(Uitvoering van de artikelen 12, § 1, en 45 tot 49 van het Wetboek)
Officieuze coördinatie nr. 12 – Laatstelijk gewijzigd met ingang van 20.02.2026 bij:
-10 FEBRUARI 2026. - Wet houdende diverse bepalingen inzake belasting over de toegevoegde waarde (1) B.S. 20.02.2026 Numac: 2026001291
EERSTE AFDELING.
Voorwaarden waaraan het uitoefenen van het recht op aftrek onderworpen is.
art. 1
128 documenten(De tekst van KB nr. 3, artikel 1, § 2, tweede lid, werd gewijzigd met ingang van 16.05.2014 (Art. 6, KB 24.01.2015, B.S. 20.02.2015 - Ed. 2, pg. 13872, erratum B.S. 17.04.2015, pg. 22342, vervangen door erratum B.S. 27.04.2015, pg. 23413))
Onder voorbehoud van de toepassing van artikel 45, §§ 1bis, 2 en 3, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, brengt de belastingplichtige, onder de voorwaarden gesteld bij de artikelen 2 tot 4 van dit besluit, de belasting in aftrek geheven van de goederen en diensten die hij bestemt voor het verrichten van in artikel 45, § 1, 1° tot 5°, van het Wetboek bedoelde handelingen.
Indien de belastingplichtige in de uitoefening van zijn economische activiteit andere handelingen verricht waarvoor geen aanspraak op aftrek bestaat, gedraagt hij zich, voor het vaststellen van de te verrichten aftrek, naar het bepaalde in de artikelen 46 en 48 van het Wetboek en 12 tot 21 van dit besluit.
Voor aftrek komt in geen geval in aanmerking de belasting geheven van de goederen en diensten die een belastingplichtige bestemt voor privé-doeleinden of voor andere doeleinden dan die van zijn economische activiteit.
Wanneer een goed of een dienst bestemd is om gedeeltelijk voor zulke doeleinden te worden gebruikt, is het recht op aftrek naar verhouding van dat gebruik uitgesloten. Die verhouding dient door de belastingplichtige te worden bepaald onder controle van de administratie belast met de belasting over de toegevoegde waarde.
art. 2
98 documentenlid 1(De tekst van KB nr. 3, artikel 2, werd vervangen met ingang van 01.01.2013 (Art. 4, K.B. 30.04.2013, B.S. 08.05.2013))
lid 2Het recht op aftrek ontstaat:
ten aanzien van de belasting geheven van de aan de belastingplichtige geleverde goederen en verleende diensten, op het tijdstip waarop de belasting opeisbaar wordt krachtens de artikelen 16, § 1, 17, 22, § 1 en 22bis van het Wetboek;
ten aanzien van de belasting geheven van een handeling die de belastingplichtige verricht voor de behoeften van zijn economische activiteit en die wordt gelijkgesteld met een levering door artikel 12, § 1, eerste lid, 3° en 4°, van het Wetboek, of met een dienst door artikel 19, § 2, eerste lid, 1°, of § 3, van het Wetboek, op het tijdstip waarop de belasting opeisbaar wordt krachtens de artikelen 16, § 1, 17, 22, § 1 en 22bis van het Wetboek;
ten aanzien van de belasting geheven van een invoer, op het tijdstip waarop die belasting opeisbaar wordt krachtens artikel 24 van het Wetboek;
ten aanzien van de belasting geheven van een intracommunautaire verwerving, op het tijdstip waarop die belasting opeisbaar wordt krachtens artikel 25sexies van het Wetboek;
ten aanzien van de belasting geheven van een handeling die de belastingplichtige verricht voor de behoeften van zijn economische activiteit en die wordt gelijkgesteld met een intracommunautaire verwerving door artikel 25quater van het Wetboek, op het tijdstip waarop de belasting opeisbaar wordt krachtens artikel 25sexies van het Wetboek;
ten aanzien van de belasting die verschuldigd is of voldaan wordt in de omstandigheden bedoeld in artikel 58, § 4, 7°, tweede lid, van het Wetboek, op het tijdstip bepaald in artikel 58, § 4, 7°, derde lid, van het Wetboek;
ten aanzien van de belasting geheven van een handeling bedoeld in artikel 7, § 3, van het koninklijk besluit nr. 54 met betrekking tot de andere regeling van entrepot dan douane-entrepot bedoeld in artikel 39quater van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, op het tijdstip waarop die belasting opeisbaar wordt krachtens artikel 9 van datzelfde besluit.
art. 3
(Tekst met ingang van 01.01.2026)[historiek]
Om zijn recht op aftrek te kunnen uitoefenen moet de belastingplichtige:
ten aanzien van de belasting geheven van de aan hem geleverde goederen en verleende diensten, in het bezit zijn van een factuur uitgereikt overeenkomstig de artikelen 53, § 2 of § 2bis en 53decies, § 2, van het Wetboek waarop de vermeldingen voorkomen bedoeld in artikel 5, § 1, van het koninklijk besluit nr. 1 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde;
ten aanzien van de belasting geheven van een handeling die hij verricht voor de behoeften van zijn economische activiteit en die wordt gelijkgesteld met een levering door artikel 12, § 1, eerste lid, 3° en 4° van het Wetboek, of met een dienst door artikel 19, § 2, eerste lid, 1°, of § 3, van het Wetboek, het in artikel 3 van het koninklijk besluit nr. 1, met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde bedoelde stuk opmaken en de verschuldigde belasting opnemen in de aangifte met betrekking tot het tijdvak waarin ze opeisbaar wordt;
ten aanzien van de belasting geheven van de invoeren gedaan onder het stelsel van de verlegging van de heffing naar het binnenland, de verschuldigde belasting opnemen in de aangifte met betrekking tot het tijdvak waarin ze opeisbaar wordt;
ten aanzien van de belasting geheven van intracommunautaire verwervingen van goederen, in het bezit zijn van een factuur uitgereikt overeenkomstig de wettelijke bepalingen die van kracht zijn in de lidstaat van waaruit die goederen zijn verzonden of vervoerd, of bij gebreke van een dergelijk factuur, het stuk bedoeld in artikel 9, § 1, van het koninklijk besluit nr. 1 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde en hetzij de verschuldigde belasting opnemen in de aangifte met betrekking tot het tijdvak waarin ze opeisbaar wordt, hetzij in de gevallen bedoeld in de artikelen 1 en 2 van het koninklijk besluit nr. 46 tot regeling van de aangifte van de intracommunautaire verwerving van vervoermiddelen en van de betaling van de ter zake verschuldigde BTW in het bezit zijn van de in artikel 1 van genoemd besluit bedoelde bijzondere aangifte;
ten aanzien van de belasting geheven van een handeling die de belastingplichtige verricht voor de behoeften van zijn economische activiteit en die met een intracommunautaire verwerving wordt gelijkgesteld door artikel 25quater van het Wetboek, in het bezit zijn van het transfertdocument opgesteld overeenkomstig de wettelijke bepalingen die van kracht zijn in de lidstaat van waaruit deze goederen zijn verzonden of vervoerd of bij gebreke ervan, het in artikel 9, § 3, van het koninklijk besluit nr. 1 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde bedoelde stuk en de verschuldigde belasting opnemen in de aangifte met betrekking tot het tijdvak waarin ze opeisbaar wordt;
ten aanzien van de belasting geheven van de handelingen waarvoor hij, bij toepassing van artikel 51, § 2, eerste lid, 1°, 2°, 5° en 6° of § 4, of van artikel 55, § 6, van het Wetboek, ertoe gehouden is zelf de opeisbare belasting te voldoen, in het bezit zijn van een factuur uitgereikt overeenkomstig de artikelen 53, § 2 of § 2bis en 53decies, § 2, van het Wetboek of, bij gebreke van een dergelijke factuur, van het bedoelde stuk in artikel 9, § 1, van het koninklijk besluit nr. 1 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde of in artikel 5, § 2, van het koninklijk besluit nr. 31 van 2 april 2002 met betrekking tot de toepassingsmodaliteiten van de belasting over de toegevoegde waarde ten aanzien van de handelingen verricht door niet in België gevestigde belastingplichtigen en de verschuldigde belasting opnemen in de aangifte met betrekking tot het tijdvak waarin ze opeisbaar wordt.
