Tarief dat van toepassing is voor werken in onroerende staat -Voorwaarden · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Rechtbank van eerste aanleg 1 juli 2022

Zoeken
Tekst in het Frans

Tarief dat van toepassing is voor werken in onroerende staat -Voorwaarden

https://juriel.be/nl/rechtspraak/tarief-toepassing-werken-in-onroerende-rechtbank-2022-07-01-5ebe

Rechtscollege
Rechtbank van eerste aanleg
Datum
1 juli 2022

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Frans
Nederlandse versie
niet door de FOD gepubliceerd
Strekking volgens de FOD
gunstig voor de Belgische Staat

De tekst van dit document is in het Frans. De FOD publiceert er geen Nederlandse versie van.

Tekst

204 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van eerste aanleg van Waals-Brabant d.d. 01.07.2022

WF 703-15-19/007391

[Gunstig voor de Belgische Staat]

Belasting over de toegevoegde waarde – Tarief dat van toepassing is voor werken in onroerende staat -Voorwaarden voor de toepassing van het afwijkend verlaagd tarief van 6%

Wettelijke bepalingen

Artikelen 19 § 2, 59 §1, 84 1ste lid en 91 § 1 WBTW

Koninklijk besluit nr. 20 van 20 juli 1970, Rubrieken XXXI, § 1 en XXXVIII § 1 van tabel van de bijlagen bij dit besluit

Samenvatting

Eiseres is sinds 2014 aan de btw onderworpen en geïdentificeerd bij de KBO voor zijn bouw- en renovatiewerkzaamheden. In 2015 kochten de medevennoot van eiseres en zijn partner een gebouw van zijn zus. Begin 2016 heeft de medevennoot de maatschappelijke zetel van eiseres naar dit gebouw overgebracht. Het geschil betreft de toepassing van het verlaagd tarief van 6% in plaats van het normaal tarief van 21% op werken in onroerende staat die eiseres in dit gebouw heeft uitgevoerd.

In de loop van 2018 is eiseres, zowel voor de btw als voor de vennootschapsbelasting, onderworpen aan een fiscale controle met betrekking tot de verrichte handelingen. Om verschillende redenen (gebrek aan antwoorden door belastingplichtige, uitstel gevraagd door zijn mandataris, het niet voorleggen van de gevraagde documenten, enz.) zal de voor juni 2018 aangekondigde controle pas in november 2018 kunnen plaatsvinden.

Tijdens deze controle heeft de controleambtenaar inbreuken op de btw-wetgeving vastgesteld en heeft hij op grond van artikel 59, § 1 WBTW een proces-verbaal opgesteld waarin de vastgestelde inbreuken zijn opgesomd voor de periode van 1 januari 2015 tot 31 december 2015. De vastgestelde inbreuken hadden betrekking op de onjuiste toepassing van het verlaagde tarief van 6% op werken in onroerende staat door eiseres aan het gebouw van haar zaakvoerder.

Het proces-verbaal werd op 14 november 2018 aan eiseres ter kennis gebracht met een aangetekende schrijven. Op 20 november 2018 heeft eiseres de in het proces-verbaal opgenomen belastingheffing betwist, maar niet gereageerd op het door de belastingdienst gedane voorstel voor een gesprek.

Op 26 november 2018 werd het betwiste dwangbevel uitgevaardigd en betekend aan eiseres. De aangetekende brief werd aan de administratie terugbezorgd met de vermelding "niet opgehaald". Op 20 december 2018 heeft eiseres een administratief bezwaarschrift ingediend tegen het proces-verbaal op grond van artikel 84, lid 1, WBTW. Dit bezwaar is op 17 september 2019 afgewezen. Op 9 december 2019 heeft eiseres, via haar raadsman, verzet tegen het dwangbevel ingediend.

Belastingplichtige vraagt de rechtbank om het dwangbevel nietig te verklaren. Zij stelt dat de procedure niet is gevolgd, dat het toepasselijk tarief op de betwiste handelingen 6% moet zijn en dat de beslissing van 17 september 2019 inzake de afwijzing van haar bezwaar niet is gemotiveerd.

Met betrekking tot de controle- en belastingaanslagprocedure voert eiseres aan dat de belastingadministratie haar fair play-plicht niet is nagekomen. Een eenvoudige lezing van het proces-verbaal van 14 november 2018 volstaat evenwel om te besluiten dat deze grief volledig ongegrond is.

Hetzelfde geldt voor de grief met betrekking tot een vermeende schending van de verplichting om een regularisatieopgave toe te sturen. Deze grief mist feitelijke grondslag aangezien de administratie, zoals blijkt uit het proces-verbaal van 14 november 2018, de genoemde regularisatieopgave wel degelijk op 25 september 2018 heeft toegezonden en waarvan geen enkel tegenbewijs is geleverd.

Inzake de motivering van de administratieve beslissing van 17 september 2019, aangenomen dat deze onjuist zou zijn, zou deze geen invloed hebben op het dwangbevel of op de procedure tot heffing van de belasting. Het dwangbevel is immers de enige uitvoerbare titel waarop de administratie zich beroept. Bovendien voldoet de motivering aan de vereisten van artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen, dat als volgt luidt: "De opgelegde motivering moet in de akte de juridische en feitelijke overwegingen vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen. Zij moet afdoende zijn.".

