Fiche van de FOD Financiën
Arrest van het Hof van beroep te Gent d.d. 05.03.2024
WF 709-15-20/011260
[Gunstig voor de Belgische Staat]
Belasting over de toegevoegde waarde – Nietigheid proces-verbaal – Recht op aftrek – Fraude – Boete en intresten
Wettelijke bepalingen
Artikelen 45, § 1, 59, § 1, 70, § 1, 85, § 1 en 91, § 1 WBTW
Samenvatting
1. Feiten en voorgaande procedure
De belastingplichtige is sedert 1 december 2004 als btw-plichtige geregistreerd voor de activiteit van fiscaal adviseur.
Tijdens een controle werden meerdere inbreuken op de btw-wetgeving vastgesteld met betrekking tot de aftrekregeling, onregelmatige inkomende facturen waar tevens de aftrek was op toegepast en te laat aangegeven uitgaande facturen. Deze inbreuken werden opgenomen in een proces-verbaal waarin ook de wettelijke proportionele geldboete van 200% werd opgelegd.
Bij verzoekschrift van 13 februari 2020 stelde de belastingplichtige zijn vordering in bij de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, ter bestrijding van de voornoemde belastingschuld opgenomen in het voornoemde proces-verbaal.
De eerste rechter verklaarde de vordering ontvankelijk maar ongegrond.
Tegen dit vonnis ging tegenpartij in hoger beroep.
2. Het arrest van het hof van beroep
De nietigheid van het proces-verbaal
Het hof ziet geen enkele reden om het proces-verbaal, dat op regelmatige wijze werd opgemaakt en ter kennis gebracht, dat zijn rechtsgrond vindt in artikel 59, § 1 WBTW en dat de verantwoording bevat van de belastingschuld in de zin van artikel 85, § 1 WBTW, nietig te verklaren.
De in aftrek genomen btw
Het hof oordeelt dat de belastingplichtige niet heeft aangetoond dat hij het voertuig bestemde voor de uitoefening van zijn economische activiteit. Verder heeft het hof geoordeeld dat voor een aantal inkomende facturen, naast de verschillende formele onregelmatigheden die ze vertonen, ieder spoor ontbreekt van daadwerkelijke prestaties. De materiële voorwaarden om te genieten van het recht op aftrek met betrekking tot de kwestieuze facturen zijn manifest niet vervuld en de aftrek werd terecht verworpen.
De berekende nalatigheidsintresten
Het hof oordeelde dat de berekende intresten terecht werden gevorderd.
De boete
Het hof oordeelde dat er geen twijfel bestaat dat de belastingplichtige gehandeld heeft met het oogmerk de belasting te ontduiken.
Tekst van het arrest
Tekst van de beslissing
Hof van beroep Gent, vijfde kamer
Arrest van 05/03/2024
Rol: 2022/AR/1639
- In de zaak van:
L. F., ON 08...82, RRN 52...50, wonende te ...,
appellant,
hebbende als raadsman mr. V. Y., advocaat te ...
tegen
BELGISCHE STAAT/FEDERALE OVERHEIDSDIENST FINANCIËN, ON 0308.357.159,
Minister van Financiën, met kabinet te 1000 BRUSSEL, Wetstraat 12, vertegenwoordigd door de Adviseur-generaal -Directeur KMO Centrum AALST, met burelen te 9300 AALST, Andre Sierensstraat 16 B1,
geïntimeerde,
hebbende als raadsman mr. L. G., advocaat te ...
wijst het hof het volgend arrest:
1. De procedure voor het hof
Bij verzoekschrift van 15 september 2022 heeft de appellant hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat door de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, zesde kamer, op 2 mei 2022 werd uitgesproken in de zaak met rolnummer 20/455/A, waarvan de appellant bevestigt dat het werd betekend op 26 juli 2022.
De partijen hebben hun middelen en besluiten voorgedragen in de openbare terechtzitting van 19 december 2023, waarna het debat werd gesloten. Het hof nam vervolgens de zaak in beraad.
Het hof heeft de Nederlandse taal gebruikt in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken.
2. De relevante feiten en de voorafgaande procedure
De appellant is sedert 1 december 2004 als btw-plichtige geregistreerd voor een activiteit van fiscaal adviseur.
In het voorjaar van 2019 voerde de belastingadministratie een btw-controle uit bij de appellant met betrekking tot de aangegeven handelingen van de periode van 1 januari 2016 tot 31 december 2017. Ingevolge deze controle deed de administratie onder meer volgende vaststellingen in een correctieopgave van 4 oktober 2019:
- een aantal handelingen zou onterecht, in strijd met artikel 45, §1 WBTW, in aftrek gebracht zijn, omdat de goederen en/of diensten waarop ze betrekking hadden volledig of gedeeltelijk bestemd zouden zijn voor privédoeleinden of andere doeleinden dan die van de economische activiteit van de belastingplichtige; het betrof met name 2 facturen met betrekking tot autokosten inzake een voertuig BMW 118d, waarvoor volgens de administratie 70,00 EUR btw onterecht in aftrek gebracht werd; enkel de voorbelasting betaald van handelingen met betrekking tot een BMW 116d zou aftrekbaar zijn;
- 5 inkomende facturen, uitgereikt door de Luxemburgse vennootschap sa C., zouden onregelmatigheden vertonen met betrekking tot de verplichte factuurvermeldingen (o.a. ontbrekend btw-nummer, onduidelijke omschrijving van de geleverde prestaties, alsook het niet-vermelden van het toegepaste btw-tarief, van de munteenheid en van betalingsinstructies); tevens zou sa C. niet terug te vinden zijn op leverancierslijsten van de appellant, zou geen onderliggend contract tussen sa C. en de appellant voorliggen en was de nationaliteit van sa C. moeilijk vast te stellen nu het toegepaste btw-tarief 21% was terwijl het hoogste btw-tarief in Luxemburg 17% betrof; met betrekking tot de onregelmatige facturen was 55.650,00 EUR btw ten onrechte in aftrek gebracht volgens de belastingadministratie;
- de btw met betrekking tot een aantal verkoopfacturen zou opgenomen zijn in laattijdige btw-aangiftes, ten gevolge waarvan de nalatigheidsinteresten overeenkomstig artikel 91, §1 Btw-wetboek verschuldigd werden ten bedrage van 1.197,60 EUR;
-een proportionele geldboete van 200% ten bedrage van 111.539,26 EUR zou opgelegd worden; daarbij nam de administratie het bestaan van bedrieglijk opzet in aanmerking, waarbij zij erop wees dat de appellant de btw die hij in aftrek bracht in werkelijkheid nooit betaalde aan zijn leverancier en wederrechtelijk opnam in zijn privévermogen ten nadele van de Schatkist; de omvang en frequentie van de vastgestelde onregelmatigheden wezen volgens de geïntimeerde op een systematische en georkestreerde fraude en het opzet de belastingen te ontduiken.
De volgende verschuldigdheden werden in rekening gebracht:
| - als btw: | 55.769,63 EUR |
| - als proportionele geldboete (200%): | 111.539,26 EUR |
| - berekende interesten: | 1.197,60 EUR |
Gelet op het uitblijven van een reactie van de appellant op deze correctieopgave werd op 8 november 2019 een proces-verbaal van regularisatie opgemaakt en per aangetekende brief ter kennis gebracht van de appellant. In dit proces-verbaal werden de bovenstaande elementen hernomen.
Bij schrijven van 20 november 2019 liet de appellant aan de administratie weten niet akkoord te gaan met de inhoud van het proces-verbaal. Op diezelfde dag ondertekende hij tevens een verklaring van afstand van verlopen termijn van verjaring.
