ANTWOORD
Vooreerst wordt aan het geachte lid het volgende verduidelijkt.
Onderhavig antwoord houdt uitsluitend rekening met de veronderstelling dat de aankopen en verkopen van de in een douane- of BTW-entrepot geplaatste goederen worden verricht door de buitenlandse belastingplichtige, aankoper-verkoper, met behoud van deze regelingen, hetgeen betekent dat deze belastingplichtige de goederen niet uit het entrepot uitslaat.
Bovendien is de door de buitenlandse belastingplichtige aangeduide aansprakelijke vertegenwoordiger noodzakelijkerwijze een aansprakelijke vertegenwoordiger met toekenning van een Belgisch individueel BTW-identificatienummer waaronder hij de buitenlandse belastingplichtige vertegenwoordigt. De regeling van de vertegenwoordiging met een Belgisch globaal BTW-identificatienummer kan immers niet worden toegepast voor de bovengenoemde handelingen.
1. De in het onderhavige geval beoogde handelingen zijn vrijgesteld van de belasting over de toegevoegde waarde, enerzijds krachtens artikel 40, § 2, 1°, van het BTW-Wetboek, indien het goederen betreft die geplaatst zijn in een douane-entrepot, en anderzijds krachtens artikel 39quater, § 1, 2° van hetzelfde wetboek, indien het goederen betreft die geplaatst zijn in een BTW-entrepot.
Voor het verrichten van de genoemde handelingen is de niet in België gevestigde belastingplichtige ervan ontheven hier te lande een aansprakelijke vertegenwoordiger te laten erkennen bij toepassing van artikel 55, vierde lid, van het BTW-Wetboek. Uit deze ontheffing vloeit voort dat de bedoelde handelingen niet worden opgenomen in een Belgische BTW-aangifte.
Indien echter, zoals het geachte lid stelt, de buitenlandse belastingplichtige over een aansprakelijke vertegenwoordiger in België beschikt, zijn de volgende principes van toepassing met betrekking tot de door deze laatste na te leven verplichting inzake het aangeven aan de BTW van de in het onderhavige geval beoogde handelingen. Alhoewel zoals hierboven reeds werd vermeld de betreffende handelingen vrijgesteld zijn van de belasting en niet de voorafgaande erkenning vereisen van een Belgische aansprakelijke vertegenwoordiger, moeten deze handelingen worden geboekt door de vertegenwoordiger van de buitenlandse belastingplichtige. De bedoelde handelingen moeten tevens worden opgenomen in de periodieke BTW-aangifte die de vertegenwoordiger indient voor de buitenlandse belastingplichtige (de aankopen worden vermeld in rooster 81, de verkopen in rooster 47). Deze oplossing geldt zowel voor de handelingen verricht in douane-entrepot als in BTW-entrepot.
2.
a) Wat betreft de verplichting tot facturering is de Belgische regelgeving terzake (die onder andere het voorwerp uitmaakt van het koninklijk besluit nr. 1 van 29 december 1992 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde) van toepassing op een niet in dit land gevestigde onderneming in de mate waarin deze onderneming handelingen verricht die plaatsvinden in België. Dit principe geldt bovendien ook voor de handelingen waarvoor de buitenlandse onderneming ontheven is van de verplichting om in België een aansprakelijke vertegenwoordiger te laten erkennen.
Aangezien de in de huidige vraag beoogde handelingen bij toepassing van artikel 15 van het BTW-Wetboek plaatsvinden in België, is de buitenlandse belastingplichtige die leveringen verricht van goederen die zich bevinden in een Belgisch BTW-entrepot of douane-entrepot er bijgevolg toe gehouden tot het uitreiken van een factuur tot vaststelling van deze handelingen.
In het geval deze belastingplichtige gebruik maakt van de ontheffing om een aansprakelijke vertegenwoordiger te laten erkennen, stuurt hij de factuur rechtstreeks naar zijn medecontractant. Deze factuur moet alle door de Belgische regelgeving vereiste vermeldingen bevatten.
Wanneer de belastingplichtige een aansprakelijke vertegenwoordiger in België heeft aangeduid, is de hiernavolgende procedure inzake facturering van toepassing.
