Hoofdelijke aansprakelijkheid tot voldoening van de belasting, Tarief · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Hof van Cassatie Brussel 29 november 2024

Zoeken

Hoofdelijke aansprakelijkheid tot voldoening van de belasting, Tarief

https://juriel.be/nl/rechtspraak/hoofdelijke-aansprakelijkheid-voldoening-belasting-tarief-cassatie-brussel-2024-11-29-08ff

Rechtscollege
Hof van Cassatie
Zetel
Brussel
Datum
29 november 2024

Procesverloop

2 stappen · 4 jaar 11 maanden
  1. Bestreden beslissingHof van beroep te Antwerpen03.12.2019
  2. Weergegeven beslissingHof van Cassatie van België29.11.2024

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

90 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Arrest van het Hof van Cassatie d.d. 29.11.2024 (Nr. F.20.0137.N)

Titel van het document

Arrest van het Hof van Cassatie dd. 29. 11.2024 - F.20.0137.N

Gunstig arrest

Trefwoorden Geschillen

Belasting over de toegevoegde waarde – Hoofdelijke aansprakelijkheid tot voldoening van de belasting – Tarief - Verlaagde btw-tarief van 6% - Afbraak en heropbouw van gebouwen - Misbruik

Wettelijke bepalingen

Artikelen 1,§ 10, 51,§ 1,3° en 70,§ 1 WBTW

Artikel 1 van KB nr. 20 van 20 juli 1970 - Rubriek XXXVII van Tabel A

Samenvatting van het vonnis / het arrest

1. Feiten en voorgaande procedure

De belastingplichtige kocht bij notariële akte als erfverpachter een onverdeeld aandeel aan in de grond en af te breken constructies voor eenzelfde totale oppervlakte als twee toekomstig op te richten appartementen met kelders en autostaanplaatsen in een op te richten gebouw.

In dezelfde notariële akte werd vervolgens de aannemingsovereenkomst opgenomen tussen de belastingplichtige en een bouwfirma waarin werd gestipuleerd dat belastingplichtige, als opdrachtgever, de opdracht geeft aan de aannemer om twee appartementen op te richten met ondergrondse garage en kelder. Op dezelfde datum werd een coördinatieovereenkomst gesloten tussen de erfpachthouder, als coördinator, en de belastingplichtige als bouwheer, waarin wordt bepaald dat de bouwheer gebruik wenst te maken van de diensten van de coördinator om het project te coördineren.

De betwisting betreft de vraag of er sprake is van rechtsmisbruik in de zin van artikel 1,§10 WBTW wanneer de belastingplichtige op dezelfde datum zowel overgaat tot de aankoop van een onverdeeld aandeel in grond en af te breken constructies én een aannemingsovereenkomst afsluit met de aannemer voor de bouw van een op te richten appartementsgebouw.

De administratie was van oordeel dat de transacties (opsplitsing van de aankoop en de gelijktijdige opdracht tot oprichting van een nieuw gebouw) als één handeling dienen te worden beschouwd die een levering van vastgoed in toekomstige staat tot voorwerp heeft, een zgn. verkoop op plan. Zij meende dan ook dat er ten onrechte toepassing werd gemaakt van het verminderd btw-tarief van 6% op de facturen die belastingplichtige ontving van de aannemer.

De btw werd door de administratie berekend aan het normale tarief van 21% en een geldboete van 200% werd opgelegd omwille van het oogmerk de belasting te ontduiken omdat de opsplitsing een kunstmatig karakter heeft en niet beantwoordt aan de economische werkelijkheid. Deze vaststellingen werden door de administratie opgetekend in een proces-verbaal.

De taxatie aan 21 % werd betwist door belastingplichtige. Zowel de eerste rechter als de rechter in beroep verklaarden de vordering van belastingplichtige ongegrond. De vordering inzake de opgelegde geldboete werd zowel in eerste aanleg als in beroep herleid naar 20%.

2. Het arrest van het Hof van Cassatie

a. Eerste middel, vermeende schending van het rechtszekerheid en voorzichtigheidsbeginsel

De appelrechters die oordelen dat er geen schending is van gerechtvaardigde verwachtingen aan de zijde van eiseres in die zin dat zij op de datum van het sluiten van de onderscheiden overeenkomsten had kunnen vertrouwen op de toepassing van het verlaagde tarief van 6%, verantwoorden hun beslissing naar recht en schenden geen van in het middel aangevoerde wetsbepalingen.

b. Tweede middel, vermeende schending van art. 10, § 1 WBTW en art. 149 GW

Ten onrechte beweert de belastingplichtige dat de motivering van het bestreden arrest op een verkeerde inschatting van de draagwijdte van het concept fiscaal misbruik steunt door tegelijkertijd vast te stellen dat belastingplichtige niet alle gevolgen van de door haar gekozen overeenkomsten heeft aanvaard en te oordelen dat de betrokken handelingen fiscaal misbruik uitmaken.

