Fiche van de FOD Financiën
Arrest van het Hof van beroep te Gent d.d. 15.10.2013
WF 503-15-10/039012
[Gemengd vonnis]
Belasting over de toegevoegde waarde – bewijsmiddelen en controlemaatregelen – voorleggen van boeken en bescheiden - kasregister – verwerpen boekhouding
Wettelijke bepalingen
Art. 14 en 15 van het Koninklijk Besluit nr. 1 van 29.12.1992 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde;
Samenvatting
Bij de controle van een drankencentrale en zijn klanten caféhouders werden aanwijzingen van fraude vermoed. Meer bepaald werden verschillen vastgesteld tussen de leveringsbons en de facturen.
De oorspronkelijke appellant (klant drankencentrale, ondertussen overleden) heeft de leveringsbons, waarop de werkelijke geleverde hoeveelheid goederen werd vermeld, niet bewaard. Dit is in strijd met het art. 60, § 1, tweede lid WBTW dat onder meer uitdrukkelijk voorziet dat de stukken met betrekking tot de bestelling van goederen en met betrekking tot de afgifte en levering van goederen dienen te worden bewaard.
Deze bepaling legt de bewaringsplicht op aan alle belastingplichtige en niet-belastingplichtige rechtspersonen, en maakt niet het onderscheid dat de appellanten willen maken tussen belastingplichtigen die worden belast op hun werkelijke ontvangsten en zij die forfaitair belast worden.
De stelling van de appellanten volgens dewelke het art. 60, § 1, tweede lid WBTW enkel betrekking zou hebben op intracommunautaire verwervingen kan niet gevolgd worden. Deze bepaling legt in een opsomming de bewaringsplicht op en beperkt de bewaring van stukken met betrekking tot de bestelling, de afgifte en levering van goederen niet tot het geval van intracommunautaire verwerving.
Daarnaast vereist de wet dat de belastingplichtigen een aan de omvang van hun activiteiten aangepaste boekhouding zullen voeren om de btw te kunnen toepassen en controleren (art. 14, § 1, KB nr. 1 van 29.12.1992). Het art. 15, § 2 van hetzelfde KB voorziet uitdrukkelijk dat de inschrijvingen met betrekking tot de boekhouding moeten zijn gesteund op verantwoordingsstukken die gedateerd zijn en waarvan, naargelang het geval, een origineel exemplaar of een dubbel dient te worden bewaard.
De oorspronkelijke appellant heeft aan deze verplichtingen niet voldaan door het kasregister waarover hij beschikte niet conform deze bepalingen te gebruiken. Uit het proces-verbaal van 25.01.2010 blijkt dat de oorspronkelijke appellant bij het gebruik van zijn kasregister de tape B niet liet uitprinten, waarop volgens de door de administratie aangehaalde parlementaire vragen en antwoorden, een kopie kan overgebracht worden van de kasbonnetjes die aan de klanten werden gegeven. Een uitprint van de tape B zou het anders mogelijk gemaakt hebben het detail van de dagelijkse verplichtingen na te zien. De oorspronkelijke appellant printte dit echter niet uit en kon ook op een andere wijze geen betrouwbaar overzicht geven van het detail van de dagelijkse verrichtingen. Hij printte enkel de Z-totalen (dagtotalen) af en plakte ze in een agenda. Aldus zijn er ook geen stukken die het detail van de dagtotalen weergeven.
Het is evident dat door het ontbreken van dergelijk detail ernstige controle voor de administratie onmogelijk wordt.
Gelet op hetgeen voorafgaat heeft de administratie terecht de boekhouding van de oorspronkelijke appellant verworpen.
Ter eerbiediging van het art.6 EVRM en van het beginsel dat de straf persoonlijk is, wat na het overlijden van de oorspronkelijke appellant niet meer mogelijk is, kan de door de administratie opgelegde administratieve boete niet behouden blijven.
Het hof verklaart het hoger beroep deels gegrond.
Opmerkingen
De administratie heeft geen voorziening in cassatie ingediend.
