Werkingssfeer, dienst, belastbare handeling, recht op aftrek van belasting · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Rechtbank van eerste aanleg Leuven 15 juni 2007

Zoeken

Werkingssfeer, dienst, belastbare handeling, recht op aftrek van belastingBelasting over de toegevoegde waarde

https://juriel.be/nl/rechtspraak/werkingssfeer-dienst-belastbare-handeling-recht-rechtbank-leuven-2007-06-15-ef8c

Rechtscollege
Rechtbank van eerste aanleg
Zetel
Leuven
Datum
15 juni 2007

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

266 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Leuven d.d. 15.06.2007

Samenvatting niet beschikbaar

Tekst van het vonnis

Tekst van de beslissing

RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG LEUVEN, AFDELING BURGERLIJKE RECHTBANK, twaalfde kamer.

Zitting : 15 juni 2007

Eindvonnis

Rol nr. : 00/2392/A en 04/529/A

NV S. A., vennootschap naar Belgisch recht, met maatschappelijke zetel te 3190 Boortmeerbeek, Beringstraat 37, geregistreerd als BTW-belastingplichtige onder het nummer BE …, en met ondernemingsnummer …;

eiseres,

ter zitting vertegenwoordigd door meester K. loco meester S. S., advocaat te …, …;

tegen :

De BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, Administratie van de Ondernemings- en Inkomstenfiscaliteit, Sector BTW, Controlecentrum Leuven, waarvan de kantoren gevestigd zijn te 3000 Leuven, Vaartstraat 4-6;

verweerster,

ter zitting vertegenwoordigd door meester M. C. loco meester E. d. N., advocaat te …, ….

De rechtbank doet uitspraak in deze zaken die op de zitting van 22 december 2006 in beraad werd genomen.

De procedure verliep met inachtneming van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken.

De rechtbank heeft onder meer kennis genomen van :

In de zaak met AR 00/2392/A

- de dagvaarding op26 oktober 2000 betekend door gerechtsdeurwaarder P. D.

- de neergelegde conclusies en bewijsstukken van partijen.

- de overige stukken van het rechtsplegingsdossier.

In de zaak met AR 04/529/A

- het inleidend verzoekschrift, neergelegd op 5 maart 2004.

- de neergelegde conclusies van partijen

- de neergelegde bewijsstukken van verweerster

- de overige stukken van het rechtsplegingsdossier.

De advocaten van beide partijen werden gehoord op de openbare zitting van 22 december 2006.

I. FEITEN EN VOORWERP VAN DE VORDERING

1. De NV S. A. NV is als BTW-belastingplichtige geregistreerd voor haar activiteit als productiehuis.

Er werd een BTW-controle gedaan omtrent de naleving van de BTW-reglementering met betrekking tot de periode van 31 december 1995 tot en met 30 december 1998, en van 1 januari 1999 tot 30 december 2001.

2. In de zaak met AR 00/2392/A werd er een minnelijke regeling bereikt op 31 maart 2000 omtrent een aantal vastgestelde overtredingen, waarbij een correctie-opgave werd ondertekend.

Een proces-verbaal werd opgesteld door de BTW-administratie op 6 juli 2000 omtrent de twistpunten waarover geen akkoord kon worden bereikt (stuk 1 eiseres).

Op grond van dit proces-verbaal werd een dwangbevel op 6 juli 2000 uitgevaardigd.

Krachtens dit dwangbevel is eiseres een BTW-bedrag verschuldigd van 1.714.264 BEF, een proportionele boete van 172.000 BEF, een boete van 10.000 BEF, te vermeerderen met de intresten en de kosten.

Eiseres betaalde onder voorbehoud een bedrag van 2.233.080 BEF.

3. In de zaak met AR 04/529/A werd er een minnelijke regeling bereikt op 7 november 2003 omtrent een aantal vastgestelde overtredingen, waarbij een correctie-opgave werd ondertekend.

Een proces-verbaal opgesteld door de BTW-administratie op 28 november 2003 omtrent de twistpunten waarover geen akkoord kon worden bereikt (bewijsstuk 2 verweerster).

Op grond van dit proces-verbaal werd een dwangbevel op 4 december 2003 uitgevaardigd, dat betekend werd op 29 december 2003.

Krachtens dit dwangbevel is eiseres een BTW-bedrag verschuldigd van 47.994,00 euro, een proportionele boete van 6.500,00 euro, een boete van 2.500,00 euro, te vermeerderen met de. intresten en de kosten.

4. In de zaak met AR 00/2392/A vordert eiseres in haar de dagvaarding de vernietiging van het dwangbevel, de terugbetaling van wat ten onrechte zou zijn geïnd, te verhogen met de gederfde intresten. Zij vraagt daarbij dat het vonnis uitvoerbaar wordt verklaard en vraagt de veroordeling van verweerster tot de gerechtskosten. In haar besluiten in vermelde zaak, vraagt eiseres de opgelegde geldboeten kwijt te schelden, minstens te verminderen.

In de zaak met AR 04/529/ A vordert eiseres het dwangbevel te vernietigen, en te zeggen voor recht dat de bedragen erin vermeld ten titel van BTW, geldboeten en intresten niet verschuldigd zijn. In ondergeschikte orde, vraagt zij de geldboeten geheel of gedeeltelijk kwijt te schelden. Zij vraagt daarbij dat het vonnis uitvoerbaar wordt verklaard en vraagt de veroordeling van verweerster tot de gerechtskosten.

II. BEOORDELING

I. De zaken met rolnummers AR 00/2392/A en 04/529/A zijn onderling zo nauw verbonden dat het om redenen van goede rechtsbedeling wenselijk is om ze samen te behandelen en te beslechten overeenkomstig artikel 30 van het Gerechtelijk Wetboek.

Bijgevolg behoort het deze zaken samen te voegen wegens samenhang.

II. De dagvaarding en het verzoekschrift van eiseres werden naar vorm en tijd regelmatig neergelegd zodat ze ontvankelijk zijn.

III. Het recht op aftrek werd door verweerster geweigerd van een aantal uitgaven waarvan zij stelt dat eiseres niet in het bezit was van een regelmatige factuur.

I. Het betreft volgende uitgaven :

- twee facturen uitgeschreven door de NV H. H. I.

- een document van 16 februari 1998 uitgereikt door Restaurant R. R. F.

- een document van 1 december 1997 uitgereikt door de BVBA M.

- een document van 6 oktober 1997 uitgereikt door D. P.

- een document van 15 oktober 1997 uitgereikt door V. N. K.

- een document van 27 november 1997 uitgereikt door L. M.

- een document van 8 december 1997 uitgereikt door T. 2000

- een document van 30 juni 1999 uitgereikt door C. P.

- een document van 4 oktober 1999 uitgereikt door W. M.

- een document dat niet werd gedateerd, uitgereikt door G. R.

- een document van 21 maart 2000 uitgereikt door S. C.

Om zijn recht op aftrek te kunnen uitoefenen moet de belastingplichtige ten aanzien van de belasting van de aan hem geleverde goederen en verleende diensten, in het bezit zijn van een factuur uitgereikt overeenkomstig de artikelen 53, § 2 en 530cties, van het BTW-Wetboek waarop de vermeldingen voorkomen bedoeld in artikel 5, § 1 van het Koninklijk Besluit nr. 1 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde (artikel 3, § 1, 1° Koninklijk Besluit nr. 3 met betrekking tot de aftrekregeling voor de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde).

2. Krachtens artikel 5, § 1 Koninklijk Besluit nr. 1 moet de factuur onder meer vermelden :

2° de naam of de maatschappelijke benaming van de leverancier van de goederen of van de dienstverrichter, het adres van zijn administratieve of maatschappelijke zetel, en zijn in artikel 50 van het Wetboek bedoeld BTW-identificatienummer;

2°bis wanneer de schuldenaar de leverancier van de goederen of de dienstverrichter is die niet in België is gevestigd en

a) hij heeft hier te lande een aansprakelijke vertegenwoordiger laten erkennen overeenkomstig artikel 55, § 1 of § 2 van het Wetboek, de identiteit en het adres van de aansprakelijke vertegenwoordiger en de aanduiding van zijn hoedanigheid;

b) hij wordt vertegenwoordigd door een vooraf erkende persoon overeenkomstig artikel 55, § 3 van het Wetboek, de identiteit, het adres en het BTW-identificatienummer toegekend aan die persoon en de aanduiding van zijn hoedanigheid.

5 ° de datum waarop het belastbaar feit van de levering van de goederen of de dienstverrichting heeft plaatsgevonden of de datum van de incassering van de prijs of een deel ervan, voor zover die datum vastgesteld is en verschilt van de uitreikingsdatum van de factuur.

