Deze beslissing werd opgeheven en vervangen met ingang van 08.10.2024 door de Circulaire 2024/C/61 van 07.10.2024 betreffende belastingplicht van gerechtsdeurwaarders op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde
Algemene Administratie van de Fiscaliteit
Centrale diensten - directies I/7- I/8 - I/11
Wetswijziging op 1 januari 2012
Artikel 44, § 1, 1°, van het Btw-Wetboek
Onderwerping aan de btw van de prestaties van gerechtsdeurwaarders vanaf 1 januari 2012
Zie ook het addendum Beslissing BTW nr. E.T.122.121/2 dd. 23 april 2012
1. Wettelijk kader
Bij artikel 53 van de wet van 28 december 2011 houdende diverse bepalingen werd de btw-vrijstelling met betrekking tot de prestaties van notarissen en gerechtsdeurwaarders, zoals voorzien door artikel 44, §1, 1°, van het Btw-Wetboek, met ingang van 1 januari 2012 opgeheven.
Bijgevolg dienen de gerechtsdeurwaarders vanaf voornoemde datum hun prestaties aan de btw te onderwerpen.
Onderhavige beslissing heeft tot doel de nieuwe regeling die op het vlak van de belasting over de toegevoegde waarde van toepassing is op gerechtsdeurwaarders toe te lichten. Hoewel hierna enkel nog de term gerechtsdeurwaarders wordt vermeld, spreekt het voor zich dat daarmee eveneens de rechtspersonen handelend onder het toezicht en de verantwoordelijkheid van een gerechtsdeurwaarder worden beoogd.
2. Plaats van de dienst - belastbaar feit - opeisbaarheid van de belasting
2.1. Plaats van de dienst
De btw is in België opeisbaar mits de prestatie van de gerechtsdeurwaarder in België geacht wordt plaats te vinden. De vaststelling van de plaats van de handeling wordt in het Btw-Wetboek geregeld door de artikelen 21 (diensten tussen btw-belastingplichtigen) en 21bis (diensten tussen een btw-belastingplichtige en een niet-btw-belastingplichtige).
Voor een algemeen commentaar terzake wordt verwezen naar de circulaire AFZ nr. 19/2009 van 22 december 2009 en circulaire AFZ nr. 5/2011 van 27 juni 2011.
De plaats van diensten verricht door een gerechtsdeurwaarder in de uitoefening van zijn geregelde werkzaamheid van openbaar ambtenaar moet in principe worden bepaald overeenkomstig de algemene regels inzake plaats van de dienst in functie van de hoedanigheid van de afnemer van de dienst.
De plaats van een dienst verschilt naargelang de ontvanger van de dienst al dan niet de hoedanigheid van belastingplichtige heeftin de zin van artikel 21, § 1, van het Btw-Wetboek1.
Artikel 21, § 1, van het Btw-Wetboek bepaalt wat moet worden verstaan onder belastingplichtige voor de toepassing van de regels inzake de plaatsbepaling, namelijk:
1.de persoon bedoeld inartikel 4 van het Btw-Wetboek;
2.de belastingplichtige die ook werkzaamheden of handelingen verricht die niet als handelingen bedoeld in artikel 2 van het Wetboek worden aangemerkt;
3.de niet-belastingplichtige rechtspersoon die voor btw-doeleinden is geïdentificeerd.
Voor een uitgebreider commentaar in verband met deze drie categorieën van belastingplichtigen, wordt verwezen naar punten 6 t.e.m. 10 vande circulaire AFZ 19/2009 van 22 december 2009.
Wanneer de afnemer van de dienst de hoedanigheid heeft van belastingplichtige in de zin van hetgeen voorafgaat, dan dient de plaats van de dienst te worden bepaald overeenkomstig de bepalingen van artikel 21 van het Btw-Wetboek. Voor wat in het bijzonder de prestaties van gerechtsdeurwaarders betreft, wordt de plaats van de dienst bepaald door artikel 21, § 2, van voornoemd Wetboek.
Overeenkomstig artikel 21, § 2, van het Btw-Wetboek vindt de dienst verricht voor een als zodanig handelende belastingplichtige, plaats daar waar deze belastingplichtige de zetel van zijn economische activiteit heeft gevestigd. Worden deze diensten evenwel verricht voor een vaste inrichting van de belastingplichtige op een andere plaats dan die waar hij de zetel van zijn economische activiteit heeft gevestigd, dan geldt als plaats van de dienst de plaats waar deze vaste inrichting zich bevindt. Bij gebrek aan een dergelijke zetel of vaste inrichting, geldt als plaats van de dienst de woonplaats of gebruikelijke verblijfplaats van de belastingplichtige die deze diensten afneemt.
