Fiche van de FOD Financiën
Vonnis van de Rechtbank van eerste aanleg te Gent d.d. 04.03.2022
WF 503-15-19/018240
[Gunstig voor de Belgische Staat]
fishing expedition, fiscale visitatie
Wettelijke bepaling
Samenvatting
De BBl-ambtenaren werden ontvangen door de bevoegde persoon, minstens mochten zij redelijkerwijze veronderstellen dat de persoon hiertoe bevoegd was op basis van de verklaringen en de feitelijke omstandigheden. Wanneer degene die gehouden is tot bewaring een rechtspersoon betreft, dan kan de voorlegging van de boeken, facturen en andere stukken rechtsgeldig gebeuren door het daartoe bevoegde orgaan van de rechtspersoon of door degene aan wie de rechtspersoon een daartoe strekkende volmacht heeft verleend of van wie de ambtenaren redelijkerwijze mochten veronderstellen dat hij hiertoe bevoegd was. (vgl. Cass. 25 januari 2019, F.17.0039.N, www.iuportal.be.)
Wat betreft de beweerde "buitenproportionele fishing-expeditie" wijst de rechtbank er op dat de btw-administratie op grond van artikel 63 WBTW over ruime onderzoeksbevoegdheden beschikt. Zo verleent artikel 63, eerste lid WBTW de administratie de bevoegdheid om ter plaatse alle boeken en stukken te onderzoeken die zich aldaar bevinden (zonder voorafgaandelijk om de voorlegging ervan te moeten verzoeken), om de betrouwbaarheid na te gaan van de geïnformatiseerde inlichtingen, gegevens en bewerkingen en om de aard en de belangrijkheid vast te stellen van de aldaar uitgeoefende beroepswerkzaamheid en van het daarvoor aangestelde personeel, alsook van de aldaar aanwezige koopwaren en goederen met inbegrip van de productie- en vervoermiddelen. Een zinvolle interpretatie van de verplichting tot medewerking vereist dat de belastingadministratie niet afhankelijk is van de keuze van de belastingplichtige om te bepalen in welke documenten hij inzage verleent en dat de belastingplichtige zijn medewerking dient te verlenen om bijvoorbeeld gesloten kasten of kluizen te openen. Wanneer de belastingplichtige zich evenwel verzet, kunnen de bevoegde ambtenaren de inzage van de bedoelde boeken en stukken of bescheiden niet eigenmachtig afdwingen. (vgl. Grondwettelijk Hof 12 oktober 2017, nr. 116/2017, www.const-court.be, overwegingen B.11.2, B.11.3). Uit de processen-verbaal blijkt dat eiseres haar medewerking heeft verleend en zich niet heeft verzet tijdens het gevoerde onderzoek. De visitatie is een belangrijk middel dat moet toelaten om de nodige vaststellingen te doen met betrekking tot de regelmatigheid van de belastingaangifte en kan dus noodzakelijk worden geacht in een democratische samenleving (overweging B.13.2 van voormeld arrest);
[...]
Evenmin kan aan de BBI verweten worden dat zij een integrale kopie van de computerbestanden heeft gemaakt. Uit de reeds aangehaalde processen- verbaal (stukken 5 en 6 van verweerder) blijkt dat een uitsplitsing ter plaatse onmogelijk was voor alle laptops, omdat deze beveiligd waren met een paswoord. In ieder geval zou een onderzoek en triëren ter plaatse te tijdrovend en inefficiënt zijn geweest, waaruit voIgt dat het nemen van een volledige kopie een proportionele maatregel is. Het kopiëren van een volledige server is toegestaan mits wettelijke basis en voldoende waarborgen (vgl. Gent 21 januari 2014, Fiscoloog 2014, nr. 1379, p. 9 e.v. met verwijzing naar EHRM 14 maart 2013, Bernh Larsen vs. Noorwegen, zaak 24117/08). Ter zake zijn er voldoende waarborgen tegen misbruik, wat bevestigd werd door het Grondwettelijk Hof in het reeds aangehaalde arrest van 17 oktober 2017 (zie overweging B.16.) Overigens blijkt uit niets dat de BBI met het oog op de belastingheffing gebruik heeft gemaakt privé-mails, wat eiseres ook niet beweert.