Met een verzoekschrift van 13 februari 2020 stelde de appellant zijn vordering in voor de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent. In het vonnis van 2 mei 2022 heeft de zesde kamer van deze rechtbank de vordering van de appellant ontvankelijk maar ongegrond verklaard, met veroordeling van de appellant tot de gedingkosten.
3. De vorderingen van de partijen
3.1. De vordering van de appellant
De appellant vraagt in hoger beroep aan het hof om:
1.Het hoger beroep, door concluant ingesteld bij verzoekschrift tot hoger beroep dd. 15.09.2022, ontvankelijk, toelaatbaar en gegrond te verklaren.
2.Derhalve het bestreden vonnis, op 2 mei 2022 gewezen door de e Kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg Oost-Vlaanderen — Afdeling Gent, rechtdoende in fiscale zaken, onder A.R. nr. 20/455/AA te vernietigen.
3.En opnieuw rechtdoende:
3.1. Zowel:
a) de kennisgeving van proces-verbaal van regularisatie inzake BTW, periode van 1 januari 2016 tot 31 december 2017, met kenmerk ..., dd. 8 november 2019,
b) als de correctieopgave dd. 4 oktober 2019 inzake BTW met betrekking tot de
periode van 1 januari 2016 tot 31 december 2017, met kenmerk ...,
te vernietigen, in zoverre daarin:
1° de aftrek van BTW ten bedrage van 70,00 EUR verworpen wordt die betrekking heeft op de facturen van D. R. G. voor autokosten BMW 118d;
2° de aftrek van BTW ten bedrage van 55.650,00 EUR verworpen wordt die betrekking heeft op de facturen van de S.A. C..
3° intresten in rekening werden gebracht:
** de wettelijke intresten in toepassing van artikel 91 § 1 van het BTW-wetboek, tegen het tarief voorzien door deze bepaling, op het bedrag van de belasting, afgerond op het lagere tiental, te rekenen vanaf 21.01.2018;
** de intercalaire intresten ad. 1.197,60 EUR.
4° een proportionele geldboete in rekening werd gebracht, in toepassing van artikel 70 § 1 van het BTW-wetboek, gelijk aan het dubbel van de belasting die beweerdelijk op onrechtmatige of ongeoorloofde wijze in aftrek zou zijn gebracht, berekend als volgt: 55.769,63 EUR X 2 = 111.539,26 EUR.
3,2. Te statueren dat concluant wel degelijk terecht de voormelde bedragen van 70,00 EUR en van 55.650,00 EUR aan BTW in aftrek heeft genomen en deze bedragen als dusdanig in aftrek in de berekeningen dienen te worden opgenomen en gehandhaafd.
3,3. Tevens te statueren dat concluant geen wettelijke intresten en/of intercalaire intresten ad. 1.197,60 EUR verschuldigd is, noch enige proportionele geldboete.
3.4. De geïntimeerde te veroordelen tot de gerechtskosten van de beide instanties, zoals hierna begroot.
t..1
a) Procedure in eerste aanleg:
** bijdrage Fonds Tweedelijnsbijstand 20,00 EUR
** rechtsplegingsvergoeding 1.440,00 EUR
b) Procedure in hoger beroep:
** bijdrage Fonds Tweedelijnsbijstand 22,00 EUR
** rechtsplegingsvergoeding 1.680,00 EUR
3.2. De vorderiniLvan de_geïntimeerde
De geïntimeerde vraagt in hoger beroep aan het hof om:
het hoger beroep van de appellant ontvankelijk maar ongegrond te verklaren;
appellant in al zijn eisen af te wijzen en zodoende het bestreden vonnis, zoals verleend door de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, op de terechtzitting van 2 mei 2022 in de zaak met rolnummer 20/455/A, te bevestigen in al haar beschikkingen;
appellant te veroordelen tot alle kosten van het geding, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep begroot op 7.000,00 EUR.
4. De betwistingen en de beoordeling ervan
4.1. Over het eerste middel van de appellant: de afwezigheid van een handtekening op de correctiegopgave.
4.1.1. De appellant betoogt dat de correctieopgave van 4 oktober 2019 niet ondertekend werd en dat het proces-verbaal van 8 november 2019 geen opsomming van enige onregelmatigheden vermeldt, maar slechts verwijst naar de niet-ondertekende correctieopgave. Hij leidt er de nietigheid van zowel de correctieopgave als het navolgende proces-verbaal van 8 november 2019 uit af.
4.1.2. De appellant kan niet in zijn stelling gevolgd worden.
Een correctieopgave is geen door het Btw-wetboek geregeld formeel instrument van taxatie, van invordering of van geschillenregeling. Het betreft in de regel het eerste standpunt dat de belastingadministratie aan een btw-plichtige kenbaar maakt, waarin zij (1) standpunt inneemt met betrekking tot wijzigingen die zij meent te moeten aanbrengen aan de gegevens vermeld in de btw-aangiften, (2) een systematisch overzicht geeft van de door haar vastgestelde inbreuken en verschuldigdheden en, in voorkomend geval, van de vooropgestelde geldboetes, en (3) doorgaans aanstuurt op een minnelijk akkoord, door een modelformulier tot minnelijk akkoord toe te voegen. Een correctieopgave is niet van aard (definitieve) rechtsgevolgen te creëren in hoofde van de belastingplichtige aan wie ze wordt gericht. Geen enkele wetsbepaling verplicht de belastingplichtige erop te reageren of verbindt een sanctie aan het niet of niet tijdig beantwoorden van een correctieopgave.
Waar een correctieopgave op zich geen rechtsgevolgen creëert, leidt de niet-ondertekening ervan derhalve ook niet tot de nietigheid van deze correctieopgave of van de stukken die nadien worden opgemaakt.
4.1.3. Op 4 oktober 2019 bracht de geïntimeerde de niet ondertekende correctieopgave ter kennis van de appellant.
Bij gebrek aan reactie van de appellant op deze correctieopgave werd hem bij aangetekend schrijven van 8 november 2019 (stuk 11 van de geïntimeerde) een kennisgeving van proces-verbaal van regularisatie in de zin van artikel 85, §1 Btw-wetboek gericht, in bijlage waarvan een deugdelijk ondertekend en op 8 november 2019 gedateerd proces-verbaal van regularisatie werd gevoegd, dat alle gegevens en elementen die vermeld waren in de correctieopgave van 4 oktober 2019 woordelijk hernam (stuk 8 van de geïntimeerde). De stelling van de appellant dat in het proces-verbaal van 8 november 2019 louter verwezen wordt naar de correctieopgave van 4 oktober 2019 wordt tegengesproken door de dossierstukken.
Het hof ziet geen enkele reden om het proces-verbaal van 8 november 2019, dat op regelmatige wijze werd opgemaakt en ter kennis gebracht van de appellant, dat zijn rechtsgrond vindt in artikel 59, §1 Btw-wetboek en dat de verantwoording bevat van de belastingschuld in de zin van artikel 85, §1 Btw-wetboek, nietig te verklaren.
Deze grief van de appellant is derhalve ongegrond.
4.2. Over het tweede middel van de appellant: de btw-aftrek inzake de BMW 118d
4.2.1. De appellant weet zich gegriefd door het bestreden vonnis, omdat de eerste rechter geoordeeld heeft dat de belastingadministratie de btw die de appellant in aftrek heeft gebracht met betrekking tot 2 facturen die een voertuig BMW 118d betreffen, terecht beschouwd heeft als niet aftrekbare btw.