Heeft de afnemer van de dienst daarentegen niet de hoedanigheid van belastingplichtige in de zin van artikel 21, § 1, voornoemd, dan wordt de plaats van de dienst verricht door een gerechtsdeurwaarder bepaald overeenkomstig artikel 21bis, § 1, van het Btw-Wetboek; d.i. de plaats waar de dienstverrichter de zetel van zijn economische activiteit heeft gevestigd (…). Bij gebrek aan een dergelijke zetel geldt als plaats van de dienst de woonplaats of gebruikelijke verblijfplaats van de dienstverrichter.
2.2. Belastbaar feit - Opeisbaarheid van de belasting
2.2.1. Administratief standpunt
Twee situatietypes moeten worden onderscheidennaargelang de hoedanigheid van de persoon die de door de gerechtsdeurwaarder verrichte diensten betaalt.
De eerste situatie is deze waarbij de medecontractant inzake btw eveneens degene is die de door de gerechtsdeurwaarder verrichte dienst betaalt, ongeacht of dit geschiedt door tussenkomt van een advocaat (hierna «situatietype A»). De tweede situatie is de specifieke situatie waarbij een andere persoon dan voornoemde medecontractant (persoon aangeduid als debiteur volgens het gerechtelijk recht) de door de gerechtsdeurwaarder verrichte dienst betaalt (hierna «situatietype B»).
a) Situatietype A
Ter zake dient te worden verwezen naar de algemene principes opgenomen inde bepalingen van artikel 22 van het Btw-Wetboek overeenkomstig dewelke het belastbaar feit voor diensten plaatsvindt op het tijdstip waarop de dienst is voltooid. Derhalve wordt de belasting tevens opeisbaar op het tijdstip waarop de dienst is voltooid. Wordt de prijs of een deel ervan voor dat tijdstip gefactureerd of ontvangen, dan wordt, in afwijking van hetgeen voorafgaat, de belasting over het gefactureerde of ontvangen bedrag opeisbaar, al naar het geval, op het tijdstip van het uitreiken van de factuur of op het tijdstip van de incassering.
b) Situatietype B
Rekening houdend met despecifieke omstandigheden waarineen gerechtsdeurwaarder zijn functie uitoefent, aanvaardt de Administratie dat de btw, in situatietype B, slechts opeisbaar wordt in de mate van de incassering. Indien evenwel voorafgaand aan de incassering een factuur wordt uitgereikt, dan maakt deze uitreiking de btw opeisbaar.
Volledigheidshalve dient te worden verwezen naar punt 4.5.3. van onderhavige beslissing waarin wordt benadrukt datde btw tijdens de tolerantieperiode steeds verschuldigd is naar mate van de incassering van de prijs ongeacht of er al dan niet aan de medecontractant een factuur werd uitgereikt. Na deze tolerantieperiode maakt de uitreiking van de factuur aan de medecontractant, voorafgaand aan de incassering, de btw opeisbaar.
De Administratie zal geen kritiek uitoefenen wanneerde geïncasseerde bedragen in eerste instantie worden toegerekend op de door de gerechtsdeurwaarder doorgerekende kosten die als voorschotten in de zin van artikel 28, 5° van het Btw-Wetboek dienen te worden aangemerkt (z. ook punt 3.2 van onderhavige publicatie).
Ter zake dient te worden opgemerkt dat over de geïncasseerde bedragen een inningsrecht verschuldigd is dat, overeenkomstig de bepalingen van artikel 8 van het koninklijk besluit tot vaststelling van het tarief voor akten van gerechtsdeurwaarders in burgerlijke en handelszaken en van het tarief van sommige toelagen van 30 november 1976, aan de gerechtsdeurwaarder toekomt en waarover de btw dient te worden voldaan op het ogenblik waarop deze inningsrechten verschuldigd zijn.
2.2.2. Handelingen verricht voor rekening van de overheid
Erdient te worden verwezen naar de bepalingen van artikel 22 van het Btw-Wetboek ingevolge dewelke het belastbaar feit voor diensten plaatsvindt op het tijdstip waarop deze dienst is voltooid en de belasting op voornoemd tijdstip opeisbaar wordt. Desalniettemin wordt de belasting, in afwijking van hetgeen voorafgaat, opeisbaar over het gefactureerde of ontvangen bedrag wanneer de prijs of een deel ervan voor dat tijdstip wordt gefactureerd of ontvangen en dit, al naargelang het geval, op het tijdstip van het uitreiken van de factuur of op het tijdstip van de incassering.
Gelet ophet bijzonder kader waarbinnen een gerechtsdeurwaarder diensten verricht voor de overheid heeft de Administratie aanvaard dat de belasting slechts verschuldigd is op het tijdstip waarop de overheid haar instemming betuigt met het bedrag van de vergoeding.