In afwijking van § 1 kan in de gevallen bedoeld in artikel 13 van het koninklijk besluit nr. 1 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde, de aftrek worden verricht met inachtneming van de door of vanwege de Minister van Financiën gestelde voorwaarden.
[...]
art. 4
73 documentenlid 1(De tekst van KB nr. 3, artikel 4 is van toepassing met ingang van 07.07.2003 (Art. 1, KB 16.06.2003, B.S. 27.06.2003))
lid 2De belastingplichtige oefent zijn recht op aftrek globaal uit door op het totaalbedrag van de belasting verschuldigd voor een aangiftetijdvak, het totaalbedrag toe te rekenen van de belasting waarvoor het recht op aftrek tijdens hetzelfde tijdvak is ontstaan en uitgeoefend kan worden krachtens artikel 3.
lid 3Wanneer de formaliteiten waaraan het uitoefenen van het recht op aftrek onderworpen is, niet tijdig worden vervuld en, in het bijzonder, wanneer de in artikel 3, § 1, 1°, bedoelde factuur werd uitgereikt na het verstrijken van de termijn voorgeschreven door artikel 4, § 1, van het koninklijk besluit nr. 1 van 29 december 1992, wordt dat recht uitgeoefend in de aangifte met betrekking tot het tijdvak waarin de formaliteiten worden vervuld of in een aangifte betreffende een volgend tijdvak, ingediend vóór het verstrijken van het derde kalenderjaar volgend op dat waarin de af te trekken belasting opeisbaar is geworden.
lid 4AFDELING II.
lid 5Herziening van de aftrek ten aanzien van andere belasting dan die geheven van bedrijfsmiddelen.
art. 5
48 documenten(De tekst van KB nr. 3, artikel 5, werd vervangen met ingang van 01.01.2011 (Art. 2, KB 19.12.2010, B.S. 24.12.2010))
in het geval bedoeld bij artikel 79, § 1, tweede lid, van het Wetboek;
wanneer zich wijzigingen voordoen in de factoren die aan de berekening van de gedane aftrek ten grondslag liggen, zoals de wijzigingen bedoeld in de artikelen 15 en 19 of de wijzigingen in het geval dat een belastingplichtige die uitsluitend handelingen verrichtte die recht op aftrek verleenden, vervolgens handelingen verricht waarvoor er geen aanspraak op aftrek is;
wanneer hij ieder recht op aftrek verliest, wat betreft de nog niet vervreemde lichamelijke roerende goederen en de nog niet-gebruikte diensten op het tijdstip van dat verlies.
Ten aanzien van de belasting geheven van de diensten met betrekking tot de goederen bedoeld in artikel 1, § 9, van het Wetboek die geen recht op aftrek verleenden op het tijdstip waarop de belasting verschuldigd was, herziet de belastingplichtige de aftrek wanneer deze diensten nadien worden gebruikt voor het verrichten van handelingen waarvoor aanspraak op aftrek bestaat.
De toepassing van dit artikel wordt geregeld door of vanwege de Minister van Financiën.
AFDELING III.
Herziening van de aftrek ten aanzien van belasting geheven van bedrijfsmiddelen.
art. 6
lid 1Tekst met ingang van 20.02.2026 [historiek]
lid 2Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder bedrijfsmiddelen, de bedrijfsmiddelen en de diensten die kenmerken hebben die vergelijkbaar zijn met de kenmerken die doorgaans aan bedrijfsmiddelen worden toegeschreven, waarvoor de aftrek van belasting onderworpen is aan herziening overeenkomstig artikel 48, § 2, van het Wetboek.
lid 3In het eerste lid worden bedoeld, de lichamelijke goederen, de zakelijke rechten bedoeld in artikel 9, tweede lid, 2°, van het Wetboek en de diensten die bestemd zijn om op een duurzame wijze te worden gebruikt als werkinstrumenten of exploitatiemiddelen.
lid 4In het eerste lid worden niet bedoeld, verpakkingsmiddelen, klein materieel, klein gereedschap en kantoorbehoeften, wanneer die goederen voldoen aan de door de minister van Financiën gestelde criteria.
art. 7
43 documentenlid 1(De tekst van KB nr. 3, artikel 7, is van toepassing met ingang van 18.05.2007 (Art. 126, W 27.04.2007, B.S. 08.05.2007))
lid 2Onder de belasting waarvan de aftrek onderworpen is aan herziening overeenkomstig artikel 48, § 2, van het Wetboek, dient te worden verstaan de belasting geheven op de aankoop, de intracommunautaire verwerving, de invoer of de handelingen die strekken of bijdragen tot de totstandkoming, het omvormen of het verbeteren van in artikel 6, eerste lid, bedoelde bedrijfsmiddelen. Voor de toepassing van het vorige lid, is geen belasting waarvan de aftrek onderworpen is aan herziening:
de belasting die wordt geheven op herstellings- of onderhoudswerk, aan bedrijfsmiddelen, alsmede de belasting die wordt geheven op de aankoop, de intracommunautaire verwerving of de invoer van reserve-onderdelen die voor zulk werk bestemd zijn;
de belasting die wordt geheven op de huur van bedrijfsmiddelen en, meer algemeen, op de overdracht van het genot van bedrijfsmiddelen of het verlenen van rechten op dat genot.
art. 8
25 documentenlid 1(De tekst van KB nr. 3, artikel 8, eerste lid, 2°, is van toepassing met ingang van 01.01.2011 (Art. 3, KB 19.12.2010, B.S. 24.12.2010))
lid 2De belastingplichtige herziet de oorspronkelijk verrichte aftrek voor bedrijfsmiddelen:
in het geval bedoeld bij artikel 79, § 1, tweede lid, van het Wetboek.
De toepassing van dit artikel wordt geregeld door of vanwege de Minister van Financiën.
art. 9
Tekst met ingang van 20.02.2026 [historiek]
Ten aanzien van de belasting geheven van bedrijfsmiddelen, is de aftrek die oorspronkelijk door de belastingplichtige werd verricht onderworpen aan herziening gedurende een tijdvak van vijf jaar overeenkomstig artikel 48, § 2, eerste lid, van het Wetboek, te rekenen vanaf 1 januari van het jaar waarin de bedrijfsmiddelen in gebruik werden genomen.
Ten aanzien van de belasting geheven van onroerende bedrijfsmiddelen en van diensten die kenmerken hebben die vergelijkbaar zijn met de kenmerken die doorgaans aan onroerende bedrijfsmiddelen worden toegeschreven, wordt dit tijdvak evenwel op vijftien jaar gebracht overeenkomstig artikel 48, § 2, tweede lid, van het Wetboek.
Voor de toepassing van het eerste lid, wordt bedoeld de belasting geheven van:
de handelingen die strekken of bijdragen tot de oprichting van gebouwen of gedeelten van gebouwen;
de verkrijging van gebouwen of gedeelten van gebouwen, desgevallend met het bijhorend terrein;
de verkrijging van een in artikel 9, tweede lid, 2°, van het Wetboek bedoeld zakelijk recht op gebouwen of gedeelten van gebouwen, desgevallend met het bijhorend terrein;
de in artikel 19, § 2, derde lid, van het Wetboek bedoelde werken in onroerende staat op gebouwen of gedeelten van gebouwen waarvan de gevolgen een economische levensduur hebben die overeenkomt met die van een nieuw opgericht gebouw.