4.2.2. Krachtens artikel 45, §1, 1° Btw-wetboek mag elke belastingplichtige op de belasting die hij verschuldigd is, de belasting geheven van de aan hem geleverde goederen en verleende diensten in aftrek brengen in de mate dat hij die goederen en diensten gebruikt voor het verrichten van belaste handelingen.
Artikel 1 van het koninklijk besluit nr. 3 van 10 december 1969, met betrekking tot de aftrekregeling voor de toepassing van de btw luidt als volgt:
§1. Onder voorbehoud van de toepassing van artikel 45, §§ 1bis, 2 en 3, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, brengt de belastingplichtige, onder de voorwaarden gesteld bij de artikelen 2 tot 4 van dit besluit, de belasting in aftrek geheven van de goederen en diensten die hij bestemt voor het verrichten van in artikel 45, §1, 1° tot 5°, van het Wetboek bedoelde handelingen.
Indien de belastingplichtige in de uitoefening van zijn economische activiteit andere handelingen verricht waarvoor geen aanspraak op aftrek bestaat, gedraagt hij zich, voor het vaststellen van de verrichten aftrek, naar het bepaalde in de artikelen 46 en 48 van het Wetboek en 12 tot 21 van dit besluit.
§2. Voor aftrek komt in geen geval in aanmerking de belasting geheven van de goederen en diensten die een belastingplichtige bestemt voor privédoeleinden of voor andere doeleinden dan die van zijn economische activiteit.
Wanneer een goed of een dienst bestemd is om gedeeltelijk voor zulke doeleinden te worden gebruikt, is het recht op aftrek naar verhouding van dat gebruik uitgesloten. Die verhouding dient door de belastingplichtige te worden bepaald onder controle van de administratie belast met de belasting over de toegevoegde waarde.
Het recht op aftrek wordt uitgeoefend op basis van het bestemmingsbeginsel. Dit houdt in dat de belastingplichtige de btw op goederen of diensten slechts in aftrek mag brengen indien hij deze goederen of diensten daadwerkelijk bestemt voor de uitoefening van zijn economische activiteit. De belastingplichtige die de voorbelasting in aftrek wil brengen, dient het bewijs te leveren dat aan het bestemmingsbeginsel voldaan is.
4.2.3. Zoals de eerste rechter terecht vaststelde, blijft de stelling van de appellant dat het voertuig BMW 118d bestemd was voor de uitoefening van zijn economische activiteit, bij loutere beweringen. Waar de geïntimeerde aanvoert dat er enkel een huurovereenkomst met betrekking tot een voertuig BMW 116d voorgelegd werd en dat de appellant volgens Mobivis geen voertuig(en) op zijn naam heeft staan, weerlegt of betwist de appellant deze stellingen niet. De appellant toont niet aan dat hij het voertuig BMW 118d bestemde voor de uitoefening van zijn economische activiteit.
In die omstandigheden heeft de geïntimeerde terecht de aftrek van btw voor de betrokken facturen geweigerd.
Ook deze grief van de appellant is ongegrond.
4.3. Over het derde middel van de appellant: de aftrek van de btw met betrekking tot de facturen C.
4.3.1. De appellant komt voorts op tegen het bestreden vonnis in zoverre daarin zijn vordering tot aftrek van de voorbelasting met betrekking tot de inkomende facturen van sa C. ongegrond verklaard wordt.
Voorwerp van betwisting zijn 5 facturen (meer bepaald, 1 jaarfactuur voor 2016 en 4 kwartaalfacturen voor 2017) die aan de appellant werden uitgereikt door de sa C. die haar maatschappelijke zetel in het Groothertogdom Luxemburg heeft:
- factuur nr. 001/2016 van 31 december 2016, met betrekking tot het "G.", maatstaf van heffing 125.000,00 EUR en verschuldigde btw 26.250,00 EUR; factuur nr. 001/2017 van 31 maart 2017 met betrekking tot het "G.", maatstaf van heffing 31.250,00 EUR en verschuldigde btw 6.562,50 EUR;
- factuur nr. 002/2017 van 30 juni 2017 met betrekking tot het "G.", maatstaf van heffing 31.250,00 EUR en verschuldigde btw 6.562,50 EUR;
- factuur nr. 003/2017 van 30 september 2017 met betrekking tot het "G.", maatstaf van heffing 31.250,00 EUR en verschuldigde btw 6.562,50 EUR;
- factuur nr. 004/2017 van 31 december 2017 met betrekking tot het "G.", maatstaf van heffing 42.500,00 EUR en verschuldigde btw 8.925,00 EUR.
4.3.2. De appellant voert aan dat hij recht heeft op de aftrek van de voorbelasting.
Blijkens het relaas van de appellant in conclusies zou hij een afspraak tot samenwerking hebben met sa C. (en haar eventuele partners) die onder de noemer 'G.' humanitaire projecten wil opzetten, onder meer in België. De appellant zou als consultant meewerken aan de ontwikkeling van 'G.' en aan de voorbereiding van pilootprojecten in België, bij de effectieve lancering waarvan hij als gedelegeerd bestuurder zou worden aangesteld en vergoed. In dat kader zouden door 'G.'
- ontwikkelingskosten gemaakt zijn die aan de appellant toerekenbaar zouden zijn. Het zou, blijkens elk van de 5 betwiste facturen, een aandeel in die ontwikkelingskosten zijn dat het voorwerp uitmaakt van de facturen, met name een "montant forfaitaire de 5% du montant total de la cession totale des dettes ..." (vrij vertaald als: "forfaitair bedrag van 5% van het totale bedrag van de schuldoverdracht"). Daarbij zou het de bedoeling zijn dat de factuurbedragen worden verrekend en afgehouden van de vergoedingen die de appellant zal ontvangen, van zodra het eerste project in België zal zijn opgestart waarvoor hij als gedelegeerd bestuurder zal zijn aangesteld.
Het project 'C.' zou in het kader van humanitaire werken erkend zijn door de EU, de VSA en Rusland. De appellant verwijst in dat verband naar de brief van 28 juli 2014 van ene J. P. aan de Belgische staat in het kader van een genadeverzoek met betrekking tot een straf die ten aanzien van hem uitgesproken werd, en naar briefwisseling die hij in het voorjaar van 2023 gevoerd zou hebben met deze J. P. .
De appellant benadrukt bij herhaling dat de facturatie gebeurde in het jaar waarin de kosten werden gemaakt door 'G.', maar dat de betaling ervan pas dient te gebeuren bij de effectieve opstart van de pilootprojecten. Evenwel zou niet als voorwaarde gesteld mogen worden dat de facturen daadwerkelijk in het boekjaar zijn betaald om ze als bedrijfskosten in het boekjaar te kunnen of mogen opnemen. Hij beklemtoont dat de facturen volkomen kaderen in zijn economische activiteit als consultant inzake de ontwikkeling van 'G.'.
De appellant houdt voorts voor dat sa C. steeds heeft gesteld rechtsgeldig opgericht te zijn en een aanvraag ingediend te hebben voor de toekenning van een Belgisch btw-nummer. De niet-vermelding van sa C. op de leverancierslijsten van de appellant zou voortvloeien uit het feit dat sa C. nog geen Belgisch btw-nummer aan de appellant had medegedeeld.
Dat de facturen verschillende onregelmatigheden vertonen, betwist de appellant niet maar verklaart hij in conclusies in het licht van de concrete omstandigheden van de zaak en zijn afspraken met sa C. . Het ontbreken van een schriftelijke overeenkomst met sa C. doet volgens hem geen afbreuk aan de bewijskracht van de facturen.
