Recht op toegang, fiscale visitatie, fishing-expeditie, fishing expedition · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Hof van beroep Gent 16 januari 2024

Zoeken

Recht op toegang, fiscale visitatie, fishing-expeditie, fishing expedition

https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-toegang-fiscale-visitatie-fishing-hof-van-beroep-gent-2024-01-16-6acb

Rechtscollege
Hof van beroep
Zetel
Gent
Datum
16 januari 2024

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

153 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Arrest van het Hof van beroep te Gent d.d. 16.01.2024

WF 502-15-19/018240

[Gunstig voor de Belgische Staat]

Belasting over de toegevoegde waarde - recht op toegang - fiscale visitatie - fishing-expeditie

Wettelijke bepalingen

Artikel 63, eerste lid WBTW

Artikel 84bis WBTW

Voorafgaande procedure

Vonnis van de Rechtbank van eerste aanleg te Gent d.d. 04.03.2022

Samenvatting

De vertegenwoordiging van de vennootschap tijdens een fiscale controle door een persoon die geen bestuurder is, kan rechtsgeldig zijn wanneer dit blijkt uit feitelijke omstandigheden.

Het is niet aan de belastingplichtige om tijdens de fiscale visitatie te beslissen welke documenten en stukken al dan niet fiscaal relevant zijn.

Tekst van het arrest

Tekst van de beslissing

Hof van beroep Gent, vijfde kamer

Arrest van 16/01/2024

Rol: 2022/AR/1512

In de zaak van:

A. BV, ON 040...64,

met zetel te ...,

appellante,

hebbende als raadsman mr. N. W., advocaat te ...

tegen

BELGISCHE STAAT/FEDERALE OVERHEIDSDIENST FINANCIËN, ON 0308.357.159,

Minister van Financiën, met kabinet te 1000 BRUSSEL, Wetstraat 12, vertegenwoordigd door de Adviseur Invordering - Team Invordering Rechtspersonen Aalst 1, met burelen te 9300 AALST, Dr. André Sierensstraat 16 bus 1, en Algemene Administratie BBI Brussel CJC, met burelen te 9050 LEDEBERG, G. Crommenlaan 6 B806

geïntimeerde, vertegenwoordigd door X, attaché en X, adviseur

wijst het hof het volgend arrest:

1. De procedure voor het hof

Bij verzoekschrift neergelegd op 27 juni 2022 heeft de appellante hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat door de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, zesde kamer, op 4 maart 2022 werd uitgesproken in de zaak met rolnummer 19/986/A, waarvan niet blijkt dat het werd betekend.

Bij verzoekschrift neergelegd op 24 oktober 2023 verzocht de appellante om haar op grond van artikel 748, §2 Ger.W. nieuwe conclusietermijnen toe te kennen dan wel om, in subsidiaire orde, deze zaak samen te voegen met de zaak met betrekking tot de vennootschapsbelasting gekend onder AR 2023/AR/1155 waarvoor op grond van artikel 747, §1 Ger.W. een rechtsdag

werd bepaald op 10 december 2024, teneinde de partijen toe te laten nieuwe conclusies te nemen. Dit verzoek werd op 30 oktober 2023 ter kennis gebracht aan de tegenpartij.

De partijen hebben hun middelen en besluiten voorgedragen in de openbare terechtzitting van 7 november 2023, waarna het debat werd gesloten. Het hof nam vervolgens de zaak in beraad.

Het hof heeft de Nederlandse taal gebruikt in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken.

2. De relevante feiten en de voorafgaande procedure

De appellante is als btw-belastingplichtige geregistreerd onder het nummer BE040...64 voor de activiteit van detailhandel in huismeubilair in gespecialiseerde winkels. In de periode van 1 januari 2016 tot en met 30 september 2018 was zij gekend onder de benaming I. bvba. De appellante werd opgericht op 13 november 1967. De heer P. V. is, samen met mevrouw D. V. L., aandeelhouder van de appellante. De eerste is ook bestuurder van de vennootschap.

Op 3 oktober 2018 werd overeenkomstig artikel 63 WBTW door de politierechter machtiging verleend tot visitatie in de huizen, erven en panden van particulieren gelegen te ....

Op 10 oktober 2018 werd een fiscale controle inzake btw over de periode van 1 januari 2016 tot en met 30 september 2018 verricht bij de appellante op het adres te ..., alsook navolgend onderzoek tijdens hetwelk de heer P. V. en mevrouw D. V. L. verklaringen aflegden, alsook een aantal ex-werknemers. Bij de appellante werden bestelbons en leveringsbons aangetroffen van goederen die bij de appellante waren besteld en door haar werden geleverd tijdens de jaren 2016, 2017 en 2018, maar waarvoor geen verkoopfactuur werd teruggevonden in het verkoopdagboek van de appellante. De administratie stelde tevens vast dat gefactureerde leveringen verricht door de appellante en cash of per cheque betaald door klanten niet in het verkoopdagboek en in de btw-aangiftes van de appellante werden aangegeven. Ten slotte werd vastgesteld dat bepaalde leveringen slechts deels werden gefactureerd door de appellante. Deze vaststellingen en overtredingen op de bepalingen van het WBTW werden opgenomen in een proces-verbaal van taxatie opgemaakt op 18 februari 2019, waaruit een verschuldigde btw bleek van 299.534,22 euro, proportionele geldboetes van 585.074,80 euro (artikel 70, §1 WBTW) en 56.682,66 euro (artikel 70, §2 WBTW), en niet-proportionele geldboetes van 40.400,00 euro, meer intresten vanaf 21 oktober 2018.

Op 20 februari 2019 werd een btw-dwangbevel met nr. 50...24 uitgevaardigd ten laste van de appellante voor een totaal bedrag van 991.276,64 euro, waarvan de partijen niet betwisten dat het ter kennis werd gebracht aan de appellante op 22 februari 2019.

Met een verzoekschrift neergelegd op 21 maart 2019 stelde de appellante haar vordering in voor de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent. Bij vonnis van 4 maart 2022 verklaarde de zesde kamer van deze rechtbank de vordering van de appellante ontvankelijk maar wees deze af als ongegrond.

Het is tegen dat vonnis dat de appellante hoger beroep heeft ingesteld.