In afwijking van de paragrafen 1 en 2, bedraagt het herzieningstijdvak vijfentwintig jaar ten aanzien van de belasting geheven van gebouwen of gedeelten van gebouwen, desgevallend met het bijhorend terrein en van diensten op die gebouwen of gedeelten van gebouwen die kenmerken hebben die vergelijkbaar zijn met de kenmerken die doorgaans aan onroerende bedrijfsmiddelen worden toegeschreven, die worden verhuurd onder de voorwaarden van artikel 44, § 3, 2°, d), van het Wetboek.
Voor de toepassing van het eerste lid, wordt bedoeld de belasting geheven van:
de handelingen die strekken of bijdragen tot de oprichting van een gebouw of gedeelten van gebouwen;
de verkrijging van gebouwen of gedeelten van gebouwen, desgevallend met het bijhorend terrein;
de verkrijging van een in artikel 9, tweede lid, 2°, van het Wetboek bedoeld zakelijk recht op gebouwen of gedeelten van gebouwen, desgevallend met het bijhorend terrein;
de werken in onroerende staat in de zin van artikel 19, § 2, derde lid, van het Wetboek op gebouwen of gedeelten van gebouwen waarvan de gevolgen een economische levensduur hebben die overeenkomt met die van een nieuw opgericht gebouw.
Het tijdvak bedoeld in paragraaf 3 is van toepassing ongeacht eventuele latere wijzigingen in het gebruik van de bedoelde goederen wanneer die goederen het voorwerp hebben uitgemaakt van een verhuur bedoeld in artikel 44, § 3, 2°, d), van het Wetboek:
vanaf hun eerste ingebruikneming;
na hun eerste ingebruikneming maar binnen een tijdvak van vijftien jaar te rekenen vanaf 1 januari van het jaar van hun eerste ingebruikneming.
In de situatie bedoeld in het eerste lid, 2°, vervangt het tijdvak bedoeld in paragraaf 3 het tijdvak bedoeld in paragraaf 2 vanaf 1 januari van het jaar waarin de bedoelde goederen worden verhuurd onder de voorwaarden van artikel 44, § 3, 2°, d), van het Wetboek. Voor de berekening van het bedrag van de belasting die vanaf dat tijdstip voor herziening vatbaar is, wordt het tijdvak bedoeld in paragraaf 3 geacht een aanvang genomen te hebben vanaf 1 januari van het jaar waarin de betrokken goederen het voorwerp hebben uitgemaakt van de eerste ingebruikneming.
art. 10
143 documenten(De tekst van KB nr. 3, artikel 10 is van toepassing met ingang van 01.04.2007 (Art. 103, W 27.04.2007, B.S. 08.05.2007 - Erratum B.S. 23.05.2007))
De in het vorige artikel bedoelde herziening moet worden verricht wanneer gedurende het in dat artikel bedoelde tijdvak:
het bedrijfsmiddel door de belastingplichtige geheel of gedeeltelijk wordt gebruikt voor privé-doeleinden of ter verwezenlijking van handelingen die geen recht op aftrek verlenen, of die recht op aftrek verlenen in een andere verhouding dan die welke als grondslag heeft gediend voor de oorspronkelijke aftrek; deze bepaling geldt evenwel niet wanneer het hele privé-gebruik aanleiding geeft tot een belastbare levering in de zin van artikel 12, § 1, 1° of 2°, van het Wetboek;
enige wijziging is ingetreden in de factoren die, met inachtneming van de uitgeoefende economische activiteit, aan de berekening van de aftrek gedaan voor het bedrijfsmiddel ten grondslag hebben gelegen;
het bedrijfsmiddel het voorwerp is van een handeling die recht op aftrek verleent en in de mate waarin de aftrek van de belasting geheven op dat goed een beperking heeft ondergaan andere dan die voortspruitend uit artikel 45, § 2, van het Wetboek;
het bedrijfsmiddel ophoudt in de onderneming te bestaan of wanneer het niet meer gebruikt wordt voor de BTW-eenheid ingevolge de uittreding van één van haar leden, tenzij wordt aangetoond dat zulks het gevolg is van een handeling die recht op aftrek verleent of dat het bedrijfsmiddel vernietigd of ontvreemd werd;
iemand de hoedanigheid van belastingplichtige verliest of wanneer hij toetreedt tot een BTW-eenheid, of nog slechts handelingen verricht die geen recht op aftrek verlenen wat betreft de aan herziening onderworpen onroerende goederen uit hun aard en de zakelijke rechten, tenzij die goederen het voorwerp hebben uitgemaakt van een levering die recht op aftrek verleent of die zakelijke rechten met toepassing van de belasting werden overgedragen of wederovergedragen.
In het geval van het 3° wordt het bedrag van de belasting, dat ingevolge de herziening in aftrek mag worden gebracht, beperkt tot het bedrag dat wordt bekomen door de maatstaf van heffing voor de levering te vermenigvuldigen met het tarief waartegen de belasting, waarvan de aftrek wordt herzien, werd berekend.
De herziening moet ook worden verricht wanneer gedurende het in het vorig artikel bedoelde tijdvak:
het bedrijfsmiddel dat het voorwerp heeft uitgemaakt van de in § 1, eerste lid, 4°, bedoelde herziening, gebruikt wordt door het uittredend lid van de BTW-eenheid ter verwezenlijking van handelingen die recht op aftrek verlenen;
het bedrijfsmiddel dat het voorwerp heeft uitgemaakt van de in § 1, eerste lid, 5°, bedoelde herziening, door de btw-eenheid gebruikt wordt ter verwezenlijking van handelingen die recht op aftrek verlenen.
Deze verrekening vereist de schriftelijke toestemming van het betrokken lid en van de vertegenwoordiger van de BTW-eenheid.
De verrekening moet gebeuren in hoofde van de BTW-eenheid.
Daartoe moet aan de BTW-controlekantoren waaronder de BTW-eenheid en het betrokken lid ressorteren, een inventaris worden verstrekt van de aan herziening onderworpen goederen, waarvan het model is vastgesteld door of vanwege de minister van Financiën, en van een afschrift van de bovenbedoelde toestemming.
art. 11
(De tekst van KB nr. 3, artikel 11, § 5, tweede lid, werd gewijzigd (Art. 27, KB 17.12.2023, B.S. 22.12.2023, pg. 120969, Numac : 2023048329) met ingang van 01.01.2024 (Art. 36, eerste lid, KB 17.12.2023))
De herziening bedoeld in artikel 10, § 1, 1°, die wordt berekend op de wijze bepaald in artikel 1, § 2, wordt verricht tot beloop van een vijfde, een vijftiende of een vijfentwintigste, volgens het onderscheid gemaakt in artikel 9, naargelang de aard of het gebruik van het goed, van het bedrag van de oorspronkelijk in aftrek gebrachte belasting, voor ieder jaar waarin een wijziging in het gebruik intreedt.
In het geval bedoeld in artikel 9, § 4, eerste lid, 2°, wordt de herziening bedoeld in het eerste lid voor het tijdvak vanaf 1 januari van het jaar waarin de wijziging in het gebruik zich heeft voorgedaan tot het vijfentwintigste jaar dat volgt op de ingebruikneming van het goed, jaarlijks verricht tot beloop van een bedrag dat het resultaat is van de breuk met:
in de teller: het totale bedrag van de in aftrek gebrachte belasting dat nog niet aan herziening werd onderworpen op het moment van de wijziging in het gebruik;
in de noemer: het aantal nog niet verlopen jaren van de herzieningstermijn van vijfentwintig jaar op het moment van de wijziging in het gebruik.
Wanneer het bedrijfsmiddel geheel wordt gebruikt voor privédoeleinden of ter verwezenlijking van handelingen die geen recht op aftrek verlenen, wordt de herziening in eenmaal verricht, voor het jaar waarin de wijziging in het gebruik intreedt en voor de nog te lopen jaren.