Tekst van het vonnis
Tekst van de beslissing
Vonnis van de Rechtbank van eerste aanleg te Gent d.d. 04.03.2022
Rol: 19/986/A
IN DE ZAAK VAN:
BV AMD., met ondernemingsnummer 04...64, met maatschappelijke zetel gevestigd te ... (Bijlagen bij het BS, 25 juni 2021), voordien gekend onder de benaming BV IDA. met maatschappelijke zetel gevestigd te ....; Eiseres, vertegenwoordigd door meester ... met kantoor te ...;
TEGEN:
De BELGISCHE STAAT, met ondernemingsnummer 0308.357.159, vertegenwoordigd door de heer Minister van Financiën, wiens kabinet gevestigd is te 1000 Brussel, Wetstraat 12 in persoon van de Adviseur Invordering van het team Invordering Rechtspersonen Aalst 1, met kantoor gevestigd te 9300 Aalst, Dr. André Sierensstraat 16 bus 1; Verweerder, voor wie verschijnt dhr. X, attaché, met kantoor te 1030 Brussel, Koning Albert Il laan 33 bus 49;
BESLIST DE RECHTBANK ALS VOLGT:
1. RECHTSPLEGING
De rechtbank hoorde op de openbare terechtzitting van 4 februari 2022 partijen in hun argumenten. De raadsman van eiseres verwees naar de inhoud van de laatste conclusie en het fiscaal verzoekschrift. Vervolgens sloot de rechtbank het debat en nam zij de zaak in beraad. De rechtbank zag het dossier van de rechtspleging en de bewijsstukken in.
De rechtbank heeft de Nederlandse taal gebruikt in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken.
2. RELEVANTE FEITELIJKE GEGEVENS EN PROCEDURELE VOORGAANDEN
2.1.
Eiseres is sinds 13 november 1967 als btw-plichtige geregistreerd onder het btw nummer BE04...64 voor een activiteit van detailhandel in huismeubilair in gespecialiseerde winkels. De maatschappelijke zetel van eiseres was destijds gevestigd te Ninove.
2.2.
Eiseres heeft het voorwerp uitgemaakt van een btw-controle die aanving met een onaangekondigde visitatie door de BBI op 10 oktober 2018 op het adres .... Op dit adres was de maatschappelijke zetel van nv OTR. gevestigd (een andere vennootschap van dezelfde groep). Eiseres huurde er destijds een bureelruimte alwaar alle boekhoudkundige stukken zich bevonden.
De politierechtbank Oost-Vlaanderen, afdeling Aalst had tevoren bij vonnis van 3 oktober 2018 een machtiging tot visitatie verleend op voormeld adres overeenkomstig artikel 63 WBTW.
Tijdens de visitatie werden bestelbons en leveringsbons aangetroffen van goederen die bij eiseres besteld en door haar geleverd werden tijdens de periode van 1 januari 2016 tot en met 30 september 2018, maar waarvoor door de BBI geen verkoopfactuur werd teruggevonden in het verkoopdagboek van eiseres. De BBI nam de boekhoudkundige stukken, documenten en ringmappen mee, zij kopieerde elektronische data en nam ook diverse verklaringen af. In de daaropvolgende maanden werden nog verklaringen afgenomen, diverse vragen om inlichtingen verzonden, etc.
Vervolgens analyseerde de BBI alle gegevens en stukken. Zij tekende haar bevindingen op in een proces-verbaal van taxatie van 18 februari 2019 en vorderde van eiseres een totaalbedrag van 981.691,68 EUR, bestaande uit (nog te vermeerderen met interesten):
ontdoken btw 299.534,22 EUR
proportionele geldboete (artikel 70, §1 WBTW) 585.074,80 EUR
proportionele geldboete (artikel 70, §2 WBTW) 56.682,66 EUR
niet-proportionele geldboeten 56.682,66 EUR 40.400,00 EUR
2.3.
Op basis van artikel 85, § 1 BTW werd vervolgens een dwangbevel uitgevaardigd op 20 februari 2019, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 21 februari 2019, en samen met het proces-verbaal betekend aan eiseres per gerechtsdeurwaardersexploot van 22 februari 2019 met bevel tot betaling.
Het is tegen dat dwangbevel dat eiseres middels de huidige procedure in rechte opkomt.
3. VORDERINGEN VAN PARTIJEN
3.1.
Eiseres vordert in laatste conclusie:
"[...}
onder voorbehoud van het recht in hoofde van Concluante om de argumentatie, zoals uiteengezet in huidig verzoekschrift op tegenspraak, verder te ontwikkelen in conclusies.
Vervolgens de bij dit verzoekschrift ingestelde vordering ontvankelijk en gegrond te verklaren.
In hoofdorde te zeggen voor recht dat het Dwangbevel van 20 februari 2019 (en gekend onder nummer 500/2075/84824) en/of het Proces-Verbaal van 18 februari 2019 nietig zijn, minstens dat de BTW-navordering onwettelijk is.
