Fiche van de FOD Financiën
Arrest van het Hof van beroep te Brussel d.d. 16.11.2016
Voorlegging van de boekhouding – Controlemaatregelen - Verplichtingen
Samenvatting
1.De inhoud van de artikelen 60 en 61 van het Btw-Wetboek en de daarin voorziene voorleggingsplichten van stukken en gegevens, waaronder digitaal bewaarde, houden niet in dat een btw-plichtige maar geldig over kan gaan tot het voldoen van die plicht en het ingaan op het verzoek tot digitale kopiename bedoeld in artikel 61, § 1, derde lid (thans vierde lid), van het Btw-Wetboek, mits de organen bevoegd tot het vennootschapsrechtelijk en verbintenisrechtelijk verbinden van de vennootschap daartoe worden aangezocht. De verplichtingen voorgeschreven in de artikelen 60 en 61 van het Btw-Wetboek behelzen enkel controlemaatregelen en onderzoeken bij de btw-plichtige en leiden op zich niet tot enige wijziging van haar rechtstoestand inzake belastingen, meer bepaald btw, waarover de organen van de btw-plichtige – indien zij een vennootschap met rechtspersoonlijkheid is – hun toestemming zouden moeten geven opdat de vennootschap geldig in rechte verbonden zou zijn. Evenmin vereisen voormelde artikelen, die medewerkingsplichten opleggen aan de btw-plichtige, dat een vennootschap met rechtspersoonlijkheid, maar rechtsgeldig kan voldoen aan de voorleggingsplichten en medewerkingsplichten inzake kopiename van digitale gegevens, indien een schriftelijke lastgeving daartoe wordt gegeven aan een individueel bepaald natuurlijk persoon.
2.De artikelen 60 en 61 van het Btw-Wetboek vereisen dat de btw-plichtige zo georganiseerd is dat hij aan de daarin opgenomen verplichtingen inzake voorlegging van boeken en geschriften en boekhoudstukken en digitale kopiename kan voldoen en dit op zo’n wijze dat de medewerking van de btw-plichtige aan de daarin bedoelde controleverrichtingen afgeleid kan worden uit andere wijzen van instemming dan enkel mits de tussenkomst van een orgaan van de vennootschap met rechtspersoonlijkheid, bevoegd om de vennootschap in rechte te verbinden.
3.Artikel 61, § 1, van het Btw-Wetboek laat de fiscale administratie toe te vragen om kopiename van de daarin bedoelde gegevens op informatiedragers, doch houdt geen verbod in van inzameling van die gegevens door kopiename indien blijkt dat de in België aangetroffen informaticadragers gegevens toont aan de aanwezige ambtenaren die elders, buiten België en overzees, ook op een informaticadrager zijn opgeslagen. In zoverre aangetoond is dat de bewuste gegevens op het Belgisch territorium bij de in artikel 61 van het Btw-Wetboek bedoelde onderzoeksdaad ter plaatse waar de gegevens bedoeld in artikel 61, § 1, derde lid (thans vierde lid), van het Btw-Wetboek op schermen worden getoond zichtbaar worden en dat het gaat om in die wetsbepaling bedoelde gegevens, sluit artikel 61 van het Btw-Wetboek niet uit dat dan overgegaan wordt tot het verzoeken om een digitale kopiename van die stukken en gegevens, en dit ook indien de informaticadragers bedoeld in artikel 61 van het Btw-Wetboek zelf op zich geen eigendom zijn van de onderzochte btw-plichtige.
4.Er is sprake van een afwezigheid van organisatie wanneer bij het ondernemen van een digitale kopiename, niet binnen een redelijke tijdspanne, tijdens uitvoering van de eigenlijke onderzoeksverrichting betreffende de vraag tot kopiename en het bevestigend antwoord daarop, een onderscheid gemaakt kan worden tussen documenten en gegevens toebehorend aan, enerzijds, de belastingplichtige en, anderzijds, andere vennootschappen, derden (‘gemengde’ bewaring van digitaal bewaarde boekhoudgegevens en gegevens van belang voor het onderzoek voor de btw-toestand van de belastingplichtige en van derden btw-plichtigen). In dat geval kan niet voorgehouden worden dat het recht op privacy van ook maar één van deze vennootschappen zoals gewaarborgd in artikel 8 EVRM geschonden werd door de digitale kopiename en, evenmin, dat de bewijsgaring disproportioneel zou zijn gebeurd.
Tekst van het arrest
Tekst van de beslissing
Arrest van het Hof van Beroep te Brussel d.d. 16.11.2016
(2012/AR/899)
1. De Belgische Staat. FOD Financiën. vertegenwoordigd door de heer Minister van Financiën, wiens kabinet gelegen is te 1000 Brussel, Wetstraat 12, in de persoon van de BTW-ontvanger BTW Leuven, waarvan de kantoren gevestigd zijn te …, …, vertegenwoordigd door de door de Gewestelijk Directeur BBI Brussel gedelegeerde ambtenaar N. V., Inspecteur bij de BBI te Brussel, Appellante, Geïntimeerde op incidenteel beroep, tegen het vonnis van de Rechtbank van eerste aanleg te Leuven van 13 januarl 2012
tegen
1. A. G. S. LTD, vennootschap naar lers recht, met maatschappellijke zetel te …, …, BTW nr. …, woonst kiezende ten kantore van Mr. F. M., advocaat te …, …, Geïntimeerde, Appellante op incidenteel beroep, vertegenwoordigd door Mr. M. F., advocaat te …, …
Het hof, na beraad, spreekt in openbare zitting volgend arrest uit.
Voorgaanden en vorderingen
Gelet op de stukken van de rechtspleging inzonderheid :
-het vonnls van de rechtbank van eerste aanleg te Leuven van 13 januari 2012, op tegenspraak uitgesproken, volgens partijen betekend op 2 maart 2012;
-het verzoekschrift tot hoger beroep uitgaande van de Belgische Staat neergelegd ter griffie van het hof op 27 maart 2012;
-de conclusles van appellant neergelegd ter griffie op 19 april 2013 en 9 april 2014 (syntheseconclusies) en de conclusies van geïntimeerde A. G. S. neergelegd ter griffie op 16 oktober 2012, 7 augustus 2013 en 18 augustus 2014 (syntheseconclusies);
-de stukken van de Belglsche Staat neergelegd ter grlffle van het hof op 9 april 2014 en de stukken van geïntimeerde neergelegd ter zitting van het hof op 14 september 2016.
Procedure in eerste aanleg
Bij verzoekschrift op tegenspraak bedoeld in artikel 1385decies en 1385undecies Gerechtelijk Wetboek neergelegd ter griffie van de eerste rechter op 14 juil 2010 vorderde geïntimeerde de vordering ontvankelijk en gegrond te verklaren, het dwangbevel inzake BTW, uitgevaardigd lastens geïntimeerde door de Eerstaanwezend inspecteur bij het BTW-Ontvangkantoor te Leuven op 27 april 2009 en geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 30 november 2009 door de Gewestelijke Directeur BTW te Mechelen teniet te doen en te zeggen voor recht dat de daarin gevorderde bedragen niet verschuldigd zijn door geîntimeerde. Tevens vorderde zij de Belglsche Staat te veroordelen tot de kosten van het geding.
Bij voormeld vonnis van 13 januari 2012 verklaarde de eerste rechter de vordering van geïntimeerde ontvankelijk en gegrond en vernietigde hij voormeld dwangbevel.
Appellant werd veroordeeld tot de kosten van het geding, aan de zijde van geïntimeerde begroot op € … rechtsplegingsvergoeding.
Procedure voor het hof
Voor het hof vordert de Belgische Staat het bestreden vonnis te vernietigen en vordert hij de vordering in het dwangbevel te bevestigen in de mate dat daarin een bedrag aan BTW van € … gevorderd wordt en in de mate dat daarin een boete ten bedrage van € … wordt geëist op grond van artlkel 70 § 1 WBTW.
Tevens vordert hij de kosten van het geding te verdelen onder partijen.
Het hoger beroep werd tijdig en regelmatig ingesteld.
De ontvankelljkheld ervan wordt niet betwist.
Geïntimeerde vordert de bevestiging van het bestreden vonnis en de veroordeling van de Belgische Staat tot de kosten van beide aanleggen.
Geïntimeerde stelt incidenteel beroep in tegen het bestreden vonnis, enkel over de kosten, en vordert de veroordeling van de Belgische Staat tot de kosten van het geding, begroot op, voor beide aanleggen, te indexeren, € ….
Relevante feitelijke gegevens
Geïntimeerde, die stelt in lerland gevestigd te zijn en die haar maatschappelijke zetel heeft te …, …, …, was ingeschreven als BTW-belastingplichtige (in …) onder nummer ….
A. G. S. Ltd. legt uit dat zij een onderneming is die consultancydiensten verricht aan diverse vaak grote opdrachtgevers die assistentie willen inzake de zogenaamde informatie-en computertechnologie. Zij legt uit dat zij werkt behulp van IT-consultants op de internationale markt. Zij betaalt deze consultants uit terwijl geïntimeerde zelf de opdrachtgevers factureert voor de verstrekte diensten. Zij stelt dat veel van haar opdrachtgevers buiten België gevestigd zijn.
Op 2 april 2008, 3 september 2008 en 28 oktober 2008 werden op de zetel van een zekere N.V. A. I. te …, … plaatsbezoeken uitgevoerd in het kader van de toepassing van de BTW-wetgeving door de BBl-administratie. Dat gaf aanleiding tot de opstelling van een aantal processen-verbaal. Bovendien werden bij die plaatsbezoeken documenten meegenomen, volgens de Belgische Staat in toepasslng van artikel 61 § 2 WBTW en werden digitale kopieën genomen van aanwezige digitale gegevens.
Geïntimeerde legt uit dat een bestuurder van de N.V. A. I., de heer A. is en dat een zekere Mevr. H. een bediende is van die N.V. (in de belastbare periodes thans ter discussie).
ln concreto vermelden de processen-verbaal van die plaatsbezoeken de volgende gegevens.
Het proces-verbaal van 2 april 2008 verhaalt, samen gevat, dat 3 BBl-ambtenaren zich naar de zetel van de al genoemde N.V. A. I. in Hoeilaart begaven (stuk 28 stukken Belgische Staat). Daar troffen zij bij aankomst een zekere Mevr. H. aan, die administratief werk verrichtte voor de N.V. A. I.. Het proces-verbaal maakt melding van een “inventaris van zaken die zich in lokaal 2 bevinden" en somt ze op. Het gaat blijkbaar om aangetroffen fardes en hangmappen in kasten. Het proces-verbaal vermeldt dat stukken meegenomen werden in toepasslng van artikel 61 § 2 WBTW en inventariseert ze door ze op te sommen.