3. De vorderingen van de partijen

3.1. De vordering van de appellante

De appellante vraagt blijkens haar laatst neergelegde conclusie in hoger beroep aan het hof

om:

Het hoger beroep van concluante ontvankelijk en gegrond te willen verklaren, dienvolgens : Het bestreden vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg Oost-Vlaanderen, Afdeling Gent, sectie 6de Kamer van 4 maart 2022, gekend onder AR 19/986/A, te willen wijzigen als volgt en te zeggen voor recht dat :

- Het Dwangbevel van 20 februari 2019, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 21 februari 2019 en gekend onder het referte nummer 50...24, dat aan concluante werd betekend op 22 februari 2019; nietig, minstens onwettelijk, is;

- Het Proces-Verbaal van 18 februari 2019 op naam van concluante, en waarin

geïntimeerde een bedrag van 299.534,22 EUR BTW in hoofdsom, 682157,46 EUR aan geldboeten en 9.584,96 EUR aan interesten vordert nietig, minstens onwettelijk, is;

In de mate dat het Hof echter zou oordelen dat er geen sprake is van een nietigheid van het Dwangbevel en/of Proces-Verbaal, of van enige onwettelijkheid van de BTW-navordering, strekt de vordering van concluante in ondergeschikte orde tot:

- In eerste ondergeschikte orde: het gedeeltelijk ongegrond verklaren van de BTW;

navordering en/of

In tweede ondergeschikte orde: het kwijtschelden, minstens het verminderen van de opgelegde boete a rato van 38.0002,96 EUR (d.i. een rekenfout bij het berekenen van de boete door geïntimeerde); en/of

- In derde ondergeschikte orde: het verminderen van de opgelegde proportionele

geldboete a rato van 200% ten belope van 641.57,46 EUR en de niet-proportionele geldboete van 40.400,00 EUR, samen 682.157,46 EUR.

- In ieder geval, de teruggaaf te bevelen van alle op grond van het Dwangbevel

betaalde of ingehouden of na uitvoering van het beslag verkregen bedragen, te verhogen met de moratoriuminteresten vanaf de datum van betaling of inhouding, zoals voorzien in art. 91, §4 WBTW.

- Geïntimeerde tevens te veroordelen tot de kosten van het geding eveneens de

toekenning van de RPV ten belope van het basisbedrag 12.000,00 EUR (geïndexeerd voor elk van beide aanleggen) en de vaste bijdrage voor de juridische tweedelijnsbijstand tbv 20,00 EUR.

3.2. De vordering van de geïntimeerde

De Belgische Staat vraagt in hoger beroep aan het hof om:

In hoofdorde de vordering van appellante ontvankelijk doch ongegrond te verklaren;

Appellante te veroordelen tot de kosten van het geding.

4. De betwistingen en hun beoordeling

4.1. Omtrent het verzoek om nieuwe conclusietermijnen

Bij verzoekschrift neergelegd op 24 oktober 2023 heeft de appellante om nieuwe conclusietermijnen verzocht. Het hof stelt vast dat er tussen de partijen geen onderlinge overeenstemming werd bereikt om nieuwe conclusietermijnen af te spreken.

Op grond van artikel 748, §2 Ger.W. mag een partij die conclusie heeft genomen, ten laatste dertig dagen voor de rechtsdag om een nieuwe conclusietermijn verzoeken, indien zij gedurende de termijn die aan de rechtsdag voorafgaat, een nieuw en ter zake dienend stuk of feit heeft ontdekt dat nieuwe conclusies rechtvaardigt. Overeenkomstig artikel 747, §1 Ger.W. werd de rechtsdag bij beschikking van 21 september 2022 bepaald op 7 november 2023. Het verzoek werd neergelegd op 24 oktober 2023, dit is minder dan dertig dagen voor de rechtsdag, als gevolg waarvan het verzoek laattijdig is. De appellante werpt niet op dat de laattijdige neerlegging het gevolg is van overmacht. De appellante toont evenmin aan haar verzoek te baseren op nieuwe stukken. Het betreft btw-aangiftes van de inmiddels gefailleerde Luxemburgse vennootschap O. sa over de jaren 2016 e.v., zijnde de jaren die ook in deze zaak voorwerp van discussie zijn tussen de partijen, waarvan de appellante stelt dat deze bewijzen dat de Luxemburgse vennootschap de btw wel degelijk heeft afgedragen in Luxemburg. Dat de curator van O. sa deze stukken niet eerder heeft willen ter beschikking stellen van de appellante, wordt niet aangetoond. Ten slotte toont de appellante niet aan dat deze stukken ter zake dienend zijn. De neergelegde niet-ondertekende aangiftes in de btw voor de jaren 2016-2019 waarop geglobaliseerde bedragen staan vermeld, tonen niet aan dat de litigieuze btw daadwerkelijk in Luxemburg werd betaald. Dit blijkt evenmin uit het door de appellante zelf opgemaakte uittreksel uit haar grootboek btw. Andere objectieve stukken werden niet neergelegd. Het verzoek om nieuwe conclusietermijnen, in de mate het is gesteund op artikel 748, §2 Ger.W., wordt afgewezen. De bij beschikking van 21 september 2022 laatst aan de appellante toegekende conclusietermijn verstreek op 20 mei 2023. Er is geen wettelijke grondslag om aan de appellante nieuwe conclusietermijnen toe te kennen.

De appellante verzoekt in subsidiaire orde om deze (btw-)zaak samen te voegen met de zaak in de vennootschapsbelasting gekend onder het rolnummer 2023/AR/1155, waarvoor op grond van artikel 747, §1 Ger.W. een rechtsdag werd bepaald op 10 december 2024, teneinde de partijen toe te laten nieuwe conclusies te nemen. Ook dit verzoek wordt afgewezen. Het verzoek tot voeging van een zaak met een zaak waarvoor de rechtsdag zich later situeert, kan niet worden gebruikt met als hoofddoelstelling nieuwe conclusietermijnen te verkrijgen voor de eerste zaak. In deze betreft het twee afzonderlijke belastingen die onderworpen zijn aan eigen rechtsregels. Het hof ziet geen enkele reden die het wenselijk zou maken om de beide zaken samen te behandelen en te berechten. Ook dit in subsidiaire orde gestelde verzoek wordt afgewezen.

4.2. Omtrent de nietigheid, minstens onwettelijkheid van het dwangbevel en het proces- verbaal wegens het onrechtmatig verloop van het fiscaal onderzoek

De appellante stelt in haar eerste middel dat het fiscaal onderzoek niet wettelijk is verlopen. Zij stelt dat de ambtenaren niet werden ontvangen door de bevoegde persoon aangezien mevrouw V. L. niet bevoegd was om de administratie namens de appellante en/of O. te woord te staan of te verbinden, laat staan om toegang te verschaffen tot de bedrijfslokalen of om de boeken, facturen en andere boekhoudkundige bescheiden van de appellante voor te leggen. De appellante wijst er, onder verwijzing naar het arrest van het Hof van Cassatie van 25 januari 2019 (AR F.17.0039.N), op dat mevrouw V. L., gelet op haar hoge leeftijd en niet-vertrouwdheid met de administratie van de appellante, de facto en -de jure niet in staat was om gehouden te zijn tot bewaring ervan of van zijn lasthebber. Het bleek volgens de appellante immers duidelijk dat de enige rol van mevrouw V. L. was en nog steeds is om de eerder weinige potentiële klanten van de appellante tijdens de korte openingstijden van de winkel binnen te laten en indien nodig te woord te staan, wat een totaal andere rol zou zijn dan de rol van iemand die bevoegd is (of zou zijn) om namens een vennootschap op te treden.