De belastingadministratie heeft dus geantwoord op de twee grieven die waren ingediend tegen de procedure en het toepasselijk btw-tarief op de werken in onroerende staat aan het betrokken onroerend goed. De feitelijke en juridische gronden worden duidelijk uiteengezet onder verwijzing naar :

- de relevante artikelen van het WBTW en koninklijk besluit nr. 20, evenals naar de aanschrijving nr. 6 van 22 augustus 1986 en de beslissing ET nr. 106.933 van 1 september 1994;

- een uitspraak van het Hof van Beroep te Luik;

- de omstandigheden van onderhavig geval die de belastingadministratie ertoe hebben gebracht de vordering af te wijzen (verwijzingen naar de bouwvergunning, plannen en bestekken).

Hieruit volgt dat de grief niet kan worden aangenomen.

Wat het btw-tarief betreft dat van toepassing is op de werken in onroerende staat die eiseres heeft uitgevoerd op het gebouw van haar zaakvoerder, stelt eiseres dat zij terecht het verlaagde tarief van 6% heeft toegepast in plaats van het normale tarief van 21%. De BELGISCHE STAAT betwist dat.

De rechtbank herinnert er vooreerst aan de bepalingen die van toepassing zijn op het geschil en aan de interpretatie die eraan is gegeven door het HvJEU, de minister van Financiën (bij koninklijk besluit nr. 20 of door parlementaire vragen te beantwoorden) en door de hoven en rechtbanken (Luik, 10 juni 2014, RG nr. 2013/RG/135, gepubliceerd op fisconetplus).

In het onderhavige geval hebben de uitbreidingswerkzaamheden geleid tot de oprichting van een nieuwe eengezinswoning die onafhankelijk van het bestaande gebouw functioneert. Gelet op de objectieve kenmerken van het gebouw is het verlaagd tarief dus niet van toepassing. In het bijzonder blijkt uit de op 19 januari 2015 door het gemeentebestuur verleende bouwvergunning dat:

- de aanvraag betrekking heeft op de verbouwing van een gebouw met 3 appartementen tot een gebouw met 4 appartementen;

- Het project omvat de afbraak van de garage ten noorden van het hoofdgebouw;

- de geplande uitbreiding bestaat uit een uitbreiding van het hoofdgebouw met 4,60 meter noordwaarts om zodoende plaats te bieden aan een extra appartement.

Uit de plannen bij deze bouwvergunning blijkt duidelijk dat de bestaande garage is afgebroken en dat het bijkomende appartement onafhankelijk van het bestaand gebouw kan functioneren.

afgebroken en dat de bijkomende flat onafhankelijk van het bestaande gedeelte kan functioneren. Dit appartement heeft namelijk een aparte ingang en bevat alle normale elementen van een aparte woning (keuken, badkamer, woonkamer, slaapkamers). Bovendien blijkt uit de notariële akte van 12 augustus 2015 dat de zaakvoerder van eiseres de woning als een eengezinswoning heeft gekocht.

Ten slotte verwijst het bestek van de werken ook naar de afbraak van de garage. De omschrijving van de werken in het bestek voorziet onder meer in het slopen van de vloerplaat van de garage en het slopen van de funderingen van de garage. Eiseres heeft tevergeefs aangevoerd dat de zus van haar zaakvoerder voor de werkzaamheden aan de eerste drie appartementen van het verlaagde tarief van 6% heeft kunnen genieten. Deze werkzaamheden werden niet aan een controle door de administratie onderworpen en derhalve kan hieruit geen enkele conclusie worden getrokken.

Anderzijds kunnen werken in onroerende staat waarbij meerdere appartementen in een bestaand gebouw worden gecreëerd en de bouw van andere woningen door het bestaande gebouw uit te breiden, onder bepaalde voorwaarden, in aanmerking komen voor het verlaagd tarief wanneer de verbouwingen beperkt zijn tot het bestaande volume.

Hieruit volgt dat het nieuwe gedeelte van het gebouw moet worden beschouwd als een nieuw gebouw en niet als een verbouwing van het bestaande gebouw. De uitgevoerde werkzaamheden kunnen daarom niet genieten van het verlaagd tarief van het 6%.

De vordering kan niet worden aangenomen.

Opmerkingen

De belastingplichtige heeft berust in het vonnis.

Het vonnis ten gunste van de Staat is interessant omdat het zich uitspreekt over enerzijds de draagwijdte van de bepalingen van het Koninklijk Besluit nr. 20 en anderzijds de contouren van de administratieve tolerantie. Aanschrijving nr. 6/1986 en de beslissingen nr. E.T.106.933 van 1 september 1994 en nr. E.T.106.933/2 van 29 maart 2006 voorzien in administratieve toleranties, waardoor onder bepaalde voorwaarden bepaalde uitbreidingen kunnen worden gelijkgesteld met verbouwingen die in aanmerking komen voor het verlaagde tarief.