Tekst van het arrest
Tekst van de beslissing
Arrest van het Hof van beroep te Gent d.d. 15.10.2013
2012/AR/78
D. J., in leven wonende te …, …, overleden op 1 december 2012 – oorspronkelijke appellant voor wie het geding vrijwillig wordt hervat in hun hoedanigheid van erfgenamen door :
1.S. J., weduwe van D. J., wonende te …, …,
2.D. S., wonende te …, …,
3.D. I., wonende te …, …,
4.D. K., wonende te …, …,
appellanten, hebbende ,als raadsleden mr. B. P., advocaat te …, … en mr. M. M., advocaat te …, (…), …
tegen
DE BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, vertegenwoordigd door de e.a. inspecteur van het BTW-Ontvangkantoor te Roeselare, wiens kantoor gevestigd is te …, …, geïntimeerde, hebbende als raadsman mr. V. A. E., advocaat te … (…), …
spreekt het hof het volgend arrest uit :
1. Bij fiscaal verzoekschrift neergelegd ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Brugge op 16.7.2010 bestreed de oorspronkelijke appellant J. D. het dwangbevel (RCIV nr. …) op zijn naam, uitgevaardigd te … op 9.6.2010 door F. V. L. wnd, eerstaanwezend inspecteur, geviseerd en uitvoerbaar verklaard door M. C., gewestelijke directeur van de BTW te Brugge, op 14.6.2010.
In dit dwangbevel werd opgenomen als schuld ten laste van de oorspronkelijke appellant een bedrag aan BTW van … EUR + … EUR als proportionele geldboete (artikel 70, §§ 1-3, § 5 en 71 BTW-wetboek) + … EUR reeds verlopen intresten in toepassing van artikel 91, § 1 BTW-wetboek te berekenen vanaf 21.1.2009, meer de nalatigheidsintresten te berekenen op de verschuldigde BTW vanaf 21.6.2010 overeenkomstig artikel 91, § 1 BTW-wetboek, desgevallend de moratoire intresten te berekenen op alle nog verschuldigde sommen niet hiervoren bedoeld die lopen vanaf de kennisgeving of betekening van het dwangbevel overeenkomstig artikel 91, § 4 BTW-wetboek, de vervolgingskosten, de gerechtskosten, en de kosten verbonden aan de hypothecaire inschrijvingen.
Voor de eerste rechter vorderde de oorspronkelijke appellant dat in hoofdorde voor recht zou worden gezegd dat het bestreden dwangbevel nietig is en geen enkel rechtsgevolg kan sorteren, minstens dat de geïntimeerde zich zou horen bevelen tot het voorleggen van het volledige dossier lastens de BVBA W. Drankencentrale. In ondergeschikte orde vorderde de oorspronkelijke appellant dat de nietigheid van de opgelegde sancties zou worden uitgesproken.
Bij vonnis van 9.11.2011 van de rechtbank van eerste aanleg te Brugge, vierde kamer werd de vordering van de oorspronkelijke appellant ontvankelijk doch slechts gedeeltelijk gegrond verklaard. De rechtbank bevestigt de bij toepassing van artikel 70 BTW-wetboek opgelegde geldboete gelijk aan het dubbele van de ontdoken of niet tijdig betaalde belasting, met dien verstande dat uitstel wordt verleend voor de betaling van de helft van deze geldboete voor een termijn van drie jaar. Het bestreden dwangbevel wordt tenietgedaan doch slechts in zoverre geen uitstel wordt verleend voor de betaling van de helft van de opgelegde geldboete voor een termijn van drie jaar. De rechtbank beveelt verder de terugbetaling van de bedragen die door de oorspronkelijke appellant gebeurlijk boven de helft van de geldboete reeds zouden zijn betaald en/of door de geïntimeerde zouden zijn ingehouden, meer de wettelijke intresten vanaf de datum van betaling of inhouding. De vordering wordt voor het meer gevorderde niet gegrond verklaard. De oorspronkelijke appellant werd veroordeeld tot de kosten van het geding.
Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het hof van beroep te Gent op 9.1.2012 heeft de oorspronkelijke appellant hoger beroep ingediend tegen het voormelde vonnis.
Het blijkt niet dat dit vonnis werd betekend of dat de oorspronkelijke appellant er in zou hebben berust.
Het hoger beroep is tijdig en regelmatig.