In ondergeschikte orde te zeggen voor recht dat:
in eerste ondergeschikte orde: de BTW-navordering gedeeltelijk ongegrond wordt verklaard; en/of
in tweede ondergeschikte orde: de opgelegde geldboete a rato van 38.002,96 EUR (d.i. een rekenfout bij het berekenen van de boete door Verweerder) minstens niet, of in grote mate, niet verschuldigd is; en/of in derde ondergeschikte orde: de opgelegde proportionele geldboete a rato van 200% ten belope van 641.757,46 EUR en de niet-proportionele geldboeten van 40.400,00 EUR, samen 682.157,46 EUR in grote mate niet verschuldigd is.
In ieder geval de terugbetaling te bevelen van alle betaalde of ingehouden bedragen, te verhogen met de interesten vanaf datum van betaling of inhouding tot datum van terugbetaling;
dienvolgens Verweerder te verwijzen in de kosten van het geding, met inbegrip van de vaste bijdrage t.b.v. 20,00 EUR voor de juridische tweedelijnsbijstand (inwerkingtreding op 1 mei 2017 van de wet van 19 maart 2017} evenals de rechtsplegingsvergoeding overeenkomstig het Koninklijk Besluit van 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en kosten verbonden aan de bijstand van de advocaat {BS 9 november 2007) {basisbedrag: 12.000,00 EUR);"
3.2.
Verweerder vordert in laatste conclusie:
"De vordering van eiseres ontvankelijk doch ongegrond te horen verklaren; De kosten ten laste te leggen van eiseres.11
4. BEOORDELING
4.1. Over de ontvankelijkheid van de vordering van eiseres
Verweerder voert geen betwisting omtrent de ontvankelijkheid van de vordering van eiseres. Ambtshalve ziet de rechtbank geen redenen om de vordering van eiseres onontvankelijk te verklaren. De vordering van eiseres is ontvankelijk.
4.2. Over het bewiis van rechtgeldige delegatie
In haar laatste conclusie erkent eiseres dat het bewijs van delegatie voorligt. Bij gebrek aan feitelijke grondslag behoeft dit middel geen verder onderzoek.
4.3. Over het verloop van het fiscaal onderzoek
4.3.1.
Eiseres betwist formeel de wettigheid van het gevoerde onderzoek, de rechtsgeldigheid van de retentie van de documenten en andere gegevens die ter gelegenheid van de fiscale visitatie bij onder meer eiseres werden meegenomen, alsook de rechtsgeldigheid van elke verdere onderzoeksdaad, taxatie, btw-heffing en sanctie die hierop zou steunen. Concreet voert eiseres aan dat D.V.L. , die fysiek aanwezig was tijdens de visitatie, niet bevoegd was om namens eiseres op te treden. Voorts werpt eiseres op dat het gevoerde onderzoek neerkomt op een ongeoorloofde fishing expeditie die de grenzen van de doelgebonden onderzoeksbevoegdheden manifest overschrijdt. Eiseres meent dat de controlemaatregelen disproportioneel zijn en leiden tot de nietigheid van de btw-navordering. Er zou met geen woord gerept zijn over het doel van het onderzoek en over de gecontroleerde periode. Dienaangaande wijst eiseres erop dat zij tijdens de procedure geen notificatie mocht ontvangen, en al zeker niet daaraan voorafgaand zoals vereist door artikel 84bis WBTW. Bijgevolg meent eiseres dat de fiscale visitatie onwettig is. Ten slotte voert eiseres aan dat de fundamentele rechten van de belastingplichtige geschonden zijn. In dat kader wijst eiseres erop dat onder andere de persoonlijke mailboxen van de heer P.V. en mevrouw S.V. integraal gekopieerd werden, terwijl deze mailboxen informatie bevatten die onder het recht op privacy van voormelde personen vallen, aldus eiseres.
4.3.2.
In voorliggend geval stelt de rechtbank vast dat het fiscaal onderzoek wettelijk is verlopen. De rechtbank steunt dit oordeel op de hiernavolgende overwegingen samen:
De BBl-ambtenaren werden ontvangen door de bevoegde persoon, minstens mochten zij redelijkerwijze veronderstellen dat de persoon hiertoe bevoegd was op basis van de verklaringen en de feitelijke omstandigheden. Immers, D.V.L. verklaarde bij aanvang van de visitatie te handelen in de hoedanigheid van verantwoordelijke en vennoot van eiseres en op te treden als verantwoordelijke voor nv OTR. in afwezigheid van de heren P. (senior) en P.V.. Zij verklaarde dat beide heren op zakenreis waren in Egypte en dat zij, tijdens hun afwezigheid, de verantwoordelijke was voor de vennootschappen die er gevestigd waren (zie proces-verbaal van 10 oktober 2018, p. 1 en 3 - stuk 5 van verweerder). De leeftijd van D.V.L. is irrelevant. Wanneer degene die gehouden is tot bewaring een rechtspersoon betreft, dan kan de voorlegging van de boeken, facturen en andere stukken rechtsgeldig gebeuren door het daartoe bevoegde orgaan van de rechtspersoon of door degene aan wie de rechtspersoon een daartoe strekkende volmacht heeft verleend of van wie de ambtenaren redelijkerwijze mochten veronderstellen dat hij hiertoe bevoegd was. (vgl. Cass. 25 januari 2019, F.17.0039.N, www.juportal.be.)
