Vr. en Antw., Senaat, 2002-2003, nr. 5, blz. 142-143
Niet-belastbare verrichting - Factuur - Aangerekende BTW
VRAAG
Artikel 54 van het Wetboek van de BTW luidt: "Eenieder die in een factuur of in een als zodanig geldend stuk aan een belastingplichtige een bedrag aanrekent als belasting over de toegevoegde waarde, wordt schuldenaar van die belasting op het tijdstip van het uitreiken van de factuur of het stuk, zelfs indien hij geen goed heeft geleverd noch een dienst heeft verstrekt.
Kan de Minister bevestigen dat dit artikel enkel van toepassing is mits de bij de factuur, of het stuk dat er in de plaats van komt, vastgestelde verrichting, een verrichting is die door het Wetboek van de BTW belastbaar wordt verklaard (de verrichtingen die aan de BTW zijn onderworpen worden limitatief door het Wetboek van de BTW opgesomd)?
Kan de Minister zijn mening geven over het volgende voorbeeld?
Een particulier verkoopt zijn wagen aan een garagehouder. De wagen werd voor particuliere doeleinden gebruikt. Deze verkoop is niet aan BTW onderworpen. Bij vergissing wordt bij het opmaken van de factuur door de particulier een BTW aangegeven.
Het Bestuur van de BTW vraagt de BTW aan de particulier op grond van voormeld artikel 54.
Mij dunkt dat die interpretatie verkeerd is. Artikel 54 voert geen nieuwe categorie van belastbare verrichtingen in, maar heeft enkel tot doel fictieve belastbare verrichtingen te verijdelen.
Mijns inziens mag het Bestuur van de BTW enkel de belasting vragen op voorwaarde dat de verrichting die in een stuk wordt vastgesteld, een werkelijke of fictieve verrichting is die behoort tot een categorie van verrichtingen die limitatief door het Wetboek van de BTW zijn opgesomd.
ANTWOORD
Artikel 54 van het BTW-Wetboek is een bepaling ter bestrijding van de fraude welke vreemd is aan het gemeen recht en die inzonderheid tot doel heeft te voorkomen dat eender wie, door in een factuur een bedrag als BTW op te nemen, alzo aan de geaddresserde van die factuur een titel tot eventuele aftrek zou verschaffen. Door de belasting verschuldigd te maken door het enkele feit van de facturering, afgezien van de handeling die zij zou vaststellen, heeft de Wetgever willen verzekeren dat de eventuele aftrek reeds overeenstemt met de heffing in hoofde van de uitreiker van de factuur.
In het door het geacht Lid vermelde voorbeeld is het niet uitgesloten dat de garagist, aan de hand van de factuur van de particulier, de belasting zou hebben afgetrokken die deze laatste hem heeft aangerekend. De heffing, in hoofde van de particulier op grond van voornoemd artikel 54, is dus gerechtvaardigd om de betaling van de belasting aan de Staat zeker te stellen, zelfs al valt de beoogde handeling volgens de gewone regels buiten de werkingssfeer van het BTW-Wetboek.
Er wordt evenwel aangestipt dat de Administratie in dergelijke gevallen billijkheidshalve zich ervan onthoudt van de particulierverkoper de betaling van de belasting te eisen wanneer de facturering niet met bedrieglijk opzet is geschied en de belastingplichtige koper de BTW niet heeft afgetrokken of het ten onrechte afgetrokken bedrag aan de Staat heeft terugbetaald.