Nopens de digitale gegevensverzameling vermeldt het bewuste proces-verbaal het volgende :
“... informaticadata.
Tevens hebben wij vastgesteld vanaf de computer van Mevr. H. dat de informaticadata opgeslagen worden op een server. Deze server is toegankelijk via volgende verbinding: "public on 10.0.0.1-P:"
Verschillende data-mappen op de server zijn toegankelijk via deze verbinding.
Vervolgens hebben wij verzocht ons een kopij van de data die in deze verschillende mappen bevinden te bezorgen in toepasslng van artikel 61 van het BTW-wetboek.
De data werden door Mevr. H. gekopieerd op ons materiaal (externe usb harde schijf). Wij hebben via het doscommando “Dir" een lijst aangemaakt van de ons ter berschikking gestelde bestanden. Het bestand met deze lijst draagt de naam : "bestandenlijst 20080402.dir" en werd op 2 CD’s gebrand. 1 CD werd samen met een kopij van het proces-verbaal overgemaakt aan de belastingplichtige.
Dit proces-verbaal en zijn bijlagen werd, in kopij, overgemaakt aan de belastingplichtige en geldt tevens als ontvangstbewijs, voorzien bij artikel 61 van het BTW-wetboek, voor de gegevens onder punten 1 en 2.... ".
Het bewuste proces-verbaal blijkt te zijn ondertekend door een derde persoon, na vermeldlng "après avoir reçu lecture de la présente déclaration, Mme. H. persiste et signe avec nous" (hetgeen het hof begrijpt als "nadat lezing is gegeven van de verklaring, bevestigt mevr. H. deze en ondertekent zij ze met ons”). Het proces-verbaal is met dezelfde handtekening ondertekend na de vermelding "voor ontvangst van 1 kopie van onderhavig pv".
Blijkbaar heeft de BBl-administratie daarna een analyse gedaan van de aldus verkregen gegevens, waaronder de digitaal verkregen gegevens. lmmers bevatten de stukken van de Belgische Staat een hele reeks stukken en documenten, vooraf gegaan door een blad waaruit blijkt dat het gaat om geanalyseerde computerbestanden.
Het proces-verbaal van 8 december 2008 bevat "zonder exhaustief te zijn een aantal voorbeelden van gegevens die aangetroffen werden op de server van NV A. I.” (stuk 1 blz. 3 van de Belgische Staat). Vervolgens wordt de inhoud van een aantal Excelbestanden beschreven en wordt de inhoud van een hele reeks documenten, waaronder emails beschreven.
Geen der processen-verbaal geeft een weergave van het concrete onderzoek van de digitale gegevens door de fiscale administratie, noch van de datum van opening ervan, noch van de aangewende zoekmethode, noch van de wijze waarop de niet wijzigbaarheid van de oorspronkelijk aangetroffen gegevens werd gewaarborgd bij het onderzoek van de digitale gegevens door de fiscale administratie, noch van hetgeen globaal werd aangetroffen en noch van de wijze van selectie van de gegevens. Noch de digitale drager waarop de gegevens blijkbaar werden opgeslagen, noch enige forensische kopie ervan, worden door de Belgische Staat voorgelegd.
lnmiddels werden nog een aantal onderzoeksverrichtingen gedaan op verplaatslng door de BBl-ambtenaren.
Een proces-verbaal van 2 september 2008 doet het verhaal van een plaatsbezoek aan de maatschappelijke zetel te Brussel van deze N.V. A. I. (stuk 3.2. van de Belglsche Staat).
Een proces-verbaal van 3 september 2008 geeft het relaas weer van een plaatsbezoek bij de exploitatiezetel van deze N.V. te …, ter gelegenheld waarvan ook weer papieren documenten blijken te zijn meegenomen door de BBl-ambtenaren.
Meerdere processen-verbaal van 28 oktober 2008 doen de weergave van een plaatsbezoek van de ambtenaren bij deze N.V. te … en van een verklarlng van l. A., blijkbaar een bestuurder van deze N.V. Bij die gelegenheid werden weer papieren stukken mee genomen.
Meerdere processen-verbaal van 18 februari 2009 geven het relaas van opnieuw een plaatsbezoek door deze ambtenaren bij deze N.V. en van een digitale kopiename door deze l. A. van een bestand “A. Database 2008” op een USB-stick van de Belglsche Staat.
Een proces-verbaal van 27 februari 2009 doet het relaas van het meenemen te … bij deze N.V. A. I. van boeken en stukken door de BBI-ambtenaren.
Het voorgaande resulteerde uiteindelijk in de opstelling door de BBI-administratie van een proces-verbaal inzake BTW op 8 december 2008 voor de periode 2003-2007.
ln dat proces-verbaal wordt vol gehouden dat geïntimeerde A. G. L. vennootschap is waarvan de economische zetel voor BTW-doeleinden vanaf 2003 in België gelegen was.
Volgens het proces-verbaal is de plaats waar het effectieve dagelijkse beheer en de plaats waar de boekhouding van de l. vennootschap A. G. Ltd wordt gedaan en gehouden, …, sectle C, gebouw A te …. Gezien de aard van de door A. G. Ltd verstrekte prestaties, houdt het proces-verbaal vol dat bij toepassing van de artikelen 2, 4 en 50 BTW-wetboek deze vennootschap A. G. Ltd in België als BTW-belastingplichtige geregistreerd had moeten worden en als een Belgische BTW-belastingplichtige beschouwd moet worden.
ln het proces-verbaal wordt, samen gevat, gesteld dat geïntimeerde consultancydiensten verricht en dat werd vastgesteld dat de zetel van geïntimeerde in België gelegen is. Daarbij worden gegevens aangehaald die de BBl-administratie bij het plaatsbezoek op 2 april 2008 aantrof op de computerserver op het adres in … van de N.V. A. I., hierboven genoemd, zijnde gegevens uit consultancycontracten gesloten door geïntimeerde en klanten en gegevens die er volgens de BBI op wijzen dat bankrekeningen van geïntimeerde vanuit … worden beheerd. Dat zou volgens het proces-verbaal ook gelden voor de plaats waar de boekhoudlng van geïntimeerde bijgehouden wordt. De BBI concludeert daarult dat de administratieve zetel van geïntimeerde in de zin van artikel 1 KB BTW nr. 10 van 10 december 1992 in België gelegen is en dat zij voor de geviseerde verrichtingen een Belgische BTW-plichtige is. De BBI roept daarbij in dat proces-verbaal nog andere gegevens in, aangetroffen op de computerserver, waaronder de inhoud van emails. Aldus somt het proces-verbaal van 8 december 2008 volgens de Belgische Staat door A. G. Ltd begane overtredingen tegen de bepalingen van het WBTW op.
Op grond van die gedetallieerd in het proces-verbaal weergegeven gegevens houdt de Belgische Staat in het proces-verbaal vol dat de volgende bedragen verschuldigd zijn door geïntimeerde :
-als BTW: € …;
-als boete (art. 70 § 1 en § 1bis WBTW wegens de ontduiking of niet tijdige betaling van de belasting, tweemaal het bedrag van de ontdoken of niet tijdige betaling van de belastlng en/of ten onrechte afgetrokken BTW) : € … terwijl een vermindering van de proportionele fiscale geldboeten bij toepasslng van artikel 1, laatste lid K.B. BTW nr. 41 van 30 januari 1987 niet mogelijk is;
-als boete (artikel 70 § 4 WBTW en KB BTW nr. 44 eerste afdeling I, 1 a) :€ …, (K.B. BTW nr. 44 eerste afdeling III : boete per onregelmatige periodieke BTW-aangifte) € … en; (K.B. BTW nr 44 eerste afdeling VII 1, jaarlijkse opgave indieners belastingplichtigen) :€ …;
-de intresten bedoeld in artikel 91 § 1 WBTW berekend aan 0,8 % per maand vanaf 21 april 2009, berekend over een grondslag van € ….
Lastens geïntimeerde werd op 11 december 2008 op grond van het voornoemde proces-verbaal een dwangbevel uitgevaardigd door waarnemend eerstaanwezend inspecteur M. bij het BTW-ontvangkantoor Leuven, geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de waamemend gewestelijk directeur te Mechelen G. M..
ln het dwangbevel worden de volgende bedragen gevorderd van geïntimeerde :
-als BTW : € …;
-als geldboete krachtens artikel 70 § 1 WBTW : € …;
-als geldboete krachtens artikel 70 § 4 WBTW (samen gevoegd bedrag) : € …
Een vordering in verzet tegen dit dwangbevel werd volgens de uiteenzetting van geïntimeerde ingeleid voor de rechtbank van eerste aanleg te Leuven (onder AR nr. …).
Een verjaringsstuitend bevel met in bijlage het dwangbevel, uitgevaardigd op 27 april 2009, dat het dwangbevel van 11 december 2008 vervangt, met daarin dezelfde gevorderde bedragen alsook intresten, moratoire intresten en inningsrechten werd aan geïntimeerde op 19 maart 2010 betekend bij deurwaardersexploot. Een vertaling in het Engels werd toegevoegd.
Op 4 mei 2010 werd door de BBl-administratie blijkbaar nog eens een proces-verbaal op gesteld van het verloop van het plaatsbezoek op 2 aprll 2008, dit op een ogenblik dat de hier boven genoemde betwisting al voor de rechtbank van eerste aanleg te Leuven aanhangig was gemaakt. Daarin wordt een verhaal gedaan over gebeurtenissen bij het plaatsbezoek ruim 2 jaar eerder, te weten op 2 april 2008.
Ondertussen werd het reeds tegen het eerste dwangbevel ingeleide (eerste) verzet zonder voorwerp verklaard bij vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Leuven van 7 januari 2011.
Middels het al genoemde verzoekschrift, neergelegd ter griffie van de eerste rechter op 14 jull 2010, tekende geïntimeerde weer verzet aan doch nu tegen dit nieuwe dwangbevel van 27 april 2009.
Het hier bestreden vonnis verklaarde de vorderingen van geïntimeerde tegen dit dwangbevel en het voormelde proces-verbaal inzake BTW ontvankelljk en gegrond.
