Bewijsmiddelen en controlemaatregelen, Niet voorlegging boekhouding, Gezag van gewijsde · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Hof van beroep Gent 2015/AR/1430 31 mei 2016

Zoeken

Bewijsmiddelen en controlemaatregelen, Niet voorlegging boekhouding, Gezag van gewijsdeBtw - Bewijsmiddelen en controlemaatregelen - Niet voorlegging boekhouding - Gezag van gewijsde - Verstek - Tussenvordering - Tergend en roekeloos geding - Schadevergoeding

https://juriel.be/nl/rechtspraak/bewijsmiddelen-controlemaatregelen-voorlegging-boekhouding-hof-van-beroep-gent-2016-05-31-207c

Rechtscollege
Hof van beroep
Zetel
Gent
Rolnummer
2015/AR/1430
Datum
31 mei 2016

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands
Strekking volgens de FOD
gunstig voor de Belgische Staat

Tekst

101 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Arrest van het Hof van beroep te Gent dd. 31.05.2016 (2015/AR/1430)

WF 708-15-15/038850

[Gunstig voor de administratie]

Belasting over de toegevoegde waarde – Bewijsmiddelen en controlemaatregelen – Niet voorlegging boekhouding – Gezag van gewijsde – Verstek - Tussenvordering – Tergend en roekeloos geding - Schadevergoeding

Wettelijke bepalingen

Art. 60 § 1 WBTW en volgende;

Art. 747 § 2 Ger. W; art. 747, § 2, 6° lid Ger. W; art. 780bis Ger. W

Samenvatting

De belastingplichtige is geregistreerd als adviesbureau op het gebied van bedrijfsbeheer en bedrijfsuitvoering. Naar aanleiding van een controle werd vastgesteld dat de boekhouding niet werd voorgelegd. Bij gebrek aan controlemogelijkheden werd de belastingplichtige het recht op aftrek ontzegd en een proportionele boete opgelegd. Bij gebrek aan betaling werd in 2010 een dwangbevel uitgevaardigd, waartegen de belastingplichtige een verzoekschrift indiende voor de rechtbank van eerste aanleg te Brugge. Deze rechtbank oordeelde deze vordering echter ongegrond, waarna het hof van beroep te Gent in 2013 het vonnis bevestigde.

In 2014 liet de administratie het dwangbevel van 2010 betekenen, met bevel tot betaling. De belastingplichtige stelde opnieuw een vordering in voor dezelfde rechtbank van eerste aanleg, waarbij ze verklaarde dat het om een nieuw dwangbevel ging en dat een nieuwe procedure opgestart werd. Het ging hier wel degelijk om hetzelfde dwangbevel van 2010. Op 23 maart 2015 verklaarde deze rechtbank de vordering ontoelaatbaar op grond van het gezag van gewijsde van het arrest van het hof van beroep te Gent in 2013.

Alhoewel alle partijen behoorlijk waren opgeroepen, is de belastingplichtige daarna voor het hof van beroep niet verschenen. Toch heeft de administratie gevraagd om arrest te vellen. Overeenkomstig art. 747, § 2, 6° lid Ger. W is dit arrest op tegenspraak.

De rechter in beroep verklaart hier dat het niet te betwisten valt dat de vijfde kamer van het hof van beroep in 2013 tussen dezelfde partijen definitief heeft geoordeeld, en dat de vordering tot vernietiging van het dwangbevel onontvankelijk is wegens het gezag van gewijsde van het arrest van 16 april 2013.

De rechter in beroep treedt de tussenvordering van de administratie bij en bevestigd de reeds in eerste aanleg toegekende bijkomende schadevergoeding wegens tergend en roekeloos geding.

Het staat vast dat de belastingplichtige louter om dilatoire redenen hoger beroep aantekende.

Uit het dossier van de rechtspleging blijkt dat de belastingplichtige er een gewoonte van maakt om procedures en voorzieningen in te stellen en vervolgens zonder neerlegging van enig stuk verstek te laten.

De schade voor de administratie bestaat in de verstoring van zijn adminstratieve werking; de opeising van tijd en energie door de behandelende ambtenaren van zowel de procedure als de admini-stratieve opvolging.