Derhalve is de belasting ten aanzien van de door een gerechtsdeurwaarder gepresteerde diensten slechts verschuldigd op het tijdstip waarop deze in kennis wordt gesteld van de definitieve begroting van zijn kosten en honoraria door de bevoegde overheid. Ofschoon het bedrag van de verschuldigde btw reeds werd opgenomen in de staat van de kosten en honoraria, moet de eigenlijke factuur voor het honorarium door de gerechtsdeurwaarder aan zijn opdrachtgever slechts worden uitgereikt uiterlijk de vijfde werkdag van de maand die volgt op die waarin hij in kennis wordt gesteld van de definitieve begroting van zijn kosten en honoraria.
3. Maatstaf van heffing
3.1. Algemene principes
Overeenkomstig artikel 26 van het Wetboek wordt voor het verrichten van diensten de belasting berekend over alles wat de dienstverrichter als tegenprestatie verkrijgt of moet verkrijgen van diegene aan wie de dienst wordt verstrekt, of van een derde, met inbegrip van de subsidies die rechtstreeks met de prijs van die handeling verband houden.
Tot de maatstaf van heffing behoren ondermeer de sommen die de dienstverrichter aan diegene aan wie de dienst wordt verstrekt in rekening brengt als kosten van commissie, verzekering, vervoer, ongeacht of zulks al dan niet bij een afzonderlijk debetdocument wordt gedaan of ingevolge een afzonderlijke overeenkomst.
Belastingen, rechten en heffingen moeten eveneens in de maatstaf van heffing worden opgenomen.
Artikel 28, 5° van het Wetboek bepaalt evenwel dat de sommen voorgeschoten door de dienstverrichter voor uitgaven die hij ten name en voor rekening van zijn medecontractant heeft gedaan niet tot de maatstaf van heffing behoren.
3.2. Administratief standpunt
Rekening houdend methetgeen voorafgaat dient de gerechtsdeurwaarder naast zijn ereloon alle door hem gemaakte en aan de klant doorgerekende kosten op te nemen in de maatstaf van heffing met inbegrip van de belastingen en de heffingen waarvan de gerechtsdeurwaarder de schuldenaar is en die van hem gevorderd worden, ongeacht of hij deze al dan niet afzonderlijk in rekening brengt. Het betreft onder andere volgende kosten:
•recht op geschriften;
•portkosten;
•inlichtingen (Rijksregister, Dienst Inschrijving Voertuigen (DIV), registratiekantoor, kadaster, …);
•aflevering van een kadastraal uittreksel;
•retributie Centraal Bestand van Beslagberichten (CBB);
•sociale notificatie;
•getuigen (vergoeding, reis);
•bijstand politie;
•zegel Rijksdienst Sociale Zekerheid (RSZ);
•vergoedingen voor diensten van de gemeentelijke overheden (woonplaats- en geboortecertificaat, …);
•zegels Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid (KSZ).
Wanneer de uitgaven echter betrekking hebben op kosten die de gerechtsdeurwaarder maakt in naam en voor rekening van zijn klant, kunnen zij als voorschotten worden beschouwd op voorwaarde dat de prijs van deze diensten door de dienstverrichter rechtstreeks op naam en voor rekening van de klant wordt gefactureerd.
Een door de gerechtsdeurwaarder betaalde taks, recht of belasting kan slechts als een voorschot worden beschouwd wanneer de betaling werd gedaan in naam van de klant die er persoonlijk ten aanzien van de bevoegde overheid schuldenaar van is en voor het juiste bedrag aan laatstgenoemde wordt doorgerekend. Of de klant al dan niet schuldenaar is van de taksen, rechten of belastingen blijkt uit de betreffende wetten, decreten, ordonnanties en regelgeving.
Volgende doorgerekende kosten worden onder meer aangemerkt als voorschotten in de zin van artikel 28, 5° van het Wetboek:
•rolrechten;
•expedities en grossen;
•pleitzegels;
•registratierechten betreffende een te registreren akte;
•registratie van protesten;
•hypothecaire kantmelding;
•hypotheekrechten en honoraria van de hypotheekbewaarder in geval van hypothecaire inschrijving;
•honoraria van de hypotheekbewaarder in geval van overschrijving van akten die, overeenkomstig de artikelen 1 en 2 van de Hypotheekwet, onderworpen aan de formaliteiten van overschrijving;
•hypothecaire doorhaling.
Volledigheidshalve dient te worden opgemerkt dat het inningsrecht waarvan sprake onder voornoemd punt 2.2.1 steeds onderworpen is aan de btw.
