Tekst van de beslissing
Arrest van het Hof van beroep te Antwerpen
dd. 08.11.2016
(2015/AR/1359)
Wijlen de heer P. B., overleden te … op …;
Waarna het geding werd hervat door:
1. G. L.,wonende te …, …
2. B. J.,wonende te …, …
3. B. N.,wonende te …, …
4. B. A.,wonende te …, …
5. B. J.,wonende te …, … in hun hoedanigheid van erfgenameneisers in hoger beroep, vertegenwoordigd door Mr. V… F., advocaat te …, … tegen het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen van 13 februari 2015
tegen
DE BELGISCHE STAAT,thans Adviseur-generaal, Centrumdirecteur van het KMO Centrum Mechelen, met kantoor te …, … verweerder in hoger beroep, vertegenwoordigd door Mr. V. D. G., advocaat te …, …
Gelet op de door de wet vereiste processtukken in behoorlijke vorm overgelegd waaronder het bestreden vonnis van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen van 13 februari 2015, waarvan geen akte van betekening wordt voorgelegd, alsmede het verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd ter griffie van het hof van beroep te Antwerpen op 1 juni 2015, waarbij een naar vorm en termijn regelmatig en ontvankelijk hoger beroep wordt ingesteld.
1. Voorafgaande feiten en procedure
1.1.Voorwerp van de betwisting.
Het geschil heeft betrekking op het verzet tegen het dwangbevel nummer …, uitgevaardigd lastens wijlen de heer B. P. en mevrouw G. L. op 02/02/2000, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 03/02/2000.
1.2.Voorgaande feiten.
Wijlen de heer B. zou op 01/10/1995 een tweedehands pleziervaartuig Fairline Type Squadron 56-bouwjaar 1993, aangemeerd in de haven van Zeebrugge, gekocht hebben voor de basisprijs van … BEF (… euro). Er zou geen bedrag aan BTW in rekening gebracht zijn.
Het aangekocht pleziervaartuig werd op 28 november 1995 door wijlen de heer B. ingeschreven te ….
Door de belastingadministratie werd een controle uitgevoerd in verband met de door wijlen heer B. gedane aankoop van het pleziervaartuig.
De heer Borremans verklaarde op 26 juni 1998:
"1. de onderhandelingen in België betreffende de aankoop van het pleziervaartuig werden gevoerd met de heer J.P. R., die zich bekend maakte als zaakvoerder van de NV I., met zetel te …, …2, BTW-belastingplichtige geregistreerd onder het nummer … (gegevens koopcontract 1995 eveneens opgemaakt door de Heer R.);
2. de Heer J.P. R. verklaarde te handelen in opdracht van de Heer A. M., eigenaar van het pleziervaartuig, alzo verklaard door de Heer R.;
3. het pleziervaartuig werd mij op 15 oktober 1995 ter beschikking gesteld in Oostende, alwaar ik het vaartuig vervolgens heb ingeschreven op 28 november 1995;
4. ik heb contant … BEF betaald voor de aankoop van het pleziervaartuig."
Nadat de belastingadministratie op 22 juli 1999 bijkomende inlichtingen vroeg aan wijlen de heer B. werd op 23 september 1999 volgende verklaring afgelegd door de heer B. (zie proces-verbaal van 23/09/1999):
“- de onderhandelingen i.v.m. de aankoop van het pleziervaartuig werden door mij gevoerd met de Heer R., die zich bekend maakte als zaakvoerder van de NV I.; te dezer gelegenheid werd afgesproken dat ik een pleziervaartuig zou kopen ter waarde van … BEF wat werd vastgelegd in een (datum 1/10/95) "koopcontract 1995" (bijlage 1) waarin uitdrukkelijk als verkoper de NV I., met zetel … te …, wordt vermeld; tevens werd bedongen in het koopcontract dat ik een ander pleziervaartuig dat mijn eigendom was (waarde … BEF) tegelijk zou overlaten en dat de totale transactie zou worden betaald met een bankcheque ter waarde van … BEF (bijlage 2); ik verklaar hierbij uitdrukkelijk dat de Heer R. mij toen reeds verklaarde dat ik een verkoopfactuur (bijlage 3) zou ontvangen van de SPRL L. B. I., die mij evenwel totaal onbekend was en waarvan ik nooit enige verantwoordelijke heb ontmoet;
- de levering (terbeschikkingstelling) van het pleziervaartuig MB F. S.56 J. Il geschiedde op 1 oktober 1995 te … door een werknemer van de NV I. die tegelijkertijd mijn pleziervaartuig, gelegen te …, in ontvangst nam;
- op 20/10/95 heb ik een bankcheque (datum 20/10/95) ter waarde van … BEF overhandigd aan de Heer R.