6° de gegevens die nodig zijn om de handeling te determineren en om het tarief van de verschuldigde belasting vast te stellen inzonderheid de gebruikelijke benaming van de geleverde goederen en van de verstrekte diensten en hun hoeveelheid alsook het voorwerp van de diensten.

9° de vermelding van de tarieven van de verschuldigde belasting en het totaalbedrag van de verschuldigde belasting.

3. Eiseres dient het bewijs te leveren dat zij recht heeft op aftrek van de betrokken BTW in toepassing van artikel 45 van het Wetboek, waarbij zij dit bewijs in principe dient te leveren door middel van originele en regelmatige facturen, die aan alle wettelijke vormvereisten voldoen.

Enkel wanneer de ontbrekende vermeldingen geen nut hebben voor de inning van de belasting over de toegevoegde waarde en voor de controle erop door de Administratie, vormen de begane onregelmatigheden geen beletsel voor de BTW-aftrek (Cass., 13 oktober 2000, www.cass.be ).

4. De factuur met nr. 1/54 van H. H. I. NV vermeldt als omschrijving : "deelname in de kosten voor Malta 1000ste aflevering Familie".

De factuur met nr. 1/60 van H. H. I. NV vermeldt als omschrijving : "laatste schijf Malta 1996"(stukken 2 en 3 eiseres).

De vermeldingen in deze facturen zijn dermate vaag dat het voor de BTW-administratie niet mogelijk was om het voorwerp van de handeling, gesteld door de NV H. H. I. te determineren, het toepasselijke tarief te bepalen en de aftrekbaarheid van de BTW te beoordelen.

Door het ontbreken van een BTW-nummer in :

- het document van BVBA M. (stuk 5 eiseres)

- het document van R. R. R. F. (stuk 4 eiseres)

- de documenten van D. P., V. N. K. en L. M. (stukken 6, 7 en 8 eiseres) kon de BTW-administratie aanvankelijk niet nazien of de in aftrek gebrachte BTW wel degelijk door de dienstenverrichter of de leverancier werd opgenomen onder de aan de Staat verschuldigde belasting.

Het feit dat er een ontvangstbewijs van het R. R. R. werd afgeleverd met betrekking tot het door haar afgeleverde document (stuk 4 eiseres), brengt hieromtrent geen duidelijkheid.

Vermits de documenten van D. P., V. N. K. en L. M. daarenboven niet werden opgesteld door de dienstenverrichter, kon vermeld nazicht sowieso niet gebeuren.

Door het ontbreken van een factuur-nummer in :

- het document van M. W.

- het document van S. C.

en het ontbreken van een datum in het document van R. G., kon de BTW-administratie aanvankelijk niet nazien binnen welke periode deze documenten werden opgenomen in de aangifte door de leveranciers of dienstverrichters en derhalve of de aftrek gebeurde binnen de wettelijke periode na het afleveren van de documenten.

Voor het document van C. P. werd er tot slot geen originele factuur, noch een dubbel ervan voorgelegd zodat van enig recht op aftrek dan ook geen sprake kan zijn.

5. De hierboven aangehaalde vereiste vermeldingen op de facturen zijn niet zo talrijk en technisch dat zij de uitoefening van het recht op aftrek onmogelijk of overdreven moeilijk maken.

Het feit of de gefactureerde handelingen of de handelingen zelf met de werkelijkheid overeenstemmen is daarbij niet relevant. Ook kan men zich niet aan de fiscale wet onttrekken door een beroep te doen op de beweerde goede trouw in hoofde van eiseres. De fiscale wet is immers van openbare orde.

Aan de voorwaarden om het recht tot aftrek te kunnen uitoefenen werd in casu dus niet voldaan.

De grief van eiseres met betrekking tot dit onderdeel van haar vordering is dan ook ongegrond.

IV. Eiseres stelt dat verweerster ten onrechte de aftrek van de BTW op de kosten voor voertuigen heeft beperkt tot 50 %

In het proces-verbaal van 6 juli 2000 wordt er melding gemaakt van facturen met betrekking tot herstelling, schade, onderhoud en kosten voor sleutels van personenwagens. (bladzijde 5).

Artikel 45, § 2, lid 1 van het BTW-wetboek stelt dat "Ten aanzien van de levering, de invoer en de intracommunautaire verwerving van autovoertuigen bestemd voor het vervoer van personen en/of goederen over de weg, en ten aanzien van goederen en diensten met betrekking tot die voertuigen, mag de aftrek in geen geval hoger zijn dan 50 % van de betaalde belasting".

Eiseres stelt dat de voertuigen waarvoor de vermelde facturen zijn opgesteld, louter hebben gediend als rekwisieten, gebruikt bij tv-opnames. Zij stelt dus dat artikel 45, § 2 lid 1 van het BTW-wetboek niet van toepassing is en baseert zich dus niet op de uitzonderingen voorzien in artikel 45, § 2, lid 1 van het BTW-wetboek.

Uit het proces-verbaal van 6 juli 2000 blijkt onder meer dat het voertuig Peugeot 306 door de NV P. T. S. ter beschikking werd gesteld van eiseres van 3 november 1995 tot 24 april 1996, dat dit voertuig eerst voorzien was van een handelaarsplaat, en werd ingeschreven bij de Dienst Inschrijvingen Voertuigen vanaf op 23 november 1995.

Verweerster levert hiermee voldoende het bewijs dat aan de voertuigen waarvoor een factuur werd opgesteld een andere bestemming werd toegekend dan enkel als rekwisiet.

De grief van eiseres met betrekking tot dit onderdeel van haar vordering is dan ook ongegrond.

V. Eiseres stelt dat verweerster ten onrechte de aftrek van de BTW heeft geweigerd van de uitgaven die eiseres heeft gedaan voor het verschaffen van maaltijden

Hierbij werd er door verweerster een onderscheid gemaakt tussen :

- de uitgaven voor maaltijden die kosteloos werden verstrekt aan zelfstandige medewerkers of personeelsleden van toeleveranciers in de onderneming van eiseres

- de uitgaven voor maaltijden buiten de onderneming voor het boekjaar 2000 en 2001

- de maaltijdkosten voor personeelsfeesten buiten de onderneming

- de maaltijdkosten die betrekking hebben op opendeurdagen

I. Omtrent het verstrekken van maaltijden aan zelfstandige medewerkers of aan personeelsleden van toeleveranciers in de onderneming van eiseres, wordt in de proces-verbalen van 13 juni 2000 (periode van 31 december 1995 tot en met 30 december 1998 en van 28 november 2003 (periode van 1 januari 1999 tot en met 30 december 2001) het volgende vermeld :

Het proces-verbaal van 13 juni 2000 :

"De door 'E. en diverse andere restaurants' verstrekte maaltijden hebben betrekking op maaltijden die kosteloos verstrekt worden aan zelfstandige medewerkers of personeelsleden van toeleveranciers waarvan een lijst in afschrift in bijlage wordt gevoegd bij onderhavig proces-verbaal teneinde er één geheel mee te vormen. Er werd de NV S. A. meermaals gevraagd mij het correcte aantal van aan deze personen verstrekte maaltijden aan te tonen, uitgaande van en gestaafd door de door haar opgestelde en in haar bezit zijn de 'callsheets'. Deze stukken werden niet voorgelegd. De lijst van zelfstandige medewerkers of personeelsleden van toeleveranciers heeft betrekking op de personen die geregeld gedurende bepaalde periodes actief deelnamen aan enerzijds het opzetten van decors en anderzijds de eigenlijk opnamen mee realiseerden (schminksters, kapsters, kledingadviseurs, regisseurs, regieassistenten, productiechefs, lichttechniekers, cameralui, geluidstechniekers, acteurs, fotodirecteurs, warming-up medewerkers, ...) De contracten met deze zelfstandige medewerkers of toeleveranciers bevatten volgende heren D. eNV G. geen bepalingen betreffende te verstrekken maaltijden. Deze contracten werden evenwel niet voorgelegd (...). Tot de zelfstandige medewerkers of toeleveranciers behoren eveneens de NV T. K. en de BVBA O. B.. De personeelsleden van deze firma's verbruiken eveneens maaltijden tijdens de filmopnames en het daarop volgende productieproces. Deze maaltijden worden evenwel op correcte wijze doorgefactureerd aan de verbruikers. Uitgaande van de listing leveranciers 1996, 1997 en 1998 werden de zelfstandige medewerkers geïndividualiseerd (56 personen). De kostprijs van de maaltijden en de dranken worden uitdrukkelijk op de aankoopfacturen vermeld, zijnde 350 BEF in 1997 en 300 BEF in 1996 en 1998 voor een eetmaal, en 50 BEF per drankconsumptie. Deze prijzen werden ook gehanteerd bij de doorfacturatie aan de NV T. K. en de BVBA O. B.. Bij gebrek aan de gegevens vermeld op de callsheets, wordt het aantal maaltijden, na overleg met de verantwoordelijken van de vennootschap, vastgesteld op 4.200 maaltijden per jaar, zijn de 40 personen gedurende 210 draaidagen waarvan 1 dag op 2 een maaltijd wordt aangeboden. Dit resulteert in een bedrag van 1.470.000 BEF voor 1996 en 1998 en 1.6800.000 BEF voor 1997, aan kosten van onthaal, waarvoor de aftrek van BTW ten onrechte werd genoten".

