ANTWOORD
van de vice-eersteminister en minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, en minister van Ontwikkelingszaken van 16.03.2020:
1. In het antwoord wordt verondersteld dat de buitenlandse dienstverrichter niet beschikt over een vaste inrichting in België en dat het gebouw waaraan het werk in onroerende staat wordt verricht zich in België bevind.
De diensten die erin bestaan werk in onroerende staat te verrichten voor een in België gevestigde belastingplichtige die periodieke btw-aangiften indient vinden, overeenkomstig artikel 21, § 3, 1°, van het Btw-Wetboek, plaats in België, op de plaats waar het onroerend goed is gelegen.
Bovendien geeft de verzending van materialen zoals stenen, cement, nagels, vijzen , beton, die in het gebouw zullen worden ingelijfd, van zijn lidstaat naar België, voor de aannemer aanleiding tot een met een intracommunautaire levering van goederen gelijkgestelde overbrenging in de lidstaat van vertrek en tot een met een intracommunautaire verwerving van goederen onder bezwarende titel gelijkgestelde bestemming in België overeenkomstig artikel 25quater, § 1, van het Btw-Wetboek.
De buiten België, maar in de EU gevestigde belastingplichtige die een werk in onroerende staat verricht bij zijn belastingplichtige klant, indiener van periodieke aangiften in België, stelt dus twee belastbare handelingen in België.
Voor het werk in onroerende staat dat hij verricht in België, is zijn medecontractant, als in België gevestigde belastingplichtige gehouden tot het indienen van periodieke aangiften, de schuldenaar van de btw overeenkomstig artikel 51, § 2, lid 1, 5°, van het Btw-Wetboek.
Daarentegen is de buitenlandse dienstverrichter, in principe, de schuldenaar van de btw over de met een intracommunautaire verwerving van goederen gelijkgestelde bestemming van de bouwmaterialen, wat hem ertoe verplicht om zich voor de btw te laten identificeren in België.
Echter, de administratie aanvaardt, als administratieve tolerantie en bij wijze van proef, dat de buitenlandse aannemer, voor zover de uitgaande handelingen die hij in België verricht uitsluitend handelingen zijn waarvoor hij niet de schuldenaar is van de btw, zich in België niet moet laten identificeren voor de btw. In dit kader aanvaardt de administratie dat, voor de bestemming van de materialen in België, de door artikel 40bisvan het Btw-Wetboek voorziene vrijstelling zou kunnen worden toegepast voor zover de verwerver van de goederen in ieder geval recht zou hebben op de volledige teruggave van de btw op grond van artikel 76, § 2, van het Btw-Wetboek.
2. De diensten die erin bestaan werk in onroerende staat te verrichten voor een in België gevestigde niet btw-belastingplichtige particulier vinden, overeenkomstig artikel 21bis, § 2, 1°, van het Btw-Wetboek, plaats in België, op de plaats waar het onroerend goed is gelegen.
De niet in België, maar in de EU gevestigde belastingplichtige dienstverrichter, die op het Belgisch grondgebied een werk in onroerende staat verricht voor een niet btw-plichtige particulier, is schuldenaar van de btw in België in toepassing van artikel 51, § 1, 1°, van het Btw-Wetboek. Die situatie verplicht hem ertoe om zich te laten identificeren voor de btw in België. Hij zal dan ook de btw die verschuldigd is over dat werk in onroerende staat en, in voorkomend geval, over de bestemming van de uit een andere lidstaat afkomstige bouwmaterialen, moeten voldoen via een periodieke btw-aangifte.
3. De bepalingen van het Btw-Wetboek laten de Belgische administratie belast met de belasting over de toegevoegde waarde toe om inlichtingen te verkrijgen van de belastingadministraties van de andere lidstaten in het kader van de wederzijdse bijstand. Zij staan haar eveneens toe om de inlichtingen te bekomen van andere federale administraties, alsook van de administraties van de gemeenschappen en de gewesten, die zij nodig acht ter verzekering van de inning van de btw. Tot slot zijn, in de schoot van de Belgische belastingadministratie, de opsporingsdiensten bevoegd om gerichte opsporingen ter zake uit te voeren.
Die inlichtingen zijn van nut om buitenlandse aannemers op te sporen die in België hun verplichtingen inzake identificatie voor de btw en voldoening van de Belgische btw niet hebben vervuld. De aandacht wordt gevestigd op het feit dat de in gebreke zijnde buitenlandse aannemers niet alleen sancties riskeren vanwege de Belgische belastingadministratie, maar dat de teruggaaf van de buitenlandse btw die zij ten onrechte hebben aangerekend aan hun Belgische klanten zou kunnen geweigerd worden, om reden van verjaring, door de belastingadministratie van hun lidstaat.
Bovendien heeft de administratie steeds de mogelijkheid om de verschuldigde Belgische btw te vorderen van de bouwheer-particulier volgens het in artikel 51bis van het Btw-Wetboek voorziene principe van de hoofdelijkheid, indien die laatste niet kan bewijzen de Belgische btw te hebben betaald aan zijn dienstverrichter.