4. Verplichtingen
4.1. Inleiding
De gerechtsdeurwaarders zijn in principe aan de gewone verplichtingen inzake btw gehouden. De voornaamste btw-verplichtingen worden hierna opgesomd.
Bovendien zijn een aantal toleranties opgenomen die van toepassing zijn in de overgangsperiode, evenals enkele toleranties die na deze periode blijven gelden.
4.2. Identificatie voor btw-doeleinden
De gerechtsdeurwaarder dient zich voor btw-doeleinden te laten identificeren bij het btw-controlekantoor waaronder hij ressorteert.
Om zich te identificeren voor btw-doeleinden dient het document 604 A te worden gebruikt. De papieren versie kan verkregen worden op het bevoegd btw-controlekantoor of via www.myminfin.be (ga naar "myminfin zonder authentificatie" en klik op "Formulieren" onder "Gegevens en documenten") en dient te worden overgemaakt aan het btw-controlekantoor. Het indienen van het formulier op elektronische wijze is ook mogelijk maar vereist de tussenkomst van een ondernemingsloket.
4.3. Gebruik van het btw-identificatienummer
De belastingplichtigen dienen hun btw-identificatienummer mee te delen aan hun leveranciers en aan hun klanten, overeenkomstig artikel 53quater, van het Btw-Wetboek. Dit nummer moet bovendien worden vermeld op alle contracten, facturen, bestelbons, verzendingsnota's en andere stukken met betrekking tot de economische activiteit (artikel 30 van het koninklijk besluit nr. 1).
4.4. Periodieke aangifte
4.4.1. Algemeen principe
De gerechtsdeurwaarders zijn overeenkomstig artikel 53, § 1, eerste lid, 2°, van het Btw-Wetboek, gehouden iedere maand een aangifte in te dienen. Indien men echter aan de voorwaarden van artikel 18, § 2, van het koninklijk besluit nr. 1 voldoet, kan men kiezen voor de normale btw-regeling met indiening van kwartaalaangiften. De belangrijkste voorwaarde ter zake is dat de jaaromzet, exclusief btw, voor de volledige economische activiteit niet meer bedraagt dan 1.000.000 EUR. De periodieke aangifte moet uiterlijk de 20stedag volgend op het tijdvak waarop de aangifte betrekking heeft worden ingediend.
De periodieke aangifte moet verplicht elektronisch worden ingediend via de toepassing INTERVAT. Via de portaalsite van de FOD Financiën (www.minfin.fgov.be) kan men de toepassing INTERVAT selecteren (onder e-services). Om de aangifte te verzenden moet een elektronische handtekening worden geplaatst door middel van een elektronische identiteitskaart (met kaartlezer) of een digitaal certificaat van niveau 3. De Administratie stuurt automatisch een ontvangstbevestiging bij de ontvangst van de aangifte.
4.4.2. Administratieve tolerantie
De Administratie aanvaardt bij wijze van overgang dat een indiener van maandaangiften de handelingen m.b.t. januari, februari en maart 2012 pas opneemt in de aangifte m.b.t. april 2012 (samen met de handelingen van april 2012) die uiterlijk 20 mei 2012 moet worden ingediend.
Deze tolerantie vereist evenwel dat er m.b.t. de maanden januari, februari en maart 2012, uiterlijk respectievelijk 20 februari, 20 maart en 20 april 2012 een nihilaangifte wordt ingediend.
In dezelfde zin is het toegestaan dat een indiener van kwartaalaangiften de handelingen van het eerste kwartaal 2012 pas opneemt in de aangifte m.b.t. het tweede kwartaal 2012 (samen met de handelingen van het tweede kwartaal 2012) die uiterlijk 20 juli 2012 moet worden ingediend.
Deze tolerantie vereist evenwel dat er m.b.t. het eerste kwartaal 2012, uiterlijk 20 april 2012 een nihilaangifte wordt ingediend.
Het betreft een facultatieve tolerantie zodat de belastingplichtigen die in de mogelijkheid zijn hun systemen eerder aan te passen aan de btw-wetgeving, ervan kunnen afzien en de terzake geldende bepalingen volgen.
Bovendien is het, in het geval van een maandaangever, toegestaan dat handelingen van januari 2012 en februari 2012 worden opgenomen in de aangifte m.b.t. februari 2012 die uiterlijk 20 maart 2012 moet worden ingediend (met indiening van een nihilaangifte voor de maand januari 2012), maar vervolgens, moeten voor de volgende aangiften de gewone regels gerespecteerd worden. In die zin mogen eveneens de handelingen van januari 2012, februari 2012 en maart 2012 opgenomen worden in de aangifte m.b.t. maart 2012 die uiterlijk 20 april 2012 moet worden ingediend (met indiening van nihilaangiften voor de maanden januari en februari 2012), maar vervolgens moeten voor de volgende aangiften de gewone regels worden toegepast.