Het proces-verbaal van 28 november 2003 :

(...) tot en met 30 juni 2000 worden deze maaltijden geleverd door de NV E. (...) een op dat ogenblik afzonderlijke vennootschap die gevestigd is te …, …, hetzelfde adres als NV S. A.. De loutere levering van maaltijden is een levering bedoeld in artikel 10, § 1 van het BTW-wetboek. Op 14 december 2000 fusioneren beide vennootschappen met terugwerkende kracht tot 1 juli 2000. NV E. blijft tot en met 31 oktober 2000 maaltijden leveren en factureren aan NV S. A.. Vanaf 1 november 2000 beschikt NV S. A. over een eigen keuken en bedrijfsrestaurant. Van dat ogenblik af wordt NV S. A. voor dat gedeelte beschouwd als een restauranthouder. Het verschaffen van maaltijden in restaurants en cafés, en meer algemeen, in omstandigheden voor het verbruik ter plaatse, is een dienst bedoeld in artikel 18, § 1, tweede lid, 11° van het BTW-wetboek.(...). Maaltijden verstrekt aan leveranciers, zelfstandige medewerkers, figuranten, bezoekers, vallen niet onder vermelde sociale voordelen maar zijn te beschouwen als kosten van onthaal waarvoor het recht op aftrek uitdrukkelijk is uitgesloten door artikel 45, § 3, 4° van het BTW-wetboek. De NV S. A. heeft met betrekking tot de gratis verstrekte maaltijden geen onderscheid gemaakt tussen deze bestemd voor de eigenpersoneelsleden en deze bestemd voor de aan het bedrijf vreemde bezoekers. Dit heeft enerzijds voor gevolg dat met betrekking tot een deel van de leveringen van de maaltijden, BTW ten onrechte in aftrek werd gebracht en anderzijds dat met betrekking tot de diensten als restauranthouder de verschuldigde BTW niet werd voldaan (...). Bij de aanvang van het onderzoek op 12 februari 2003 werd aan de heer G. D. en de heer C. V. G. gevraagd om de volledige boekhouding voor te leggen. Daarbij werd uitdrukkelijk gevraagd de 'callsheets' voor te leggen. (...) tijdens de vorige controle met betrekking tot de periode van 31 december 1995 tot en met 30 december 1998 werd de NV S. A. uitdrukkelijk gewezen op het belang van deze documenten voor de controle van de correcte toepassing van de belastingen. Het niet voorleggen ervan werd bovendien overeenkomstig de bepalingen van artikel70, § 4 van het BTW-wetboek bestraft met een geldboete. Desondanks werden bedoelde callsheets ook nu niet voorgelegd.(...) Aangezien het aantal maaltijden verbruikt door aan het bedrijf vreemde bezoekers op geen enkele andere wijze nauwkeurig kan worden vastgesteld, wordt het aantal maaltijden vastgesteld op 4.200, dit naar analogie met het proces-verbaal met betrekking tot de jaren 1996, 1997 en 1998, waarbij rekening werd gehouden met 210 opnamedagen per jaar en 20 maaltijden per dag bestemd voor niet-personeelsleden.

2.1. Toestand tot 31 oktober 2000

Van 1 januari 2000 tot en met 31 oktober 2000 levert NV E. goederen, meer bepaald maaltijden en dranken, aan BVBA S. A.. (...). Het aantal maaltijden verstrekt aan niet-personeelsleden wordt vastgesteld op :

4.200 x 10/12 = 3.500 geleverde maaltijden

3.500 maaltijden x 300 BEF = 1.050.000 x 6 % = 63.000 BEF aan BTW

3.500 drankconsumpties x 50 BEF= 175.000 x 21 % = 36.750 BEF aan BTW.

Aangezien in de bedoelde periode 3.500 maaltijden geacht worden te zijn geleverd aan het bedrijf vreemde personen, werd rekening gehouden met de bepalingen van artikel 45, § 3, 4° van het BTW-wetboek, de terzake verschuldigde BTW, in totaal 99.750 BEF ten onrechte in aftrek gebracht.

2.2. Toestand vanaf 1 november 2000

Vanaf 1 november verstrekt BVBA S. A. aan alle medewerkers zowel aan eigen personeelsleden als aan het bedrijf vreemde bezoekers een dienst bedoeld in artikel 18, § 1 tweede lid, 11° en artikel 19, § 1 van het BTW-wetboek.(...)

Toestand van 1 november 2000 tot en met 30 december 2000.

4.200 x 2/12 = 700 verstrekte maaltijden

700 maaltijden x 350 BEF= 245.000 BEF x 21 % = 51.450 BEF

Aangezien in bedoelde periode 700 maaltijden geacht worden te zijn verstrekt aan, aan het bedrijf vreemde personen, werd rekening houdend met de hiervoor vermelde bepalingen en met artikel 45, § 3, 4° van het BTW-wetboek, de terzake verschuldigde BTW, bepaald op in totaal 51.450 BEF

Toestand voor het boekjaar 2001.

4.200 x 350 BEF = 1.470.000 BEF x 21 % = 308.700 BEF

Aangezien in bedoelde periode 4.200 maaltijden geacht worden te zijn verstrekt aan, aan het bedrijf vreemde personen, werd rekening houdend met de hiervoor vermelde bepalingen en met artikel 45, § 3, 4° van het BTW-wetboek, de terzake verschuldigde BTW. bepaald op in totaal 308.700 BEF..."

In de hoger vermelde proces-verbalen wordt :

- voor de periode van 1 januari 1995 tot en met 31 oktober 2000, de aftrek van de BTW op de vermelde facturen van de NV E. en andere restaurants verworpen door de BTW-controleur, waarbij de BTW-controleur de uitgaven beschouwt als 'kosten van onthaal' in de zin van artikel 45, § 3, 4° BTW-wetboek;

- voor de periode van 1 november 2000 tot en met 30 december 2001, wordt de kostprijs van de verstrekte maaltijden door eiseres in haar bedrijfsrestaurant aan derden berekend en begroot, en de verschuldigde BTW op de verstrekte dienst van eisers wordt berekend.

De uitgaven voor het verstrekken van maaltijden aan zelfstandige medewerkers of aan personeelsleden van toeleveranciers wordt door de BTW-administratie in haar proces-verbaal verworpen op grond van artikel 45, § 3, 4° BTW-wetboek.

Eisers betwist dat de BTW voor de uitgaven voor het verstrekken van maaltijden aan zelfstandige medewerkers of aan personeelsleden van toeleveranciers, niet kunnen worden afgetrokken en stelt dat artikel 45, § 3, 3° eerste lid BTW-wetboek en artikel 45, § 3, 4° BTW-wetboek niet van toepassing zijn.

De artikelen 45, § 3, 3°, eerste lid en 45, § 3, 4° BTW-wetboek zijn een uitzondering op de algemene regel van 45, § 1 BTW-wetboek. Verweerster moet dan ook het bewijs leveren dat deze uitzonderingen van toepassing zijn.

Eiseres van haar kant dient het bewijs te leveren dat zij recht heeft op aftrek van de betrokken BTW van de facturen die uitgaan van 'E. en diverse andere restaurants' in de zin van artikel 45, § 1 BTW-wetboek.

Artikel 45, § 1 BTW-wetboek bevat het principe dat elke belastingplichtige de belasting die geheven werd op aan hem geleverde goederen en verleende diensten in aftrek mag brengen op de belasting die hij verschuldigd is.

Eiseres stelt dat de maaltijden gebruikt worden voor belaste handelingen en dat deze een bedrijfsmatig karakter hebben.