4.3.3. In toepassing van artikel 45, §1, 1° Btw-wetboek mag elke belastingplichtige op de belasting die hij verschuldigd is, de belasting in aftrek brengen, geheven op de aan hem geleverde goederen en verleende diensten in de mate dat hij die goederen en diensten gebruikt voor het verrichten van belaste handelingen.
De appellant die het recht op aftrek inroept voor wat betreft de 5 voornoemde facturen, moet aantonen dat hij zich in de voorwaarden bevindt om het recht op aftrek te kunnen uitoefenen. Met name moet hij bewijzen dat de handelingen waarvoor aanspraak gemaakt wordt op het recht op aftrek, daadwerkelijk hebben plaatsgevonden.
4.3.4. Het hof doet volgende vaststellingen in het dossier:
- een overeenkomst houdende de samenwerkingsafspraken tussen de appellant en 'G.' of sa C., ligt niet voor; in het schrijven van 28 juli 2014 van J. P. aan de Belgische Staat, dat strekte tot het (financieel) faciliteren van een genadeverzoek ingesteld door de appellant met betrekking tot een strafrechtelijke veroordeling in zijnen hoofde, wordt weliswaar verwezen naar 'G.', humanitaire projecten en de samenwerking (joint venture) met de appellant, maar de onderliggende overeenkomst zelf wordt niet gevoegd;
- enig bewijs (anders dan de betrokken facturen) van gerichte afspraken tussen 'G.', sa C. en de appellant, in het bijzonder wat betreft de taakomschrijving van de appellant, diens deelname in de ontwikkelingskosten van humanitaire projecten en de wijze waar op hij vergoed zou worden, ontbreekt;
- het blijft volkomen duister wat de werkzaamheden van 'G.' of sa C. precies inhouden en wat de concrete aard, doelstelling of omvang is van de 'humanitaire (piloot)projecten' die zouden worden opgezet;
ieder bewijs van kosten gemaakt door sa C. of 'G.' dan wel daadwerkelijke prestaties geleverd door sa C. of 'G.' ontbreekt; de betrokken facturen bevatten geen bijlage waarin een overzicht gegeven wordt van de gemaakte kosten;
- enig bewijs van geleverde prestaties door de appellant (als consultant) voor de ontwikkeling van 'G.' en/of de voorbereiding van pilootprojecten inzake humanitaire samenwerking in België, ontbreekt; zelfs al zou in geval van dergelijke prestaties in voorkomend geval de vraag kunnen rijzen naar de facturatie en betaling ervan door (en niet aan) de appellant, minstens zouden ze een aanwijzing kunnen zijn dat de samenwerking, organisaties en projecten waarvan de appellant melding maakt, substantie hebben;
- enig bewijs of enige concrete aanwijzing voor een toekomstige daadwerkelijke (verdergezette) samenwerking tussen de appellant en sa C. of 'G.' (al dan niet met betrekking tot het leiden van humanitaire projecten) ontbreekt; het loutere feit dat de appellant nog contacten onderhoudt met J. P. — hetgeen afgeleid kan worden uit door de appellant bijgebrachte correspondentie van maart 2023 waarin weliswaar melding gemaakt wordt van P. (…) maar waarvan het hof de betekenis niet kan doorgronden bij ontstentenis van verdere context — volstaat daartoe niet;
een regelmatige identificatie van sa C. voor Belgische btw-doeleinden, is onbestaande;
de facturen vermelden geen bankgegevens; de appellant bevestigt in conclusies dat hij de facturen niet betaalde, maar dat het bedrag ervan verrekend zal worden met de bestuurdersvergoedingen waarop hij op enig ogenblik in de toekomst gerechtigd zal zijn.
In het licht van die vaststellingen ontbreekt ieder spoor van daadwerkelijke prestaties (door sa C., 'G.' of zelfs door de appellant zelf). Mochten de beweerde projecten werkelijk ontwikkeld zijn of worden, zou het hoe dan ook mogelijk moeten zijn om dit te staven aan de hand van stukken (zoals concrete project- of visieteksten over de keuze van humanitaire projecten, de omvang, draagwijdte en doelstellingen van het humanitair werk, de financiële omkadering van eventuele projecten, dan wel stukken waaruit de interactie blijkt met mogelijke partners of kandidaat-genieters van de humanitaire dienstverlening of communicatie over de voorbereiding van projecten, dan wel overzichten van gemaakte en projecties van toekomstige kosten, een business plan, of welk ander stuk dan ook). Mocht de appellant daadwerkelijk een samenwerking zijn aangegaan met de groep rond sa C. waaruit voor hem aanzienlijke financiële implicaties zouden voortvloeien (zoals alvast blijkt uit de bestreden facturen), dan zou men verwachten dat daarvan een (kader)overeenkomst voorligt met welbepaalde afspraken en dat de kwestieuze facturen bankgegevens vermelden, alsook een overzicht van de gemaakte kosten bevatten, waarover de appellant (enige vorm van) controle zou kunnen voeren. In besluiten maakt de appellant zelf melding van de oprichting van verschillende vennootschappen (onder meer in Zwitserland) en van talrijke onderhandelingen om een kredietlijn te bekomen in het kader van de voorgenomen projecten, maar ook van die verrichtingen ligt geen enkel stuk voor.
4.3.5. Voorts blijkt dat de 5 betwiste facturen op formeel vlak ernstige onregelmatigheden vertonen.
Krachtens artikel 3, §1, 1° van het KB nr. 3 van 10 december 1969 met betrekking tot de aftrekregeling voor de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde moet de belastingplichtige, om zijn recht op aftrek te kunnen uitoefenen ten aanzien van de belasting geheven van de aan hem geleverde goederen en verleende diensten, in het bezit zijn van een factuur uitgereikt overeenkomstig de artikelen 53, §2 en 53decies, §2 Btw-wetboek waarop de vermeldingen voorkomen bedoeld in artikel 5, §1 van het KB nr. 1 van 29 december 1992 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde. Artikel 5, §1 van het KB nr. 1 preciseert de verplichte vermeldingen op de factuur.
Hoewel op grond van artikel 5, §1, 2° van het KB nr. 1 het btw-identificatienummer van de leverancier van de goederen of van de dienstverrichter op de factuur vermeld moet worden, ontbreekt het btw-nummer van sa C. op elk van de vijf betwiste facturen. In strijd met artikel 5, §1, 9° van het KB nr. 1 staat ook het toepasselijke btw-tarief niet vermeld op de facturen. Daar waar artikel 5, §1, 6° van het KB nr. 1 voorschrijft dat de factuur de gegevens bevat die nodig zijn om de handeling te determineren en om het tarief van de belasting vast te stellen, inzonderheid de gebruikelijke benaming van de geleverde goederen en van de verstrekte diensten en hun hoeveelheid alsook het voorwerp van de diensten, vermelden de betwiste facturen slechts 'Missions pour préparations des "P." (P.) du "C." en faveur de la Belgiquel', 'prestations de service2' en 'pour membres contractuels en Belgique du G.en Mutation, réservé à des "E." (Etats-Nations P.) Dettes au niveau fiscal, TVA, cotisationis sociales avec leurs partenaires et avocatsi3 (zie factuur n° 001/2016) of een afgeleide van deze formulering. Iedere concrete omschrijving van de gefactureerde diensten ontbreekt.