Uit het proces-verbaal van de visitatie van 10 oktober 2018, opgemaakt op 16 oktober 2018, blijkt dat de administratie werd ontvangen door D. V. L. in haar kantoor, en dat deze verklaarde "te handelen in de hoedanigheid van verantwoordelijke en vennoot van I. BVBA". Mevrouw V. L. deelde de administratie mee dat "de heren P. (snr.) en P. V. op zakenreis in Egypte waren en dat zij, tijdens hun afwezigheid, de verantwoordelijke was voor de vennootschappen die er gevestigd zijn." Uit het proces-verbaal blijkt dat mevrouw V. L. de ambtenaren van de administratie te woord heeft gestaan tijdens de visitatie en op geen enkel ogenblik heeft opgeworpen dat zij niet bevoegd, niet gemachtigd of niet in staat was om mee te werken aan de fiscale controle lastens de appellante. Ook de heer P. V. (snr.) deelde tijdens het gesprek met de fiscale ambtenaar niet mee dat mevrouw V. L. geen bevoegdheid had om de appellante te vertegenwoordigen tijdens de fiscale controle.

Dat mevrouw V. L. niet in staat zou zijn geweest om de appellante te vertegenwoordigen gelet op haar hoge leeftijd en het feit dat zij niet vertrouwd zou zijn met de administratie, blijkt uit niets. Uit de verklaringen van mevrouw V. L. blijkt integendeel dat zij goed op de hoogte was van de activiteiten en de werking van de appellante, en dat zij hierin zelf verantwoordelijkheid opnam. Zij heeft de processen-verbaal van bepaalde onderzoekshandelingen verricht op 10 oktober 2018 zonder opmerkingen ondertekend.

In deze concrete omstandigheden mochten de ambtenaren er redelijkerwijze van uitgaan dat mevrouw V. L., die ook aandeelhouder was van de appellante, bevoegd was om de appellante te vertegenwoordigen tijdens de fiscale controle van de appellante en hiertoe, als vertegenwoordiger van de appellante, haar toestemming gaf.

Dit middel van de appellante wordt afgewezen als ongegrond.

4.3. Omtrent de doelgebondenheid en proportionaliteit van het gevoerde onderzoek

De appellante stelt dat de administratie nog geen toelichting heeft gegeven omtrent het doel van het fiscaal onderzoek in hoofde van de appellante, als gevolg waarvan de appellante op geen enkel ogenblik de fiscale relevantie van de onderzoekshandelingen die naar aanleiding van de visitatie door de administratie werden gesteld, kon en kan beoordelen. De appellante vervolgt dat dergelijke handelswijze een ongeoorloofde fishing expeditie is. De appellante stelt dat de fiscale relevantie van de betrokken gegevens voorafgaand aan de (elektronische) kopiename en retentie niet werd gecontroleerd, als gevolg waarvan minstens een deel van deze gegevens fiscaal volstrekt irrelevant is en/of geen betrekking heeft op de periode die door de administratie nog rechtsgeldig kan worden onderzocht. Deze werkwijze zou een inbreuk uitmaken op de noodzakelijke doelgebondenheid van een fiscale controle. De uitgevoerde visitatie zou niet evenredig zijn met het nagestreefde doel.

Ook dit middel van de appellante wordt afgewezen. Artikel 63, eerste lid WBTW verleent de administratie de bevoegdheid om ter plaatse alle boeken en stukken te onderzoeken die zich aldaar bevinden, om de betrouwbaarheid na te gaan van de geïnformatiseerde inlichtingen, gegevens en bewerkingen en om de aard en de belangrijkheid vast te stellen van de aldaar uitgeoefende werkzaamheid en van het daarvoor aangestelde personeel, alsook van de aldaar aanwezige koopwaren en goederen, met inbegrip van de productie- en vervoermiddelen. De bevoegde fiscale ambtenaren hebben, teneinde de verschuldigde belasting te kunnen bepalen, het recht om tijdens de visitatie na te gaan welke boeken en stukken of bescheiden zich in de lokalen bevinden en ze te onderzoeken.

Het komt in dat opzicht aan de administratie en niet aan de belastingplichtige toe om tijdens een fiscale visitatie te beslissen welke documenten en stukken die er worden aangetroffen, al dan niet fiscaal relevant zijn.

Uit het proces-verbaal van informaticahandelingen van 10 oktober 2018 (stukken 6 en 7, bundel administratie) blijkt dat de administratie om de voorlegging en inzage heeft verzocht van alle boeken en bescheiden, en om een kopie te maken van de door de administratie gewenste software en bestanden teneinde de juiste heffing en toepassing van de btw na te gaan. Uit dit proces-verbaal blijkt dat de ambtenaren zijn overgegaan tot selectieve kopiename (zie o.m. vermelding in proces-verbaal onder stuk 7, bundel administratie, met betrekking tot laptop keuken appartement 1e verdieping) en hiertoe, zonder bezwaar van mevrouw V. L., zelf de nodige informaticabewerkingen hebben verricht. Dat de inzage en kopiename zou kaderen binnen een fishing expeditie wordt niet aangetoond. Er is geen enkel element in het dossier dat erop wijst dat de administratie zonder concrete aanwijzing, speculatief en/of op (te) ruime manier informatie zou hebben ingewonnen, eventueel met misbruik van bevoegdheden door de administratie. Dit kan niet louter worden afgeleid uit de grootteorde van de datacaptatie. Het onderzoek is op een in tijd en ruimte afgebakende manier gebeurd, met fiscale relevantie (zie o.m. de navordering inzake btw) en na kennis te hebben genomen van het fiscaal dossier van de appellante (zie proces-verbaal van taxatie; stuk 2, bundel administratie). De stelling dat de administratie op geen enkele wijze zou hebben getracht om de informatie redelijkerwijze te beperken tot de fiscaal relevante informatie wordt tegengesproken door de vaststellingen opgenomen in de processen-verbaal van informaticahandelingen (stukken 6-7, bundel administratie). De appellante concretiseert haar middel in dit verband op geen enkele wijze.

Het hof stelt geen schending van het doelgebonden karakter en de proportionaliteit van het gevoerde onderzoek vast. Er is geen reden om op die grond tot de nietigheid dan wel onwettigheid van de navordering lastens de appellante te besluiten.

