Algemene Administratie van de Fiscaliteit – Operationele Expertise en Ondersteuning
Dienst BTW
Belasting over de toegevoegde waarde
Beslissing Btw nr. E.T.127.577 dd. 03.04.2015
Btw-eenheid
Arrest C-7/13, Skandia America Corp. d.d. 17.09.2014
Handelingen hoofdkantoor-filiaal
In principe zijn handelingen tussen twee inrichtingen van een belastingplichtige niet onderworpen aan btw, omdat ze aangemerkt worden als een interne handeling van de belastingplichtige (HJEU, arrest FCE Bank, arrest C-210/04, van 23.03.2006).
In het arrest van 17.09.2014 in de zaak C-7/13, Skandia America Corp. (USA), filial Sverige, heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie evenwel voor recht gezegd dat de artikelen 2, lid 1, 9 en 11 van de btw-richtlijn moeten worden uitgelegd dat de diensten die een in een derde land gevestigd hoofdkantoor verricht voor zijn filiaal in een lidstaat, belastbare handelingen vormen indien dat filiaal lid is van een groep personen die voor de belasting over de toegevoegde waarde als één belastingplichtige kunnen worden aangemerkt.
Het betrof een zaak waarin een belastingplichtige (hoofdkantoor) gevestigd buiten de Gemeenschap (VS) beschikt over een filiaal (dat geen afzonderlijke juridische entiteit is) in een lidstaat (Zweden). Deze inrichting maakt in die lidstaat deel uit van een btw-eenheid. Het hoofdkantoor verricht IT-diensten voor het filiaal, waarvoor een vergoeding wordt betaald.
Wanneer een inrichting van die belastingplichtige bijgevolg deel uitmaakt van een btw-eenheid, wordt die inrichting, voor de toepassing van de btw, feitelijk aangemerkt als een persoon onderscheiden van het hoofdkantoor.
De redenering van het Hof steunt op de vaststelling dat een in een bepaalde lidstaat gevestigd filiaal dat in die lidstaat deel uitmaakt van een btw-eenheid, samen met de andere leden van die btw-eenheid één enkele belastingplichtige vormt. Bovendien moeten diensten verricht door een derde voor een lid van een btw-eenheid niet worden beschouwd als verricht voor dat lid maar verricht voor de btw-eenheid waartoe dat lid behoort.
GEVOLGEN INZAKE BELASTBAARHEID
Het arrest heeft slechts gevolgen indien een belastingplichtige beschikt over meerdere inrichtingen waarvan minstens één niet gevestigd in België. Het is immers zo dat een Belgische belastingplichtige die toetreedt tot een btw-eenheid in België steeds geacht wordt toe te treden met alle inrichtingen waarover hij in België beschikt.
Bijgevolg zijn de handelingen verricht onder bezwarende titel (vb. diensten, leveringen van goederen, ...), wanneer ze worden verricht tussen twee inrichtingen van een belastingplichtige A, met name een inrichting A1 in België en een inrichting A2 buiten België, onderworpen aan de btw, wanneer één of beide inrichtingen in hun land deel uitmaken van een btw-eenheid in de zin van artikel 11 van de btw-richtlijn.
Aangezien inrichtingen A1 en A2 moeten worden aangemerkt als afzonderlijke belastingplichtigen, zijn in hoofde van beide entiteiten voor de toepassing van de btw de normale regels van toepassing, zoals dit ook het geval zou zijn bij twee juridisch onderscheiden entiteiten (vb. inzake plaatsbepalingsregels, de regels inzake schuldenaar, verplichtingen, de toepassing van een vrijstelling, enz.).
Het is overigens niet van belang of de handeling al dan niet het voorwerp zal uitmaken van interne doorrekeningen binnen de btw-eenheid (vgl. toepassing artikel 19bis, van het Btw-Wetboek en het antwoord op de mondelinge vraag nr. 15082 van de heer Tommelein van 23.04.2007, Kamercommissie Financiën).
Voorbeeld
Een Nederlands hoofdhuis A1 rekent IT-kosten door aan haar Belgische vaste inrichting A2. A2 maakt deel uit van een btw-eenheid in België.
Deze dienstprestatie vindt op basis van de B2B-hoofdregel plaats in België (art. 21, § 2 van het Btw-Wetboek). A1 brengt geen Belgische btw in rekening, maar vermeldt op zijn factuur: “btw verlegd”. De Belgische btw moet worden voldaan via de periodieke btw-aangifte van de btw-eenheid in België, waarvan A2 deel uitmaakt (art. 51, § 2, eerste lid, 1°, van het Btw-Wetboek), ongeacht of A2 die kosten al dan niet doorrekent aan een ander lid van de btw-eenheid in België.
GEVOLGEN VOOR HET RECHT OP AFTREK
In het hierboven besproken voorbeeld zal het recht op aftrek beperkt worden indien de btw-eenheid moet beschouwd worden als een gemengde belastingplichtige.
Het arrest C-7/13 merkt, voor de toepassing van de btw, het hoofdkantoor en het filiaal als afzonderlijke belastingplichtigen aan, wanneer een van beide inrichtingen deel uitmaakt van een btw-eenheid. Bijgevolg is er in hoofde van een inrichting A in België (vb. het hoofdkantoor) geen recht op aftrek van de btw geheven van de leveringen van goederen en diensten die aan A worden gefactureerd of aangerekend, maar die in werkelijkheid worden verstrekt voor de behoeften van een inrichting B buiten België (vb. een filiaal van de belastingplichtige in Spanje), wanneer die kosten niet worden doorgerekend aan B.
In dezelfde gedachtegang mag voor het vaststellen van het algemeen verhoudingsgetal in hoofde van een belastingplichtige gevestigd in België geen rekening worden gehouden met de uitgaande handelingen van zijn inrichtingen in het buitenland wanneer die belastingplichtige in België en/of de buiten België gevestigde inrichtingen aldaar, deel uitmaken van een btw-eenheid.
Voorbeeld
Een in België gevestigd filiaal B1 van een Spaanse bankinstelling B2 maakt in België deel uit van een btw-eenheid. Gelet op de aard van haar uitgaande handelingen, heeft de Belgische btw-eenheid de hoedanigheid van een gemengde btw-belastingplichtige. Ze oefent haar recht op aftrek uit volgens de regels van het algemeen verhoudingsgetal. De btw-eenheid, waarvan B1 deel uitmaakt, mag bij de berekening van haar aftrekpercentage geen rekening houden met de omzet van de Spaanse hoofdzetel B2.
De bepalingen van artikel 19bis van het Btw-Wetboek kunnen, ingevolge voornoemd arrest C-7/13, niet meer van toepassing zijn op handelingen die een buiten België gevestigde belastingplichtige verricht voor één van zijn vestigingen in België die lid is van een btw-eenheid. Dit artikel heeft bijgevolg geen bestaansreden meer en zal worden opgeheven.
INWERKINGTREDING
De administratie eist de toepassing van de gevolgen van het arrest C-7/13, Skandia America Corp. (USA), filial Sverige, vanaf 01.07.2015.
J. MARCKX
Adviseur-generaal