Gelet op de afwezigheid van een registratie van sa C. voor Belgsiche btw-doeleinden en de vermelding van het Luxemburgse adres van de dienstverrichter kan er, zoals de geïntimeerde terecht opwerpt, vanuit gegaan worden dat er diensten verstrekt werden door een belastingplichtige gevestigd in Luxemburg aan een Belgische belastingplichtige (B2B). In toepassing van artikel 21, §2 Btw-wetboek zou de plaats van deze diensten in principe België zijn, ten gevolge waarvan de appellant de verschuldigde btw had moeten voldoen (artikel 51, §2, eerste lid, 10 Btw-wetboek). Dat Belgische btw voldaan zou zijn, blijkt uit niets en kan niet aangenomen worden, nu sa C. niet geïdentificeerd was voor btw-doeleinden en de appellant de btw kennelijk niet heeft voldaan. Dat de btw in Luxemburg zou zijn voldaan, blijkt evenmin.
Naast dit alles valt op dat de factuur inzake 2016 (stuk 3 van de appellant) die dateert van 31 december 2016 als volgnummer '001' draagt en dat de kwartaalfacturen inzake 2017 opgemaakt op 31 maart, 30 juni, 30 september en 31 december 2017 de volgnummers '001', '002', '003' en '004' dragen. Deze nummering laat veronderstellen dat sa C. in 2016 en 2017 geen andere facturen uitreikte dan aan de appellant. In het licht van de mondiale dienstverlening die sa C. en 'G.' schijnen te beogen, is dit een bijzondere vaststelling.
4.3.6. Samengevat kunnen de middels de 5 betwiste facturen gefactureerde bedragen op geen enkele wijze verbonden worden met enig stuk waaruit een daadwerkelijke samenwerking met of dienstverlening door sa C. of 'G., dan wel een opgezet kader van humanitaire projecten blijkt. De ontstentenis van identificatie van sa C. voor Belgische btw-doeleinden, de vage omschrijvingen van de prestaties van de diensten op de facturen ten gevolge waarvan de aard van de btw-handelingen, het toepasselijke btw-tarief en de schuldenaar van de btw niet gedetermineerd kunnen worden en de vaststelling dat de in de facturen vermelde btw klaarblijkelijk niet afgedragen werd, de afwezigheid van bankgegevens op de facturen en de opmerkelijke nummering van de facturen maken het bewijsdeficit compleet. In het geheel van die omstandigheden toont de appellant niet aan dat aan hem door sa C. of 'G.' daadwerkelijk prestaties werden geleverd in de voorbereiding van het opzetten van humanitaire projecten die hij vervolgens in België zou kunnen beheren. Evenmin toont hij aan dat de gefactureerde diensten verband houden met
1 Vrij vertaald: opdracht voor voorbereiding van de "P." (…) van het "C." ten voordele van België.
2 Vrij vertaald: verleende diensten.
3 Vrij vertaald: voor contractuele leden in België van G. in transformatie, voorbehouden aan "E." (P.) schulden op vlak van fiscaliteit, btw, sociale bijdragen met hun partners en advocaten.
enige eigen belaste handelingen. De materiële voorwaarden om te genieten van het recht op aftrek met betrekking tot de kwestieuze facturen zijn manifest niet vervuld.
In het licht van dit oordeel verliest de verwijzing door de appellant naar een arrest van het hof van beroep Antwerpen van 11 juni 2019 (2022/AR/42) iedere relevantie. In dat arrest werd geoordeeld dat een belastingplichtige, gelet op de verplichting tot boeking conform het boekhoudrecht, niet beschikt over de keuze om sociale bijdragen pas in aftrek te brengen in het jaar waarin ze werkelijk betaald werden. Niet alleen betrof het genoemde arrest een discussie over de toepassing van artikel 49 WIB92 en wijst de geïntimeerde terecht op de eigenheid van de btw-reglementering en artikel 45 van het Btw-wetboek, zodat de voorwaarden voor de uitoefening van het recht op btw-aftrek niet gelijkgesteld kunnen worden met de aftrekvoorwaarden van beroepskosten inzake de inkomstenbelastingen. Bovendien (en vooral) wordt de btw-aftrek ter zake niet geweigerd omdat de appellant die verbonden zou hebben aan een verkeerd tijdperk, maar wel omdat de appellant de werkelijkheid van de aan hem geleverde prestaties helemaal niet bewijst.
Het recht op aftrek werd terecht door de geïntimeerde verworpen.
4.4. Over het vierde middel van de appellant: de gevorderde nalatigheidsinteresten
4.4.1. Uit het proces-verbaal van regularisatie van 8 november 2019 blijkt dat de btw op een aantal verkoopfacturen opgenomen diende te worden in de btw-aangifte met betrekking tot het eerste, tweede en derde kwartaal van 2016 alsook het tweede kwartaal van 2017, maar in werkelijkheid pas opgenomen werd in de btw-aangiften met betrekking tot het vierde kwartaal van 2016 en het derde kwartaal van 2017.
De appellant houdt voor dat hij geen nalátigheidsinteresten verschuldigd kan zijn, aangezien hij, gelet op zijn verweer zoals uiteengezet onder titel 4.3., geen btw verschuldigd was. De geïntimeerde verwijst naar artikel 91 WBTW.
Anders dan de appellant in conclusies laat gelden, houdt de vordering van 1.197,60 EUR aan nalatigheidsinteresten geen verband met de inkomende facturen van sa C., maar met de laattijdige aangifte van de btw verschuldigd van verkoopfacturen uitgereikt door de appellant. Hierover bevraagd ter zitting kon de appellant geen bijkomende duiding geven bij de laattijdig aangegeven btw-handelingen.
Krachtens artikel 91 Btw-wetboek (zoals hier van toepassing) is van rechtswege een nalatigheidsinterest van 0,8 pct. verschuldigd wanneer de belasting niet voldaan is binnen de door deze wetsbepaling nader omschreven termijnen, in het bijzonder de termijn die ter uitvoering van artikel 53, §1, eerste lid, 3 Btw-wetboek is gesteld, betreffende het voldoen van de verschuldigd geworden belasting en het indienen van de btw-aangifte.
De appellant betwist de aangebracht worden in het gegevens betreffende de laattijdig aangegeven btw-handelingen die door de administratie proces-verbaal van 8 november 2019 niet op dienstige wijze. Op grond van artikel 59, §1 Btw-wetboek dringen deze bevindingen zich aan het hof op tot het tegendeel bewezen is. De nalatigheidsinterest is krachtens de wet verschuldigd De wettelijke tussentijdse interest ten bedrage van 1.197,60 EUR, zoals berekend in het proces-verbaal van 8 november 2019, is door de appellant verschuldigd.
4.4.2. Voor het overige moet de geïntimeerde gevolgd worden waar die stelt dat de verwerping van de aftrek van de voorbelasting vermeld op de facturen van sa C. tot gevolg heeft dat er btw verschuldigd was in de btw-aangiften. De in dat verband berekende interesten werden terecht gevorderd.
4.5. Over het vijfde middel van de appellant: de proportionele geldboete,
4.5.1. Aan de appellant werd op grond van artikel 70, §1 Btw-wetboek een proportionele geldboete van 111.539,26 EUR opgelegd, dit is 200% van de ontdoken belasting.
De geïntimeerde houdt voor dat de appellant handelde met het oogmerk de belasting te ontduiken. Hij wijst erop dat de appellant de btw die hij in aftrek bracht voor prestaties met betrekking tot het niet-bewezen / niet-bestaand project 'G.', in werkelijkheid nooit betaald heeft aan zijn leverancier en deze btw-gelden wederrechtelijk heeft opgenomen in zijn privévermogen, waardoor hij zichzelf een onrechtmatig voordeel verleend heeft ten nadele van de Schatkist. De hoegrootheid en frequentie van de vastgestelde onregelmatigheden wijzen volgens de geïntimeerde op een systematische en georkestreerde fraude, met als opzet belastingen te ontduiken.