4.4. Omtrent de gecontroleerde periode

De appellante is van mening dat de fiscale visitatie onwettig is aangezien zij tijdens de procedure geen notificatie mocht ontvangen, en al zeker niet voorafgaand zoals vereist door artikel 84bis WBTW. Zij voert ook aan dat haar fundamentele rechten als belastingplichtige zijn geschonden, aangezien o.a. privé-gegevens werden gekopieerd (concreet werden de persoonlijke mailboxen van P. V. en S. V. integraal gekopieerd) en meegenomen zonder dat daartoe toelating werd gegeven door de appellante zelf of door de betrokken personen.

Het hof stelt vast dat de navordering de periode van 1 januari 2016 tot en met 30 september 2018 betreft, en dat het proces-verbaal werd opgesteld op 18 februari 2019 en het dwangbevel op 20 februari 2019. De normale wettelijke verjaringstermijn inzake btw werd correct toegepast. Het was niet vereist om een voorafgaande kennisgeving in de zin van artikel 84ter WBTW te versturen. Op die grond is er geen reden om de fiscale visitatie onwettig te verklaren.

Het hof stelt bovendien vast dat mevrouw V. L. wat betreft de door de ambtenaren gestelde informaticahandelingen geen opmerkingen had en de ambtenaren vrije toegang gaf tot de woning alsook tot de beroepslokalen teneinde over te gaan tot de analyse van de IT-infrastructuur (zie stuk 6, bundel administratie). Uit niets blijkt dat mevrouw V. L.,

als vertegenwoordiger van de appellante (zie ook randnummer 4.2) hiertoe geen toestemming heeft gegeven.

Professioneel gebruikte digitale bestanden en data vallen onder het toepassingsgebied van artikel 61, §1, vierde lid WBTW, dat gelezen kan worden als een aanvulling van de stukken opgesomd in het eerste lid, met verwijzing naar artikel 60 WBTW, teneinde de administratie ook een recht op inzage te verlenen in digitale stukken. Zoals het toepassingsgebied van artikel 61, §1, eerste lid WBTW zich niet beperkt tot de wettelijk verplichte boekhoudkundige bescheiden of boeken, is ook het vierde lid van toepassing op digitale stukken die noodzakelijk zijn om het bedrag van de belastbare inkomsten te bepalen, te houden, op te stellen, toe te zenden of te bewaren. Deze wettelijke bepalingen laten de administratie toe om de belastingplichtige te verzoeken om beroepshalve gebruikte mailboxen en digitale data, waarvan aangenomen kan worden dat deze ook stukken bevatten in de zin van artikel 60 WBTW, ter inzage voor te leggen in een leesbare en verstaanbare vorm. Uit voormelde wetsbepalingen volgt ook dat de bevoegde ambtenaren, teneinde de verschuldigde belasting te kunnen bepalen, het recht hebben om tijdens een visitatie van de bedrijfslokalen na te gaan welke elektronische bestanden zich in de bedrijfslokalen bevinden en ze te onderzoeken. De bevoegde ambtenaren moeten hiervoor niet voorafgaand om de voorlegging van die boeken en stukken verzoeken (zie ook Cass. 16 december 2003, Arr. Cass. 2003, nr. 647). De administratie is daarbij niet afhankelijk van de keuze van de belastingplichtige om te bepalen in welke (elektronische) documenten hij inzage verleent. Hieruit volgt dat voormelde artikelen de administratie toelaten om de belastingplichtige te verzoeken om beroepshalve gebruikte mailboxen, waarvan het beroepsmatig gebruik kan worden aangenomen gelet op de gebruikte extensie en waarvan, zoals reeds gezegd, kan worden aangenomen dat deze (ook) gebruikt worden om de stukken waarvan de voorlegging is voorgeschreven door de artikelen 60, 61 en 63 WBTW, geheel of ten dele toe te zenden, ter inzage voor te leggen, in een leesbare en verstaanbare vorm. Het komt aan de administratie en niet aan de belastingplichtige toe om te beslissen welke e-mails al dan niet fiscaal relevant zijn. Deze bepalingen laten de administratie tevens toe om de belastingplichtige te verzoeken op de uitrusting van deze laatste en in bijzijn van de ambtenaren van de administratie een kopie te maken in de door die ambtenaren gewenste vorm van het geheel of een deel van deze mailboxen.

Uit de processen-verbaal van informaticahandelingen van 10 en 11 oktober 2018 (stukken 6­7, bundel administratie) blijkt dat:

de mailbox o.@pandora.be werd gekopieerd die, gelet op de benaming, geacht kan worden beroepshalve gebruikt te worden;

de laptop aangetroffen in de keuken van het appartement op de eerste verdieping geen fiscaal relevante data bevatte en er dus geen data werden gekopieerd;

- een integrale kopie werd gemaakt van de harde schijf van de laptop aangetroffen in het bureel van P. V. die, gelet op de activiteiten van P. V. binnen de appellante, geacht kan worden beroepshalve te worden gebruikt;

een integrale kopie werd gemaakt van de harde schijf (S.) die werd aangetroffen op het appartement van P. V. die, gelet op de activiteiten van P. V. binnen de appellante, geacht kan worden beroepshalve te worden gebruikt.

Het komt evenwel aan de appellante toe om enigszins aannemelijk te maken dat zich op deze laptops en harde schijven documenten en bestanden bevonden die onderworpen zijn aan de vertrouwelijkheid van briefwisseling. De loutere bewering dat dit zo is, is in de concrete omstandigheden niet voldoende aangezien er ook een laptop werd aangetroffen die geen fiscaal relevante data bevatte en aldus geacht kan worden privé te worden gebruikt. De appellante maakt op geen enkele wijze concreet aannemelijk dat er zich in de gekopieerde documenten en bestanden communicatie bevindt met privékarakter die beschermd is door artikel 8 EVRM. Uit de processen-verbaal van informaticahandelingen blijkt niet dat persoonlijke mailboxen werden gekopieerd. De appellante concretiseert evenmin vanop welke laptop dit dan wel gebeurde. Het zich in het algemeen en principieel beroepen op het recht op privacy volstaat niet om het fiscaal onderzoek, het dwangbevel of de navordering nietig dan wel onwettig te verklaren. Een inbreuk op voormeld fundamenteel recht dient te worden geconcretiseerd.