Bij akte van gedinghervatting neergelegd ter griffie van het hof van beroep te Gent op 11.4.2013 hebben de huidige appellanten het geding hervat in opvolging van wijlen J. D., overleden te … op 1.12.2012.
De huidige appellanten vorderen dat het bestreden vonnis zou worden vernietigd en de oorspronkelijke vorderingen van de oorspronkelijke appellant zouden worden toegewezen.
De geïntimeerde van zijn kant streeft de bevestiging van het bestreden vonnis na, met uitzondering van de beslissing van de eerste rechter waarbij uitstel werd verleend voor de helft van de geldboete. Wat dit betreft heeft de geïntimeerde incidenteel beroep ingesteld en vordert hij dat de door de administratie opgelegde boete integraal zou worden bevestigd.
2. De appellanten voeren aan dat de geïntimeerde niet bewijst dat het bewijsmateriaal dat hij aanwendt om het bewijs van de fiscale vordering te leveren op een rechtmatige wijze werd verkregen, zodat dan zou vaststaan dat de fiscale vordering op onrechtmatig bewijs is gestoeld en nietig is.
In beginsel behoort het aan degene die het bewijsmiddel inroept om het geoorloofd karakter van dit bewijsmiddel aan te tonen wanneer dit geoorloofd karakter wordt betwist (vergelijk o.m. met Cass. 10.11.2008, Pas. 2008, nr. 625 p 2520).
Uit het proces-verbaal van 25.1.2010 (stuk 1 van de geïntimeerde) blijkt dat voor het bepalen van de in het dwangbevel opgenomen bedragen rekening werd gehouden met gegevens aangetroffen naar aanleiding van een controle bij de BVBA Drankencentrale W.. Volgens hetzelfde stuk en ook het door de appellanten voorgelegde controleverslag (zie het stuk 5 van de appellanten) werd overgegaan tot deze (onaangekondigde) controle bij deze drankencentrale omdat de onderzoekende ambtenaren aanwijzingen hadden van fraude. Meer bepaald werden verschillen vastgesteld tussen de leveringsbons en de facturen naar aanleiding van een controle stopzetting bij een van de klanten van de BVBA W. Drankencentrale. De documenten in dat verband werden overgemaakt aan de BBI Brugge die vervolgens overgegaan is tot verder onderzoek, en onder meer met bijstand van de informaticacel Brugge (zie de vermelding op p. 3 van het controleverslag, stuk 5 van de appellanten) de computergegevens bij de BVBA W. Drankencentrale heeft afgetapt. De wet laat controles toe (artikel 63 BTW-wetboek en artikel 319 WIB/1992). De BBI is bevoegd voor het volledige grondgebied (zie o.m. de circulaire nr. Ci. RH.861/590.361 dd. 27.02.2008), terwijl het hoe dan ook de diensten te Brugge zijn die onderzoek gevoerd hebben, en de oorspronkelijke appellant woonde en de economische activiteit van eetgelegenheid te …, …
Er dient te worden aangenomen dat de administratie op geoorloofde wijze in het bezit gekomen is van de gegevens verzameld bij de BVBA W. Drankencentrale en die werden aangewend voor de bepaling van de thans in betwisting zijnde sommen.
De voorhanden zijnde gegevens zijn toereikend om deze geoorloofdheid te beoordelen, zodat de appellanten zich in dat verband ten onrechte beroepen op een beweerde schending van hun rechten van verdediging bij de bewijsgaring. De nuttige gegevens zijn terug te vinden zowel in het proces-verbaal van 25.1.2010 als in het controleverslag dat door de appellanten zelf voorgelegd wordt als hun stuk 5.
Bij het proces-verbaal van 25.1.2010 is een bijlage 2 gevoegd welke gedetailleerd weergeeft welke de gegevens zijn die in de computerbestanden zijn teruggevonden op naam van de oorspronkelijke appellant, en waaruit dat verschil blijkt tussen het detail van de geleverde bestelbons en het detail van de facturen. In dit proces-verbaal wordt naar deze bijlagen verwezen, en wordt vastgesteld (met de bewijskracht gehecht aan dergelijke vaststelling in een proces-verbaal) dat deze bijlage 2 het teruggevonden detail weergeeft. Aldus weten dan de appellanten afdoende waar deze gegevens vandaan komen, en welke deze gegevens zijn (o.m. cijfermatig), en kunnen zij zich hierop verdedigen, en de gebruikte gegevens betwisten.