Het hoger beroep is gericht tegen dit vonnis.
ln rechte
Standpunt van appellant op hoofdberoep
Appellant voert de volgende middelen aan ter ondersteuning van zijn vordering :
-de onvoldoende motivering van het eerste vonnis;
-de gegevens verkregen bij de plaatsbezoeken in … zijn rechtmatig verkregen en dit zowel voor papieren stukken als voor zoekingen in informaticagegevens, hetgeen, wat de regelmatigheid betreft, al bevestigd is door een arrest van het Hof van Beroep te Gent van 25 juni 2013, beslissing die in kracht van gewijsde is gegaan;
-de administratie beschikt immers over een actief zoekrecht bij plaatsbezoeken, gegrond op hetgeen bepaald in artikel 60 en 61 WBTW en ook artikel 63 WBTW;
-artikel 6 EVRM zoals ingeroepen door geïntimeerde is in het huidig geding niet van toepassing daar deze zaak geen strafvervolging behelst;
-indien de gegevens echter onrechtmatig zouden zijn verkregen, zijn zij nog steeds geldig bruikbaar gelet op de toepassing van de Antigoon-leer;
-ten gronde houdt hij vol dat de plaats van vestiging van geïntimeerde inzake BTW in België gelegen is in de zin van artikel 21 WBTW (plaats van de dienst : België) en dat dit om frauduleuze redenen door geïntimeerde niet is meegedeeld aan de BTW-administratie en dat geïntimeerde dus ook niet juist factureerde en ten onrechte geen Belgische BTW aanrekende; de gevorderde bedragen zijn aldus terecht gevorderd;
-de boetes zijn terecht opgelegd;
-geen schending van de rechten van verdediging doet zich voor.
Standpunt van geïntimeerde op hoofdgeroep
Geïntimeerde voert het volgende aan ter ondersteunlng van haar vordering :
-zij is een andere rechtspersoon, te onderscheiden van die van de N.V. A. I.;
-zij was op 2 april 2008 niet de geviseerde belastingplichtige bij de onderzoeken bij die N.V. A. I. (schending artikel 61 § 1, lid 3 en 63 WBTW);
-een onderzoek is in … bij die N.V. ten aanzien van "derden" gebeurd met het nemen van toegang tot computerbestanden via een buitenlandse server;
-er is dus onrechtmatig informatie gegaard;
-dat geldt ook voor informatle gegaard bij een niet gemandateerde van geïntimeerde (meer bepaald bij bediende H.);
-het proces-verbaal inzake BTW van 4 mei 2010 is laattijdig opgesteld en meegedeeld aan geïntimeerde;
-het is maar beperkt bewijskrachtig en bewijst de in hoofde van geïntimeerde weerhouden inbreuken niet;
-de zogenaamde Antigoondoctrine is niet van toepassing in onderhavige situatie;
-een inbreuk op de privacy als beschermd in artikel 8 EVRM is gepleegd;
-ten gronde is niet bewezen dat de plaats van de geviseerde dienstverrichtingen inzake BTW waarvan sprake in het proces-verbaal van 8 december 2008, in België gelegen is;
-de draagwijdte van het voormeld arrest van het Hof van Beroep te Gent wordt verkeerd uitgelegd door appellant.
Beoordeling
Al dan niet rechtmatigheid van de betwisting door de Belgische Staat te … op 2 april 2008
a.Al dan niet rechtmatigheid van de medewerking van de administratieve bediende H. van de N.V. A. I. met de controlewerkzaamheden op 2 april 2008
De Belgische Staat voert aan dat alle informatie en bewijzen die hij ingezameld heeft te Hoeilaart op 2 april 2008 bij zijn plaatsbezoek bij de N.V. A. I., regelmatig zijn bekomen en dat hij deze kan aanwenden tot bewijs van een volgens hem door geïntimeerde verschuldigd bedrag aan BTW (en boeten en bijbehoren).
Geïntimeerde voert het tegendeel aan en stelt dat de bewijsverzameling te Hoeilaart op 2 april 2008 volkomen onregelmatig en dus onrechtmatig is geschied.
Geïntimeerde voert aan dat bij het plaatsbezoek op 2 april 2008 bij N.V. A. I. artikel 61 § 1 WBTW is geschonden door de BBI-ambtenaren, in het bijzonder het derde lid van deze bepaling, dat luidt als volgt :
"... Wanneer de boeken, facturen en andere stukken in een electronisch formaat worden bewaard, heeft deze administratie het recht zich de op informatiedragers geplaatste gegevens in een leesbare en verstaanbare vorm te doen voorleggen. Deze administratie kan eveneens de in het eerste lid bedoelde persoon verzoeken om in hun bijzijn en op hun uitrusting kopieën te maken onder de door hen gewenste vorm van het geheel of een deel van de voormelde gegevens, evenals om de informaticabewerkingen te verrichten die nodig worden geacht om de juiste heffing van de belasting na te gaan …”
Deze bepaling houdt het volgende in, indien de boekhouding, facturen en andere stukken elektronisch bewaard worden :
-de verplichtingen erin opgesomd zijn opgelegd aan "eenieder"' die stukken moet bewaren als bedoeld artikel 60 WBTW (cfr. aanhef art. 61 WBTW), wat inhoudt dat de in artikel 61 § 1, lid 3 WBTW bedoelde verplichtlngen zijn opgelegd aan de belastingplichtige;
-deze belastingplichtige moet, wanneer hij geconfronteerd wordt met de aanwezigheid van ambtenaren die, zoals bedoeld in artikel 61 § 1 WBTW op de plaats waar die bewaarplicht moet worden nageleefd, zonder verplaatsing, de in artikel 61 § 1 lid 1 en lid 3 bedoelde WBTW boeken, facturen en andere stukken, voorgelegd willen krijgen om de juiste heffing van de BTW in zijnen hoofde of die van derden na te gaan, en wanneer die boeken, facturen en andere stukken in een elektronisch formaat worden bewaard als gegevens, die gegevens in een leesbare en verstaanbare vorm voorleggen wanneer die ambtenaren daarom verzoeken;
-deze belastingplichtige kan bij die laatste omstandigheid het verzoek krijgen om (a) in het bijzijn van de ambtenaren en op zijn uitrusting kopieën te maken in de door de ambtenaren gewenste vorm van het geheel of een deel van die gegevens, en (b) de informaticabewerkingen te verrichten die nodig worden geacht door die ambtenaren om de juiste heffing van de belastlng na te gaan.
ln deze zaak was de belastingplichtige die de onderzoeksmaatregel op 2 april 2008
onderging, de N.V. A. I..
Onterecht voert geïntimeerde aan dat het eigenlijk onderzoek bij N.V. A. I. in zijn geheel onregelmatig was omdat het ook gericht was op een derde, meer bepaald, zoals achteraf blijkt, geïntimeerde. lmmers staat artikel 61 § 1 WBTW een boekenonderzoek zoals erin bedoeld uitdrukkelijk toe bij een belastingplichtige, ook om de juiste heffing inzake BTW in hoofde van derden na te gaan.
De vraag wordt gesteld of die N.V. A. I., als belastingplichtige, op regelmatlge wijze is overgegaan tot het verstrekken van de gegevens op informatledragers en tot het maken van kopieën van gegevens op informatiedragers zoals bedoeld in artikel 61 § 1 lid 3 WBTW, of, anders gezegd, of de fiscale administratie die digitale kopieën op regelmatige en wettige wijze heeft verkregen.
ln concreto voert geïntimeerde aan dat geen bestuurder aanwezig was die geïntimeerde als vennootschap kon verbinden, maar enkel een aangestelde, die de vennootschap die geïntimeerde is, niet kon verbinden en dat bij het maken van die kopieën van gegevens op informatiedragers zoals bedoeld in artikel 61 § 1 lid 3 WBTW, dit gebeurd is zonder het verzoek te richten daartoe aan de belastingplichtige in de BTW, te weten de N.V. A. I.
Appellant brengt daartegen in dat over de rechtmatigheid van die gegevensinzameling (de kopiename van de informaticagegevens) al een in kracht van gewijsde gegane beslissing bestaat die zich opdringt aan dit hof en dat daarover geen verder onderzoek inzake rechtmatigheid en regelmatigheid kan worden gedaan.
lnderdaad blijkt dat het hof van beroep te Gent in een arrest van 25 juni 2013 uitspraak heeft gedaan over een vergelijkbare rechtszaak, doch ook dat dit arrest gewezen werd tussen appellant in zijn hoedanigheid van administratie belast met het onderzoek van een geschil inzake de personenbelasting, en dus niet de BTW, en een belastingplichtige in de inkomstenbelasting, meer bepaald de personenbelasting. Dit arrest heeft geen gezag van gewijsde voor huidige zaak, die twee andere partijen betreft, en de toepassing van een andere belasting (de BTW). ln deze zaak moet dus opnieuw onderzocht worden of appellant op een rechtmatige wijze aan bewijsverzameling in de zin van artikel 61 § 1 lid WBTW heeft gedaan bij het plaatsbezoek bij een BTW-belastingplichtige, de N.V. A. I., waarbij geïntimeerde als een "derde" beschouwd moet worden.
Geïntimeeerde werpt dus op dat niet is aangetoond dat de N.V. A. I. toestemming gaf voor de digitale kopiename, omdat geen stuk voorligt dat aantoont dat één van haar organen die haar vennootschapsrechtelijk kon verbinden, toestemming gaf tot die kopiename.
Meer bepaald legt zij uit dat zij vernam dat een bestuurder van die N.V., genaamd A., golf aan het spelen was, dat de golfetiquette vereist dat dan mobiele telefoons uit gezet worden, dat dat bevestigd wordt door meerdere deelnemers aan datzelfde golfspel en dat ook voorgelegde telefoniegegevens aantonen dat bij de aanvang van het plaatsbezoek en op het ogenblik waarop die kopiename gestart werd, de bediende aanwezig in de bedrijfszetel van de N.V. A. I. waar de bewuste informatiedrager van waaraf gekopieerd werd stond, nooit die golf spelende bestuurder (de heer A.) heeft bereikt.
Onterecht voert geïntimeerde aan dat de inhoud van artikel 60 en 61 WBTW en de daarin voorzien voorleggingsplichten van stukken en gegevens, waaronder digitaal bewaarde, inhouden dat de BTW-plichtige, als belastingplichtige, maar geldig over kan gaan tot het voldoen van die voorleggingsplicht en het ingaan op het verzoek tot digitale kopiename bedoeld in artlkel 61 § 1 lid 3 WBTW, mits de organen bevoegd tot het vennootschapsrechtelijk en verbintenisrechtelijk verbinden van de vennootschap die de bewuste BTW-plichtige blijkt te zijn, daartoe worden aangezocht, die stukken voorleggen en de kopiëen maken.