- Na de levering van het pleziervaartuig MB F. heb ik per post een verkoopfactuur ontvangen (datum 19/10/95) met als hoofding L. B. I. SARL, … te …, en als bedrag … BEF zonder vermelding van Belgische of Luxemburgse BTW;
- ik verklaar tevens in het bezit te zijn van een attest D.L. 2B opgemaakt door de Administratie der Douane en accijnzen te … dd. 23/11/95 (bijlage 4) dat de formaliteiten die inzake invoerrechten en/of BTW voorzien zijn bij de invoer of de intracommunautaire verwerving van het vaartuig werden vervuld op mijn naam;
- ik verklaar tenslotte zelf geen factuur af aankoopbewijs te hebben opgemaakt voor de verkoop van mijn eigen pleziervaartuig ter waarde van … BEF.
Tevens wens ik uitdrukkelijk dat mijn verklaring (waarvan een kopie U heden wordt overhandigd in het bijzijn van mijn raadsman-bijlage 5) afgelegd t.o.v. de gerechtelijke politie (datum 14/01/99) wordt bijgevoegd bij onderhavig proces-verbaal." (Het hof merkt op dat dit proces-verbaal (verklaring bij gerechtelijke politie op 14/01/99) zich niet in het administratief dossier bevindt doch wel in het bundel van eisers in hoger beroep onder stuk 3 wordt voorgelegd).
Er werd aan de belastingadministratie onder andere een verkoopfactuur voorgelegd met volgende gegevens:
- hoofding factuur (leverancier): L. B. I. SARL, … te …
- geadresseerde (koper): P. B., … te …
- datum factuur: 19/10/1995
- nummer factuur: 95/17
- aard geleverde goed: pleziervaartuig F. type S. 56
- maatstaf van heffing: … Luxemburgse frank;
- clausule ''TVA acquittée sur ce bateau en Belgique le 18/06/1993" (BTW op de boot voldaan in België op 18/06/1993)
- BTW op factuur: nihil.
Volgens de belastingadministratie had de levering van het pleziervaartuig in België plaats conform art. 15, §1 en 2 WBTW en was aldus de belasting verschuldigd in België. Verder stelde de belastingadministratie dat op grond van art. 51, §1, 1° WBTW de belasting verschuldigd was door de belastingplichtige die in België een belastbare levering van een goed had verricht, zijnde de SARL L. B. I., verkoper, die evenwel de belasting niet had aangerekend op factuur.
De belastingadministratie stelde dat de verkrijger of overnemer van het pleziervaartuig, de heer B., die in het bezit was van een factuur of een als zodanig geldend stuk, als bedoeld in art. 1, §2, 1° KB nr.1 van 29 december 1992, waarop het bedrag van de belasting niet was vermeld, derhalve met de leverancier tegenover de Staat hoofdelijk gehouden was tot voldoening van de belasting op grond van art. 51 bis §1, 3° en dat aldus een bedrag van … BEF (… BEF aan 20,5 pct) aan BTW verschuldigd was door de heer B. aan de Belgische Staat.
Door de belastingadministratie werd op 08/11/1999 een proces-verbaal opgemaakt.
Volgens het dwangbevel zijn volgende bedragen verschuldigd:
- … BEF (… euro) aan BTW
- … BEF (… euro) aan geldboete art. 70, §1 WBTW
meer de interesten en kosten.
1.3. Procedure voor de eerste rechter.
Middels dagvaarding dd. 15/05/2000 tekenden wijlen de heer B. en mevrouw G. verzet aan tegen voormeld dwangbevel bij de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen.
Bij tussenvonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen van 19/12/2003 werd de vordering toelaatbaar verklaard en alvorens ten gronde recht te doen, werd in toepassing van art. 877 en volgende Ger.W. de overlegging bevolen van de in het tussenvonnis bepaalde stukken en werd de zaak in afwachting van de resultaten van het gerechtelijk onderzoek van onderzoeksrechter G. te Brugge naar de bijzondere rol verzonden.