De bijlage 1 bij het proces-verbaal van 25.1.2010 is een leveringsbon op naam van een klant van de BVBA W. Drankencentrale waaruit blijkt dat er verschillen vastgesteld werden tussen de bedragen en hoeveelheden vermeld op de leveringsbonnen en de bedragen en hoeveelheden vermeld op de facturen. Een andere functie dan deze vaststelling heeft dit stuk niet, en het wordt bvb. niet in rekening gebracht voor het bepalen van de fiscale schuld van de appellanten. Het feit dat de identiteit van de geadresseerde van deze leveringsbon werd verwijderd op het stuk, is dan ook zonder invloed.
De leveringsbons op naam van de oorspronkelijke appellant zijn niet meer voorhanden en kunnen dus ook niet voorgelegd worden door de administratie, zoals de appellanten dit eisen. De oorspronkelijke appellant noch de BVBA Drankencentrale W. hadden deze stukken bewaard. De onderzoekende ambtenaren hebben evenwel de gegevens van de bestelbons kunnen halen uit de computerbestanden, wat eveneens duidelijk gemaakt wordt in het proces-verbaal van 25.1.2010.
Uit de conclusie van de appellanten is af te leiden dat zij in kennis zijn van de verklaring van de zaakvoerder van de BVBA W. Drankencentrale, nu zij deze zelf in conclusie weergeven. Deze verklaring werd afgelegd naar aanleiding van het onderzoek ter plaatse bij deze drankencentrale. Ter gelegenheid van dergelijk onderzoek is het de onderzoekende ambtenaren toegelaten om aan deze zaakvoerder de vragen nuttige voor het onderzoek te stellen, zodat de appellanten ten onrechte aanvoeren dat niet kan worden uitgemaakt of de vraag om inlichtingen regelmatig is.
Er moet verder aangenomen worden dat het aftappen van de computergegevens op een regelmatige wijze gebeurde. Uit de door de appellanten geciteerde verklaring van de zaakvoerder van de BVBA W. Drankencentrale blijkt immers dat hij meewerkt met het onderzoek en zelfs de nodige inlichtingen verschaft omtrent de wijze waarop gebruik werd gemaakt van de computer wat de bestelbons en facturen betreft met het oog op niet officiële leveringen. Deze commentaar over de werking van de computer veronderstelt dat de zaakvoerder ook inzage in de computergegevens toelicht.
Er moet worden aangenomen dat de rechten van verdediging van de appellanten en hun rechtsvoorganger werden geëerbiedigd.
3. De oorspronkelijke appellant heeft de leveringsbons, waarop de werkelijke geleverde hoeveelheid goederen werd vermeld, niet bewaard. Dit is in strijd met het artikel 60, § 1 tweede lid BTW-wetboek dat onder meer uitdrukkelijk voorziet dat de stukken met betrekking tot de bestelling van goederen en met betrekking tot de afgifte en levering van goederen dienen te worden bewaard. Deze bepaling legt de bewaringsplicht op aan alle belastingplichtigen en niet-belastingplichtige rechtspersonen, en maakt niet het onderscheid dat de appellanten willen maken tussen de belastingplichtigen die worden belast op hun werkelijke ontvangsten en zij die forfaitair worden belast.
De stelling van de appellanten volgens dewelke het artikel 60 § 1 tweede lid BTW-wetboek enkel betrekking zou hebben op intracommunautaire verwervingen, kan niet worden gevolg. Deze bepaling legt in een opsomming bewaringsplicht op voor :
-facturen of de als zodanig geldende stukken in verband met de intracommunautaire verwervingen van goederen of met de in het buitenland verrichte aankopen;
-de handelsboeken;
-de boekingsstukken;
-de contracten;
-de stukken met betrekking tot de bestelling van goederen en diensten;
-de stukken met betrekking tot de verzending;
-de stukken met betrekking tot de afgifte en tot de levering van goederen;
-de rekeninguittreksels;
-de betalingsstukken;
-de andere boeken en stukken met betrekking tot de uitgeoefende werkzaamheid,
en beperkt aldus de bewaring van stukken met betrekking tot de bestelling, de afgifte en levering van goederen niet tot het geval van intracommunautaire verwerving.