Het middel berust op een onjuiste lezing van het arrest en kan derhalve niet aangenomen worden.

c. Derde middel, vermeende schending van art. 51bis, §1, 3° WBTW jo, art. 149 GW

De belastingplichtige meent dat de aangevochten beslissing een tegenstrijdige en daardoor incorrecte motivering bevat en het hof van beroep zo de bestreden beslissing niet naar recht verantwoordt.

Het bestreden arrest bepaalt dat de btw kan nagevorderd worden bij de belastingplichtige omdat zij nalatig is geweest maar tevens dat het misbruik op zichzelf reeds tot gevolg heeft dat van de belastingplichtige als eindverbruiker de btw kan nagevorderd worden.

Het Hof oordeelt dat het middel dat opkomt tegen een overtollig motief niet tot cassatie kan leiden en bij gebrek aan belang onontvankelijk is.

d. Vierde middel, vermeende schending van art. 70, §1 WBTW, art. 2 Sw, art. 159 GW, art. 170 GW, art. 1 Eerste protocol EVRM

Eerste onderdeel

De belastingplichtige meent dat er geen rechtsgrond in de btw-regelgeving is voor de oplegging van de boete.

Het Hof oordeelt dat de bepalingen van art. 70 § 1 WBTW een afdoende wettelijke rechtsgrond vormen.

Tweede onderdeel

De belastingplichtige voert aan dat het opleggen van een fiscale geldboete zonder wettelijke grondslag strijdig is met het legaliteitsbeginsel.

Het Hof oordeelt dat dit onderdeel is afgeleid van de in het eerste onderdeel vergeefs aangevoerde grief en bijgevolg onontvankelijk is.

Derde onderdeel

De belastingplichtige haalt aan dat het opleggen van de boete middels het dwangbevel, een schending vormt van de bescherming van het recht op eigendom.

Het Hof oordeelt dat art. 70 § 1 WBTW een toegankelijke, duidelijke en voorzienbare wettelijke grondslag vormt voor het opleggen van een dergelijke boete bij fiscaal misbruik.

Volledige tekst:

Tekst van de beslissing

S., met zetel te 2018 Antwerpen, …, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 04…85,

eiseres,

met als raadsman mr. P.B., advocaat bij de balie te Brussel, met kantoor te 1000 Brussel, …

tegen

BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kabinet gevestigd te 1000 Brussel, Wetstraat 12, voor wie optreedt de Adviseur-ontvanger van het Team Invordering rechtspersonen Antwerpen I, met kantoor te 2000 Antwerpen, Italiëlei 4 bus 2 en de Adviseur-generaal van het Centrum KMO Antwerpen, met kantoor te 2000 Antwerpen, Italiëlei 4 bus 2,

verweerder,

vertegenwoordigd door mr. G.F. en mr. S.D., advocaten bij het Hof van Cassatie, beiden met kantoor te 1000 Brussel, …, waar de verweerder woonplaats kiest.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 3 december 2019.

Advocaat-generaal S.R. heeft op 30 oktober 2024 een schriftelijke conclusie neergelegd.

Raadsheer B.W. heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal S.R. heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

1. Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft in zijn arrest Elmeka, gevoegde zaken C-181/04 tot en met C-183/04, van 14 september 2006, geoordeeld dat:

- het vertrouwensbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel deel uitmaken van de communautaire rechtsorde en uit dien hoofde in acht moeten worden genomen door de gemeenschapsinstellingen, maar ook door de lidstaten bij de uitoefening van de hun door de gemeenschapsrichtlijnen verleende bevoegdheden, waaruit volgt dat de nationale instanties het vertrouwensbeginsel jegens de marktdeelnemers in acht moeten nemen;

- met betrekking tot het beginsel van bescherming van het gewettigd vertrouwen van de begunstigde van een gunstige handeling, in de eerste plaats moet worden uitgemaakt of de handelingen van de administratieve instanties bij de voorzichtige en bezonnen marktdeelnemer een redelijk vertrouwen hebben gewekt en dat, indien deze vraag bevestigend wordt beantwoord, in de tweede plaats moet worden nagegaan of dit vertrouwen gewettigd is.

2.De rechter oordeelt onaantastbaar in feite of bij een belastingplichtige een redelijk vertrouwen is gewekt, rekening houdend met de concrete omstandigheden van de zaak. Het Hof gaat niettemin na of de rechter het begrip redelijk vertrouwen niet heeft miskend door uit de vastgestelde feiten gevolgen af te leiden die hiermee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden verantwoord.

3.De appelrechters stellen vast dat een constructie werd opgezet waarbij de eiseres wordt aangemerkt als bouwheer, verantwoordelijk voor de afbraak van de gebouwen en de heropbouw van twee appartementen met kelder en autostaanplaats en oordelen dat het wezenlijke doel van de verkoopovereenkomst, de aannemingsovereenkomst en de coördinatie-overeenkomst bestond in de verkrijging van het verlaagd tarief van 6 pct., hetgeen in strijd is met de doelstelling van deze bepaling bij de invoering ervan in het KB nr. 20, doelstelling die erin bestond om het verlaagd tarief toe te kennen aan de bouwheer die daadwerkelijk het gebouw afbreekt en een nieuwe woning laat oprichten.