Bovendien neemt het hof aan dat het, gelet op de door de administratie gekopieerde bestanden, desgevallend hoogstens om een mailbox met een gemengd karakter gaat, waarbij de e-mails met privékarakter niet duidelijk worden afgescheiden van de e-mails met bedrijfskarakter. Dit gemengde karakter en het gebrek aan duidelijke scheiding tussen e-mails met bedrijfskarakter en met privékarakter in de mailbox kan evenwel bezwaarlijk de onderzoeksmogelijkheden van de administratie beknotten. Bij gemengde mailboxen kan de gecontroleerde belastingplichtige er zich niet op beroepen dat de mailbox niet uitsluitend voor haar economische activiteit worden gebruikt en aldus niet het voorwerp kan uitmaken van een fiscaal onderzoek. Op die manier zou de onderzoeksbevoegdheid van de administratie immers afhankelijk worden gemaakt van de keuze van de belastingplichtige om haar mailbox(en) al dan niet gemengd te laten gebruiken. Dat in dergelijke omstandigheden dan door de administratie inzage wordt genomen in e-mails met privékarakter, is voor een belastingplichtige als de appellante redelijkerwijze voorzienbaar, m.n. dat de administratie bij bedrijfsmailboxen met gemengd karakter niet zal moeten afgaan op de eigen aanwijzingen van de gecontroleerde belastingplichtige met betrekking tot de vraag welke e-mails voor de controle relevant zijn maar tot alle gegevens toegang zal hebben teneinde deze vraag zelf te kunnen beoordelen. Alle gegevens mogen in dergelijk geval door de administratie geacht worden relevant te zijn voor de beoordeling van de fiscale toestand van de gecontroleerde belastingplichtige. Een zinvolle interpretatie van de verplichting tot medewerking voorzien in voormelde artikelen van het WBTW vereist immers dat de belastingadministratie niet afhankelijk is van de keuze van de belastingplichtige om te bepalen in welke documenten hij inzage verleent. De door de belastingplichtige toegelaten vermenging tussen e-mails met bedrijfsmatig karakter en met privékarakter kan hieraan geen afbreuk doen. Het spreekt evenwel voor zich dat de fiscale administratie tijdens de

inzage steeds dient te handelen binnen de grenzen van haar fiscaal onderzoek en dat de onderzoeksmaatregel de proportionaliteitstoets moet doorstaan. De administratie heeft een doelgebonden bevoegdheid en haar onderzoeksbevoegdheden kunnen enkel worden uitgeoefend met het oog op het vaststellen of de toepasselijke btw-wetgeving is nageleefd. De administratie mag aldus geen voorlegging eisen van privégegevens aangezien dit geen stukken zijn die verband houden met het bepalen van de juiste heffing in de btw. Ook het retentierecht strekt zich enkel uit tot gegevens waarvan de administratie meent dat die fiscaal relevant zijn. Wanneer uit analyse blijkt dat de mailboxen e-mails met privékarakter bevatten die fiscaal niet relevant zijn, dienen deze e-mails te worden verwijderd. De appellante toont niet aan en maakt evenmin aannemelijk dat e-mails met privékarakter die fiscaal niet relevant zijn werden gekopieerd, als gevolg waarvan ook dit middel van de appellante wordt afgewezen als ongegrond.

4.5. Omtrent de gegrondheid van de navordering

4.5.1. Bij de appellante werden bestelbons uitgereikt door de appellante aangetroffen voor goederen die door de appellante werden geleverd tijdens de jaren 2016, 2017 en 2018. De administratie stelde verder vast dat de levering van deze goederen gebeurde met een voertuig op naam van de appellante aan de klanten die hadden besteld bij de appellante en dat een leveringsbon werd opgemaakt op naam van de appellante aan de klant. Voor bepaalde van deze bestellingen en leveringen werd geen verkoopfactuur teruggevonden in het verkoopdagboek van de appellante en werd de btw niet aangegeven in de btw-aangiftes van de appellante of doorgestort aan de Belgische Staat.

De appellante stelt dat zij bij de bestelling en levering van deze goederen optrad in de hoedanigheid van `agent van de Luxemburgse vennootschap O.'. De leveringen, waarvan de administratie stelt dat deze niet werden gefactureerd door de appellante, hebben volgens de appellante betrekking op verkopen die door O. werden gerealiseerd met toepassing van Luxemburgse btw. Niet alleen maakt de appellante dit niet aannemelijk, dit wordt ook tegengesproken door de volgende feiten:

- de bestelbons werden opgemaakt door de appellante op haar naam;

- de maatschappelijke benaming van de appellante met vermelding van haar rechtsvorm, en niet die van O., werd opgegeven als exposant om te worden gebruikt op de beurzen (Batibouw, Voedingssalon) waar de klanten een bestelling konden plaatsen;

- de appellante huurde een winkel te ..., waar de goederen tentoon werden gesteld en de klant een bestelling kon plaatsen; vanaf eind 2016 kon enkel nog via de winkel besteld worden;

- uit de algemene verkoopvoorwaarden vermeld op de bestelbons blijkt dat de appellante optrad als verkoper en met betrekking tot de bestelde/verkochte goederen aansprakelijkheid droeg;

- de appellante huurde een ruimte te ..., waar de goederen door de leveranciers rechtstreeks werden geleverd om vervolgens aan de klanten te worden geleverd; O. sa beschikte in Luxemburg wel over een postbusadres maar niet over enige opslagruimte;

- de goederen werden geleverd aan de klant met een voertuig ingeschreven op naam van de appellante;

de klant betaalde aan de appellante;

- een aantal klanten die goederen bestelden van de appellante verklaarden op de vraag van de administratie bij welke firma zij de goederen hadden besteld, dat dit bij de appellante was;

- de bestellingen bij de leveranciers gebeurden vanuit België en deze bestelformulieren (op naam van O. sa) werden opgemaakt in België en bijgehouden in de lokalen van de appellante te Ninove en, samen met de bestelbons en leveringsbons, geklasseerd in ringmappen die door de appellante werden bijgehouden. Het is daarbij duidelijk dat de vermelding van O. op de bestelformulieren bij de leveranciers niet met de werkelijkheid overeenstemde. Deze bestelformulieren op naam van O. sa vermeldden hetzelfde refertenummer als dat vermeld op de bestel- of leveringsbon uitgereikt door de appellante aan de klant, werden verstuurd vanuit België en opgemaakt door mevrouw V. L. die ook bij de appellante de bestellingen opmaakte voor de klanten en werden, samen met de bijhorende bestelbon en leveringsbon uitgereikt door de appellante, aangetroffen in ringmappen bijgehouden in de lokalen van de appellante te Ninove. Een aantal klanten bevestigde dat zij hun bestelling plaatsten bij de appellante. Er werden geen bestelbons teruggevonden tussen de appellante en O. sa; de correspondentie met de leveranciers gebeurde vanuit België (en niet vanuit Luxemburg);

