opgave van de intracommunautaire handelingen. Voor zover de aangever kan aantonen dat hij deze stappen ondernomen heeft teneinde te bepalen of de gestelde handeling vrijgesteld is in de andere lidstaat en ontegensprekelijk blijkt dat hij niet op de hoogte was van een eventuele vrijstelling, zal de administratie hem geen boete opleggen wegens het opnemen van een vrijgestelde dienst in zijn intracommunautaire opgave. Daarentegen zal het niet vermelden in de intracommunautaire opgave van een dienst, waarvoor de Belgische belastingplichtige niet op de hoogte gesteld werd van het bestaan van een vrijstelling in de lidstaat van de afnemer, worden gesanctioneerd door de Belgische administratie (schriftelijke parlementaire vraag nr. 254 van de heer Volksvertegenwoordiger François-Xavier de Donnea van 06.01.2010).

De opgave vermeldt voor alle afnemers die in een andere lidstaat van de Europese Unie voor btw-doeleinden zijn geïdentificeerd (zie titel 3 hiervoor) en met wie de belastingplichtige in de loop van de verstreken kalendermaand (of het verstreken kalenderkwartaal, zie titel 6 hierna) handelingen heeft verricht opgenomen in de categorieën 1 tot 3, als bedoeld in titel 4 hiervoor:

• het btw-identificatienummer waaronder de afnemer in een andere lidstaat geregistreerd werd

• het totaalbedrag, uitgedrukt in euro, van de handelingen waarvoor de belasting in de loop van de periode, waarop de opgave van de intracommunautaire handelingen betrekking heeft, opeisbaar is geworden

• een afzonderlijke vermelding per categorie van handelingen (zie titel 4), dat wil zeggen:

o code ‘L’ voor de handelingen van categorie I

o code ‘T’ voor de handelingen van categorie II

o code ‘S’ voor de handelingen van categorie III

Herzieningen

Bij het vaststellen van het totaalbedrag van de handelingen moet in voorkomend geval ook rekening worden gehouden met de herzieningen. Deze herzieningen kunnen zich onder meer voordoen wanneer:

• een vergissing werd begaan in het factureren van een handeling aan de klant

• aan de afnemer een prijsvermindering wordt toegestaan na het tijdstip waarop de belasting opeisbaar wordt

• de leverancier zijn afnemer crediteert wegens terugzending van verpakkingen die voor het vervoer van geleverde goederen hebben gediend in het geval het oorspronkelijk aangerekende bedrag voor die verpakkingen diende te worden begrepen in de maatstaf van heffing

• een overeenkomst vóór de levering van het goed verbroken is

• een overeenkomst minnelijk of door een in kracht van gewijsde gegane gerechtelijke beslissing vernietigd of ontbonden is

• een geleverd goed binnen zes maanden na de levering van het goed door de leverancier is teruggenomen zonder dat één van de partijen ten aanzien van de prijs een geldelijk voordeel heeft verkregen

Voor het opnemen van de herzieningen in de opgave van de intracommunautaire handelingen speelt het geen enkele rol of de handeling waarop de herziening betrekking heeft al dan niet reeds werd opgenomen in een voorgaande opgave.

Het bedrag van de herziening wordt opgenomen in deel 1 van de intracommunautaire opgave met betrekking tot het tijdvak waarin een document wordt uitgereikt dat de herziening van de maatstaf van heffing ter kennis brengt (bijvoorbeeld door middel van een creditnota)(artikel 3 van het koninklijk besluit nr. 50 van 11.12.2019, voornoemd). Dit bedrag wordt, volgens het geval, in mindering gebracht van of gevoegd bij het totaalbedrag van de in de betreffende categorie bedoelde handelingen verricht met dezelfde afnemer.

Wanneer het saldo 0,00 euro bedraagt, wordt die afnemer niet vermeld in de opgave. Wanneer het eindsaldo een negatief bedrag is, wordt dit bedrag voorafgegaan door het minteken ‘-’.

Wanneer, voor een bepaalde klant, in de opgave uitsluitend een herziening moet worden aangegeven (bij ontstentenis van handelingen beoogd in de categorieën I, II of III), moet zijn btw-identificatienummer worden vermeld evenals het bedrag van de herziening, in voorkomend geval voorafgegaan door het teken ‘-’.

Correcties

De aandacht wordt erop gevestigd dat herzieningen niet mogen worden verward met correcties aangezien de correcties op een totaal andere wijze in de opgave van de intracommunautaire handelingen worden opgenomen.

Onder materiële vergissing wordt verstaan elke vergissing die uitsluitend door de aangever wordt begaan bij het invullen van een opgave van de intracommunautaire handelingen en die derhalve geen aanleiding geeft tot het uitreiken van een verbeterend stuk (credit- of debetnota) aan de medecontractant.

Bij het uitvoeren van een correctie moet het hierna volgende onderscheid worden gemaakt (artikel 4 van het koninklijk besluit nr. 50 van 11.12.2019, voornoemd).

Wanneer de belastingplichtige of het lid van een btw-eenheid na de indiening van deel 1 van de intracommunautaire opgave in dat deel een materiële vergissing vaststelt, dient hij, voor het verstrijken van de indieningstermijn voor dat deel, een nieuw deel 1 van die opgave in voor dezelfde periode, die het vorige deel 1 annuleert en vervangt.

Wanneer er geen deel 1 van de intracommunautaire opgave kan worden ingediend voor het verstrijken van de indieningstermijn van het te corrigeren deel, neemt de belastingplichtige of het lid van een btw-eenheid een correctie op in het eerstvolgende deel 1 van de intracommunautaire opgave die moet worden ingediend.

In het geval van een correctie moet de indiener van de opgave de periode van de opgave waarin de oorspronkelijk vermelde gegevens werden opgenomen, vermelden in de kolom ‘Periode’.

De inschrijvingen in een ingediende opgave die zonder twijfel een materiële vergissing uitmaken, zullen bij de verwerking ervan door de administratie ambtshalve worden verworpen.

Om te bepalen op welk moment een in België gevestigde belastingplichtige een handeling moet opnemen in zijn btw-opgave van de intracommunautaire handelingen, dient rekening gehouden te worden met de regels inzake opeisbaarheid (schriftelijke parlementaire vraag nr. 245 van de heer Volksvertegenwoordiger Christian Brotcorne van 24.01.2011).

C. Inschrijvingen in deel 1 van de btw-opgave van de intracommunautaire handelingen

Indien in deel 1 van de intracommunautaire opgave meerdere bedragen moeten worden opgenomen voor eenzelfde persoon (hetgeen meer bepaald het geval is wanneer een onderscheid moet worden gemaakt naargelang de aard van de handeling of van het betrokken tijdvak) moet het identificatienummer dat aan deze persoon in een andere lidstaat werd toegekend en waaronder de handeling werd verricht, voor ieder bedrag worden vermeld.

5. Deel 2 van de btw-opgave van de intracommunautaire handelingen

In deel 2 van de btw-opgave van de intracommunautaire handelingen moeten de inlichtingen worden verstrekt op grond van artikel 53sexies, § 1, 4° van het Btw-Wetboek. Het betreft een nieuwe verplichting die vanaf 01.01.2020 van toepassing is.

A. In te schrijven afnemers

De belastingplichtigen en de leden van een btw-eenheid dienen bij de administratie het deel 2 in van de intracommunautaire opgave, waarin de volgende gegevens worden vermeld (artikel 9 van het koninklijk besluit nr. 50 van 11.12.2019, voornoemd) :

• het btw-identificatienummer toegekend door de lidstaat van aankomst van de verzending of het vervoer van de goederen aan de belastingplichtige voor wie de goederen bestemd zijn die werden verzonden of vervoerd onder de regeling inzake voorraad op afroep in de loop van de verstreken kalendermaand, overeenkomstig de voorwaarden bedoeld in artikel 12ter, § 2, van het Wetboek

• hun eigen btw-identificatienummer bedoeld in artikel 50 van het Btw-Wetboek wanneer de goederen worden teruggezonden naar België, overeenkomstig artikel 12ter, § 5, van het Wetboek

• het btw-identificatienummer toegekend door de lidstaat van aankomst van de verzending of het vervoer van de goederen aan de belastingplichtige voor wie de goederen bestemd zijn die werden verzonden of vervoerd onder de regeling inzake voorraad op afroep, ingevolge vervanging van de vorige bestemmeling van de goederen, overeenkomstig artikel 12ter, § 6, van het Wetboek.

Wanneer de goederen worden teruggezonden naar België of in het geval van vervanging van de vorige bestemmeling van de goederen wordt tevens het btw-identificatienummer opgenomen dat werd toegekend door de lidstaat van aankomst van de goederen die werden verzonden of vervoerd onder de regeling inzake voorraad op afroep aan de belastingplichtige voor wie de goederen voorheen bestemd waren.

In tegenstelling tot deel 1 van de opgave van de intracommunautaire handelingen, wordt in deel 2 geen enkel bedrag vermeld. De waarde van de onder de regeling voorraad op afroep verzonden of vervoerde goederen wordt bijgevolg niet opgenomen in deel 2 van de opgave.

Op het tijdstip van de levering van een goed door de consignant aan de consignataris in het kader van de regeling voorraad op afroep wordt de consignant overeenkomstig artikel 12ter, § 3, van het Btw-Wetboek geacht een intracommunautaire levering van goederen te verrichten als bedoeld in artikel 39bis, eerste lid, 1°, van het Btw-Wetboek.

Deze levering moet worden vermeld in deel 1 van de opgave van de intracommunautaire handelingen met betrekking tot het tijdvak waarin de belasting met betrekking tot deze levering opeisbaar is geworden. Deze handeling wordt opgenomen onder vermelding van de code ‘L’.

Wanneer overeenkomstig artikel 12ter, §§ 4 en 7, van het Btw-Wetboek de goederen binnen twaalf maanden na aankomst van de goederen in de lidstaat waarnaar de goederen zijn verzonden of vervoerd, niet zijn geleverd aan de belastingplichtige voor wie zij waren bestemd, of andere voorwaarden van de regeling voorraad op afroep niet vervuld zijn, verricht de consignant een overbrenging in de zin van artikel 12bis, eerste lid, van het Btw-Wetboek die al naargelang het geval wordt geacht te zijn verricht op de dag na het verstrijken van de periode van twaalf maanden of op het tijdstip dat de desbetreffende voorwaarde niet langer is vervuld.

Deze met een intracommunautaire levering van goederen gelijkgestelde overbrenging onder bezwarende titel moet worden opgenomen in deel 1 van de opgave van de intracommunautaire handelingen met betrekking tot het tijdvak waarin de belasting opeisbaar is geworden. Deze handeling wordt opgenomen onder vermelding van de code ‘L’ met aanduiding van de aangever als afnemer door de vermelding van het btw-identificatienummer waaronder de onderneming is geïdentificeerd in de lidstaat waar de met een intracommunautaire verwerving van goederen gelijkgestelde handeling plaats vindt.

B. Correcties

In het geval van een materiële vergissing, dit wil zeggen elke vergissing die geen aanleiding geeft tot de uitreiking van een document dat de herziening van de maatstaf van heffing ter kennis brengt moet het hierna volgende onderscheid worden gemaakt (artikel 10 van het koninklijk besluit nr. 50 van 11.12.2019, voornoemd).

Wanneer de belastingplichtige of het lid van een btw-eenheid na de indiening van deel 2 van de intracommunautaire opgave in dat deel een materiële vergissing vaststelt, dient hij, voor het verstrijken van de indieningstermijn voor dat deel, een nieuw deel 2 van die opgave in voor dezelfde periode, die het vorige deel 2 annuleert en vervangt.

Wanneer er geen deel 2 van de intracommunautaire opgave meer kan worden ingediend voor het verstrijken van de indieningstermijn van het te corrigeren deel, neemt de belastingplichtige of het lid van een btw-eenheid een correctie op in het eerstvolgende deel 2 van de intracommunautaire opgave die moet worden ingediend.

6. Periodiciteit van de btw-opgave van de intracommunautaire handelingen

Krachtens artikel 1 (voor deel 1) en 9 (voor deel 2) van het koninklijk besluit nr. 50 van 11.12.2019, voornoemd, zijn de personen die verplicht zijn om een deel 1 en/of deel 2 van de intracommunautaire opgave in te dienen, in principe, gehouden om dergelijke opgave uiterlijk de twintigste dag van elke kalendermaand in te dienen.

De belastingplichtigen gehouden tot het indienen van maandelijkse periodieke btw-aangiften en de leden van een btw-eenheid, die eveneens gehouden is tot dergelijke indiening van aangiften, moeten bijgevolg steeds maandelijks een intracommunautaire opgave (deel 1 en/of deel 2) indienen, en dit ongeacht het bedrag van de intracommunautaire handelingen (leveringen van goederen en/of diensten) die ze verrichten.

Daarentegen laten artikel 5, § 1 (voor deel 1) en 11, § 1 (voor deel 2), van het koninklijk besluit nr. 50, voornoemd, toe dat de belastingplichtigen die gehouden zijn hun periodieke btw-aangiften driemaandelijks in te dienen of die deze periodieke btw-aangifte niet moeten indienen, alsook de leden van een btw-eenheid die gehouden is om een periodieke btw-aangifte driemaandelijks in te dienen of die deze periodieke btw-aangifte niet moet indienen, hun opgave (deel 1 en/of deel 2) van de intracommunautaire handelingen driemaandelijks indienen.

Echter, deze toelating geldt slechts voor zover het driemaandelijks totaalbedrag van de vrijgestelde leveringen van goederen (dat wil zeggen de handelingen van categorie I en II, zie titel 4, rubriek B) verricht door deze personen niet meer bedraagt dan 50.000 euro in de loop van elk van de vorige vier kalenderkwartalen. De intracommunautaire diensten (handelingen van categorie III, zie titel 4, rubriek B) komen dan ook niet in aanmerking voor het berekenen van deze drempeloverschrijding.

Indien de drempel van 50.000 euro in de loop van een kwartaal wordt overschreden, zal de aangever in principe maandelijkse intracommunautaire opgaven (deel 1 en/of deel 2) moeten indienen vanaf de maand die volgt op deze waarin de overschrijding is gebeurd. Echter, bij wijze van administratieve tolerantie, zal de aangever pas maandopgaven (deel 1 en/of deel 2) indienen vanaf de eerste maand die volgt op het kwartaal waarin de overschrijding is gebeurd. Hij is in dergelijk geval gehouden tot het indienen van maandopgaven (deel 1 en/of deel 2) gedurende een periode van minstens 12 maanden.

De regels van indiening van de periodieke aangiften en van de btw-opgaven van de intracommunautaire handelingen werden immers geharmoniseerd. Overeenkomstig artikel 18, § 2, tweede lid, van het koninklijk besluit nr. 1 van 29.12.1992 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde, verliest de belastingplichtige, omdat hij voortaan gehouden is tot de maandelijkse indiening van de intracommunautaire opgave (deel 1 en/of deel 2), ambtshalve de mogelijkheid tot driemaandelijkse indiening van zijn periodieke btw-aangiften, zodat hij gehouden is tot de maandelijkse indiening van zijn periodieke aangiften. De overgang van de regeling kwartaalaangiften naar maandaangiften geschiedt bij het verstrijken van het kalenderkwartaal waarin hij voor de eerste maal die drempel van 50.000 euro heeft overschreden. De belastingplichtige is gehouden uiterlijk de tiende van de maand volgend op het bovenbedoelde kalenderkwartaal het team Beheer van de belasting over de toegevoegde waarde waaronder hij ressorteert schriftelijk kennis te geven van deze overgang.

Hij zal opnieuw kwartaalopgaven (deel 1 en/of deel 2) kunnen indienen wanneer de drempel van 50.000 euro niet meer zal worden overschreden, noch in de loop van het betrokken kwartaal, noch in de loop van elk van de vier voorafgaande kwartalen. De terugkeer naar de regeling kwartaalaangiften zal echter alleen mogelijk zijn als de belastingplichtige, terzelfdertijd, aan het team Beheer van de belasting over de toegevoegde waarde waaronder hij ressorteert kennisgeeft van zijn wil om van de regeling maandaangiften over te gaan naar kwartaalaangiften.

Opgemerkt weze dat de persoon die gemachtigd wordt om een kwartaalopgave (deel 1 en/of deel 2) in te dienen, evenwel kan kiezen om een maandopgave in te dienen. Deze keuze geldt dan voor een periode van minimum 12 maanden en is verbonden met de keuze voor de indiening van een maandaangifte.

Bovenstaande bepalingen worden nader toegelicht in de beslissing nr. E.T. 117.215/5 van 16.11.2009, waarvan punt D. werd vervangen in de bijwerking van deze beslissing nr. E.T. 117.215/5 van 01.01.2012.

Voorbeeld:

Een belastingplichtige die periodieke kwartaalaangiften en intracommunautaire kwartaalopgaven indient, verricht de volgende intracommunautaire leveringen van goederen (handelingen van categorie I en II) in 2020:

Januari: 10.000 euro

Februari: 20.000 euro

Maart: 10.000 euro

Dit komt neer op een totaal van 40.000 euro op te nemen in deel 1 van zijn intracommunautaire opgave van het eerste kwartaal 2020, in te dienen uiterlijk tegen 20.04.2020.

Hij verricht vervolgens de volgende intracommunautaire leveringen van goederen in 2020:

April: 30.000 euro

Mei: 50.000 euro

Juni: 20.000 euro

Vanaf het einde van de maand mei wordt de drempel van 50.000 euro overschreden. Bij wijze van administratieve tolerantie, zal de belastingplichtige echter nog een deel 1 van de intracommunautaire kwartaalopgave met betrekking tot het tweede kwartaal indienen voor 20.07.2020. Vanaf 20.08.2020 zal hij daarentegen een maandaangifte voor de handelingen van juli 2020 moeten indienen en, desgevallend, een deel 1 van de intracommunautaire maandopgave. Wanneer hij ook gehouden is tot de indiening van een deel 2 van de intracommunautaire opgave, moet hij ook maandelijks een deel 2 indienen.

Krachtens artikel 5, § 2, (voor deel 1) en 11, § 2 (voor deel 2), van het koninklijk besluit nr. 50, voornoemd dienen de landbouwondernemers, die niet gehouden zijn tot de indiening van de aangifte bedoeld in artikel 53, § 1, eerste lid, 2°, van het Btw-Wetboek, ieder jaar vóór 31 maart slechts één intracommunautaire opgave (deel 1 en/of deel 2) in met betrekking tot de handelingen van het verstreken kalenderjaar.

Wanneer een landbouwondernemer bedoeld in artikel 5, § 2, en 11, § 2, van koninklijk besluit nr. 50, voornoemd, die hoedanigheid verliest, moet hij zijn intracommunautaire opgave (deel 1 en/of deel 2) binnen drie maanden vanaf dit verlies indienen (artikel 5, § 2, tweede lid, en 11, § 2, tweede lid, van het koninklijk besluit nr. 50, voornoemd).

7. Invullen en indienen van de btw-opgave van de intracommunautaire handelingen

De artikelen 6, § 1, (voor deel 1) en 12 (voor deel 2) van het koninklijk besluit nr. 50 van 11.12.2019, voornoemd, bepalen de wijze waarop de intracommunautaire opgave (deel 1 en deel 2) moet worden ingediend.

Wat betreft deel 1 van de intracommunautaire opgave, bepaalt artikel 6, § 1, van het koninklijk besluit nr. 50, voornoemd, dat deze langs elektronische weg moet worden ingediend.

Artikel 6, § 2, van het koninklijk besluit nr. 50, voornoemd, preciseert evenwel dat de belastingplichtigen en de leden van een btw-eenheid, zolang zij, of in voorkomend geval, de persoon die gemachtigd is om dergelijke opgaven in te dienen niet over de nodige geïnformatiseerde middelen beschikken om aan deze verplichting te voldoen, zijn vrijgesteld van de verplichting tot indiening van deel 1 van de intracommunautaire opgave langs elektronische weg.

Bovendien bepaalt artikel 6, § 3 van het koninklijk besluit nr. 50, voornoemd, dat de belastingplichtigen die niet gehouden zijn tot de indiening van de in artikel 53, § 1, eerste lid, 2°, van het Btw-Wetboek bedoelde aangifte en de leden van een btw-eenheid in de zin van artikel 4, § 2, van het Btw-Wetboek, die niet gehouden is tot de indiening van dergelijke aangifte, kunnen kiezen om deel 1 van de intracommunautaire opgave hetzij elektronisch, hetzij op papier in te dienen.

Tenslotte bepaalt artikel 6, § 5, van het koninklijk besluit nr. 50, voornoemd, dat in afwijking van artikel 6, §§ 2 en 3, de belastingplichtigen die het deel 2 van de intracommunautaire opgave indienen, het deel 1 van die opgave eveneens langs elektronische weg moeten indienen.

Wat betreft deel 2 van de intracommunautaire opgave, bepaalt artikel 12 van het koninklijk besluit nr. 50, voornoemd, dat deze langs elektronische weg moet worden ingediend. Er is geen enkele ontheffing mogelijk.

De belastingplichtige onderworpen aan de vrijstellingsregeling moet bijvoorbeeld, in voorkomend geval, een deel 1 van opgave van zijn intracommunautaire handelingen indienen (diensten beoogd door de algemene regel van de plaats van vestiging van de afnemer en die niet zijn vrijgesteld in de lidstaat van de afnemer). Hij is niet gehouden deze lijst op elektronische wijze in te dienen maar kan hier steeds voor opteren (circulaire AAFisc Nr. 34/2014 (nr. E.T. 123.849) van 25.08.2014).

De belastingplichtige of het lid van een btw-eenheid die was vrijgesteld van de verplichting om deel 1 van de intracommunautaire aangifte langs elektronische weg in te dienen omdat hij niet over de nodige geïnformatiseerde middelen beschikte om aan deze verplichting te voldoen, verliest daarentegen automatisch het voordeel van deze vrijstelling als hij deel 2 van de intracommunautaire aangifte moet indienen (aangezien deel 2 alleen langs elektronische weg kan worden ingediend - artikel 6, § 5, van het koninklijk besluit nr. 50, voornoemd).

De indiening van de delen 1 en 2 van de bedoelde opgave langs elektronische weg wordt gedaan via de Intervat toepassing die door de administratie ter beschikking wordt gesteld van de belastingplichtigen op de internetsite van de FOD Financiën www.financien.belgium.be. Zie ook schriftelijke parlementaire vraag nr. 0286 van meneer de Volksvertegenwoordiger Karel Uyttersprot van 28.02.2011.

Voor de indiening van deel 1 van de opgave op papier, moet de belastingplichtige of het lid van een btw-eenheid in de zin van artikel 4, § 2, van het Btw-Wetboek, die vrijgesteld is van de indiening langs elektronische weg, het door de administratie verstrekte formulier gebruiken, waarvan een model terug te vinden is in de bijlage bij het koninklijk besluit nr. 50, voornoemd (ongeacht het geval, zowel bij maandelijkse, driemaandelijkse als jaarlijkse indiening). Om deze vrijstelling te bekomen moet de belastingplichtige of het lid van de btw-eenheid zich wenden tot het team Beheer waarvan hij afhangt en na invulling, deel 1 van de opgave toesturen aan het bevoegde scanningcentrum:

• ofwel, wanneer het een Nederlandstalige versie betreft:

Federale Overheidsdienst Financiën

Algemene Administratie van de Fiscaliteit

Scanningscentrum

Zuiderpoort – Blok B

Gaston Crommenlaan 6, bus 001

9050 Gent (Ledeberg)

• ofwel, wanneer het een Franstalige of Duitstalige versie betreft:

Service Public Fédéral Finances

Administration Générale de la Fiscalité

Centre de scanning

Avenue du Prince de Liège 133, Bâtiment A

5100 Namur (Jambes)

De opgave (deel 1 en/of deel 2) moet worden ingediend de 20e van de maand die volgt op de periode waarop ze betrekking heeft of, wanneer deze dag een zaterdag, zondag of wettelijke feestdag is, de eerstvolgende werkdag. Landbouwers onderworpen aan de bijzondere landbouwregeling moeten de opgave (deel 1 en/of deel 2) ieder jaar vóór 31 maart indienen.

De delen 1 en 2 van de opgave staan los van elkaar en worden bijgevolg afzonderlijk ingediend.

De ondernemingen die geen handelingen hebben verricht die moeten worden vermeld in deel 1 van de opgave en die geen correcties hoeven aan te brengen aan vroeger ingediende delen 1 van deze opgaven moeten voor die betreffende periode geen nihil-opgave opmaken voor dit deel 1 (artikel 7 van het koninklijk besluit nr. 50, voornoemd).