4.4.3. Bijkomende administratieve tolerantie voor maandindieners
Een bijkomende tolerantie wordt toegestaan aan de indieners van maandaangiften. De handelingen van het type B, waarover de btw verschuldigd wordt gedurende de eerste zes maanden van 2012, moeten ten laatste in de aangifte m.b.t. juni 2012 worden opgenomen. Deze aangifte moet uiterlijk 20 juli 2012 worden ingediend. De inningsrechten met betrekking tot deze handelingen zijn evenwel uitgesloten van deze bijkomende tolerantie.
Het betreft eveneens een facultatieve tolerantie zodat de belastingplichtigen die in de mogelijkheid zijn hun systemen eerder aan te passen aan de btw-wetgeving, ervan kunnen afzien en de terzake geldende bepalingen volgen.
Bovendien is het toegestaan dat de beoogde handelingen van de maanden januari 2012 tot en met mei 2012 worden opgenomen in de aangifte m.b.t. mei 2012 die uiterlijk 20 juni 2012 moet worden ingediend, maar vervolgens moeten voor de volgende aangiften de gewone regels worden toegepast.
4.5. Facturering
4.5.1. Principe
Overeenkomstig artikel 53, § 2, van het Btw-Wetboek, is de belastingplichtige ertoe gehouden een factuur uit te reiken aan zijn medecontractant (…) wanneer hij (…) een dienst heeft verricht voor een belastingplichtige of een niet-belastingplichtige rechtspersoon (…).
Overeenkomstig artikel 4 van het koninklijk besluit nr. 1 moet de factuur worden uitgereikt uiterlijk de vijfde werkdag van de maand na die waarin de belasting opeisbaar is geworden overeenkomstig de artikelen 17, § 1, en 22, § 2, van het Btw-Wetboek over het geheel of een deel van de prijs.
4.5.2. Tolerantie inzake de uiterlijke uitreikingsdatum van de factuur
De Administratie aanvaardt, bij wijze van overgang, dat de handelingen van januari, februari en maart 2012 pas uiterlijk 30 april 2012 dienen te worden gefactureerd.
Het is tijdens de tolerantieperiode toegestaan dat er eerder gefactureerd wordt.
Het is evenwel zo dat vanaf het moment dat de belastingplichtige inzake indiening van btw-aangiften afziet van de aangeboden tolerantie, hij inzake facturering de uiterlijke uitreikingsdatum, met name de vijfde werkdag van de maand na die waarin de btw opeisbaar is geworden, dient te respecteren.
Wanneer bijvoorbeeld een maandaangever beslist om de handelingen van januari 2012 en februari 2012 op te nemen in de aangifte m.b.t. februari 2012 die uiterlijk 20 maart moet worden ingediend, dienen de facturen m.b.t. de handelingen van januari 2012 uiterlijk 29 februari 2012 uitgereikt te worden en deze m.b.t. de handelingen van februari 2012 uiterlijk de vijfde werkdag van maart 2012.
Opgemerkt wordt evenwel dat de kwartaalindiener die afziet van de tolerantie inzake indiening van btw-aangiften en de handelingen van het eerste kwartaal 2012 opneemt in de tegen 20 april 2012 in te dienen periodieke aangifte, voor de handelingen van januari 2012 en februari 2012 de factuur mag uitreiken tot 31 maart 2012. De handelingen van maart 2012 moeten daarentegen gefactureerd zijn uiterlijk de vijfde werkdag van april 2012.
4.5.3. Tolerantie inzake de verplichting tot het uitreiken van een factuur
In de situaties van het type B, met name in de gevallen waarin de persoon die de verstrekte diensten betaalt niet de medecontractant inzake btw is, en waarin er strikt genomen verplichting is tot facturering, zal de Administratie, gelet op het zeer specifieke karakter van deze situatie en gelet op de enorme praktische moeilijkheden, geen kritiek uitoefenen wanneer de gerechtsdeurwaarder toch geen factuur heeft uitgereikt aan voornoemde medecontractant, tenzij laatstgenoemde daarom uitdrukkelijk heeft verzocht.
Het spreekt evenwel voor zich dat er in die gevallen nooit een factuur mag uitgereikt worden aan degene die de betaling daadwerkelijk doet, aangezien deze inzake de btw-reglementering niet als medecontractant kan aanzien worden.
Indien evenwelde medecontractant in een dossier van het type B niet in België is gevestigd, moet er voor deze handeling wel steeds een factuur worden uitgereikt. Bovendien moet de handeling dan worden opgenomen in de intracommunautaire listing (zie punt 4.9).