De bij artikel 10, § 1, 2°, bedoelde herziening wordt ieder jaar verricht tot beloop van een vijfde, een vijftiende of een vijfentwintigste volgens het geval, van het bedrag van de oorspronkelijk in aftrek gebrachte belasting, overeenkomstig de regelen gegeven door of ter uitvoering van de artikelen 12 tot 21 van dit besluit.
De bij artikel 10, § 1, 3° tot 5° en § 2, bedoelde herziening wordt in eenmaal verricht voor het jaar waarin de oorzaak van de herziening zich heeft voorgedaan en voor de nog te lopen jaren van het herzieningstijdvak tot beloop, volgens het geval, van een vijfde, een vijftiende of een vijfentwintigste per jaar:
in de gevallen bedoeld in artikel 10, § 1, 3°, van het bedrag van de belasting welke de in die bepaling bedoelde beperking van de aftrek heeft ondergaan;
in de gevallen bedoeld in artikel 10, § 1, 4° en 5° en § 2, van het bedrag van de oorspronkelijk in aftrek gebrachte belasting.
De belastingplichtige die de aftrek van de belasting geheven van onroerende bedrijfsmiddelen heeft verricht, is gehouden de boeken, de stukken, de facturen, de contracten, de rekeninguittreksels en de andere stukken, vermeld in artikel 60, §§ 1 en 4, van het Wetboek met betrekking tot de handelingen opgesomd in artikel 9, § 2, tweede lid, gedurende vijftien jaar te bewaren.
Die termijn bedraagt vijfentwintig jaar voor de boeken, documenten, facturen, contracten, stukken, rekeninguittreksels en andere documenten die betrekking hebben op de handelingen opgesomd in artikel 9, § 3.
De bewaringstermijnen bedoeld in het eerste en het tweede lid beginnen te lopen vanaf 1 januari van het jaar volgend op hun sluiting wat boeken betreft, hun datum wat stukken betreft of het laatste jaar waarin een geïnformatiseerd systeem als bedoeld in artikel 60, § 4, derde lid, van het Wetboek, wordt gebruikt.
De bewaringstermijn begint evenwel te lopen vanaf 1 januari van het jaar waarin het bedrijfsmiddel in gebruik werd genomen, wanneer dat tijdstip valt na die welke worden bepaald in het derde lid.
De belastingplichtige houdt een tabel van zijn bedrijfsmiddelen, die het mogelijk maakt de aftrek en de herzieningen die hij heeft verricht te controleren.
Voor de toepassing van artikel 60 van het Wetboek moet de tabel betreffende een bepaald bedrijfsmiddel worden bewaard gedurende een tijdvak van tien jaren te rekenen vanaf het verstrijken van het in artikel 9 van dit besluit bedoelde herzieningstijdvak.
De toepassing van dit artikel wordt geregeld door of vanwege de Minister van Financiën.
AFDELING IV.
Bepalingen met betrekking tot de aftrek volgens het algemeen verhoudingsgetal.
art. 12
32 documentenlid 1(De tekst van KB nr. 3, artikel 12 is van toepassing met ingang van 01.01.1971 (KB 10.12.1969))
lid 2Het bij artikel 46, § 1, van het Wetboek bedoelde algemeen verhoudingsgetal is een breuk:
met als teller, het totaalbedrag, vastgesteld per kalenderjaar, van de handelingen, waarvoor aanspraak op aftrek bestaat;
met als noemer, het totaalbedrag, vastgesteld per kalenderjaar, zowel van de handelingen opgenomen in de teller als van de handelingen waarvoor geen aanspraak op aftrek bestaat.
De van de handelingen geheven belasting is niet begrepen in de bedragen bedoeld in 1° en 2°.
Het algemeen verhoudingsgetal wordt uitgedrukt in percenten. De wijze van berekening en afronding ervan wordt bepaald door of vanwege de Minister van Financiën.
art. 13
30 documentenlid 1(De tekst van KB nr. 3, artikel 13, lid 1, 2° is van toepassing met ingang van 01.01.1993 (Art.10, KB 29.12.1992))
lid 2In afwijking van het vorige artikel worden voor de berekening van het algemeen verhoudingsgetal niet in aanmerking genomen:
de opbrengst van het afstoten van bedrijfsmiddelen die door de belastingplichtige in zijn bedrijf werden gebruikt;
de opbrengsten van en de inkomsten uit onroerende en uit financiële verrichtingen, tenzij die verrichtingen behoren tot een specifieke economische activiteit van dien aard;
het bedrag van de handelingen in het buitenland, wanneer ze worden verricht door een bedrijfszetel die onderscheiden is van de in België gevestigde zetel en de uitgaven met betrekking tot die handelingen niet rechtstreeks door deze laatste zetel worden gedragen.
[Opgeheven]
art. 14
(Tekst met ingang van 10.01.2026)[historiek]
Overeenkomstig artikel 46, § 1, eerste lid, van het Wetboek stelt elke belastingplichtige die zijn recht op aftrek uitoefent overeenkomstig het in deze afdeling bedoelde algemeen verhoudingsgetal, de administratie belast met de belasting over de toegevoegde waarde daarvan vooraf in kennis.
De belastingplichtige doet de in het eerste lid bedoelde kennisgeving door middel van de aangifte bedoeld in artikel 1 of 2 of 7bis van het koninklijk besluit nr. 10 van 29 december 1992, met betrekking tot de uitoefeningsmodaliteiten van de keuzen, de voorafgaande kennisgevingen en de aangiften van aanvang, wijziging en stopzetting van activiteit inzake belasting over de toegevoegde waarde, ten laatste voor het einde van het eerste aangiftetijdvak waarin de aanvang van zijn activiteit plaatsvindt.
In afwijking van het tweede lid, doet een belastingplichtige:
die zijn activiteit zodanig wijzigt dat hij zowel handelingen verricht die recht geven op aftrek op grond van artikel 45 van het Wetboek als andere handelingen, de in het eerste lid bedoelde kennisgeving op dezelfde wijze vóór het einde van het eerste aangiftetijdvak waarin de wijziging van zijn activiteit plaatsvindt;
die op 31 december 2023 de aftrek verricht overeenkomstig het in deze afdeling bedoelde algemeen verhoudingsgetal, de in het eerste lid bedoelde kennisgeving op dezelfde wijze vóór 1 juli 2024 volgens de procedure bedoeld in het tweede lid.
De in het eerste lid bedoelde kennisgeving heeft uitwerking voor een onbepaalde duur vanaf de eerste dag van de aanvang of wijziging van zijn activiteit.
De in artikel 46, § 2, van het Wetboek bedoelde belastingplichtige die zijn recht op aftrek wenst uit te oefenen overeenkomstig het in deze afdeling bedoelde algemeen verhoudingsgetal, brengt de administratie die belast is met de belasting over de toegevoegde waarde op de hoogte door middel van een voorafgaande kennisgeving overeenkomstig de in paragraaf 1, tweede lid, bedoelde modaliteiten.
Onverminderd artikel 18bis, § 1, vierde lid, heeft de in het eerste lid bedoelde kennisgeving voor onbepaalde tijd uitwerking vanaf 1 januari van het jaar volgend op die kennisgeving.
De in de paragraaf 1 bedoelde belastingplichtige die de aftrek volgens het algemeen verhoudingsgetal wenst te beëindigen, stelt de administratie belast met de belasting over de toegevoegde waarde daarvan in kennis door middel van de in artikel 18bis, § 1, eerste lid, bedoelde voorafgaande kennisgeving. Die beëindiging gaat in op de dag waarop die kennisgeving uitwerking heeft overeenkomstig artikel 18bis, § 1, vierde lid.