De verplichtingen voorgeschreven in artikel 60 en 61 WBTW strekken ertoe controleverrichtingen inzake BTW op een werkbare wijze te doen verlopen. Zij behelzen enkel controlemaatregelen en onderzoeken bij de BTW-plichtige, en leiden op zich nlet tot enige wijziging van haar rechtstoestand inzake belastingen, meer bepaald BTW, waarover de organen van de BTW-plichtige -indien zij een vennootschap met rechtspersoonlijkheid is - hun toestemming zouden moeten geven opdat de vennootschap geldig in rechte verbonden zou zijn.
Artikel 60 en 61 WBTW vereisen wel dat de BTW-plichtige zo georganiseerd is dat hij aan de daarin opgenomen verplichtingen inzake voorlegging van boeken en geschriften en boekhoudstukken en digitale kopiename kan voldoen en dit op zo'n wijze dat de medewerking van de BTW-plichtige aan de daarin bedoelde controleverrichtingen afgeleid kan worden uit andere wijzen van instemming met het voldoen aan de daarin opgenomen voorleggings- en kopienameplicht dan enkel mits de tussenkomst van een orgaan van de vennootschap met rechtspersoonlijkheid, bevoegd om die vennootschap in rechte te verbinden.
Artikel 60 en 61 WBTW kunnen voor een inzake BTW gecontroleerde vennootschap met rechtspersoonlijkheid immers niet zo worden uitgelegd dat de daarin bedoelde controleverrichtingen inzake WBTW in een plaats waar boekhoudkundige stukken worden bewaard van een vennootschap maar kunnen plaatsgrijpen indien de fiscale administratie vooraf de statuten van de vennootschap heeft geraadpleegd en heeft nagegaan wie allemaal aanwezig moet zijn omdat de vennootschap in rechte geldig vertegenwoordigd zou zijn. Door de medewerking met de controleverrichtingen verbindt de vennootschap met rechtspersoonlijkheld zich op zich immers niet en neemt zij geen verbintenis op zich. Zij voert dan ook geen geding in rechte.
ln het thans voorliggende geval blijkt uit het proces-verbaal van 2 april 2008 dat de aanwezige bediende van de vennootschap N.V. A. I. Mevr. H. aangezocht is door de fiscale ambtenaren tot het voldoen door haar van de verplichtingen van de N.V. A. I. lnzake BTW-controle van boeken, stukken en gegevens en van digitale kopiename van gegevens als bedoeld in artlkel 61 § 1 lid 3 WBTW.
Er blijkt niet dat zij heeft aangegeven niet gemandateerd te zijn geweest om ten behoeve van de N.V. A. I. te voldoen aan de daarin bedoelde voorleggingsplicht van boeken, stukken en gegevens en het blijkt dat zij mee gewerkt heeft met het nemen van een kopie van digitale gegevens.
ln weerwil van hetgeen aangevoerd door geïntimeerde, vereisen noch artikel 60, noch artlkel 61 WBTW, die medewerkingsplichten opleggen aan een BTW-plichtige, dat een vennootschap met rechtspersoonlijkheid die BTW-plichtige is, maar rechtsgeldig kan voldoen aan de voorleggingsplichten en medewerkingsplichten inzake kopiename van digitale gegevens erin opgenomen, indien een schriftelijke lastgeving wordt gegeven aan een individueel bepaald natuurlljk persoon om zulks te doen, of indien een bestuurder daarvoor wordt gemandateerd of indien de voltallige raad van bestuur (in een N.V.) aanwezig is bij de aanvang van die onderzoeksverrichtingen. Artikel 60 en 61 WBTW bepalen zulks geenszins.
Uit het proces-verbaal van 2 april 2008 (stuk 28 map 1 van de Belgische Staat) blijkt :
-dat een onaangekondigde BTW-controle plaats had en aanving bij N.V. A. I., op de vestiging in Hoeilaart;
-dat een Mevr. M. H., die administratief werk deed voor deze N.V., onder meer de BBl-ambtenaren binnen liet, dat zij stelde Nederlands te wlllen spreken, dat zij een beknopte uiteenzetting gaf over de algemene werkwijze van de firma;
-dat informaticadata werden aangetroffen op de computer van Mevr. H.;
-dat "De data door Mevr. H. gekopieerd" werden "op ons materiaal (externe usb harde schijf) ...'' waarbij "ons" slaat op de verbaliserende ambtenaren;
-dat Mevr. H. dat proces-verbaal mee ondertekend heeft.
Uit die gegevens blijkt dat Mevr. H., administratief personeelslid van de N.V. A. I., op dat ogenblik de noodzakelijke hulp heeft geboden, in uitvoering van artikel 60 en 61 WBTW, opdat de BTW-belastingplichtige N.V. A. I. aan de in die wetsbepalingen haar opgelegde medewerkingsplichten zou voldoen.
Het proces-verbaal maakt geen melding van
-een weigering van dat personeelslid omdat het er niet voor gemandateerd zou zijn;
-een weigering van haar medewerking omdat het zou gaan om handelingen waarvoor zij arbeidsrechtelijk geen toelating had ze te stellen.
Zo wordt niet aangetoond dat enig arbeidsreglement Mevr. H. zou hebben verboden die medewerking te verlenen.
Met reden voert geïntimeerde aan dat het later, op 4 mei 2010 opgestelde proces-verbaal over het verloop van dat bezoek en de handellngen van Mevr. H., laattijdig opgesteld is, zodat het zonder de rechten van verdediging van geïntimeerde te schenden, niet in aanmerking genomen kan worden, om boven de in het proces-verbaal van 2 april 2008 genoteerde gegevens, meer details aan te brengen over het verloop van de controleverrichtingen op 2 april 2008. Te dien komt het overbodig voor de overige argumenten van geïntimeerde nopens de volgende argumenten, wat dit proces-verbaal van 4 mei 2010 betreft, nog verder te beantwoorden :
-de voorgehouden schending van de rechten van verdediging erdoor;
-de voorgehouden schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur erdoor;
-de voorgehouden schending van artikel 6 EVRM erdoor;
-de nietigheld van het proces-verbaal;
-de niet medebetekening met het thans bestreden dwangbevel;
-de bewijswaarde van dit proces-verbaal van 4 mei 2010.
ln zoverre geïntimeerde zich op dit uit de beoordeling geweerde proces-verbaal van 4 mei 2010 beroept ter ondersteuning van haar vordering en ter hare verdediging, meer bepaald nopens het gegeven dat er getelefoneerd zou zijn bij de aanvang van de onderzoeksverrichtingen, moet worden opgemerkt dat dan nog de inhoud van het gesprek niet vaststaat -wat geïntimeerde ook opmerkt- en dat feit van een gesprek op zich geen tegenbewijs levert tegen de inhoud van het proces-verbaal van 2 april 2008.
Verder is het proces-verbaal van 2 april 2008 duidelijk nopens het gegeven dat door tussenkomst van dit personeelslid H.. De N.V. A. I. aan haar medewerkingsplichten inzake BTW heeft voldaan op die datum, en blijkt het bovendien mede ondertekend blijkt te zijn door dit personeelslid H..
Overigens toont geïntimeerde niet aan of en waarom één bestuurder in die N.V. A. I. (de heer A.), alleen handelend, die N.V. wél vennootschapsrechtelijk kon verbinden. Zij verduidelijkt dienaangaande de statutaire mogelijkheden van vertegenwoordiging van die N.V. niet.
Zij bewijst tegen de inhoud van het proces-verbaal van 2 april 2009 in, niet het tegendeel van hetgeen aan vaststellingen opgenomen in dat proces-verbaal, namelijk, dat Mevrouw H. nlet meegewerkt zou hebben en niet de de digitale data gekopieerd zou hebben.
Voor het proces-verbaal van 2 april 2008 (en overigens ook niet voor dat van 4 mei 2010) heeft geïntimeerde geen klacht wegens valsheid van de vermeldingen gedaan, zelfs nu zij aanvoert (op blz. 9 van haar besluiten neergelegd voor het hof op 18 augustus 2014), dat deze Mevr. H. niet zelf de digitale kopiename zou hebben gedaan.
Uit geen voorliggend bewijsstuk blijkt :
-dat Mevr. H. niet zelf de digitale kopiename zou hebben gedaan, neergeschreven in het proces-verbaal van 2 april 2008;
-dat Mevr. H., administratief bediende -die blijkbaar een uitleg gaf over de werkwijze van de bedrijfsactiviteiten van de N.V. A. I. bij het bewuste plaatsbezoek- niet de bevoegdheid had zo'n kopiename te doen.
Aangezlen artlkel 61 § 1 WBTW toelaat dat bij de naleving van de daarin bedoelde voorleggingsplicht van boeken, facturen e.a., door een BTW-plichtige (ingevolge artikel 61 § 1 lid 3 WBTW, ook indien die voorleggingsplicht geschiedt middels een voorlegging op een digitale drager), de juiste heffing van de belasting in hoofde van derden na te gaan, moet vastgesteld worden dat de stelling van geïntimeerde dat Mevr. H. in het naleven van de voorleggingsplicht ten behoeve van N.V. A. I., geen stukken kon voorleggen of, in beginsel, digitaal kopiëren, die op geïntimeerde slaan -een derde ten aanzien van de N.V. A. I.·, geen steun vindt in deze wetsbepaling, die, integendeel, het omgekeerde zegt.
Tot slot merkt het hof op dat geen gegeven voorligt dat het hof toelaat aan te nemen dat het voor de N.V. A. I. onmogelijk zou zijn geweest, zelfs nu de BTW-controle onaangekondigd verliep,
-zich zo te organiseren dat een bestuurder of een orgaan van de vennootschap, bv. de Heer A. waarover geïntimeerde spreekt, van bij de aanvang van de gewraakte onderzoeksverrichtingen, of kort na de aanvang daarvan, aanwezig zou zijn geweest, of
-dat het haar onmogelijk zou zijn gemaakt haar interne procedure bij een dergelijke onaangekondigde BTW-controle gericht op het zich verdedigen en tegenspraak geven bij de onderzoeksverrichtingen, na te leven en uit te oefenen.