Artikel 19, § 2 WBTW bepaalt dat onder werk in onroerende staat moet worden verstaan: " het bouwen, het verbouwen, het afwerken, het inrichten, het herstellen, het onderhouden, het reinigen en het afbreken, geheel of ten dele, van een uit zijn aard onroerend goed, en de handeling die erin bestaat een roerend goed te leveren en het meteen op zodanige wijze aan te brengen aan een onroerend goed dat het onroerend uit zijn aard wordt.”

Artikel 1, lid 1, van koninklijk besluit nr. 20, van 20 juli 1970, tot vaststelling van de tarieven van de belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling van de goederen en diensten bij die tarieven, bepaalt dat het normale tarief van de belasting over de toegevoegde waarde voor de in het wetboek bedoelde goederen en diensten 21% bedraagt. In afwijking hiervan bepaalt lid 2, onder a), van hetzelfde artikel dat de belasting wordt geheven tegen het verlaagd tarief van 6% voor de goederen en diensten die zijn opgenomen in tabel A van de bijlage bij dit besluit.

De rubrieken XXXI, § 1 (werk in onroerende staat met betrekking tot privé-woningen) en XXXVIII, § 1 (renovatie en herstel van privé-woningen) van tabel A van de bijlage verduidelijken de voorwaarden waaronder werken in onroerende staat in aanmerking komen voor het verlaagde tarief van 6%.

Volgens het HvJEU vormt de toepassing van een verlaagd btw-tarief een afwijking op een beginsel en moet deze strikt worden uitgelegd (HvJEU, arrest B., 10 november 2016, C-432/15, punten 57 tot en met 59; HvJEU, arrest AZ, 9 november 2017, C-499/16, punten 22 tot en met 25; HvJEU, arrest O. B., 9 maart 2017, C-573/15, punt 25).

De bouw, verbouwing of uitbreiding van een bestaand gebouw vallen derhalve niet onder de werken in onroerende staat die van verlaagde tarief kunnen genieten.

Bovendien is eiseres voornemens gebruik te maken van de administratieve tolerantie waardoor in bepaalde gevallen uitbreidingswerkzaamheden als verbouwingswerkzaamheden aan een oud gebouw kunnen worden beschouwd en waarvoor het verlaagde tarief kan worden toegepast (zie punt 30 van aanschrijving nr. 6 van 22 augustus 1986 en de beslissing nr. 106.933 van 1 september 1994).

Indien de administratie er niet voor had gekozen om het woord "verbouwing" dat in de tekst van Koninklijk Besluit nr. 20 van 20 juli 1970 wordt gebruikt, ruim te interpreteren, zouden de uitbreidingswerkzaamheden in ieder geval niet in aanmerking zijn gekomen voor het verlaagd btw-tarief. De uitbreiding wordt als een verbouwing beschouwd als ze na de uitvoering van de werken minder dan de helft van de totale oppervlakte vertegenwoordigt en als de uitbreiding niet zelfstandig kan functioneren.

In een arrest van 12 maart 2010, F.09.0011. F, gepubliceerd op fisconetplus), heeft het Hof van Cassatie geoordeeld dat, aangezien rubriek XXXI van tabel A van de bijlage bij het Koninklijk Besluit nr. 20 van 20 juli 1970 met betrekking tot werken in onroerende staat met betrekking tot privé-woningen, de toepassing van het tarief van 6% voorziet voor de handelingen die omvorming, renovatie, rehabilitatie, verbetering, herstelling of het onderhoud, met uitsluiting van de reiniging, geheel of ten dele van een woning tot voorwerp hebben, maar niet op de afbraak en wederopbouw van een dergelijk gebouw, diende het Hof van Beroep een onderscheid te maken tussen deze categorieën van werken en handelingen.

Het Hof van Cassatie was van oordeel dat het bestreden arrest, door de administratieve criteria vast te stellen, niet omdat zij in een aanschrijving waren opgenomen, in casu omzendbrief nr. 6 van 22 augustus 1986, maar omdat ze relevant leken voor het te maken onderscheid, geen enkele bepaling van voormelde rubriek XXXI schond.

In dit verband heeft het Hof van Beroep van Luik reeds geoordeeld dat de vraag of werken een verbouwing of een nieuwbouw vormen, een feitenkwestie is die geval per geval moet worden beoordeeld (Luik, 10 juni 2014, dossier nr. 2013/RG/135, gepubliceerd op fisconetplus met opmerkingen). Het arrest preciseert de criteria waarmee rekening moet worden gehouden.

In onderhavig geval hebben de uitbreidingswerkzaamheden geleid tot de oprichting van een nieuwe eengezinswoning die onafhankelijk van het bestaande gebouw functioneert. Het verlaagd tarief is dus niet van toepassing gezien de objectieve kenmerken van het gebouw in kwestie (d.w.z. de bouwvergunning en de bijgevoegde plannen, de notariële koopakte waaruit de aankoop van een eengezinswoning blijkt, de onafhankelijke en afzonderlijke woonruimten, het bestek voor de werken, enz.)