De zaak werd ambtshalve weggelaten van de rol op de zitting van 3 december 2007.
Op 14 juni 2010 overleed de heer P. B. te ….
Op 22/09/2010 werd de zaak terug ingeschreven op de rol.
Op 08/11/2010 werd een akte tot hervatting van het geding ter griffie neergelegd door de erfgenamen van wijlen de heer B..
In synthesebesluiten na tussenvonnis van 19/12/2003,vorderden eisers in hoger beroep:
- de vordering ontvankelijk en gegrond te verklaren;
- het bestreden dwangbevel Reg. 127/2038, uitgevaardigd op 2 februari 2000 door de rekenplichtige van het BTW-ontvangkantoor Mechelen, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 03/02/2000 door de heer T. D. N., hiertoe gedelegeerd door de Gewestelijke Directeur van de Administratie der Belasting over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen te Mechelen van nul en generlei waarde te verklaren en hen te ontslaan van de in dit dwangbevel gevorderde sommen;
- verweerder in hoger beroep te veroordelen tot integrale terugbetaling van alle bedragen welke ten onrechte werden betaald of ingehouden en die toegerekend werden op de sommen vermeld in het dwangbevel, waarvan thans de vernietiging wordt gevorderd;
- verweerder in hoger beroep te horen veroordelen tot de kosten van het geding, hierin begrepen de rechtsplegingsvergoeding begroot op … euro en de dagvaardingskosten ten bedrage van … euro;
- het uit te spreken vonnis uitvoerbaar te verklaren bij voorraad niettegenstaande alle verhaal, zonder borgstelling en met uitsluiting van het vermogen tot kantonnement.
In het eindvonnis van 13/02/2015 verklaarde de eerste rechter de vordering van mevrouw G. in eigen naam gegrond en verklaarde het besteden dwangbevel lastens haar van nul en generlei waarde. De vordering van de erfgenamen van wijlen de heer B., werd ongegrond verklaard en afgewezen.
De erfgenamen van wijlen de heer B. werden veroordeeld tot de kosten van het geding begroot en ambtshalve vereffend op … euro rechtsplegingsvergoeding.
De eerste rechter oordeelde dat niet betwist werd dat het bestreden dwangbevel ten onrechte lastens mevrouw G. in eigen naam, werd uitgevaardigd zodat het dwangbevel ten aanzien van haar dan ook van nul en generlei waarde diende verklaard te worden.
De eerste rechter oordeelde verder dat uit de voorgelegde stukken bleek dat:
- de NV l. een vaartuig F., type S. 56 had ingeruild van de NV A. M. en aldus de eigenlijke verkoper was van het vaartuig van de NV A. M., hetgeen bevestigd werd door het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel van 2 december 2009;
- ingevolge een combine en op aanwijzing van de NV l. het echter werd voorgesteld dat de NV A. M. voornoemd vaartuig niet verkocht had aan de NV l., doch wel aan de vennootschap naar Luxemburgs recht SARL L. B. I., waarbij de NV l. optrad als gemandateerde van de NV A. M., hetgeen eveneens bevestigd werd door het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel van 2 december 2009;
- hiertoe op naam van de NV A. M. een factuur werd opgemaakt aan voornoemde SARL L. B. I. om alzo een intracommunautaire levering voor te spiegelen;
- er geen sprake is geweest van een intracommunautaire levering, hetgeen eveneens bevestigd wordt door het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel van 2 december 2009;
- na de verkoop van de NV A. M. aan de NV l., die voorgespiegeld werd als een verkoop aan voornoemde SARL L. B. I., de NV l. voornoemd vaartuig wederverkocht had aan wijlen de heer B.;
- ingevolge de factuur van de NV A. M. aan SARL L. B. I. werd de verkoop van de NV l. aan wijlen de heer B. voorgespiegeld als een verkoop van SARL L. B. I. aan wijlen de heer B. door de factuur van voornoemde SARL L. B. I..