Tijdens de tolerantieperiode wordt in een dossier van het type B de btw verschuldigd naar mate van de incassering van de prijs ongeacht of er al dan niet aan de medecontractant inzake btw een factuur werd uitgereikt (zie supra). Na de tolerantieperiode maakt de uitreiking van de factuur aan voornoemde medecontractant de btw opeisbaar (overeenkomstig artikel 22, § 2, van het Btw-Wetboek). In die zin wordt de tijdens de tolerantieperiode in dit kader gefactureerde en nog niet geïncasseerde btw op 30 juni 2012 opeisbaar.
4.5.4. Uitoefening van het recht op aftrek door de medecontractant - andere partij betaalt btw
Wanneer in een dossier van het type B de medecontractant inzake btw een factuur vraagt terwijl een andere partij (de debiteur) de verstrekte diensten incl. btw betaalt, kan eerstgenoemde de btw overeenkomstig de normale regels in aftrek brengen. Het terugstorten van de aftrekbare btw door voornoemde medecontractant aan de debiteur is ter zake geen voorwaarde om het recht op aftrek uit te oefenen.
Indien evenwel de medecontractant in een dossier van het type B een factuur vraagt om zijn recht op aftrek te kunnen uitoefenen voordat de debiteur de btw voldaan heeft aan de gerechtsdeurwaarder, kan de gerechtsdeurwaarder ervoor opteren de btw aan te rekenen aan de verzoekende partij (medecontractant inzake btw) in plaats van aan de debiteur.
4.5.5. Tussenpersoon
In de praktijk komt het vaak voor dat een tussenpersoon (bijvoorbeeld een advocaat) optreedt voor de verzoekende partij en een opdracht geeft aan een gerechtsdeurwaarder. De factuur dient ook dan steeds te worden uitgereikt aan de verzoekende partij, die de medecontractant is inzake btw. Om misverstanden te vermijden is het echter wel toegestaan dat de factuur wordt opgemaakt op naam en btw-identificatienummer van de betreffende medecontractant maar wordt verzonden naar het adres van de tussenpersoon.
4.6. Boekhouding
a) Voeren van een boekhouding
Om de btw te kunnen toepassen en controleren dienen de gerechtsdeurwaarders een boekhouding te voeren overeenkomstig de artikelen 14 en 15, van het koninklijk besluit nr. 1. Inzonderheid dienen minimaal een boek voor inkomende facturen en een boek voor uitgaande facturen gehouden te worden.
Bovendien moeten de handelingen waarvoor men niet verplicht is een factuur uit te reiken en waarvoor men geen factuur heeft uitgereikt, ingeschreven worden in een dagboek van ontvangsten (artikel 14, § 2, koninklijk besluit nr. 1). Het bijhouden van dit dagboek vormt een volledig nieuwe boekhoudkundige verplichting voor de gerechtsdeurwaarders. De inschrijvingen in het dagboek moeten gesteund zijn op verantwoordingsstukken die gedateerd zijn en waarvan een origineel exemplaar of een dubbel dient te worden bewaard (artikel 15, § 2, koninklijk besluit nr. 1). Het dagboek mag ofwel op papier, ofwel op digitale wijze gehouden worden (zie beslissing E.T. 112.577 van 8 november 2007).
b) Afwijking op de inschrijving in het boek voor inkomende facturen
De Administratie aanvaardt dat de kosten die door niet-belastingplichtigen en niet-belastingplichtige rechtspersonen aan de gerechtsdeurwaarder worden aangerekend en die bijgevolg niet onderworpen zijn aan de btw en waarvoor er geen factuur werd uitgereikt, niet worden opgenomen in het boek voor inkomende facturen.
Wanneer deze kosten door de gerechtsdeurwaarder met btw moeten worden doorgerekend, vermits ze niet beschouwd kunnen worden als een voorschot in de zin van artikel 28, 5°, van het Btw-Wetboek, moeten deze kosten wel opgenomen worden in rooster 81 of 82, naargelang het geval, van de btw-aangifte. De Administratie staat toe dat de totaalbedragen van deze kosten per jaar worden opgenomen in de btw-aangifte m.b.t. december of m.b.t. het vierde kwartaal.
Opgemerkt wordt dat de kosten die de gerechtsdeurwaarder voorschiet en die doorgerekend worden zonder btw en bijgevolg aangemerkt worden als een voorschot in de zin van artikel 28, 5°, van het Btw-Wetboek in beginsel niet mogen worden opgenomen in rooster 81 of 82 van de btw-aangifte. Er moet steeds kunnen aangetoond worden dat het om voorschotten in voormelde zin gaat.