De appellant betwist dat er in zijnen hoofde sprake zou zijn van enig bedrieglijk opzet om de belasting te ontduiken en vraagt te zeggen voor recht dat hij geen proportionele geldboete verschuldigd is. Hij houdt voor dat de kosten in aanmerking genomen moeten worden in het jaar waarin ze werden geboekt en niet in het jaar waarin ze werden betaald, gelet op het 'eenjarige principe'. Ter ondersteuning van zijn stelling verwijst hij opnieuw naar het reeds genoemde arrest van het hof van beroep Antwerpen.
4.5.2. Krachtens artikel 70, §1 Btw-wetboek wordt voor iedere overtreding van de verplichting de belasting te voldoen, een geldboete opgelegd gelijk aan het dubbele van de ontdoken of niet tijdig betaalde belasting. Krachtens artikel 84, derde lid Btw-wetboek wordt, binnen de door de wet gestelde grenzen, het bedrag van de proportionele fiscale boeten bepaald volgens een schaal waarvan de trappen door de Koning worden vastgesteld. Krachtens artikel 1, laatste lid van het koninklijk besluit nr. 41 van 30 januari 1987 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde, is de schaal voor de vermindering van de proportionele fiscale geldboeten niet van toepassing ten aanzien van overtredingen begaan met het oogmerk de belasting te ontduiken of de ontduiking ervan mogelijk te maken.
In de voorliggende zaak bestaat er geen twijfel over dat de appellant gehandeld heeft met het oogmerk de belasting te ontduiken.
De appellant heeft, gespreid over twee jaren. 55.650,00 EUR aan btw in aftrek gebracht, die was opgenomen in 5 facturen van sa C. . Evenwel ontbreekt werkelijk ieder spoor van enige achterliggende realiteit van de gefactureerde prestaties. Noch het bestaan van een netwerk rond de 'G.' of sa C., noch het bestaan van enige humanitaire projecten, noch het bestaan van enige geleverde diensten werd ook maar in het minst aannemelijk gemaakt. Zoals aangegeven kan de loutere communicatie uitgaande van J. P. daartoe niet bijdragen. De facturen bevatten geen betalingsgegevens en de appellant bevestigde dat hij de facturen nog niet betaalde.
Verder waren deze facturen, zoals hogerop uiteengezet, onregelmatig doordat zij o.a. noch het btw-nummer van sa C. (die in België niet geïdentificeerd was voor de btw-doeleinden), noch het toepasselijke btw-tarief, noch een behoorlijke omschrijving van de geleverde prestaties vermeldden. De appellant vermeldde sa C. ook niet in zijn leverancierslijsten, waarover hij in conclusies stelt dat dit te wijten was aan het feit dat sa C. hem 'nog altijd' geen Belgisch btw-nummer had medegedeeld. Als fiscaal adviseur kan de appellant niet anders dan geweten hebben dat deze facturen onregelmatig waren.
Gelet op de manifest onregelmatige en niet betaalde facturen, op grond waarvan de appellant aanspraak maakt op de aftrek van btw die niet werd afgedragen aan de Schatkist, met betrekking tot prestaties die geen enkel verband lijken te hebben met enige werkelijkheid, gelet ook op de omvang van de onrechtmatig in aftrek gebrachte bedragen en het herhaald karakter van de inbreuken, heeft de administratie terecht aangenomen dat de niet-aangifte gebeurde met het opzet om de belasting te ontduiken en kon ze de wettelijk voorziene boete van 200%, ten bedrage van 111.539,26 EUR, opleggen.
4.5.3. Waar de appellant het hof niet verzoekt om de wettigheid en de evenredigheid van de opgelegde administratieve sanctie te toetsten, zijn de overwegingen van de geïntimeerde in dat verband niet dienstig. De vordering van de appellant om voor recht te zeggen dat de opgelegde geldboete niet verschuldigd was, is ongegrond.
5. De gerechtskosten
De appellant wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de gerechtskosten in hoger beroep dragen.
Het rolrecht is vrijgesteld (belastingen (art. 162, 4° + 279/1 Wb.Reg.)).
Wat de rechtsplegingsvergoeding betreft, stelt het hof vast dat de vordering in hoger beroep in geld waardeerbaar is, zodat rekening moet worden gehouden met de (geïndexeerde) tariefschaal voor in geld waardeerbare zaken zoals bepaald in het KB Tarief Rechtsplegingsvergoeding van 26 oktober 2007. De waarde van de vordering bevindt zich in de schijf van 100.000,01 tot 250.000,00 EUR. De rechtsplegingsvergoeding wordt geïndexeerd op datum van de uitspraak (vandaag).
Na indexatie is het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding gelijk aan 7.500,00 EUR. Er is geen reden om af te wijken van het basisbedrag. De appellant is voor de procedure in hoger beroep aan de geïntimeerde een rechtsplegingsvergoeding verschuldigd van 7.500,00 EUR.
Beschikkend gedeelte
BESLISSING VAN HET HOF
Het hof doet recht op tegenspraak;
Het hof beslist als volgt:
het hoger beroep is ontvankelijk maar ongegrond;
het bestreden vonnis wordt bevestigd;
het hof veroordeelt de appellant tot het betalen van de gerechtskosten van het hoger beroep, vastgesteld als volgt:
- aan de kant van de appellant (maar te zijnen laste blijvend):
•bijdrage begrotingsfonds hoger beroep 22,00 EUR aan de kant van de geïntimeerde:
•rechtsplegingsvergoeding hoger beroep: 7.500,00 EUR
Aldus gewezen en uitgesproken in de openbare terechtzitting van het hof van beroep te Gent, VIJFDE KAMER, recht doende in fiscale zaken, op 5 maart 2024.
Aanwezig:
S. V. H., raadsheer, wn. voorzitter, alleenrechtsprekend D., griffier
Door de FOD bijgevoegde beslissing
Vonnis van de Rechtbank van eerste aanleg
Rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen afdeling Gent, zesde burgerlijke kamer
Vonnis van 02/05/2022
Rol: 20/455/A
In de zaak van
L. F., RRN 52....50 en KBO 08...82, voorheen wonende te ..., doch thans wonende te ...,
eisende partij, hebbende als raadsman mr. V. Y., advocaat te ...;
Tegen:
De BELGISCHE STAAT, FOD Financiën — Stafdienst Logistiek - Koning Albert II laan 33 bus 971 te 1030 Brussel, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, op vervolging en benaarstiging van de Algemene Administratie van de Fiscaliteit, handelend ten verzoeke van de Adviseur Generaal — Centrumdirecteur van het KMO Centrum Aalst, met kantoor te 9300 Aalst, Dr. A. Sierensstraat 16 bus 1, KBO 0308.357.159,
verwerende partij, voor wie optreden de heer X, adviseur bij een fiscaal bestuur, en de heer X, attaché bij een fiscaal bestuur;
Beslist de rechtbank als volgt :
I. DE RECHTSPLEGING
De rechtbank hoorde partijen in hun argumenten op de openbare terechtzitting van 4 april 2022. Vervolgens sloot de rechtbank het debat en nam de zaak in beraad. De rechtbank zag het dossier van de rechtspleging en de bewijsstukken in en in het bijzonder het gedinginleidende verzoekschrift van 13 februari 2020 en de conclusies van partijen.