Verder oordeelde de eerste rechter dat niet betwist werd dat de levering van het vaartuig aan wijlen de heer B. in België plaatsvond en aangezien hiertoe door de SARL L. B. I. een factuur werd opgemaakt waarop het bedrag van de verschuldigde BTW niet werd vermeld, was wijlen de heer B. op grond van art. 51 bis §1, 3° WBTW hoofdelijk gehouden tot voldoening van de verschuldigde BTW en krachtens art. 51 bis §2 WBTW kon de heer wijlen B. van voornoemde hoofdelijkheid slechts ontslagen worden wanneer hij de identiteit van zijn leverancier of dienstverrichter aantoont en bewijst hem de prijs en de bijhorende belasting of een deel daarvan te hebben betaald.
De eerste rechter oordeelde dat weliswaar de identiteit van de leverancier werd aangetoond, doch nergens uit bleek dat wijlen de heer B. de verschuldigde BTW of een deel daarvan had betaald, te meer nu ook op het koopcontract met de NV l. het bedrag van de verschuldigde BTW niet werd vermeld.
De eerste rechter besliste dat eisers in hoger beroep faalden in de bewijslast van art. 51 bis, §2, WBTW.
Er was naar het oordeel van de eerste rechter geen sprake van een dubbele heffing en/of schending van het neutraliteitsbeginsel.
De boete van 20% was volgens de eerste rechter wettelijk en voldoend gemotiveerd en in redelijke verhouding met de gepleegde inbreuk en de ernst van de feiten en er was geen reden om uitstel toe te kennen indien de wet in die maatregel zou hebben voorzien.
Tegen dit eindvonnis werd bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het hof van beroep te Antwerpen op 01/06/2015 hoger beroep ingesteld.
1.4. Procedure voor het hof van beroep.
Eisers in hoger beroep (erfgenamen van wijlen de heer B.) vorderen:
- het ingestelde hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren;
- indien er, naar genoegen van recht, onvoldoende zekerheid zou bestaan over het gezag van gewijsde dat het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel dd. 2 december 2009 heeft ten opzichte van verweerder in hoger beroep, alvorens recht te doen, verweerder in hoger beroep uit te nodigen om aan te tonen dat dit vonnis geen gezag van gewijsde heeft ten opzichtens haar;
- het bestreden vonnis a quo van de Afi1 kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen dd. 13 februari 2015, in de zaak met rolnummer AR 10/6026/A, te hervormen;
- opnieuw rechtdoende de oorspronkelijke vordering van eisers in hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren;
- in hoofdorde, het bestreden dwangbevel Reg. 127/2038, uitgevaardigd op 02/02/2000 door de rekenplichtige van het BTW-ontvangkantoor Mechelen, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 03/02/2000 door de heer T. D.N., hiertoe gedelegeerd door de gewestelijke directeur van de administratie der belasting over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen te Mechelen van nul en generlei waarde te verklaren en eisers in hoger beroep te ontslaan van de in dit dwangbevel gevorderde sommen, gelet op het gebrek aan feitelijke en juridische grondslag dan wel omdat de gevorderde BTW reeds definitief werd betaald door de leverancier die vervolgens geen aftrek van deze BTW verkreeg;
- ondergeschikt, eisers in hoger beroep te ontslaan van de in het voornoemde dwangbevel vermelde sommen in de mate dat de BTW reeds door de NV Ondernemingen A. M. werd gedragen als eindgebruiker, zijnde ten belope van 50% van het nagevorderde bedrag van de BTW;
- uiterst ondergeschikt, de opgelegde boete van 20% kwijt te schelden omwille van het onevenredig karakter van deze geldboete en minstens uitstel van tenuitvoerlegging te verlenen met betrekking tot de geldboete;
- verweerder in hoger beroep te veroordelen tot integrale terugbetaling van alle bedragen welke ten onrechte werden betaald of ingehouden en die toegerekend werden op de sommen vermeld in het dwangbevel, waarvan thans de vernietiging wordt gevorderd;
- verweerder in hoger beroep te veroordelen tot de kosten van het geding, hierin begrepen de rechtsplegingsvergoeding, heden begroot op … euro per aanleg.
Verweerder in hoger beroep besluit tot de ontvankelijkheid doch ongegrondheid van het hoger beroep en vordert eisers in hoger beroep te veroordelen tot de gerechtskosten met inbegrip van de wettelijke rechtsplegingsvergoedingen in eerste aanleg en in hoger beroep, telkens begroot op … euro.