4.7. Voldoening van de belasting
De eventueel verschuldigd geworden belasting moet voldaan worden binnen de termijn van indiening van de periodieke aangifte (artikel 53, § 1, 3°, van het Btw-Wetboek).
De belastingplichtige die overeenkomstig artikel 18, § 2, van het koninklijk besluit nr. 1, slechts om de drie maanden een aangifte indient, moet uiterlijk de 20ste van de tweede en de derde maand van ieder kalenderkwartaal een voorschot voldoen op de belasting waarvan de opeisbaarheid uit die aangifte zal blijken. Het bedrag van het voorschot is gelijk aan een derde van de belasting die door die belastingplichtige voor het vorige kalenderkwartaal verschuldigd was.
Het spreekt voor zich dat er in de maanden februari en maart 2012 nog geen voorschotten moeten worden betaald. De gerechtsdeurwaarders die overeenkomstig de toegestane tolerantie een nihilaangifte voor het eerste kwartaal 2012 hebben ingediend, moeten evenmin in de maanden mei en juni 2012 voorschotten betalen.
4.8. Jaarlijkse opgave van belastingplichtige afnemers
De gerechtsdeurwaarders zijn overeenkomstig artikel 53quinquies, van het Btw-Wetboek, en het koninklijk besluit nr. 23 gehouden om jaarlijks, uiterlijk 31 maart, een opgave in te dienen van de btw-belastingplichtige afnemers. Concreet gaat het om een lijst bevattende de btw-belastingplichtige klanten aan wie het afgelopen kalenderjaar voor meer dan 250 EUR (excl. btw) diensten werden verstrekt. De eerste lijst zal derhalve betrekking hebben op het jaar 2012 in te dienen tegen uiterlijk 31 maart 2013.
4.9. Opgave van de intracommunautaire handelingen
Overeenkomstig artikel 53sexies, van het Btw-Wetboek, en het koninklijk besluit nr. 50 moeten de gerechtsdeurwaarders eventueel een opgave van de intracommunautaire handelingen indienen. Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer zij diensten verrichten voor een belastingplichtige van een andere lidstaatdie overeenkomstig artikel 21,§ 2, van het Btw-Wetboek aldaar plaatsvindenen waarbij deze belastingplichtige schuldenaar is van de belasting voor zover deze diensten niet vrijgesteld zijn van de belasting in die lidstaat.In dat geval dient het btw-identificatienummer van de afnemer van de dienst en het bedrag van de handeling (excl. btw) opgenomen worden in de opgave met betrekking tot het tijdvak waarin de belasting opeisbaar is geworden.
De intracommunautaire opgave moet in principe maandelijks worden ingediend uiterlijk de 20stevan de maand volgend op het tijdvak waarop ze betrekking heeft. De indieners van periodieke kwartaalaangiften kunnen deze opgave evenwel per kwartaal indienen als voldaan is aan de voorwaarden van artikel 5, van het koninklijk besluit nr. 50. De opgave moet niet worden ingediend indien er geen handelingen moeten opgenomen worden.
5. Uitoefening van het recht op aftrek van de historische btw
5.1. Omvang
Overeenkomstig artikel 21bis § 1 (nieuw) van het koninklijk besluit nr. 3 van 10 december 1969 betreffende de aftrekregeling voor de toepassing van de btw kan een belastingplichtige die op grond van artikel 44 van het Wetboek vrijgestelde(…) diensten verricht die geen recht op aftrek geven, wanneer hij voor diezelfde handelingen belastingplichtige wordt met recht op aftrek, bij wijze van herziening zijn recht op aftrek uitoefenen voor :
1.de andere goederen en diensten dan bedrijfsmiddelen, die nog niet werden gebruikt of verbruikt op 1 januari 2012;
1.de bedrijfsmiddelen die op 1 januari 2012 nog bestaan, voor zover die goederen nog bruikbaar zijn en de termijn bepaald bij artikel 48, § 2, van het Wetboek nog niet is verstreken.
Voor bedrijfsmiddelen is het bedrag van de herziening gelijk aan de belasting die niet in aftrek kon worden gebracht, verminderd met een vijfde of een vijftiende volgens het onderscheid gemaakt naargelang de aard van het goed overeenkomstig artikel 9, § 1, van het koninklijk besluit nr. 3, per jaar vanaf 1 januari van het jaar dat overeenkomstig artikel 2, van het koninklijk besluit nr. 3, in aanmerking moet worden genomen voor de berekening van de aftrek tot 31 december 2011.
Deze herziening gebeurt bij toepassing van de artikelen 45 tot 49 van het Wetboek en overeenkomstig de regels van artikel 3 van voornoemd koninklijk besluit nr. 3.