In toepassing van artikel 17, lid 2 van de zesde BTW-richtlijn, is de aftrek van BTW enkel mogelijk voor de BTW op goederen en diensten die door een belastingplichtige zijn ontvangen en voor zover deze belastingplichtige de door hem ontvangen goederen of diensten gebruikt voor het verrichten van belastbare handelingen.

De aftrek is van BTW is dus enkel mogelijk wanneer de belastingplichtige de goederen en diensten gebruikt voor het verrichten van handelingen die werkelijk belast worden. Het recht op aftrek van de BTW op de ontvangen goederen of diensten wordt gedetermineerd door hun bestemming, m.n. door de BTW-onderworpenheid van de handelingen die de belastingplichtige met de door hem ontvangen goederen of diensten wil stellen. (L. VANDENBERGHE, Aftrek en teruggaaf van BTW , Antwerpen-Groningen Intersentia, 1998, nr. 15).

Het recht op aftrek van de BTW moet worden toegestaan voor die goederen en diensten die op een voldoende en redelijke wijze dienstbaar zijn aan de belaste activiteit van de belastingplichtige (L. VANDENBERGHE, 1.c., nr. 36).

De aftrek van de BTW wordt daarbij enkel toegestaan voor de BTW op goederen en diensten die door de belastingplichtige worden gebruikt voor het verrichten van handelingen in de uitoefening van zijn activiteit. De uitoefening van een belaste activiteit houdt in dat de belastingplichtige zijn handelingen verricht onder bezwarende titel.

In de voorliggende zaak is het vereiste verband van bestemming aannemelijk. De maaltijden die aan niet-personeelsleden worden verstrekt dragen bij tot de optimalisering van activiteiten (o.a. de opnamen) van eiseres als productiefirma. Het feit dat deze maaltijden gratis werden verstrekt, houdt niet in dat deze maaltijden 'om niet' werden verstrekt. De maaltijden worden door eiseres verstrekt als tegenprestatie voor de dienst van de zelfstandige medewerkers en de personeelsleden van toeleveranciers.

In toepassing van artikel 17, lid 1 van de zesde BTW-richtlijn en artikel 10 van de zesde BTW-richtlijn, is de BTW aftrekbaar zodra de goederen geleverd of de diensten verricht worden.

De BTW geheven op de uitgaven van eiseres voor maaltijden aan zelfstandige medewerkers en aan de personeelsleden van toeleveranciers kan dus in principe afgetrokken worden door eiseres in toepassing van artikel 45, § 1 BTW-wetboek. Hierbij wordt in artikel 45, § 1 BTW-wetboek de doorfacturatie van deze uitgaven niet als voorwaarde gesteld om het recht te hebben op aftrek van de BTW.

Van bepaalde uitgaven, wordt de aftrek van BTW echter altijd verworpen, ook al streeft de belastingplichtige er een bedrijfsdoel mee na.

De bestaande aftrekbeperkingen of aftrekuitsluitingen in het BTW-wetboek blijven voorlopig nog behouden, en dit in afwachting van een verdere Europese harmonisatie hieromtrent (zie artikel 17, lid 6 van de zesde BTW-richtlijn).

Artikel 45, § 3, 4° BTW-wetboek bepaalt dat de aftrek van BTW wordt uitgesloten voor kosten van onthaal.

In het arrest van 8 april 2005 geeft het Hof van Cassatie een gedeeltelijke invulling van het begrip "kosten van onthaal" (Cass, 8 april 2005, www.cass.be ).nl. als dergelijke kosten komen in aanmerking :

"de kosten gedaan voor onthaal en ontvangst, desgevallend gepaard gaande met vermaak of ontspanning, van aan het bedrijf vreemde bezoekers, met het oog op het bestendigen of verstevigen van zakelijke relaties".

Het toepassingsgebied van het begrip "kosten van onthaal" beperkt zich tot de kosten van ontspanning en vermaak voor aan het bedrijf vreemde bezoekers, inzonderheid klanten en leveranciers, terwijl de uitgaven van eiseres voor de maaltijden van zelfstandige medewerkers en personeel van de toeleveranciers duidelijk niet werden verstrekt met het oog op vermaak maar met het oog op de optimalisatie van het productieproces van eiseres.

De uitgaven voor de maaltijden verstrekt aan zelfstandige medewerkers en aan personeelsleden van de toeleveranciers, zijn derhalve geen kosten van onthaal.

Artikel 45, § 3, 3° lid 1 BTW-wetboek bepaalt dat er een uitsluiting is van het recht op aftrek is voor de BTW op de kosten van logies, spijzen en dranken in de zin van artikel 18, § 1, lid 2, 10° en 11° BTW-wetboek.

Eiseres stelt dat artikel 45, § 3, 3°, lid 1 BTW-wetboek niet van toepassing is vermits in voorliggende zaak er geen sprake is van een dienst in de zin van artikel 18, § 1, lid 2, 11° BTW-wetboek.

Waar verweerster met betrekking tot de periode 1 januari 1995 tot en met 30 december 1998 stelt dat de uitgaven van eiseres met betrekking tot de maaltijden (de cateringkosten) voor zelfstandige medewerkers en personeelsleden van toeleveranciers wel degelijk uitgaven zijn die betrekking hebben op een dienst, beaamt verweerster in haar proces-verbaal van 28 november 2003 dat de cateringkosten betrekking hebben de levering van een goed voor de periode van 1 januari 1999 tot en met 30 oktober 2000."

Artikel 18, § 1, lid 2, 11° BTW-wetboek bepaalt dat de uitvoering van een contract dat tot voorwerp heeft 'het verschaffen van spijs en drank in restaurants en cafés en, meer algemeen, in omstandigheden voor het verbruik ter plaatse' als een dienst wordt beschouwd. Als plaats van de dienst wordt hier aangemerkt, de plaats waar de dienst materieel wordt verricht (artikel 21, § 3, 4°, b BTW-wetboek).

Het verschaffen van spijzen en dranken - opgediend in hotels, cafés, restaurants, bedrijfskantines en restaurants, snackbars, verbruik salons van banketbakkers, enz., om er ter plaatse te worden verbruikt, worden als dus bedoeld in artikel 18, § 1, lid 2, 11° BTW-wetboek. Om de belastbare handeling te kwalificeren als een restaurantactiviteit (en dus een dienst) moet de activiteit volgende kenmerken vertonen, waarvan de eerste twee noodzakelijke en voldoende zijn en het derde facultatief is :

1° het is het resultaat van een reeks diensten, gaande van het bereiden van de gerechten tot de eigenlijke levering op een rolwagentje

2° het gaat gepaard met het ter beschikking stellen aan de klant van een infrastructuur die zowel een eetzaal met bijruimten als het meubilair en het vaatwerk omvat

3° in voorkomend geval zijn de natuurlijke personen - wier beroep erin bestaat restaurantactiviteiten te verrichten - aanwezig om de tafel te dekken, de klant advies te geven en hem uitleg te verschaffen over de aangeboden gerechten of dranken, deze producten op te dienen en tenslotte na afloop de tafel af te ruimen.

(STEFAN RUYSSCHAERT en LUC HEYLENS, handboek facturering van diensten, Maklu, 2006, p. 76 met verwijzing naar rechtspraak van het Hof van Justitie).

De cateringkosten die worden aangerekend door de NV E. en andere restaurants voor het verstrekken van maaltijden aan zelfstandige medewerkers en aan personeelsleden van toeleveranciers, betreffen kosten voor de levering van maaltijden naar onder meer de bedrijfszetel van eiseres. Verweerster levert het bewijs van het tegendeel niet en erkent in het proces-verbaal van 28 november 2003 dat de uitgaven voor de catering betrekking hebben op de levering van de maaltijden.

Voor de periode vanaf 1 november 2000 tot en met 30 december 2001 beschouwt verweerster de uitgaven voor maaltijden in haar bedrijfsrestaurant als een dienst aan niet-personeelsleden en berekent zij verschuldigde BTW op de verstrekte dienst van eisers. Bij gebrek aan concrete gegevens hieromtrent, baseert zij zich hiervoor op het aantal niet-personeelsleden, op het aantal opnamedagen voor de gecontroleerde periode, en op de frequentie van het verstrekken van maaltijden aan niet-personeelsleden op haar berekening die zij hiertoe uitvoerde voor de periode van 1 januari 1995 tot en met 30 december 1998, waarmee eiseres blijkbaar heeft ingestemd. Deze berekening van de verschuldigde BTW is redelijk en wordt door eiseres niet tegengesproken.

De grief van eiseres met betrekking tot de periode van 1 januari 1995 tot en met 31 oktober 2000 is gegrond, haar grief voor de periode van 1 november 2000 tot en met 30 december 2001 is ongegrond.