Ter zitting van 10 oktober 2016 gaan partijen akkoord dat de rechtsplegingsvergoeding dient begroot te worden op … euro eerste aanleg en … euro hoger beroep.
2. Bespreking
2.1 Art. 51 bis §1, 3° WBTW en art. 51 bis, §2 WBTW
Eisers in hoger beroep stellen dat het bestreden dwangbevel en de erin opgenomen navordering elke feitelijke en juridische grondslag mist en dus nietig is. Volgens eisers in hoger beroep is er sprake van een onjuiste toepassing van artikel 51 bis §1, 3° WBTW.
De algemene regel is dat de belastingplichtige zelf gehouden is de BTW aan de Staat af te dragen over de handelingen die hij heeft verricht (art. 51 §1,1° WBTW).
Op de algemene regel dat de belastingplichtige die de leveringen van goederen of diensten verricht zelf de BTW moet voldoen bestaan evenwel een reeks uitzonderingen.
Artikel 51 bis §1, 3° WBTW, zoals van toepassing op onderhavig geschil bepaalt alzo:
"§ 1
De medecontractant van de schuldenaar van de belasting:
1°...
2°...
3° krachtens artikel 51, § 1, 1, is eveneens met deze tegenover de Staat hoofdelijk gehouden tot voldoening van de belasting wanneer de factuur of het als zodanig geldend stuk het bedrag van de op de handeling verschuldigde belasting niet of onjuist vermeldt;
4°…
§2
De medecontractant van degene die krachtens artikel 51, § 1,1,schuldenaar is van de belasting, die de identiteit van zijn leverancier of dienstverrichter aantoont en bewijst hem de prijs en de bijbehorende belasting of een deel daarvan te hebben betaald, is evenwel in die mate van de hoofdelijke aansprakelijkheid ontslagen."
Om geheel of gedeeltelijk te ontkomen aan de hoofdelijkheid moet de medecontractant van een leverancier die aan de Belgische Staat belasting op een levering in België verschuldigd is, kunnen aantonen dat hij aan die leverancier de gehele prijs of een deel ervan en de bijhorende Belgische belasting heeft betaald.
Artikel 51 bis WBTW kadert binnen de maatregelen van de overheid tegen fraude of misbruik inzake invordering van de BTW.
Dit solidariteitsmechanisme berust op een fout begaan door de medecontractant bij het aanvaarden van een onregelmatige factuur. Het is niet strijdig met het gemeenschapsrecht te eisen dat een belastingplichtige alles doet wat redelijkerwijs van hem kan worden verlangd om te zorgen dat hij door de handeling die hij verricht niet betrokken geraakt bij belastingfraude. Wanneer de ontvanger dus niet te kwader trouw is, niet nalatig is geweest of in de onmogelijkheid was de onregelmatigheden te kennen bij de ontvangst van de documenten kan de medecontractant niet solidair gehouden zijn.
Eisers in hoger beroep beroepen zich op het gezag van gewijsde ten aanzien van verweerder in hoger beroep van het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel van 02/12/2009 en stellen dat hieruit zou blijken dat NV l. optrad in naam en voor rekening van de NV Ondernemingen A. M..
Een derde ten aanzien van een gerechtelijke beslissing kan zich beroepen op het positieve effect van het gewijsde dat eraan verbonden is. Een gerechtelijke beslissing kan in een navolgend geding als bewijsmiddel worden aangewend.
Uit de voorgelegde concrete gegevens, stukken en het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel van 02/12/2009, blijkt dat bij overeenkomst van 01/03/1995 de NV A. M. een boot, type F. S. 65, aankocht bij de NV l. on Sea. In deze overeenkomst werd tevens voorzien dat NV l. o. S. de huidige S. 56/16 van de NV M., bouwjaar 1993 zou inruilen en dat deze verkoop werd afgesloten aan een meerprijs in opleg na overname van … BEF (hetzij … euro), excl. BTW (20,5%). De NV l. o. S. verbond zich ertoe om de S. 56 in te ruilen en te betalen aan de NV A. M. ten laatste op 31/10/1995. Dit bedrag werd gevoegd bij de hierbij overeengekomen koopsom teneinde de S. 65 te betalen.