Zij stellen vast en oordelen dat:

- in casu niet blijkt dat een vaste gedragslijn bestond van de overheid waarin de eiseres een rechtmatig vertrouwen kon stellen;

- niet blijkt dat de administratie steeds de toepassing van het verlaagde tarief aanvaardde bij de verkoop van een oud gebouw gevolgd door de afbraak en wederopbouw, ongeacht of sprake was van rechtsmisbruik of niet;

- de omstandigheid dat individuele akkoorden werden gesloten, formeel dan wel stilzwijgend, geenszins wijst op een bestaande gedragslijn waaruit de eiseres een gewettigd vertrouwen zou kunnen putten;

- aan de zijde van de eiseres geen sprake was van enig akkoord, noch formeel noch stilzwijgend en dat zij geen voorafgaande ruling heeft aangevraagd;

- in de beslissing van 13 mei 2014 bovendien niet werd beslist dat voortaan de toepassing van een verlaagd tarief per definitie zou zijn uitgesloten bij de verkoop van een gebouw gevolgd door de afbraak en wederopbouw;

- de administratie niet per definitie de toepassing van het verlaagde tarief verwerpt, doch enkel indien uit de te onderzoeken feitelijke omstandigheden blijkt dat sprake is van rechtsmisbruik;

- het in die context geenszins tweeslachtig is dat de administratie aanvaardt dat formele dan wel stilzwijgende akkoorden van kracht blijven, indien zij het resultaat worden geacht van een voorafgaand onderzoek van de concrete feitelijke omstandigheden aan de zijde van de individuele belastingplichtige die het akkoord bekwam;

- geen sprake is van een retroactieve verwerping van de toepassing van het verlaagde tarief omdat de administratie steeds een onderzoek in concreto voorstaat.

4. De appelrechters die op die gronden oordelen dat er geen schending is van gerechtvaardigde verwachtingen aan de zijde van de eiseres in die zin dat zij op de datum van het sluiten van de onderscheiden overeenkomsten had kunnen vertrouwen op de toepassing van het verlaagde tarief van 6 pct., verantwoorden hun beslissing naar recht en schenden geen van de in het middel aangevoerde wetsbepalingen.

Het middel kan niet worden aangenomen.

(...)

Vierde middel

Eerste onderdeel

8. Artikel 70, § 1, Btw-wetboek bepaalt dat voor iedere overtreding van de verplichting de belasting te voldoen, een geldboete wordt opgelegd gelijk aan het dubbele van de ontdoken of niet tijdig betaalde belasting.

Deze bepaling vormt een afdoende wettelijke grondslag voor het opleggen van een proportionele fiscale geldboete wanneer ingevolge fiscaal misbruik de wettelijk verschuldigde belasting niet werd betaald.

Het onderdeel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht.

(...)

Derde onderdeel

11.Artikel 1, eerste lid, Eerste Aanvullend Protocol EVRM bepaalt dat alle natuurlijke of rechtspersonen recht hebben op het ongestoorde genot van hun eigendom en dat niemand van zijn eigendom zal worden beroofd, behalve in het algemeen belang en met inachtneming van de voorwaarden neergelegd in de wet en in de algemene beginselen van het internationaal recht.

Het tweede lid van dat artikel, dat bepaalt dat de voorgaande bepalingen op geen enkele wijze het recht aantasten dat een Staat heeft om de betaling van belastingen of andere heffingen en boeten te verzekeren, vereist aldus dat de inmenging van de overheid, wegens het opleggen van een boete, in het recht op het ongestoord genot van eigendom wettig moet zijn, wat betekent dat ze berust op rechtsnormen die, wat de toepassing ervan betreft, voldoende toegankelijk, duidelijk en voorzienbaar zijn.

12.Artikel 70, § 1, Btw-wetboek, dat bepaalt dat een proportionele fiscale boete kan worden opgelegd “voor iedere overtreding van de verplichting de belasting te voldoen”, vormt een toegankelijke, duidelijke en voorzienbare wettelijke grondslag voor het opleggen van een dergelijke fiscale boete aan de belastingplichtige die zich schuldig maakt aan fiscaal misbruik en als gevolg daarvan de verschuldigde btw niet voldoet.

Het onderdeel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Dictum

Beschikkend gedeelte

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiseres tot de kosten.

Bepaalt de kosten voor de eiseres op 246,91 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter G.J., als voorzitter, en de raadsheren B.W., S.M., M.T. en A.D. en in openbare rechtszitting van 29 november 2024 uitgesproken door sectievoorzitter G.J., in aanwezigheid van advocaat-generaal S.R., met bijstand van griffier E.V.

Nota van de FOD Financiën

Referentie W.F.

WF 707-15-17/013812

Aangehaalde teksten

7
WBTW art. 707 voorkomens
WBTW art. 13 voorkomens
KB nr. 20 art. 12 voorkomens
WBTW art. 512 voorkomens
WBTW art. 101 voorkomen
WBTW art. 51bis1 voorkomen

Rechtspraak

1

België

1

Bekijk het document

Vergelijkbare beslissingen

8