D.V.L. verleende de BBl-ambtenaren vrije toegang tot alle vertrekken van het pand op het adres Ring Oost 16 te Ninove, nadat haar de machtiging tot visitatie was voorgelegd, die zij ondertekende voor kennisname. Zij verleende de BBI vrije toegang tot de beroepslokalen conform artikel 63, eerste lid WBTW. Tijdens de controle heeft D.V.L. niet aangegeven dat zij niet gemandateerd was om ten behoeve van eiseres (of OTR. of O.) te voldoen aan de verplichting tot voorlegging van boeken, stukken en gegevens. Zij werkte constructief mee tijdens de controle. Zij had geen opmerkingen over het verloop en de informaticahandelingen die werden verricht. (zie bijkomend proces-verbaal van 10 oktober 2018, dat mevrouw D.V.L. medeondertekend heeft voor akkoord, voorafgegaan door de handgeschreven vermelding "gelezen en goedgekeurd - stuk 6 van verweerder). Ook een derde proces-verbaal van 10 oktober 2018 bevat de handtekening én goedkeuring van D.V.L. , met de vermelding dat zij optrad ter vervanging van de zaakvoerders van OTR. en O. (p. 4/10 van stuk 10 van verweerder).
Wat betreft de beweerde "buitenproportionele fishing-expeditie" wijst de rechtbank er op dat de btw-administratie op grond van artikel 63 WBTW over ruime onderzoeksbevoegdheden beschikt. Zo verleent artikel 63, eerste lid WBTW de administratie de bevoegdheid om ter plaatse alle boeken en stukken te onderzoeken die zich aldaar bevinden (zonder voorafgaandelijk om de voorlegging ervan te moeten verzoeken}, om de betrouwbaarheid na te gaan van de geïnformatiseerde inlichtingen, gegevens en bewerkingen en om de aard en de belangrijkheid vast te stellen van de aldaar uitgeoefende beroepswerkzaamheid en van het daarvoor aangestelde personeel, alsook van de aldaar aanwezige koopwaren en goederen met inbegrip van de productie- en vervoermiddelen. Een zinvolle interpretatie van de verplichting tot medewerking vereist dat de belastingadministratie niet afhankelijk is van de keuze van de belastingplichtige om te bepalen in welke documenten hij inzage verleent en dat de belastingplichtige zijn medewerking dient te verlenen om bijvoorbeeld gesloten kasten of kluizen te openen. Wanneer de belastingplichtige zich evenwel verzet, kunnen de bevoegde ambtenaren de inzage van de bedoelde boeken en stukken of bescheiden niet eigenmachtig afdwingen. {vgl. Grondwettelijk Hof 12 oktober 2017, nr. 116/2017, www.const-court.be, overwegingen B.11.2, B.11.3). Uit de processen-verbaal blijkt dat eiseres haar medewerking heeft verleend en zich niet heeft verzet tijdens het gevoerde onderzoek. De visitatie is een belangrijk middel dat moet toelaten om de nodige vaststellingen te doen met betrekking tot de regelmatigheid van de belastingaangifte en kan dus noodzakelijk worden geacht in een democratische samenleving (overweging B.13.2 van voormeld arrest);
Eiseres toont niet aan dat de BBI in voorliggend geval de grenzen van haar doelgebonden onderzoeksbevoegdheden overschreden heeft. Een fiscale controle is erop gericht de juiste toepassing van de fiscale regelgeving na te gaan. Uit de stukken waarop de rechtbank vermag acht te slaan, blijkt dat de uitgevoerde visitatie evenredig was met het nastreefde doel. Uit niets blijkt dat de BBI haar onderzoeksbevoegdheden voor andere doeleinden heeft aangewend dan deze die haar ingevolge de wet zijn toegekend.