Door niet-officiële leveringen ontdook de oorspronkelijke appellant niet alleen de BTW maar ook de personenbelasting die verschuldigd zou geweest zijn op de winst behaald aan de hand van de niet-officiële leveringen. Dit leverde hem normalerwijze een groter onrechtmatig voordeel op dan het voordeel dat hij zou hebben gehaald uit officiële leveringen waarbij hij de BTW in aftrek mag brengen.
Daarnaast vereist de wet dat de belastingplichtigen een aan de omvang van hun activiteiten aangepaste boekhouding zullen voeren om de BTW te kunnen toepassen en controleren (artikel 14 § 1 KB nr. 1 van 29.12.1992 met betrekking tot de regeling boor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde). Het artikel 15 § 2 van hetzelfde KB voorziet uitdrukkelijk dat de inschrijvingen met betrekking tot de boekhouding moeten zijn gesteund op verantwoordingsstukken die gedateerd zijn en waarvan, naargelang het geval, een origineel exemplaar of een dubbel dient te worden bewaard.
De oorspronkelijke appellant heeft aan deze verplichtingen niet voldaan door het kasregister waarover hij beschikt niet conform deze bepalingen te gebruiken. Uit het proces-verbaal van 25.1.2010 (zie het stuk 1 van de geïntimeerde, meer bepaald p. 3) blijkt dat de oorspronkelijke appellant bij het gebruik van zijn kasregister de tape B niet liet uitprinten, waarop volgens de door de geïntimeerde aangehaalde parlementaire vragen en antwoorden, een kopie kan overgebracht worden van de kasbonnetjes die aan de klanten worden gegeven. Een uitprint van de tape B zou het anders mogelijk gemaakt hebben het detail van de dagelijkse verplichtingen na te zien. De oorspronkelijke appellant printte dit echter niet uit e kon ook op een andere wijze geen betrouwbaar overzicht geven van het detail van de dagelijkse verrichtingen. Hij printte enkel de Z-totalen (dagtotalen) af en plakte ze in een agenda. Aldus zijn er ook geen stukken die het detail van de dagtotalen weergeven.
Het is evident dat door het ontbreken van dergelijk detail ernstige controle voor de administratie onmogelijk wordt.
Hierbij moet worden opgemerkt dat niet vaststaat dat de administratie bij de oorspronkelijke appellant het vertrouwen zou gewekt hebben dat hij op deze wijze mocht boekhouden. Integendeel heeft de oorspronkelijke appellant in de correctieopgave hem toegestuurd op 20.9.2006 (stuk 6 van de geïntimeerde), met betrekking tot de BTW voor de jaren 2003 en 2004, uitdrukkelijk schriftelijk erkend dat zijn werkwijze niet goed was, iets waarop de administratie hem op dat ogenblik duidelijk heeft gewezen. Zo staat in de correctie opgave te lezen :
“Hij erkend erop gewezen te zijn dat de leveringsbons, bestelbons, bestekken, prijsofferten, contracten en afsprakenboek overeenkomstig artikel 60 van het BTW-wetboek dienen bewaard te worden gedurende zeven jaar te rekenen vanaf de eerste januari van het jaar volgend op het opstellen van het stuk.
Hij erkent erop gewezen te zijn dat men om zijn recht op aftrek uit te oefenen men in het bezit dient te zijn van een factuur die voldoet aan artikel 5 van het koninklijk besluit nummer 1 van 29.12.1992; dit houdt onder andere in dat de gebruikelijke benaming van de goederen of dienst, de hoeveelheid en het voorwerp van de dienst moet vermeld zijn.
Hij erkent erop gewezen te zijn dat het dagboek van ontvangsten dagelijks moet ingeschreven worden overeenkomstig artikel 15, § 4 van voornoemd KB nr. 1.
Hij erkent erop gewezen te zijn dat er voor de verkoop van pannenkoeken, wafels en dergelijke in haar restaurant eveneens ontvangstbewijzen dienen verstrekt te worden (punt 10 van aanschrijving 8/99).