Er wordt in het bijzonder verwezen naar de antwoorden van de minister op de parlementaire vragen nr. 10991 van de heer Chabot van 28 maart 2006 en nr. 531 van de heer Dirk Van der Maelen van 24 maart 2010.

Tekst van het vonnis

Het vonnis wordt enkel gepubliceerd in de oorspronkelijke taal

Tekst van de beslissing

Tribunal de première instance du Brabant wallon, 14 ème Chambre Civile, affaires fiscales

Jugement du 01/07/2022

Rôle : 19/2131/A

En cause de:

L. R. SRL (BCE 055...48) dont le siège social est établi à ...;

Partie demanderesse, comparaissant par son conseil :

Me G.M., avocat dont le cabinet est établi à ...

(X@avocat.be) ;

ET:

L'ÉTAT BELGE, SPF FINANCES, AGF TVA, poursuites et diligences du Conseiller-receveur du team « recouvrement personnes morales Brabant wallon » dont les bureaux sont établis à 1340 Ottignies-Louvain-la-Neuve, Avenue Paul Delvaux 13 ;

Partie défenderesse, comparaissant par son agent :

Mme X, attaché (X@minfin.fed.be).

I. ÉLÉMENTS DE PROCEDURE

Le Tribunal a examiné les pièces de procédure suivantes :

-le procès-verbal en matière de TVA, notifié à la SRL L. R. le 14 novembre 2018 ;

- la contrainte TVA CTRI 500...08, décernée le 26 novembre 2018 et notifiée à la SRL L. R. le 28 novembre 2018 ;

- la requête introductive d'instance pour la SRL L. R., déposée le 9 décembre 2019 ;

- le calendrier amiable de mise en état de la cause, déposé par les parties à l'audience du 13 janvier 2020 ;

- les dernières conclusions de synthèse pour la SRL L. R., déposées le 13 novembre 2020 et son dossier de pièces ;

- les dernières conclusions de synthèse pour l'ÉTAT BELGE, déposées le 9 décembre 2020 et son dossier de pièces.

Les articles 1, 34 à 37, 40 et 41 de la loi du 15 juin 1935 sur l'emploi des langues ont été appliqués.

Il. LE CADRE DU LITIGE ET LES FAITS PERTINENTS

1. Le litige porte sur le taux de TVA appliqué par la SRL L. R. (la demanderesse) aux travaux

immobiliers qu'elle a effectués à l'immeuble situé à ... en 2015.

Cet immeuble appartenait à la sœur de M. R. J., le gérant-associé de la SRL L. R.. Le 12 août 2015, M. J. et sa compagne ont racheté l'immeuble.

Le 5 janvier 2016, le gérant-associé J. a déplacé le siège social de la SRL L. R. en l'immeuble.

2. Les 4 factures litigieuses portent en compte la TVA au taux réduit de 6% au lieu du taux normal de 21% :

- Facture n° 01/2015 du 8 janvier 2015, adressée à Mme N. J. (sœur du gérant) pour

« 2ième acompte sur travaux » d'un montant de 30.000,00 € + TVA 1.800,00 € ;

- Facture n° 10/2015 du 13 août 2015, adressée à son gérant, pour « travaux divers de parachèvement » d'un montant de 29.000,00 € + TVA 1.740,00 € ;

- Facture n° 11/2015 du 13 août 2015, adressée à son gérant, pour « escalier-carrelage-acompte sur cuisine » d'un montant de 20.000,00 € + TVA 1.200,00 € ;

- Facture n° 11/2015 du 17 octobre 2015, adressée à son gérant, pour « sanitaire + solde escalier » d'un montant de 4.773,59 € + TVA 286,31 €.

3. Le 3 mai 2018, l'administration fiscale annonce un contrôle TVA et ISOC pour le 14 juin 2018. Par l'action concertée de la SRL L. R. et de son comptable, le sieur G. R., ce contrôle ne pourra pas être tenu avant le ... 12 novembre 2018.

Les agents assermentés ont dressé le procès-verbal qui suit et contre lequel la SRL L. R. n'a pas rapporté la preuve contraire :

Service Public

Fédéral

FINANCES

PROCES-VERBAL

Le soussigné, X, expert fiscal, attaché au Centre PME Charleroi, Contrôle 8, de l'Administration générale de la Fiscalité, dont les bureaux sont établis Rue de l'Industrie, 22 à 1400 Nivelles,

accompagnée de Mme X, au moment des faits conseiller, chef d'équipe, du Service Public Fédéral FINANCES, Administration générale de la fiscalité, attaché au centre PME Charleroi — Contrôle 8, dont les bureaux sont établis à 1400 Nivelles, rue de l'Industrie 22,

déclare :

- que la SPRL L. R. , dont le siège social est établi ... , dénommée ci-après l'assujettie, est identifiée à la TVA sous le numéro BE 550...48 depuis le 4 avril 2014 pour son activité économique et professionnelle déclarée de construction et rénovation d'immeuble ;