Het kan aan de BBI niet verweten worden dat zij eiseres niet voorafgaandelijk verwittigd heeft van de motieven, het doel en de tijdspanne van de btw-visitatie. Er werd geen gebruik gemaakt van de verlengde verjaringstermijn zoals voorzien in artikel 81bis, §1, tweede lid, 4° WBTW;
Evenmin kan aan de BBI verweten worden dat zij een integrale kopie van de computerbestanden heeft gemaakt. Uit de reeds aangehaalde processen verbaal (stukken 5 en 6 van verweerder) blijkt dat een uitsplitsing ter plaatse onmogelijk was voor alle laptops, omdat deze beveiligd waren met een paswoord. In ieder geval zou een onderzoek en triëren ter plaatse te tijdrovend en inefficiënt zijn geweest, waaruit volgt dat het nemen van een volledige kopie een proportionele maatregel is. Het kopiëren van een volledige server is toegestaan mits·wettelijke basis en voldoende waarborgen {vgl. Gent 21 januari 2014, Fiscoloog 2014, nr. 1379, p. 9 e.v. met verwijzing naar EHRM 14 maart 2013, Bernh Larsen vs. Noorwegen, zaak 24117/08). Ter zake zijn er voldoende waarborgen tegen misbruik, wat bevestigd werd door het Grondwettelijk Hof in het reeds aangehaalde arrest van 17 oktober 2017 (zie overweging B.16.) Overigens blijkt uit niets dat de BBI met het oog op de belastingheffing gebruik heeft gemaakt privé-mails, wat eiseres ook niet beweert.
4.3.3.
De BBI heeft de wettelijke voorwaarden in het kader van de btw-controle nageleefd en de uitgevoerde visitatie was evenredig met het nagestreefde doel. De procedurele grieven van eiseres inzake het verloop van het btw-onderzoek, zijn ongegrond.
4.4.1.
Inzake de btw-navordering (299.534,22 EUR}
4.4.1.1.
Eiseres vordert in eerste ondergeschikte orde om de btw-navordering gedeeltelijk ongegrond te verklaren. Zij voert aan dat zij bij de bestelling en levering van goederen optrad in de hoedanigheid van "agent van de Luxemburgse vennootschap sa O." (afgekort (/O."). Eiseres stelt dat een aanzienlijk deel van de beweerde niet gefactureerde leveringen betrekking heeft op verkopen die door O. met toepassing van de Luxemburgse btw gefactureerd werden. Bijgevolg werden deze verkopen volgens eiseres ten onrechte toegevoegd aan de belastbare btw-basis in haren hoofde. Eiseres legt alle verkoopfacturen van O. voor de boekjaren 2016, 2017 en 2018 voor, alsook een overzicht. Op basis daarvan meent eiseres dat de volgende bedragen uit de maatstaf van heffing van de door haar verschuldigde btw dienen te worden gehaald:
Boekjaar 2016: 398.858,00 EUR
Boekjaar 2017: 185.533,00 EUR
Boekjaar 2018: 172.899,00 EUR
Daarnaast betwist eiseres de verschuldigde btw met betrekking tot (i) verkoopfacturen die niet in haar verkoopdagboek zouden zijn opgenomen (5.172,36 EUR); (ii) beweerde deels gefactureerde leveringen (6.996,82 EUR); en (iii) beweerde verkoopfacturen met valse omschrijving (2.342,98 EUR).
4.4.1.2.
De rechtbank oordeelt dat de btw-navordering van de BBI terecht is. In haar proces verbaal van 18 februari 2019 toont de BBI op zeer gedetailleerde wijze aan dat eiseres in eigen naam optrad als verkoper van de goederen (en niet als agent van O.) en O. zodus een fictieve tussenschakel is bij een deel van de bestellingen geplaatst bij eiseres (stuk 2 van verweerder). De talrijke argumenten en stukken die de BBI aanreikt (zie ook p. 21 tot en met 24 van de laatste conclusie van verweerder, met telkenmale verwijzing naar de overeenstemmende bewijsstukken) worden door eiseres op generlei wijze weerlegd.