De ondernemingen die geen handelingen hebben verricht die moeten worden vermeld in deel 2 van de opgave en die geen correcties hoeven aan te brengen aan vroeger ingediende delen 2 van deze opgaven moeten voor die betreffende periode geen nihil-opgave opmaken voor dit deel 2 (artikel 13 van het koninklijk besluit nr. 50, voornoemd).

De opgave van de intracommunautaire handelingen met betrekking tot het 4de kwartaal van 2014 werd door de belastingplichtige niet ingediend. De administratie legt hem hiervoor op grond van artikel 70, §4 van het Btw-Wetboek en de bijlage bij het koninklijk besluit nr. 44 van 09.07.2012 afdeling I, IV, 2, A een niet-proportionele administratieve geldboete op. Het dwangbevel werd op 4.11.2015 betekend aan de belastingplichtige. Het dwangbevel werd voor de eerste rechter betwist waarbij de belastingplichtige in hoofdorde de vernietiging vordert van het dwangbevel en de beslissing tot opmaking van de bijzondere rekening. In ondergeschikte orde vordert de belastingplichtige de vermindering van de geldboete. Het is pas gedurende de gerechtelijke procedure dat de belastingplichtige overgaat tot het indienen van zijn opgave intracommunautaire handelingen met betrekking tot het 4de kwartaal van 2014. De eerste rechter volgt de stelling van de belastingplichtige in ondergeschikte orde en vermindert de administratieve boete op grond van het weerhouden van verzachtende omstandigheden. De rechter in beroep kwalificeert de opgelegde administratieve geldboete als een sanctie met repressief karakter in de zin van artikel 6 van het Europees verdrag voor de rechten van de mens. De rechter in beroep volgt de stelling van de belastingplichtige niet. Hij stelt vast dat de belastingplichtige zeer nalatig is geweest in de uitvoering van zijn fiscale verplichtingen en beschouwt dit als een ernstige inbreuk op die btw-verplichting. Dat de fout te wijten is aan zijn vroegere accountant is niet bewezen en wordt bovendien betwist door de accountant. De niet nageleefde verplichting staat bovendien los van de vraag of de belastingplichtige te goeder trouw was of niet. De sanctie werd als proportioneel aangemerkt. In zoverre het in de huidige stand van de wetgeving al mogelijk zou zijn om voor de opgelegde sanctie de gunst van uitstel te verlenen moet het hof op grond van de hogere overwegingen aannemen dat een dergelijk uitstel hier niet op zijn plaats is, nu dit de aanmoedigende functie van de sanctie te sterk zou aantasten (Arrest van het hof van beroep te Gent van 08.05.2018).

8. De btw-opgave van de intracommunautaire handelingen (delen 1 en 2) in te dienen door de landbouwondernemers bedoeld in artikel 57 van het Btw-Wetboek

Bij toepassing van artikel 57, § 7, van het Btw-Wetboek, en krachtens artikel 5, § 2, (voor deel 1) en 11, § 2 (voor deel 2) van het koninklijk besluit nr. 50 van 11.12.2019, voornoemd, dienen de landbouwondernemers die niet gehouden zijn tot het indienen van de in artikel 53, § 1, eerste lid, 2°, van het Btw-Wetboek bedoelde periodieke btw-aangiften, ieder jaar vóór 31 maart één enkele intracommunautaire opgave (deel 1 en/of) deel 2) met betrekking tot de handelingen van het verstreken kalenderjaar in.

Wanneer een landbouwondernemer bedoeld in artikel 5, § 2 en 11, § 2, van koninklijk besluit nr. 50, voornoemd, die hoedanigheid verliest, moet hij zijn intracommunautaire opgave (deel 1 en/of deel 2) binnen drie maanden vanaf dit verlies indienen (artikel 5, § 2, tweede lid en 11, § 2, tweede lid, van koninklijk besluit nr. 50, voornoemd).

Aangezien de landbouwondernemers niet gehouden zijn tot de indiening van periodieke btw-aangiften, kunnen ze deel 1 van deze opgave, naar keuze, elektronisch of op papier indienen (zie titel 7).

Maar als deze landbouwers het deel 2 van de opgave moeten indienen (verplicht elektronisch), moeten ze ook deel 1 elektronisch indienen (zie titel 7).

Zij moeten voor zowel deel 1 als voor deel 2 van de opgave geen nihil-opgave indienen wanneer zij tijdens het kalenderjaar waarop de opgave betrekking heeft, geen enkele handeling of correctie hebben verricht die, naargelang het geval in deel 1 of deel 2 van de opgave moet worden vermeld.

De landbouwondernemingen moeten trouwens, binnen dezelfde termijn als die van de delen 1 en 2 van de intracommunautaire opgave, de jaarlijkse listing van belastingplichtige klanten indienen (zie Afdeling 8 - Jaarlijkse opgave van de handelingen met afnemers-belastingplichtigen). Zij moeten bij het invullen van deze listing met een specifieke vermelding aanduiden of zij tijdens het voorgaande kalenderjaar al dan niet handelingen hebben verricht die moeten worden opgenomen in de opgave van de intracommunautaire handelingen en/of correcties die moeten worden aangebracht aan vroeger ingediende opgaven.

Voor het invullen van deel 1 van de jaaropgave van de intracommunautaire handelingen mogen de landbouwondernemers uiteraard geen rekening houden met het bedrag van de forfaitaire compensaties als bedoeld in artikel 57, § 2, van het Btw-Wetboek die hen door hun afnemers worden betaald.

9. Waarmerk, datum en handtekening

Het formulier van de in artikel 53sexies van het Btw-Wetboek bedoelde aangifte wordt ingevuld overeenkomstig de daarin voorkomende aanduidingen, gewaarmerkt, gedagtekend en ondertekend (artikel 53terdecies, § 1, van het Btw-Wetboek).

De door de Federale Overheidsdienst Financiën ter beschikking gestelde elektronische aangifte die werd ingevuld en overgezonden overeenkomstig de daarin voorkomende aanduidingen, wordt gelijkgesteld met een gewaarmerkte, gedagtekende en ondertekende aangifte (artikel 53terdecies, § 2, van het Btw-Wetboek).

[Top]

Afdeling 10 - Schuldenaar van de belasting

1. Principes inzake de bepaling van de schuldenaar

Er zijn vier gebeurtenissen die leiden tot de opeisbaarheid van de Belgische btw wanneer ze plaatsvinden in België, ongeacht of de gebeurtenis daadwerkelijk wordt belast of niet :

• Uitgaande handelingen :

o De levering van goederen

o De verrichting van een dienst

• Inkomende handelingen :

o De invoer van goederen

o De intracommunautaire verwerving van goederen.

Artikel 51 van het Btw-Wetboek omschrijft de regels voor de bepaling van de schuldenaar :

• paragraaf 1 : hoofdregels

• paragraaf 2 : afwijkende regels voor de verlegging van de verschuldigdheid

• paragraaf 3 : bijzonder geval van de onroerende schatting

• paragraaf 4 : verlegging van de verschuldigdheid met het oog op de bestrijding van de fraude. In uitvoering hiervan werden de artikelen 20, 20bis en 20ter van het koninklijk besluit nr. 1 van 29.12.1992 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde, ingevoerd.

2. Algemene regels ter bepaling van de schuldenaar

Artikel 51, § 1, van het Btw-Wetboek onderscheidt drie gevallen van bepaling van de schuldenaar.

De belasting is verschuldigd :

1. door de belastingplichtige die in België een belastbare levering van goederen of een belastbare dienst verricht ;

2. door degene die in België een belastbare intracommunautaire verwerving van goederen verricht ;

3. door eenieder die op een factuur of op een als zodanig geldend stuk de belasting over de toegevoegde waarde vermeldt, zelfs indien hij geen goed heeft geleverd noch een dienst heeft verstrekt. Hij wordt schuldenaar van de belasting op het tijdstip van het uitreiken van de factuur of het stuk.

A. De belastingplichtige die in België een belastbare levering van goederen of een belastbare dienst verricht

In principe is het, overeenkomstig artikel 51, § 1, 1°, van het Btw-Wetboek, de belastingplichtige die de handeling stelt, de leverancier of de dienstverrichter, die de schuldenaar is van de belasting wanneer de belastbare handeling plaatsvindt in België.

Die regel is van toepassing in de volgende situaties :

• Leveringen van goederen of diensten verricht door een in België gevestigde belastingplichtige, andere dan die waarvoor de medecontractant de schuldenaar is van de btw overeenkomstig artikel 51, § 2, 3°, van het Btw-Wetboek (zie deel 3 infra) en de artikelen 20, 20bis en 20ter, van het koninklijk besluit nr. 1 (zie deel 4 infra) ;

• Leveringen van goederen of diensten verricht door niet in België gevestigde belastingplichtigen andere dan die waarvoor de medecontractant de schuldenaar is van de btw overeenkomstig artikel 51, § 2, van het Btw-Wetboek (zie deel 3 infra).

Opmerking :

De adviezen of de informatie die worden verstrekt krachtens het strikte kader van het mandaat of de overeenkomst waardoor de in België gevestigde dienstverrichter zijn beleidslijnen oplegt aan een buiten de Gemeenschap gevestigde passieve holding, zodat ze werkelijk inherent zijn aan en onmisbaar voor de activiteit van bestuur en leiding van de holding, vinden overeenkomstig artikel 21bis, § 1, van het Btw-Wetboek, plaats in België waar de dienstverrichter de zetel van zijn economische activiteit heeft gevestigd. De schuldenaar is de Belgische dienstverrichter (zie de beslissing nr. E.T. 95.797 van 19.10.1999 en de schriftelijke parlementaire vraag nr. 493 van de heer Volksvertegenwoordiger François-Xavier de Donnéa van 28.05.2009).

B. Degene die in België een belastbare intracommunautaire verwerving van goederen verricht

Bij intracommunautaire uitwisselingen is het btw-systeem in principe zo opgezet dat de Lidstaten de fiscale ontvangsten behouden. De btw wordt dus rechtstreeks geïnd door de Lidstaat op wiens grondgebied het eindverbruik van de verkochte goederen plaatsvindt.

In zover hij in België een intracommunautaire verwerving verricht die aan de belasting onderworpen is overeenkomstig artikel 25ter, van het Btw-Wetboek, is de verwerver de schuldenaar van de belasting op grond van artikel 51, § 1, 2°, van het Btw-Wetboek.

Zijn geen belastbare intracommunautaire verwervingen in de zin van artikel 25ter van het Btw-Wetboek :

• de intracommunautaires verwervingen van goederen andere dan nieuwe vervoermiddelen, verricht door particulieren, niet-belastingplichtigen voor de btw

• de intracommunautaire verwervingen van goederen verricht door belastingplichtigen of door niet-belastingplichtige rechtspersonen die niet gehouden zijn om hun intracommunautaire verwervingen van goederen andere dan nieuwe vervoermiddelen en accijnsprodukten te onderwerpen aan de belasting

• de intracommunautaire verwervingen van goederen onderworpen aan de wetgeving met betrekking tot de winstmargeregeling

Bovendien, zijn niet aan te merken als intracommunautaire verwervingen :

• de aankopen van goederen afkomstig van andere Lidstaten die worden verkocht onder de regeling van de verkopen op afstand (artikel 15, § 1, van het Btw-Wetboek)

• De aankopen van goederen afkomstig van andere Lidstaten die het voorweerp uitmaken van een verkoop met installatie en montage door of voor rekening van verkoper (artikel 14, § 3, van het Btw-Wetboek)

• De aankopen van gas via een aardgassysteem of een op een dergelijk systeem aangesloten net op het grondgebied van de Gemeenschap, van elektriciteit, van warmte of koude via warmte- of koudenetten (artikel 14bis van het Btw-Wetboek)

Voorbeeld :

X, een belastingplichtige onderneming die gevestigd is in Borgworm (België), koopt een machine aan van Y, een in Rijsel (Frankrijk) gevestigde belastingplichtige. Het vervoer van het goed wordt verricht door Y, de verkoper.

De intracommunautaire verwerving vindt plaats te Borgworm, plaats van aankomst van het vervoer (artikel 25quinquies van het Btw-Wetboek).

De btw is verschuldigd door X die de intracommunautaire verwerving verricht, dit in toepassing van artikel 51, § 1, 2°, van het Btw-Wetboek.

a. intracommunautaire verwerving van goederen andere dan nieuwe vervoermiddelen en accijnsprodukten

Als de verwerver die een intracommunautaire verwerving verricht die onderworpen is aan de belasting overeenkomstig artikel 25ter van het Btw-Wetboek, gehouden is een periodieke btw-aangifte in te dienen, voldoet hij de verschuldigde Belgische btw via zijn periodieke aangifte.

Als de verwerver die een intracommunautaire verwerving verricht die onderworpen is aan de belasting overeenkomstig artikel 25ter van het Btw-Wetboek, is :

• een belastingplichtige die ontheven is van de verplichting tot indiening van een periodieke aangifte ;

• een belastingplichtige onderworpen aan de bijzondere landbouwregeling van artikel 57 van het Btw-Wetboek, een belastingplichtige onderworpen aan de in artikel 56bis van het Btw-Wetboek bedoelde vrijstellingsregeling, een belastingplichtige die uitsluitend leveringen van goederen of diensten verricht die krachtens artikel 44 zijn vrijgesteld waarvoro hij geen recht op aftrek heeft of een niet-belastingplichtige rechtspersoon die de in artikel 25ter, § 1, tweede lid, 2°, b, van het Btw-Wetboek bedoelde drempel van 11.200 EUR heeft overschreden of die heeft gekozen voor het onderwerpen aan de belasting van al haar intracommunautaire verwervingen van goederen overeenkomstig artikel 25ter, § 1, tweede lid, 2°, van het btw-Wetboek,

voldoet hij de Belgische btw via de in artikel 53ter van het Btw-Wetboek bedoelde bijzondere btw-aangifte.

b. intracommunautaire verwerving van accijnsprodukten

Als de verwerver een belastbare intracommunautaire verwerving van accijnsprodukten verricht overeenkomstig artikel 25ter, van het Btw-Wetboek, en hij gehouden is tot het indienen van een periodieke btw-aangifte, voldoet hij de verschuldigde Belgische btw in de regel via zijn periodieke aangifte.

Als de verwerver die een belastbare intracommunautaire verwerving van accijnsprodukten verricht overeenkomstig artikel 25ter van het Btw-Wetboek, is :

• een belastingplichtige die ontheven is van de verplichting tot indiening van een periodieke aangifte;

• een belastingplichtige onderworpen aan de in artikel 57 van het Wetboek bedoelde bijzondere landbouwregeling, een belastingplichtige onderworpen aan de in artikel 56bis van het Btw-Wetboek bedoelde vrijstellingsregeling, de belastingplichtige die uitsluitend krachtens artikel 44 vrijgestelde leveringen van goederen of diensten verricht waarvoor hij geen recht op aftrek heeft of een niet-belastingplichtige rechtspersoon die de in artikel 25ter, § 1, tweede lid, 2°, b, van het Btw-Wetboek bedoelde drempel van 11.200 EUR heeft overschreden of ervoor gekozen heeft om al haar intracommunautaire verwervingen van goederen aan de belasting te onderwerpen overeenkomstig artikel 25ter, § 1, derde lid, van het Btw-Wetboek,

voldoet hij de verschuldigde Belgische btw in de regel via de in artikel 53ter van het Btw-Wetboek bedoelde bijzondere btw-aangifte.

Als de verwerver die een belastbare intracommunautaire verwerving van accijnsprodukten verricht overeenkomstig artikel 25ter van het Btw-Wetboek, een belastingplichtige onderworpen aan de in artikel 57 van het Wetboek bedoelde bijzondere landbouwregeling is, een belastingplichtige onderworpen aan de in artikel 56bis van het Btw-Wetboek bedoelde vrijstellingsregeling, een belastingplichtige die uitsluitend krachtens artikel 44 vrijgestelde leveringen van goederen of diensten verricht waarvoor hij geen recht op aftrek heeft of een niet-belastingplichtige rechtspersoon die de in artikel 25ter, § 1, tweede lid, 2°, b, van het Btw-Wetboek bedoelde drempel van 11.200 EUR niet heeft overschreden of er niet voor gekozen heeft om al haar intracommunautaire verwervingen van goederen aan de belasting te onderwerpen overeenkomstig artikel 25ter, § 1, derde lid, van het Btw-Wetboek

voldoet hij de verschuldigde Belgische btw op het kantoor der accijnzen (zie het koninklijk besluit nr. 51 van 14.04.1993, met betrekking tot de vereenvoudigingsregeling voor de intracommunautaire verwerving van accijnsprodukten op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde en de aanschrijving nr. 8 van 08.10.1998).

c. intracommunautaire verwerving van een nieuw vervoermiddel

Als de verwerver een belastbare intracommunautaire verwerving van een nieuw vervoermiddel verricht overeenkomstig artikel 25ter, van het Btw-Wetboek, en hij gehouden is tot het indienen van een periodieke btw-aangifte, voldoet hij de verschuldigde Belgische btw in de regel via zijn periodieke aangifte.

In bepaalde gevallen evenwel wordt er afgeweken van die wijze van aangifte en voldoening van de belasting en dat zowel voor de belastbare intracommunautaire verwervingen van nieuwe vervoermiddelen als voor die van tweedehandse vervoermiddelen. De belastingplichtige die op het tijdstip waarop de belasting opeisbaar wordt, niet volledig of slechts gedeeltelijk zijn verplichtingen inzake btw vervult (verplichtingen voorgeschreven door de artikelen 53, § 1, eerste lid, 2° en 3°, 53bis, § 1, 53ter of 53quater van het Wetboek) moet de verschuldigde btw voldoen via de indiening van een bijzondere aangifte op een douanekantoor naar zijn keuze (bijzondere btw-aangifte inzake de intracommunautaire verwerving van nieuwe vervoermiddelen – aangifte nr. 446 – zie artikel 2 van het koninklijk besluit nr. 46 van 29.12.1992 tot regeling van de aangifte van de intracommunautaire verwerving van vervoermiddelen en van de betaling van de ter zake verschuldigde btw).

Als de verwerver die een belastbare intracommunautaire verwerving van een nieuw vervoermiddel verricht overeenkomstig artikel 25ter van het Btw-Wetboek, is :

• een belastingplichtige die ontheven is van de verplichting tot indiening van een periodieke aangifte;

• een belastingplichtige onderworpen aan de in artikel 57 van het Wetboek bedoelde bijzondere landbouwregeling, een belastingplichtige onderworpen aan de in artikel 56bis van het Btw-Wetboek bedoelde vrijstellingsregeling, de belastingplichtige die uitsluitend krachtens artikel 44 vrijgestelde leveringen van goederen of diensten verricht waarvoor hij geen recht op aftrek heeft of een niet-belastingplichtige rechtspersoon die de in artikel 25ter, § 1, tweede lid, 2°, b, van het Btw-Wetboek bedoelde drempel van 11.200 EUR heeft overschreden of ervoor gekozen heeft om al haar intracommunautaire verwervingen van goederen aan de belasting te onderwerpen overeenkomstig artikel 25ter, § 1, derde lid, van het Btw-Wetboek,

voldoet hij de verschuldigde Belgische btw in de regel via de in artikel 53ter van het Btw-Wetboek bedoelde bijzondere btw-aangifte.

Echter, als die persoon, op het tijdstip waarop de belasting opeisbaar wordt, zijn verplichtingen inzake btw niet volledig of slechts gedeeltelijk vervult (verplichtingen voorgeschreven door de artikelen 53, § 1, eerste lid, 2° en 3°, 53bis, § 1, 53ter of 53quater van het Wetboek), moet hij de verschuldigde btw voldoen via de indiening van een bijzondere aangifte op een douanekantoor naar zijn keuze (bijzondere btw-aangifte inzake de intracommunautaire verwerving van nieuwe vervoermiddelen – aangifte nr. 446 – zie artikel 2 van het koninklijk besluit nr. 46 van 29.12.1992 tot regeling van de aangifte van de intracommunautaire verwerving van vervoermiddelen en van de betaling van de ter zake verschuldigde btw).

Als de verwerver die een belastbare intracommunautaire verwerving van een nieuw vervoermiddel verricht overeenkomstig artikel 25ter van het Btw-Wetboek, is :

• een belastingplichtige onderworpen aan de in artikel 57 van het Wetboek bedoelde bijzondere landbouwregeling, een belastingplichtige onderworpen aan de in artikel 56bis van het Btw-Wetboek bedoelde vrijstellingsregeling, de belastingplichtige die uitsluitend krachtens artikel 44 vrijgestelde leveringen van goederen of diensten verricht waarvoor hij geen recht op aftrek heeft of een niet-belastingplichtige rechtspersoon die de in artikel 25ter, § 1, tweede lid, 2°, b, van het Btw-Wetboek bedoelde drempel van 11.200 EUR niet heeft overschreden of er niet voor gekozen heeft om al haar intracommunautaire verwervingen van goederen aan de belasting te onderwerpen overeenkomstig artikel 25ter, § 1, derde lid, van het Btw-Wetboek;

• een niet belastingplichtige natuurlijke persoon,

moet hij de verschuldigde Belgische btw voldoen via de indiening van een bijzondere aangifte op een douanekantoor naar zijn keuze (bijzondere btw-aangifte inzake de intracommunautaire verwerving van nieuwe vervoermiddelen – aangifte nr. 446 – zie artikel 2 van het koninklijk besluit nr. 46 van 29.12.1992 tot regeling van de aangifte van de intracommunautaire verwerving van vervoermiddelen en van de betaling van de ter zake verschuldigde btw).

C. Eenieder die op een factuur of op een als zodanig geldend stuk de belasting over de toegevoegde waarde vermeldt, zelfs indien hij geen goed heeft geleverd, noch een dienst heeft verstrekt

Overeenkomstig artikel 51, § 1, 3°, van het Btw-Wetboek, is de belasting verschuldigd door eenieder die op een factuur of op een als zodanig geldend stuk de belasting over de toegevoegde waarde vermeldt, zelfs indien hij geen goed heeft geleverd noch een dienst heeft verstrekt. Hij wordt schuldenaar van de belasting op het tijdstip van het uitreiken van de factuur of het stuk. Deze bepaling is de omzetting van artikel 203 van de richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 2 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (zie de schriftelijke parlementaire vraag nr. 196 van heer Volksvertegenwoordiger Christian Brotcorne van 15.02.2012).

Vast staat dat de belasting verschuldigd is van zodra de factuur uitgereikt is en de beëindiging van de overeenkomst waarop de factuur steunt tot teruggave van de belasting kan leiden (zie arrest van het Hof van Cassatie nr. F.12.0092.N van 19.12.2013).

Deze maatregel is een bepaling ter bestrijding van de fraude welke vreemd is aan het gemeen recht en die inzonderheid tot doel heeft te voorkomen dat eender wie, door in een factuur een bedrag als BTW op te nemen, alzo aan de geadresseerde van die factuur een titel tot eventuele aftrek zou verschaffen. Door de belasting verschuldigd te maken door het enkele feit van de facturering, afgezien van de handeling die zij zou vaststellen, heeft de wetgever willen verzekeren dat de eventuele aftrek steeds overeenstemt met de heffing in hoofde van de uitreiker van de factuur.

Er wordt evenwel aangestipt dat de Administratie in dergelijke gevallen billijkheidshalve zich ervan onthoudt van de particuliere verkoper de betaling van de belasting te eisen wanneer de facturering niet met bedrieglijk opzet is geschied en de belastingplichtige koper de BTW niet heeft afgetrokken of het ten onrechte afgetrokken bedrag aan de Staat heeft terugbetaald (zie de schriftelijke parlementaire vraag nr. 014 van de heer Volksvertegenwoordiger Grafé van 08.01.1982).

Wanneer een belastingplichtige werk in onroerende staat verricht en hij, ten onrechte btw aanrekent op de facturen voor zijn belastingplichtige medecontractant aangever (want bij toepassing van artikel 20 van het koninklijk besluit nr. 1, genomen in uitvoering van artikel 51, § 4, van het Wetboek, is zijn medecontractant immers de schuldenaar van de btw), is hij gehouden om ze als verschuldigde belasting op te nemen in zijn boekhouding en in zijn periodieke btw-aangifte. Niets staat evenwel de uitreikeing van een verbeterend stuk en de uitoefening van het recht op teruggaaf van de belasting bedoeld in artikel 77, § 1, 1°, van het BTW-Wetboek, in de weg. Dit verbeterend stuk zal, conform artikel 20, § 3, van het koninklijk besluit nr. 1, de vermelding « Btw verlegd » bevatten (zie de schriftelijke parlementaire vraag nr. 647 van de heer Senator De Clippele van 15.05.2000).