- que j'ai consulté le dossier en matière de TVA de l'assujettie tenu par le SPF Finances ; que pour les opérations qu'elle a réalisées pendant la période comprise entre le 1 janvier 2015 et le 31 décembre 2015 , l'assujettie a remis à l'administration de la TVA, les 4 déclarations périodiques au dépôt desquelles elle est tenue en vertu de l'article 53, 1er,2° du Code de la TVA et de l'article 18, 2, de l'arrêté royal n°1 du 29 décembre 1992 ;

- qu'en vue de procéder à la vérification de l'exacte perception de la taxe à sa charge ou à la charge de tiers en vertu de l'art 61, 1er du Code de la TVA, je l'ai requis par pli ordinaire du 3 mai 2018, de me communiquer au siège social le14 juin 2018 vers 9h, les livres, factures et documents dont la tenue, la rédaction, la délivrance et la conservation sont prescrites par la législation TVA (art. 60 du Code TVA);

que suite à une communication téléphonique reçue du comptable ( M R. G.) j'ai pris connaissance de son indisponibilité le 14 juin 2018 ; que nous avons fixé le contrôle

de commun accord par téléphone au 21/06/2018 ainsi que de réaliser celui-ci en nos bureaux Rue de l'Industrie 22 1400 Nivelles .Etant donné que M J. R., dirigeant de la société travaillait sur chantier et ne pouvait se libérer pour le contrôle (le siège social de la société est situé dans son habitation personnelle) ;

-que le 7/06/2018, M R. G. m'a téléphoné pour me demander de postposer le contrôle à la mi-août ;qu'il était submergé de travail et ensuite partait en vacances ;j'ai accepté ;

qu'à la mi-août , j'ai repris contact avec le comptable et nous avons fixé le contrôle au ' 05/09/2018 en nos bureaux;

que le 05/09/2018 , M R. G. comptable s'est présenté au bureau pour le contrôle sans les factures d'achats, de ventes, d'extraits de compte pour la période du 1/1/2015 au 31/12/2015 ; qu' il a déclaré qu'ils étaient introuvables ;

PV L. R. SPRL ( 550...48 )

- qu'il m'a demandé d'attendre la fin de la semaine pour essayer de les retrouver ;

- que le 7/09/2018 sans nouvelles de sa part j'ai envoyé un avis de passage sous pli simple et sous pli recommandé fixant le contrôle au 19/09/2018.au siège social de la société ; que le 19/09/2018 à 9 heures , je me suis présentée au siège social de la société ... mais j'ai trouvé porte close ;

- qu'un relevé de régularisation a été établi le 25/09/2018 et transmis par courrier recommandé au siège social ;

- que le relevé envoyé sous pli recommandé a fait retour le 15/10/2018 avec la mention non réclamé ;que je l'ai renvoyé sous pli ordinaire le 15/10/2018 avec une copie de l'enveloppe comportant la mention « non réclamé » ;

- que le 31/10/2018 , le comptable de la société M R. m'a envoyé un mail en demandant un rendez-vous ;n'ayant pas eu la possibilité de prendre connaissance des ternies du relevé, il a demandé que je lui renvoie une copie par mail, ce que j'ai fait ;qu'il me l'a renvoyée signée en antidatant la copie renvoyée au 25/10/2018 ; je lui en ai fait le constat directement par mail et lui donné rendez-vous le 8/11/2018 en nos locaux ;

que le dimanche 7/11/2018 , il a envoyé par mail toute ‘une série de fichiers comprenant les factures de vente, certaines factures d'achat et des extraits de compte ;

- qu'il s'est présenté le 8/11/2018 en nos locaux sans les documents de 2015 ;le dirigeant était toujours à leur recherche ;

- 'que Mme X , conseiller , chef de service lui a indiqué que nous nous présenterions au siège social ( nie de la ... ) le 12/11/2018 à 9h 30 ;elle a demandé à ce que le dirigeant , M J. soit présent et que l'ensemble des documents soient disponibles ;

- que le 12/11/2018, nous nous sommes présentées au siège social :les documents 2015 factures d'achats, extraits de compte, factures de vente et devis ).avaient été retrouvés dans les archives du fils du propriétaire des anciens bureaux loués par le comptable ; que le contrôle demandé depuis le mois de juin n'a donc pas pu avoir lieu que le 12/11/2018 ;

- que le 12/11/2018 , il a été constaté que certaines factures étaient scannées et à disposition sur l'ordinateur du gérant et que' selon les dires du comptable, les devis ont toujours été en possession du gérant mais n'ont pas été montrés à l'administration avant le 12/11/2018 car elle ne les avait pas demandé explicitement.

Au vu des livres, factures et documents qui m'ont été présentés des pièces contenues dans le dossier, des données et de la documentation réunie par l'administration, des informations et renseignements recueillis en application des articles 62 et 63 du code de la taxe sur la valeur ajoutée, et des explications fournies par l'assujetti et par son comptable de l'assujetti plus amplement désigné ci-avant, les erreurs, irrégularités et infractions suivantes concernant la réglementation applicable en matière de taxe sur la valeur ajoutée ont été constatées.

2

PV L. R. SPRL ( 550...48 )

4

Lors du contrôle du 12 novembre 2018, l'administration fiscale relève des infractions à la législation en matière de TVA et rédige un procès-verbal sur pied de l'article 59, 1er du CTVA (Code de la TVA) reprenant les infractions constatées pour la période du 1er janvier 2015 au 31 décembre 2015.