Uit de vaststellingen van het proces-verbaal van 18 februari 2019 blijkt dat eiseres daarbij telkens dezelfde werkwijze hanteerde (stuk 2, p. 3-4, punt 1.1 van verweerder):
De goederen werden tentoongesteld op beurzen in België of in de toonzaal van de winkel van eiseres. De klanten plaatsten hun bestelling op de beurs of in de winkel van eiseres;
Wanneer de klant een bestelling plaatste werd een bestelbon op naam van eiseres opgemaakt. Deze bestelbon werd voor akkoord door de klant ondertekend. De klant betaalde al dan niet een voorschot. De bestelbon (of een dubbel ervan) werd door eiseres bijgehouden. Op de bestelbon werd vaak een referentie ("ST" of "STOCK" of een nummer) in de rechterbovenhoek aangebracht. De referentie "ST" of "STOCK" werd gebruikt wanneer het goederen in stock betroffen. Een nummer werd als referentie gebruikt wanneer de goederen besteld dienden te worden bij de (Belgische of Italiaanse) leverancier;
Vervolgens werden de betreffende goederen, die bij eiseres besteld werden door de klant, op naam van eiseres, OTR. of O. besteld bij de Belgische of Italiaanse leveranciers, tenzij de goederen in stock stonden;
De desbetreffende goederen werden vervoerd vanuit het land van de leverancier naar het magazijn gelegen te .... Bij aankomst werden de goederen door het personeel van OTR. nagekeken en afgetekend voor ontvangst;
Vervolgens werden de goederen vanuit het magazijn door het personeel van OTR. met een voertuig op naam van eiseres geleverd aan de klanten van eiseres. Er werd een leveringsbon opgemaakt op naam van eiseres aan haar klant. De leveringsbon werd {in principe) afgetekend door de klant voor de goede ontvangst van de goederen;
De leveringsbon werd afgetekend door het personeelslid van OTR. bij ontvangst van een cheque of voor ontvangst van geld in contanten bij de levering. De leveringsbons werden bijgehouden door eiseres in de burelen te...;
Slechts voor een deel van de leveringsbons op naam van eiseres werd een verkoopfactuur op naam van eiseres opgesteld aan de klant en opgenomen in haar verkoopdagboek. Enkel de btw op deze leveringen werd door eiseres doorgestort aan de Belgische schatkist {via de btw-aangiften van eiseres). Voor de andere leveringsbons op naam van eiseres werden geen verkoopfacturen teruggevonden in het verkoopdagboek van eiseres, noch werden deze leveringen aangegeven in haar btw-aangiften, noch werd de btw op deze leveringen doorgestort aan de Belgische schatkist.
De door O. opgestelde verkoopfacturen doen geen afbreuk aan het voorgaande. De verkoopfacturen van O. zijn niet controleerbaar, nu geen enkel stuk voorligt van de boekhoudkundige verwerking ervan, noch van de desbetreffende btw-aangiftes van O.. Uit een steekproef blijkt bovendien dat de klanten waarvoor er volgens eiseres een factuur door O. zou opgesteld zijn, deze factuur nooit ontvangen hebben (bv. klanten MQ. en De Jaeger). De door eiseres aangehaalde (tegen)voorbeelden worden door verweerder op overtuigende wijze ontkracht (klanten M.W. en NS.).
Voorts toont de BBI aan dat eiseres leveringen verrichtte waarvoor zij wel een verkoopfactuur heeft opgemaakt, maar die zij niet heeft opgenomen in haar verkoopdagboek, noch in de btw-aangifte. Ook zijn er een aantal leveringen verricht door eiseres die slechts deels gefactureerd werden. (stuk 2, p. 50-53, punten 1.2 en 1.3 van verweerder). Eiseres ontkracht deze vaststellingen niet. Het verschil tussen het bedrag dat werd geïnd naar aanleiding van de leveringen en het bedrag dat uiteindelijk werd gefactureerd is van dermate omvang dat het niet kan gaan om kleine materiële fouten, noch om commerciële tegemoetkomingen, noch om niet goed bijgehouden voorschotten, zoals eiseres stelt. Ook met betrekking tot de facturen met valse omschrijving, ontkracht eiseres op generlei wijze de vaststellingen van de BBI die vervat zijn in het proces-verbaal van taxatie van 18 februari 2019.
4.4.1.3.
Kortom, de belastingadministratie toont afdoende en op de wijze zoals uitgebreid uiteengezet in het voornoemde proces-verbaal aan dat eiseres nog btw verschuldigd is ten belope van 299.534,22 EUR. Het middel van eiseres in eerste ondergeschikte orde is ongegrond.
4.4.2.
Over de berekening van de proportionele administratieve boete van 200% op grond van artikel 70, §2 WBTW
4.4.2.1.
Eiseres voert in tweede ondergeschikte orde aan dat verweerder op pagina 69 van het proces-verbaal van 18 februari 2019 een rekenfout heeft gemaakt van 38.002,96 EUR onder punt 2.2 aldaar. Volgens eiseres dient de proportionele geldboete becijferd te worden op basis van de ontdoken btw (6.992,82 EUR}. De overeenstemmende boete bedraagt bijgevolg 13.993,64 EUR en niet 56.682,66 EUR, aldus eiseres. Zij vraagt de kwijtschelding/vermindering van de opgelegde geldboete a rato van 38.002,96 EUR.
4.4.2.2.