De belasting over de toegevoegde waarde wordt uit hoofde van artikel 21, lid 1, sub c, van de Zesde richtlijn (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977, verschuldigd in de Lidstaat waarvan de belasting over de toegevoegde waarde op de factuur of een als zodanig dienstdoend document vermeld staat, ook wanneer de betrokken handeling in die lidstaat niet belastbaar was.

Het beginsel van fiscale neutraliteit verzet zich er in beginsel niet tegen dat een lidstaat aan de herziening van btw die in die Lidstaat enkel verschuldigd is omdat zij bij vergissing op de gestuurde factuur is vermeld, de voorwaarde verbindt dat de belastingplichtige aan de ontvanger van de verrichte diensten een herstelfactuur uitreikt waarop geen btw wordt vermeld, wanneer deze belastingplichtige niet tijdig het gevaar voor verlies van belastinginkomsten volledig heeft uitgeschakeld (zie Hof van Justitie van de Europese Unie, Arrest, zaak C-566/07 van 18.06.2009, punt 52).

Ingevolge artikel 22, lid 3, sub c, van de Zesde richtlijn (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 mogen de Lidstaten een door de ontvanger van goederen of diensten uitgereikte creditnota als een "document dat dienst doet als factuur" beschouwen, wanneer deze nota de vermeldingen bevat die bij deze richtlijn zijn voorgeschreven voor facturen, zij wordt opgesteld met de instemming van de belastingplichtige die de goederen levert of de diensten verricht, en de belastingplichtige bezwaar kan maken tegen het daarop vermelde bedrag van de belasting over de toegevoegde waarde.

De belastingplichtige die geen bezwaar heeft gemaakt tegen het feit dat op een als factuur dienst doende creditnota een bedrag van de belasting van de toegevoegde waarde is vermeld dat hoger is dan het bedrag dat over de belastbare omzet verschuldigd is, kan worden beschouwd als degene die dit bedrag heeft vermeld en derhalve het aangegeven bedrag verschuldigd is in de zin van artikel 21, punt 1, sub c, van de Zesde richtlijn (77/388) (zie Hof van Justitie van de Europese Unie, Arrest Finanzamt Osnabrück-Land tegen Bernhard Langhorst, zaak C-141/96, van 17.09.1997, punt 31).

Aangezien de Zesde richtlijn 77/388 geen enkele bepaling bevat over de regularisatie van ten onrechte gefactureerde belasting over de toegevoegde waarde door de opsteller van de factuur, staat het in beginsel aan de lidstaten te bepalen onder welke voorwaarden de ten onrechte gefactureerde belasting kan worden geregulariseerd. Wanneer de opsteller van de factuur het gevaar voor verlies van belastinginkomsten tijdig en volledig heeft uitgeschakeld, verlangt het beginsel van de neutraliteit van de belasting over de toegevoegde waarde evenwel, dat de ten onrechte gefactureerde belasting kan worden geregulariseerd zonder dat deze regularisatie afhankelijk kan worden gesteld van de goede trouw van de opsteller van de factuur. Wanneer een dergelijk risico is uitgeschakeld, mag de regularisatie van de ten onrechte gefactureerde belasting over de toegevoegde waarde dus niet van de discretionaire beoordelingsbevoegdheid van de belastingadministratie afhangen (zie Hof van Justitie van de Europese Unie, Arrest Schmeink & Cofreth AG & Co. KG tegen Finanzamt Borken en Manfred Strobel tegen Finanzamt Esslingen, zaak C-454/98 van 19.09.2000).

Opmerking :

Het bedrag dat een persoon die voor de staat diensten verricht, als belasting over de toegevoegde waarde op een factuur vermeldt, moet niet als belasting over de toegevoegde waarde in de zin van de Zesde richtlijn 77/388/EEG van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der Lid- Staten inzake omzetbelasting - Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag, worden aangemerkt wanneer deze persoon bij vergissing denkt dat hij deze diensten als zelfstandige verricht, terwijl er in werkelijkheid een verhouding van ondergeschiktheid bestaat.

Artikel 21, punt 1, sub c, van de Zesde richtlijn 77/388/EEG van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der Lid- Staten inzake omzetbelasting - Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag, verzet zich niet tegen de terugbetaling van een bedrag dat bij vergissing als belasting over de toegevoegde waarde op een factuur of een als zodanig dienend document is vermeld, wanneer de betrokken diensten niet aan de belasting over de toegevoegde waarde zijn onderworpen en het gefactureerde bedrag dus niet als belasting over de toegevoegde waarde kan worden aangemerkt (zie Hof van Justitie van de Europese Unie, Arrest Elliniko Dimosio tegen Maria Karageorgou (C-78/02), Katina Petrova (C-79/02) en Loukas Vlachos (C-80/02), gevoegde zaken C-78/02 tot en met C-80/02, van 06.11.2003).

3. Verlegging(en) van heffing als voorzien in artikel 51, § 2, van het Btw-Wetboek

De verlegging van heffing heeft steeds tot doel om de toepassing van de btw-wetgeving te vereenvoudigen door zoveel als mogelijk tegen te gaan dat een buitenlandse leverancier zich verplicht moet identificeren op het Belgisch grondgebied.

In bepaalde gevallen is de verlegging van de heffing eveneens bedoeld om de fraude te bestrijden. En door de heffing van de btw door de in België gevestigde afnemers te verzekeren, wordt vermeden dat onbetrouwbare en moeilijk te traceren dienstverrichters de door hen geïnde btw niet storten aan de Schatkist.

A. Situaties als bedoeld in artikel 51, § 2, eerste lid, 1°, 2°, 5° en 6°, van het Btw-Wetboek

1. Dienst die krachtens artikel 21, § 2, van het Btw-Wetboek geacht wordt plaats te vinden in België en verricht wordt door een niet in België gevestigde dienstverrichter (artikel 51, § 2, eerste lid, 1°, van het Btw-Wetboek)

Artikel 51, § 2, eerste lid, 1°, van het Btw-Wetboek verlegt de voldoening van de belasting naar de ontvanger van de dienst wanneer de volgende voorwaarden zijn vervuld :

1° de belastingplichtige die de handeling verricht is niet gevestigd in België,

Deze voorwaarde houdt in dat de belastingplichtige die de handeling verricht hetzij geen enkele vaste inrichting heeft in België, hetzij er beschikt over een vaste inrichting, mits die vaste inrichting niet betrokken is (rechtstreeks of onrechtstreeks) bij de in België verrichte handeling (artikel 51, § 2, tweede lid, van het Btw-Wetboek).

De in artikel 51, § 2, eerste lid, 1°, van het Btw-Wetboek bedoelde verlegging van heffing is van toepassing wanneer de leverancier of de dienstverrichter een niet in België gevestigde belastingplichtige is die :

• hetzij niet geïdentificeerd is voor de btw in België ;

• hetzij geïdentificeerd is voor de btw in België onder een individueel btw-nummer, zonder erkende aansprakelijke vertegenwoordiger (rechtstreekse identificatie);

• hetzij geïdentificeerd is voor de btw in België onder een individueel btw-nummer, mét erkenning van een aansprakelijke vertegenwoordiger;

• hetzij vertegenwoordigd wordt door een vooraf erkende persoon, onder een globaal btw-identificatienummer (artikel 55, § 3, tweede lid, van het Btw-Wetboek).

De in artikel 51, § 2, eerste lid, 1°, van het Btw-Wetboek voorziene verlegging van heffing is niet van toepassing wanneer de belastingplichtige die de handeling verricht een vaste inrichting bezit in België, in zover die inrichting betrokken is (rechtstreeks of onrechtstreeks) bij de materiële uitvoering van de de verrichte handeling of van bijkomende handelingen, of bij haar administratieve verwerking (opname van de bestelling, facturering en/of ontvangst van de prijs).

2° de ontvanger van de dienst is een belastingplichtige in de zin van artikel 21, § 1, van het Btw-Wetboek

Van zodra de handeling wordt verstrekt aan een belastingplichtige in de zin van artikel 21, § 1, van het Btw-Wetboek, is het irrelevant of die belastingplichtige al dan niet gehouden is tot de indiening van periodieke btw-aangiften.

De verlegging van heffing van de belasting is van toepassing wanneer de handeling wordt verstrekt aan :

• een belastingplichtige gehouden tot de indiening van een periodieke btw-aangifte

• een belastingplichtige die de in artikel 57 van het Btw-Wetboek voorziene forfaitare regeling geniet

• een belastingplichtige die de in artikel 56bis van het btw-Wetboek voorziene vrijstellingsregeling geniet

• een belastingplichtige die uitsluitend leveringen van goederen of diensten verricht waarvoor hij geen recht of aftrek heeft

• een belastingplichtige die ontheven is van de indiening van een periodieke aangifte

• een niet-belastingplichtige rechtspersoon die voor de btw is geïdentificeerd omdat ze de in artikel 25ter, § 1, tweede lid, 2°, b, van het Btw-Wetboek bedoelde drempel van 11.200 EUR heeft overschreden of ervoor gekozen heeft om al haar intracommunautaire verwervingen van goederen aan de belasting te onderwerpen overeenkomstig artikel 25ter, § 1, derde lid, van het Btw-Wetboek

In zover de schuldenaar van de btw niet gehouden is tot het indienen van een periodieke aangifte, moet hij de verschuldigde btw aangeven via de in artikel 53ter van het Btw-Wetboek bedoelde bijzondere btw-aangifte.

3° de belastbare handeling bestaat in een dienst waarvan de plaats geacht wordt zich in België te bevinden krachtens artikel 21, § 2, van het Btw-Wetboek

Die voorwaarde impliceert dat :

a. de ontvanger van de handeling in België de zetel van zijn economische activiteit heeft gevestigd of een vaste inrichting waaraan de handeling werd verstrekt of, bij gebreke daaraan, zijn woonplaats of zijn gebruikelijke verblijfplaats ;

b. de handeling een dienst betreft, andere dan deze die zijn opgesomd in artikel 21, § 3, van het Btw-Wetboek.

Voorbeeld 1 :

De Nederlandse transportonderneming X vervoert handelsgoederen van Amsterdam naar Eindhoven voor rekening van de onderneming Y, een in België gevestigde belastingplichtige indiener.

Krachtens artikel 21, § 2, van het Btw-Wetboek, vindt het vervoer plaats in België, waar Y de zetel van zijn economische activiteit heeft.

De schuldenaar van de Belgische btw is, krachtens artikel 51, § 2, eerste lid, 1°, van het Btw-Wetboek, Y, zijnde de afnemer van de dienst. Hij zal de verschuldigde btw opnemen in zijn periodieke aangifte.

Voorbeeld 2 :

R, een Franse boekhouder, verleent fiscaal advies aan B, een Belgische arts, een door artikel 44, § 1, 1°, van het Btw-Wetboek voor zijn algehele activiteit van de belasting vrijgestelde belastingplichtige.

Krachtens artikel 21, § 2, van het Btw-Wetboek, vindt de dienst plaats in België, waar B de zetel van zijn economische activiteit heeft.

De schuldenaar van de Belgische btw is, krachtens artikel 51, § 2, eerste lid, 1°, van het Btw-Wetboek, B, zijnde de afnemer van de dienst. Indien hij nog niet voor de btw is geïdentificeerd, zal B zich voor de btw moeten laten identificeren in toepassing van artikel 50, § 1, 4°, van het Btw-Wetboek. B zal de btw moeten voldoen via de indiening van een bijzondere btw-aangifte.

Voorbeeld 3 :

De onderneming M, een Luxemburgse belastingplichtige, verhuurt een bedrijfsmachine aan P, een Belgische belastingplichtige. De onderneming M beschikt over een vaste inrichting in België.

Krachtens artikel 21, § 2, van het Btw-Wetboek, vindt de verhuur plaats in België, waar P de zetel van zijn economische activiteit heeft.

Als de vaste inrichting van M betrokken is bij die handeling, is de vaste inrichting van M de schuldenaar van de btw krachtens artikel 51, § 1, 1°, van het Btw-Wetboek.

Als de vaste inrichting van M niet betrokken is, is P, de afnemer van de dienst, de schuldenaar van de btw krachtens artikel 51, § 2, eerste lid, 1°, van het Btw-Wetboek.

2. Driehoeksverkeer ABC (artikel 51, § 2, eerste lid, 2°, van het Btw-Wetboek)

Artikel 51, § 2, eerste lid, 2°, van het Btw-Wetboek betreft de levering van goederen die wordt verricht door de tussenpersoon B in het vereenvoudigd stelsel van het driehoeksverkeer ABC.

In deze context is de belasting verschuldigd door de medecontractant wanneer de volgende voorwaarden zijn verenigd :

1. de belastingplichtige die de handeling verricht is :

• niet gevestigd in België (en heeft er dus ook geen vaste inrichting);

• is voor btw-doeleinden geïdentificeerd in een andere Lidstaat;

2. de belastingplichtige die de handeling afneemt is voor btw-doeleinden geïdentificeerd in België overeenkomstig artikel 50, § 1, van het Btw-Wetboek. Dit is het geval wanneer het gaat om hetzij :

• een in België gevestigde belastingplichtige gehouden tot het indienen van periodieke btw-aangiften,

• een belastingplichtige onderworpen aan de forfaitaire landbouwregeling bedoeld in artikel 57 van het Btw-Wetboek, een belastingplichtige onderworpen aan de vrijstellingsregeling bedoeld in artikel 56bis, van het Btw-Wetboek, een belastingplichtige die uitsluitend leveringen van goederen of diensten waarvoor hij geen recht op aftrek heeft, of een niet-belastingplichtige rechtspersoon in zover ze de in artikel 25ter, § 1, tweede lid, 2°, b, van het Btw-Wetboek bedoelde drempel van 11.200 EUR heeft overschreden of ervoor gekozen heeft om al haar intracommunautaire verwervingen van goederen aan de belasting te onderwerpen overeenkomstig artikel 25ter, § 1, derde lid, van het Btw-Wetboek

• een niet in België gevestigde belastingplichtige die :

o hetzij voor btw-doeleinden is geïdentificeerd in België onder een individueel nummer, zonder aansprakelijke vertegenwoordiger (rechtstreekse identificatie);

o hetzij een aansprakelijke vertegenwoordiger heeft laten erkennen en voor btw-doeleinden geïdentificeerd is in België onder een individueel nummer.

3. de belastbare handeling bestaat uit een levering van goederen bedoeld in artikel 25ter, § 1, tweede lid, 3°, van het Btw-Wetboek. Deze voorwaarde veronderstelt dat :

• de levering van goederen wordt voorafgegaan door een intracommunautaire verwerving, verricht in België door de belastingplichtige die de levering van goederen verricht;

• de goederen rechtstreeks worden vervoerd of verzonden vanuit een Lidstaat andere dan deze waar de belastingplichtige die de levering van goederen verricht voor btw-doeleinden is geïdentificeerd, met bestemming de persoon die de levering van de goederen ontvangt;

• de persoon die de goederen ontvangt en in België voor btw-doeleinden is geïdentificeerd, werd aangeduid als de schuldenaar van de belasting die opeisbaar wordt over de aan hem verrichte levering van goederen.

3. Veralgemeende verlegging van heffing (artikel 51, § 2, eerste lid, 5°, van het Btw-Wetboek)

Artikel 51, § 2, 5°, van het BTW-Wetboek verlegt de heffing van de belasting naar de persoon die de handeling afneemt wanneer de volgende voorwaarden samen zijn vervuld :

1) de belastingplichtige die de handeling verricht is niet gevestigd in België

Deze voorwaarde veronderstelt dat de belastingplichtige die de handeling verricht geen enkele vaste inrichting in België heeft of er wel beschikt over een vaste inrichting, op voorwaarde dat die vaste inrichting niet betrokken is (rechtstreeks of onrechtstreeks) bij de in België verrichte handeling (artikel 51, § 2, tweede lid, Btw-Wetboek).

De verlegging van de heffing bedoeld in artikel 51, § 2, eerste lid, 5°, van het Btw-Wetboek is van toepassing wanneer de leverancier of de dienstverrichter een belastingplichtige is die niet in België is gevestigd, en die :

• hetzij niet voor de btw is geïdentificeerd in België;

• hetzij voor de btw is geïdentificeerd in België onder een individueel nummer, zonder erkende aansprakelijke vertegenwoordiger (rechtstreekse identificatie);

• hetzij voor de btw is geïdentificeerd in België onder een individueel nummer, met erkenning van een aansprakelijke vertegenwoordiger;

• hetzij vertegenwoordigd is door een vooraf erkende persoon, onder een globaal btw-identificatienummer (zie artikel 55, § 3, tweede lid, Btw-Wetboek).

De verlegging van de heffing bedoeld in artikel 51, § 2, eerste lid, 5°, van het BTW-Wetboek is niet van toepassing wanneer de belastingplichtige die de handeling verricht, een vaste inrichting in België heeft, in de veronderstelling dat die inrichting (rechtstreeks of onrechtstreeks) betrokken is bij de materiële uitvoering van de verstrekte handeling of van bijkomende handelingen of in de administratieve afhandeling ervan (ontvangst van de bestelling, facturering en/of incassering van de prijs).

2) de klant van de handeling is :

• hetzij een in België gevestigde belastingplichtige die gehouden is tot het indienen van een aangifte als bedoeld in artikel 53, eerste lid, 3° , van het Btw-Wetboek (periodieke btw-aangifte);

• hetzij een niet in België gevestigde belastingplichtige, die voor de btw is geïdentificeerd onder een individueel nummer, met erkenning van een aansprakelijke vertegenwoordiger hier te lande (zie artikel 55, § 1 of § 2, Btw-Wetboek).

Artikel 51, § 2, eerste lid, 5°, van het BTW-Wetboek is niet van toepassing wanneer de klant van de handeling de hoedanigheid heeft van :

• een (in België gevestigde) belastingplichtige die enkel leveringen van goederen of diensten verricht waarvoor hij geen enkel recht op aftrek heeft, of een belastingplichtige onderworpen aan de vrijstellingsregeling bedoeld in artikel 56bis van het BTW-Wetboek of een aan de bijzondere landbouwregeling als bedoeld in artikel 57 van het BTW-Wetboek onderworpen belastingplichtige of nog een belastingplichtige ontheven van de indiening van periodieke aangiften;

• een (al dan niet in België gevestigde) niet-belastingplichtige rechtspersoon. Echter, als de klant van de handeling een in België gevestigde niet-belastingplichtige rechtspersoon is die ertoe gehouden is periodieke aangiften in te dienen voor het verrichten van “uitgaande handelingen” (z. artikel 6, tweede en derde lid, Btw-Wetboek), is artikel 51, § 2, eerste lid, 5°, van het Btw-Wetboek wel van toepassing (zie beslissing nr. ET 122.360 van 20.03.2012);

• een particulier (al dan niet in België gevestigd);

• een niet in België gevestigde belastingplichtige die :

• hetzij in België voor de btw is geïdentificeerd onder een individueel nummer, zonder erkende aansprakelijke vertegenwoordiger (rechtstreekse identificatie);

• hetzij in België wordt vertegenwoordigd door een vooraf erkende persoon, onder een globaal btw-identificatienummer;

• hetzij noch geïdentificeerd is, noch vertegenwoordigd wordt voor de btw in België.

3) de belastbare handeling is niet bedoeld in artikel 51, § 2, eerste lid, 1°, 2° of 6°, van het Btw-Wetboek, noch vrijgesteld of verricht met vrijstelling van de belasting krachtens de artikelen 39 tot 44bis van het Btw-Wetboek.

De belastbare handeling kan bestaan zowel uit een levering van goederen als uit een dienstverrichting. De verlegging van de heffing als bedoeld in artikel 51, § 2, eerste lid, 5°, van het BTW-Wetboek is evenwel niet van toepassing in de volgende twee gevallen :

• wanneer de belastbare handeling een dienstverrichting is als bedoeld in artikel 51, § 2, eerste lid, 1°, van het Btw-Wetboek of een levering van goederen bedoeld in artikel 51, § 2, eerste lid, 2° en 6°, van het Btw-Wetboek. In deze veronderstelling zijn het de laatstgenoemde bepalingen die van toepassing zijn;

• wanneer de handeling effectief van de btw is vrijgesteld krachtens de artikelen 39 tot 44bis van het Btw-Wetboek - zelfs indien in dit geval de leverancier of dienstverrichter ten onrechte de verlegging van de heffing heeft vermeld op de factuur - of wanneer de leverancier of dienstverrichter voor de door hem verrichte handeling ten onrechte een vrijstelling als beoogd in de artikelen 39 tot 44bis van het Btw-Wetboek toepast. In deze veronderstellingen is de belastingplichtige die de handeling heeft verricht altijd de schuldenaar van de belasting bij toepassing van artikel 51, § 1, 1°, van het Btw-Wetboek.

De verlegging van heffing voorzien in artikel 51, § 2, eerste lid, 5°, van het Btw-Wetboek wordt vaak met de term "veralgemeende verlegging van heffing" aangeduid.

a. Levering van goederen met vervoer

Bedoeld is de levering met vervoer door door de leverancier, door de afnemer of door een derde. De verkoper is niet gevestigd in België. De produkten worden van Brussel naar Aarlen vervoerd.

Als plaats van de levering van de goederen wordt aangemerkt de plaats waar ze zich bevinden op het tijdstip van vertrek van het vervoer naar de afnemer, met name in Brussel (zie artikel 14, § 2, eerste lid, Btw-Wetboek).

In principe is de belasting verschuldigd door de belastingplichtige die een belastbare levering van goederen verricht die plaatsvindt in België, lees de verkoper (zie artikel 51, § 1, 1°, Btw-Wetboek).

Echter en in afwijking hiervan, is de belasting verschuldigd door de in België gevestigde medecontractant die ertoe gehouden is periodieke aangiften in te dienen, wanneer de levering wordt verricht door een niet in België gevestigde belastingplichtige (zie artikel 51, § 2, eerste lid, 5°, Btw-Wetboek).

Voorbeeld :

Een buitenlandse vennootschap B die in België noch personeel, noch lokalen heeft, koopt handelsgoederen aan in België en verkoopt ze vervolgens aan een in België gevestigde belastingplichtige C die periodieke btw-aangiften indient.

Wanneer de buitenlandse vennootschap B handelsgoederen aankoopt van de in België gevestigde leverancier A, is de schuldenaar van de btw, volgens de gewone regels, die leveranicer A en dus niet de buitenlandse vennootschap B (zie artikel 51, § 1, 1°, Btw-Wetboek).

Wanneer de buitenlandse vennootschap B dan die handelsgoederen verkoopt aan C, wordt de medecontractant C (de klant), in afwijking van de gewone regels, de schuldenaar van de btw, omdat het gaat om een in België gevestigde belastingplichtige die ertoe gehouden is periodieke btw-aangiften in te dienen (zie artikel 51, § 2, eerste lid, 5°, Btw-Wetboek). C zal de verschuldigde btw opnemen in zijn periodieke btw-aangifte (zie de schriftelijke parlementaire vraag nr. 304 van de heer Volksvertegenwoordiger Christian Brotcorne van 08.03.2013).

b. Levering van goederen met installatie of montage door de verkoper of voor zijn rekening

Bedoeld is de in België verrichte levering van goederen met installatie of montage door een niet in België gevestigde leverancier.

Als plaats van de levering van de goederen wordt aangemerkt de plaats waar de installatie of de montage wordt verricht, met name in België (zie artikel 14, § 3, Btw-Wetboek).

In principe is de belasting verschuldigd door de belastingplichtige die een belastbare levering van goederen verricht die plaatsvindt in België, lees de verkoper (zie artikel 51, § 1, 1°, Btw-Wetboek).

In afwijking hiervan, is de belasting verschuldigd door de in België gevestigde medecontractant die ertoe gehouden is periodieke aangiften in te dienen, wanneer de levering wordt verricht door een niet in België gevestigde belastingplichtige (zie artikel 51, § 2, eerste lid, 5°, Btw-Wetboek).

c. Diensten verricht aan in België gelegen onroerend goed uit zijn aard wanneer de afnemer een belastingplichtige is in de zin van artikel 21, § 1, van het Btw-Wetboek

Artikel 21, § 3, 1°, van het Btw-Wetboek stelt dat als plaats van een dienst die wordt verstrekt aan een als zodanig handelende belastingplichtige, in afwijking van artikel 21, § 2, van het Wetboek, wordt aangemerkt de plaats waar het onroerend goed is gelegen, wanneer het gaat om een dienst die verband houdt met een uit zijn aard onroerend goed.