Vervolgens bracht de NV l. on Sea de NV A. M. ervan op de hoogte dat de over te dragen boot (S. 56) diende gefactureerd te worden aan de SARL L. B. I., met vermelding van het Luxemburgs BTW-nummer van deze laatste voor … BEF (thans … euro), zonder BTW. Tevens meldde de NV l. o. S. dat deze factuur aan haar diende bezorgd te worden (niet naar Luxemburg te sturen).
NV A. M. stelde op 25/10/1995 een factuur nr. 214 op waarbij de betreffende boot (S. 56) werd gefactureerd aan de SARL L. B. I. met verwijzing naar art. 39 bis WBTW en KB Nr. 52 van 29/12/1992.
Het is deze boot (S. 56) die op 01/10/1995 verkocht werd aan wijlen de heer B..
In het voorgelegde vonnis van 02/12/2009 oordeelde de rechtbank van eerste aanleg te Brussel dat er echter geen sprake was van een intracommunautaire levering.
Tevens oordeelde de rechtbank van eerste aanleg te Brussel dat wat betreft de NV l. o. S. dient vastgesteld te worden dat de overeenkomst van 01/03/1995 tussen NV A. M. en de NV l. o. S. geen uitsluitsel gaf over de juiste invulling van de opdracht van de NV l. o. S.. Op basis van de feitelijke uitvoering die door partijen aan de overeenkomst in kwestie gegeven werd oordeelde de rechtbank van eerste aanleg te Brussel dat afdoende bewezen was dat het de bedoeling was dat de NV l. o. S. optrad als gemandateerde van de NV A. M. bij de verkoop van de kwestieuze boot (aan SARL L. B. I.).
Tevens werd in voormeld vonnis van de rechtbank van eerste aanleg geoordeeld dat nu de intracommunautaire levering niet bewezen was, de BTW verschuldigd was op de verkoop van de kwestieuze boot aan de SARL L. B. I., zodat de Luxemburgse SARL gehouden was tot betaling van de BTW als koper.
Bijgevolg werd, in tegenstelling tot hetgeen eisers in hoger beroep beweren, geoordeeld dat Luxemburgse SARL weldegelijk de koper was van het pleziervaartuig dat nadien verkocht werd aan wijlen de heer B.. NV l. o. S. trad enkel op als de gemandateerde van de verkoper zijnde NV A. M.. Bij de daaropvolgende verkoop van de boot aan de heer B. blijkt dat NV l. o. S. en de SARL L. B. I. een identieke handelswijze gehanteerd hebben.
Uit het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel kan geenszins afgeleid worden dat wijlen de heer B. het pleziervaartuig zou aangekocht hebben van NV A. M. met NV l. o. S. als gemandateerde, noch tonen eisers in hoger beroep dit te dezen aan. De aanvoeringen van eisers in hoger beroep dat er maar sprake zou zijn van één enkele transactie met name de verkoop van het vaartuig door de NV A. M. aan wijlen de heer B., gaan dan ook uit van een verkeerde veronderstelling.
Dat er door NV A. M. reeds BTW zou betaald zijn, sluit geenszins uit dat er door wijlen de heer B. BTW verschuldigd is op de aankoop onder bezwarende titel van hetzelfde pleziervaartuig van een andere als zodanig handelende belastingplichtige.
Uit de concrete gegevens van het dossier blijkt dat op de eerste verkoop (met NV A. M. als verkoper en SARL L. B. I. als koper) van het pleziervaartuig, een tweede verkoop van het vaartuig volgde met de Luxemburgse SARL als verkoper en wijlen de heer B. als koper. Op beide voormelde leveringen is BTW verschuldigd.
Ook de tweede verkoop gebeurde met tussenkomst van de NV l. aangezien de heer B. en SARL Luxemburg geen rechtstreeks contact hadden met elkaar. Uit de eigen verklaring van de heer B. afgelegd op 23/09/1999 blijkt immers dat de onderhandelingen i.v.m. de aankoop van het pleziervaartuig gevoerd werden met de Heer R., die zich bekend maakte als zaakvoerder van de NV l.. Hij verklaarde hierbij uitdrukkelijk dat de Heer R. toen reeds verklaarde dat hij een verkoopfactuur zou ontvangen van de SARL L. B. I., die hem onbekend was en waarvan hij nooit enige verantwoordelijke had ontmoet.