De belastingplichtige doet geen in het eerste lid bedoelde kennisgeving, wanneer:
uit de verklaring bedoeld in artikel 2, eerste lid of 7bis van het koninklijk besluit nr. 10 van 29 december 1992 met betrekking tot de uitoefeningsmodaliteiten van de keuzen, de voorafgaande kennisgevingen en de aangiften van aanvang, wijziging en stopzetting van activiteit inzake belasting over de toegevoegde waarde, blijkt dat de belastingplichtige in het kader van zijn economische activiteit uitsluitend handelingen verricht die hetzij recht geven op aftrek op grond van artikel 45 van het Wetboek hetzij geen recht op aftrek geven;
uit de verklaring bedoeld in artikel 3 of 7bis van het in 1° vermelde koninklijk besluit blijkt dat de belastingplichtige alle economische activiteiten die hem de hoedanigheid van belastingplichtige verlenen, heeft beëindigd.
art. 15
lid 1(De tekst van KB nr. 3, artikel 15, werd vervangen (Art. 13, KB 17.12.2023, B.S. 22.12.2023, pg. 120969, Numac: 2023048329) met ingang van 01.01.2024 (Art. 36, eerste lid, KB 17.12.2023 - Errata B.S. 01.03.2024, pg. 28826, Numac: 2024001948))
lid 2De belastingplichtige deelt jaarlijks het in artikel 46, § 1, tweede lid, van het Wetboek bedoelde voorlopig algemeen verhoudingsgetal mee bij de indiening van de in artikel 53, § 1, eerste lid, 2°, van het Wetboek bedoelde aangifte met betrekking tot het eerste kwartaal of één van de eerste drie maanden van het lopende kalenderjaar.
lid 3In afwijking van het eerste lid, deelt de belastingplichtige, in het in artikel 14, paragraaf 1, eerste lid of derde lid, 1°, bedoelde geval, het in artikel 46, § 1, tweede lid, van het Wetboek bedoelde voorlopig algemeen verhoudingsgetal mee bij de indiening van de in artikel 53, § 1, eerste lid, 2°, van het Wetboek bedoelde aangifte met betrekking tot het kwartaal waarin de aanvang of de wijziging van zijn activiteit plaatsvindt of, indien hij deze aangifte maandelijks indient, met betrekking tot één van de eerste twee maanden na de aanvang of de wijziging van zijn activiteit.
lid 4De belastingplichtige deelt jaarlijks het in artikel 46, § 1, derde lid, van het Wetboek bedoelde definitieve algemeen verhoudingsgetal mee bij de indiening van de in artikel 53, § 1, eerste lid, 2°, van het Wetboek bedoelde aangifte met betrekking tot het eerste kwartaal of één van de eerste drie maanden van het kalenderjaar volgend op het kalenderjaar waarop dit definitief algemeen verhoudingsgetal betrekking heeft.
art. 16
lid 1(De tekst van KB nr. 3, artikel 16, eerste lid, werd gewijzigd met ingang van 03.01.2025 (Art. 12, KB 15.12.2024, B.S. 24.12.2024, pg. 141348, Numac: 2024011655))
lid 2Ten aanzien van de belasting geheven van bedrijfsmiddelen, wordt de oorspronkelijke aftrek verricht aan de hand van het voorlopig verhoudingsgetal van het jaar waarin het recht op aftrek ontstaat. Die aftrek wordt herzien, op de wijze bepaald in artikel 46, § 1, vijfde lid, van het Wetboek, aan de hand van het definitieve verhoudingsgetal van het jaar waarin het bedrijfsmiddel in gebruik werd genomen. Die eerste herziening heeft betrekking op het totaalbedrag van de oorspronkelijk in aftrek gebrachte belasting.
lid 3De volgende herzieningen hebben jaarlijks betrekking op een vijfde, een vijftiende of een vijfentwintigste, volgens het onderscheid gemaakt in artikel 9, naargelang de aard en het gebruik van het goed, van het bedrag van de overeenkomstig het eerste definitieve verhoudingsgetal in aftrek gebrachte belasting. De belastingplichtige verricht deze herzieningen door dat verhoudingsgetal te vergelijken met het definitieve verhoudingsgetal van ieder van de vier, veertien of vierentwintig in aanmerking te nemen jaren.
art. 17
11 documenten(De tekst van KB nr. 3, artikel 17 is van toepassing met ingang van 01.01.1971 (KB 10.12.1969))
Deze bepaling vindt geen toepassing in geval van herziening van een verhoudingsgetal dat voorlopig werd geraamd uitgaande van de exploitatievooruitzichten.
De belastingplichtige kan afzien van de ontheffing van de herzieningsplicht waarin § 1 voorziet, op voorwaarde dat hij zulks doet voor ten minste vijf achtereenvolgende jaren en daarvan kennis geeft aan de administratie in het berekeningsblad waarvan sprake in artikel 15, laatste lid.
art. 18
11 documentenlid 1(De tekst van KB nr. 3, artikel 18, eerste lid is van toepassing met ingang van 01.01.2011 (Art. 6, KB 19.12.2010, B.S. 24.12.2010))
lid 2Door of vanwege de Minister van Financiën kan, in de door of namens hem te bepalen gevallen, worden afgeweken van de artikelen 5, § 1, 4°, 10, § 1, 5°, 12 en 15 tot 17.
lid 3De wijze van herziening van de aftrek wordt bepaald door of vanwege de Minister van Financiën:
Wanneer iemand die uitsluitend handelingen verricht die recht op aftrek verlenen, tevens handelingen begint te stellen die geen recht op aftrek verlenen of een gedeelte van zijn economische activiteit stopzet;
wanneer iemand die zowel handelingen verricht die recht op aftrek verlenen als handelingen die geen recht op aftrek verlenen, uitsluitend handelingen begint te stellen die recht op aftrek verlenen;
wanneer een persoon die zowel handelingen verricht die recht op aftrek verlenen als handelingen die geen recht of aftrek verlenen, overgaat van de bij de artikelen 19 tot 21 van dit besluit bedoelde regeling waarbij de aftrek geschiedt volgens het werkelijke gebruik van de goederen en diensten, naar de regeling waarbij de aftrek geschiedt volgens het algemeen verhoudingsgetal, en omgekeerd;
AFDELING V.
Bepalingen met betrekking tot de aftrek volgens het werkelijk gebruik van de goederen en diensten.
art. 18bis
(Tekst met ingang van 10.01.2026) [historiek]
Overeenkomstig artikel 46, § 2, eerste lid, van het Wetboek kan iedere belastingplichtige die in het kader van zijn economische activiteit ook andere handelingen verricht dan handelingen waarvoor op grond van artikel 45 van het Wetboek aanspraak op aftrek bestaat, in afwijking van afdeling IV, op grond van een voorafgaande kennisgeving aan de administratie belast met de belasting over de toegevoegde waarde, het recht op aftrek uitoefenen volgens het werkelijk gebruik van de goederen en diensten of een deel ervan.
De belastingplichtige verstuurt de in het eerste lid bedoelde kennisgeving uiterlijk vóór het einde van het eerste aangiftetijdvak van het lopende kalenderjaar door middel van de aangifte bedoeld in artikel 1, 2 of 7bis van koninklijk besluit nr. 10 van 29 december 1992, met betrekking tot de uitoefeningsmodaliteiten van de keuzen, de voorafgaande kennisgevingen en de aangiften van aanvang, wijziging en stopzetting van activiteit inzake belasting over de toegevoegde waarde.
De belastingplichtige die zijn economische activiteit aanvangt of zodanig wijzigt dat hij tegelijk ook andere handelingen verricht dan handelingen waarvoor op grond van artikel 45 van het Wetboek aanspraak op aftrek bestaat, verstuurt in afwijking van het tweede lid, de in het eerste lid bedoelde kennisgeving volgens dezelfde modaliteiten vóór het einde van het aangiftetijdvak waarin de aanvang of de wijziging van zijn activiteit plaatsvindt.
De in het eerste lid bedoelde kennisgeving heeft uitwerking voor een onbepaalde duur vanaf 1 januari van het betrokken kalenderjaar of, in het in het derde lid bedoelde geval, vanaf de eerste dag van de aanvang of wijziging van zijn activiteit. De belastingplichtige kan ten vroegste op 31 december van het derde jaar dat volgt op de datum van uitwerking van die kennisgeving terug zijn recht op aftrek uitoefenen volgens het in artikel 46, § 1, van het Wetboek bedoelde algemeen verhoudingsgetal, door middel van de in paragraaf 4 bedoelde kennisgeving.