De lijst van de door die bepaling beoogde diensten is limitatief:

• werk in onroerende staat

• de in artikel 18, § 1, tweede lid, 8° tot 10° of 15° van het Btw-Wetboek bedoelde diensten, met name de terbeschikkingsstelling van stallen voor rijtuigen of van bergruimte voor het opslaan van goederen of van plaats om te kamperen, het verschaffen van gemeubeld logies of de toekenning van het recht van toegang tot verkeerswegen en tot de erbij horende kunstwerken en van het recht gebruik ervan te maken

• diensten die het verlenen van gebruiksrechten op een onroerend goed tot voorwerp hebben

• diensten van experten en makelaars in onroerende goederen

• diensten die erop gericht zijn de uitvoering van bouwwerken voor te bereiden, te coördineren of er toezicht op te houden

Wanneer één van de hiervoor vermelde diensten wordt verricht door een dienstverrichter die niet in België is gevestigd of een dienstverrichter die in België beschikt over een vaste inrichting, maar wiens vaste inrichting niet betrokken was bij de handeling, is de schuldenaar van de btw de afnemer, Belgische belastingplichtige, dit in toepassing van artikel 51, § 2, eerste lid, 5°, van het Btw-Wetboek.

De aandacht wordt gevestigd op het feit dat in zover de buitenlandse belastingplichtige beschikt over een vaste inrichting die betrokken was bij de handeling, de in artikel 20 van het koninklijk besluit nr. 1 voorziene bepalingen, genomen in uitvoering van artikel 51, § 4, van het Btw-Wetboek, van toepassing zullen zijn als die buitenlandse belastingplichtige werk in onroerende staat verricht én zijn klant een in België gevestigde belastingplichtige is die ertoe gehouden is periodieke aangiften in te dienen of een niet in Belgiê gevestigde belastingplichtige die een aansprakelijke vertegenwoordiger heeft laten erkennen.

Voorbeeld :

Betreft A, een belastingplichtige met maatschappelijke zetel in Frankrijk.

A verricht voor B een werk in onroerende staat aan een in Belgiê gelegen onroerend goed. Overeenkomstig artikel 21, § 3, 1°, van het Btw-Wetboek, vindt die dienst plaats in België.

1ste hypothese : A is niet gevestigd in België, maar heeft er een aansprakelijke vertegenwoordiger laten erkennen ; B is evenmin gevestigd in België, maar heeft er ook een aansprakelijke vertegenwoordiger laten erkennen.

Schuldenaar van de btw : B (in toepassing van artikel 51, § 2, eerste lid, 5°, van het Btw-Wetboek). B zal de verschuldigde btw opnemen in zijn periodieke aangifte.

2de hypothese : A is niet gevestigd in België, maar heeft er een aansprakelijke vertegenwoordiger laten erkennen; B is niet gevestigd in België, maar is hier te lande wel voor de btw geïdentificeerd (rechtstreekse identificatie)

Schuldenaar van de btw : A (in toepassing van artikel 51, § 1, 1°, van het Btw-Wetboek)

3de hypothese : A bezit een vaste inrichting in België (A') die betrokken was (rechtstreeks of onrechtstreeks) bij de handeling; B is niet gevestigd in België, maar heeft er een aansprakelijke vertegenwoordiger laten erkennen .

Schuldenaar van de btw : B (in toepassing van artikel 20, § 1, van het KB nr. 1). B zal de verschuldigde btw opnemen in zijn periodieke aangifte.

Zie ook de schriftelijke parlementaire vraag van de heer Volksvertegenwoordiger François-Xavier de Donnéa van 07.03.2013.

d. De toekenning van het recht op toegang tot culturele, artistieke, sportieve, wetenschappelijke, educatieve, vermakelijkheids- of soortgelijke evenementen, zoals beurzen en tentoonstellingen, en de met de toegangverlening samenhangende diensten.

Artikel 21, § 3, 3°, van het Btw-Wetboek bepaalt dat wordt aangemerkt als plaats van de dienst de plaats waar het evenement of de activiteit daadwerkelijk plaatsvindt wanneer de dienst bestaat in het verlenen van toegang tot culturele, artistieke, sportieve, wetenschappelijke, educatieve, vermakelijkheids- of soortgelijke evenementen, zoals beurzen en tentoonstellingen, en de met de toegangverlening samenhangende diensten.

Wanneer een niet in België gevestigde belastingplichtige dus het recht op toegang verleent tot een hier bedoeld evenement of activiteit die plaats heeft in België, vindt die dienst plaats in België. Als de afnemer van de dienst een in België gevestigde belastingplichtige, gehouden tot het indienen van periodieke aangiften, is of een niet in België gevestigde belastingplichtige die geïdentificeerd is voor de btw in België onder een individueel nummer, met erkenning van een aansprakelijke vertegenwoordiger hier te lande, is de veralgemeende verlegging van heffing van toepassing voor wat betreft de bepaling van de schuldenaar.

Voor het onderscheid tussen evenement en activiteit, wordt verwezen naar nr. 36 van de Circulaire AFZ nr. 19/2009 van 22.12.2009 met betrekking tot de eerste commentaar van de wet van 26 november 2009 tot wijziging van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde.

De begrippen « recht op toegang » en « samenhangende diensten » worden nader uiteengezet in de artikelen 32 en 33 van de Uitvoeringsverordening (EU) Nr. 282/2011 van de Raad van 15 maart 2011, houdende vaststelling van maatregelen ter uitvoering van Richtlijn 2006/112/EG betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde.

Voorbeeld :

Een Nederlandse artieste A verkoopt zelf (zonder tussenpersoon) toegangstickets voor haar concert te Brussel aan een in België gevestigde en tot het indienen van periodieke aangiften gehouden onderneming B.

Overeenkomstig artikel 21, § 3, 3°, van het Btw-Wetboek, vindt de dienst plaats in België

Schuldenaar van de btw : B (in toepassing van artikel 51, § 2, eerste lid, 5°, van het Btw-Wetboek). B zal de verschuldigde btw opnemen in zijn periodieke aangifte.

e. Restaurant- en cateringdiensten, met uitzondering van die welke materieel worden verricht aan boord van een schip, vliegtuig of trein tijdens het in de Gemeenschap verrichte gedeelte van een passagiersvervoer

Artikel 21, § 3, 4°, van het Btw-Wetboek bepaalt dat wordt aangemerkt als plaats van de dienst de plaats waar de dienst materieel wordt verricht in verband met restaurant- en cateringdiensten, met uitzondering van die welke materieel worden verricht aan boord van een schip, vliegtuig of trein tijdens het in de Gemeenschap verrichte gedeelte van een passagiersvervoer.

Wanneer dus een niet in België gevestigde belastingplichtige materieel restaurant- of cateringdiensten verricht in België, vindt die dienst plaats in België. Als de afnemer van de dienst een in België gevestigde belastingplichtige, gehouden tot het indienen van periodieke aangiften, is of een niet in België gevestigde belastingplichtige die geïdentificeerd is voor de btw in België onder een individueel nummer met erkenning van een aansprakelijke vertegenwoordiger hier te lande, is de veralgemeende verlegging van heffing van toepassing voor wat betreft de bepaling van de schuldenaar.

Voorbeeld :

X, natuurlijke persoon en traiteur, gevestigd in Esch-sur-Alzette (Groot-Hertogdom Luxemburg), verstrekt restaurantdiensten in een feestzaal in Aarlen, op een personeelsfeest dat wordt georganiseerd door een Belgisch metaalverwerkend bedrijf Y, dat gehouden is tot het indienen van periodieke aangiften.

Overeenkomstig artikel 21, § 3, 4°, van het Btw-Wetboek, vindt de dienst plaats in België, plaats van de materiële uitvoering.

Schuldenaar van de btw : Y (in toepassing van artikel 51, § 2, eerste lid, 5°, van het Btw-Wetboek). Y zal de verschuldigde btw opnemen in zijn periodieke aangifte.

4. De levering van gas via een aardgassysteem, van electriciteit of van warmte of koude via warmte- of koudenetten (artikel 51, § 2, eerste lid, 6°, van het Btw-Wetboek).

Artikel 51, § 2, eerste lid, 6°, van het Btw-Wetboek verlegt de heffing van de belasting naar de persoon die de handeling afneemt wanneer de volgende voorwaarden worden vervuld :

1. De belastingplichtige die de handeling verricht is niet gevestigd in België.

Deze voorwaarde houdt in dat de belastingplichtige die de handeling verricht hetzij geen vaste inrichting heeft in België, hetzij er wel een vaste inrichting heeft, maar die vaste inrichting niet betrokken is (rechtstreeks of onrechtstreeks) bij de in België verrichte handeling (zie artikel 51, § 2, tweede lid, Btw-Wetboek).

De verlegging van de heffing bedoeld in artikel 51, § 2, eerste lid, 6°, van het Btw-Wetboek is van toepassing wanneer de leverancier of de dienstverrichter een niet in België gevestigde belastingplichtige is, die :

• hetzij niet voor de btw is geïdentificeerd in België;

• hetzij voor de btw is geïdentificeerd in België onder een individueel nummer, zonder erkende aansprakelijke vertegenwoordiger (rechtstreekse identificatie);

• hetzij voor de btw is geïdentificeerd in België onder een individueel nummer, met erkenning van een aansprakelijke vertegenwoordiger;

• hetzij vertegenwoordigd is door een vooraf erkende persoon, onder een globaal btw-identificatienummer (zie artikel 55, § 3, tweede lid, Btw-Wetboek).

De verlegging van de heffing bedoeld in artikel 51, § 2, eerste lid, 6°, van het BTW-Wetboek is niet van toepassing wanneer de belastingplichtige die de handeling verricht, een vaste inrichting in België heeft, in de veronderstelling dat die inrichting (rechtstreeks of onrechtstreeks) betrokken is bij de materiële uitvoering van de verstrekte handeling of van bijkomende handelingen of in de administratieve afhandeling ervan (ontvangst van de bestelling, facturering en/of incassering van de prijs).

2. De afnemer van de handeling is in België voor btw-doeleinden geïdentificeerd overeenkomstig artikel 50, § 1, van het Btw-Wetboek.

De verlegging van de heffing van de btw is van toepassing wanneer de handeling wordt verstrekt aan :

• een in België gevestigde belastingplichtige die gehouden is tot het indienen van een aangifte als bedoeld in artikel 53, eerste lid, 3°, van het Btw-Wetboek (periodieke btw-aangifte);

• een aan de bijzondere landbouwregeling als bedoeld in artikel 57 van het BTW-Wetboek onderworpen belastingplichtige;

• een belastingplichtige onderworpen aan de vrijstellingsregeling bedoeld in artikel 56bis, van het Btw-Wetboek;

• een belastingplichtige die uitsluitend leveringen van goederen of diensten verricht waarvoor hij geen enkel recht op aftrek heeft en die voor btw-doeleinden is geïdentificeerd overeenkomstig artikel 50, § 1, eerste lid, 2°, 4°, 5° of 6°, van het Btw-Wetboek ;

• een niet-belastingplichtige rechtspersoon die voor btw-doeleinden is geïdentificeerd overeenkomstig artikel 50, § 1, eerste lid, 2°, van het Btw-Wetboek ;

• een belastingplichtige die ontheven is van de indiening van periodieke aangiften ;

• een niet in België gevestigde belastingplichtige, die in België hetzij rechtstreeks voor btw-doeleinden is geïdentificeerd (zonder erkende aansprakelijke vertegenwoordiger), hetzij een aansprakelijke vertegenwoordiger heeft laten erkennen (zie artikel 55, § 1 of § 2, van het Btw-Wetboek)

In zover de schuldenaar van de btw niet gehouden is tot het indienen van periodieke aangiften, moet hij de verschuldigde btw aangeven via de in artikel 53ter van het Btw-Wetboek bedoelde bijzondere aangifte.

3. de belastbare handeling bestaat in een levering van goederen die krachtens artikel 14bis van het Btw-Wetboek geacht wordt plaats te vinden in België.

De belastbare handeling bestaat in de levering van gas via een aardgassysteem of een op een dergelijk systeem aangesloten net op het grondgebied van de Gemeenschap, de levering van elektriciteit of de levering van warmte of koude via warmte- en koudenetten.

Als plaats van de levering van gas, elektriciteit, warmte of koude via distributienetten wordt aangemerkt :

• als de afnemer een koper-wederverkoper is : op de zetel van zijn economische activiteit of zijn vaste inrichting (zie artikel 14bis, a), Btw-Wetboek);

• als de afnemer de eindverbruiker is : op de plaats waar deze goederen effectief worden verbruikt of gebruikt (zie artikel 14bis, b), van het Btw-Wetboek).

a. De afnemer is een koper-wedervekoper

De levering van de goederen wordt belast op de plaats waar de afnemer de zetel van zijn economische activiteit heeft gevestigd waarvoor de levering van gas en elektriciteit gebeurt. Die oplossing is mogelijk om reden dat alleen belastingplichtige agenten tussenkomen in de produktie-distributieketting.

Voorbeeld :

A, Luxemburgse trader, verloopt elektrische energie aan de vennootschap B, een Belgische belastingplichtige die onderworpen is aan de belastingregeling van indiening van maandaangiften en distributeur is van elektrische energie in België.

Overeenkomstig artikel 14bis, a), van het Btw-Wetboek, vindt de levering plaats in België, op de zetel van de economische activiteit van B.

Schuldenaar van de btw : B (in toepassing van artikel 51, § 2, eerste lid, 6°, van het Btw-Wetboek). B zal de verschuldigde btw opnemen in zijn periodieke aangifte.

b. De afnemer is een eindverbruiker

In zover het gas en de elektriciteit rechtstreeks worden geleverd aan de eindverbruiker, wordt de levering belast op de plaats waar het effectieve gebruik en verbruik van deze goederen plaatsvindt. In de praktijk is die plaats daar waar de opname gebeurt van het verbruik van het gas of van de elektriciteit.

Voorbeeld :

X, Franse belastingplichtige, verkoopt gas aan Y, een in België gevestigde natuurlijke peroon onderworpen aan de vrijstellingsregeling, die het gas bestemt om er zijn in België gelegen beroepslokalen mee te verwarmen.

Overeenkomstig artikel 14bis, b), van het Btw-Wetboek, vindt de levering plaats in België, op de plaats waar de afnemer effectief dat gas verbruikt.

Schuldenaar van de btw : Y (in toepassing van artikel 51, § 2, eerste lid, 6°, van het Btw-Wetboek). Y zal de verschuldigde btw opnemen in zijn bijzondere aangifte.

5. Verplichtingen van de leverancier of de dienstverrichter

Wat ook de situatie, de leverancier of dienstverrichter verricht een handeling die plaatsvindt in België. Als zodanig is hij, overeenkomstig artikel 220 van de Richtlijn 2006/112/EG, gehouden om een factuur uit te reiken die de handeling vaststelt.

Artikel 53decies van het Btw-Wetboek bepaalt hetgeen volgt :

§ 1. Voor de facturering gelden de regels die van toepassing zijn in de lidstaat waar de levering van het goed of de dienst geacht wordt te zijn verricht, overeenkomstig het bepaalde in titel V van Richtlijn 2006/112/EG.

In afwijking van het eerste lid gelden voor de facturering de regels die van toepassing zijn in de lidstaat waar de leverancier of de dienstverrichter de zetel van zijn economische activiteit of een vaste inrichting heeft gevestigd van waaruit hij de levering van het goed of de dienst verricht, of, bij gebreke van een dergelijke zetel of vaste inrichting, de lidstaat waar de leverancier of dienstverrichter zijn woonplaats of zijn gebruikelijke verblijfplaats heeft, wanneer:

1° de leverancier of de dienstverrichter niet gevestigd is in de lidstaat waar de levering van het goed of de dienst overeenkomstig het bepaalde in titel V van Richtlijn 2006/112/EG geacht wordt te zijn verricht, of zijn vaste inrichting in die lidstaat niet betrokken is bij het verrichten van de levering van het goed of de dienst in de zin van artikel 192bis van deze richtlijn, en de tot voldoening van de belasting gehouden persoon degene is voor wie de levering van het goed of de dienst wordt verricht.

Indien in dit geval de afnemer zelf de factuur uitreikt, is evenwel het eerste lid van toepassing;

2° de levering van het goed of de dienst niet geacht wordt in de Gemeenschap te zijn verricht.

In afwijking van het eerste lid, is de facturering onderworpen aan de regels die van toepassing zijn in de lidstaat waar de dienstverrichter of de leverancier die gebruik maakt van één van de bijzondere regelingen bedoeld in de artikelen 58ter of 58quater, is geïdentificeerd.

§ 2. De Koning regelt de toepassingsmodaliteiten van de artikelen 53 tot 53octies en 53decies, § 1. Hij kan de regels in verband met de uitreiking van facturen bepalen en maatregelen nemen wat betreft de vereenvoudiging van facturen.

Indien de afnemer de schuldenaar is van de Belgische btw op grond van artikel 51, § 2, eerste lid, 1°, 2°, 5° of 6°, van het Btw-Wetboek en de leverancier of de dienstverrichter niet in België, maar in een andere Lidstaat is gevestigd of in België beschikt over een vaste inrichting die niet betrokken was bij de goederenlevering of de dienst, is het de Lidstaat waar die leverancier of dienstverrichter is gevestigd die de factureringsregels vaststelt (zie artikel 53decies, § 1, tweede lid, 1°, Btw-Wetboek).

Echter, wanneer er sprake is van self-billing, is de facturering onderworpen aan de in België van toepassing zijnde regels (zie artikel 53decies, § 1, eerste lid, Btw-Wetboek).

In geval dat de afnemer de schuldenaar is van de Belgische btw op grond van artikel 51, § 2, eerste lid, 1°, 2°, 5° of 6°, van het Btw-Wetboek en dat de leverancier of de dienstverrichter niet in België, maar in een derde land is gevestigd of in België beschikt over een vaste inrichting die niet betrokken was bij de levering van de goederen of de dienst, is de facturering eveneens onderworpen aan de in België van toepassing zijnde regels (zie artikel 53decies, § 1, eerste lid, Btw-Wetboek).

Als de factuur onderworpen is aan de in België van toepassing zijnde regels, moet ze de vermeldingen bevatten en worden uitgereikt binnen de termijn voorgeschreven door de Belgische regelgeving (zie artikel 53, § 2, eerste lid, Btw-Wetboek en artikel 1, 5, § 1, en 4, § 1, van het KB nr. 1). De factuur bevat inzonderheid de vermelding « Btw verlegd » in de plaats van de tarieven en het totaalbedrag van de verschuldigde belasting.

In de veronderstelling dat de handeling bedoeld is in artikel 51, § 2, eerste lid, 2°, van het Btw-Wetboek, moet de leverancier, wanneer hij in Belgiê voor btw-doeleinden is geïdentificeerd onder een individueel nummer (rechstreekse identificatie of erkenning van een aansprakelijke vertegenwoordiger overeenkomstig artikel 55, §§ 1 of 2, van het Btw-Wetboek), verplicht zijn buitenlandse btw-identificatienummer gebruiken om in België de intracommunautire verwerving van de goederen en de erop aansluitende levering te verrichten opdat de regeling van het vereenvoudigd driehoeksverkeer van toepassing zou zijn. De handeling moet alsdan niet worden ingeschreven in de Belgische boekhouding, die gehouden wordt door de leverancier of zijn aansprakelijke vertegenwoordiger, noch worden opgenomen in de bij de Belgische administratie ingediende periodieke btw-aangiften.

6. Verplichtingen van de medecontractant, schuldenaar van de belasting

Wanneer de verkrijger of de afnemer een in Belgiê voor de btw geïdentifceerde belastingplichtige is én gehouden is tot het indienen van periodieke btw-aangiften

Hij is gehouden om de hem verstrekte handeling in te schrijven in zijn boek voor inkomende facturen en de verschuldigde belasting te voldoen door de handeling op te nemen in zijn periodieke btw-aangifte met betrekking tot de periode in de loop waarvan de belasting opeisbaar is geworden, op de volgende wijze :

• de maatstaf van heffing van de handeling wordt vermeld :

o enerzijds in het rooster 81, 82 of 83, naargelang de aard van de ontvangen handeling;

o anderzijds in rooster 88 (in de hypothese dat artikel 51, § 2, eerste lid, 1°, van het Btw-Wetboek van toepassing is en dat de dienstverrichter gevestigd is in een andere lidstaat), in rooster 86 (in de hyhpothese dat artikel 51, § 2, eerste lid, 2°, van het Btw-Wetboek van toepassing is – zie nr. 20), of in rooster 87 (in de hypothese dat artikel 51, § 2, eerste lid, 5° of 6°, van het Btw-Wetboek van toepassing is of dat artikel 51, § 2, eerste lid, 1°, van het Btw-Wetboek van toepassing is en dat de dienstverrichter gevestigd is in een derde land of een derdelandsgebied);

• het bedrag van de verschuldigde belasting wordt ingeschreven in rooster 55 (in de hypothese dat artikel 51, § 2, eerste lid, 1° of 2°, van het Btw-Wetboek van toepassing is en dat de maatstaf van heffing werd opgenomen in rooster 86 of 88) of in rooster 56 (in de hypothese dat artikel 51, § 2, eerste lid, 5°, of 6°, van het Btw-Wetboek van toepassing is en dat de maatstaf van heffing werd opgenomen in rooster 87).

Het bedrag van de aftrekbare belasting kan, in de mate waarin er recht of aftrek bestaat, worden ingeschreven in rooster 59 van de periodiek btw-aangifte met betrekking tot de periode in de loop waarvan de voorwaarden voor de uitoefening van het recht op aftrek vervuld zijn.

Wanneer de verkrijger of de afnemer een belastingplichtige of een niet-belastingplichtige rechtspersoon is, gehouden tot het indienen van een bijzondere btw-aangifte

Als hij nog niet voor btw-doeleinden is geïdentificeerd (deze situatie is alleen denkbaar wanneer een belastingplichtige die uitsluitend leveringen van goederen of diensten verricht waarvoor hij geen recht op aftrek heeft, schuldenaar is van de belasting overeenkomstig artikel 51, § 2, eerste lid, 1°, van het Btw-Wetboek), is hij gehouden om, voorafgaandelijk aan de eerste dienst waarvoor hij bij toepassing van artikel 51, § 2, eerste lid, 1°, van het Btw-Wetboek, schuldenaar wordt van de belasting, kennis te geven van het feit dat een dergelijke handeling hem voor de eerste maal zal worden verstrekt, door daarvan mededeling te doen op het controlekantoor van de belasting over de toegevoegde waarde waaronder hij ressorteert (zie artikel 53bis, § 2, eerste lid, Btw-Wetboek en artikel 5 van het koninklijk besluit nr. 10 van 29.12.1992 met betrekking tot de uitoefeningsmodaliteiten van de keuzen, bedoeld in de artikel 15, § 2, derde lid en 25ter, § 1, tweede lid, 2°, tweede lid, van het Btw-Wetboek, de aangiften van aanvang, wijziging, stopzetting van activiteit en de voorafgaande kennisgevingen inzake de belasting over de toegevoegde waarde). Op basis van die informatie, zal hem dan een btw-identificatienummer worden toegekend overeenkomstig artikel 50, § 3, van het Btw-Wetboek.

Voor de voldoening van de belasting, moet hij de hem verstrekte handeling inschrijven in de bijzondere btw-aangifte met betrekking tot de periode in de loop waarvan de belasting opeisbaar is geworden, op de volgende wijze :

• de maatstaf van heffing wordt vermeld in rooster 75 (in de hypothese dat artikel 51, § 2, eerste lid, 1°, van het Btw-Wetboek van toepassing is en dat de dienstverrichter gevestigd is in een andere lidstaat), in één van de roosters 71, 72 of 73 (in de hypothese dat artikel 51, § 2, eerste lid, 2°, van het Btw-Wetboek van toepassing is – worden gebruikt het rooster 72 als het een nieuw vervoermiddel betreft, het rooster 73 als het accijnsprodukten betreft en het rooster 71 voor alle andere goederen) of in het rooster 76 (in de hypothese dat artikel 51, § 2, eerste lid, 6°, van het Btw-Wetboek van toepassing is of dat artikel 51, § 2, eerste lid, 1°, van het Btw-Wetboek van toepassing is en dat de dienstverrichter gevestigd is in een derde land of een derdelandsgebied);

• het bedrag van de verschuldigde belasting wordt ingeschreven in rooster 80.