Overeenkomstig artikel 70, §2, eerste lid WBTW wordt een geldboete opgelegd gelijk aan het dubbel van de "op de handeling verschuldigde belasting", wanneer de factuur of het zodanig geldend stuk, waarvan de uitreiking is voorgeschreven door de artikelen 53, 53decies en 54, of door de ter uitvoering ervan genomen besluiten, niet is uitgereikt of onjuiste vermeldingen bevat ten aanzien van het identificatienummer, de naam of het adres van de bij de handeling betrokken partijen, de aard of de hoeveelheid van de geleverde goederen of de verstrekte diensten.
Hieruit blijkt dat de boete op geen enkele wijze verbonden is aan ontdoken of betaalde btw, maar gekoppeld is aan de op de handeling verschuldigde belasting. De boete wordt opgelegd omwille van een foutieve facturatie. Het doel van artikel 70, §2 WBTW is niet om de schade aan de Belgische Staat te herstellen, maar om valsheid in geschrifte te ontraden. Dat er reeds (gedeeltelijk) btw zou zijn betaald geweest over de handeling, maakt dan ook geen verschil. Zelfs in het geval dat de btw volledig betaald zou zijn geweest, zou, bij valsheid in geschrifte, nog steeds een boete worden opgelegd gelijk aan het dubbel van de op handeling verschuldigde belasting.
4.4.2.3.
Gelet op het voorgaande, faalt dit middel van eiseres. Het verzoek tot kwijtschelding/ontheffing van de opgelegde geldboete a rato van 38.002,96 EUR is ongegrond.
4.4.3.
Over het verzoek tot vermindering van de opgelegde proportionele geldboeten van 641.757,46 EUR en de niet-proportionele geldboeten van 40.400 EUR
4.4.3.1.
Als laatste middel in ondergeschikte orde voert eiseres aan dat, hoewel zij niet betwist dat voor een deel van de verkopen ten onrechte geen Belgische btw werd afgedragen, er aan haar kwade trouw op zijn minst gezegd getwijfeld kan worden. Voorts werden de opgelegde geldboeten niet in het proces-verbaal maar slechts post factum gemotiveerd en zijn deze gestoeld op foutieve motieven die louter beweringen van verweerder betreffen, aldus eiseres. Ten slotte hebben dergelijke hoge boetes een repressief karakter zodat eiseres deze rechtbank bevoegd acht om met volle rechtsmacht de opgelegde boetes te toetsen. Nog volgens eiseres schenden de opgelegde boetes de bepalingen van het internationaal recht én artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol.
4.4.3.2.
De administratie heeft artikel 70, §1 WBTW toegepast op grond waarvan voor iedere overtreding van de verplichting de belasting te voldoen, een geldboete wordt opgelegd gelijk aan het dubbel van de ontdoken of niet tijdig betaalde belasting. Wanneer een factuur niet is uitgereikt of onjuiste vermeldingen bevat, is op grond van artikel 70, §2 WBTW een geldboete verschuldigd gelijk aan het dubbel van de op de handeling verschuldigde belasting. Het uitvoeringsbesluit KB nr. 41 voorziet in eventuele verminderingen van deze boetes, tenzij wanneer duidelijk blijkt dat de inbreuken werden begaan met het oogmerk de belasting te ontduiken of de ontduiking ervan mogelijk te maken (artikel 1, laatste alinea KB nr. 41).
In voorliggend geval stelt de rechtbank vast dat het frauduleuze oogmerk van eiseres duidelijk beschreven en aangetoond werd in het proces-verbaal van 18 februari 2019 met talrijke bijlagen (stuk 2 van verweerder). Daaruit blijkt, samengevat, dat:
- eiseres gedurende meerdere jaren goederen verkocht en geleverd heeft die bij haar besteld werden. Hiervoor werden bestel- en leveringsbons op haar naam aan haar klanten uitgereikt. Voor een deel van deze leveringen werden echter geen verkoopfacturen in hoofde van eiseres opgemaakt, noch teruggevonden in haar verkoopdagboek, terwijl zij voor alle leveringen dezelfde werkwijze hanteerde. De btw over deze leveringen werd noch opgenomen in haar btw aangiften, noch doorgestort aan de Belgische schatkist;
- eiseres bewust een deel van haar omzet uit het zicht van de Belgische schatkist trachtte te houden door gebruik te maken van de Luxemburgse vennootschap O. en ontvangsten op een rekening van deze vennootschap liet toekomen;
- eiseres gedurende meerdere jaren een deel van haar verkoopfacturen niet heeft opgenomen in haar verkoopdagboek en de btw-aangiften. Ook werden een aantal leveringen slechts deels gefactureerd, of vermeldde eiseres een valse omschrijving bij de facturatie.