Opmerkingen

De administratie vraagt de uitvoering van het arrest

Tekst van het arrest

Tekst van de beslissing

Arrest van het Hof van beroep te Gent

dd. 31.05.2016

(2015/AR/1430)

In de zaak van:

V. N., wonende te …, …, ingeschreven met KSO-nummer …, appellante, welke niet verschijnt, noch iemand voor haar

tegen

BELGISCHE STAAT/FEDERALE OVERHEIDSDIENST FINANCIEN. Minister van Financiën, met kabinet te 1000 BRUSSEL, Wetstraat 12, vertegenwoordigd door de Dienst invordering Brugge 3NP, met burelen te 8000 BRUGGE, G. Vincke Dujardinstraat 4, geïntimeerde, hebbende als raadsman mr. D. S. L., advocaat te …, …

wijst het hof het volgend arrest:

1. De procedure voor het hof

Bij verzoekschrift van 20 mei 2015 heeft de appellante hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat door de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge, vierde kamer, op 23 maart 2015 werd uitgesproken in de zaak met rolnummer ….

De partijen hebben hun middelen en besluiten kunnen voordragen in de openbare terechtzitting van 3 mei 2016, waarop zij allen regelmatig uitgenodigd waren. Alleen de geïntimeerde is op die terechtzitting verschenen,. terwijl de appellante niet verscheen, noch vertegenwoordigd was. De geïntimeerde heeft aan het hof gevraagd om arrest te vellen met de bedoeling een arrest te bekomen dat op tegenspraak is met toepassing van artikel 747 §2, 6de lid Ger.W. Daarna nam het hof de zaak in beraad.

Het hof heeft de Nederlandse taal gebruikt in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken.

2. De relevante feiten en de voorafgaande procedure

De appellante is btw-belastingplichtige voor de activiteit van adviesbureau op het gebied van bedrijfsbeheer en van bedrijfsvoering.

Omdat naar aanleiding van een controle over het jaar 2007 werd vastgesteld dat de appellante haar boekhouding niet voorlegde, werd haar een niet proportionele boete van … euro opgelegd. Omdat er bij gebrek aan controlemogelijkheden geoordeeld werd dat de appellante het recht van aftrek dat ze in haar periodieke aangiften had uitgeoefend niet bewees werd haar dat recht op aftrek ontzegd voor … euro btw in hoofdsom, vermeerderd met een proportionele boete (10%) van … euro, te vermeerderen met de interest en de kosten. Daartoe werd ten nadele van de appellante op 14 juni 2010 een proces-verbaal opgesteld.

Bij gebrek aan betaling werd op 19 juli 2010 overgegaan tot het uitvaardigen van een dwangbevel voor dezelfde bedragen als vermeld in het proces-verbaal van 14 juni 2010, vermeerderd met de moratoire interest op de verschuldigd verklaarde btw en de geldboeten. Dat dwangbevel werd op 22 juli 2010 geviseerd en uitvoerbaar verklaard. Het dwangbevel werd per aangetekende zending van 23 juli 2010 aan de appellante betekend.

Met een verzoekschrift van 6 augustus 2010 stelde de appellante haar vordering in voor de rechtbank van eerste aanleg te Brugge, waarmee ze verzet aantekende tegen het genoemde dwangbevel van 19 juli 2010.

In een vonnis van 17 januari 2012 heeft de vierde kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Brugge die vordering ongegrond verklaard. De appellante was, hoewel behoorlijk opgeroepen overeenkomstig artikel 747 §2 Ger.W., niet verschenen en ze was evenmin vertegenwoordigd. Op 30 april 2012 stelde de appellante tegen dat vonnis hoger beroep in. De vijfde kamer van het hof van beroep te Gent heeft in zijn arrest van 16 april 2013 het hoger beroep als ongegrond afgewezen. De appellante was ook hier, hoewel behoorlijk opgeroepen overeenkomstig artikel 747 §2 Ger.W., niet verschenen en ze was evenmin vertegenwoordigd. De geïntimeerde liet dat arrest op 25 juni 2013 aan de appellante betekenen (zonder bevel te betalen).

Op 11 maart 2014 liet de geïntimeerde het dwangbevel van 19 juli 2010 bij gerechtsdeurwaardersexploot betekenen, samen met een kopie van de aangetekende zending van 23 juli 2010 en het proces-verbaal van 14 juni 2010. In datzelfde exploot werd bevel tot betaling gedaan voor de verschuldigde sommen.

Op 13 mei 2014 stelde de appellante een vordering voor de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge waarmee ze aan de eerste rechter vroeg om het dwangbevel van 18 juli 2010 te vernietigen en de geïntimeerde te verwijzen in de kosten.

De geïntimeerde stelde een tegenvordering om de appellante te veroordelen tot een schadevergoeding van … euro wegens tergend en roekeloos geding.

De appellante is, hoewel behoorlijk opgeroepen overeenkomstig artikel 747 §2 Ger.W., niet verschenen en ze was evenmin vertegenwoordigd.