Bovendien moet de handeling ook worden ingeschreven in het bijzonder register, bedoeld in artikel 14, §§ 4 tot 6, van het koninklijk besluit nr. 1 van 29.12.1992.

B. Leveringen van goederen of diensten bedoeld in de artikelen 39, § 2, en 39 quater van het Btw-Wetboek (artikel 51, § 2, eerste lid, 3°, van het Btw-Wetboek)

Wanneer deze handelingen worden verricht onder de regeling BTW-entrepot, genieten zij een voorlopige vrijstelling (zie artikel 7, § 1, van het koninklijk besluit nr. 54 van 25.02.1996 met betrekking tot de andere regeling van entrepot dan duane-entrepot bedoeld in artikel 39quater van het Btw-Wetboek) die slechts definitief wordt op voorwaarde dat de goederen:

•het voorwerp uitmaken van een levering onder bezwarende titel met handhaving van de regeling (zie artikel 7, § 2, 1°, van voormeld koninklijk besluit nr. 54);

•aan de regeling onttrokken worden ingevolge hun levering onder bezwarende titel zonder handhaving van de regeling (zie artikel 7, § 2, 2°, van voormeld koninklijk besluit nr. 54);

•uit het BTW-entrepot weggenomen worden los van elke handelstransactie ter bestemming van een ander land dan België (zie artikel 7, § 2, 3°, van voormeld koninklijk besluit nr. 54).

De belasting moet daarentegen geregulariseerd worden voor de handelingen die verstrekt werden aan een belastingplichtige die goederen, los van elke handelstransactie, aan het BTW-entrepot onttrekt ter bestemming van België of van een daarmee gelijkgestelde bestemming (zie artikel 7, § 3, van voormeld koninklijk besluit nr. 54).

Gezien de gebruikelijke schuldenaar van de belasting krachtens artikel 51, § 1, 1° van het Btw-Wetboek geen enkele controle heeft over de bestemming die zijn medecontractant achteraf aan de goederen zal geven, kan hij onmogelijk weten of voor de handeling die hij heeft verricht, er al dan niet een regularisatie van de btw moet gebeuren. Bijgevolg heeft de wetgever afgeweken van die bepaling door de medecontractant van de leverancier of van de dienstverrichter aan te duiden als schuldenaar van de belasting voor de levering van goederen en diensten verricht onder de regeling Btw-entrepot (zie artikel 51, § 2, 3°, van het Btw-Wetboek).

Deze afwijking is uiteraard enkel van toepassing op de leveringen van goederen en op de diensten die in aanmerking komen voor de vrijstelling bedoeld in artikel 39quater, § 1, van het Btw-Wetboek, welke vrijstelling door artikel 7, § 1 van voormeld koninklijk besluit nr. 54 voorlopig wordt toegekend. Voor de overige leveringen van goederen en diensten blijft de algemene regel inzake de verschuldigdheid van de belasting bedoeld in artikel 51, § 1, van het Btw-Wetboek van toepassing, tenzij een andere afwijking op deze regel kan worden ingeroepen.

Diezelfde regels zijn mutatis mutandis van toepassing voor de door artikel 39, § 2, van het Btw-Wetboek, vrijgestelde leveringen van goederen en diensten (leveringen van communautire goederen die worden geplaatst of aangehouden onder één van de douaneregelingen als bedoeld in artikel 23, § 4, 1°, 4°, 5°, 6° of 7°, van het Btw-Wetboek, evenals de aan die goederen verrichte werkzaamheden).

Facturering

In het geval waar de klant, op grond van artikel 51, § 2, eerste lid, 3°, van het Btw-Wetboek, de schuldenaar is van de btw, en de leverancier niet in België, maar in een andere Lidstaat is gevestigd of in België beschikt over een vaste inrichting die niet betrokken was bij de levering van de goederen of de dienst, is het de Lidstaat waar die leverancier of dienstverrichter is gevestigd die de factureringsregels vaststelt (zie artikel 53decies, § 1, tweede lid, 1°, Btw-Wetboek).

Echter, wanneer er sprake is van self-billing, is de facturering onderworpen aan de in België van toepassing zijnde regels (zie artikel 53decies, § 1, eerste lid, Btw-Wetboek).

In geval dat de klant op grond van artikel 51, § 2, eerste lid, 3°, van het Btw-Wetboek de schuldenaar is van de Belgische btw en dat hetzij de leverancier of de dienstverrichter gevestigd is in België, hetzij de leverancier niet in België, maar in een derde land is gevestigd of in België beschikt over een vaste inrichting die niet betrokken was bij de levering van de goederen of de dienst, is de facturering eveneens onderworpen aan de in België van toepassing zijnde regels (zie artikel 53decies, § 1, eerste lid, Btw-Wetboek).

Als de factuur onderworpen is aan de in België van toepassing zijnde regels, moet ze de vermeldingen bevatten en worden uitgereikt binnen de termijn voorgeschreven door de Belgische regelgeving (zie artikel 53, § 2, eerste lid, Btw-Wetboek en artikel 1, 5, § 1, en 4, § 1, van KB nr. 1).

De factuur bevat inzonderheid de vermelding « Btw verlegd » in de plaats van de tarieven en het totaalbedrag van de verschuldigde belasting. Voor de intracommunautaire handelingen lijdt het geen twijfel dat de leverancier of de dienstverrichter de vermelding « Btw verlegd » moet aanbrengen, zelfs al geniet de handeling van een vrijstelling in de lidstaat van de afnemer. De handelingen die plaatsvinden in een derde land zijn onderworpen aan de reglementering van dat derde land. Ten dien einde moet de factuur een vermelding bevatten waaruit blijkt dat de handeling wordt verricht buiten België. Echter, de administratie zal geen bezwaar maken tegen het feit dat die factuur de vermelding “Btw verlegd” bevat..

C. De onttrekking van goederen, geplaatst onder één van de regelingen bedoeld in de artikelen 39, § 2 en 39 quater (artikel 51, § 2, eerste lid, 4°, Btw-Wetboek)

Deze afwijking op de algemene regel inzake de verschuldigdheid van de belasting wijst als schuldenaar van de belasting aan, de persoon die de goederen aan de regeling btw-entrepot onttrekt. Zij wordt enkel toegepast om en heeft trouwens geen enkele andere bestaansreden dan om een schuldenaar van de belasting te kunnen aanduiden in de situatie waar goederen op onregelmatige wijze aan de regeling btw-entrepot worden onttrokken of, meer algemeen, wanneer het niet mogelijk is de schuldenaar van de belasting te identificeren omdat de verplichtingen in het kader van de regeling btw-entrepot niet correct werden nageleefd.

Diezelfde regels zijn mutatis mutandis van toepassing voor de persoon die op onregelmatige wijze communautaire goederen onttrekt die werden geplaatst of aangehouden onder één van de douaneregelingen als bedoeld in artikel 23, § 4, 1°, 4°, 5°, 6° of 7°, van het Btw-Wetboek.

4. Verlegging van heffing, in uitvoering van artikel 51, § 4, van het Btw-Wetboek

Artikel 51, § 4, van het Wetboek laat de Koning toe om de medecontractant van de leverancier van goederen of van de dienstverrichter tot voldoening van de belasting te verplichten in de mate dat Hij zulks noodzakelijk acht om die voldoening te vrijwaren.

Die maatregel vindt zijn oorsprong in (het kader van) de strijd tegen de georganiseerde fraude en de strijd tegen de koppelbazen, strijd die hoofdzakelijk in welbepaalde activiteitssectoren woedt (zie Arrest van het Grondwettelijk Hof nr. 117/2012 van 11.10.2012).

De artikelen 20, 20bis en 20ter van het koninklijk besluit nr. 1 van 29.12.1992 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde, zoals uiteengezet hierna, werden genomen in uitvoering van artikel 51, § 4, van het Btw-Wetboek.

A. Verlegging van heffing inzake werk in onroerende staat (artikel 20 van het koninklijk besluit nr. 1)

a. Principe

De door artikel 20 van het koninklijk besluit nr. 1 ingevoerde regeling legt de medecontractant van de in België gevestigde leverancier van de goederen of de dienstverrichter de verplichting op zelf de verschuldigde belasting te voldoen, wanneer :

• die medecontractnat een in België gevestigde belastingplichtige is die periodieke btw-aangiften indient, of een niet in België gevestigde belastingplichtige is die hier te lande overeenkomstig artikel 55, § 1 of § 2, van het Wetboek, een aansprakelijke vertegenwoordiger heeft laten erkennen ;

• de handelingen die het voorwerp uitmaken van het contract behoren tot de in § 2 van dat artikel 20 aangeduide handelingen.

De medecontractant van de leverancier van de goederen of van de dienstverrichter wordt alzo in de plaats gesteld van deze laatsten voor de voldoening van de belasting.

Binnen de door deze afdeling gestelde grenzen en voorwaarden, vervangt artikel 20 van voormeld koninklijk besluit nr. 1 de gewone wijze van de voldoening van de belasting door een stelsel van verlegging van de heffing : de medecontractant van de leverancier van de goederen of van de dienstverrichter verzorgt zelf de voldoening van de belasting.

b. Hoedanigheid van de dienstverrichter

Opdat het door artikel 20 van het koninklijk besluit nr. 1 ingevoerde stelsel van verlegging van heffing van toepassing zou zijn, dient de dienstverrichter te zijn :

• een in België gevestigde belastingplichtige die ertoe gehouden is periodieke btw-aangiften in te dienen ;

• een buitenlandse belastingplichtige die in België beschikt over een vaste inrichting in de hypothese dat die inrichting (rechtstreeks of onrechtstreeks) tussenkomt in de materiële uitvoering van de verstrekte dienst of van bijkomende handelingen, of in de administratieve verwerking ervan (ontvangst van de bestelling, facturering en/of incassering van de prijs)

De in artikel 20 van het koninklijk besluit nr. 1 voorziene verlegging van heffing is daarentegen niet van toepassing wanneer de dienstverrichter is :

• een niet in België gevestigde belastingplichtige die niet geïdentificeerd is voor de btw in België;

• een niet in België gevestigde belastingplichtige die wel voor de btw geïdentificeerd is in België onder een individueel nummer, zonder erkende aansprakelijke vertegenwoordiger (rechtstreekse identificatie) ;

• een niet in België gevestigde belastingplichtige die wel voor de btw geïdentificeerd is in België onder een individueel nummer, met erkenning van een aansprakelijke vertegenwoordiger;

• een niet in België gevestigde belastingplichtige die wordt vertegenwoordigd door een vooraf erkende persoon onder een globaal btw-identificatienummer (zie artikel 55, § 3, tweede lid, Btw-Wetboek) ;

• een buitenlandse belastingplichtige die in België beschikt over een vaste inrichting in zover die inrichting niet betrokken is (rechtstreeks of onrechtstreeks) bij de in België verrichte handeling.

In deze situaties en mits de andere voorwaarden eveneens vervuld zijn, is de in artikel 51, § 2, eerste lid, 5°, van het Btw-Wetboek voorziene verlegging van heffing van toepassing. Bij gebreke daaraan, is het de dienstverrichter die de schuldenaar van de belasting is, dit in toepassing van de algemene regel van artikel 51, § 1, 1°, van het Btw-Wetboek.

c. Bedoelde belastingplichtigen

Voor de toepassing van artikel 20 van het koninklijk besluit nr. 1 moet de medecontractant van de in België gevestigde leverancier van goederen of de dienstverrichter een belastingplichtige zijn die btw-maand- of kwartaalaangiften indient of een niet in België gevestigde belastingplichtige die een aansprakelijke vertegenwoordiger heeft laten erkennen.

Worden dus niet bedoeld :

• de aan de in artikel 56bis van het Btw-Wetboek bedoelde regeling van belastingvrijstelling onderworpen belastingplichtigen;

• de aan de bijzondere regeling van artikel 57 van het Btw-Wetboek onderworpen landbouwondernemers;

• de niet in België gevestigde belastingplichtigen die in België geen aansprakelijke vertegenwoordiger hebben (vb. de niet in België gevestigde belastingplichtige die in België geniet van een rechtstreekse identificatie, of vertegenwoordigd wordt door een vooraf erkend persoon);l

• de belastingplichtigen die door een administratieve beslissing vrijgesteld zijn van de verplichting om periodieke aangiften in te dienen.

Bovendien is deze bepaling slechts van toepassing voor zover de leverancier van de goederen of de dienstverrichter handelingen verricht die bedoeld zijn in § 2 van het artikel 20 van voormeld koninklijk besluit nr. 1. Als dat niet het geval is, dan blijft de gewone regeling voor de voldoening van de belasting toepasselijk.

Tenslotte, wanneer de goederen en diensten, die handelingen uitmaken als beoogd in § 2 van voormeld artikel 20, gefactureerd worden aan een belastingplichtige-indiener van periodieke btw-aangiften, is de verlegging van heffing van toepassing, ongeacht of deze handelingen door de medecontractant gebruikt worden in de uitoefening van zijn met btw belaste economische activiteit, dan wel zijn van de btw vrijgestelde activiteit of zijn activiteit buiten de werkingssfeer van de btw of worden aangewend voor meerdere activiteiten.

De verlegging van heffing is daarentegen niet van toepassing wanneer een fysieke persoon die voor de btw als belastingplichtige is geïdentificeerd, het betrokken gebouw uitsluitend gebruikt voor privé-doeleinden (zie de beslissing nr. E.T. 122.360 van 20.03.2012).

Voorbeeld

Een gemeente, geïdentificeerd voor btw-doeleinden voor de uitbating van een opslagplaats en indiener van periodieke btw-aangiften, laat de ramen vervangen van een gebouw waarin deze opslagplaats zich bevindt. Het gebouw in kwestie dient eveneens als opslagplaats voor de archieven van de gemeente. De verlegging van heffing moet toegepast worden voor het geheel van de werken, de verschuldigde belasting is evenwel slechts aftrekbaar voor het gedeelte dat verband houdt met de uitbating van deze opslagplaats.

d. Bedoelde handelingen

Luidens de bewoordingen van artikel 20, § 2, van het koninklijk besluit nr. 1, wordt bedoeld alle werk in onroerende staat. Onder werk in onroerende staat dient te worden verstaan het bouwen, het verbouwen, het afwerken, het inrichten, het herstellen, het onderhouden, het reinigen en het afbreken, geheel of ten dele, van een uit zijn aard onroerend goed, en de handeling die erin bestaat een roerend goed te leveren en het meteen op zodanig wijze aan te brengen aan een onroerend goed dat het onroerend uit zijn aard wordt (zie artikel 19, § 2, tweede lid, Btw-Wetboek).

Worden eveneens bedoeld, in de mate dat zij geen werk in onroerende staat zijn :

• 1° iedere handeling die tot voorwerp heeft zowel de levering als de aanhechting aan een gebouw :

o van de bestanddelen of een gedeelte van de bestanddelen van een installatie voor centrale verwarming of airconditioning, daaronder begrepen de branders, de reservoirs en de regel- en controletoestellen verbonden aan de ketels of aan de radiatoren;

o van de bestanddelen of een gedeelte van de bestanddelen van een sanitaire installatie van een gebouw en, meer algemeen, van alle vaste toestellen voor sanitair of hygiënisch gebruik aangesloten op een waterleiding of een riool;

o van de bestanddelen of een gedeelte van de bestanddelen van een elektrische installatie van een gebouw, met uitzondering van toestellen voor de verlichting en van lampen;

o van de bestanddelen of een gedeelte van de bestanddelen van een elektrische belinstallatie, van brandalarmtoestellen, van alarmtoestellen tegen diefstal en van een huistelefoon;

o van opbergkasten, gootstenen, gootsteenkasten en meubels met ingebouwde gootsteen, wastafels en meubels met ingebouwde wasbak, zuigkappen, ventilators en luchtverversers waarmee een keuken of badkamer is uitgerust;

o van luiken, rolluiken en rolgordijnen die aan de buitenkant van het gebouw worden geplaatst;

• iedere handeling die tot voorwerp heeft zowel de levering van wandbekleding of vloerbekleding als de plaatsing ervan in een gebouw, ongeacht of die bekleding of bedekking aan het gebouw wordt vastgehecht of eenvoudig ter plaatse op maat wordt gesneden volgens de afmetingen van de te bedekken oppervlakte;

• ieder werk dat bestaat in het aanhechten, het plaatsen, het herstellen, het onderhouden en het reinigen van goederen bedoeld in 1° of 2° hiervoor.

Wordt ook bedoeld de terbeschikkingstelling van personeel met het oog op het verrichten van een werk in onroerende staat of van één van de onder 1°, 2° of 3° hierboven bedoelde handelingen.

Tot slot moeten, ingevolge administratieve beslissingen ter zake, ook de volgende diensten daaraan worden toegevoegd :

• het werk in onroerende staat met een landbouwkarakter (zie de beslissing nr. ET 32.181 van 02.04.1979),

• de levering van holle welfsels of vloerbeschotten samen met het (definitief) neerleggen ervan op reeds gebouwde kelders of gemetselde muren, wanneer de materialen worden neergelegd op de plaats waar ze definitief zullen blijven (zie de beslissing nr. ET 32.273 van 26.04.1979),

• de levering van stortklaar beton in de bekisting van een bouwwerk (zie de beslissing nr. E.T. 32.366 van 04.05.1979),

• de bouw van een waterzuiveringsstation (zie de beslissing nr. E.T. 32.494 van 23.05.1979),

• de levering met plaatsing van huurloketten, die definitief worden ingebouwd in speciaal daartoe bestemde ruimten in een gebouw (zie de beslissing nr. E.T. 32.620 van 25.06.1979)

• de onroerende ontsmettingswerkzaamheden die betrekking hebben op de muren van een stal (zie de beslissing nr. E.T. 46.565 van 05.08.1988),

• de levering met plaatsing van een keukenafvalvergruizer voor gootstenen, waarbij het ene uiteinde van dergelijke vergruizer wordt vastgehecht aan de gootsteen en het andere uiteinde wordt aangesloten op de afvoerleiding van de gootsteen (zie de beslissing nr. E.T. 68.252 van 13.02.1990),

• de levering met aanhechting van lichtreclames, evenals al dan niet verlichte reclamepanelen, wanneer ze een constructie vormen die op palen of een voetstuk ingelijfd is in de grond (zie de beslissing nr. E.T. 71.428 van 27.12.1993).

* Het bouwen, het verbouwen, het onderhouden, het afwerken, het inrichten, het herstellen, het reinigen en het afbreken, geheel of ten dele, van een uit zijn aard onroerend goed.

De hier bedoelde handelingen zijn :

• de verschillende handelingen die bijdragen tot het oprichten van om 't even welk gebouw dat met de grond is verbonden (woonhuis, flat, industrieel-, commercieel- of landbouwgebouw, een kunstwerk zoals een weg, een brug, een sluis, een havenkade, een rivierberm, enz.);

• de handelingen met betrekking tot de afwerking van dergelijke bouwwerken;

• de werken die tot doel hebben de bouwwerken in goede staat te houden, ongeacht of het gaat om grove herstellingen, om huurherstellingen of om reinigingswerken;

• de werken die tot voorwerp hebben het aanleggen, het onderhouden en het reinigen van gronden en van alle andere uit hun aard onroerende goederen;

• het afbreken van uit hun aard onroerende goederen.

Voorbeelden van de bedoelde handelingen kunnen worden gevonden in de aanschrijving nr. 3 van 01.02.1979).

* De handeling die erin bestaat een roerend goed te leveren en het meteen op zodanige wijze aan te brengen aan een onroerend goed dat het onroerend uit zijn aard wordt.

Voor de toepassing van artikel 19, § 2, van het Wetboek, is de handeling waarbij een roerend goed wordt geleverd en op zodanige wijze aan een onroerend goed wordt aangebracht dat het onroerend uit zijn aard wordt, eveneens een werk in onroerende staat (zie ook de aanschrijving nr. 3 van 01.02.1979).

De handeling waarbij een roerend goed wordt geleverd dat niet wordt ingelijfd in een gebouw of in een ander uit zijn aard onroerend goed, maar dat op eenvoudige wijze wordt vastgemaakt aan een gebouw, is geen werk in onroerende staat bedoeld in artikel 19, § 2, van het Wetboek. De bijzondere regeling van de verlegging van de heffing van de belasting, die door artikel 20 van het koninklijk besluit nr. 1 werd ingevoerd, kan op deze handeling dan ook niet toegepast worden, tenzij in de in § 2 van dit artikel op een beperkende wijze opgesomde gevallen.

Aldus blijven machines, toestellen en apparatuur, in het bijzonder voor industriële installaties, of voorwerpen voor dagelijks gebruik, voor normale uitrusting of versiering, in beginsel roerend, ten hoogste worden ze onroerend door bestemming. De door artikel 20 ingevoerde regeling is dus niet van toepassing op de handeling waarbij een dergelijk goed geleverd en aan een gebouw aangehecht wordt, zelfs wanneer dit aanhechten een werk in onroerende staat van geringe omvang vereist, tenzij het een handeling betreft die uitdrukkelijk bedoeld is in § 2, 1° of 2°, van dit artikel 20.

De regeling van de verlegging van de heffing van de belasting is van toepassing op dergelijke werken in onroerende staat van geringe omvang wanneer ze worden verricht door een derde.

Wanneer een contract een geheel van handelingen tot voorwerp heeft waarvan sommige vallen onder de toepassing van deze regeling en andere niet, dient het volgende onderscheid te worden gemaakt.

Wanneer het hoofdvoorwerp van het contract een door de regeling van de verlegging van de heffing van de belasting beoogde handeling uitmaakt en de elementen van bedoeld contract die niet in het toepassingsgebied van deze regeling vallen derhalve slechts bijkomstig zijn, aanvaardt de administratie, bij wijze van vereenvoudiging, dat de regeling van de verlegging van de heffing wordt toegepast voor het geheel zodat de factuur niet moet worden uitgesplitst.

Indien het hoofdvoorwerp van het contract een handeling betreft die niet bedoeld is door de regeling van de verlegging van de heffing van de belasting en de belastingplichtige bijkomstige handelingen moet verrichten waarvoor artikel 20 van voormeld koninklijk besluit nr. 1 wel van toepassing is, moet de factuur worden uitgesplitst en is het uitgesloten dat de verlegging van de heffing wordt toegepast voor de hoofdhandeling. Daarentegen blijft in de regel deze verlegging van de heffing van toepassing voor de bijkomende handelingen bedoeld in bovengenoemd artikel 20.

De administratie zal in een dergelijk geval evenwel geen kritiek uitoefenen wanneer de belastingplichtige op de factuur eveneens de btw aanrekent voor de bijkomende handelingen beoogd door de regeling van de verlegging van de heffing van de belasting. In het geval de belastingplichtige gebruik maakt van deze tolerantie zal hij op de factuur een verwijzing aanbrengen naar de beslissing die deze procedure toelaat, met name naar de beslissing nr. E.T. 84.160 van 12.06.1995.

* Andere handelingen van levering en aanhechting aan een gebouw en die bedoeld zijn in artikel 20, § 2, van het koninklijk besluit nr. 1.

Hier zijn bedoeld de handelingen waarbij een roerend goed wordt geleverd en aangehecht aan een gebouw, zonder dat het hier echter gaat om een werk in onroerende staat zoals gedefinieerd hiervoor. De betrokken handelingen worden hierna uiteengezet.

Onder gebouw wordt in beginsel verstaan elke constructie die als zodanig wordt aangemerkt door de desbetreffende wetten en besluiten van het kadaster.

In dat opzicht worden geacht deel uit te maken van een gebouw, de aanhorigheden en de bijgebouwen van een hoofdgebouw dat wordt gebruikt in een landbouw-, een handels-, een industriële of ambachtelijke onderneming en die op zichzelf zonder dat hoofdgebouw niet als volledig kunnen worden beschouwd.

Zijn dus gebouwen: woonhuizen, bungalows, chalets, villa's, flats, fabrieken, werkplaatsen, hoeven, loodsen, garages, enz...

Centrale verwarming en airconditioning.

Wordt bedoeld, voor zover het geen werk in onroerende staat is, elke handeling waarbij de bestanddelen of een gedeelte van de bestanddelen van een installatie voor centrale verwarming of airconditioning, daaronder begrepen de branders, de reservoirs en de regel- en controletoestellen verbonden aan de ketels of aan de radiatoren worden geleverd en aangehecht aan een gebouw (zie artikel 20, § 2, 1°, a, KB nr. 1).