In het proces-verbaal valt letterlijk te lezen dat het buiten kijf staat dat eiseres, de heer Paul Verschorren, de heer P.V. en D.V.L. gebruik hebben gemaakt van een frauduleuze constructie in het Groothertogdom Luxemburg, waarbij de facturatie- en goederenstroom niet overeenstemmen met de werkelijkheid, met als doel de Belgische schatkist te schaden (p. 47/69 van stuk 2 van verweerder; zie ook de samenvatting op p. 48/69 en 49/69 aldaar). Aldus is van een post-factum motivering geen sprake. Bovendien is deze motivering gestoeld op talrijke stukken die geciteerd werden in het proces-verbaal en als bijlage gevoegd werden, zodat het niet om loutere beweringen gaat.
4.4.3.3.
De opgelegde belastingverhogingen van 200% hebben een repressief karakter en zijn bijgevolg een sanctie van strafrechtelijke aard in de zin van artikel 6 EVRM.
De rechter die gevraagd wordt een administratieve sanctie met strafrechtelijk karakter in de zin van artikel 6 EVRM te controleren, zoals in voorliggend geval, moet de wettigheid van die sanctie nagaan en kan meer bepaald onderzoeken of die sanctie verenigbaar is met de dwingende vereisten van de internationale verdragen en van het interne recht, met inbegrip van de algemene rechtsbeginselen. Dit controlerecht biedt de rechter inzonderheid de mogelijkheid om, met in aanmerkingneming van alle omstandigheden van de zaak, te onderzoeken of de straf niet buiten verhouding staat tot de overtreding, zodat hij kan onderzoeken of de administratie redelijkerwijs een administratieve sanctie van die omvang mocht opleggen. In dat opzicht kan de rechter inzonderheid rekening houden met de ernst van het misdrijf, het bedrag van de reeds opgelegde sancties en de wijze waarop uitspraak is gedaan in soortgelijke zaken. Dit controlerecht houdt niet in dat de rechter, louter om opportuniteitsredenen en in strijd met de wettelijke regels, geldboeten kan kwijtschelden of verminderen (vgl. Cass. 18 april 2013, F.11.0142.F, www.juportal.be).
Gelet op de volle rechtsmacht die deze rechtbank heeft inzake administratieve boetes met strafrechtelijk karakter in de zin van artikel 6 EVRM, is deze rechtbank van oordeel dat zij bevoegd is om de opgelegde geldboete te verminderen of zelfs kwijt te schelden. Artikel 70 WBTW moet in grondwettelijke zin worden geïnterpreteerd (zie ook GwH 15 mei 2008, nr. 79/2008).
4.4.3.4.
In voorliggend geval stelt de rechtbank vast dat eiseres moedwillig, systematisch (en systemisch) en gedurende een bijzonder lange periode een zeer aanzienlijk deel van haar omzet niet verwerkte in de boekhouding (middels gebruik te maken van een vennootschap in Luxemburg) en de erop verschuldigde btw (eveneens van een zeer aanzienlijke omvang) niet afdroeg aan de Belgische Staat. De opgelegde geldboeten zijn erg hoog, maar de ernst van de gepleegde inbreuken is dat ook. De rechtbank oordeelt dat de opgelegde geldboeten proportioneel en evenredig zijn met de ernst van de gepleegde inbreuken. Ook de niet-proportionele geldboeten (artikel 70, §4 WBTW) zijn wettig en in verhouding tot de gepleegde inbreuken. Een schending van artikel 1, Eerste Aanvullend Protocol is in de geschetste omstandigheden niet aan de orde. Ook een schending van enige andere bepaling van internationaal recht is niet aangetoond.
4.4.3.5.
Uit het voorgaande volgt dat het laatste middel van eiseres ongegrond is. Er zijn geen redenen om de opgelegde boeten kwijt te schelden of te verminderen.
5. GERECHTSKOSTEN
Eiseres wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de gerechtskosten van het geschil in deze aanleg dragen. De Belgische Staat werd niet vertegenwoordigd door een advocaat en maakt daarom geen aanspraak op een rechtsplegingsvergoeding.
Aangezien ook geen andere gerechtskosten verschuldigd zijn, is het in dit geval overbodig om de gedingkosten vast te stellen.
Beschikkend gedeelte
OM DEZE REDENEN
DE RECHTBANK, RECHT DOENDE OP TEGENSPRAAK,
Verwerpt alle meeromvattende en strijdige conclusies als niet ter zake dienend; Verklaart de vordering van eiseres ontvankelijk, maar wijst deze af als ongegrond; Stelt vast dat er geen kosten van het geding te begroten zijn.
Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting door de zesde burgerlijke kamer van de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent op vrijdag vier maart tweeduizend tweeëntwintig, waar aanwezig waren:
Ondertekeningen
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.
Aangehaalde teksten
5Rechtspraak
1België
1Hof van beroep te Gent16.01.2024