Geïntimeerde, die een derde is ten aanzien van de N.V. A. I., legt zelf uit dat deze natuurlijke persoon A. volgens haar zeggen wel bevoegd om bij de controleverrichtingen aanwezig te zijn en die de N.V. A. I., steeds volgens de uitleg gegeven door geïntimeerde, wel graag aanwezig had gezien, golf aan het spelen was (volgens stukken van geïntimeerde in Sint-Martens-Latem) en wegens de etiquette in het golfspel dan niet gestoord te worden door belgerinkel -ook tijdens de ogenblikken waarop de onderneming N.V. A. I. haar bedrijfsactiviteit aan het uitoefenen was- zijn mobiele telefoon uit had staan.
Niets in de bewuste wetsbepalingen laat toe aan te nemen dat de uitoefening van de onderzoeks-en controlebevoegdheden van artikel 60 en 61 WBTW bij een onaangekondigde BTW-controle voor uren, en dus onredelijk lang, uitgeschakeld of geschorst zou moeten worden -hetgeen overigens de daarin bedoelde onderzoeksverrichtingen onwerkzaam zou kunnen maken-, of dat controlerende ambtenaren alsdan de controleverrichtingen zouden moeten "bevriezen” tot de natuurlijke persoon die volgens zeggen van geïntimeerde wel bevoegd voor het bijwonen van de controleverrichtingen (terwijl hoger werd aangenomen dat uit de feitelijke omstandigheden in deze zaak blijkt dat Mevr. H. daartoe ten behoeve van de N.V. A. I. rechtsgeldig blijkt te zijn opgetreden), bereikt kan worden en ter plaatse komt.
Daarblj moet in acht genomen worden dat artikel 60 en 61 WBTW geen uitoefening van fysieke dwangmaatregelen toelaat aan de controlerende fiscale ambtenaren tijdens de controleverrichtingen, maar gebaseerd is op een uitoefening van de daarin omschreven controlemaatregelen met medewerking van de belastlngplichtige, die daartoe volgens die wetsbepalingen gehouden is.
ln casu blijkt aan die medewerkingsplicht voldaan te zijn, en blijkt de N.V. A. I. niet geweigerd te hebben mee te werken met de voorleggingsplicht en digitale kopienameplicht omschreven in artlkel 60 en 61 WBTW.
Er kan dus geen onrechtmatigheid en geen schending van artlkel 60 en 61 WBTW (en ook niet van enige andere WBTW-bepaling) afgeleid worden uit het concreet verloop van de controleverrichtingen op 2 april 2008 en uit de digitale kopiename zelf, bedoeld in huidige zaak, bij die N.V. A. I. op grond van het aangevoerde feit dat Mevr. H. ten behoeve van die vennootschap daaraan in de zin van die wetsbepalingen mee gewerkt heeft.
b)Al dan niet rechtmatigheid van de eigenlijke digitale bewijsgaring op 2 april 2008 bij N.V. A. I.
Geïntimeerde voert aan dat de digitale bewijsgaring middels digitale kopiename op 2 april 2008:
-doelgebonden en vennootschapsgebonden was, met name beperkt tot de N.V. A. I.;
-door die beperking de kopiename niet kon uitgebreid worden tot afzonderlijke entiteiten en a fortiori niet tot entiteiten gevestigd in lerland of het Verenigd Koninkrijk;
-de computerserver waarop gegevens zich bevonden, en ook gekopieerde gegevens zich bevonden, en waartoe N.V. A. I. toegang had, zich in het buitenland bevond;
-de gekopieerde gegevens voor de buitenlandse vennootschap die geïntimeerde is, dus niet aangewend kunnen worden tot het heffen van BTW op geïntimeerde.
Geïntimeerde stelt dat :
"ln zoverre is er geen enkel bezwaar indien de data, welke worden bewaard op de harde schijf, toebehorend aan de N. V. A. I., zou worden gekopieerd en bij uitbreiding wat er wordt bewaard op de server, voor zover deze data toebehoren en eigen gemaakt zijn door de N.V. A. I. en voor zover aan de andere wettelijkke voorwaarden is voldaan.”
Zij stelt dat gegevens op de harde schijf en server (in beginsel) gekopieerd konden worden, doch enkel in zoverre zij toebehoorden aan de N.V. A. I..
Zoals reeds hoger aangehaald, staan de bepalingen van artikel 60 en 61 WBTW toe dat de daarin omschreven onderzoeksverrichtingen uitgevoerd worden bij de onmiddellijk geviseerde BTW-plichtige, maar ook bij hem voor het gebruik van de verkregen gegevens tegen derden, BTW-belastingplichtigen, en dit ongeacht of zij hun maatschappelijke zetel in Belglë of in het buitenland hebben. Het feit dat gegevens over geïntimeerde aangetroffen en ingezameld werden bij het onderzoek inzake BTW bij N.V. A. I., maakt die bewijsgaring ten opzichte van geïntimeerde geenszins onrechtmatig. Zij blijkt niet in strijd met de voorwaarde van doelgebondenheid en vennootschapsgebondenheid te zijn gedaan, terwijl die vennootschapsgebondenheid niet weg neemt dat alsdan ook gegevens van derden BTW-plichtigen aangetroffen en ingezameld kunnen worden.
Geïntimeerde neemt aanstoot aan het feit dat gegevens volgens haar zeggen op een server buiten België waartoe de N.V. A. I. toegang had, in de digitale kopiename mee opgenomen werden.
Welnu, artikel 61 § 1 WBTW laat de fiscale administratie toe te vragen om kopiename van de daarin bedoelde gegevens op informatiedragers, doch houdt geen verbod in van inzameling van die gegevens door kopiename indien blijkt dat de in België aangetroffen informaticadrager gegevens toont aan de aanwezige ambtenaren die elders, buiten België of overzees, ook op een informaticadrager zijn opgeslagen. ln zoverre aangetoond is dat de bewuste gegevens op het Belglsch territorium bij de in artikel 61 WBTW bedoelde onderzoeksdaad ter plaatse waar de gegevens bedoeld in artikel 61 § 1 lid 3 WBTW op schermen getoond worden, zichtbaar worden én dat het gaat om de in die wetsbepaling bedoelde gegevens, sluit artikel 61 WBTW niet uit dat dan overgegaan wordt tot het verzoeken om een digitale kopiename van die stukken en gegevens, en dit ook indien de informatiedragers bedoeld in artikel 61 WBTW zelf op zich geen eigendom zijn van de onderzochte BTW-plichtige.
Verder is, in weerwil van hetgeen aangevoerd door geïntimeerde, niet aangetoond dat bij het plaatsbezoek op 2 april 2008 aan de N.V. A. I. bewust alleen gezocht zou zijn naar gegevens die geïntimeerde betreffen.
Geïntimeerde neemt ook aanstoot aan het gegeven dat de fiscale administratle zijn vraag om kopiename van gegevens niet beperkt heeft tot de N.V. A. I. haar gegevens en niet in haar eigen boekhouding en digitaal bewaarde boekhoudkundige stukken alleen heeft gezocht en doen zoeken, maar eenvoudigweg een digitale kopiename gevraagd heeft van alle stukken, en dus ook boekhoudkundige stukken van geïntimeerde digitaal gekopieerd heeft. Anders gezegd, verwijt zij de fiscale administratie de aangetroffen gegevens met het oog op de gevraagde digitale kopiename, niet vooraf te hebben geselecteerd en getrieerd.
Evenwel blijkt dat de fiscale administratie een kopie gevraagd heeft van een welbepaalde schijf op de aanwezige computer waar gegevens blijkbaar te vinden waren bedoeld in artikel 61 § 1 lid 3 WBTW en dat bij de daarvoor noodzakelijke verrichtingen, die initieel gericht waren op N.V. A. I., ook gegevens van geïntimeerde bleken te zijn opgeslagen, maar dat op zich geen onderscheid gemaakt werd terzake van de bewaring in de digitale gegevens tussen de gegevens van die N.V. en van geïntimeerde in het computermateriaal van de N.V. A. I..
Zo zou in de benaming van de bestanden meermaals sprake zijn geweest van “A." maar zou niet direct zichtbaar zijn geweest of het om de N.V. A. I. of om geïntimeerde ging. ln die omstandigheden bepaalt artikel 61 WBTW geen verbod tot het doen nemen van een digitale kopie van de aanwezige omstandigheden, uiteraard, met het oog op later onderzoek. Zoniet zou artikel 61 WBTW geen kopiename toelaten en eisen dat fiscale ambtenaren voor lange tijd het informaticamateriaal van de ondememing en/of de in die onderneming op computermateriaal zichtbare gegevens bedoeld in artikel 61 WBTW, evenmin ter plaatse zouden onderzoeken. Precies wegens het tijdrovend karakter van dat onderzoek, heeft de wetgever blijkbaar toegelaten dat de fiscale administratie om kopiename van de gegevens kan verzoeken. lmmers zou het onmiddellijk onderzoek en de selectie van gegevens ter plaatse de onderneming die de N.V. A. I. vormde, lang hebben kunnen blokkeren, wat gezien de mogelijkheid van kopiename, blijkbaar niet de bedoeling van de wetgever was.
Verder haalt geïntimeerde zelf aan dat op de volgens haar in het buitenland gelegen server, zowel gegevens van N.V. A. I. als van geïntimeerde voorkwamen.
Uit stuk 20 van de Belgische Staat blijkt dat voor de bestanden die zich bevonden op de plaats op de aangetroffen informaticadrager met de naam "E" zich een ganse reeks bestanden bevond, waarvan de betiteling niet toeliet af te leiden dat het ging om gegevens van nog andere vennootschappen dan N.V. A. I.. Met reden haalt de Belgische Staat aan dat onder die betiteling begrippen met het onderdeel van de benaming "A.” voorkomen. Het is duidelijk aannemelijk dat alsdan bij dat initieel onderzoek door de fiscale administratie niet kan worden uitgemaakt op zicht daarvan dat bepaalde gegevens niet N.V. A. I. zouden betreffen. Er was dus duidelijk sprake van een "gemengde bewaring" van digitale gegevens van meerdere vennootschappen.
Wat de "buitenlandse server" zelf betreft, wordt nog gewezen op de eigen stelling van geïntimeerde dat die server zowel gegevens van N.V. A. I. als van geïntimeerde bevatte. Wanneer op één server gegevens bedoeld in artikel 61 WBTW opgenomen zijn die verschillende BTW-plichtigen bevatten, kan aan de fiscale administratie niet worden verweten geen onmiddellijke lezing te hebben gedaan, ter plaatse en stuk per stuk van alle aanwezige gegevens, om ter plaatse nog na te gaan van welke gegevens zij dan de kopiename gaat vragen.