Onder centrale verwarming wordt verstaan elk verwarmingssysteem dat erin bestaat warmte te verspreiden in één of meerdere lokalen door middel van verschillende toestellen verbonden aan een enige warmtebron, wat bovendien ook de aard van deze bron weze: gas, elektriciteit, zonneënergie, windenergie of een andere herhaalbare energie. Aan deze verscheiden criteria beantwoordt met name het systeem, "mini-chauffage" genaamd, dat erin bestaat de warmte, voortgebracht door een speciale kachel, in verschillende kamers te verspreiden door middel van radiatoren die verbonden zijn aan die kachel.

Alhoewel ze niet strikt beantwoorden aan het begrip "centrale verwarming", gelet op het feit dat voor hun werking geen beroep wordt gedaan op een enige warmtebron, dienen sommige moderne verwarmingssystemen van woningen, ten aanzien van de toepassing van artikel 20 van het koninklijk besluit nr. 1 (alsook ten aanzien van de btw-tarieven), als centrale verwarming te worden beschouwd om reden van de kenmerken die ze vertonen (algemene verspreiding van de installatie in de woning, definitief karakter van plaatsing en aanpassing aan de verwarming van de woning door de individuele of gecentraliseerde programmering van de warmtespreiding) en die ze bestemmen voor het verwarmen van de totaliteit of in ieder geval de quasi-totaliteit van de woning (ééngezinswoning of appartement, volgens het geval). Deze verwarmingssystemen kunnen, gezien hun integratie in het gebouw, niet ervan worden losgemaakt in geval van verkoop of verhuur.

Voor voorbeelden van dergelijke installaties wordt verwezen naar de nummers 6 en 7 van de bijlage 1 van de aanschrijving nr. 6 van 22.06.1986.

Sanitaire installatie

Wordt eveneens bedoeld, voor zover het geen werk in onroerende staat is, iedere handeling waarbij de bestanddelen of een gedeelte van de bestanddelen van een sanitaire installatie en, meer algemeen, van alle vaste toestellen voor sanitair of hygiënisch gebruik aangesloten op een waterleiding of een riool, worden geleverd en aangehecht aan een gebouw (zie artikel 20, § 2, 1°, b, KB nr. 1).

Wordt aldus inzonderheid bedoeld de handeling waarbij buisleidingen, kranen, pompen, gootstenen, wastafels, W.C.'s, urinoirs, bidets, voetbaden, badkuipen en gootstenen worden geleverd en aan een gebouw aangehecht.

Elektrische installatie

Wordt eveneens bedoeld, voor zover het geen werk in onroerende staat is, iedere handeling waarbij de bestanddelen of een gedeelte van de bestanddelen van een elektrische installatie van een gebouw, met uitzondering van toestellen voor de verlichting en lampen, worden geleverd en aan een gebouw vastgehecht (zie artikel 20, § 2, 1°, c, KB nr. 1).

Onder verlichtingstoestellen en lampen worden inzonderheid bedoeld hanglampen, plafondlampen, luchters, wandlampen, tafellampen, nachtlampen, bureaulampen, schemerlampen en waterdichte lampen voor vochtige ruimten, kandelaren, pianolampen, réverbères, lampen op voet, lampen voor donkere kamers en voor winkeluitstalramen, fluorescentielampen en hun houders, daaronder begrepen de starters en de ballasten, enz...

De uitzondering bepaald bij artikel 20, § 2, 1°, c, van het koninklijk besluit nr. 1, is echter niet toepasselijk wanneer de toestellen voor de verlichting en de lampen worden geleverd en ingewerkt in het plafond of in een vals plafond.

Elektrische belinstallatie, brand- en alarmtoestellen, telefooninstallatie

Wordt eveneens bedoeld, voor zover het geen werk in onroerende staat is, iedere handeling waarbij de bestanddelen of een gedeelte van de bestanddelen van een elektrische belinstallatie, van brandalarmtoestellen, van alarmtoestellen tegen diefstal en van een huistelefoon worden geleverd en aan een gebouw aangehecht (zie artikel 20, § 2, 1°, d, KB nr. 1).

Onder elektrische belinstallatie worden bedoeld de elektromagnetische inrichtingen die een hamertje doen trillen op een bel, alsook de trillers met zoemertoon of melodie, enz...

Onder de elementen van een brandalarm- en beveiligingstoestel kan men vermelden, de toestellen aangesloten op een waterleiding, toestellen met smeltveiligheden, toestellen met uitzettingskleppen, toestellen met elektrische weerstandsgeleiders, toestellen met foto-elektrische cel, toestellen met detector, enz...

Onder de toestellen van een huistelefooncentrale kan men aanhalen de machines en toestellen waarmee een centrale is uitgerust om tussen de verschillende vertrekken van een gebouw te kunnen telefoneren, de elektrische deuropeners (parlofoon en deurcodetoestellen) en de binnenposten.

Kasten, gootstenen en dampkappen.

Wordt eveneens bedoeld, voor zover het geen werk in onroerende staat is, iedere handeling waarbij worden geleverd en aan een gebouw aangehecht: opbergkasten, gootstenen, gootsteenkasten en meubels met ingebouwde gootsteen, wastafels en meubels met ingebouwde wasbak, zuigkappen, ventilators en luchtverversers waarmee een keuken of badkamer is uitgerust (zie artikel 20, § 2, 1°, e, KB nr. 1).

De opsomming van de door deze bepaling bedoelde goederen is beperkend. Worden dus niet bedoeld, de handelingen waarbij een koelkast, een diepvriezer, een komfoor of een fornuis met gas of elektriciteit, een elektrische oven, een vaatwasmachine, een wasmachine of een linnendroogkast, enz..., worden geleverd en geplaatst.

Luiken, rolluiken, rolgordijnen

Wordt eveneens bedoeld, voor zover het geen werk in onroerende staat is, iedere handeling waarbij luiken, rolluiken en rolgordijnen, die aan de buitenkant van een gebouw worden geplaatst, geleverd en aan een gebouw aangehecht worden (zie artikel 20, § 2, 1°, f, KB nr. 1).

Wandbekledingen en vloerbedekkingen

Wordt eveneens bedoeld, voor zover het geen werk in onroerende staat is, iedere handeling die tot voorwerp heeft zowel de levering van wandbekleding of vloerbekleding als de plaatsing ervan in een gebouw, ongeacht of die bekleding of bedekking aan het gebouw wordt vastgehecht of eenvoudig ter plekke op maat wordt gesneden volgens de afmetingen van de te bedekken oppervlakte (zie artikel 20, § 2, 2°, KB nr. 1).

Zijn ondermeer bedoeld, de handelingen waarbij worden geleverd en geplaatst: vasttapijt, balatum, linoleum of eender welke vloerbekleding, ongeacht of die bedekking is gelijmd of op een andere manier is vastgehecht of eenvoudig neergelegd, in zover, in dit laatste geval, de vloerbedekking ter plaatse op maat wordt gesneden volgens de afmetingen van de te bedekken oppervlakte.

Het aanhechten, het plaatsen, het herstellen, het onderhouden en het reinigen

Wordt eveneens bedoeld, voor zover het geen werk in onroerende staat is, ieder werk dat bestaat in het aanhechten, het plaatsen, het herstellen, het onderhouden en het reinigen van goederen bedoeld in 1° en of 2° van artikel 20, § 2, van het koninklijk besluit nr. 1 (zie artikel 20, § 2, 3°, KB nr. 1).

* De terbeschikkingstelling van personeel

Wordt ook bedoeld, de terbeschikkingstelling van personeel met het oog op het verrichten van een werk in onroerende staat of van één van de in § 2 van artikel 20 van het koninklijk besluit nr. 1 bedoelde handelingen (zie artikel 20, § 2, derde lid, KB nr. 1).

Bedoeld wordt de overeenkomst waarbij een persoon leden van zijn personeel ter beschikking stelt van een andere persoon om onder de leiding van deze laatste te werken en in het artikel 20 bedoelde handelingen uit te voeren.

De personen die ter beschikking worden gesteld moeten gebonden zijn door een arbeids- of bediendencontract of door een contract dat een band van ondergeschiktheid inhoudt tegenover de persoon die ze ter beschikking stelt en ze moeten werken onder de leiding van de persoon ter wiens beschikking ze zijn gesteld.

Het onderscheid tussen het contract van terbeschikkingstelling van personeel en het aannemingscontract of onder aannemingscontract is soms moeilijk te maken. Evenwel is het onderzoek naar de juridische aard van de overeenkomst hier zonder belang omdat, zowel in het ene als in het andere geval, is de regeling voorzien door artikel 20 van het koninklijk besluit nr. 1 van toepassing is wanneer het contract ofwel een werk in onroerende staat, ofwel één van de handelingen bedoeld in § 2 van het vermelde artikel, tot voorwerp heeft.

e. De verplichtingen van de dienstverrichter en van de leverancier van de goederen

Facturering

De factuur die wordt uitgereikt door de belastingplichtige die de in § 2 van artikel 20 van het koninklijk besluit nr. 1 bedoelde handelingen verricht, of die eventueel wordt uitgereikt in zijn naam en voor zijn rekening door zijn medecontractant of door een derde, moet de door artikel 5, § 1, van het koninklijk besluit nr. 1 bedoelde vermeldingen bevatten, weze het onder het volgende, dubbele voorbehoud :

• zij vermeldt noch het tarief, noch het bedrag van de verschuldigde belasting;

• de vermelding « Btw verlegd » wordt erop aangebracht (zie artikel 20, § 3, KB nr. 1).

Het kan gebeuren dat een overeenkomst de levering en aanhechting omvat van goederen die een geheel uitmaken waarvan bepaalde delen onder de toepassing van artikel 20 van het koninklijk besluit nr. 1 vallen en andere niet. In dat geval is in beginsel de regeling van de verlegging van de heffing alleen toepasselijk op wat is bedoeld in het genoemde artikel 20 en moet bijgevolg de factuur worden uitgesplitst. Ter vereenvoudiging neemt de administratie evenwel aan dat de regeling van de verlegging van de heffing op de gehele overeenkomst kan worden toegepast (zie de nrs. 19 en 41 van de aanschrijving nr. 3 van 01.02.1979).

Die vereenvoudiging geldt zelfs wanneer de factuur niet een globale prijs vermeldt maar afzonderlijke prijzen voor verschillende delen of bestanddelen van een geheel, waarvan sommige onder de toepassingssfeer van artikel 20 van het koninklijk besluit nr. 1 vallen en andere niet.

Ze mag tenslotte worden toegepast wanneer tussen dezelfde partijen een enig contract wordt gesloten en een deel van de globale prijs, of een afzonderlijke prijs, betrekking heeft op een werk in onroerende staat dat onder de regeling van de verlegging van de heffing valt, en het overige deel van de globale prijs, of een andere afzonderlijke prijs, betrekking heeft op goederen die ingevolge hun plaatsing niet onroerend uit hun aard worden en niet reeds zijn bedoeld in § 2, tweede lid, 1° en 2°, van artikel 20 van het koninklijk besluit nr. 1 (zie de beslissing nr. E.T. 32.583 van 04.07.1979).

Deze tolerantie kan evenwel slechts worden toegepast voor zover het hoofdvoorwerp van het contract een door de regeling van de verlegging van de heffing beoogde handeling uitmaakt en de elementen van bedoeld contract die niet in het toepassingsgebied van deze regeling vallen derhalve slechts bijkomstig zijn.

Indien het hoofdvoorwerp van het contract een handeling betreft die niet bedoeld is door de regeling van de verlegging van de heffing en de belastingplichtige bijkomstig handelingen moeten verrichten waarvoor artikel 20 van voormeld koninklijk besluit nr. 1 wel van toepassing is, moet de factuur worden uitgesplitst en is het uitgesloten dat de verlegging van de heffing wordt toegepast voor de hoofdhandeling. Daarentegen blijft in de regel deze verlegging van de heffing van toepassing voor de bijkomende handelingen bedoeld in artikel 20 van het koninklijk besluit nr. 1.

De administratie zal in een dergelijk geval evenwel geen kritiek uitoefenen wanneer de belastingplichtige op de factuur eveneens de btw aanrekent voor de bijkomende handelingen beoogd door de regeling van de verlegging van de heffing. In het geval de belastingplichtige gebruik maakt van deze tolerantie zal hij op de factuur een verwijzing aanbrengen naar de onderhavige beslissing, met name de beslissing nr. E.T. 84.160 van 12.06.1995.

Voorbeeld :

Een in Antwerpen gevestigde onderaannemer verricht voor rekening van een algemeen aannemer uit Leuven, die gehouden is tot het indienen van periodieke btw-aangiften, een werk dat bestaat uit de levering en plaatsing van een uitgeruste keuken, met inbrgrip van opbergkasten, een gootsteen, een gootsteenkast en een dampkap, voor een globale prijs van 9.000 €. Die onderaannemer levert eveneens een koelkast en een elektronische oven voor de prijs van 2.250 €.

In principe kan de regeling van de verlegging van de heffing niet worden toegepast op de levering van de koelkast en van de elektrische oven. In dit geval mag de onderaannemer evenwel de regeling van de verlegging van de heffing toepassen op het geheel.

Voorbeeld :

Een Luikse handelsvennootschap die gehouden is periodieke btw-aangiften in te dienen doet beroep op een in Namen gevestigde onderneming die gespecialiseerd is in de vervaardiging en de aanhechting van luiken en rolgordijnen. De overeenkomst heeft tot voorwerp de levering met plaatsing, aan de binnenkant van het gebouw, van elektrische rolgordijnen teneinde de uitgestalde goederen te beschermen tegen het invallende zonlicht.

Het bestek en de factuur vermelden de volgende bedragen :

• een elektrisch luik, geplaatst aan de buitenkant van het gebouw : 1.500 €

• levering en plaatsing van rolgordijenen voor binnen : 3.000 €

Het hoofdvoorwerp van het contract betreft een handeling die niet valt in het toepassingsgebied van artikel 20 van het koninklijk besluit nr. 1. In dat geval moet de factuur, normaal gezien, worden uitgesplitst.

Bij wege van tolerantie, zal de gewone regeling (met aanrekening van btw op de factuur) mogen worden toegepast op alle handelingen, de levering van het buitenluik inbegrepen.

* Periodieke aangifte

De belastingplichtige die de in artikel 20, § 2, van het koninklijk besluit nr. 1 bedoelde handelingen verricht, mag de maatstaven van heffing van de belasting die zijn medecontractant moet voldoen niet opnemen in de roosters 00 tot 03.

Die maatstaven van heffing moeten worden vermeld in rooster 45.

De bedragen van de uitgereikte creditnota's die betrekking hebben op de handelingen waarvan de maatstaven van heffing, ingevolge hetgeen voorafgaat, zijn opgenomen in rooster 45, moeten worden begrepen in het in het rooster 49 van de aangifte in te schrijven bedrag.

* Voldoening van de belasting

De belastingplichtige die handelingen verricht bedoeld in artikel 20, § 2, van het koninklijk besluit nr. 1, mag in geen geval de op de hiervoor bedoelde handelingen verschuldigde belasting voldoen. Elke inbreuk op deze verplichting stelt hem bloot aan de sancties bepaald bij artikel 70, § 4, en, eventueel, artikel 73 van het Btw-Wetboek.

* Boekhouding

De belastingplichtige die handelingen verricht bedoeld in artikel 20, § 2, van het koninklijk besluit nr. 1, moet ze opnemen in zijn boekhouding, met dien verstande dat het bedrag van de verschuldigde belasting er niet mag in voorkomen. Het boek voor uitgaande facturen moet bovendien zo georganiseerd worden dat het rooster 45 van de periodieke aangifte ingevuld kan worden (het is, m.a.w., aangewezen in het boek voor uitgaande facturen een aparte kolom in te lassen, bestemd om vervolledigd te worden met het bedrag van deze handelingen).

* Jaarlijkse opgave van de afnemers-belastingplichtigen

De belastingplichtige die handelingen verricht bedoeld in artikel 20, § 2, van het koninklijk besluit nr. 1, moet zijn medecontractanten opnemen in de jaarlijkse opgave van zijn afnemers-belastingplichtigen. Het bedrag aan belasting mag evenwel niet voorkomen in de kolom die daarvoor is bestemd.

f. De verplichtingen van de medecontractant

* Periodieke btw-aangifte

De medecontractant voor wie één van de in artikel 20, § 2, van het koninklijk besluit nr. 1 bedoelde handelingen door een belastingplichtige werd verricht, moet de maatstaf van heffing van deze handelingen opnemen enerzijds, volgens het geval, in rooster 81, 82 of 83, en anderzijds in rooster 87, alsmede het bedrag van de op grond van deze handelingen verschuldigde belasting in rooster 56 van zijn periodieke btw-aangifte met betrekking tot het tijdvak waarin de belasting verschuldigd is geworden.

Iedere inbreuk op die verplichting kan de toepassing van de sancties bedoeld in artikel 70, § 1, en, eventueel, artikel 73 van het Btw-Wetboek tot gevolg hebben.

* Aftrek

Het bedrag van de verschuldigde belasting opgenomen in rooster 56, mag worden afgetrokken in diezelfde periodieke aangifte, met dien verstande dat eventueel de beperkingen bepaald bij de artikelen 45 tot 49 van het Btw-Wetboek moeten worden toegepast.

* Voldoening van de belasting

De aan de Schatkist te betalen belasting op grond van de conform de voorafgaandelijke bepalingen ingevulde periodieke aangifte wordt voldaan op de gewone wijze en binnen de termijn bepaald voor de voldoening van de uit die aangifte blijkende, verschuldigde belasting.

g. Werk in onroerende staat voor een gedeeltelijke belastingplichtige

Wanneer het werk in onroerende staat wordt gefactureerd aan een belastingplichtige die periodieke btw-aangiften indient, is de verlegging van de heffing van toepassing, ongeacht of die handelingen door de medecontractant worden aangewend voor de uitoefening van zijn belastbare economische activiteit, van zijn van de btw vrijgestelde economische activiteit of van zijn activiteit die buiten de toepassingssfeer van de btw valt of zelfs voor een combinatie van meerdere activiteten.

Wanneer daarentegen een belastingplichtige medecontractant, fysieke persoon, het betrokken gebouw uitsluitend gebruikt voor zijn privé-doeleinden, is de verlegging van heffing nooit van toepassing.

Voorts wordt opgemerkt dat de verlegging van heffing evenmin van toepassing is wanneer het werk in onroerende staat wordt verricht voor een niet-belastingplichtige rechtspersoon die niet gehouden is periodieke aangiften in te dienen, zelfs wanneer die persoon voor btw-doeleinden geïdentificeerd is omwille van optie- of drempeloverschrijding inzake intracommunautaire verwervingen van goederen en gehouden is tot het indienen van bijzondere btw-aangiften (zie de beslissing nr. E.T. 122.360 van 20.03.2012).

h. Opmerking met betrekking tot artikel 19, § 2, van het Btw-Wetboek

Wanneer een tot het indienen van periodieke btw-aangiften gehouden belastingplichtige een werk in onroerende staat verricht voor zijn privé-doeleinden als bedoeld in artikel 19, § 2, van het Btw-Wetboek, waarvoor hij een stuk moet opmaken dat de handeling vaststelt, is de regeling van de verlegging van de heffing niet toepasselijk op deze handeling. De gewone regeling is van toepassing en het stuk moet melding maken van btw teneinde het recht op aftrek te doen ontstaan.

Voorbeeld :

Een ondernemer bouwt een bergplaats om er zijn bedrijfsmaterieel in onder te brengen. Hij maakt een intern stuk op dat de handeling vaststelt en waarop bij btw aanrekent. In de periodieke btw-aangifte wordt de handeling opgenomen in de roosters 83, 87, 56 en 59.

Mededeling van het Btw-identificatienummer door de ondernemingen onderworpen aan de vrijstellingsregeling en de landbouwbedrijven aan de dienstverrichters die gevestigd zijn in België en die een werk in onroerende staat verrichten (artikel 53quater, § 1, van het Btw-Wetboek)

Overeenkomstig artikel 53quater, § 1, tweede lid, van het Btw-Wetboek « mogen de belastingplichtigen bedoeld in de artikelen 56bis en 57, hun btw-identificatienummer niet meedelen aan hun dienstverrichters die gevestigd zijn in België en die een werk in onroerende staat in de zin van artikel 19, § 2 of een daarmee gelijkgestelde handeling verrichten. Wanneer de belastingplichtige bedoeld in artikel 56bis of 57 zijn btw-identificatienummer meedeelt, is de dienstverrichter, behoudens samenspanning tussen partijen, ontlast van de aansprakelijkheid voor de voldoening van de belasting”.

Vóór de wijziging van artikel 53quater, § 1, eerste lid, van het Btw-Wetboek, moest zijn btw-identificatienummer meedelen aan zijn dienstverrichter die werk in onroerende staat verricht, elke belastingplichtige die overeenkomstig artikel 50, § 1, eerste lid, 1°, en 3° of § 3, voor btw-doeleinden was geïdentificeerd, met uitsluiting van de btw-eenheden in de zin van artikel 4, § 2, m.a.w. niet alleen een belastingplichtige indiener maar ook een belastingplichtige niet-indiener, onderworpen aan de bijzondere landbouwregeling of aan de vrijstellingsregeling.

Dit had tot gevolg dat veel ondernemers het btw-identificatienummer van hun klant niet-indiener vermeldden op de factuur, maar ten onrechte toepassing maakten van de regeling van verlegging van heffing in het geloof dat hun klant een belastingplichtige indiener was, zich daarvoor baserend op de loutere mededeling van het btw-identificatienummer.

Teneinde die ondernemers meer rechtszekerheid te bieden en hen toe te laten om de regeling van de verlegging van de heffing correct toe te passen, heeft artikel 53quater, § 1, tweede lid (nieuw), van het Btw-Wetboek, vanaf 1 oktober 2018, een verbod ingevoerd voor de in artikel 57 van het Wetboek bedoelde landbouwers en voor de in artikel 56bis van het Wetboek bedoelde belastingplichtigen onderworpen aan de vrijstellingsregeling om hun btw-identificatienummer mee te delen aan hun dienstverrichters die gevestigd zijn in België en die een werk in onroerende staat in de zin van artikel 19, § 2, van het Wetboek of een daarmee gelijkgestelde handeling verrichten.

Die nieuwe bepaling voorziet eveneens dat, behoudens samenspanning tussen partijen, de dienstverrichter ontlast wordt van de verplichting om de btw te voldoen als de betrokken afnemer zijn btw-identificatienummer toch heeft meegedeeld en zich om die reden het werk in onroerende staat heeft doen factureren met onjuiste toepassing van de regeling van verlegging van heffing.

De invordering van de verschuldigde btw zal dan ook verricht worden, overeenkomstig artikel 51bis, § 1, 1°, en 3° van het Wetboek, ten laste van de afnemer die nagelaten heeft om te voldoen aan zijn wettelijke verplichting van onthouding (niet-mededeling van het btw-identificatienummer).

B. Verlegging van heffing inzake goud en beleggingsgoud (artikel 20bis van het koninklijk besluit nr. 1)

a. Principe

Bij toepassing van artikel 51, § 4, van het Btw-Wetboek, bepaalt artikel 20bis van het koninklijk besluit nr. 1 dat de medecontractant van de belastingplichtige die een levering van goud verricht, de over deze levering verschuldigde belasting moet voldoen, wanneer:

• deze levering wordt bedoeld in artikel 20bis, § 2, van het koninklijk besluit nr. 1;

• die medecontractant een in België gevestigde belastingplichtige is die gehouden is tot het indienen van een in artikel 53, § 1, eerste lid, 2°, van het Wetboek bedoelde aangifte, of een niet in België gevestigde belastingplichtige die hier te lande, overeenkomstig artikel 55, § 1 of § 2, van het Wetboek, een aansprakelijke vertegenwoordiger heeft laten erkennen.

De medecontractant van de leverancier van de goederen wordt alzo in de plaats gesteld van die laatste voor de voldoening van de belasting.