Na de levering van het pleziervaartuig heeft wijlen de heer B. per post een verkoopfactuur ontvangen (datum 19/10/95) met als hoofding L. B. I. SARL, … te …, en als bedrag … BEF (hetzij … euro) zonder vermelding van Belgische of Luxemburgse BTW.
Het feit dat door de SARL L. B. I. gefactureerd werd aan wijlen de heer B. sluit evenmin uit dat de eigenlijke verkoopovereenkomst werd afgesloten door de NV l. O. S. als gemandateerde van L. B. I. SARL.
Dat de NV l. en SARL Luxemburg een fictieve levering van de boot in Luxemburg opgezet hadden omdat de facto de NV l. de boot onder zich hield en verder verkocht (zoals geoordeeld door de rechtbank van eerste aanleg te Brussel in de overwegingen weergegeven onder nr. 13 van dat vonnis), doet geen afbreuk aan voorgaande vaststellingen van het hof.
Het staat te dezen niet ter discussie dat de levering van voornoemd vaartuig aan wijlen de heer B. in België plaatsvond.
De levering van het goed aan de wijlen de heer B. gebeurde in België door een als zodanig handelende belastingplichtige onder bezwarende titel en is aldus aan de BTW onderworpen.
Er is te dezen geen sprake van een dubbele heffing en/of schending van het neutraliteitsbeginsel.
Gelet op al het voorgaande stelt het hof vast dat de litigieuze factuur betrekking had op de levering van een pleziervaartuig in België voor rekening van een Luxemburgse vennootschap en werd opgesteld zonder vermelding van de verschuldigde BTW op voormelde handeling.
Uit geen enkel objectief gegeven blijkt dat de factuur door wijlen de heer B. geprotesteerd werd. De eigen verklaring van de heer B. aan de gerechtelijke politie dat hij de heer R. over deze factuur zou aangesproken hebben betreft een loutere bewering die door geen enkel objectief gegeven wordt ondersteund. Meer nog wordt dit tegengesproken door de hoger reeds aangehaalde verklaring van wijlen de heer B. afgelegd op 23/09/1999 waarin hij verklaarde dat hij van het ogenblik van het sluiten van de overeenkomst op 01/10/1995 reeds wist dat de factuur zou uitgaan van de Luxemburgse vennootschap, die hij evenwel niet kende.
In de voormelde concrete omstandigheden kan wijlen de heer B. bezwaarlijk beschouwd worden een onwetende koper te zijn die zich er kon op verlaten dat het niet aanrekenen/niet vermelden van BTW op de factuur correct was. Hij heeft geenszins alles gedaan wat van een medecontractant redelijkerwijze kan worden verlangd om te zorgen dat hij niet betrokken geraakt bij belastingfraude. Hij diende dan ook als medecontractant te weten dat hij alsnog BTW verschuldigd was. Hij is geenszins te goeder trouw, minstens heeft hij een fout begaan welke te wijten is aan verregaande onvoorzichtigheid waardoor de mogelijkheid gecreëerd werd bij een dergelijke fraude (fictieve intracommunautaire verkopen) betrokken te raken.
Het hof is van oordeel dat verweerder in hoger beroep in het dwangbevel terecht de betaling eist van de Belgische BTW op de aldus gefactureerde prijs en dat wijlen de heer B. hoofdelijk medeschuldenaar is van deze belasting op grond van artikel 51 bis, §1,3°WBTW.
In tegenstelling tot hetgeen eisers in hoger beroep beweren is te dezen de overeengekomen prijs van … BEF (hetzij … euro) niet inclusief BTW. Uit alle voorgelegde stukken blijkt immers dat het bedrag van … BEF (hetzij … euro) niet aldus kan worden opgevat dat de BTW daarin al begrepen is. In het "koopcontract '95" wordt een duidelijk opsplitsing gemaakt tussen de basisprijs "…" (hetzij … euro) en de BTW (20,5%) "betaald-niet van toepassing''. Ook op de factuur uitgereikt door L. B. wordt vermeld als prijs "… fr.Lux" (… euro) en BTW (15%) " ....". Er werd aldus een verkoopovereenkomst gesloten waarbij de BTW duidelijk ter sprake is gekomen. Wijlen de heer B. was op de hoogte van het BTW "exclusief” karakter van het overeengekomen bedrag van … BEF (… euro) en kon zich er te dezen niet op baseren dat het niet vermelden van BTW op de factuur terecht was gebeurd. De aanvoeringen van eisers in hoger beroep die uitgaan van een andere veronderstelling wijst het hof dan ook af als niet ter zake dienend.