II. DE VORDERING
Eiser vordert in 'eerste conclusies' de vordering ontvankelijk en gegrond te verklaren en vervolgens:
2. Zowel:
a) de kennisgeving van proces-verbaal van regularisatie inzake BTW, periode van 1 januari 2016 tot 31 december 2017, met kenmerk ..., dd. 8 november 2019,
b) als de correctieopgave dd. 4 oktober 2019 inzake BTW met betrekking tot de periode van 1 januari 2016 tot 31 december 2017, met kenmerk ...,
te vernietigen, in zoverre daarin:
1°) de aftrek van BTW ten bedrage van 70,00 EUR verworpen wordt die betrekking heeft op de facturen van D. R. G. voor autokosten BMW 118c1;
2°) de aftrek van BTW ten bedrage van 55.650,00 EUR verworpen wordt die betrekking heeft op de facturen van de S.A. C..
3°) een bedrag van 1.197,60 EUR aan interesten in rekening werd gebracht.
3. Te statueren dat [eiser] wel degelijk deze bedragen van 70,00 EUR en van 55.650,00 EUR aan BTW terecht in aftrek heeft genomen en deze bedragen als dusdanig in aftrek in de berekeningen dienen te worden opgenomen en gehandhaafd.
4. Tevens te statueren dat [eiser] geen bedrag van 1.197,60 EUR aan interesten verschuldigd is.
5. De Belgische Staat tevens te veroordelen tot alle kosten, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding ten bedrage van 1.440,00 EUR en van het bedrag van 20,00 EUR als bijdrage voor het Fonds van de Tweedelijnsbijstand.
KOSTEN:
Rechtsplegingsvergoeding 1.440,00 EUR
Bijdrage Fonds 20,00 EUR
1.460,00 EUR".
Verweerster vordert in synthesebesluiten de vordering ontvankelijk en ongegrond te verklaren en vervolgens:
"De eiser in al zijn eisen af te wijzen en hem te veroordelen tot het betalen van de bedragen die opgenomen zijn in het proces-verbaal tot regularisatie van 8 november 2019.
Eiser te veroordelen tot de kosten van het geding."
III. RELEVANTE FEITEN EN GESCHIL
1. De heer L. F., eiser, is geregistreerd als btw-belastingplichtige onder het nummer BE08...82 sedert 1 december 2004 voor de activiteit van fiscaal adviseur.
2
Op 6 maart 2019 werd per post een aankondiging van een fiscale controle, op 17 april 2019, verzonden door de fiscale administratie. De aankondiging werd verzonden samen met het verzoek om inzage te verlenen in de boeken en stukken die de belastingplichtige ingevolge of ter uitvoering van het W. BTW moest houden, opmaken of ontvangen, evenals van de handelsboeken, boekingsstukken, bestelbonnen, verzendingsstukken en contracten betreffende zijn beroepswerkzaamheid voor de periode 1 januari 2016 tot 31 december 2017.
3
De fiscale controle vond uiteindelijk plaats op 28 mei 2019.
4. Op grond van de voorgelegde boeken, facturen en documenten, van de in het dossier aanwezige stukken, van door de fiscale administratie verkregen gegevens en documentatie, van kennisgevingen en inlichtingen verkregen bij toepassing van de artikelen 62 en 63 W.BTW werden volgende inbreuken op btw-vlak vastgesteld, met name:
inbreuken op de aftrekregeling ten aanzien van goederen en/of diensten die volledig of gedeeltelijk bestemd zijn voor privédoeleinden of voor andere doeleinden dan die van de economische activiteit (verschuldigde btw: 70,00 EUR), proportionele geldboete: het dubbel van het bedrag van de belasting die op onregelmatige of ongeoorloofde wijze in aftrek werd gebracht, overeenkomstig art. 70, § ibis van het Btw-Wetboek. Krachtens KB nr. 41 van 30 januari 1987, artikel 1, laatste lid zijn de in de tabellen A tot J van de bijlage bij dit besluit niet van toepassing ten aanzien van overtredingen begaan met het oogmerk de belasting te ontduiken of de ontduiking ervan mogelijk te maken;
inbreuken op de aftrekregeling ten aanzien van de verplichting in het bezit te zijn van een regelmatige factuur (verschuldigde btw: 55.699,63 EUR), proportionele geldboete: het dubbel van het bedrag van de belasting die op onregelmatige of ongeoorloofde wijze in aftrek werd gebracht, overeenkomstig art. 70, § ibis van het Btw-Wetboek. Krachtens KB nr. 41 van 30 januari 1987, artikel 1, laatste lid zijn de in de tabellen A tot J van de bijlage bij dit besluit niet van toepassing ten aanzien van overtredingen begaan met het oogmerk de belasting te ontduiken of de ontduiking ervan mogelijk te maken;
interesten verschuldigd wegens niet tijdige aangifte van de belasting en de betaling ervan (verschuldigde intrest: 1.197,60 EUR).
5.Deze inbreuken werden opgenomen in een correctieopgave van 4 oktober
2019.
6.Ingevolge het uitblijven van enige reactie op deze correctieopgave werden deze inbreuken opgenomen in het proces-verbaal van 8 november 2019. Hieruit blijkt de volgende btw-schuld:
BTW : 55.769,63 EUR;
Proportionele geldboete: 111.539,26 EUR;
Nalatigheidsintresten: vanaf 21 januari 2018;
Berekende intresten: 1.197,60 EUR.
De verschuldigde bedragen werden ingeschreven in het R.C.I.V.-bestand onder nr. 50...33.
7.Op 21 november 2019 werd het ondertekende document "verklaring tot afstand van de verlopen tijd der verjaring ontvangen". Het document werd ondertekend op 20 november 2019.
8.Op 13 februari 2020 legde eiser een verzoekschrift neer ter griffie van deze rechtbank om zich te verzetten tegen het proces-verbaal van 8 november 2019 en de bijhorende correctieopgave van 4 oktober 2019.
IV. BEOORDELING
1. Ontvankelijkheid
Verweerster voert geen redenen aan die tot de onontvankelijkheid van de vordering kunnen leiden.
Nu de rechtbank evenmin middelen van onontvankelijkheid, die zij ambtshalve zou moeten opwerpen, vaststelt is de vordering ontvankelijk.
2. Ten gronde
Algemeen
2.1.
Het voorliggende geschil heeft betrekking op de aftrek van de btw inzake een
aantal facturen van de garage D. R. en facturen van de sa C..
Inzake de facturen van D. R. Garage
2.2.
Eiser stelt dat het voertuig BMW 118d werd gebruikt voor beroepsdoeleinden.
2.3.
De rechtbank acht de verklaring van eiser betreffende het beroepskarakter van het voertuig BMW 118d ongeloofwaardig. Het blijft bij loutere beweringen.
De rechtbank ziet redenen om het beroepskarakter van deze kosten niet te aanvaarden vermits deze niet afdoende worden aangetoond. Des te meer daar enkel een huurovereenkomst werd voorgelegd voor het voertuig BMW 116d. Bovendien hebben de facturen van de garage D. R. betrekking op een voertuig BMW 118d en niet op de BMW 116d.
2.4.
De rechtbank is van oordeel dat verweerster deze btw terecht niet heeft beschouwd als aftrekbare btw.
Inzake de facturen van de sa C.
2.5.
Eiser, die als consultant meewerkt in de ontwikkeling van de G. en de voorbereiding van de pilootprojecten die in België zullen worden opgestart, en waarin hij de gedelegeerd bestuurder zal zijn, argumenteert dat de uitgereikte facturen kaderen in de economische activiteit.
Deze facturen werden opgemaakt in uitvoering van de afspraken die door de heer J. P., gedelegeerd bestuurder van de sa C. en stichter van de `G.', met eiser werden gemaakt.
2.6.