Krachtens artikel 4, § 1, van het koninklijk besluit nr. 31 van 29 december 1992 met betrekking tot de toepassingsmodaliteiten van de belasting over de toegevoegde waarde ten aanzien van de handelingen verricht door niet in België gevestigde belastingplichtigen, dient de buitenlandse belastingplichtige de voor zijn medecontractant bestemde factuur naar zijn aansprakelijke vertegenwoordiger te sturen. Overeenkomstig § 2 van de bovengenoemde bepaling dient deze vertegenwoordiger vervolgens in die hoedanigheid een stuk in tweevoud op te stellen waarin de door de Belgische regelgeving vereiste gegevens voorkomen en waarvan hij het origineel naar de medecontractant van de buitenlandse belastingplichtige stuurt na de factuur van deze laatste eraan gehecht te hebben. De vertegenwoordiger moet het dubbel van bovengenoemd stuk bewaren.
De buitenlandse belastingplichtige heeft evenwel de mogelijkheid om de factuur rechtstreeks naar zijn medecontractant te sturen indien hij gebruik maakt van de vergunning die het voorwerp uitmaakt van de beslissing van 28 april 1994, nr. ET 80 910 (zie BTW Revue, nr. 110, blz. 1028 tot 1030) en die de aansprakelijke vertegenwoordiger ontslaat van de verplichting het in artikel 4, § 2, van het bovengenoemd koninklijk besluit nr. 31 beoogde stuk op te stellen.
b) Er wordt van de buitenlandse belastingplichtige geen specifiek document gevraagd om de vrijstelling van de BTW te verantwoorden die hij toepast op de levering van goederen verricht onder de regeling douane-entrepot met handhaving van die regeling.
De toegepaste vrijstelling moet derhalve worden verantwoord aan de hand van een geheel van overeenstemmende documenten waaruit de echtheid van de situatie blijkt.
Wat betreft de levering van goederen verricht onder de regeling BTW-entrepot, met handhaving van die regeling, is het in tegenstelling tot de algemene regel, niet de leverancier die schuldenaar is van de belasting verschuldigd op deze handeling, maar wel de koper van de goederen en dit krachtens artikel 51, § 2, 3°, van het BTW-Wetboek.
De leverancier moet de vrijstelling van de BTW met betrekking tot dergelijke handeling dus niet verantwoorden. Hij moet wel kunnen aantonen dat de levering die hij verricht, een handeling is bedoeld in artikel 39quater, § 1, 2°, van het BTW-Wetboek.
De koper van zijn kant moet, als schuldenaar van de BTW op de levering van goederen die aan hem wordt verricht, het recht op vrijstelling van de belasting verantwoorden. De koper moet eveneens kunnen aantonen dat die vrijstelling, die overeenkomstig artikel 7, § 1, van het koninklijk besluit nr. 54 van 25 februari 1996 met betrekking tot de andere regeling van entrepot dan douane-entrepot bedoeld in artikel 39quater van het Wetboek over de toegevoegde waarde, voorlopig is toegekend, overeenkomstig artikel 7, § 2, 1°, van datzelfde koninklijk besluit definitief is geworden als gevolg van de levering met handhaving van de regeling van de goederen die hij heeft gekocht.
In dat verband is voorzien dat wat de levering van goederen betreft, die zich in een BTW-entrepot bevinden met handhaving van de regeling, de leverancier op de factuur die hij moet uitreiken, naast de gebruikelijke vermeldingen bedoeld in artikel 5, § 1, van het koninklijk besluit nr. 1, de volgende specifieke vermeldingen moet aanbrengen:
•de naam, het adres en het eigen Belgisch BTW-identificatienummer van de vergunninghouder;
•het nummer van de vergunning BTW-entrepot waar de goederen zijn opgeslagen;
•in plaats van de vermelding van de tarieven en van de verschuldigde belasting, de vermelding: Levering met handhaving van de regeling BTW- entrepot - Artikel 39quater, § 1, 2°, van het wetboek. BTW opeisbaar in hoofde van de medecontractant - Artikel 51, § 2, 3°, van het BTW- Wetboek.