Daar de aangetroffen digitale gegevens blijkbaar niet duidelijk gescheiden, vennootschap per vennootschap, bewaard werden, aanwezige informatiedragers als bedoeld in artikel 61 § 1 lid 3 WBTW dus gedeeld werden tussen verschillende vennootschappen, waaronder ook geïntimeerde, en dus sprake blijkt te zijn van afwezigheid van een organisatie van digitale bewaring in computerbestanden in de schoot van NV A. I. op zo'n wijze dat bij het ondernemen van een digitale kopiename, binnen een redelijke tijdspanne, tijdens uitvoering van de eigenlijke onderzoeksverrichting betreffende de vraag tot kopiename en het bevestigend antwoord daarop, een onderscheid gemaakt kon worden tussen documenten en gegevens toebehorend aan, enerzijds, de N.V. A. I. en, anderzijds, andere vennootschappen, derden, en dus sprake was van een "gemengde" bewaring van digitaal bewaarde boekhoudgegevens en gegevens van belang voor het onderzoek van de BTW-toestand van N.V. A. I. en van derden BTW-plichtigen, kan thans niet voorgehouden worden dat het recht op privacy van ook maar één van deze vennootschappen zoals gewaarborgd in artikel 8 EVRM geschonden werd door de digitale kopiename en, evenmin, dat de bewijsgaring disproportioneel zou zijn gebeurd (cfr. EHRM Bernh Larsen Holdlng ea/Noorwegen, 14 maart 2013, ov.132, hudoc.echr.coe.lnt).
Gezien het bestaan van het wettelijk voorschrlft van artikel 61 WBTW had ook het ondergaan van een niet aangekondigde BTW-controle voor N.V. A. I. en het verzoek te krijgen een digitale kopie te geven van digitaal bewaarde gegevens voor deze vennootschap, een wettelijke grondslag en was deze onderzoeksmaatregel voorzienbaar voor haar in de zin van artikel 8 EVRM, zelfs nu zij onaangekondigd was.
Aldus was noch de eigenlijke onderzoeksvraag een digitale kopie van digitaal bewaarde gegevens te krijgen, waarbij ook gegevens van geïntimeerde blijken te zijn afgegeven, gezien de gemengde bewaring van gegevens (zowel van N.V. A. I. als van geïntimeerde) onrechtmatig en evenmin blijkt het recht op privacy van geïntimeerde en van NV A. I. (als gegarandeerd door artlkel 8 EVRM) door het afgeven van die digitale kopie, geschonden. Nu N.V. A. I. zelf aanwezige digitale gegevens "gemengd" bewaarde, in de zin dat haar digitale gegevens in ter plaatse consulteerbare informatiedragers, vermengd waren met die van geïntimeerde, schendt de kopiename het recht op privacy als omschreven in artikel 8 EVRM van geïntimeerde niet (en ook niet dat van N.V. A. I.).
Om die reden laat de voorlegging door geïntimeerde van kopieën van facturen voor informaticadiensten geleverd aan verscheiden onderscheiden vennootschappen, niet toe de vordering van geïntimeerde de bewijsgaring op 2 april 2008 onrechtmatig te verklaren, gegrond te verklaren.
Geen machtsafwending is dus aangetoond bij de onderzoeksverrichtingen ondernomen op 2 april 2008.
De verklarlng van Mevr. H. (stuk 6 van geïntimeerde) van 9 juni 2010 over het verloop van het plaatsbezoek van 2 april 2008 laat niet toe het tegenbewijs aan te nemen van het mee door haar ondertekende proces-verbaal van die dag waarin is vermeld dat zij de data waarom verzocht werd, kopieerde. De verklaring van de heer l. A. van 9 juni 2010 laat evenmin toe het tegenbewijs aan te nemen van het mede door Mevr. H. op 2 april 2008 ondertekende proces-verbaal. Bovendien moet worden vastgesteld dat indien deze persoon deze Mevr. H. bij de N.V. A. I. omwille van een ondernomen golfspel en het uitstaan van zijn GSM, zoals hij in de bewuste verklaring schrijft, niet heeft gehoord bij de aanvang van de onderzoeksverrichtingen op 2 april 2008, hij geen instructies kan hebben gegeven over de handelswijze van Mevr. H. bij de aanvang van die onderzoeksverrichtingen, en dit terwijl hoger werd aangenomen dat de door N.V. A. I. als BTW-plichtige te vervullen medewerkingsplichtigen bij de BTW-controle wel degelijk blijken te zijn nagekomen voor die vennootschap door die dame.
De geschreven verklaringen van de medespelers aan het golfspel van deze Mr. I. A. op die welbewuste ochtend van 2 april 2008, neergeschreven op 18 maart 2011 -d.i. een kleine 3 jaar na de eigenlijke gebeurtenissen- laten niet toe het tegenbewijs aan te nemen tegen de inhoud van het proces-verbaal van 2 april 2008, mede-ondertekend door deze Mevr. H..
Gebeurtenissen bij plaatsbezoeken na 2 april 2008 bij deze derde vennootschap N.V. A. I., die geïntimeerde blljkt aan te halen om interpretaties te geven over in het proces-verbaal van 2 april 2008 beschreven gebeurtenissen -ondermeer op het gebied van bij latere plaatsbezoeken aanwezige bedienden-, zijn niet dienstig om de inhoud van het proces-verbaal van 2 april 2008 tegen te spreken. Het gaat immers om andere plaatsbezoeken, op andere dagen.
Geen machtsafwending bij het plaatsbezoek op 2 april 2008 is bewezen op grond van het feit dat bij het regelmatig bevonden plaatsbezoek en digitale kopiename bij de N.V. A. I., ook gegevens van een derde, geïntimeerde zijn gevonden. Ook de doelgebondenheid van het BTW-onderzoek wordt daardoor niet geschonden. Geen misbruik van onderzoeksbevoegdheden door de fiscale administratie op 2 april 2008 wordt bewezen door geïntimeerde. Geen "zeer uiteenlopende, doch belangrijke inbreuken, zowel op het vennootschapsrecht als op de wetgeving inzake de BTW-controle" op 2 april 2008 zijn bewezen, in weerwil van hetgeen geïntimeerde hierover op blz. 30 van haar op 18 augustus 2014 neergelegde besluiten aanhaalt. Bovendien identificeert zij deze "zeer uiteenlopende doch belangrijke inbreuken" daar niet verder, zodat er ook niet verder in detail kan worden ingegaan.
Indien de Belgische fiscale administratie op het Belgisch territorium op rechtmatige wijze bij een BTW-controle gegevens aantreft van een belastingplichtige met maatschappelijke zetel in het buitenland, zoals hier van geïntimeerde, is deze er niet verder toe gehouden diezelfde inlichtingen bij weze van internationaal gegevensverkeer terug op te vragen bij de buitenlandse fiscale administratie. Aan de·Belgische Staat kan in deze zaak dan ook niet worden verweten dat zij nopens de bewijsgegevens die zij op het Belgisch territorium rechtmatig verwierf, en die betrekking hebben op geïntimeerde, het "dubbel" daarvan niet terug opvroeg bij de lerse fiscale BTW-administratie.
Daar de gegevens thans voorgelegd worden en vooraf blijken te zijn voorgelegd, was geïntimeerde in de gelegenheid deze inhoudelijk te betwisten en dit met volledige kennis van zaken en een ruime voorbereidingstijd daarvoor, zodat de stelling van geïntimeerde dat de "meest fundamentele onderzoeksrechten geschonden" zijn, niet gegrond kan worden verklaard.
Geïntimeerde voert een ganse argumentatie aan in antwoord op het middel van de Belgische Staat dat ook artikel 63 WBTW hem zou toelaten een soort van huiszoeking en bewijsinzameling, ook digitaal, te doen en dat dat op 2 april 2008 zou zijn toegepast. De Belgische Staat stelt inderdaad op blz. 9 van zijn op 9 april 2014 neergelegde besluiten dat hij volgens hem bij een controle ter plaatse alle boeken en stukken zou kunnen controleren, ook digitale, die zich in het beroepslokaal bevinden en dat hij zijn controle niet moet beperken tot de eventueel voorgelegde stukken. Hij verwijst daarbij, zoals ook geïntimeerde, naar het arrest van het Hof van Cassatie van 16 december 2003 (zaak nr. P 031087N).
Echter blijkt uit het proces-verbaal van 2 april 2008 niet dat de ambtenaren van de Belgische Staat inzake de door geïntimeerde gewraakte digitale kopiename over zouden zijn gegaan tot het "in beslag nemen" van die data bij wijze van onderzoeksmaatregel, lijkend op een "huiszoeking", en blijkt niet dat op voorgehouden ruimere onderzoeksbevoegdheden dan het vragen en krijgen van een digitale kopie van gegevens zoals bedoeld in artikel 61 WBTW en het nemen van fysieke toegang tot lokalen waar een bedrijvigheid van N.V. A. I. zoals bedoeld in artlkel 63 WBTW door de fiscale ambtenaren een beroep is gedaan. Aldus komt het overbodig voor de argumenten van partijen nopens de vraag of de Belgische Staat artikel 63 WBTW, heeft geschonden door zelf een digitale kopiename te doen verder te beantwoorden. lmmers blijkt niet dat de Belgische Staat daar bij wijze van het uitvoeren van een door hem voorgehouden "recht op huiszoeking'' toe is over gegaan.
Wat de eigenlijke vordering aan BTW in het dwangbevel betreft : plaats van de dienst in Belglë voor het geheel of een reeks van door geïntimeerde gestelde dienstverrichtingen in het kwestieuze aangiftetijdvak ?
De Belgtsche Staat houdt vol dat geïntimeerde een BTW-plichtige is in de zin van artikel 4 WBTW, die diensten verstrekt bedoeld in artikel 18 WBTW, meer bepaald consultancydiensten.
Voor een ganse reeks dienstverrichtingen bedoeld in artikel 18 WBTW wordt door de Belgische Staat volgehouden in het proces-verbaal inzake BTW van 8 december 2008 dat het gaat om dienstverrichtingen die door geïntimeerde werden verricht. Meer bepaald houdt de Belgische Staat vol dat de plaats van die dienstverrichtingen overeenkomstig artikel 21 § 3, 7, d WBTW (zoals van toepassing in het hier bedoelde aangiftetijdperk inzake BTW) in België gelegen was en dat over de prijs van de dienstverrichtingen Belgische BTW had moeten worden afgedragen aan de Belgische Staat.
