ANTWOORD
(van de heer Reynders, Vice-eersteminister en minister van Financiën en Institutionele Hervormingen)
1. Allereerst dient te worden verduidelijkt dat, enerzijds, de hieronder beoogde gevallen enkel handelingen betreffen waarvoor de btw in België opeisbaar is en, anderzijds, dat het aangewezen is een onderscheid te maken naargelang de aard van de desbetreffende handelingen daar de toe te passen regels, inzake opeisbaarheid in het bijzonder, in verschillende wettelijke bepalingen zijn opgenomen.
- De leveringen van goederen tussen belastingplichtigen vanuit een andere lidstaat naar België, wat de situatie is die blijkbaar door het geachte lid wordt beoogd, worden in principe opgesplitst in twee handelingen: een vrijgestelde intracommunautaire levering in de lidstaat van vertrek en een belaste intracommunautaire verwerving in België.
Het factureren van een voorschot maakt de btw ten aanzien van de verwerving niet opeisbaar overeenkomstig artikel 25septies, § 2, 2e lid, van het Btw-Wetboek.
In voorkomend geval wordt de belasting opeisbaar op de vijftiende van de maand volgend op die waarin het belastbaar feit heeft plaatsgevonden, of op het tijdstip van het uitreiken van de factuur met betrekking tot de levering wanneer dat tijdstip voorafgaat aan die vijftiende dag.
Indien het echter om een levering zou gaan die in België plaatsvindt, inzonderheid omdat het vervoer hier aanvangt of nog omdat de goederen hier door de leverancier of voor zijn rekening worden geïnstalleerd of gemonteerd, dient artikel 17, § 1, 1e lid, van het Wetboek te worden toegepast, dat voorziet dat de belasting opeisbaar wordt op het tijdstip waarop de levering van het goed plaatsvindt.
Het tweede lid van dat artikel voorziet echter dat wanneer de prijs of een deel ervan vóór dat tijdstip wordt gefactureerd of ontvangen, de belasting evenwel over het gefactureerde of ontvangen bedrag opeisbaar wordt, al naar het geval, op het tijdstip van het uitreiken van de factuur of op het tijdstip van de incassering.
- Voor de diensten voorziet artikel 22, § 2, 1e lid, van het Wetboek dat de belasting opeisbaar wordt op het tijdstip waarop de dienst voltooid is.
Wordt de prijs of een deel ervan echter vóór dat tijdstip gefactureerd of ontvangen, dan wordt de belasting over het gefactureerde of ontvangen bedrag opeisbaar, al naar het geval, op het tijdstip van het uitreiken van de factuur of op het tijdstip van de incassering (zie het 2e lid van voornoemde bepaling).
Overeenkomstig het derde lid van diezelfde bepaling, wordt er echter geen rekening gehouden met de facturering voor de diensten waarvoor de belasting verschuldigd is door de ontvanger krachtens artikel 51, § 2, eerste lid, 1°, van het Wetboek.
Met andere woorden, in het beoogde geval is de belasting die verschuldigd is in hoofde van de ontvanger van de dienst opeisbaar bij de voltooiing van de dienstverrichting (onder voorbehoud van de toepassing van de regel bij eerdere incassering).
De facturering wordt daarentegen nog steeds in overweging genomen wat de diensten betreft waarvan de plaatsbepaling gebeurt overeenkomstig artikel 21, § 3, van het Wetboek, daar deze niet beoogd worden door artikel 51, § 2, eerste lid, 1°, van het Wetboek.
2. Om te bepalen op welk moment een in België gevestigde belastingplichtige een handeling moet opnemen in zijn btw-opgave van de intracommunautaire handelingen, dient rekening gehouden te worden met de regels inzake opeisbaarheid.
Bijgevolg moet er een onderscheid worden gemaakt tussen enerzijds de opname van vrijgestelde intracommunautaire leveringen en anderzijds de opname van dienstverrichtingen die overeenkomstig artikel 21, § 2, van het Btw-Wetboek plaatsvinden in een andere lidstaat en waarvoor de ontvanger de schuldenaar is van de btw (artikel 196 van Richtlijn 2006/112/EG - cfr. artikel 51, § 2, eerste lid, 1°, van het Btw-Wetboek): - wat betreft de vrijgestelde intracommunautaire leveringen die moeten worden opgenomen in de btw-opgave van de intracommunautaire handelingen, moet een belastingplichtige één enkele opname verrichten in de btw-opgave van de intracommunautaire handelingen met betrekking tot het tijdvak waarin, overeenkomstig artikel 17, § 2, tweede lid, van het Btw-Wetboek, de belasting opeisbaar is geworden (artikel 53sexies, § 1, 1°, van het Btw-Wetboek); voor een vrijgestelde intracommunautaire levering wordt de belasting opeisbaar de vijftiende dag van de maand volgend op de maand waarin zich het belastbaar feit heeft voorgedaan, of op het tijdstip van het uitreiken van de factuur met betrekking tot de levering, in zoverre de uitreiking van de factuur voorafgaat aan die vijftiende dag.
- wat betreft de dienstverrichtingen die moeten worden opgenomen in de btw-opgave van de intracommunautaire handelingen, moet een in België gevestigde belastingplichtige een opname verrichten voor elk tijdvak waarin, overeenkomstig de artikelen 63 en 65 van de Richtlijn 2006/112/EG (vgl. artikel 22, § 2, eerste en derde lid, van het Btw-Wetboek), de belasting opeisbaar is geworden (artikel 53sexies, § 1, 3°, van het Btw-Wetboek); voor een dienstverrichting die geacht wordt plaats te vinden in de lidstaat van de ontvanger (artikel 44 van Richtlijn 2006/112/EG - cfr. artikel 21, § 2, van het Btw-Wetboek), waarbij de belasting verschuldigd is door de ontvanger, wordt de belasting opeisbaar, hetzij op het tijdstip waarop het belastbaar feit zich voordoet, hetzij op het moment van de ontvangst van een voorschot, ten belope van het ontvangen bedrag, als de incassering vóór het belastbaar feit plaatsvindt.
Dit betekent bijgevolg dat de in België gevestigde belastingplichtige zou kunnen gehouden zijn tot het verrichten van twee opnames in de btw-opgave van de intracommunautaire handelingen die betrekking hebben op dezelfde handeling, in de situatie dat hij een gedeeltelijke betaling zou ontvangen vóór het belastbaar feit (een eerste opname met betrekking tot het tijdvak waarin hij de gedeeltelijke betaling heeft ontvangen ten belope van dit bedrag en een tweede opname met betrekking tot het tijdvak waarin zich het belastbaar feit heeft voorgedaan voor het resterende bedrag).