Artikel 45 W.BTW luidt:
"§ 1.0p de belasting die hij verschuldigd is, mag elke belastingplichtige in aftrek brengen de belasting geheven van de aan hem geleverde goederen en verleende diensten, van de door hem ingevoerde goederen en de door hem verrichte intracommunautaire verwervingen van goederen, in de mate dat hij die goederen en diensten gebruikt voor het verrichten van:
1° belaste handelingen;
2° handelingen vrijgesteld van de belasting krachtens de artikelen 39 tot 42;
3° handelingen in het buitenland, waarvoor recht op aftrek zou ontstaan indien zij in het binnenland zouden plaatsvinden;
4° handelingen bedoeld in artikel 44, § 3, 4° tot 10°, telkens wanneer de medecontractant buiten de Gemeenschap is gevestigd, of de genoemde handelingen, volgens door of vanwege de Minister van Financiën te bepalen voorwaarden, rechtstreeks samenhangen met goederen die bestemd zijn om te worden uitgevoerd naar een land buiten de Gemeenschap;
5° diensten als makelaar of lasthebber bij in 4° bedoelde handelingen."
2.7.
De rechtbank stelt vast dat er geen onderliggende stukken voorliggen die een basis vormen voor de uitgereikte facturen sa C.. Volgens de rechtbank is het niet gebruikelijk dat voor dergelijke prestaties geen overeenkomst zou worden opgesteld waarin de verschillende modaliteiten en voorwaarden worden opgenomen. Althans deze overeenkomst wordt niet voorgelegd.
De rechtbank is dan ook niet in staat om de voorgelegde facturen te toetsen aan de modaliteiten en voorwaarden overeengekomen tussen partijen, enerzijds eiser en anderzijds sa C.. Verder is het voor de rechtbank niet duidelijk of dit project in werkelijkheid reeds is opgestart. Het blijft bij loutere beweringen.
2.8..
De rechtbank is van oordeel dat deze facturen op basis van een niet voorgelegde overeenkomst, waarbij dienstverlening blijkbaar centraal staat, én waarbij aanzienlijke bedragen door eiser zijn verschuldigd, waarbij bepaalde verplichtingen op de facturen ontbreken (o.m. ontbreken btw-nummer, onduidelijke omschrijving prestaties) geen afdoende wettelijke basis zijn om de btw te aanzien als aftrekbare btw.
2.9.
De rechtbank besluit dat verweerster, op grond van de hierboven gemaakte vaststellingen, terecht heeft geoordeeld dat de btw niet aftrekbaar is.
Inzake de administratieve geldboeten
2.10.
Overeenkomstig artikel 70 §1 W.BTW wordt, voor iedere overtreding van de verplichting de belasting te voldoen, een geldboete opgelegd gelijk aan het dubbele van de ontdoken of niet tijdig betaalde belasting. Krachtens artikel 70 §1bis W.BTW verbeurt ieder die op onrechtmatige of ongeoorloofde wijze de belasting in aftrek heeft gebracht, een geldboete gelijk aan het dubbele van die belasting, in zover die overtreding niet wordt bestraft bij toepassing van §1, eerste lid.
Overeenkomstig artikel 84 W.BTW wordt het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten binnen de door de wet gestelde grenzen verminderd volgens een schaal waarvan de trappen door de Koning worden vastgesteld.
Overeenkomstig artikel 1, laatste lid van het KB nr. 41 van 30 januari 1987 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de BTW is de schaal voor de vermindering van de proportionele fiscale geldboeten niet van toepassing ten aanzien van overtredingen begaan met het oogmerk de belasting te ontduiken of de ontduiking ervan mogelijk te maken.
2.11.
De rechter die gevraagd wordt een administratieve sanctie te controleren die een strafrechtelijk karakter heeft in de zin van artikel 6 EVRM, zoals in voorliggend geval, moet de wettigheid van die sanctie nagaan en kan meer bepaald onderzoeken of die sanctie verenigbaar is met de dwingende vereisten van de internationale verdragen en van het interne recht, met inbegrip van de algemene rechtsbeginselen. Dat controlerecht biedt de rechter de mogelijkheid om, met in aanmerkingneming van alle omstandigheden van de zaak, te onderzoeken of de straf niet buiten verhouding staat tot de overtreding, zodat hij kan onderzoeken of de administratie redelijkerwijs een administratieve sanctie van die omvang mocht opleggen. In dat opzicht kan de rechter inzonderheid rekening houden met de ernst van het misdrijf, het bedrag van de reeds opgelegde sancties en de wijze waarop uitspraak is gedaan in soortgelijke zaken. Dit controlerecht houdt niet in dat de rechter, louter om opportuniteitsredenen en in strijd met de wettelijke regels, geldboeten kan kwijtschelden of verminderen (zie ook Cass. 18 april 2013, F.11.0142.F).
Gelet op de volle rechtsmacht die deze rechtbank heeft inzake administratieve boetes die een strafrechtelijk karakter hebben in de zin van artikel 6 EVRM, is deze rechtbank van oordeel dat zij bevoegd is om de opgelegde geldboete te verminderen of zelfs kwijt te schelden. Artikel 70 W.BTW moet in grondwettelijke zin worden geïnterpreteerd (zie ook GwH 15 mei 2008, nr. 79/2008).
2.12.
De fiscale administratie heeft in voorliggend geval de schaal van verminderde geldboeten niet toegepast omdat de overtredingen werden begaan met het oogmerk de belasting te ontduiken of de ontduiking ervan mogelijk te maken.
De rechtbank stelt vast dat verweerster terecht de verminderde geldboeten niet kon toepassen omwille van het feit dat eiser doelbewust zijn verplichtingen niet is nagekomen.
2.13.
De rechtbank is om die redenen van oordeel dat de opgelegde boete evenredig is met de inbreuken en met het doel van een administratieve boete. Daarom beslist de rechtbank om de boete niet te matigen. Hetgeen blijkbaar ook niet uitdrukkelijk wordt gevorderd door eiser.
Besluit
2.14.
Alle meeromvattende en strijdige argumenten worden verworpen als niet ter zake dienend.
Op basis van de hierboven gemaakte overwegingen is de vordering van eiser ongegrond zodat de correctie-opgave (naheffing) wordt bevestigd.
V. GERECHTSKOSTEN
1.De kosten omvatten in de voorliggende zaak onder meer de rechtsplegingsvergoeding, zoals bepaald in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek (art. 1018, 6' Gerechtelijk Wetboek).
In toepassing van de artikelen 279 en 162,4 van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten is geen rolrecht verschuldigd.
2.Aangezien verweerster geen beroep op een advocaat heeft gedaan, kan zij ook geen aanspraak maken op een rechtsplegingsvergoeding. In deze omstandigheid is het dan ook overbodig tot begroting ervan over te gaan.
OM DEZE REDENEN,
BESLIST DE RECHTBANK, recht doende op tegenspraak,
met inachtneming van de artikelen 2 en 37 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken:
- alle meeromvattende en strijdige argumenten te verwerpen als niet ter zake dienend;
- de vordering van eiser ontvankelijk en ongegrond te verklaren;
- eiser te veroordelen tot de kosten van deze aanleg met name de bijdrage bedoeld in artikel 4 § 2 en 5 §§ 1 en 2 van de wet van 19 maart 2017 tot oprichting van een begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand ten belope van 20,00 EUR ten zijne laste te leggen en te zeggen voor recht dat dusver geen andere kosten van het geding te begroten zijn.
Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting door de zesde burgerlijke kamer van de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, op maandag 2 mei 2022, waar aanwezig waren : de heer Y. L., rechter, voorzitter van deze kamer, bijgestaan door mevrouw T. D. Z., griffier.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.