Gebaseerd op de gegevens aangetroffen in de gekopieerde informaticagegevens op 2 april 2008 bij de hierboven reeds genoemde N.V. A. I., is de Belgische Staat van mening dat een hele reeks facturen inzake dienstverrichtingen tussen 2003 en 2007, voor een maatstaf van heffing van € …, door geïntimeerde in België verrichte diensten zijn.
De Belgische Staat roept tevens artikel 21, § 5 WBTW in (zoals van toepassing op het aangiftetijdvak hier bedoeld) en stelt dat geïntimeerde, zoals moet blijken uit de gekopieerde informaticagegevens, een zetel van economische activiteit in Belglë heeft, zodat voor de middels die zetel verrichte dienstverrichtingen tussen 2003 en 2007, de plaats van de dienst België is en op de maatstaf van heffing van die dienstverrichtingen, Belgische BTW had moeten zijn afgedragen voor het voornoemde bedrag. De Belgische Staat houdt daarmee impliciet vol dat het door geïntimeerde te leveren tegenbewijs, meer bepaald dat de plaats van die diensten, niet België was, daartegen niet geleverd is.
ln concreto vordert de Belgische Staat de BTW over alle in de informaticadrager op naam van geïntimeerde aangetroffen verkoopgegevens, zijnde het samengeteld bedrag van de prijs voor de dienstverrichtingen door geïntimeerde in de al bedoelde periode aangerekend.
De Belgische Staat somt in het proces-verbaal van 8 december 2008 de volgende stukken op, aangetroffen tussen de gekopieerde digitale gegevens, die volgens hem van het bestaan van een economische zetel van geïntimeerde in Hoeilaart blijk geven, zijnde gegevens die betrekking hebben op :
-relaties van geïntimeerde met klanten en dienstverrichters,
-het beheer van haar bankrekeningen;
-contracten van consultancydiensten gesloten tussen geïntimeerde en consultants en klanten;
-richtlijnen van geïntimeerde aan consultants waarop zij een beroep doet, over de procedure van facturatie, bijhouden van prestaties, uitgaven;
-facturen van geïntimeerde aan klanten met ondermeer een detail van timesheets van consultants waarop geïntimeerde een beroep doet, met ondermeer ook weergave van een adres voor geïntimeerde in Hoeilaart;
-briefwisseling betreffende de uitvoering van contracten gesloten met geïntimeerde waarbij aan de klant gevraagd wordt een correspondentieadres in België te gebruiken;
-een reeks bankverrichtingen van geïntimeerde gedaan van op het Belgisch grondgebied en een synthese van bankverrichtingen van geïntimeerde tussen 1 april 2006 en 31 maart 2007 en 1 april 2007 tot 31 maart 2008;
-blanco papieren bedoeld voor briefwisseling, met ondermeer de vermelding dat voor Europese correspondentie van geïntimeerde, ondermeer het kantoor in Hoeilaart aangeschreven moet worden;
-contacten met zakenpartners van geïntimeerde die voor contactname met geïntimeerde verwijzen naar Mevr. H..
De Belglsche Staat somt in dat proces-verbaal tevens een reeks gegevens op, aangetroffen in de digitale gekopieerde gegevens die er volgens hem op wijzen dat de boekhouding van geïntimeerde in Hoeilaart gehouden werd, zijnde gegevens betreffende :
-verkoopfacturen, creditnota's en o.a. gegevens betreffende kosten en verkopen van geïntimeerde;
-betalingsorders op buitenlandse rekeningen van geïntimeerde.
De Belgische Staat houdt in het proces-verbaal vol dat geïntimeerde bewust zou hebben nagelaten zich te doen registreren als Belgische BTW-plichtige en bewust geen BTW-aangiften deed.
De Belgische Staat haalt nog gegevens aan uit de gekopieerde digitale gegevens waaruit zou blijken dat een deel van de vergoeding van de consultants waarop geïntimeerde een beroep deed, in het kanaaleiland Jersey werd uitbetaald.
Geïntimeerde stelt dat :
-zij niet vanuit Hoeilaart geleid wordt;
-het normaal is dat de N.V. A. I. als vennootschap van de groep ook beschikte over de gegevens betreffende de boekhouding van geïntimeerde, doch dat dat niet nog niet betekent dat haar boekhouding in Hoeilaart gebeurde;
-het gaat om gegevens gevonden op een in het buitenland gelegen server, waardoor niet bewezen wordt dat het gaat om door geïntimeerde vanop het Belgisch grondgebied gestelde handelingen inzake verkopen, facturaties en boekhouding;
-de directle en beheersorganen van geïntimeerde buiten België lagen, en ook buiten België haar algemene vergadering gehouden werd, en zij buiten België haar hogere leiding en algemeen administratief beheer had;
-het verzoek aan zakenpartners om te communiceren met Mevr. H. in België, die bij N.V. A. I. werkt, louter een organisatorische optimalisatie betreft, dat niet duldt op een element van leidinggeving van geïntimeerde op het Belgisch grondgebied;
-N.V. A. I. en geïntimeerde afzonderlijke boekhouders hebben;
-geen boekhoudlng en bankverrichtingen gedaan en beheerd werden voor geïntimeerde vanuit België; immers de natuurlijke persoon, bedrijfsleider A., alleen maar mandaten had voor geïntimeerde met bv. banken, maar dat nog niet betekent dat het beheer van bankverrichtingen van geïntimeerde in België gebeurde;
-het houden van boekhoudstukken van geïntimeerde in Hoeilaart gebeurde wegens de multinationale structuur van de groep waartoe·geïntimeerde behoorde, doch niet zijn oorzaak vond in het houden van boekhouding voor en door geïntimeerde in België.
Geïntimeerde stelt nog dat, zelfs indien het hof tot de vaststelling zou komen dat geïntimeerde krachtens artikel 21 § 2 WBTW de plaats van zijn economische activiteit in het hier besproken aangiftetijdperk in België gelokaliseerd had, nog niet is bewezen dat over alle door de Belgische Staat opgesomde verrichtingen, Belgische BTW van toepassing is, in het bijzonder niet omdat in afwijking van artikel 21 § 2 WBTW, artikel 21 § 3, 7 WBTW als plaats van de dienst voor een hele reeks facturen niet België aanwijst, gelet op de vestigingsplaats van de afnemer van de dienst en de aard van de verstrekte diensten, zijnde zogenaamde IT-consultancy.
De Belgische Staat gaat daarmee op zich akkoord en verzoekt erom voor deze afnemers, de aan hen verrichte diensten niet op te nemen in de maatstaf van heffing.
Hij beperkt zijn vordering als geuit in het thans bestreden dwangbevel tot
-het hanteren van een maatstaf van heffing van € …
-een BTW daarop van € …
-en een geldboete inzake BTW overeenkomstig artikel 70 § 1 WBTW van € ….
Geïntimeerde stelt nog dat de vordering van de BTW-administratie willekeurig is en onwettelijk. Geïntimeerde somt een lijst op van afnemers van dienstverrichtingen met als plaats van de dienst een gebied buiten België in de zin van artikel 21, § 3, 7 WBTW. Zij betwist als dusdanig niet cijfermatig de door de Belglsche Staat naar voren gebrachte maatstaf van heffing van € …, zijnde de in het dwangbevel vermelde maatstaf van heffing, verminderd met de maatstaf van heffing die volgens de Belgische Staat aangerekend werd door geïntimeerde aan afnemers van diensten bedoeld in artikel 21 § 3, 7 WBTW.
Op grond van de door de Belgische Staat in de digitaal gekopieerde gegevens aangetroffen stukken, die deels in uitgeprinte versie worden voorgelegd in de stukken neergelegd door de Belgische Staat, kan worden vastgesteld,
-enerzijds, dat geïntimeerde een zetel van economische activiteit in België in de zin van artikel 21 § 5 WBTW had; en
-anderzijds, dat voor de dienstprestaties waarvoor de Belglsche Staat thans nog BTW vordert, door deze aangetoond is dat het gaat om dienstverrichtingen gedaan door geïntimeerde vanop het Belgisch grondgebied en dit vanuit een zetel van haar economische activiteit in België in de zin van artikel 21 § 2 WBTW.
De in het proces-verbaal van 8 december 2008 aangehaalde digitale gegevens over
-briefwisseling gevoerd door geïntimeerde vanuit het kantoor in Hoeilaart;
-het beheer van de verkoopsadministratie van geïntimeerde vanuit Hoeilaart;
-de richtlijnen gegeven door geïntimeerde aan consultants waarop zij een beroep doet vanuit Hoeilaart en daar aangetroffen;
-instructies over het corresponderen met geïntimeerde middels het kantoor in Hoeilaart en het contacteren van de hoger al vermelde Mevr. H. ten behoeve van geïntimeerde zelf;
-de aanwezigheid van gedetallieerde digitale gegevens over boekhoudkundige verrichtingen in het kantoor in Hoeilaart;
-de aanwezigheid van gedetallieerde digitale gegevens over bankverrichtingen van geïntimeerde in het kantoor te Hoeilaart, briefwisseling daarover en gesynthetiseerd bewaarde bankverrichtingen op rekeningen,
-de aanwezigheid van gedetallieerde digitale gegevens over contracten inzake dienstverrichtingen met klanten te Hoeilaart,
tonen ten genoegen van recht aan dat geïntimeerde een zetel van economische activiteit had in Hoeilaart in de zin van artikel 21 § 2 WBTW, dat zij aldaar haar bedrijf beheerde, dat zij aldaar boekhoudkundige verrichtingen deed en contacten onderhield met klanten en leveranciers van diensten en dat zij aldaar relaties onderhield met banken.
Met reden voert de Belgische Staat op grond hiervan aan dat voor de dienstverrichtingen waarvoor hij nu nog de BTW vordert (en de erop gebaseerde BTW-boeten) aangetoond is dat zij gesteld zijn vanuit die zetel van economische activiteit te Hoeilaart in de zin van artikel 21 § 2 WBTW en dat het tegenbewijs te leveren door geïntimeerde tegen al die gedetallieerd opgesomde gegevens in, in de zin van artikel 21 § 5 WBTW, door geïntimeerde niet wordt geleverd.
