Vr. en Antw., Senaat, 2000-2001, nr. 2-25, blz. 1181
Verkoop nieuw gebouw - Aangifte.
VRAAG
Wanneer een BTW-plichtige een aan de BTW onderworpen activiteit uitoefent en met toepassing van de BTW een als nieuw omschreven onroerend goed verkoopt, moet hij dan uitsluitend voor de levering van dat goed een afzonderlijke BTW-aangifte indienen omdat hij voor die verkoop toevallige belastingplichtige zou zijn? Waarom kan hij die levering niet opnemen in zijn periodieke BTW-aangifte?
ANTWOORD
Ik kan het geachte lid bevestigen dat, wanneer een belastingplichtige, waarvan de economische activiteit niet bestaat in de geregelde verkoop van nieuwe gebouwen in de zin van artikel 44, § 3, 1°, van het BTW-Wetboek, een dergelijk gebouw vervreemdt en voor de toepassing van belasting over de toegevoegde waarde heeft geopteerd, hij bedoelde handeling niet mag opnemen in de periodieke BTW-aangifte, maandelijks of trimestrieel, die hij moet indienen in de uitoefening van zijn geregelde economische activiteit.
De belastingplichtige moet die toevallige handeling opnemen in de bijzondere aangifte bedoeld in artikel 2 van het koninklijk besluit nr. 14 van 3 juni 1970 met betrekking tot de vervreemdingen van gebouwen, de vestigingen van een zakelijk recht op een gebouw en de overdrachten en wederoverdrachten van dergelijk recht overeenkomstig het bepaalde in artikel 8 of in artikel 44, § 3, 1°, a), tweede streepje, of b), tweede streepje, van voornoemd wetboek.
In dit verband dient te worden opgemerkt dat, in tegenstelling tot andere investeringsgoederen, de overdracht van een nieuw gebouw door een belastingplichtige, gehouden tot het indienen van periodieke BTW-aangiften, andere dan deze bedoeld in artikel 12, § 2, van het BTW-Wetboek (beroepsoprichter) niet automatisch binnen het toepassingsgebied van de BTW valt. Opdat een dergelijke overdracht aan de BTW onderworpen zou zijn, is vereist dat de overdrager hiervoor binnen de termijn voorzien in artikel 44, §, 1°, a), van het BTW-Wetboek, op de wijze en volgens de formaliteiten bedoeld in het eerste artikel van voornoemd koninklijk besluit nr. 4 opteert.
Het bijzondere karakter van deze regeling, die de uitdrukkelijke optie vanwege de overdrager vereist, wettigt op zich een aparte behandeling van de betreffende gegevens, zoals bijvoorbeeld specifieke controlemaatregelen. Om die reden voorziet artikel 2 van koninklijk besluit nr. 14, dat de indiening van een bijzondere aangifte oplegt, in geen afwijking wanneer de verkoper een belastingplichtige is gehouden tot het indienen van periodieke aangiften.