Beslissing Btw nr. E.T.32.583 dd. 04.07.1979
BTW-Revue nr. 41, blz. 549-552, nr. 712.
Verlegging van de heffing - Artikel 20 van het koninklijk besluit nr. 1 - Facturering.
De levering met plaatsing van een roerend goed, dat niet wordt ingelijfd in een gebouw of in een ander uit zijn aard onroerend goed maar dat op eenvoudige wijze wordt vastgemaakt aan een gebouw, is geen werk in onroerende staat als bedoeld in artikel 19, § 2, van het BTW-Wetboek. Een dergelijke levering kan alleen aan de bijzondere regeling van de verlegging van de heffing, die is ingesteld bij artikel 17bis (oud) of artikel 20 (nieuw) van het koninklijk besluit nr. 1 onderworpen zijn wanneer ze uitdrukkelijk is vermeld in § 2 van laatstgenoemd artikel (z. aanschr. 3/1979, nr. 18).
Met name machines, toestellen en apparatuur, in het bijzonder voor industriële installaties, of voorwerpen voor dagelijks gebruik voor normale uitrusting of voor versiering, blijven in beginsel roerend of worden ten hoogste onroerend door bestemming. De regeling ingesteld bij artikel 17bis (oud) of artikel 20 (nieuw) is derhalve niet van toepassing op de levering met aanhechting aan een onroerend goed van dergelijke goederen, zelfs niet wanneer de aanhechting een werk in onroerende staat van geringe omvang vereist, behoudens wanneer het gaat om handelingen die uitdrukkelijk zijn vermeld in § 2, 1° of 2°, van dat artikel 17bis of artikel 20.
Voorbeelden.
1° Levering van een werktuigmachine die wordt verankerd in een betonnen voetstuk, ook al behelst de plaatsing het tot stand brengen van het voetstuk.
2° Levering van een machine, die wordt vastgevezen in de grond en aangesloten op leidingen voor water, lucht of elektriciteit.
3° Levering van een koeltoonbank met vasthechting aan de vloer door middel van cement of lijm of door inmetseling van aan de toonbank bevestigde steunpunten.
4° Levering met aanhechting aan een gebouw van spiegels, kapstokken, hangkasten in een vestiaire, hangklokken.
5° Levering met plaatsing van podiums of kipzetels door ze vast te schroeven in de vloer van spektakelzalen.
De regeling van de verlegging van de heffing is uiteraard evenmin van toepassing op onderhouds- en herstellingswerken aan op dergelijke wijze geplaatste goederen.
Maar die regeling is wel toepasselijk wanneer bovenbedoeld werk in onroerende staat van geringe omvang wordt verricht door een derde. Ze is bovendien toepasselijk wanneer aan het gebouw waarin de machines, toestellen, apparatuur of voorwerpen dienen te worden geplaatst, en ter voorbereiding van die plaatsing, een meer omvangrijk werk in onroerende staat wordt verricht, door een derde of zelfs door de verkoper, zoals omvormings- of aanpassingswerk (verstevigen van vloeren en/of muren, slopen of her metselen van muren, plaatsen van leidingen voor water, gas of elektriciteit, enz.).
Wat voorafgaat mag niet worden verward met het geval waarin een overeenkomst de levering en aanhechting omvat van goederen die een geheel uitmaken, waarvan bepaalde delen onder de toepassing vallen van artikel 17bis (oud) of artikel 20 (nieuw) van het koninklijk besluit nr. 1 en andere niet. In beginsel is de regeling van de verlegging van de heffing dan toepasselijk op wat is bedoeld in artikel 17bis of artikel 20 en moet, derhalve, in de regel, de factuur worden uitgesplitst. Ter vereenvoudiging neemt de administratie evenwel aan dat de regeling van de verlegging van de heffing op de gehele overeenkomst kan worden toegepast (z. aanschr. 3/1979, nrs. 19 en 41).
Die vereenvoudiging geldt zelfs wanneer de factuur niet een globale prijs vermeldt maar afzonderlijke prijzen voor verschillende delen of bestanddelen van een geheel, waarvan sommige onder de toepassingssfeer van artikel 17bis of artikel 20 vallen en andere niet.
Ze mag tenslotte worden toegepast wanneer tussen dezelfde partijen een enig contract wordt gesloten en een deel van de globale prijs, of een afzonderlijke prijs, betrekking heeft op een werk in onroerende staat dat onder de regeling van de verlegging valt, en het overige deel van de globale prijs, of een andere afzonderlijke prijs, betrekking heeft op goederen die ingevolge hun plaatsing niet onroerend uit hun aard worden en niet reeds zijn bedoeld in § 2, 1° en 2°, van artikel 17bis (oud) of in § 2, 1° en 2°, van artikel 20 (nieuw) van het KB nr. 1.