- de administratie trof op het adres te ... niet alleen leeg briefpapier aan op naam van O. sa maar ook verkoopfacturen uitgereikt door O. sa aan Franse particulieren alsook een Frans telefoonboek, waarvoor geen bestel- of leveringsbons werden teruggevonden. Uit verklaringen van mevrouw V. L. en ander personeel blijkt dat deze verkoopfacturen werden opgemaakt aan de hand van lijsten van de heer P. V. (snr.) en dat er verkoopfacturen uitgereikt door O. sa werden opgesteld aan Franse particulieren zonder dat er geleverd werd aan deze particulieren. De Franse particulieren werden door de Franse administratie later aangeschreven in het kader van een internationale vraag om bijstand en verschillende van hen bevestigden O. sa niet te kennen;

- alle stukken in hoofde van O. sa werden bijgehouden door de appellante op het adres te ...; de boekhoudkundige stukken inzake O. sa werden systematisch vanuit Ninove naar het boekhoudkantoor in Luxemburg verzonden;

- bepaalde bestellingen werden door de appellante wel gefactureerd; er is geen onderscheid tussen de goederen waarvoor de appellante als verkoper optrad en de goederen waarvoor de appellante beweerdelijk slechts optrad als agent voor O. sa; dat er binnen de groep twee types bestelbonnen werden gebruikt, blijkt niet uit het dossier.

Uit dit alles blijkt overduidelijk dat de verkoper van de goederen in werkelijkheid de appellante was en dat O. sa een vehikel was dat werd gebruikt om omzet buiten het zicht van de Belgische fiscus te houden. Uit niets blijkt dat de appellante optrad als agent voor O. sa. De verantwoordelijken rond de appellante pogen daarbij verwarring te zaaien tussen de verschillende vennootschappen door te stellen dat de maatschappelijke benaming van de appellante als merknaam werd gebruikt door O. sa en door er op te wijzen dat de afhandeling van bestellingen gebeurde door (personeel van) O. nv dat, opnieuw, gebruik maakte van de merknaam I. en in aan de appellante grenzende lokalen was gelokaliseerd. Ook de door deze verantwoordelijken opgezette facturatiestroom had enkel als bedoeling omzet buiten het zicht van de Belgische fiscus te houden. De klanten kenden slechts één onderneming, en dat was de appellante. De werkwijze zoals de appellante die in haar conclusie in beroep uiteenzet, stemt niet overeen met de economische werkelijkheid en duidt er enkel op dat de hele constructie is opgezet om Belgische belastingen te ontduiken (zie ook hierna). De administratie heeft uit dit alles terecht afgeleid dat de verkochte goederen die werden besteld bij de appellante en door haar werden geleverd aan de klant, onterecht niet werd gefactureerd door de appellante aan de klant en dat op deze meeromzet btw was verschuldigd.

Dat de gerealiseerde omzet in werkelijkheid werd aangegeven in Luxemburg, zoals de appellante beweert, wordt niet aangetoond. Dat de litigieuze btw daadwerkelijk in Luxemburg werd betaald, zoals de appellante voorhoudt, blijkt niet uit de neergelegde niet-ondertekende aangiftes in de btw voor de jaren 2016-2019 waarop enkel geglobaliseerde bedragen staan vermeld. Dit blijkt evenmin uit het door de appellante zelf opgemaakte uittreksel uit haar grootboek btw. Andere objectieve stukken worden niet neergelegd.

4.5.2. Bij de appellante werden tevens facturen uitgereikt door de appellante aangetroffen die niet zijn opgenomen in haar verkoopdagboek of in haar btw-aangiftes. Deze facturen werden door de klanten cash betaald en deze ontvangsten werden niet opgenomen in het kasboek van de appellante.

De appellante voert desbetreffend geen verweer. De administratie heeft terecht btw nagevorderd op deze facturen.

4.5.3. De administratie heeft tevens vastgesteld dat er bepaalde leveringen door de appellante slechts deels werden gefactureerd door de appellante en dat er dus verschillen zijn tussen het bedrag vermeld op de leveringsbons en het bedrag vermeld op de verkoopfactuur. Het bedrag vermeld op de verkoopfactuur is systematisch lager dan het bedrag vermeld op de leveringsbon en komt steeds overeen met het gedeelte dat via cheque of overschrijving werd betaald. De administratie heeft hieruit terecht afgeleid dat de appellante een deel van haar ontvangsten niet heeft opgenomen in haar boekhouding. De hieruit verschuldigde btw werd terecht nagevorderd. Dat deze verschillen te wijten zouden zijn aan commerciële tegemoetkomingen (bv. voor eventuele problemen bij (laattijdige)

leveringen) wordt niet aangetoond en is bovendien niet aannemelijk gelet op de grootorde van deze verschillen (die oplopen tot 40.315,00 euro incl. btw).

4.5.4. Wat de facturen met valse omschrijving betreft, werd geen btw nagevorderd. Deze werden door de administratie enkel gebruikt om de toepassing van artikel 70, §2 WBTW te verantwoorden, wat hierna (randnummer 4.7) zal worden beoordeeld.

4.5.5. De eerste rechter heeft terecht geoordeeld dat de administratie afdoende aantoont dat de appellante btw ten belope van 299.534,22 euro verschuldigd is. Het hoger beroep wordt op dit punt afgewezen.

4.6. Omtrent de rekenfouten

De appellante stelt dat de administratie verschillende rekenfouten heeft gemaakt, die niet werden rechtgezet in het bestreden vonnis. Zo zou de proportionele geldboete van 200% foutief zijn berekend.

Het hof stelt geen rekenfouten vast in de berekening van de proportionele geldboetes:

- de proportionele geldboete op grond van artikel 70, §1 WBTW werd opgelegd wegens de overtredingen uiteengezet in randnummers 4.5.1 en 4.5.2 van dit arrest (punten 1.1 en 1.2 van het proces-verbaal van taxatie). Hieruit blijkt een verschuldigde btw van 287.365,04 euro (randnummer 4.5.1 van dit arrest; punt 1.1 van het proces-verbaal) en een bijkomend verschuldigde btw van 5.172,36 euro (randnummer 4.5.2 van dit arrest; punt 1.2 van het proces-verbaal), samen 292.537,40 euro btw. De proportionele geldboete van 200% werd correct berekend op het dubbel van dit bedrag, namelijk 585.074,80 euro.

- de proportionele geldboete op grond van artikel 70, §2 WBTW werd opgelegd wegens de overtredingen uiteengezet in randnummers 4.5.3 en 4.5.4 van dit arrest (punten 1.3 en 1.4 van het proces-verbaal van taxatie). Hieruit blijkt een op de handeling verschuldigde btw van (21% op 123.801,65 euro, of) 25.998,35 euro (randnummer 4.5.3 van dit arrest; punt 1.3 van het proces-verbaal) en een bijkomend op de handeling verschuldigde btw van (21% op 11.157,00 euro, of) 2.342,98 euro (randnummer 4.5.4 van dit arrest; punt 1.4 van het proces-verbaal), samen 28.341,33 euro. Zoals de administratie terecht aangeeft in syntheseconclusie is de berekeningsbasis voor de proportionele geldboete zoals voorzien in artikel 70, §2 WBTW het geheel van de op de handeling verschuldigde btw ongeacht het bedrag van de navordering wegens bijkomend verschuldigde btw. De proportionele geldboete van 200% werd correct berekend op het dubbel van dit bedrag, namelijk 56.682,66 euro.