Hij erkent erop gewezen te zijn dat de Z-totalen van de kassa onvoldoende zijn als verantwoordingsstuk van het dagboek van ontvangsten (zie bv. vraag en antwoord Kamer, nr. 606 van de heer de Clippele).”.
Wat de door de appellanten ingeroepen beginselen van behoorlijk bestuur betreft (rechtszekerheidsbeginsel) en vertrouwensbeginsel) moet worden opgemerkt dat er geen rechtmatig vertrouwen in de door de appellanten voorgehouden zin in hoofde van de oorspronkelijke appellant werd gecreëerd. Hierbij moet worden opgemerkt dat een dergelijk rechtmatig vertrouwen ook niet kan tot stand komen in strijd met de uitdrukkelijke wetsbepalingen (zie hiervoor) wat betreft het bijhouden en voorleggen van verantwoordingsstukken.
Gelet op hetgeen voorafgaat heeft de administratie terecht de boekhouding van de oorspronkelijke appellant verworpen.
De administratie heeft verder de belastingontduiking van de oorspronkelijke appellant correct afgeleid uit de gegevens getapt uit de computerbestanden van de BVBV W. Drankencentrale, gegevens op naam van de oorspronkelijke appellant. Het gaat om bekende feiten in de zin van het artikel 1349 BW, waarmee vaststaat welke leveringen en voor welke hoeveelheid door de oorspronkelijke appellant werden afgenomen. De betrouwbaarheid van de computergegevens vindt bevestiging in de verklaring van de zaakvoerder van de BVBV W. Drankencentrale waarin bevestigd wordt dat niet-officiële leveringen aan klanten gebeurden. Er is dan ook geen sprake van een opeenstapeling van vermoedens zoals de appellanten ten onrechte voorhouden. De geïntimeerde heeft aldus de verdoken meeromzet van de oorspronkelijke appellant kunnen afleiden door de gegevens van de computer van de BVBA W. Drankencentrale te vergelijken met de gegevens in de boekhouding van de oorspronkelijke appellant om aldus tot de vaststelling te komen dat de oorspronkelijke appellant goederen had afgenomen van de BVBA W. Drankencentrale die hij niet heeft opgenomen in zijn eigen boekhouding.
In deze omstandigheden is dan ook geen sprake van willekeur, zoals de appellanten voorhouden, terwijl de van de BVBA W. Drankencentrale bekomen gegevens als voldoende bewijskrachtig te beschouwen zijn. Deze laatste had er immers belang bij o op een of andere wijze een boekhouding te voeren die voor hem precies genoeg was om ook te kunnen terugvinden wat hij eventueel aan zijn klanten had geleverd op niet-officiële wijze.
Voor zoveel als nodig moet worden vastgesteld dat het geen zin heeft om leden van de Lokale Opsporingsdienst Tielt te horen als getuige, nu zij volgens de appellanten als klant de eetgelegenheid van de oorspronkelijke appellant zouden hebben bezocht, en zich ter gelegenheid daarvan niet uit te laten hadden over zijn wijze van voeren van de boekhouding, laat staan van deze boekhouding voldoende kennis hadden om zich erover uit te kunnen laten. De eventuele getuigenis van één van deze ambtenaren over het feit dat de oorspronkelijke appellant op geen enkel ogenblik klanten zou hebben afgerekend zonder de uitreiking van hetzij een BTW-briefje voor de maaltijden, hetzij een kasticket voor de dranken, is evenmin van aard iets bij te brengen, nu daaruit niet zou kunnen afgeleid worden dat de oorspronkelijke appellant voor al zijn klanten correct handelde.
4. In hun pleidooi ter gelegenheid van de behandeling van de zaak voor het hof van beroep, vijfde kamer, lieten de raadslieden van de appellanten gelden dat door het overlijden van de oorspronkelijke appellant de vraag moest gesteld worden of de administratieve boete gelet op haar strafrechtelijk karakter nog ten laste van de erfgenamen kon worden gelegd, en stelden zij dat dit niet het geval is. De raadsman van de geïntimeerde heeft dit standpunt betwist.