De belastingplichtige die de in paragraaf 1 bedoelde kennisgeving doet, deelt bovendien jaarlijks de volgende gegevens mee bij de indiening van de in artikel 53, § 1, eerste lid, 2°, van het Wetboek bedoelde aangifte met betrekking tot het eerste kwartaal of één van de eerste drie maanden van het lopende kalenderjaar:
in voorkomend geval, het in artikel 46, § 1, derde lid, van het Wetboek bedoelde definitieve algemeen verhoudingsgetal van het voorafgaande kalenderjaar;
het aandeel, uitgedrukt in procenten, overeenkomstig de door de belastingplichtige op het moment van de kennisgeving gehanteerde criteria, van de aan de belastingplichtige in rekening gebrachte belasting op de handelingen die:
uitsluitend worden gebruikt voor de bedrijfsafdeling of de bedrijfsafdelingen waarvan de handelingen volledig recht op aftrek verlenen;
uitsluitend worden gebruikt voor de bedrijfsafdeling of de bedrijfsafdelingen waarvan de handelingen geen recht op aftrek verlenen;
één of meerdere bijzondere verhoudingsgetallen die van toepassing zijn op de in de bepaling onder 2°, c), bedoelde handelingen en, bij toepassing van meerdere bijzondere verhoudingsgetallen, het globale resultaat van de toepassing van die bijzondere verhoudingsgetallen op de aan de belastingplichtige in rekening gebrachte belasting op de handelingen die tegelijkertijd worden gebruikt voor de onder de bepaling onder 2°, a) en b) vermelde bedrijfsafdelingen.
In afwijking van het eerste lid, deelt de belastingplichtige deze gegevens mee, in het in paragraaf 1, derde lid bedoelde geval, bij de indiening van de aangifte bedoeld in artikel 53, § 1, eerste lid, 2°, van het Wetboek met betrekking tot het kwartaal waarin de aanvang of de wijziging van zijn activiteit plaatsvindt of, indien hij deze aangifte maandelijks indient, met betrekking tot een van de eerste twee maanden na de aanvang of de wijziging van zijn activiteit.
De belastingplichtige die nalaat de in paragraaf 1 bedoelde kennisgeving of de in paragraaf 2 bedoelde mededeling te doen, kan het recht op aftrek niet uitoefenen volgens het werkelijk gebruik van de goederen en diensten of een deel ervan vóór 1 januari van het volgende kalenderjaar en op voorwaarde dat hij vooraf een kennisgeving heeft verstuurd overeenkomstig paragraaf 1, lid 1 en 2.
De in paragraaf 1 bedoelde belastingplichtige die de aftrek volgens het werkelijk gebruik van de goederen en diensten of een deel ervan wenst te beëindigen, stelt de administratie belast met de belasting over de toegevoegde waarde daarvan in kennis door de in artikel 14, § 2, bedoelde voorafgaande kennisgeving te versturen. Onverminderd paragraaf 1, vierde lid, gaat de beëindiging in op 1 januari van het jaar dat volgt op deze kennisgeving.
De kennisgeving bedoeld in het eerste lid wordt niet verstuurd wanneer:
uit de verklaring bedoeld in artikel 2, eerste lid of 7bis van het koninklijk besluit nr. 10 van 29 december 1992 met betrekking tot de uitoefeningsmodaliteiten van de keuzen, de voorafgaande kennisgevingen en de aangiften van aanvang, wijziging en stopzetting van activiteit inzake belasting over de toegevoegde waarde, blijkt dat de belastingplichtige in de uitoefening van zijn economische activiteit uitsluitend handelingen verricht die recht op aftrek verlenen op grond van artikel 45 van het Wetboek dan wel uitsluitend handelingen die geen recht op aftrek verlenen;
In de in het tweede lid bedoelde gevallen houdt de belastingplichtige op de aftrek uit te oefenen volgens het werkelijk gebruik van de goederen en diensten of een deel ervan vanaf de wijziging of stopzetting van zijn activiteit.
De administratie belast met de belasting over de toegevoegde waarde bevestigt de ontvangst van de in de paragrafen 1 en 4 bedoelde kennisgevingen. Deze ontvangstbevestiging bevat, afhankelijk van het geval, de volgende gegevens:
de identificatiegegevens van de belastingplichtige;
de datum van aanvang en, in voorkomend geval, de datum van beëindiging van de aftrekregeling volgens het werkelijk gebruik van de goederen en diensten of een deel ervan.
Wanneer de administratie belast met de belasting over de toegevoegde waarde op grond van de haar voorgelegde feiten of de door haar verzamelde informatie van mening is dat de uitoefening door de belastingplichtige van zijn recht op aftrek volgens het werkelijk gebruik van de goederen en diensten of een deel ervan, niet of niet meer met de werkelijkheid overeenstemt, deelt zij de belastingplichtige via een gemotiveerde beslissing de redenen voor haar weigering mee. In dat verband kan zij aan de belastingplichtige desgevallend voorstellen om die aftrekregeling te behouden mits toepassing van andere criteria dan degene die door de belastingplichtige werden gebruikt voor de in paragraaf 1 bedoelde kennisgeving.
De in het eerste lid bedoelde weigeringsbeslissing wordt meegedeeld ten laatste op 31 december van het jaar volgend op het jaar waarin de in paragraaf 1 bedoelde kennisgeving uitwerking heeft gehad en heeft uitwerking voor onbepaalde termijn vanaf de eerste dag van het aangiftetijdvak waarin de in paragraaf 1 bedoelde kennisgeving is verricht.
De belastingplichtige aan wie de in het eerste lid bedoelde weigeringsbeslissing ter kennis werd gebracht, kan, wanneer hij, desgevallend, de door de administratie in haar weigeringsbeslissing voorgestelde criteria niet toepast, ten vroegste opnieuw een in paragraaf 1 bedoelde kennisgeving doen in het kalenderjaar dat volgt op de in het eerste lid bedoelde kennisgeving.
De afwezigheid van enige weigeringsbeslissing van de administratie belast met de belasting over de toegevoegde waarde binnen de in het tweede lid bedoelde termijn doet geen afbreuk aan de mogelijkheid voor die administratie om de correcte toepassing door de belastingplichtige van de bepalingen van het Wetboek en de uitvoeringsbesluiten daarvan, en in het bijzonder de uitoefening door laatstgenoemde van zijn recht op aftrek, te controleren.
De belastingplichtige die op 31 december 2022 de aftrek toepast volgens het werkelijk gebruik van de goederen en diensten of een deel ervan, stelt de administratie belast met de belasting over de toegevoegde waarde daarvan in kennis vóór 1 juli 2023, overeenkomstig de in paragrafen 1 en 2 bepaalde modaliteiten.
De in het eerste lid bedoelde informatie wordt, voor de toepassing van dit artikel, gelijkgesteld met de in paragraaf 1 bedoelde kennisgeving.
art. 18ter
(Tekst met ingang van 10.01.2026)[historiek]
Overeenkomstig artikel 46, § 2, tweede lid, van het Wetboek, kan de bevoegde dienst van de administratie belast met de belasting over de toegevoegde waarde waaronder de in afdeling IV bedoelde belastingplichtige ressorteert bij een met redenen omklede beslissing verplichten de aftrek toe te passen volgens het werkelijk gebruik van de goederen en diensten of een deel ervan, wanneer de toepassing van het in artikel 12 bedoelde algemeen verhoudingsgetal voor de toepassing van de aftrek leidt tot ongelijkheden bij de toepassing van de belasting, wanneer:
de economische activiteit een afdeling met recht op aftrek en een afdeling zonder recht op aftrek omvat die duidelijk van elkaar te onderscheiden zijn, in het bijzonder wanneer voor elke afdeling een afzonderlijke boekhouding wordt gevoerd;
de belastingplichtige, op het tijdstip waarop hij goederen of diensten verkrijgt, kan bepalen voor welke afdeling van zijn economische activiteit de goederen of diensten uitsluitend zijn bestemd;
het in artikel 12 bedoelde algemeen verhoudingsgetal niet kan worden toegepast omdat het moeilijk of onmogelijk is de noemer te bepalen van de breuk waaruit dit verhoudingsgetal wordt afgeleid.