Het staat vast dat er door wijlen de heer B. geen enkel bedrag aan BTW betaald werd aan zijn leverancier dat overeenstemt met de verschuldigde Belgische BTW zodat bijgevolg de voorwaarden voor de bevrijding van de hoofdelijkheid niet vervuld zijn.
2.2 De geldboete
Eisers in hoger beroep stellen dat wijlen de heer B. te goeder trouw was zodat het vorderen van een boete van 20% onevenredig is en verzoekt om kwijtschelding, minstens uitstel te verlenen van tenuitvoerlegging van de boete.
De rechter aan wie gevraagd wordt de sanctie opgelegd op grond van artikel 70 WBTW te toetsen mag de wettelijkheid van die sanctie onderzoeken. Hij mag in het bijzonder nagaan of die sanctie verzoenbaar is met de dwingende eisen van internationale verdragen en van het interne recht, met inbegrip van de algemene rechtsbeginselen. Dit toetsingsrecht moet de rechter in het bijzonder toelaten na te gaan of de straf niet onevenredig is met de inbreuk. Bijgevolg moet de rechter onderzoeken of het bestuur naar redelijkheid kon overgaan tot het opleggen van een administratieve geldboete van zodanige omvang. Hij mag hierbij inzonderheid acht slaan op de zwaarte van de inbreuk, de hoogte van reeds opgelegde sancties en de wijze waarop in gelijkaardige zaken werd geoordeeld, maar hij moet hierbij in acht nemen in welke mate het bestuur zelf gebonden was in verband met de sanctie.
Dit toetsingsrecht houdt niet in dat de rechter op grond van een subjectieve appreciatie van verzachtende omstandigheden eigen aan de persoon van de belastingschuldige loutere redenen van opportuniteit en tegen wettelijke regels in, boeten kan kwijtschelden of verminderen.
Hoger werd reeds geoordeeld dat de heer B. bezwaarlijk beschouwd kan worden een onwetende koper te zijn die zich er kon op verlaten dat het niet aanrekenen/niet vermelden van BTW op de factuur correct was. Hij heeft geenszins alles gedaan wat van een medecontractant redelijkerwijze kan worden verlangd om te zorgen dat hij niet betrokken geraakt bij belastingfraude. Hij diende dan ook als medecontractant te weten dat hij alsnog BTW verschuldigd was. Hij is geenszins te goeder trouw, minstens heeft hij een fout begaan welke te wijten is aan verregaande onvoorzichtigheid waardoor de mogelijkheid gecreëerd werd bij een dergelijke fraude (fictieve intracommunautaire verkopen) betrokken te raken.
De boete van 20% is wettelijk, voldoend gemotiveerd en in redelijke verhouding met de gepleegde inbreuk en de ernst van de feiten en er is geen reden om uitstel toe te kennen indien de wet in die maatregel zou hebben voorzien.
2.3 De rechtspleqingsvergoedinq
Wat betreft de kosten van de procedure dient er rekening gehouden te worden met de inwerkingtreding van de wet van 21.04.2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten van een advocaat (B.S.31.05.2007) en de onmiddellijke toepassing van deze wet op alle hangende gedingen vanaf 01.01.2008.
Overeenkomstig art. 1017 Ger.W dienen eisers in hoger beroep, de in het ongelijk gestelde partij in de kosten gewezen te worden.
Partijen zijn het erover eens dat de rechtsplegingsvergoeding in eerste aanleg dient begroot op … euro en in hoger beroep op … euro.
De kosten van het geding in eerste aanleg werden door de eerste rechter in hoofde van verweerder in hoger beroep reeds vereffend op … euro rechtsplegingsvergoeding zodat het vonnis desbetreffende kan bevestigd worden.
Het hof vereffent de kosten van het geding in hoger beroep in hoofde van verweerder in hoger beroep op … euro rechtsplegingsvergoeding.
3 Beslissing