Kamer, Vragen en Antwoorden, 2012-2013, QRVA 53/091 d.d. 03.12.2012, blz. 136
Omzetting van de tweede factureringsrichtlijn.
VRAAG
1. Volgt u de interpretatie van Philippe Prégardien, eerstaanwezend inspecteur van het btw-kantoor te Flémalle, die in een artikel in de Revue Générale de Fiscalité 2012.1 (blz. 6) schrijft dat richtlijn 2010/45/EU van de Raad van 13 juli 2010 tot wijziging van richtlijn 2006/112/EG betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde wat de factureringsregels betreft, nieuwe verplichtingen doet ontstaan met betrekking tot de facturen op papier, met het oog op de gelijke behandeling van papieren en elektronische facturen?
2. Hoe valt een dergelijke interpretatie te rijmen met overweging nr. 8 van richtlijn 2010/45/EU,
waarin wordt bepaald dat papieren en elektronische facturen gelijk moeten worden behandeld en de administratieve last bij papieren facturering niet verzwaard mag worden?
ANTWOORD
(van de heer Vanackere, Vice-eersteminister en minister van Financiën en Duurzame Ontwikkeling, belast met Ambtenarenzaken )
Richtlijn 2010/45/EU (van de Europese Raad) van 13 juli 2010 wil in de eerste plaats aan de ondernemingen de gelegenheid bieden om ten volle gebruik te maken van de mogelijkheden van elektronische facturering en wel meer bepaald om op die manier de met papieren facturen gepaard gaande administratieve kosten drastisch te verminderen en hun concurrentiepositie op de wereldmarkt te verbeteren.
Uit overweging 8 van deze richtlijn volgt dat papieren en elektronische facturen gelijk moeten worden behandeld en dat de administratieve last bij papieren facturering niet mag worden verzwaard.
Artikel 233 van voornoemde richtlijn plaatst de papieren en elektronische factuur op gelijke voet, door te bepalen dat de authenticiteit van de oorsprong, de integriteit van de inhoud en de leesbaarheid van de factuur, moeten worden gewaarborgd vanaf het tijdstip waarop de factuur wordt uitgereikt, tot het einde van de bewaringstermijn en dit ongeacht of het een factuur op papier betreft, dan wel een in een elektronisch formaat. Aangezien zowel voor de papieren factuur, als voor de elektronische factuur elke belastingplichtige vrij is om te bepalen op welke wijze hij aan deze drie voorwaarden gaat voldoen, legt de genoemde bepaling overigens geen bijkomende administratieve lasten op met betrekking tot papieren facturen. Bedrijfscontroles die een betrouwbaar controlespoor vormen tussen een factuur en een levering van een goed of dienst, zijn slechts een voorbeeld van de wijze waarop aan de vermelde voorwaarden kan worden voldaan.
Artikel 36 van het wetsontwerp tot wijziging van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, zoals ingediend in de Kamer van volksvertegenwoordigers (Parl. St., Kamer, 2012-2013, Doc 53 K 2450), vervangt aldus het oude artikel 60 van het Btw-Wetboek.
Artikel 60, § 5, nieuw, van het Btw-Wetboek, dat vanaf 1 januari 2013 van kracht gaat, bepaalt dat de authenticiteit van de herkomst, de integriteit van de inhoud en de leesbaarheid van de factuur, op papier of in elektronisch formaat, moeten worden gewaarborgd vanaf het tijdstip waarop de factuur wordt uitgereikt tot het einde van de bewaringstermijn (eerste lid).
Bovendien voorziet dit artikel dat elke belastingplichtige zelf bepaalt hoe de authenticiteit van de herkomst, de integriteit van de inhoud en de leesbaarheid van de factuur worden gewaarborgd. In de mate een bedrijfscontrole een betrouwbaar controlespoor aantoont tussen een factuur en een levering van een goed of een dienst, kan deze gebruikt worden om deze waarborg te leveren (vierde lid). Het huidige artikel 60, § 3, tweede lid, van het Btw-Wetboek bevat overigens reeds een gelijkaardige bepaling.