De vijfde kamer van de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge heeft in zijn vonnis van 23 maart 2015 de hoofdvordering ontoelaatbaar verklaard op grond van het gezag van gewijsde. De tegenvordering werd gegrond verklaard zodat de appellante werd veroordeeld om aan de geïntimeerde een schadevergoeding wegens tergend en roekeloos geding te betalen van … euro. De appellante werd in de kosten verwezen, met dien verstande dat deze op nul euro werden vastgesteld.

Het is tegen dat vonnis dat de appellante hoger beroep heeft ingesteld.

3. De grieven, vorderingen en standpunten van de partijen

3.1. De vordering van de appellante

De appellante vraagt in hoger beroep aan het hof om:

Het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren.

Dienvolgens het vonnis a quo teniet te doen, en opnieuw wijzende:

- het betwiste dwangbevel te vernietigen

- Geïntimeerde te veroordelen tot de kosten van onderhavige procedure.

3.2. De vordering van de geïntimeerde

De geïntimeerde vraagt in hoger beroep aan het hof om:

het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond te verklaren.

het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg integraal te bevestigen

appellante te veroordelen tot de kosten van het geding, aan de zijde van geïntimeerde op heden begroot op:

- de rechtsplegingsvergoeding: … €

de door geïntimeerde op tegeneis gestelde vordering tot betaling van een schadevergoeding wegens tergend en roekeloos geding van … euro (… €) ontvankelijk en gegrond te verklaren.

4. Arrest op tegenspraak

Hoewel alle partijen behoorlijk waren opgeroepen overeenkomstig artikel 747 § 2 Ger.W. voor de behandeling van de zaak op de zitting van 3 mei 2016 om elf uur, is de appellante niet verschenen en was zij ook niet vertegenwoordigd door een advocaat.

De geïntimeerde heeft het hof gevraagd om arrest te vellen.

Overeenkomstig artikel 747, § 2, 6de lid Ger.W. is dit arrest op tegenspraak.

5. De betwistingen en hun beoordeling

5.1. Over de toelaatbaarheid van de vordering zoals gesteld voor de eerste rechter in de procedure ingeleid bij verzoekschrift van 13 maart 2014

De appellante roept in dat er op 11 maart 2014 wel degelijk een nieuw dwangbevel werd betekend. De geïntimeerde zou dus niet betekend hebben in uitvoering van enig eerder uitgesproken vonnis of arrest dat gezag van gewijsde had gekregen. Het zou de geïntimeerde zijn die, door het opnieuw betekenen van het dwangbevel een nieuwe procedure heeft ingeleid en opgestart.

Deze stelling van de appellante is ronduit in strijd met de voorliggende stukken, terwijl de appellante niet eens de moeite doet om enig stuk voor te leggen.

De geïntimeerde legt het gerechtsdeurwaardersexploot voor waarmee gerechtsdeurwaarder L. H. op 11 maart 2014 een betekening-bevel deed aan de appellante. Daarin staat dat hij achterliet en betekening deed:

• van een dwangbevel, uitgevaardigd door mevrouw C. P., de ontvanger-adviseur a.i. van het BTW-Ontvangkantoor Brugge, op 19/07/2010, geviseerd en uitvoerbaar verklaard door L. S., adviseur a.i. van het Controlekantoor te Brugge op 22/07/2010, aangewezen door de gewestelijke directeur van de Belasting over de toegevoegde waarde te Brugge.

• een Proces-verbaal opgemaakt te Brugge d.d. 14/06/2010.

Het is wel degelijk het oorspronkelijke en enige dwangbevel dat op 19 juli 2010 werd uitgevaardigd, dat op 11 maart 2014 aan de appellante werd betekend.

Verder valt niet te betwisten dat bij arrest van de vijfde kamer van het hof van beroep te Gent van 16 april 2013 (op 25 juni 2013 aan de appellante betekend) tussen dezelfde partijen definitief geoordeeld werd over de vordering van de appellante tot vernietiging van dat dwangbevel van 19 juli 2010, zodat de eerste rechter met reden geoordeeld heeft dat de vordering die de appellante bij verzoekschrift van 13 maart 2014 heeft ingesteld om vernietiging te bekomen van datzelfde dwangbevel, onontvankelijk (= ontoelaatbaar) is wegens het gezag van het gewijsde van het arrest van 16 april 2013.

Net zo min als de eerste rechter kan het hof in die omstandigheden de grond van de zaak ontmoeten.

Het hoger beroep is dus ongegrond.