2. 0mtrent de uitgaven voor maaltijden die werden genoten buiten de onderneming voor de boekjaren 2000 en 2001, wordt in het proces-verbaal van 28 november 2003 het volgende vermeld :

"Met betrekking tot de boekjaren 2000 en 2001 werd de BTW voor maaltijden genoten buiten de onderneming in aftrek gebracht. Bedoelde handelingen werden opgenomen in de als bijlage opgenomen lijst die bij het proces-verbaal wordt gevoegd teneinde er één geheel mee uit te maken. Uit een document in de interne boekhouding van BVBA S. A. blijkt dat deze bedragen zijn opgenomen in "rekening 210" met benaming "catering op locatie (...). Voor de in bedoelde lijst opgenomen handelingen wordt er op geen enkele wijze aangetoond dat er een rechtstreeks verband bestaat met de opnames. Er wordt evenmin aangetoond of het handelingen betreft die beoogd zijn in voormeld artikel 45, § 3, lid 1, 3°, a, waarop de niet-aftrekbaarheid niet van toepassing is. Tenzij BVBA S. A. vooralsnog aantoont dat deze maaltijden geheel of gedeeltelijk voor aftrek in aanmerking komen op grond van artikel 45, § 3, lid 1, 3°, a, wordt de op deze handelingen verschuldigde BTW volledig beschouwd als ten onrechte in aftrek gebracht.

Totaal terug te storten BTW :

Boekjaar 2000 : 349.247 BEF

Boekjaar 2001 : 251.938 BEF".

Verweerster betwist het bedrijfsmatig karakter van vermelde uitgaven en zegt dat eiseres niet aantoont dat de uitgaven handelingen betreft die worden beoogd in artikel 45, § 3, lid 1, 3°, a BTW-wetboek.

Zoals supra onder 1 vermeld moet het recht op aftrek van de BTW worden toegestaan voor die goederen en diensten die op een voldoende en redelijke wijze dienstbaar zijn aan de belaste activiteit van de belastingplichtige.

In de voorliggende zaak is het vereiste verband van bestemming ook aannemelijk voor de kosten die eiseres maakte voor maaltijden die werden genuttigd buiten de onderneming. Deze maaltijden, ook buiten de onderneming, dragen bij tot de optimalisering van de activiteiten van eiseres als productiefirma. Het is aannemelijk dat de producties van eiseres niet alleen binnen de onderneming maar ook op andere locaties werden opgenomen.

Vermits artikel 45, § 3, lid 1, 3° BTW-wetboek een uitzondering is op de algemene regel van artikel 45, § 1, BTW-wetboek, moet verweerster het bewijs leveren dat deze uitzondering van toepassing is. Het is slechts als deze uitzondering van toepassing is dat eiseres het bewijs dient te leveren dat de uitgaven voor deze maaltijden kosten zijn die worden gedaan voor het personeel dat buiten de onderneming belast is met een levering van een goed of een dienstverrichting in de zin van artikel 45, § 3, lid 1, 3°, a van het BTW-wetboek die wel voor aftrek van BTW in aanmerking komen.

Verweerster slaagt er echter niet in het bewijs te leveren dat de uitgaven voor de maaltijden buiten de onderneming, kosten van logies, spijzen en dranken zijn in de zin van artikel 18, § 1, lid 2, 10° en 11° BTW-wetboek zodat de vraag naar de toepassing van artikel 45, § 3, lid 1, 3°, a BTW-wetboek niet dient te worden beantwoord.

De grief van eiseres met betrekking tot dit onderdeel van haar vordering is dan ook gegrond.

3. Omtrent de uitgaven voor maaltijden voor personeelsfeesten buiten de onderneming wordt in het proces-verbaal van 13 juni 2000 voor de periode van 1 januari 1995 tot en met 30 december 1998 het volgende vermeld :

Voor de hierna opgesomde kosten van personeelsfeesten buiten de onderneming is de bepaling van artikel 45, § 3, 3°, a van het BTW-wetboek niet van toepassing en mag de terzake betaalde BTW niet in aftrek worden gebracht. Wanneer een belastingplichtige voor zijn personeel een receptie organiseert in een hotelinrichting is de som die de exploitant van de inrichting hem aanrekent voor de terbeschikkingstelling van een zaal en voor het verschaffen van spijzen of dranken om ter plaatse te worden verbruikt, voor het geheel de vergoeding van een dienst bedoeld in artikel 18, § 1, 1° BTW-wetboek, zelfs wanneer een afzonderlijke prijs wordt bedongen voor de zaal. Krachtens artikel 45, § 3, 3° van het BTW-wetboek mag die belastingplichtige de belasting ter zake van die dienst niet in aftrek brengen. In dit geval zijn de restaurantkosten immers geen uitgaven die door de belastingplichtige worden gedaan voor personeel dat buiten de onderneming belast is met een levering van goederen of een dienstverrichting en vallen ze bijgevolg niet onder toepassing van artikel 45, § 3, 3°, a van het BTW-wetboek. Op te merken valt dat de uitsluiting van artikel 45, § 3, 4° van het BTW-wetboek niet geldt voor de eigen personeelsleden, zodat voor personeelsfeesten (collectief sociaal voordeel inzake BTW) aftrek kan worden toegestaan tenzij artikel 45, § 3, 3° BTW-wetboek een uitsluiting oplegt, wat bijvoorbeeld het geval is voor een personeelsfeest in een hotel of een restaurant. De personeelsfeesten vonden plaats in het restaurant "D. L.", uitgebaat door de NV E., gevestigd te …, …, BTW-nummer BE …."

De facturen met betrekking tot de personeelsfeesten zijn de volgende (stuk 8) van verweerster :

4 facturen van NV E. als uitbater van restaurant 'D. L.' van 24 januari 1995, 12 mei 1995, 31 juli 1995, 28 november 1995 en 20 april 1996 waarbij telkens als vermelding van verrichte prestatie 'catering' wordt vermeld.

1 factuur van R. L. van 3 februari 1995 waarbij als vermelding van de verrichte prestatie 'personeelsfeest’ “gouden oog" wordt vermeld.

Beide partijen zijn het met elkaar eens dat de uitgaven voor de personeelsfeesten dienen beschouwd te worden als een collectief sociaal voordeel waarvan de BTW op de uitgaven volgens de gewone regels aftrekbaar blijft.

Men doet derhalve alsof de uitgaven voor deze personeelsfeesten ten bezwarende titel werden verricht en dat deze niet om niet werden verricht. Eiseres moet derhalve haar recht op aftrek van de BTW op de uitgaven voor deze personeelsfeesten niet bewijzen.

De uitsluitingen op dit recht op aftrek van de BTW moeten derhalve bewezen worden door verweerster. Verweerster stelt dat de aftrek van de BTW op de uitgaven van vermelde personeelsfeesten uitgesloten worden op grond van artikel 45, § 3, 3° lid, 1 BTW-wetboek.

Volgens beide partijen gingen de personeelsfeesten door in het restaurant D. L., waarvan eiseres de eigenaar is en de exploitatie van dit restaurant overgedragen werd aan de NV E..

Partijen voeren betwisting over het feit of de personeelsfeesten in D. L. 'buiten' de onderneming werden gehouden.

Artikel 18, § 1, lid 2, 11° BTW-wetboek bepaalt dat de uitvoering van een contract dat tot voorwerp heeft ‘het verschaffen van spijs en drank in restaurants en cafés en meer algemeen, in omstandigheden voor het verbruik ter plaatse' als een dienst was beschouwd. Als plaats van de dienst wordt hier aangemerkt, de plaats waar de dienst materieel wordt verricht (artikel 21, § 3, 4° BTW-wetboek).

Om de belastbare handeling te kwalificeren als een restaurantactiviteit en dus als een dienst, moet de activiteit er onder meer in bestaan aan de klant een infrastructuur ter beschikking te stellen die zowel een eetzaal, het meubilair en het vaatwerk omvat.

De plaats van de dienst valt derhalve niet noodzakelijk samen met de ruimten die eigendom zijn van de dienstenverrichter, noch met de plaats waar de dienstenverrichter is gevestigd. Het is voldoende dat de dienstenverrichter de infrastructuur ter beschikking stelt van de klant om te spreken van 'het verschaffen van spijs en drank voor het verbruik ter plaatse'.

Het feit dat eiseres eigenares is van de infrastructuur waar de vermelde personeelsfeest doorgingen, doet derhalve niets af aan het feit dat deze infrastructuur ter beschikking werd gesteld door de NV E., die het restaurant D. L. exploiteert.