Wanneer de administratie belast met de belasting over de toegevoegde waarde beslist de belastingplichtige te verplichten de aftrek toe te passen volgens het werkelijk gebruik van de goederen en diensten of een deel ervan, stelt zij de belastingplichtige bij aangetekende zending van haar besluit in kennis.
Die beslissing vermeldt de feitelijke gegevens die de beslissing rechtvaardigen, inzonderheid de in paragraaf 1 bedoelde omstandigheid of omstandigheden, alsmede de datum waarop ze uitwerking heeft.
Die beslissing heeft uitwerking op de eerste dag van het aangiftetijdvak waarin de kennisgeving van deze beslissing heeft plaatsgevonden.
Die beslissing kan uitwerking hebben vóór de in het derde lid bedoelde datum wanneer blijkt dat de gegevens die door de belastingplichtige zijn meegedeeld in de aangiften bedoeld in artikel 1, eerste lid, 2, eerste lid of 7bis, van het koninklijk besluit nr. 10 van 29 december 1992 met betrekking tot de uitoefeningsmodaliteiten van de keuzen, de voorafgaande kennisgevingen en de aangiften van aanvang, wijziging en stopzetting van activiteit inzake belasting over de toegevoegde waarde of in de aangiften bedoeld in de artikelen 2, § 2 en 4, § 1, van koninklijk besluit nr. 55 van 9 maart 2007 met betrekking tot de regeling voor belastingplichtigen die een btw-eenheid vormen, onjuist zijn.
De minister van Financiën is gemachtigd, in de in paragraaf 1 bedoelde gevallen, een bedrijfssector of een bepaalde groep belastingplichtigen door middel van een circulaire te verplichten de aftrek toe te passen volgens het werkelijk gebruik van alle of een deel van de goederen en diensten.
art. 19
18 documentenlid 1(De tekst van KB nr. 3, artikel 19, is van toepassing met ingang van 01.01.1971 (KB 10.12.1969))
lid 2De belastingplichtige die de aftrek verricht volgens het werkelijk gebruik van de goederen en diensten, krachtens artikel 46, § 2, van het Wetboek, moet die aftrek herzien wanneer de goederen en diensten niet worden gebruikt in de bedrijfsafdeling waarvoor ze bestemd waren.
lid 3Die herziening heeft de terugstorting tot gevolg van de oorspronkelijk in aftrek gebrachte belasting wanneer de goederen en diensten, geheel of gedeeltelijk, worden overgebracht van een bedrijfsafdeling waarvan de handelingen recht op aftrek geven naar een bedrijfsafdeling waarvan de handelingen geen recht op aftrek geven. Ze heeft een bijkomende aftrek tot gevolg in het tegenovergestelde geval. Ten aanzien van de belasting geheven van bedrijfsmiddelen wordt de herziening verricht overeenkomstig artikel 20.
art. 20
17 documentenlid 1(De tekst van KB nr. 3, artikel 20, leden 1, 2 en 3, werd gewijzigd met ingang van 02.01.2020 (Art. 6, KB 11.12.2019, B.S. 23.11.2019, pg. 116136))
lid 2De in artikel 19 bedoelde herziening wordt verricht wanneer een wijziging in het gebruik van de bedrijfsmiddelen intreedt vóór het verstrijken van het vierde, het veertiende of het vierentwintigste jaar na dat waarin de bedrijfsmiddelen in gebruik werden genomen, volgens het in artikel 9, naargelang de aard of het gebruik van het goed gemaakte onderscheid.
lid 3Wanneer het bedrijfsmiddel overgaat van een bedrijfsafdeling waarvan de handelingen recht op aftrek geven naar een bedrijfsafdeling waarvan de handelingen geen recht op aftrek geven, is het terug te storten bedrag gelijk aan de oorspronkelijk in aftrek gebrachte belasting, verminderd met een vijfde, een vijftiende of een vijfentwintigste, volgens hetzelfde onderscheid, per jaar dat verstreken is vóór het jaar waarin de wijziging in het gebruik is ingetreden.
lid 4Wanneer het bedrijfsmiddel overgaat van een bedrijfsafdeling waarvan de handelingen geen recht op aftrek geven naar een bedrijfsafdeling waarvan de handelingen wel dat recht geven, is het bedrag van de aftrek gelijk aan de belasting die oorspronkelijk niet kon worden afgetrokken, verminderd met een vijfde, een vijftiende of een vijfentwintigste volgens het hierboven gemaakte onderscheid.
art. 21
21 documentenlid 1(De tekst van KB nr. 3, artikel 21 is van toepassing met ingang van 01.01.1993 (Art.12, KB 29.12.1992))
lid 2De toepassing van de artikelen 19 en 20 wordt geregeld door of vanwege de Minister van Financiën.
lid 3Door of namens hem wordt onder meer de wijze van herziening van de aftrek bepaald:
wanneer iemand die uitsluitend handelingen verricht die recht op aftrek verlenen, tevens handelingen begint te stellen die geen recht op aftrek verlenen of een gedeelte van zijn economische activiteit stopzet;
wanneer iemand die zowel handelingen verricht die recht op aftrek verlenen als handelingen die geen recht op aftrek verlenen, uitsluitend handelingen begint te stellen die recht op aftrek verlenen;
[opgeheven]
Afdeling VI.
Bijzondere bepaling
art. 21bis
23 documenten(De tekst van KB nr. 3, artikel 21bis, § 1, tweede lid, werd gewijzigd met ingang van 27.05.2019 (Art. 5, KB 12.05.2019, B.S. 27.05.2019, Ed. 1, pg. 50443))
Wanneer een belastingplichtige die op grond van artikel 44 van het Wetboek vrijgestelde leveringen van goederen of diensten verricht die geen recht op aftrek geven, voor diezelfde handelingen belastingplichtige wordt met recht op aftrek, kan hij bij wijze van herziening zijn recht op aftrek uitoefenen voor:
de andere goederen en diensten dan bedrijfsmiddelen, die nog niet werden gebruikt of verbruikt op het tijdstip van de wijziging van de belastingregeling;
de bedrijfsmiddelen die bij die wijziging nog bestaan, voor zover die goederen nog bruikbaar zijn en de termijn bepaald bij artikel 48, § 2, van het Wetboek nog niet is verstreken.
Voor bedrijfsmiddelen is het bedrag van de herziening gelijk aan de belasting die niet in aftrek kon worden gebracht, verminderd met een vijfde of een vijftiende volgens het onderscheid gemaakt naargelang de aard van het goed overeenkomstig artikel 9, per jaar vanaf 1 januari van het jaar dat overeenkomstig artikel 2 in aanmerking moet worden genomen voor de berekening van de aftrek tot 31 december van het jaar dat voorafgaat aan het jaar waarin de wijziging van belastingregeling zich heeft voorgedaan.
De herziening is afhankelijk van de indiening bij het controlekantoor van de belasting over de toegevoegde waarde waaronder de belastingplichtige ressorteert van een inventaris van de op het tijdstip van de wijziging nog niet gebruikte of verbruikte goederen en diensten en van een staat van de op dat tijdstip nog bruikbare bedrijfsmiddelen.
