lid 1In afwijking van artikel 1 kan deel 1 van de intracommunautaire opgave voor elk kalenderkwartaal worden ingediend uiterlijk de vijfentwintigste van de maand volgend op het tijdvak waarop het betrekking heeft, wanneer het driemaandelijks totaalbedrag van de leveringen van goederen als bedoeld in artikel 1, 2°, a), b) en c), niet meer dan 50.000 euro bedraagt, noch in de loop van het betrokken kalenderkwartaal, noch in de loop van elk van de vier voorafgaande kalenderkwartalen.
lid 2Deze afwijking is slechts van toepassing voor de belastingplichtigen die de in artikel 53, § 1, eerste lid, 2°, van het Wetboek bedoelde aangifte driemaandelijks indienen en voor degenen die deze aangifte niet moeten indienen, alsook voor de leden van een btw-eenheid in de zin van artikel 4, § 2, van het Wetboek die deze aangifte driemaandelijks indient of die deze aangifte niet moet indienen.
lid 3Deze afwijking is niet langer van toepassing vanaf het einde van de maand waarin het in het eerste lid bedoelde bedrag wordt overschreden. In dat geval wordt het deel 1 van de intracommunautaire opgave opgemaakt per maand die verstreken is sinds het begin van het kalenderkwartaal en ingediend uiterlijk de vijfentwintigste dag van de maand volgend op de maand waarin de overschrijding heeft plaatsgevonden.
lid 1In afwijking van artikel 1 dienen de landbouwondernemers die niet gehouden zijn tot de indiening van de in artikel 53, § 1, eerste lid, 2°, van het Wetboek bedoelde aangifte, ieder jaar ten laatste op 31 maart het deel 1 van de intracommunautaire opgave in die de in de artikelen 1 tot 3 bedoelde gegevens met betrekking tot het verstreken kalenderjaar bevat.
lid 2Wanneer een in het eerste lid bedoelde belastingplichtige die hoedanigheid verliest, dient hij deel 1 van zijn intracommunautaire opgave in binnen drie maanden vanaf dit verlies.