De grief van eiseres met betrekking tot dit onderdeel van haar vordering is derhalve ongegrond.

4. 0mtrent de uitgaven voor maaltijden voor opendeurdagen wordt in het proces-verbaal van 13 juni 2000 voor de periode van 1 januari 1995 tot en met 30 december 1998 het volgende vermeld :

"De facturen uitgereikt door de BVBA G. onder de naam "R. L." hebben betrekking op geleverde maaltijden ter gelegenheid van het inrichten van enkele opendeurdagen. Deze kosten van opendeurdagen zijn geen publiciteitskosten maar zijn kosten van onthaal in hoofde van NV S. A.. De opendeurdagen voor het brede publiek (televisiekijkers) beogen geen directe verkoop in hoofde van de NV S. A.. Het brede publiek is noch klant, noch leverancier, noch een mogelijke klant voor de door NV S. A. gemaakte programma 's. Deze TV-producten kunnen enkel worden afgenomen door televisiezenders die desbetreffend exclusiviteitcontracten met de NV S. A. afsloten. Dergelijke opendeurdagen hebben uitsluitend tot doel een gunstige atmosfeer te creëren, om hogere kijkcijfers na te streven, om de afnemer van de programma's (voornamelijk VTM) toe te laten een sterkere positie in te nemen en om geldmiddelen aan te trekken uit de reclame en de bedrijfswereld. Vermits er geen verkoop te bevorderen is tussen enerzijds NV S. A. en anderzijds bezoekers ("de anonieme TV-kijkers”) van de opendeurdagen, is er geen directe oorzakelijke band tussen de organisatie van de opendeurdagen en de verkoop. NV S. A. kan bijgevolg niet rechtstreeks haar verkoop promoten door middel van een opendeurdag waarin zij aan het bedrijf vreemde bezoekers ontvangt die klant noch leverancier zijn. Zij kan deze anonieme kijkers niet tot haar klantenbestand, noch tot haar potentiële klanten rekenen."

Verweerster heeft het recht op aftrek geweigerd van drie facturen van R. L., met name één factuur van 10 september 1996 voor een bedrag van 150.000 BEF exclusief BTW en twee facturen van 4 oktober 1996 voor een bedrag van respectievelijk 5.058 BEF en 225.000 BEF exclusief BTW (zie stukken 2075, 2074 en 2088 van eiseres) en het saldo van de kosten van onthaal na tussenkomst van VTM voor de opendeur van 17 en 18 oktober 1998 voor een bedrag van 193.510 BEF.

Volgens verweerster zijn de kosten die eisers heeft gemaakt voor de opendeurdagen kosten van onthaal, waarvan de aftrek van BTW uitgesloten is in toepassing van artikel 45, § 3, 4° BTW-wetboek.

Eiseres stelt dat zij gerechtigd is de BTW af te trekken vermits het volgens haar gaat over publiciteitskosten die volledig aftrekbaar zijn en niet om kosten van onthaal.

Partijen betwisten niet dat de BTW op de uitgaven voor de opendeurdagen in principe voor aftrek in aanmerking komen in toepassing van artikel 45, § 1 BTW-wetboek zodat het bedrijfsmatig karakter van deze uitgaven niet in vraag wordt gesteld.

Zoals supra (onder 1) reeds vermeld, geeft het Hof van Cassatie in het arrest van 8 april 2005 een gedeeltelijke invulling van het begrip "kosten van onthaal" (Cass, 8 april 2005, www.cass.be ) nl. als dergelijke kosten komen in aanmerking :

"de kosten gedaan voor onthaal en ontvangst, desgevallend gepaard gaande met vermaak of ontspanning, van aan het bedrijf vreemde bezoekers met het oog op het bestendigen of verstevigen van zakelijke relaties;"

Het begrip 'kosten van onthaal' krijgt nu door de uitspraak van het Hof van Cassatie een veel beperktere betekenis dan de Administratie tot nu toe voorhield. Het gaat om uitgaven die niet direct/rechtstreeks verkoop bevorderend zijn, zoals uitgaven voor het verstevigen van de zakenrelaties.

Wat de publiciteitskosten betreft, geeft het Hof van Cassatie in vermeld arrest de volgende omschrijving :

"dat evenwel wanneer de betrokken activiteit hoofdzakelijk en rechtstreeks tot doel heeft de eindkoper in te lichten over het bestaan en de hoedanigheden van een product of dienst met de bedoeling de verkoop ervan te bevorderen, zij een reclame is waarvan de kosten niet van aftrek uitgesloten zijn."

Deze omschrijving sluit aan bij de omschrijving van publiciteitskosten door het Hof van Justitie. Op basis van rechtspraak van het Hof van Justitie (o.a. H.v.j. 15 maart 2001, Syndicat des producteur indépendants, T.F.R. 2001, noot L. Vandenberghe) kan men van publiciteitskosten spreken telkens wanneer een handeling, zoals onder meer de verkoop van roerende lichamelijke goederen die gratis aan consumenten worden uitgedeeld, neerkomt op een boodschap om het publiek in te lichten over het bestaan en de kwaliteit van het aangeprezen product of de aangeprezen dienst met het oog op verkoop van producten of diensten van de BTW-belastingplichtige.

Of de uitgaven nu een uitgaven van onthaal zijn of van publiciteit, vormt bij uitstek een feitenbeoordeling, waarbij aandacht moet worden geschonken aan het doel van de uitgaven. Als de uitgaven verkoop bevorderend zijn, zijn deze uitgaven publiciteitskosten. Als de uitgaven niet direct of niet rechtstreeks verkoop bevorderend zijn, zijn deze uitgaven kosten van onthaal.

Eiseres stelt dat deze opendeurdagen gehouden werden voor het brede publiek waarbij een bezoek kon gebracht worden aan de set van een aantal populaire TV-series (waaronder Familie). Dit met de bedoeling het eigen bedrijf en de eigen programma's bij een breder publiek te promoten met als doel hogere kijkcijfers te behalen. Eiseres onderstreept dus het publicitair karakter van de opendeurdagen.

Volgens verweerster zijn de uitgaven die werden gedaan, kosten van onthaal vermits ze duiden op het scheppen en ontwikkelen van een gunstig klimaat ten overstaan van de onderneming van eiseres, om hogere kijkcijfers na te streven. Zij stelt echter dat er geen direct oorzakelijke verband is tussen de organisatie van de opendeurdagen en de verkoop van haar producten vermits de bezoekers geen klant of leverancier van eiseres zijn.

De opendeurdagen kunnen worden beschouwd als acties die de overdracht van een boodschap inhoudt, waarbij het publiek geïnformeerd wordt over het de kwaliteit en de werking van de producties van eiseres met het oog op het verhogen van de kijkcijfers van haar producten hetgeen de verkoop van haar producten rechtstreeks beïnvloed. Het feit dat de uitgaven van eiseres zich situeren in de sfeer van de eindgebruiker, met name de TV-kijker, speelt hierbij geen rol.

De gemaakte kosten zijn dan ook geen onthaalkosten, maar publiciteitskosten met recht op aftrek.

De grief van eiseres met betrekking tot dit onderdeel van haar vordering is dan ook gegrond.

Vl. Eiseres stelt dat verweerster ten onrechte de aftrek van de BTW heeft geweigerd van de uitgaven die eiseres heeft gedaan voor het aanschaffen van kledij en de reiniging ervan voor de gecontroleerde periode van 1 januari 1999 tot en met 30 december 2001.