Binnen de door deze afdeling gestelde grenzen en voorwaarden vervangt artikel 20bis van het koninklijk besluit nr. 1 de gewone wijze van de voldoening van de belasting door een stelsel van verlegging van de heffing: de medecontractant van de leverancier van goederen verzorgt zelf de voldoening van de belasting.

b. Hoedanigheid van de leverancier

Opdat het door artikel 20bis van het koninklijk besluit nr. 1 ingevoerde stelsel van verlegging van heffing van toepassing zou zijn, dient de leverancier te zijn :

• een in België gevestigde belastingplichtige die gehouden i stot het indienen van periodieke btw-aangiften;

• een buitenlandse belastingplichtige die in België beschikt over een vaste inrichting in de hypothese dat die inrichting (rechtstreeks of onrechtstreeks) tussenkomt in de materiële uitvoering van de verstrekte dienst of van bijkomende handelingen, of in de administratieve verwerking ervan (ontvangst van de bestelling, facturering en/of incassering van de prijs)

De in artikel 20bis van het koninklijk besluit nr. 1 voorziene verlegging van heffing is daarentegen niet van toepassing wanneer de leverancier is :

• een niet in België gevestigde belastingplichtige die niet geïdentificeerd is voor de btw in België;

• een niet in België gevestigde belastingplichtige die voor de btw geïdentificeerd is in België onder een individueel nummer, zonder erkende aansprakelijke vertegenwoordiger (rechtstreekse identificatie) ;

• een niet in België gevestigde belastingplichtige die voor de btw geïdentificeerd is in België onder een individueel nummer, met erkenning van een aansprakelijke vertegenwoordiger;

• een niet in België gevestigde belastingplichtige die wordt vertegenwoordigd voor een vooraf erkende persoon onder een globaal btw-identificatienummer (zie artikel 55, § 3, tweede lid, Btw-Wetboek) ;

• een buitenlandse belastingplichtige die in België beschikt over een vaste inrichting in zover die inrichting niet betrokken is (rechtstreeks of onrechtstreeks) bij de in België verrichte handeling.

In die omstandigheden is, mits ook de andere voorwaarden zijn vervuld, de in artikel 51, § 2, eerste lid, 5°, van het Btw-Wetboek voorziene verlegging van heffing van toepassing. Bij gebreke daaraan, is het de leverancier die de schuldenaar van de belasting is, dit in toepassing van de algemene regel van artikel 51, § 1, 1°, van het Btw-Wetboek.

c. Bedoelde belastingplichtigen

Voor de toepassing van artikel 20bis van het koninklijk besluit nr. 1 moet de medecontractant van de leverancier van het goud een in België gevestigde belastingplichtige zijn die btw-maand- of kwartaalaangiften indient of een niet in België gevestigde belastingplichtige die een aansprakelijke vertegenwoordiger heeft laten erkennen.

Worden dus niet bedoeld :

• de aan de in artikel 56bis van het Btw-Wetboek bedoelde regeling van belastingvrijstelling onderworpen belastingplichtigen;

• de aan de bijzondere regeling van artikel 57 van het Btw-Wetboek onderworpen landbouwondernemers;

• de niet in België gevestigde belastingplichtigen die in België geen aansprakelijke vertegenwoordiger hebben (vb. de niet in België gevestigde belastingplichtige die in België geniet van een rechtstreekse identificatie of die wordt vertegenwoordigd door een vooraf erkend persoon);

• de belastingplichtigen die door een administratieve beslissing vrijgesteld zijn van de verplichting om periodieke aangiften in te dienen.

Bovendien is deze bepaling slechts van toepassing voor zover de leverancier van goederen één van de handelingen verricht als bedoeld in § 2 van het artikel 20bis van voormeld koninklijk besluit nr. 1. Als dat niet het geval is, dan geldt de gewone regeling voor de voldoening van de belasting.

d. Bedoelde handelingen

Worden beoogd in deze bepaling :

• de leveringen van goud of halffabricaten met een zuiverheid van tenminste 325 duizendste;

• de leveringen van beleggingsgoud, verricht door een belastingplichtige die heeft geopteerd voor de belastingheffing van die leveringen. Voor wat betreft de mogelijkheid om te opteren voor de belastingheffing van leveringen van beleggingsgoud, wordt verwezen naar hoofdstuk II, punt C, van de aanschrijving nr. 3 van 12.10.2000 betreffende de bijzondere regeling voor het beleggingsgoud.

e. De verplichtingen van de leverancier van het goud in het kader van de verlegging van de heffing

Facturering

De factuur die wordt uitgereikt door de belastingplichtige die handelingen verricht bedoeld in § 2 van artikel 20bis van het koninklijk besluit nr. 1, of die gebeurlijk in zijn naam en voor zijn rekening wordt uitgereikt door zijn medecontractant of een derde moet de vermeldingen voorzien in artikel 5, § 1, van het koninklijk besluit nr. 1 bevatten, onder het volgende dubbel voorbehoud:

• zij vermeldt noch het tarief, noch het bedrag van de verschuldigde belasting;

• de vermelding "Btw verlegd" wordt erop aangebracht.

Andere verplichtingen

Wat betreft de verplichtingen met betrekking tot de periodieke btw-aangifte, de voldoening van de belasting, de boekhouding, de indiening van de jaarlijkse opgave van de klanten-belastingplichtigen van een belastingplichtige die handelingen verricht als bedoeld in artikel 20bis van het koninklijk besluit nr. 1, wordt "mutatis mutandis" verwezen naar de onder punt 4, A, hiervoor omschreven bepalingen in verband met de in artikel 20 van het koninklijk besluit nr. 1 bedoelde handelingen.

C. Verlegging van heffing inzake broeikasgassen (artikel 20ter van het koninklijk besluit nr. 1)

a. Principe

Bij toepassing van artikel 51, § 4, van het Btw-Wetboek, bepaalt artikel 20ter van het koninklijk besluit nr. 1, dat de medecontractant van de belastingplichtige die een dienst verricht die bestaat uit de overdracht van broeikasgasemissierechten als omschreven in artikel 3 van Richtlijn 2003/87/EG, die overdraagbaar zijn overeenkomstig artikel 12 van die richtlijn, evenals andere eenheden die door exploitanten kunnen worden gebruikt om die richtlijn na te leven, gehouden is de verschuldigde belasting over de verrichte dienst te voldoen, wanneer de medecontractant een in België gevestigde belastingplichtige, gehouden tot het indienen van een in artikel 53, § 1, eerste lid, 2°, van het Wetboek bedoelde aangifte, is of een niet in België gevestigde belastingplichtige is die hier te lande, overeenkomstig artikel 55, § 1 of § 2, van het Wetboek, een aansprakelijke vertegenwoordiger heeft laten erkennen, of een niet in België gevestigde belastingplichtige is die beschikt over een rechtstreekse btw-identificatie.

De medecontractant van de dienstverrichter wordt alzo in de plaats gesteld van die laatste voor de voldoening van de belasting.

Binnen de door deze afdeling gestelde grenzen en voorwaarden vervangt artikel 20ter van het koninklijk besluit nr. 1 de gewone wijze van de voldoening van de belasting door een stelsel van verlegging van de heffing: de medecontractant van de dienstverrichter verzorgt zelf de voldoening van de belasting.

b. Hoedanigheid van de dienstverrichter

Opdat het door de artikel 20ter van het koninklijk besluit nr. 1 ingevoerde stelsel van verlegging van heffing van toepassing zou zijn, dient de dienstverrichter te zijn :

• een in België gevestigde belastingplichtige die gehouden is tot het indienen van periodieke btw-aangiften;

• een buitenlandse belastingplichtige die in België beschikt over een vaste inrichting in de hypothese dat die inrichting (rechtstreeks of onrechtstreeks) tussenkomt in de materiële uitvoering van de verstrekte dienst of van bijkomende handelingen, of in de administratieve verwerking ervan (ontvangst van de bestelling, facturering en/of incassering van de prijs)

De in artikel 20ter van het koninklijk besluit nr. 1 voorziene verlegging van heffing is daarentegen niet van toepassing wanneer de dienstverrichter is :

• een niet in België gevestigde belastingplichtige die niet geïdentificeerd is voor de btw in België;

• een niet in België gevestigde belastingplichtige die voor de btw geïdentificeerd is in België onder een individueel nummer, zonder erkende aansprakelijke vertegenwoordiger (rechtstreekse identificatie) ;

• een niet in België gevestigde belastingplichtige die voor de btw geïdentificeerd is in België onder een individueel nummer, met erkenning van een aansprakelijke vertegenwoordiger;

• een niet in België gevestigde belastingplichtige die wordt vertegenwoordigd voor een vooraf erkende persoon onder een globaal btw-identificatienummer (zie artikel 55, § 3, tweede lid, Btw-Wetboek) ;

• een buitenlandse belastingplichtige die in België beschikt over een vaste inrichting in zover die inrichting niet betrokken is (rechtstreeks of onrechtstreeks) bij de in België verrichte handeling.

Opgemerkt wordt dat de dienst die bestaat uit de overdracht van broeikasgasemissierechten als omschreven in artikel 3 van Richtlijn 2003/87/EG, die overdraagbaar zijn overeenkomstig artikel 12 van die richtlijn, evenals andere eenheden die door exploitanten kunnen worden gebruikt om die richtlijn na te leven, plaatsvindt :

• overeenkomstig artikel 21, § 2, van het Btw-Wetboek, op de plaats waar de afnemer de zetel van zijn economische activiteit heeft gevestigd, indien de afnemer een belastingplichtige is in de zin van artikel 21, § 1, van het Btw-Wetboek;

• overeenkomstig artikel 21bis, § 1, van het Btw-Wetboek, op de plaats waar de dienstverrichter de zetel van zijn economische activiteit heeft gevestigd, indien de afnemer een niet-belastingplichtige is.

Bijgevolg is, in het geval waarin de dienstverrichter niet gevestigd is in België (of er beschikt over een vaste inrichting die niet is tussengekomen bij de handeling) én de handeling plaatsvindt in België overeenkomstig artikel 21, § 2, van het Btw-Wetboek, de in artikel 51, § 2, eerste lid, 1°, 1°, van het Btw-Wetboek voorziene verlegging van de heffing van toepassing.

c. Bedoelde belastingplichtigen

Opdat artikel 20ter van het koninklijk besluit nr. 1 van toepassing zou zijn, moet de medecontractant van de dienstverrichter een in België gevestigde belastingplichtige zijn die btw-maand- of kwartaalaangiften indient.

In theorie zou, luidens de tekst van artikel 20ter van het koninklijk besluit nr. 1, de medecontractant eveneens een niet in België gevestigde belastingplichtige kunnen zijn die hier te lande een aansprakelijke vertegenwoordiger heeft laten erkennen of die beschikt over een rechtstreekse btw-identificatie..

Deze situatie is in de praktijk evenwel onmogelijk, omdat de dienst, bij toepassing van artikel 21, § 2, van het Btw-Wetboek, plaats vindt daar waar de afnemer van de diensten de zetel van zijn economische activiteit heeft gevestigd, zodat de dienst in deze nooit plaatsvindt in België.

Dit heeft tot gevolg :

• dat op de factuur het Belgische btw-identificatienummer van de niet in Belgiê gevestigde medecontractant niet moet worden vermeld ;

• dat, daarentegen, wel op de factuur moeten worden vermeld : de naam, het adres en het nummer waaronder de niet in Belgiê gevestigde medecontractant geïdentificeerd is voor btw-doeleinden in zijn Lidstaat, als het een in een andere Lidstaat gevestigde belastingplichtige betreft (zie artikel 5, § 1, 4°, a), van het koninklijk besluit nr. 1);

• dat de handeling moet worden opgenomen in de opgave van de intracommunautaire handelingen als de medecontractant een in een andere Lidstaat gevestigde belastingplichtige is (zie artikel 53sexies, Btw-Wetboek).

Worden dus niet beoogd :

• de aan de in artikel 56bis van het Btw-Wetboek bedoelde regeling van belastingvrijstelling onderworpen belastingplichtigen;

• de aan de bijzondere regeling van artikel 57 van het Btw-Wetboek onderworpen landbouwondernemers;

• de belastingplichtige die door een administratieve beslissing ontheven werd van de verplichting tot indiening van periodieke btw-aangiften.

d. Verplichtingen van de dienstverrichter in het kader van de verlegging van de heffing

Facturering

De factuur die wordt uitgereikt door de belastingplichtige die de in artikel 20ter van het koninklijk besluit nr. 1 bedoelde diensten van overdracht verricht of die gebeurlijk in zijn naam en voor zijn rekening wordt uitgereikt door zijn medecontractant of een derde, moet de vermeldingen voorzien in artikel 5, § 1, van het koninklijk besluit nr. 1 bevatten, onder het volgende dubbel voorbehoud:

• zij vermeldt noch het tarief, noch het bedrag van de verschuldigde belasting;

• de vermelding "Btw verlegd" erop wordt aangebracht.

Andere verplichtingen

Wat betreft de verplichtingen met betrekking tot de periodieke btw-aangifte, de voldoening van de belasting, de boekhouding, de indiening van de jaarlijkse opgave van de belastingplichtigen afnemers van een belastingplichtige die diensten verricht als bedoeld in artikel 20ter van het koninklijk besluit nr. 1, wordt "mutatis mutandis" verwezen naar de onder punt 4, A, hiervoor omschreven bepalingen in verband met de de in artikel 20 van het koninklijk besluit nr. 1 bedoelde handelingen.

5. Heffing van de aanvullende belasting, die verschuldigd is in het kader van een schattingsprocedure teneinde de normale waarde te bepalen van onroerende goederen en werk in onroerende staat (artikel 51, § 3, van het Btw-Wetboek)

Wanneer ten aanzien van goederen en diensten waarvoor de in artikel 59, § 2, van het Wetboek, bedoelde deskundige schatting kan worden gevorderd, wordt vastgesteld dat de belasting werd voldaan over een onvoldoende maatstaf, is de aanvullende belasting verschuldigd door degene tegen wie de schattingsprocedure wordt ingesteld (zie artikel 51, § 3, Btw-Wetboek).

De in artikel 59, § 2, van het Btw-Wetboek bedoelde schatting kan worden gevorderd om de normale waarde te bepalen van de volgende handelingen :

• de met voldoening van de belasting vervreemde gebouwen (zie artikel 36, § 1, a), Btw-Wetboek),

• werk in onroerende staat, wanneer het betrekking heeft op op te richten gebouwen.

Wanneer de opdrachtgever meer dan één contract sluit voor de oprichting van een gebouw, mag het totaal van de maatstaven van heffing betreffende die contracten niet lager zijn dan de normale waarde van de gezamenlijke werken (zie artikel 36, § 2, eerste lid, Btw-Wetboek),

Wanneer de werken in onroerende staat betrekking hebben op de voltooiing van een gebouw dat met de betaling van de belasting werd verkregen, mag het totaal van de maatstaven van heffing niet lager zijn dan de normale waarde van de gezamenlijke werken (zie artikel 36, § 2, tweede lid, Btw-Wetboek).

Bovendien kan die desundige schatting worden gevorderd voor de in artikel 12, § 2, van het Btw-Wetboek bedoelde goederen of de in artikel 19, § 2, van het Btw-Wetboek bedoelde diensten wanneer die handelingen verband houden met de oprichting van een gebouw.

Overeenkomstig artikel 51, § 3, van het Btw-Wetboek is het de opdrachtgever die de schuldenaar is van de btw die verschuldigd wordt over het verschil tussen het gefactureerde totaalbedrag en de door de toepassing van de schattingsprocedure berekende normale waarde.

Zie in dit verband ook de schriftelijke parlementaire vraag nr. 229 van de heer Volksvertegenwoordiger Kelchtermans van 05.04.1985 en de aanschrijving nr. 16 van 28.06.1973 met betrekking tot de normale waarde van op te richten gebouwen.

6. Hoofdelijkheid tot voldoening van de belasting

A. Hoofdelijkheid bedoeld in artikel 51bis van het Btw-Wetboek

a. Principe

Artikel 51bis van het Btw-Wetboek voorziet, in welbepaalde gevallen, in de hoofdelijkheid tot voldoening van de belasting in hoofde van de medecontractant van de schuldenaar van de belasting.

Aldus is de medecontractant, ten opzichte van de Staat, met de schuldenaar van de belasting hoofdelijk gehouden tot voldoening van de belasting krachtens:

• artikel 51, § 1, 1° en §§ 2 en 4 van het Btw-Wetboek, wanneer de factuur of het als zodanig geldend stuk, waarvan het uitreiken is voorgeschreven door de artikelen 53 en 54 of door de ter uitvoering ervan genomen besluiten, niet werd uitgereikt of een onjuiste vermelding bevat ten aanzien van de naam, het adres of het btw-identificatienummer van de bij de handeling betrokken partijen, de aard of de hoeveelheid van de geleverde goederen of de verstrekte diensten of de prijs of het toebehoren ervan;

• artikel 51, § 1, 2°, van het Btw-Wetboek, wanneer de factuur of het als zodanig geldend stuk niet werd uitgereikt of een onjuiste vermelding bevat ten aanzien van de naam, het adres of het btw-identificatienummer van de bij de handeling betrokken partijen, de aard of de hoeveelheid van de verworven goederen of de prijs of het toebehoren ervan;

• artikel 51, § 1, 1°, van het Btw-Wetboek, wanneer de factuur of het als zodanig geldend stuk het bedrag van de op de handeling verschuldigde belasting niet of onjuist vermeldt;

• artikel 51, §§ 2 en 4, van het Btw-Wetboek, wanneer hij een bedrag aanrekent als belasting.

In de regeling entrepot ander dan douane-entrepot, zijn de depothouder, degene die zich belast met het vervoer van de goederen uit het entrepot alsook, in voorkomend geval, zijn lastgever, tegenover de Staat hoofdelijk gehouden tot voldoening van de belasting met de persoon die er krachtens de artikelen 51, § 1, 1° en 2°, § 2, eerste lid, 3°, 4° en 5°, of 52, § 1, tweede lid, schuldenaar van is (zie artikel 51bis, § 3, Btw-Wetboek).

Elke belastingplichtige is hoofdelijk gehouden de belasting te voldoen met de persoon die er krachtens artikel 51, §§ 1 en 2, schuldenaar van is, als hij op het tijdstip waarop hij een handeling heeft verricht, wist of moest weten dat de betaling van de belasting, in de ketting van de handelingen, niet werd gedaan of zal worden gedaan met de bedoeling de belasting te ontduiken (zie artikel 51bis, § 4, Btw-Wetboek).

Inzake invoer, wordt de hoofdelijkheid tot voldoening van de belasting eveneens voorzien in hoofde van de bij invoer betrokken of tussenkomende personen. Verwezen wordt naar hoofdstuk VIII voor wat deze materie betreft.

Daarenboven dient opgemerkt dat de hoofdelijkheid in voldoening van de belasting eveneens kan ingeroepen worden krachtens artikel 73sexies van het Btw-Wetboek, ten laste van de personen die als daders of als medeplichtigen van misdrijven bedoeld in de artikelen 73 en 73bis van het Btw-Wetboek werden veroordeeld (met name inbreuken op de bepalingen van het Wetboek of de ter uitvoering ervan genomen besluiten).

Overigens voorziet ook artikel 70 van het Btw-Wetboek in een hoofdelijkheid, ten laste van de medecontractant, tot betaling van de geldboeten.

b. Ontslag van hoofdelijkheid

De medecontractant van degene die krachtens artikel 51, § 1, 1°, van het Btw-Wetboek schuldenaar is van de belasting, die de identiteit van zijn leverancier of dienstverrichter aantoont en bewijst hem de prijs en de bijbehorende belasting of een deel daarvan te hebben betaald, is in die mate van de hoofdelijkheid, voor wat betreft de verplichting tot voldoening van de belasting, ontslagen (zie artikel 51bis, § 2, Btw-Wetboek en de schriftelijke parlementaire vraag van de heer Volksvertegenwoordiger Fournaux van 23.02.1996).

c. Toepassingsgebied

Niet elke onregelmatigheid van de factuur laat de administratie toe om zich te beroepen op de door de wet bepaalde hoofdelijkheid om de ontweken belasting te vorderen van de koper of de afnemer van de diensten.

Bijgevolg speelt de hoofdelijkheid niet wanneer het gaat om een vergissing ter goeder trouw.

d. Bijzonder geval van § 1bis van artikel 51bis van het Btw-Wetboek

De artikelen 29 tot 34 van de programmawet van 01.07.2016 hebben de vrijstelling van btw op de online kans- of geldspelen, andere dan de loterijen, afgeschaft. In toepassing hiervan werd paragraaf 1bis van artikel 51bis ingevoegd in het Btw-Wetboek : de medecontractant van de niet in België gevestigde schuldenaar van de belasting krachtens artikel 51, § 1, 1°, is met deze tegenover de Staat hoofdelijk gehouden tot voldoening van de belasting verschuldigd op de voor de medecontractant langs elektronische weg verrichte kans- en geldspelen bedoeld in artikel 18, § 1, tweede lid, 16°, wanneer de schuldenaar niet beschikt over een btw-identificatienummer in België, desgevallend in toepassing van één van de bijzondere regelingen bedoeld in artikel 58ter en artikel 58quater, noch beschikt over een btw-identificatienummer toegekend door een andere lidstaat in toepassing van één van de bijzondere regelingen bedoeld in de artikelen 358bis tot en met 369duodecies van richtlijn 2006/112/EG.

Het Arrest van het Grondwettelijk Hof nr. 34/2018 van 22.03.2018 heeft de artikelen 29 tot 34 van de programmawet van 01.07.2016 vernietigd, met handhaving evenwel van de gevolgen van de vernietigde bepalingen. Dit arrest heeft uitwerking op 22.05.2018, de datum van haar publicatie in het Belgische Staatsblad. Paragraaf 1bis van artikel 51bis van het Btw-Wetboek wordt dus vernietigd op datum van 22.05.2018.

De circulaire 2018/C/99 met betreffende de gevolgen van het arrest van het Grondwettelijk Hof nr. 34/2018 van 22.03.2018 becommentarieert de gevolgen van dat arrest en heft de circulaire AAFisc nr. 32/2016 (nr E.T.130.082) van 30.11.2016 op.

B. Hoofdelijkheid bedoeld in artikel 51ter van het Btw-Wetboek

a. Principe

Artikel 51ter van het Wetboek voert een hoofdelijkheid in tussen alle leden van eenzelfde btw-eenheid in de zin van artikel 4, § 2, van het Btw-Wetboek, tot voldoening van alle schulden (belasting, boeten, interesten en kosten) van de btw-eenheid zelf.

Immers, de btw-eenheid is in se één belastingplichtige, houder van de door het Btw-Wetboek en haar uitvoeringsbesluiten voorziene rechten en verplichtingen. Zij is bijgevolg gehouden tot voldoening van de belasting waarvan zij schuldenaar is, evenals van de boeten en interesten die haar kunnen worden opgelegd in geval van niet-naleving van haar verplichtingen.

De btw-eenheid is evenwel slechts een fictie, zij bezit geen eigen rechtspersoonlijkheid. Bijgevolg zijn de enige personen tegen wie de administratie kan pogen om de haar verschuldigde sommen in te vorderen, de leden van deze btw-eenheid. De door artikel 51ter van het Btw-Wetboek ingevoerde hoofdelijkheid strekt ertoe het collectief karakter van de btw-eenheid in haar werking te versterken.

b. Afzwakking van het principe

De door artikel 51ter van het Btw-Wetboek bedoelde hoofdelijkheid beoogt enkel de schulden die slaan op handelingen met betrekking tot de periode waarin de leden één enkele belastingplichtige (de btw-eenheid) vormen in de zin van artikel 4, § 2, van het Btw-Wetboek. Worden derhalve uitgesloten de schulden die door de leden zijn aangegaan vóór hun toetreding tot de btw-eenheid, wanneer zij zelf nog belastingplichtigen als zodanig waren.

C. Hoofdelijkheid tot voldoening van de belasting voor wat betreft de handelingen verricht met belastingplichtigen die niet gevestigd zijn in België, noch voor btw-doeleinden zijn geïdentificeerd in België (artikel 5 van het koninklijk besluit nr. 31, in uitvoering van artikel 55, § 6, van het Btw-Wetboek)

Artikel 55, § 6, eerste lid, van het Btw-Wetboek bepaalt dat, bij ontstentenis van identificatie van de belastingplichtige bedoeld in artikel 50, § 1, eerste lid, 3°, van hetzelfde Wetboek, of van vertegenwoordiging door een vooraf erkende persoon overeenkomstig artikel 55, § 3, tweede lid, van hetzelfde Wetboek, de invordering van de belasting, de interesten en de geldboeten kan geschieden ten laste van de medecontractant van de niet in België gevestigde belastingplichtige.

De medecontractant te goeder trouw, die bewijst dat hij aan zijn leverancier wiens identiteit hij aantoont, de belasting geheel of gedeeltelijk heeft betaald, is evenwel in dezelfde mate ontslagen van deze verplichting (zie artikel 55, § 6, laatste lid, Btw-Wetboek).