4.2. De tussenvordering van de geïntimeerde tot veroordeling va de appellante tot schadevergoeding wegens tergend en roekeloos geding

De geïntimeerde vordert enerzijds bevestiging van het bestreden vonnis waarin al een schadevergoeding van … wegens tergend er roekeloos geding werd toegekend en daarnaast vordert zij een bijkomende schadevergoeding van … euro wegens tergend en roekeloos hoger beroep. Op de openbare terechtzitting van 3 mei 2016 heeft de advocaat van de geïntimeerde toegelicht dat het inderdaad om een extra schadevergoeding gaat wegens tergend hoger beroep.

De geïntimeerde moet in zijn standpunt worden bijgetreden.

De appellante moet als geen ander weten en geweten hebben dat haar bewering als zou het om een ander dwangbevel gaan, onjuist is. Bovendien is de appellante juriste. Zelfs mocht er sprake zijn van een ander dwangbevel, dan nog belet dat niet dat het dezelfde sommen zijn waarover de betwisting gaat (dezelfde btw en boeten voor dezelfde periode). De stelling van de eerste rechter dat het gezag van gewijsde belet tot de ontvankelijkheid van de vordering leidt, blijft dus dan nog overeind.

Het staat dan ook vast dat de appellante louter om dilatoire redenen hoger beroep aantekende.

Uit het dossier van de rechtspleging in dit geschil blijkt dat de appellante er een gewoonte van maakt om procedures en voorzieningen in te stellen en vervolgens zonder neerlegging van enig stuk verstek te laten.

De beroepsprocedure is zonder meer tergend en geeft de geïntimeerde recht op vergoeding van zijn schade.

De schade voor de geïntimeerde bestaat in de verstoring van zijn administratieve werking, de opeising van de tijd en energie door de behandelende ambtenaren van zowel de procedure als de interne administratieve opvolging. In billijkheid stelt het hof de schadevergoeding, op vandaag berekend, op … euro.

De tussenvordering is in die mate gegrond.

6. De gerechtskosten

De appellante wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de gerechtskosten van het hoger beroep dragen.

Overeenkomstig het eerste lid van artikel 1022 Ger.W., vervangen bij wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat, heeft slechts de partij die in het gelijk gesteld wordt recht . op een rechtsplegingsvergoeding.

Voor de vaststelling van die rechtsplegingsvergoeding overeenkomstig artikel 1022 Ger. W., uitgevoerd bij KB van 26 oktober 2007, moet, bij gebrek aan redenen tot afwijking ervan, het basisbedrag gehanteerd worden.

Vermits de waarde van de vorderingen, bepaald zoals voorzien in de artikelen 557 tot 562 en artikel 618 Ger.W. zich in de schijf van … tot … euro bevindt, is het basisbedrag van … euro toepasselijk.

Beschikkend gedeelte

OP DIE GRONDEN,

HET HOF,

recht doende op tegenspraak;

verklaart het hoger beroep ontvankelijk maar wijst het af als ongegrond; bevestigt het bestreden vonnis;

verklaart de tussenvordering van de geïntimeerde, gesteld in hoger beroep, ontvankelijk en gegrond; veroordeelt de appellante om aan de geïntimeerde wegens tergend en roekeloos hoger beroep een schadevergoeding te betalen van … euro (… EUR).

veroordeelt de appellante tot het betalen van de gerechtskosten van het hoger beroep,

vastgesteld als volgt:

- aan de kant van de appellante: nihil

- aan de kant van de geïntimeerde:

- rechtsplegingsvergoeding hoger beroep: … EUR

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, VIJFDE bis KAMER, zitting houdende in fiscale zaken, van 31 mei 2016.

Aanwezig:

D. V., raadsheer wn. voorzitter, alleen rechtsprekend

J. D., griffier

Ondertekeningen

Aangehaalde teksten

1
WBTW art. 602 voorkomens

Administratieve doctrine

1

« … van nieuwe vervoermiddelen). Elke btw-belastingplichtige is vrij zijn boekhouding te organiseren zoals hij wil, op voorwaarde dat ze voldoet aan de eisen van de fiscale wetgeving. (Arrest van het Hof van beroep te Gent nr. 2015/AR/736, van 27.09.2016) ( Arrest van het Hof van beroep te Gent nr. 2015/AR/1430, van 31.05.2016 ) (Arresten van het hof van beroep te Brussel nr. 2006/AR/2868-3498, van 10.07.2015) Van deze algemene regel wordt enkel afgeweken voor de btw-belastingplichtigen onderworpen aan de forfaitaire regeling. Laatstgenoemden zijn immers verplicht hun boek voor … »

Regeling voor de voldoening van de belasting (30.06.2021)Administratieve commentaar05.05.2022

Bekijk het document

Vergelijkbare beslissingen

8