Die stukken worden opgemaakt in twee exemplaren waarvan er één bestemd is voor het controlekantoor van de belasting over de toegevoegde waarde. Ze vermelden op gedetailleerde wijze de goederen en diensten die in aanmerking worden genomen voor de herziening, de datum en het nummer van de factuur van de aankoop of het invoerdocument, de maatstaf van heffing waarover ze met de belasting over de toegevoegde waarde werden belast en het te regulariseren bedrag.
De herziening wordt tot beloop van het passende bedrag verricht door toerekening op het aan de Staat verschuldigde bedrag van de belasting in vak 71 van kader VI van de periodieke aangifte bedoeld in artikel 53, § 1, eerste lid, 2°, van het Wetboek. Wanneer het eindresultaat van deze toerekening een door de Staat verschuldigd bedrag is, wordt dat bedrag naar de volgende aangiftetijdvakken overgebracht tot passend beloop van vak 71 van deze aangiften.
Door of vanwege de Minister van Financiën worden de toepassingsmodaliteiten van de herziening en de wijze bepaald waarop deze wordt verricht.
art. 21ter
7 documenten(De tekst van KB nr. 3, artikel 21ter, werd ingevoegd met ingang van 27.05.2019 (Art. 6, KB 12.05.2019, B.S. 27.05.2019, Ed. 1, pg. 50443). Dit artikel is enkel van toepassing op de belasting die opeisbaar is geworden vóór 1 januari 2019 (§ 4) (*))
Wanneer een belastingplichtige een gebouw of een gedeelte van een gebouw verhuurt overeenkomstig artikel 44, § 3, 2°, d), van het Wetboek, kan hij zijn recht op aftrek uitoefenen bij wijze van regularisatie voor:
de belasting geheven van de andere goederen en diensten dan bedrijfsmiddelen, die nog niet werden gebruikt of verbruikt en die geen volledig recht op aftrek verleenden op het tijdstip waarop de belasting opeisbaar is geworden, wanneer die goederen en diensten vervolgens gebruikt worden om handelingen te verrichten bedoeld in dit lid;
de belasting geheven van de bedrijfsmiddelen die het voorwerp uitmaken van de handelingen bedoeld in dit lid en die geen volledig recht op aftrek verleenden op het tijdstip waarop de belasting opeisbaar is geworden, voor zover het tijdvak bepaald bij artikel 48, § 2, van het Wetboek niet is verstreken;
de belasting geheven van de bedrijfsmiddelen waarmee de belastingplichtige handelingen verricht bedoeld in dit lid, en die geen volledig recht op aftrek verleenden op het tijdstip waarop de belasting opeisbaar is geworden, voor zover het tijdvak bepaald bij artikel 48, § 2, van het Wetboek niet is verstreken.
Voor de belasting geheven van bedrijfsmiddelen is het bedrag van de regularisatie gelijk aan de belasting die niet in aftrek kon worden gebracht, verminderd met een vijfde of een vijftiende volgens het onderscheid gemaakt in artikel 9, naargelang de aard of het gebruik van het goed, per jaar, vanaf 1 januari van het jaar dat overeenkomstig de artikelen 2 en 9 in aanmerking moet worden genomen voor de berekening van de aftrek tot 31 december van het jaar dat voorafgaat aan het jaar waarin de verhuur bedoeld in het eerste lid een aanvang neemt.
De regularisatie is afhankelijk van de indiening bij de bevoegde dienst van de administratie belast met de belasting over de toegevoegde waarde waaronder de belastingplichtige ressorteert van een inventaris van de goederen en diensten bedoeld in paragraaf 1, eerste lid.
Die inventaris wordt opgemaakt in twee exemplaren waarvan er één bestemd is voor de in het eerste lid bedoelde dienst. Hij vermeldt op gedetailleerde wijze de goederen en diensten die in aanmerking worden genomen voor de regularisatie, de datum en het nummer van de factuur van de aankoop of het invoerdocument, de maatstaf van heffing waarover ze met de belasting over de toegevoegde waarde werden belast en het te regulariseren bedrag.
De regularisatie wordt tot beloop van het passende bedrag verricht door toerekening op het aan de Staat verschuldigde bedrag van de belasting in vak 71 van kader VI van de periodieke aangifte bedoeld in artikel 53, § 1, eerste lid, 2°, van het Wetboek. Wanneer het eindresultaat van deze toerekening een door de Staat verschuldigd bedrag is, wordt dat bedrag naar de volgende aangiftetijdvakken overgebracht tot passend beloop van het bedrag van de belasting in vak 71 van die aangiften. Het bedrag van de aftrekbare belasting bedoeld in paragraaf 1 dat niet kon worden toegerekend in de eerste elf maandaangiften of de eerste drie kwartaalaangiften van het jaar 2019, wordt integraal vermeld in de twaalfde maandaangifte of de vierde kwartaalaangifte van het jaar 2019.
In afwijking van artikel 81, § 3, derde lid, van het koninklijk besluit nr. 4 van 29 december 1969 met betrekking tot de teruggaven inzake belasting over de toegevoegde waarde, geschiedt geen ordonnancering of verrichting gelijkgesteld met een betaling voor de tijdvakken waarop de eerste elf maandaangiften of de eerste drie kwartaalaangiften van het jaar 2019 betrekking hebben.
Dit artikel is enkel van toepassing op de belasting die opeisbaar is geworden vóór 1 januari 2019.
De Minister van Financiën bepaalt de toepassingsmodaliteiten van de regularisatie en de wijze waarop die wordt verricht.
(*) Dit artikel is enkel van toepassing op de belasting die opeisbaar is geworden vóór 1 januari 2019 (§ 4)
art. 21quater
7 documentenlid 1(De tekst van artikel 21quater, werd ingevoegd met ingang van 27.05.2019 (Art. 7, KB 12.05.2019, B.S. 27.05.2019, Ed. 1, pg. 50443)
lid 2Wanneer een belastingplichtige die een gebouw of een gedeelte van een gebouw verhuurt met toepassing van artikel 44, § 3, 2°, d), van het Wetboek, dat goed overdraagt met vrijstelling van de belasting of een zakelijk recht vestigt of overdraagt op dat goed met vrijstelling van de belasting ten behoeve van een belastingplichtige, en de bestaande huurovereenkomst verder blijft lopen:
wordt er naar aanleiding van de overdracht van dat goed geen herziening toegepast in hoofde van de overdrager ervan;
worden eventuele herzieningen met betrekking tot de oorspronkelijk in aftrek gebrachte belasting met betrekking tot dat goed die voortvloeien uit gebruikswijzigingen na de overdracht van het goed of na de overdracht of wederoverdracht van een zakelijk recht op dat goed, uitsluitend verricht in hoofde van de overnemer van dat goed.
art. 22
lid 1(De tekst van KB nr. 3, artikel 22, is van toepassing met ingang van 01.01.1971 (KB 10.12.1969))
lid 2Dit besluit treedt in werking op dezelfde datum als de wet van 3 juli 1969 tot invoering van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde.
art. 23
lid 1(De tekst van KB nr. 3, artikel 23 is van toepassing met ingang van 01.01.1971 (KB 10.12.1969))
lid 2Onze Minister van Financiën is belast met de uitvoering van dit besluit.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.
Aangehaalde teksten
38Rechtspraak
221België
218Hof van CassatieF.22.0059.N20.06.2025
Vergissing factuur, teruggaaf, Btw-teruggave, teruggaaf bij vergissing gefactureerde belasting
Hof van CassatieF.21.0091.N23.05.2025
Recht op aftrek van Btw, Herziening van de Btw-aftrek
Europese Unie
3Het Hof legt het Unierecht uit dat deze tekst uitvoert.
Hof van JustitieC-210/1118.07.2013
Verzoek om prejudiciële beslissing, recht op aftrek
Administratieve doctrine
225Wetgeving
7420 documenten hangen aan een welbepaald punt van het artikel, 9 verwijzen naar geen enkel bijzonder punt, 24 verwijzen naar een punt dat de gepubliceerde tekst niet draagt. De koppeling wordt in de tekst van de documenten gelezen.