In het proces-verbaal van 28 november 2003 wordt hieromtrent het volgende gemeld :

Op grond van artikel 45, § 1 van het BTW-wetboek, en van artikel1, § 2 van het Koninklijk besluit nr. 3, van 10 december 1969, gewijzigd bij Koninklijk besluit van 29 december 1992, komt in geen geval voor aftrek in aanmerking, de BTW geheven van de goederen en diensten die een belastingplichtige bestemt voor privé-doeleinden of voor andere doeleinden dan die van zijn economische activiteit. Wanneer een goed of een dienst bestemd is om gedeeltelijk voor zulke doeleinden te worden gebruikt, is het recht op aftrek naar verhouding van dat gebruik uitgesloten. Er moet eveneens besloten worden dat de BTW geheven van de kosten van kledij in beginsel niet aftrekbaar zijn aangezien er moet worden van uitgegaan dat deze kosten intrinsiek steeds een privé karakter vertonen. Wel aftrekbaar is vanzelfsprekend de BTW geheven van specifieke beroepskledij die eveneens inzake inkomstenbelasting aftrekbaar is. Aftrek is bijgevolg uitgesloten voor BTW geheven van de aankoop van stads,-avond-, ceremonie-, reis- of vrijetijdskledij (...). De NV S. A. koopt kledij aan die door de acteurs tijdens de opnamen worden gedragen. Deze kledij wordt gereinigd en de BTW geheven van deze inkomende facturen wordt eveneens in aftrek gebracht. Volgens verklaring van de heer V. G. blijft de kledij aanwezig in de lokalen van S. A.. Er werden ons rekken met kleding getoond, die nu actueel gebruikt worden tijdens de opnamen. De kledij die werd gedragen tijdens de opnames die de vorige jaren plaatsvonden, kon ons niet worden getoond. In strijd met de hiervoor uiteengezette bepalingen werd de BTW geheven van de in de bijgevoegde tabel opgesomde leveringen van goederen en verstrekkingen van diensten, ten onrechte in aftrek gebracht, aangezien die goederen en/of diensten volgens de zowel inzake BTW als inzake de inkomstenbelastingen geldende reglementering geacht worden volledig bestemd te zijn voor privé-doeleinden of voor andere doeleinden dan die van een economische activiteit van de belastingplichtige (...) Terug te storten BTW :

Jaar 2000 : 268.669 BEF

Jaar 2001 : 266.791 BEF"

Enerzijds stelt verweerster dat kledijkosten niet aftrekbaar zijn vermits dergelijke kosten intrinsiek steeds een privé karakter vertonen, anderzijds stelt zij dat de kledij aangekocht in de periode van 1 januari 1999 tot en met 30 december 2001 zich niet meer tijdens de controle in 2003 in de lokalen van eiseres bevond en leidt hieruit af dat het niet bewezen is dat de kledij exclusief werd gebruikt voor het maken van TV-programma's.

De aftrekbaarheid van de BTW met betrekking tot kledijkosten dient te worden beoordeeld aan de hand van het BTW-wetboek en niet naar analogie met het WIB 1992. Eiseres verwijst in die zin terecht naar de toepassing van artikel 45, § 1, 1° BTW-wetboek.

Eiseres stelt dat de kledij die eiseres in het kader van haar beroepsactiviteit van het maken en verfilmen van soapseries voor de acteurs en actrices ter beschikking houdt, nooit buiten de uitoefening van de beroepswerkzaamheden van de vennootschap wordt gedragen. Zij stelt dat de acteurs en actrices in hun normale kledij naar de plaats van opname komen, zich omkleden, en laten de kledij achter wanneer de draaidag erop zit. Zij stelt dat de kledij door haar wordt bewaard en dat zij deze kledij laat wassen.

Eiseres stelt dus de dat kledij gebruikt wordt voor belaste handelingen en dat deze een bedrijfsmatig karakter hebben.

In toepassing van artikel 17, lid 2 van de zesde BTW-richtlijn, is de aftrek van BTW enkel mogelijk voor de BTW op goederen en diensten die door een belastingplichtige zijn ontvangen en voor zover deze belastingplichtige de door hem ontvangen goederen of diensten gebruikt voor het verrichten van belastbare handelingen.

De aftrek van BTW is dus enkel mogelijk wanneer de belastingplichtige de goederen e diensten gebruikt voor het verrichten van handelingen die werkelijk belast worden. Het recht op aftrek van de BTW op de ontvangen goederen of diensten wordt gedetermineerd door hun bestemming, m.n. door de BTW-onderworpenheid van de handelingen die de belastingplichtige met de door hem ontvangen goederen of diensten wil stellen. (L. VANDENBERGHE, Aftrek en teruggaaf van BTW, Antwerpen-Groningen Intersentia, 1998, nr. 15).

Het recht op aftrek van de BTW moet worden toegestaan voor die goederen en diensten die op een voldoende en redelijke wijze dienstbaar zijn aan de belaste activiteit van de belastingplichtige (L. VANDENBERGHE, 1.c., nr. 36).

De aftrek van de BTW wordt daarbij enkel toegestaan voor de BTW op goederen en diensten die door de belastingplichtige worden gebruikt voor het verrichten van handelingen in de uitoefening van zijn activiteit. De uitoefening van een belaste activiteit houdt in dat de belastingplichtige zijn handelingen verricht onder bezwarende titel.

In de voorliggende zaak is het vereiste verband van bestemming aannemelijk. De kledij die aan de acteurs en actrices wordt verstrekt, wordt gebruikt voor het realiseren van de activiteiten van eiseres als productiefirma.

In toepassing van artikel 17, lid 1 van de zesde BTW-richtlijn en artikel 10 van de zesde BTW-richtlijn, is de BTW aftrekbaar zodra de goederen geleverd of de diensten verricht worden.

De BTW geheven op de uitgaven van eiseres voor kledijkosten voor de acteurs en actrices kan dus in principe afgetrokken worden door eiseres in toepassing van artikel 45, § 1 BTW-wetboek.

Het is daarbij ook aannemelijk dat eiseres de kledij exclusief gebruikt voor het verrichten van handelingen in de uitoefening van haar activiteit als productiehuis. Hierbij kan verwezen worden naar de vaststelling van de vaststellende BTW-controleur dat er rekken werden getoond met kledij die op dat ogenblik werden gebruikt bij de opnamen.

Vermits het wassen van de vermelde kledij noodzakelijk is, heeft eiseres ook recht op aftrek van de BTW voor de uitgaven die hierop betrekking hebben.

De afwezigheid van de betreffende kledij op het ogenblik van de controle in 2003, levert geen bewijs van het feit dat de kledij niet exclusief werd gebruikt voor het verrichten van handelingen van eiseres in de uitoefening van haar activiteit als productiehuis.

De BTW op de uitgaven voor de aankoop van vermelde kledij en voor het wassen van vermelde kledij is dus aftrekbaar.

De grief van eiseres met betrekking tot het feit dat de Wet van 29 juli 1991 betreffende de motivering van bestuurshandeling geschonden is door het feit dat verweerster voor het eerst in conclusies opwerpt dat het recht op aftrek van de betreffende BTW op kledijkosten geweigerd wordt vermits de kledij zich niet meer tijdens de controle in 2003 in de lokalen van eiseres bevond, is ongegrond. Deze overweging door verweerster werd reeds gemaakt in het hoger geciteerd proces-verbaal dat samen met het dwangbevel een onafscheidelijk geheel uitmaakt.

VII. Eiseres betwist de weerhouden inbreuk op artikel 53, lid 1, 2°, 3° en 4°, BTW-wetboek en artikel 18 van het KB nr.1 in verband met de aangegeven omzet.

In het proces-verbaal van 28 november 2003 wordt hieromtrent het volgende vermeld :

Er werd vastgesteld dat NV S. A. over vijf personenwagens van het merk Nissan beschikte die door L. P. K. NV en door L. P. K. V. ter beschikking gesteld werden door bemiddeling van de BVBA L. P. in ruil voor publiciteit via de eindgeneriek van de producties van NV S. A.. De bestaande schriftelijke overeenkomst volgens dewelke sinds 1 mei 1996 voertuigen ter beschikking werden gesteld van NV S. A. werd en wordt nog steeds, zoals in de overeenkomst ook werd bepaald, telkens voor de duur van één jaar verlengd. Publiciteitsdiensten zijn handelingen bedoeld in artikel 18, § 1 BTW-wetboek. Het verstrekken van een dergelijke dienst door een als zodanig handelende belastingplichtige is bijgevolg een handeling die overeenkomstig artikel 2 eerste lid van het BTW-wetboek aan belasting is onderworpen wanneer zij in België plaatsvindt.(..) Als tegenprestatie voor het voeren van publiciteit voor L. P. V. NV en L. P. K. NV worden hieronder vermelde vijf personenwagens ter beschikking gesteld van NV S. A., zodat de waarde van de door NV S. A. verstrekte dienst overeenkomt met de gebruikelijke huurprijs voor bedoelde wagens. De ernaast vermelde bedragen zijn de huurprijzen die op verzoek van het controlecentrum door de heer L. P. werden meegedeeld (…).

Verschuldigde BTW =

Jaar 2000 : 784.363 BEF x 21 % = 164.716 BEF

Jaar 2001 :784.363 BEF x 21 % : 164.716 BEF".

Eiseres stelt dat de BTW-controleur de inhoud en de draagwijdte van de overeenkomst heeft miskent en dat het ter beschikking stellen van het genot van een roerend goed ter uitvoering van een contract van bruikleen en contract ten kosteloze titel is en niet aan BTW onderworpen is. Ondergeschikt stelt zij dat het arbitrair is om de waarde van deze terbeschikkingstelling te ramen op basis van de huurprijs van een volledig jaar vermits deze voertuigen uitsluitend gebruikt zijn voor de opnamen van de serie 'Familie'.