Celles-ci concernent l'application inexacte du taux réduit de 6% appliqué aux travaux immobiliers effectués par la SRL L. R. à l'immeuble de son gérant.

Le 14 novembre 2018, ce procès-verbal est notifié à la SRL L. R. avec un délai de 8 jours pour réagir.

Le 20 novembre 2018, la SRL L. R. conteste la taxation reprise au procès-verbal, mais ne donne pas suite à la proposition de réunion formulée par l'administration fiscale.

5. Le 26 novembre 2018, la contrainte litigieuse TVA CTRI 500...08 est décernée et notifiée à la SRL L. R. le 28 novembre 2018. Le courrier recommandé revient avec la mention « non réclamé».

Les sommes réclamées se présentent comme suit :

- TVA due : 12.556,04 €

- Amende proportionnelle : 1.250,00 €

À majorer des intérêts dus en application de l'article 91§1er CTVA sur le montant des taxes dues à partir du 21 janvier 2016.

Le 20 décembre 2018, la SRL L. R. introduit une réclamation administrative contre le procès-verbal du 11 novembre 2018 sur base de l'article 84, alinéa 1er du CTVA. Le 17 septembre

2019, celle-ci est rejetée.

Le 9 décembre 2019, la SRL L. R. dépose la requête introductive d'instance.

III. LES DEMANDES ACTUALISÉES DES PARTIES

6. La SRL L. R. demande au Tribunal de :

« De déclarer le recours recevable et entièrement fondé.

En conséquence,

Déclarer nulle et de nul effet la contrainte CTRI n°500...08 décernée le 26 novembre 2018 par le Conseiller-Receveur du Team Recouvrement Personnes Morales du BRABANT WALLON, visée et rendue exécutoire le 27 novembre 2019.

Condamner l'ÉTAT BELGE à rembourser toutes sommes indûment perçues du chef de la contrainte litigieuse.

Condamner l'ÉTAT BELGE aux intérêts judiciaires et aux dépens, en ce compris l'indemnité de procédure visée à l'article 1022 du Code judiciaire. »

7. L'ÉTAT BELGE demande au Tribunal de :

« Dire la demande recevable, mais non fondée ;

Valider la contrainte entreprise ;

Condamner la [SRL L. R.] aux entiers frais et dépens de l'instance liquidés dans le chef de l'ÉTAT BELGE à la somme de zéro euro. »

IV. MOTIVATION DE LA DÉCISION DU TRIBUNAL

8. S'agissant de la procédure de contrôle et de taxation, la SRL L. R. fait grief à l'administration

fiscale d'avoir manqué à son devoir de fair-play.

Toutefois, la simple lecture du procès-verbal du 14 novembre 2018 (ci-dessus n° 3) suffit à conclure que ce grief manque de tout fondement.

Il en va de même pour le grief relatif à un prétendu manquement à l'obligation de notifier un relevé de régularisation. Ce grief manque en fait dès lors que l'administration fiscale a bien adressé le dit relevé le 25 septembre 2018, ainsi qu'en atteste la procès-verbal du 14 novembre 2018 contre lequel la preuve n'est pas rapportée.

9. S'agissant de la motivation de la décision administrative du 17 septembre 2019, à la supposer

incorrecte, elle resterait sans influence sur la contrainte et sur la procédure de taxation.

En effet, le titre exécutoire sur lequel s'appuie l'administration est uniquement la contrainte.

Au surplus, la motivation répond bien au prescrit de l'article 3 de la loi du 29 juillet 1991 relative à la motivation formelle des actes administratifs qui dispose que :

« La motivation exigée consiste en l'indication, dans l'acte, des considérations de droit et de fait servant de fondement à la décision. Elle doit être adéquate. »

Ainsi, l'administration fiscale répond aux deux griefs formulés en réclamation contre (1) la procédure et (2) le taux de TVA applicable aux travaux immobiliers réalisés à l'immeuble dont question.

Les motifs de fait et de droit sont clairement mentionnées par la référence :

- aux articles pertinents du CTVA et de l'Arrêté royal n° 20, ainsi qu'à la circulaire n° 6 du 22 août 1986 et à la décision n° E.T. 106.933 du 1ef septembre 1994 ;

- à un arrêt de la Cour d'appel de Liège ;

- aux circonstances du cas d'espèce qui ont amené l'administration fiscale à rejeter la réclamation (références au permis d'urbanisme, aux plans et devis).

Il suit que le grief ne peut être accueilli.

10. S'agissant du taux de TVA applicable aux travaux immobiliers effectués par la SRL L. R. à l'immeuble de son gérant, la société soutient que c'est à bon droit qu'elle a appliqué le taux réduit de 6% au lieu du taux normal de 21%, ce que l'ÉTAT BELGE conteste.