De opgelegde administratieve boete heeft een strafrechtelijk karakter in de zin van artikel 6 EVRM. Deze boete is erop gericht zowel de belastingplichtige aan te zette zijn verplichtingen na te komen om de geldboete te vermijden, als het niet nakomen van zijn verplichtingen te bestraffen om herhaling van deze inbreuken te voorkomen. Deze administratieve boete heeft als straf een persoonlijk karakter, terwijl het aangehaald doel van de straf toch maar kan bereikt worden indien de straf op de dader zelf wordt toegepast. Verder onderstelt het artikel 6 EVRM dat iemand die vervolgd wordt in de zin van deze bepaling het recht heeft om zich te verdedigen, wat na zijn overlijden niet meer mogelijk is.
Ter eerbiediging van het artikel 6 EVRM en van het beginsel dat de straf persoonlijk is, kan de door de administratie opgelegde administratieve boete niet behouden worden.
Daaraan moet worden toegevoegd dat in het kader van de toepassing van het artikel 6 EVRM het een fundamentele regel is dat de strafrechtelijke aansprakelijkheid de dader niet overleeft (dit wordt afgeleid uit het vermoeden van onschuld van artikel 6 § 2 EVRM en het principe dat het erven van de strafrechtelijke aansprakelijkheid niet verenigbaar is met de regels van strafrecht in een maatschappij beheerst door de preëminetie van het recht; zie o.m. EHRM, dd. 12.7.2012, Lagardère tegen Frankrijk, cijfer 77, http://hudoc.echr.coe.int).
Ook het Grondwettelijk Hof beslist reeds in verband met het artikel 132 W. Succ. (Gw.Hof, nr. 119/2009, dd. 16.7.2009, cijfers B.6.3 en B.6.4).
B.6.3. Uit artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en uit de waarborgen van die voortvloeien uit de algemene beginselen van het strafrecht, die ook van toepassing zijn op administratieve geldboeten met een overwegend repressief karakter, volgt evenwel dat de fundamentele beginselen van het persoonlijk karakter van de straffen en van het vermoeden van onschuld in acht dienen te worden genomen.
B.6.4. Doordat artikel 132 van het Wetboek der successierechten bepaalt dat in geval van overlijden van een persoon die een evenredige boete opgelopen heeft, de erfgenaam, legataris of begiftigde van die persoon gehouden is die boete, minstens ten dele, te voldoen, doet die bepaling op discriminatoire wijze, ten nadelen van voormelde categorie van personen, afbreuk aan de voormelde fundamentele beginselen.”.
Beschikkend gedeelte
OP DEZE GRONDEN
HET HOF, rechtdoende op tegenspraak,
Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken;
Geeft akte aan de huidige appellanten van hun gedingshervatting in opvolging van wijlen J. D., overleden te … op 1.12.2012.
Ontvangst van het hoger beroep, en verklaart het deel gegrond;
Ontvangt het incidenteel beroep doch verklaart het ongegrond;
Doet het bestreden vonnis teniet, behalve in zoverre dit de oorspronkelijke vordering van de oorspronkelijke appellant ontvankelijk verklaart;
Verklaart de oorspronkelijke vordering van de oorspronkelijke appellant deels gegrond;
Vernietigt het dwangbevel (RCIV nr. …) op naam van de oorspronkelijke appellant, uitgevaardigd te … op 9.6.2010 door F. V. L., wnd. Eerstaanwezend inspecteur, geviseerd en uitvoerbaar verklaard door M. C., gewestelijke directeur van de BTW te Brugge, op 14.6.2010, in de mate waarin een administratieve boete wordt opgelegd, verschuldigd door de erfgenamen van de oorspronkelijke appellant;
Wijst het anders gevorderde af als ongegrond;
Veroordeelt de appellanten tot de helft van de kosten van de beide aanleggen en de geïntimeerde tot de andere helft van deze kosten, en begroot deze kosten in hun geheel als volgt :
?aan de zijde van de appellanten op 5.500,00 EUR rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg + … EUR rechtsplegingsvergoeding hoger beroep, hetzij in totaal … EUR;
?aan de zijde van de geïntimeerde op … EUR rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg + … EUR rechtsplegingsvergoeding hoger beroep, hetzij in totaal … EUR.
Aldus gewezen door de vijfde kamer van het hof van beroep te Gent, rechtdoende in fiscale zaken, samengesteld uit :
Ondertekeningen
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.