Het totaal van deze geldboetes bedraagt 641.757,46 euro, zoals correct berekend door de administratie. Ook dit middel in hoger beroep is ongegrond.

4.7. Omtrent de opgelegde geldboetes

4.7.1. In haar laatste middel betwist de appellante de opgelegde proportionele en niet-proportionele geldboetes. De appellante stelt dat getwijfeld kan worden aan haar kwade trouw, dat de geldboetes niet in het proces-verbaal maar slechts post-factum werden gemotiveerd en zijn gestoeld op foutieve motieven die louter beweringen van de geïntimeerde betreffen. Ten slotte steunt de appellante zich op het evenredigheidsbeginsel en verwijst zij naar de bevoegdheid van het hof om de geldboetes met volle rechtsmacht te toetsen, en stelt de appellante dat de opgelegde boetes de bepalingen van het internationaal recht en artikel 1 Eerste Aanvullend Protocol schenden.

Aan de appellante werd op grond van artikel 70, §1 WBTW een proportionele geldboete opgelegd van 585.074,80 euro, zijnde 200% van de ontdoken btw voor de overtredingen opgesomd in punten 1.1 en 1.2 van het proces-verbaal. Op grond van artikel 70, §2 WBTW werd aan de appellante tevens een proportionele geldboete opgelegd van 56.682,66 euro, zijnde 200% van de btw verschuldigd op de handeling voor de overtredingen opgesomd in punten 1.3 en 1.4 van het proces-verbaal. Ten slotte werden aan de appellante niet-proportionele geldboetes opgelegd op grond van artikel 70, §4 WBTW wegens (i) het niet correct invullen van de btw-aangiftes voor de jaren 2016 (mei — december), 2017 (januari — december) en 2018 (januari — juli), (ii) het opnemen van verkeerde gegevens in de lijst van intracommunautaire leveringen voor diezelfde periode, (iii) het niet-bijhouden van een dagboek van ontvangsten over dezelfde periode, en (iv) het niet-beantwoorden van bepaalde inlichtingen gesteld in een vraag om inlichtingen.

4.7.2. Artikel 1, laatste lid bij het KB nr. 41 bepaalt dat de schaal voor de vermindering van de proportionele fiscale geldboetes niet van toepassing is ten aanzien van overtredingen begaan met het oogmerk de belasting te ontduiken of de ontduiking ervan mogelijk te maken. Naast het materieel element dat bestaat uit het overtreden van de belastingnorm, moet een moreel element bestaan dat een bijzonder opzet inhoudt in hoofde van de belastingplichtige, meer bepaald het opzet de belasting te ontduiken of de ontduiking ervan mogelijk te maken. De bewijslast rust op de administratie.

Het bewijs dat de vastgestelde inbreuken werden begaan met het oogmerk de belasting te ontduiken, blijkt onmiskenbaar uit de wijze waarop de constructie van de groep werd opgezet. Zoals hierboven reeds werd overwogen, werd bepaalde omzet uit het zicht van de Belgische fiscus gehouden door gebruik te maken van een Luxemburgse vennootschap die louter fungeerde op papier (als postbusvennootschap) om ontvangsten die in werkelijkheid toekwamen aan de appellante op een (Belgische) rekening van O. sa te laten toekomen. De verantwoordelijken rond de appellante, O. sa, O. nv en O. nv poogden daarbij verwarring te zaaien tussen de verschillende vennootschappen door te stellen dat de maatschappelijke benaming van de appellante als merknaam werd gebruikt door O. sa en door er op te wijzen dat de afhandeling van bestellingen gebeurde door (personeel van) O. nv dat, opnieuw, gebruik maakte van de merknaam I. en in aan de appellante grenzende lokalen was gelokaliseerd. Ook de door deze verantwoordelijken opgezette facturatiestroom had enkel als bedoeling omzet buiten het zicht van de Belgische fiscus te houden. De klanten kenden slechts één onderneming, en dat was de appellante. De werkwijze zoals de appellante die in haar conclusie in beroep uiteenzet, stemt niet overeen met de economische werkelijkheid en duidt er enkel op dat de hele constructie is opgezet om Belgische belastingen te ontduiken. Deze werkwijze werd gedurende vele jaren aangehouden en was op systematische wijze georganiseerd. De constructie was artificieel en bestond louter op papier. Het is duidelijk dat de facturatie- en goederenstroom zo waren georganiseerd om Belgische belastingen te ontduiken en dat deze geenszins overeenstemden met de werkelijkheid.

Het oogmerk de belasting te ontduiken of de ontduiking ervan mogelijk te maken staat bovendien buiten kijf met betrekking tot de overtredingen opgenomen in punt 1.2 van het proces-verbaal, waar bepaalde facturen buiten de boekhouding werden gehouden en niet werden aangegeven in de btw-aangiftes van de appellante. Zo werd de op de gedane leveringen ontvangen btw ten onrechte en, mede gelet op het feit dat het alle leveringen betrof die in cash of per cheque werden betaald, te kwader trouw niet doorgestort aan de Belgische Schatkist.

Ook met betrekking tot de overtredingen opgenomen in punten 1.3 en 1.4 van het proces-verbaal staat het oogmerk de belasting te ontduiken of de ontduiking ervan mogelijk te maken, vast. Immers, voor bepaalde leveringen werd een deel van de koopprijs dat op een andere wijze werd betaald (cash of per cheque of bancontact), niet gefactureerd. Deze werkwijze werd gedurende vele jaren aangehouden en was op systematische wijze georganiseerd. Wat betreft de factuur met valse omschrijving, blijkt uit de leveringsbon dat een Salon model Mercure bestaande uit een zetel voor 2,5 plaatsen, een chaise longue, een canapé voor 2 plaatsen en een clubzetel werd geleverd voor de totale prijs van 13.500,00 euro (incl. btw). Er werden twee facturen opgemaakt, waarbij de eerste voor een bedrag van 7.000,00 euro (d.i. het gedeelte betaald in cash) de goederen omschrijft als 'Salon model Mercure' en de tweede voor een bedrag van 6.500,00 euro (d.i. het gedeelte betaald via overschrijving) de goederen omschrijft als 'Bureaumateriaal'. Welke van de hierboven opgesomde geleverde goederen kan dienen als bureaumateriaal wordt niet verduidelijkt, en dit is bovendien onwaarschijnlijk aangezien de goederen als een geheel werden aangekocht. Het is duidelijk dat deze facturen niet overeenstemmen met de werkelijkheid, dat de verkoophandeling kunstmatig werd opgesplitst en dat de omschrijving op de facturen werd vervalst teneinde de administratie te misleiden en de ontduiking van belasting mogelijk te maken. Ook voor deze overtreding werd terecht de kwade trouw van de appellante in aanmerking genomen bij het bepalen van het tarief van de proportionele geldboete.