11. En droit, l'article 19 §2 du CTVA précise qu'il faut entendre par travaux immobiliers :

« tout travail de construction, de transformation, d'achèvement, d'aménagement, de réparation, d'entretien, de nettoyage et de démolition de tout ou partie d'un immeuble par nature, ainsi que toute opération comportant à la fois la fourniture d'un bien meuble et son placement dans un immeuble en manière telle que ce bien meuble devienne immeuble par nature. »

L'article 1er, alinéa 1er, de l'Arrêté royal n° 20 du 20 juillet 1970, fixant les taux de la taxe sur la valeur ajoutée et déterminant la répartition des biens et des services selon ces taux, indique que le taux normal de la taxe sur la valeur ajoutée applicable aux biens et services visés par le Code est fixé à 21%.

Par dérogation, l'alinéa 2, a) du même article dispose que la taxe est perçue au taux de 6% en ce qui concerne les biens et services énumérés au tableau A de son annexe.

Les rubriques XXXI §1er (travaux immobiliers affectés à des logements privés) et XXXVIII §1er (rénovation et réparation de logements privés) du tableau A de l'annexe précisent que les travaux immobiliers et autres opérations visées au paragraphe 3 sont, à l'exclusion des matériaux qui représentent une part importante du service fourni, soumis au taux réduit, pour autant qu'ils réunissent différentes conditions dont la première est que les opérations doivent avoir pour objet la transformation, la rénovation, la réhabilitation, l'amélioration, la réparation ou l'entretien, à l'exclusion du nettoyage, de tout ou partie d'un bâtiment d'habitation.

Or, selon la CJUE, l'application d'un taux de TVA réduit constitue une dérogation et, à ce titre, est de stricte interprétation (CJUE, 10 novembre 2016, Affaire C-432/15, B., nos 57 à 59 ; D., 9 novembre 2017, Affaire C-499/16, A., nos 22 à 25 ; CJUE., 9 mars 2017, Affaire C-573/15, O. B., n°25).

Les travaux de construction, de reconstruction ou d'agrandissement d'un bâtiment existant ne sont donc pas visés parmi les travaux immobiliers susceptibles de bénéficier du taux réduit.

12. Par ailleurs, le point 30 de la circulaire n° 6 du 22 août 1986 précise que l'on entend par transformation, aussi bien la transformation extérieure de l'immeuble (et notamment sa

réhabilitation) que la transformation intérieure du bâtiment ou son agrandissement, par adjonction de nouvelles pièces et extension des pièces existantes.

La décision n° E.T. 106.933 du 1er septembre 1994 précise encore dans quel cas un agrandissement d'un bâtiment peut être considéré comme une transformation et bénéficier du taux réduit :

- la superficie de la partie ancienne est supérieure à la moitié de la superficie totale de l'habitation ou du complexe d'habitation après l'exécution des travaux ;

- la partie nouvelle ne peut fonctionner indépendamment de la partie ancienne, mais complète la partie ancienne et forme donc avec elle un ensemble quant à l'utilisation du bâtiment.

C'est donc par tolérance administrative que l'administration admet dans certains cas que les travaux d'agrandissement soient considérés comme des travaux de transformations d'un bâtiment ancien. C'est dans le cadre de cette tolérance qu'elle a instauré des règles qui conditionnent l'application du taux réduit.

13. En réponse à une question parlementaire (ne 10991 de M. Chabot du 28 mars 2006), le Ministre des Finances

a indiqué que :

« Le critère de superficie vise avant tout les travaux d'agrandissement d'un immeuble. En principe, la transformation d'un immeuble industriel en loft peut bénéficier du taux de 6% lorsque cette transformation est circonscrite au volume préexistant de l'immeuble. Toutefois, échappe à l'application du taux réduit l'érection d'un ou de plusieurs lofts supplémentaires en surélévation ou par adjonction horizontale à l'immeuble préexistant, lorsque ces nouveaux lofts sont susceptibles d'être placés sous le régime de la copropriété forcée et d'être cédés avec application de la taxe » (surligné par le Tribunal).

En réponse à une autre question parlementaire (n° 531 de M. Dirk Van der Maelen du 24 mars 2010), le Ministre des Finances a indiqué que :

« lorsqu'une transformation, qui n'est pas en soi radicale, d'un bâtiment existant en une habitation unifamiliale est combinée à l'extension de ce bâtiment sous la forme de l'ajout d'une nouvelle partie, il est admis que ces opérations immobilières restent visées par la rubrique XXXI, §1er, 1°, précitée, pour autant que la superficie totale de la partie ancienne conservée dans la réalisation de l'habitation unifamiliale soit plus grande que la superficie totale de la nouvelle partie, construite, de cette habitation unifamiliale.

Cependant, lorsque l'extension prévue dans le projet immobilier aboutit à la création de deux habitations distinctes, il est évident que, à concurrence de la seconde habitation, il s'agit de travaux de construction qui ne sont pas visés par la rubrique XXXI précitée » (surligné par le Tribunal).

14. La Cour d'appel de Liège a jugé que la différence entre des travaux constitutifs d'une transformation et ceux constituant une nouvelle construction git en fait et doit s'apprécier au cas par cas (Liège, 10 juin 2014, RG n° 2013/RG/135).