Als dienst wordt beschouwd, elke handeling die geen levering van een goed is in de zin van artikel 5 BTW-wetboek (artikel 18 BTW-wetboek). Om belastbaar te zijn, moet deze handeling onder bezwarende titel gesteld worden. Er moet een tegenprestatie zijn.

In de overeenkomst die werd ondertekend door eiseres en garage carrosserie L. P.-W. (stuk 8 verweerster), wordt onder meer door garage carrosserie P.-W. 5 Nissan wagens ter beschikking gesteld van eiseres, ten titel van bruikleen (artikel 1). Eiseres van haar kant, verbindt zich in de overeenkomst om o.a. in de eindgeneriek van serie bij de voornaamste sponsors van de serie te vermelden “met dank aan Nissan, L. P.-Aarschot-Keerbergen-Vilvoorde.".

Eiseres stelt dat de overeenkomst die werd ondertekend, een bruikleen overeenkomst is en dat de wagens derhalve om niet zijn ter beschikking gesteld zodat de terbeschikkingstelling niet belastbaar is. Verweerster stelt dat er wel degelijk een tegenprestatie in de overeenkomst werd bedongen en verwijst hierbij naar de verbintenis van eiseres om in de eindgeneriek van de serie, “L. P.-Aarschot-Keerbergen-Vilvoorde" te vermelden bij de voornaamste sponsors.

Verweerster levert voldoende het bewijs dat er in de overeenkomst van eiseres met garage-carrosserie een tegenprestatie werd bedongen. De inhoud van de overeenkomst is duidelijk.

In de regel is de maatstaf van heffing de prijs die voor de levering of dienst wordt gevraagd. Wanneer de tegenprestatie niet uitsluitend uit een geldsom bestaat, wordt de BTW berekend over de 'normale waarde' in de zin van artikel 32 BTW-wetboek.

Vermits verweerster bij de berekening van deze waarde uitging van de meegedeelde huurwaarde door de heer L. P. voor deze 5 wagens, en de overeenkomst omtrent de terbeschikkingstelling van de 5 wagens betrekking heeft voor opnamen voor de serie "Familie" waarbij deze wagens ingeschreven zijn en nummerplaten hebben, kan redelijkerwijze worden aangenomen dat de wagens gedurende het hele jaar ter beschikking werden gesteld.

De grief van eiseres met betrekking tot dit onderdeel van haar vordering is dan ook ongegrond.

VIII. De geldboeten

Ten gronde is de rechtbank met volle rechtsmacht bevoegd de wettelijkheid en de evenredigheid van de toegepaste boete te beoordelen, waarbij zij niet mag oordelen op grond van loutere billijkheid.

Wat de proportionele geldboeten betreffen in beide zaken, dienen deze te worden verminderd vermits de verschuldigde BTW op grond van hoger vermelde grieven die gegrond zijn verklaard van eiseres. Het bedrag van de weerhouden geldboete kan daarbij overeenkomstig het KB nr. 41 van 30 januari 1987 worden verminderd. Rekening houdend met de concrete omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat deze proportionele geldboeten evenredig met het bewezen verzuim werden opgelegd.

Wat de niet-proportionele boeten betreft, stelt de rechtbank vast dat deze wel degelijk wettelijke grondslag heeft. Eiseres verwijst hierbij naar artikelen 60 en 61 BTW-wetboek, waarbij de gevraagde callsheets wel degelijk nodig waren om de juiste heffing van de belasting na te gaan in hoofde van eiseres of in hoofde van derden. Ook deze geldboeten zijn evenredig met het bewezen verzuim opgelegd.

IX. Besluit

Wat de periode van 1 januari 1995 tot en met 30 december 1998 betreft, heeft eiseres recht op aftrek van de BTW met betrekking tot de uitgaven

- voor uitgaven met betrekking tot de opendeurdagen voor een bedrag van 64.199 BEF, hetzij 1.591,45 euro (9.000 BEF + 1062 BEF + 13.500 BEF + 40.63 7BEF)

- voor de levering van maaltijden voor een bedrag van 970.200 BEF, hetzij 24.050,62 euro (308.700 BEF + 352.800 BEF + 308.700 BEF)

Totaal :1.034.399 BEF, hetzij 25.642,07 euro

Wat de periode van 1 januari 1999 tot en met 30 december 2001 betreft, heeft eiseres recht op aftrek van BTW met betrekking tot de uitgaven :

- voor levering van maaltijden voor een bedrag van 99.750 BEF, hetzij 2.472,74 euro (63.000 BEF + 36.750 BEF)

- catering op locatie voor een bedrag van 601.185 BEF, hetzij 14.902,99 euro (349.247 BEF + 251.938BEF)

- kledijkosten voor een bedrag van 535.460 BEF, hetzij 13.273,70 euro (268.669 BEF + 266.791 BEF)

Totaal : 1.236.395 BEF, hetzij 30.649,43 euro

X. De uitvoerbaarheid bij voorraad

Krachtens artikel 92bis BTW-wetboek schorsen termijnen van verzet, hoger beroep en cassatie, alsmede het verzet, het hoger beroep en de voorziening in cassatie de tenuitvoerlegging van de gerechtelijke beslissing zodat huidig vonnis dan ook niet uitvoerbaar bij voorraad kan verklaard worden.

Beschikkend gedeelte

III. UITSPRAAK

De rechtbank doet uitspraak na tegenspraak en in eerste aanleg,

De rechtbank voegt de zaken met rolnummers AR 00/2392/A en 04/529/A samen wegens samenhang.

De vorderingen zijn ontvankelijk en in de volgende mate gegrond :

In de zaak met rolnummer AR 00/2392/A, beveelt de rechtbank de terugbetaling van 25.642,07 euro van de BTW die door de eiseres werd voldaan te vermeerderen met de verwijlsintrest aan de wettelijke intrestvoet vanaf de dag van betaling en de gerechtelijke intrest en beveelt zij de herberekening van de proportionele geldboete en de intresten die geheven werden in toepassing van artikel 91, § 1 BTW-wetboek, rekening houdend met de uiteindelijk verschuldigde BTW.

In de zaak met rolnummer AR 04/529/A, zegt de rechtbank voor recht dat een bedrag van 30.649,43 euro aan BTW niet verschuldigd is door eiseres en beveelt zij de herberekening van de uiteindelijk verschuldigde BTW en de proportionele geldboete en de intresten die geheven werden in toepassing van artikel 91, § 1 BTW-wetboek, rekening houdend met de uiteindelijk verschuldigde BTW.

De rechtbank wijst al het anders of meergevorderde als ongegrond af.

De rechtbank veroordeelt eiseres tot 1/4e en verweerster tot 3/4e van de kosten en stelt deze als volgt vast :

- voor eiseres : 117,05 euro (dagvaarding) + 364,41 euro (rechtsplegingsvergoeding)

- voor verwerende partij : 364,41 euro (rechtsplegingsvergoeding).

Aldus gedaan en uitgesproken in de openbare terechtzitting van de twaalfde kamer der rechtbank van eerste aanleg, zitting houdende te Leuven op vrijdag 15 juni 2007, waar zetelden :

- de heer L. W., rechter d.d. voorzitter;

- mevrouw K. G., rechter;

- mevrouw A. V., rechter, aangewezen door de voorzitter overeenkomstig art. 779 van het Ger. W. in vervanging van A. G., thans rechter bij de rechtbank van eerste aanleg te Gent, wettig verhinderd de uitspraak van het vonnis bij te wonen waarover hij mede heeft beraadslaagd;

- mevrouw G. D., griffier.

G. D. A. V. K. G. L. W.

Aangehaalde teksten

20
WBTW art. 4531 voorkomens
WBTW art. 1810 voorkomens
KB nr. 1 art. 52 voorkomens
WBTW art. 912 voorkomens
KB nr. 1 art. 181 voorkomen
KB nr. 3 art. 31 voorkomen
WBTW art. 101 voorkomen
WBTW art. 191 voorkomen
WBTW art. 21 voorkomen
WBTW art. 211 voorkomen
WBTW art. 321 voorkomen
WBTW art. 51 voorkomen
WBTW art. 501 voorkomen
WBTW art. 531 voorkomen
WBTW art. 551 voorkomen
WBTW art. 601 voorkomen
WBTW art. 611 voorkomen
WBTW art. 92bis1 voorkomen

Vergelijkbare beslissingen

8