Het bijzonder opzet van de appellante om de belasting te ontduiken, staat vast.

4.7.3. De appellante stelt ten onrechte dat de geldboetes in het proces-verbaal niet werden gemotiveerd. Het proces-verbaal verantwoordt voor elk van de overtredingen waarom een

proportionele geldboete wegens kwade trouw werd opgelegd (zie pp. 57-59, samen gelezen met pp. 47-49 van het proces-verbaal). Ook de niet-proportionele geldboetes werden afdoende gemotiveerd op p. 69 van het proces-verbaal. Van een post-factum motivering is geen sprake.

4.7.4. De rechter aan wie gevraagd wordt een administratieve sanctie te toetsen die een repressief karakter heeft in de zin van artikel 6 EVRM, zoals de administratieve geldboetes van 200% opgelegd op grond van artikel 70, §§1-2 WBTW, moet de wettigheid van die sanctie onderzoeken en mag in het bijzonder nagaan of die sanctie verzoenbaar is met de dwingende eisen van internationale verdragen en van het interne recht, met inbegrip van de algemene rechtsbeginselen. Dit toetsingsrecht moet in het bijzonder aan de rechter toelaten na te gaan of de straf niet onevenredig is met de inbreuk, zodat de rechter mag onderzoeken of het bestuur naar redelijkheid kon overgaan tot het opleggen van een administratieve geldboete van zodanige omvang. De rechter mag hierbij in het bijzonder acht slaan op de zwaarte van de inbreuk, de hoogte van reeds opgelegde sancties, de wijze waarop in gelijkaardige zaken werd geoordeeld en de weerslag van de sanctie voor de betrokkene, maar moet hierbij in acht nemen in welke mate het bestuur zelf gebonden was in verband met de sanctie, in welk geval de rechter een grotere terughoudendheid moet in acht nemen (zie ook Cass. 24 maart 2023, AR F.21.0056.N, op juportal.be). Dit toetsingsrecht houdt niet in dat de rechter op grond van een subjectieve appreciatie van wat hij redelijk acht, om loutere redenen van opportuniteit en tegen wettelijke regels in, boeten kan kwijtschelden of verminderen.

Hieruit volgt dat het wettigheidstoezicht door de rechter een toetsing aan het evenredigheidsbeginsel vereist en dat de rechter hierbij niet gebonden is aan de schalen die de wet zelf voorschrijft. De mate waarin het bestuur zelf gebonden is, bindt de rechter niet doch is wel een element waarmee rekening moet worden gehouden in de beoordeling van de wettigheid van de sanctie en is een reden voor de rechter om een grotere terughoudendheid in acht te nemen. Anders oordelen, zou de rechtskracht van het internationale rechtskader waaronder deze administratieve sancties vallen, miskennen.

Aan de appellante werden proportionele geldboetes van 200% van de ontdoken btw (artikel 70, §1 WBTW) dan wel de op de handeling verschuldigde btw (artikel 70, §2 WBTW) opgelegd. De kwade trouw van de appellante staat vast (zie hierboven). Gelet op de langdurige en systematische werkwijze van de appellante om een belangrijke omzet uit het zicht van de Belgische fiscus te houden middels het gebruik van een artificiële organisatiestructuur ziet het hof geen enkele reden om de geldboetes in welke mate dan ook te verminderen, niettegenstaande het hof terzake over volle rechtsmacht beschikt. Om aan de geldboetes hun waarde als straf te geven, kan immers geen vermindering worden toegestaan. Door dat te doen zouden de geldboetes hun doel niet dienen, namelijk in compensatie voor de begane inbreuken zowel te straffen, (mede maatschappelijk) te vergoeden en voldoende af te schrikken om herhaling te vermijden. De appellante heeft zich jarenlang systematisch en doelbewust ingeschakeld in een georganiseerde fraudestructuur met de bedoeling Belgische belasting te ontduiken. Alleen een wettelijke sanctie aan 200% kan het gewenste doel bereiken. Deze sanctie is geenszins onevenredig met de begane inbreuken en is als sanctie die zich in een evenredige verhouding bevindt ten aanzien van de aard en de ernst van de door de appellante begane inbreuken, niet in strijd met artikel 1 van het Aanvullend Protocol bij het EVRM.

Dat de opgelegde sanctie zou leiden tot het faillissement en de definitieve stopzetting van de activiteiten van de appellante is een loutere bewering die niet wordt aangetoond.

Ook dit middel van de appellante is ongegrond.

5. De gerechtskosten

De appellante wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de gerechtskosten van het hoger beroep dragen.

Overeenkomstig het eerste lid van artikel 1022 Ger. W., vervangen bij wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat, heeft slechts de partij die in het gelijk gesteld wordt recht op een rechtsplegingsvergoeding. Aangezien de geïntimeerde in hoger beroep niet werd vertegenwoordigd door een advocaat, is deze niet gerechtigd op een rechtsplegingsvergoeding.

Beschikkend gedeelte

BESLISSING VAN HET HOF

Het hof doet recht op tegenspraak;

Het hof beslist als volgt:

 het verzoek neergelegd op 24 oktober 2023 tot het bepalen van nieuwe conclusietermijnen wordt afgewezen;

 het hoger beroep van de appellante is ontvankelijk doch ongegrond;

 het bestreden vonnis wordt bevestigd;

 het hof veroordeelt de appellante tot het betalen van de gerechtskosten van het

hoger beroep, Vastgesteld als volgt:

- aan de kant van de appellante (doch te haren laste blijvend):

 bijdrage begrotingsfonds hoger beroep: 22,00 euro

- aan de kant van de geïntimeerde: nihil

Aldus gewezen en uitgesproken in de openbare terechtzitting van het hof van beroep te Gent, VIJFDE KAMER, recht doende in fiscale zaken, op 16 januari 2024.

Aanwezig:

F. C., raadsheer, wn. voorzitter, alleenrechtsprekend J. D., griffier

Aangehaalde teksten

7
WBTW art. 7011 voorkomens
WBTW art. 635 voorkomens
WBTW art. 603 voorkomens
WBTW art. 613 voorkomens
WBTW art. 84bis3 voorkomens
WBTW art. 84ter1 voorkomen
WBTW art. 911 voorkomen

Vergelijkbare beslissingen

8