Elle ajoute qu'il ne s'agit pas de sonder les intentions (parfois évolutives) des constructeurs, mais d'apprécier as built s'il s'agit de travaux de transformation ou de construction d'un nouveau bâtiment.

Elle précise que la notion de travaux d'agrandissement implique que le nouveau bâtiment construit ne contienne pas tous les éléments lui permettant d'être considéré comme un immeuble d'habitation pouvant à lui seul fonctionner de manière autonome par rapport à l'ancienne construction, parce qu'il comprendrait l'ensemble des éléments normaux d'un espace de vie distinct.

Elle précise encore que la notion de construction nouvelle et non de transformation de l'habitation ancienne n'est pas affectée par la présence de simples portes séparant les deux immeubles, ou encore l'usage des termes « extension d'habitat existant » dans le contrat d'architecture ou les documents d'urbanisme. Seule importe la situation in concreto.

15. Dans le cas d'espèce, les travaux d'agrandissement ont conduit à la réalisation d'une nouvelle habitation unifamiliale qui fonctionne de manière autonome par rapport à l'immeuble existant.

Le taux réduit n'est donc pas applicable.

En effet, les caractéristiques objectives de l'immeuble sont les suivantes.

Il ressort notamment du permis d'urbanisme n° 2014/… octroyé par la commune de Lasne le 19 janvier 2015 que :

- la demande vise à transformer un immeuble de 3 appartements en un immeuble de 4 appartements;

- le projet prévoit la démolition du garage situé au Nord du volume principal ;

- l'extension projetée consiste à prolonger de 4,60 mètres vers le Nord le volume principal de façon à y aménager un appartement supplémentaire (pièce 11 de l'ÉTAT BELGE).

Les plans annexés à ce permis d'urbanisme montrent explicitement que (1) le garage existant a été démoli et que (2) l'appartement supplémentaire peut fonctionner de manière autonome indépendamment de la partie existante (pièces 12 et 13 de l'ÉTAT BELGE).

En effet, cet appartement dispose d'une entrée séparée et comprend tous les éléments normaux d'un espace de vie distinct (cuisine, salle de bain, living, chambres).

Par ailleurs, il ressort de l'acte notarié du 12 août 2015 que le gérant de la SRL L. R. a acheté le bien en tant que maison unifamiliale (pièce 5 de l'ÉTAT BELGE).

Enfin, le devis relatif aux travaux fait également état de la démolition du garage. Le descriptif des travaux dans ce devis prévoit, entre autres, la démolition de la dalle de sol du garage et la démolition des fondations du garage (pièce 5 de l'ÉTAT BELGE).

Il suit que la partie nouvelle de l'immeuble doit être considérée comme une construction et non une transformation de l'immeuble existant. Les travaux réalisés ne peuvent par conséquent pas bénéficier du taux de 6%.

16. C'est en vain que la SRL L. R. fait plaider que la sœur de son gérant a pu bénéficier du taux réduit de 6% pour les travaux réalisés aux trois premiers appartements.

En effet, ces opérations n'ont pas fait l'objet d'un contrôle par l'administration, de sorte que l'on ne peut en tirer aucune conclusion.

D'autre part, les travaux immobiliers consistant en la réalisation de plusieurs appartements dans un immeuble existant et la construction d'autres logements par extension de l'immeuble existant peuvent bénéficier, sous certaines conditions, du taux réduit en ce qui concerne les transformations circonscrites au volume préexistant.

17. En synthèse, il découle des observations et des considérations qui précèdent que la demande de la SRL L. R. ne peut être accueillie.

Beschikkend gedeelte

V. LA DÉCISION DU TRIBUNAL

Écartant tout autre moyen devenu sans pertinence en raison de la motivation de sa décision ;

Le Tribunal, après avoir entendu les parties ;

- dit la demande formée par la SRL L. R. recevable, mais non fondée et l'en déboute ;

- valide la contrainte CTRI 500…08, décernée le 26 novembre 2018 et notifiée à la SRL L. R. le 28 novembre 2018 ;

- condamne la SRL L. R. aux dépens de l'instance et constate l'absence de dépens à liquider dans le chef de l'ÉTAT BELGE ;

- déboute les parties du surplus de leurs demandes.

Ce jugement est prononcé contradictoirement.

AINSI jugé et signé par A. d. C., Juge, présidant la 14ème Chambre Civile, affaires fiscales, du Tribunal de première instance du Brabant wallon ;

et prononcé en langue française à l'audience publique de la même chambre le vendredi 1er juillet 2022 par A. d. C., précité, assisté de J. C., Greffier,

Aangehaalde teksten

16
WBTW art. 13 voorkomens
KB nr. 20 art. 12 voorkomens
WBTW art. 192 voorkomens
WBTW art. 592 voorkomens
WBTW art. 842 voorkomens
KB nr. 1 art. 181 voorkomen
KB nr. 1 art. 21 voorkomen
WBTW art. 531 voorkomen
WBTW art. 601 voorkomen
WBTW art. 611 voorkomen
WBTW art. 621 voorkomen
WBTW art. 631 voorkomen
WBTW art. 911 voorkomen

Vergelijkbare beslissingen

8