Artikel 5, § 1, eerste lid, van het koninklijk besluit nr. 31 van 02.04.2002 met betrekking tot de toepassingsmodaliteiten van de belasting over de toegevoegde waarde ten aanzien van de handelingen verricht door niet in België gevestigde belastingplichtigen, bepaalt dat, wanneer de niet in België gevestigde belastingplichtige niet wordt vertegenwoordigd door een aansprakelijke vertegenwoordiger of een vooraf erkende persoon voor handelingen waarvoor hij overeenkomstig artikel 51, § 1, 1°, van het Btw-Wetboek schuldenaar is van de belasting, of niet voor de btw geïdentificeerd is, zijn medecontractant de belasting die verschuldigd is over de aan hem verrichte leveringen van goederen en de aan hem verstrekte diensten voldoet op de volgende wijze :

• wanneer hij een belastingplichtige is die gehouden is een in artikel 53, § 1, eerste lid, 2°, van het Btw-Wetboek bedoelde aangifte in te dienen, door ze op te nemen in het bedrag van de verschuldigde belasting dat wordt vermeld in de aangifte met betrekking tot het tijdvak waarin de belasting opeisbaar is geworden;

• wanneer hij een persoon is die gehouden is de in artikel 53ter, 1°, van het Wetboek bedoelde aangifte in te dienen, door ze op te nemen in het bedrag van de verschuldigde belasting dat wordt vermeld in de aangifte met betrekking tot het tijdvak waarin de belasting opeisbaar is;

• wanneer hij een andere persoon is, door middel van een storting of overschrijving op een postrekening aangeduid door of vanwege de Minister van Financiën.

Door of vanwege de Minister van Financiën kunnen, in voorkomend geval, andere wijzen van betaling van de belasting worden bepaald.

De toepasssingsmodaliteiten van artikel 5, § 1, eerste lid, van het KB nr. 31 maken het voorwerp uit van de §§ 2 en 3 van datzelfde artikel.

Situaties waar de bepalingen van artikel 55, § 6, van het Btw-Wetboek en artikel 5, § 1, eerste lid, van het KB nr. 31, van toepassing zijn

a. Minnelijk akkoord tussen de leverancier/dienstverrichter, zijn medecontractant en de administratie

De bepalingen van artikel 55, § 6, van het Btw-Wetboek en van artikel 5, § 1, eerste lid, van het KB nr. 31 zijn in de regel van toepassing wanneer de volgende voorwaarden worden vervuld :

- de leverancier of de dienstverrichter is, bij toepassing van artikel 51, § 1, 1°, van het Btw-Wetboek, de schuldenaar van de belasting die verschuldigd is om reden van een levering van goederen of een dienst die hij verricht in België. Dit zal het geval zijn wanneer de handeling die hij in België verricht beoogd wordt door geen enkele van de regelingen van de verlegging van heffing van de belasting, ingevoegd door artikel 51, § 2, eerste lid,, 1°, 2°, 5° en 6°, van het Btw-Wetboek.

- de leverancier of de dienstverrichter is :

o niet voor btw-doeleinden geïdentificeerd in België overeenkomstig artikel 50, § 1, eerste lid, 3°, van het Btw-Wetboek,

o niet vertegenwoordigd, voor de door hem verrichte handeling, door een aansprakelijke vertegenwoordiger of door een door de Minister van Financiën of zijn vertegenwoordiger vooraf erlende persoon;

- de leverancier of dienstverrichter en zijn medecontractant zijn formeel overeengekomen inzake de in artikel 5 van het KB nr. 31 voorziene procedure en de leverancier/dienstverrichter heeft een uitdrukkelijk verzoek tot ontheffing van btw-identificatie ingediend bij het Centrum Buitenland én een machtiging daartoe bekomen van het Centrum Buitenland;

- het een toevallige handeling betreft.

Echter, de bepalingen van artikel 5, § 1, eerste lid, van het koninklijk besluit nr. 31 zijn niet van toepassing wanneer :

- hetzij de belastingplichtige leverancier ontheven is van de verplichting om zich voor de btw te laten identificeren voor de verkoop van accijnsprodukten aan particulieren, bij toepassing van de vereenvoudingsregelingen als bedoeld in de nrs. 47 tot 56 van de aanschrijving nr. 8/1998 ;

- hetzij de handeling wordt verstrekt aan een niet in België gevestigde persoon, die niet voor de btw is geïdentificeerd in België;

- hetzij het Centrum Buitenland de leverancier of de dienstverrichter heeft ontheven van de verplichting tot btw-identificatie, maar heeft voorzien dat de de leverancier of de dienstverrichter de btw voldoet, door middel van een storting of overschrijving, op de bankrekening die in de door de administratie verzonden uitnodiging tot betaling wordt meegedeeld.

Opmerking : De toepassing van de bepalingen van artikel 5, § 1, eerste lid, van het KB nr. 31, wijzigt in niets de schuldenaar van de belasting. De schuldenaar van de belasting is en blijft de niet in België gevestigde belastingplichtige, leverancier van het goed of dienstverrichter, overeenkomstig artikel 51, § 1, 1°, van het Btw-Wetboek. De invordering van de belasting gebeurt evenwel lastens de medecontractant, verwerver of afnemer.

b. De leverancier/dienstverrichter zet spontaan geen enkele stap

De hier bedoelde situatie is die waarin, ofschoon hij bij toepassing van artikel 51, § 1, 1°, van het Btw-Wetboek, schuldenaar is van de belasting om reden van een levering van goederen of een dienst die hij verricht in België, de niet in België gevestigde leverancier/dienstverrichter geen enkele stap richting de administratie zet met het oog op de voldoening van de btw.

In deze situatie had de niet in België gevestigde belastingplichtige de verplichting om :

• zich, overeenkomstig artikel 50, § 1, 3°, van het Btw-Wetboek, in België voor de btw te laten identificeren ;

• de Belgische btw te voldoen over de handelingen die hij in België heeft verricht en waarvoor hij de schuldenaar was.

De administratie kan evenwel, op basis van de hoofdelijkheid van artikel 5, § 1, eerste lid, van het KB nr. 31, overgaan tot de invordering van de belasting lastens de medecontractant als die laatste niet kan bewijzen de prijs en de bijhorende belasting of een deel ervan aan zijn leverancier/dienstverrichter te hebben betaald.

Toepassingmodaliteiten van de bepalingen van artikel 5, § 1, eerste lid, van het KB nr. 31

Herhaald moet worden dat de toepassing van artikel 5, § 1, eerste lid, van het koninklijk besluit nr. 31, veronderstelt dat de niet in België gevestigde leverancier/dienstverrichter, overeenkomstig artikel 51, § 1, 1°, van het Btw-Wetboek, schuldenaar is van de belasting.

Wanneer de medecontractant een belastingplichtige is die gehouden is periodieke btw-aangiften in te dienen (zie art. 53, § 1, eerste lid, 2°, Btw-Wetboek), is de enige situatie waarin de niet in België gevestigde leverancier/dienstverrichter de schuldenaar van de belasting is die waar de medecontractant zelf een niet in België gevestigde belastingplichtige is, maar geniet van een rechtstreekse identificatie voor de btw in België.

In de andere gevallen, met name wanneer de medecontractant ofwel een in België gevestigde belastingplichtige is die gehouden is tot het indienen van periodieke btw-aangiften, ofwel een niet in België gevestigde belastingplichtige is die een aansprakelijke vertegenwoordiger heeft laten erkennen, is die medecontractant wettelijk gezien de schuldenaar van de btw overeenkomstig, naargelang het geval, artikel 51, § 2, 1°, 5° of 6°, van het Btw-Wetboek.

De medecontractant, die als niet in België gevestigde belastingplichtige geniet van een rechtstreekse btw-identificatie in België, moet de maatstaf van heffing van die handelingen opnemen enerzijds, in rooster 81, 82 of 83 naargelang het geval, en anderzijds in rooster 87, evenals het bedrag van de over die handelingen verschuldigde belasting in rooster 56 van diens periodieke btw-aangifte met betrekking tot het tijdvak in de loop waarvan de belasting verschuldigd is geworden.

Het bedrag van de in het rooster 56 opgenomen belasting mag in aftrek worden gebracht in dezelfde periodieke aangifte, onder voorbehoud weliswaar van de door de artikelen 45 tot 49 van het Btw-Wetboek voorziene beperkingen.

Die inschrijvingen worden verricht op basis van de ontvangen factuur of, bij ontstentenis, op basis van het in artikel 5, § 2, van het koninklijk besluit nr. 31, voorziene stuk.

Dat stuk moet de datum waarop het is opgesteld bevatten, een verwijzing naar de inschrijving in de boekhouding van de medecontractant, de vermeldingen bedoeld in artikel 9, § 2, 2°, 3°, 5°, 6° en 7°, van het koninklijk besluit nr. 1 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde, evenals de datum van de levering van de goederen of van de voltooiing van de dienst en, in de in artikel 53, § 2, eerste lid , 4°, van het Wetboek bedoelde gevallen, de datum waarop de belasting opeisbaar wordt, of, indien de datum niet nauwkeurig kan worden bepaald, het tijdvak waarin de handeling is verricht.

Wanneer de medecontractant (verwerver of afnemer) een persoon is die gehouden is een bijzondere btw-aangifte (zie art. 53ter, 1°, Btw-Wetboek) in te dienen, voldoet hij de over de handeling die hen werd verstrekt verschuldigde belasting door de handeling op te nemen in de bijzondere btw-aangifte met betrekking tot het tijdvak in de loop waarvan de belasting opeisbaar is geworden, en dat op de de volgende wijze :

• de maatstaf van heffing wordt vermeld in rooster 76;

• het bedrag van de verschuldigde belasting wordt opgenomen in rooster 80.

De persoon die gehouden is een bijzondere btw-aangifte in te dienen is :

• hetzij een in België gevestigde belastingplichtige die uitsluitend leveringen van goederen of diensten verricht waarvoor hij geen recht op aftrek heeft, of die geniet van de door artikel 56bis van het Btw-Wetboek voorziene vrijstellingsregeling of van de door artikel 57 van het Btw-Wetboek voorziene bijzondere regeling voor landbouwondernemingen ;

• hetzij een belastingplichtige die ontheven is van de indiening van periodieke aangiften ;

• hetzij een in Belgë gevestigde niet-belastingplichtige rechtspersoon, die reeds voor de btw is geïdentificeerd voor haar intracommunautaire verwervingen van goederen.

Wanneer, voor de voldoening van die belasting, de medecontractant een bijzondere btw-aangifte voor de eerste maal moet indienen en hij nog niet voor de btw is geïdentificeerd is bij toepassing van artikel 50 van het Btw-Wetboek, dient hij zich vooraf kenbaar te maken bij het controlekantoor van de belasting over de toegevoegde waarde dat bevoegd is voor de plaats waar hij gevestigd is (zie art 5, § 3, eerste lid, KB nr. 31).

Wanneer de medecontractant (verwerver of afnemer) niet gehouden is een periodieke btw-aangifte in te dienen en evenmin een bijzondere btw-aangifte, voldoet hij de over de hem verstrekte handeling verschuldigde belasting door middel van een overschrijving.

Die medecontractant is wel gehouden om zich, vóór elke overschrijving, kenbaar te maken bij het controlekantoor van de BTW dat bevoegd is voor de plaats waar hij gevestigd is, dat hem dan het te gebruiken bankrekeningnummer zal meedelen (zie art 5, § 3, tweede lid, KB nr. 31).

Voorbeeld van de toepassing van artikel 5, § 1, 1°, van het koninklijk besluit nr. 31 :

Een Franse belastingplichtige, die niet gevestigd is in België, verricht een éénmalige verkoop van een machine met installatie en montage aan een Duitse belastingplichtige die in België beschikt over een rechstreekse btw-identifcatie. De installatie en en montage van de machine gebeuren in België, plaats van de handeling.

De verlegging van de heffing als voorzien in artikel 51, § 2, 5°, van het Btw-Wetboek kan niet worden toegepast, omdat de medecontractant niet in België is gevestigd en er niet beschikt over een individuele aansprakelijke vertegenwoordiger.

De Franse belastingplichtige is schuldenaar van de btw, in toepassing van artikel 51, § 1er, 1°, van het Btw-Wetboek.

Echter, als die handeling een toevallig karakter vertoont, kan het Centrum Buitenland hem een ontheffing van de verplichte btw-identificatie toekennen.

In dat geval voldoet de Duitse belastingplichtige de Belgische btw via de in te dienen periodieke btw-aangifte.

Voorbeeld van de toepassing van artikel 5, § 1, 2°, van het koninklijk besluit nr. 31, voonoemd :

Een Nederlandse belastingplichtige, die niet gevestigd is in België, verricht een éénmalige verkoop van een machine met installatie en montage aan een Belgische belastingplichtige die onderworpen is aan de bijzondere vrijstellingsregeling van de btw. De installatie en de montage van de machine gebeuren in België, plaats van de handeling.

De verlegging van de heffing als voorzien in artikel 51, § 2, 5°, van het Btw-Wetboek kan niet worden toegepast, omdat de medecontractant niet gehouden is om periodieke btw-aangiten in te dienen.

De Nederlandse belastingplichtige is schuldenaar van de btw, in toepassing van artikel 51, § 1er, 1°, van het Btw-Wetboek.

Echter, als die handeling een toevallig karakter vertoont, kan het Centrum Buitenland hem een ontheffing van de verplichte btw-identificatie toekennen.

In dat geval voldoet de Belgische, vrijgestelde belastingplichtige de Belgische btw via de indiening van een bijzondere btw-aangifte.

Voorbeeld 1 van de toepassing van artikel 5, § 1, 3°,van het koninklijk besluit nr. 31, voornoemd :

Een Luxemburgse belastingplichtige, die niet gevestigd is in België, verricht een éénmalige verkoop van een machine met installatie en montage aan een Belgische particulier.

De installatie en de montage van de machine gebeuren in België, plaats van de handeling.

De verlegging van de heffing als voorzien in artikel 51, § 2, 5°, van het Btw-Wetboek kan niet worden toegepast, omdat de medecontractant geen belastingplichtige voor de btw is.

De Luxemburgse belastingplichtige is schuldenaar van de btw, in toepassing van artikel 51, § 1er, 1°, van het Btw-Wetboek.

Echter, als die handeling een toevallig karakter vertoont, kan het Centrum Buitenland hem een ontheffing van de verplichte btw-identificatie toekennen.

In dat geval voldoet de particulier-koper de Belgische btw door middel van een overschrijving, na contact te hebben opgenomen met de bevoegde dienst van de administratie belast met de belasting over de toegevoegde waarde waaronder hij ressorteert.

Voorbeeld 2 van de toepassing van artikel 5, § 1, 2°, en van artikel 5, § 1, 3°, van het koninklijk besluit nr. 31 :

Een failliete buitenlandse btw-plichtige verkoper, brengt een voertuig vanuit een andere Lidstaat over naar België. Die transfer wordt gevolgd door de verkoop van het voertuig.

De administratie vereist de identificatie voor de btw van de buitenlandse verkoper noch voor de intracommunautaire verwerving van de goederen, noch voor de verkoop van het voertuig.

De koper is een particulier of een belastingplichtige voor de btw die niet gehouden is om periodieke btw-aangiften in te dienen.

De buitenlandse verkoper is de schuldenaar van de btw, in toepassing van artikel 51, § 1er, 1°, van het Btw-Wetboek.

Echter, gezien het een toevallige handeling betreft, heeft de buitenlandse verkoper van het Centrum Buitenland een ontheffing van de verplichte btw-identificatie voor die handeling bekomen.

Als hij een belastingplichtige is die niet gehouden is periodieke btw-aangiften in te dienen, voldoet de verwerver de btw via de indiening van een bijzondere btw-aangifte.

In dat geval voldoet de Belgische, vrijgestelde belastingplichtige de Belgische btw via de indiening van een bijzondere btw-aangifte.

Als hij een particulier is, moet de koper contact opnemen met de bevoegde dienst van de administratie belast met de belasting over de toegevoegde waarde waaronder hij ressorteert. Die dienst zal hem dan een betalingsbericht sturen, met uitnodiging om de over de verkoop verschuldigde btw te betalen (zie de beslissing nr. E.T. 119.434 van 21.02.2013).

Voorbeeld 3 van de toepassing van artikel 5, § 1, 3°, van het koninklijk besluit nr. 31 :

Een niet in België gevestigde onderneming verricht een werk in onroerende staat aan een gebouw in oprichting in België voor een niet btw-plichtige natuurlijke persoon.

De dienst vindt plaats in België, op de plaats waar het onroerend goed is gelegen (zie artikel 21bis, § 2, 1°, Btw-Wetboek) en de schuldenaar van de btw is de niet in België gevestigde onderneming, dienstverrichter, in toepassing van artikel 51, § 1, 1°, van het Btw-Wetboek.

Echter, als de door die buitenlandse onderneming in België verrichte handeling waarvoor ze de schuldenaar van de btw is een toevallig karakter vertoont, kan het Centrum Buitenland haar een ontheffing van de verplichte btw-identificatie toekennen. In dat geval, voldoet de medecontractant van de buitenlandse onderneming de btw die verschuldigd is over de diensten die hem door eerstgenoemde werden verstrekt (zie de schriftelijke parlementaire vraag nr. 122 van de heer Volksvertegenwoordiger François-Xavier de Donnéa van 07.03.2013).

[Top]

Aangehaalde teksten

201
WBTW art. 51142 voorkomens
KB nr. 1 art. 571 voorkomens
WBTW art. 4467 voorkomens
WBTW art. 5364 voorkomens
WBTW art. 449 voorkomens
KB nr. 1 art. 2048 voorkomens
WBTW art. 56bis47 voorkomens
WBTW art. 2141 voorkomens
WBTW art. 5739 voorkomens
KB nr. 1 art. 21bis32 voorkomens
WBTW art. 5031 voorkomens
WBTW art. 1928 voorkomens
KB nr. 1 art. 1426 voorkomens
WBTW art. 25ter24 voorkomens
KB nr. 1 art. 2222 voorkomens
KB nr. 31 art. 522 voorkomens
WBTW art. 5522 voorkomens
KB nr. 1 art. 1517 voorkomens
KB nr. 1 art. 20bis17 voorkomens
WBTW art. 53decies17 voorkomens
WBTW art. 53ter17 voorkomens
KB nr. 1 art. 1815 voorkomens
KB nr. 1 art. 20ter15 voorkomens
KB nr. 1 art. 415 voorkomens
KB nr. 1 art. 915 voorkomens
KB nr. 1 art. 1314 voorkomens
WBTW art. 39bis12 voorkomens
WBTW art. 6012 voorkomens
KB nr. 1 art. 1011 voorkomens
KB nr. 1 art. 711 voorkomens
WBTW art. 12ter11 voorkomens
WBTW art. 3911 voorkomens
WBTW art. 4211 voorkomens
WBTW art. 14bis10 voorkomens
WBTW art. 1710 voorkomens
WBTW art. 1810 voorkomens
WBTW art. 51bis10 voorkomens
WBTW art. 53sexies10 voorkomens
KB nr. 1 art. 299 voorkomens
KB nr. 1 art. 39 voorkomens
WBTW art. 229 voorkomens
WBTW art. 22bis9 voorkomens
WBTW art. 8bis9 voorkomens
KB nr. 1 art. 18 voorkomens
KB nr. 1 art. 128 voorkomens
WBTW art. 118 voorkomens
WBTW art. 44bis8 voorkomens
WBTW art. 708 voorkomens
WBTW art. 617 voorkomens
KB nr. 50 art. 66 voorkomens
KB nr. 54 art. 76 voorkomens
WBTW art. 16 voorkomens
WBTW art. 126 voorkomens
WBTW art. 12bis6 voorkomens
WBTW art. 166 voorkomens
WBTW art. 51ter6 voorkomens
KB nr. 46 art. 25 voorkomens
KB nr. 50 art. 55 voorkomens
WBTW art. 145 voorkomens
WBTW art. 155 voorkomens
WBTW art. 39quater5 voorkomens
WBTW art. 565 voorkomens
WBTW art. 585 voorkomens
WBTW art. 95 voorkomens
KB nr. 1 art. 164 voorkomens
KB nr. 23 art. 14 voorkomens
KB nr. 46 art. 74 voorkomens
KB nr. 4 art. 44 voorkomens
KB nr. 50 art. 114 voorkomens
WBTW art. 21bis4 voorkomens
WBTW art. 25sexies4 voorkomens
WBTW art. 53bis4 voorkomens
WBTW art. 53quater4 voorkomens
WBTW art. 734 voorkomens
KB nr. 10 art. 13 voorkomens
KB nr. 10 art. 23 voorkomens
KB nr. 10 art. 63 voorkomens
KB nr. 1 art. 113 voorkomens
KB nr. 1 art. 253 voorkomens
KB nr. 1 art. 273 voorkomens
KB nr. 1 art. 283 voorkomens
KB nr. 1 art. 63 voorkomens
KB nr. 23 art. 23 voorkomens
KB nr. 31 art. 43 voorkomens
KB nr. 3 art. 103 voorkomens
KB nr. 55 art. 13 voorkomens
WBTW art. 19bis3 voorkomens
WBTW art. 363 voorkomens
WBTW art. 73bis3 voorkomens
KB nr. 1 art. 22 voorkomens
KB nr. 1 art. 242 voorkomens
KB nr. 22 art. 42 voorkomens
KB nr. 23 art. 52 voorkomens
KB nr. 3 art. 112 voorkomens
KB nr. 46 art. 82 voorkomens
KB nr. 50 art. 82 voorkomens
KB nr. 55 art. 42 voorkomens
KB nr. 55 art. 52 voorkomens
KB nr. 55 art. 62 voorkomens
WBTW art. 232 voorkomens
WBTW art. 25bis2 voorkomens
WBTW art. 452 voorkomens
WBTW art. 492 voorkomens
WBTW art. 53octies2 voorkomens
WBTW art. 58quater2 voorkomens
WBTW art. 592 voorkomens
WBTW art. 642 voorkomens
richtlijn 2003/87 art. 122 voorkomens
richtlijn 2003/87 art. 32 voorkomens
KB nr. 10 art. 31 voorkomen
KB nr. 10 art. 51 voorkomen
KB nr. 14 art. 21 voorkomen
KB nr. 19 art. 91 voorkomen
KB nr. 1 art. 231 voorkomen
KB nr. 23 art. 31 voorkomen
KB nr. 24 art. 21 voorkomen
KB nr. 24 art. 41 voorkomen
KB nr. 3 art. 21 voorkomen
KB nr. 3 art. 31 voorkomen
KB nr. 46 art. 11 voorkomen
KB nr. 4 art. 811 voorkomen
KB nr. 50 art. 11 voorkomen
KB nr. 50 art. 31 voorkomen
KB nr. 50 art. 41 voorkomen
KB nr. 50 art. 71 voorkomen
KB nr. 50 art. 91 voorkomen
KB nr. 51 art. 51 voorkomen
KB nr. 55 art. 21 voorkomen
KB nr. 55 art. 31 voorkomen
WBTW art. 101 voorkomen
WBTW art. 21 voorkomen
WBTW art. 261 voorkomen
WBTW art. 321 voorkomen
WBTW art. 331 voorkomen
WBTW art. 401 voorkomen
WBTW art. 40bis1 voorkomen
WBTW art. 481 voorkomen
WBTW art. 521 voorkomen
WBTW art. 541 voorkomen
WBTW art. 54bis1 voorkomen
WBTW art. 58ter1 voorkomen
WBTW art. 621 voorkomen
WBTW art. 651 voorkomen
WBTW art. 761 voorkomen
WBTW art. 771 voorkomen
WBTW art. 93bis1 voorkomen

Administratieve doctrine

1

« … btw aangeven via de in artikel 53ter van het Btw-Wetboek bedoelde bijzondere btw-aangifte. (25) Voor meer uitleg met betrekking tot 'een niet in België gevestigde dienstverrichter' voor de toepassing van deze verlegging van heffing, wordt verwezen naar de Btw-Commentaar, Boekwerk IV, Hoofdstuk 13, Afdeling 10, titel 3, rubriek A, subrubriek 1.1 ). Voorbeeld: een Nederlandse voetbalagent regelt een transfer van een Nederlandse voetbalspeler in opdracht van een Belgische voetbalclub (btw-belastingplichtig). De plaats van de dienst van de voetbalagent wordt in België gelokaliseerd op grond van artikel … »

Circulaire 2022/C/98 over de vergoedingen toegekend aan voetballers en voetbalmakelaarsOmzendbrief28.09.2022

Bekijk het document