Hetgeen geïntimeerde opwerpt aangaande die gegevens, meer bepaald dat :
-geen leiding aan haar gegeven wordt vanuit Hoeilaart;
-de aanwezigheld van digitaal consulteerbare gegevens door de N.V. A. I., normaal is wegens het groepsverband met geïntimeerde,
-geen boekhouding werd gehouden in Hoeilaart van geïntimeerde;
-bepaalde gegevens op een buitenlands gelegen server stonden;
-alle leidinggevende verrichtingen inzake beheer, bestuur, algemene leiding en administratief beheer buiten België gebeurden voor geïntimeerde;
wordt immers tegengesproken door de gedetallieerd opgesomde gegevens in het proces-verbaal van 8 december 2008 (onder verwijzing naar de overige gegevens waarop dit proces-verbaal steunt), die aantonen dat sprake is van een leiding, communicatie, zakelijk beheer en het doen van belangrijke en omvangrijke boekhoudkundige verrichtingen en beheer van contracten en administratie op het Belgisch grondgebied in de beschouwde met BTW belastbare tijdvakken.
De aanwezigheid van die aangetroffen gegevens bij het plaatsbezoek op 2 april 2008 valt niet enkel uit te leggen door
-een louter administratieve organisatie en optimalisatie van relaties met klanten en leveranciers van geïntimeerde door een verwijzing naar een mogelijke contactname in Hoeilaart bij een andere groepsvennootschap : daarvoor zijn de aangetroffen gegevens die daarop betrekking hebben te talrijk, omvangrijk en gedetallieerd;
-het gegeven dat N.V. A. I. en geïntimeerde afzonderlijke boekhouders hebben : dit sluit immers niet uit dat moet worden vastgesteld dat belangrijke verrichtingen deel uitmakend van de boekhouding van geïntimeerde in Hoeilaart beheerd werden, waaronder verkoopsgegevens : overigens sluit die vaststelling niet uit dat geïntimeerde ook een activiteit had in lerland en daar ook boekhouding liet doen, doch de plaats van het stellen van minstens een zeer belangrijk deel van de boekhouding van geïntimeerde blijkt wel degelijk in België gelegen op grond van de voornoemde gegevens;
-de stelling dat geen boekhouding en bankverrichtingen gedaan en beheerd werden voor geïntimeerde vanuit België : die stelling wordt tegengesproken door een hele reeks in Hoeilaart aangetroffen digitale gegevens over instructies ten behoeve van geïntimeerde gedaan aan banken;
-de multinationale structuur van de groep waartoe geïntimeerde zou hebben behoord : hoewel geïntimeerde mee de naam "A." in haar benamlng heeft, en N.V. A. I. dit ook heeft, wordt geenszins duidelijk gemaakt wat die groep inhoudt, wat de taakverdeling in de groep zou inhouden en hoe het zit met aandelenparticipaties in die vennootschappen; uit een gemeenschappelijk element in de naam van de vennootschappen alleen kan immers geen "groepsverband" aangenomen worden.
Dit laatste element toont overigens aan dat de leiding van geïntimeerde vanuit Hoeilaart georganiseerd werd daar op grond van het geheel der voorliggende gegevens niet duidelijk is geworden welke "samenwerking'' precies zou hebben bestaan tussen geïntimeerde en N.V. A. I. en om welke reden N.V. A. I. een zo ruime toegang zou hebben nodig gehad tot boekhoudgegevens, de verkoopsadministratie en andere bedrijfseconomische gegevens die geïntimeerde betreffen. lntegendeel toont dit aan dat geïntimeerde minste mede vanuit België bedrijfseconomisch werd geleid, vanop de plaats waar ook N.V. A. I. economisch gevestigd was, en dat geïntimeerde van daaruit zelf haar verkoopsactiviteit van diensten verrichtte.
Voor de facturen uitgaande van geïntimeerde waarop de Belgische Staat nog BTW vordert, is derhalve aangetoond dat de plaats van de daarop betrekking hebbende dienstverrichting, België is. ln die mate kan de vordering in het bestreden dwangbevel bedoeld, gegrond verklaard worden.
De door de Belgische Staat gevorderde geldboeten
De inbreuken aangehaald door de Belgische Staat in het kwestieuze dwangbevel, blijken op grond van het hoger staande bewezen, voor het gegeven geen BTW te hebben aangerekend op dienstprestaties ten dele en in de mate nog gevorderd door de Belgische Staat op blz. 25 van zijn op 9 aprll 2014 neergelegde besluiten (te weten respectievelijk € … wegens afwezigheid van aanrekening van BTW op dienstprestaties, € … wegens afwezigheid van een aangifte van aanvang van werkzaamheid, € … wegens de afwezigheid van het indienen van maandelijkse BTW-aangiften en € … wegens afwezigheid van het indienen van de jaarlijkse opgave indieners-belastingplichtige).
De eigenlijke inbreuken op de BTW-reglementering (voor het hoofdbedrag aan gevorderde BTW op dienstprestaties beperkt qua vordering van de Belgische Staat, zoals hoger aangehaald) zijn bewezen op grond van alle voorliggende bewijsgegevens.
Het hof kan verder met volle rechtsmacht oordelen over de opgelegde BTW-boeten, die, hoewel administratiefrechtelijk opgelegd, van strafrechtelijke aard zijn (cfr. o.a. Gr.H. 2 maart 1995, Gr.H. 24 februarl 1999, Gr.H. 17 maart 1999; Hof Mensenrechten arrest Engel v. Nederland, 8 Juli 1976, Publ. Eur. Court H.R. Serle A, nr. 22, Hof Mensenrechten arrest Lauko v. Slovakije, 2 september 1998, Reports 1998 VI).
Alle gevorderde en opgelegde BTW-boeten zijn duidelijk strafrechtelijk van aard, zeker deze voor de overtredingen inzake het niet aanrekenen van BTW op in België gedane dienstprestaties van € …, die bijzonder hoog te noemen is.
De rechter aan wie gevraagd wordt een administratieve sanctie te toetsen die een repressief karakter heeft in de zin van artikel 6 E.V.R.M., mag de wettigheid van die sanctie onderzoeken en in het bijzonder nagaan of die sanctie verzoenbaar is met de dwingende eisen van internationale verdragen en van het intern recht, met inbegrip van de algemene rechtsbeginselen. Dit toetsingsrecht laat aan de rechter toe na te gaan of de straf niet onevenredig is met de inbreuk zodat het aan de rechter staat te onderzoeken of de Belgische Staat naar redelijkheld overging tot het opleggen van een administratieve sanctie zoals in concreto opgelegd, wat evenwel niet inhoudt dat de rechter om loutere redenen van opportuniteit en tegen wettelijke regels in, boeten kan kwijtschelden of verminderen (cfr. Cass. 24 Januari 2002, www.cass.be).
ln het thans voorliggende geval komen de respectievelijk door de Belgische Staat gevorderde BTW-boeten van € …, € …, € … en € …, voor als een sanctionering die is aangepast aan de aard en de ernst van de door geïntimeerde in de bewuste aangiftetijdvakken inzake BTW begane overtredingen van de BTW-reglementering.
Deze aldus bepaalde BTW-boeten telden tot een sanctionering aangepast aan de aard en de ernst van de begane overtredingen die inhouden ondermeer onterecht geen BTW aan te rekenen op dienstprestaties waarop Belgische BTW verschuldlgd is en de overige gesanctioneerde gedragingen te stellen inzake het naleven van aangifte- en indieningsverplichtingen, die de BTW-administratie moeten toelaten zicht te krijgen op de omvang van BTW-verplichtingen van BTW-plichtigen in België, temeer daar zij voorkomt als een bewuste strategie van geïntimeerde in de bewuste BTW-aangiftetijdvakken Belgische BTW te ontduiken en die ontduiking mogelljk te maken en verborgen te houden. Zij leiden, mede gelet op die aangetroffen strategie van geïntimeerde, tevens tot een sanctionering telkens evenredig met de de omvang van de inbreuken.
ln de mate hierna bepaald kunnen de BTW-boeten als gevorderd in het dwangbevel van 27 aprll 2009 dus ingevorderd worden.
Aangaande de kosten
Gezien het voorgaande blijkt het incidenteel beroep van geîntimeerde ongegrond, daar het merendeel van de door de Belgische Staat gevorderde BTW op dienstverrichtingen van haar, terecht gevorderd blijkt.
Dit geding betreft wel degelijk een in geld waardeerbare vordering, zodat de rechtsplegingsvergoeding, op, geïndexeerd, € … bepaald moet worden voor de procedure in eerste aanleg en op, geïndexeerd, € … voor de procedure in graad van beroep.
Gelet op het voorgaande, moet geïntimeerde veroordeeld worden tot acht tienden van de kosten van beide aanleggen en de Belgische Staat tot twee tienden van deze kosten, begroot op de rechtsplegingsvergoeding van € … voor de procedure in eerste aanleg en € … voor de procedure in graad van beroep.
Beschikkend gedeelte
OM DEZE REDENEN,
HET HOF, rechtsprekend na tegenspraak,
Gelet op art 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken; Verklaart het hoger beroep van appellant ontvankelijk, en deels gegrond,
Verklaart het incidenteel beroep van geïntimeerde ontvankelijk, en deels gegrond,
Wijst de oorspronkelijke vordering van geïntimeerde af, behoudens in de mate dat in het dwangbevel inzake BTW, uitgevaardigd lastens geïntimeerde op 27 april 2009 door de waarnemend eerstaanwezend Inspecteur van het BTW-ontvangkantoor van Leuven, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 30 november 2009 op grond van het proces-verbaal inzake BTW van 8 december 2008 en alle overige daarin vermelde processen-verbaal inzake BTW en gegevens, een BTW-bedrag gevorderd wordt van meer dan € … en een BTW-geldboete voor meer dan € … voor de overtreding bedoeld in artikel 70 § 1 WBTW (uitgezonderd de overige BTW-boeten, die terecht gevorderd worden),
wijst geïntimeerde af van het meer gevorderde,
beveelt de teruggave aan geïntimeerde van alle bedragen en sommen die inmiddels ten onrechte zouden zijn betaald, geïnd of ingehouden op grond van het aldus beperkt invorderbaar verklaard dwangbevel inzake BTW, vermeerderd met de moratoriumintresten,
veroordeelt appellant tot twee tienden van de kosten van het geding en geïntimeerde tot acht tienden van deze kosten, begroot op … € geïndexeerde rechtsplegingvergoeding in eerste aanleg en op … € geïndexeerde rechtsplegingvergoeding voor de procedure in graad van beroep,
Dit arrest werd uitgesproken in de openbare zitting van 16 november 2016 door
Ondertekeningen
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.