5.2. Herziening met betrekking tot de andere goederen en diensten dan bedrijfsmiddelen die nog niet werden gebruikt of verbruikt op 1 januari 2012
De belastingplichtige mag een herziening in zijn voordeel toepassen met betrekking tot de belasting geheven van de in zijn hoofde ontvangen goederen en diensten, andere dan bedrijfsmiddelen, die:
•nog niet werden gebruikt of verbruikt op het tijdstip van de wijziging van de belastingregeling of,
•rechtstreeks en duidelijk toewijsbaarzijn aan een door de belastingplichtige verrichte belaste prestatie.
De btw geheven van algemene onkosten (telefoon, energie, water e.d.) die betrekking hebben op de periode voorafgaand aan de wijziging van belastingregeling is echter niet aftrekbaar.
Vervaltermijn
Er dient in het bijzonder op gewezen te worden dat het bedrag van de aftrekbare belasting evenwel dient opgenomen te zijn in één van de aangiften die de belastingplichtige indient vóór het verstrijken van het derde kalenderjaar volgend op dat waarin de af te trekken belasting opeisbaar is geworden (z. artikel 4 van het koninklijk besluit nr. 3 van 10 december 1969 met betrekking tot de aftrekregeling voor de toepassing van de btw).
Bijgevolgen rekening houdend met het feit dat de herziening ten vroegste kan plaatsvinden in het jaar 2012, kan slechts de btw geheven van goederen en diensten die vanaf 1 januari 2009 opeisbaar is geworden, in aftrek worden gebracht.
5.3. Herziening met betrekking tot bedrijfsmiddelen
5.3.1. Algemeen
De gerechtsdeurwaarder kan bij wijze van herziening zijn recht op aftrek uitoefenen voor de bedrijfsmiddelen die op het tijdstip van de wijziging van belastingregeling nog bestaan, voor zover die goederen nog bruikbaar zijn en de termijn bepaald bij artikel 48, § 2, van het Btw-Wetboek nog niet is verstreken.
Het herzieningstijdvak bedraagtin de regel 5 jaar voor de bedrijfsmiddelen, maar voor de belasting geheven van handelingen die strekken of bijdragen tot de oprichting van een onroerend goed, de verkrijging van een onroerend goed en de verkrijging van een zakelijk recht op een onroerend goed bedraagt het herzieningstijdvak evenwel 15 jaar.
Voor bedrijfsmiddelen is het bedrag van de herziening gelijk aan de belasting die niet in aftrek kon worden gebracht, verminderd met een vijfde of een vijftiende volgens het onderscheid gemaakt naargelang de aard van het goed overeenkomstig artikel 9, § 1 van het koninklijk besluit nr. 3, per jaar vanaf 1 januari van het jaar dat overeenkomstig artikel 2 van het koninklijk besluit nr. 3 in aanmerking moet worden genomen voor de berekening van de aftrek tot 31 december van het jaar dat voorafgaat aan het jaar waarin de wijziging van belastingregeling zich heeft voorgedaan (artikel 21bis § 1 (nieuw) van voornoemd koninklijk besluit nr. 3) .
Bedrijfsmiddelen zijn de lichamelijke goederen, de zakelijke rechten bedoeld in artikel 9, tweede lid, 2°, van het Wetboek en de diensten die bestemd zijn om op een duurzame wijze te worden gebruikt als werkinstrumenten of exploitatiemiddelen (artikel 6, § 1, van voornoemd koninklijk besluit nr. 3).
5.3.2. Bedrijfsmiddelen, andere dan onroerende bedrijfsmiddelen, in gebruik genomen vanaf 1 januari 2012
Ten aanzien van de belasting geheven van deze bedrijfsmiddelen, is de aftrek die oorspronkelijk door de belastingplichtige werd verricht onderworpen aan herziening gedurende een tijdvak van vijf jaar te rekenen vanaf 1 januari van het jaar waarin het recht op aftrek ontstaat; dit wil zeggen het jaar waarin de van het bedrijfsmiddel geheven belasting opeisbaar is geworden(artikel 9, § 1, eerste lid, van het koninklijk besluit nr. 3).
De administratie kan toestaan, of zelfs voorschrijven, dat als uitgangspunt van het herzieningstijdvak wordt aangenomen de 1ste januari van het jaar waarin het bedrijfsmiddel in gebruik wordt genomen (artikel 9, § 2, van het koninklijk besluit nr. 3). Er wordt opgemerkt dat de bepaling van het uitgangspunt van het herzieningstijdvak geen invloed heeft op de duur van de periode.
De belastingplichtige mag dat uitgangspunt gebruiken wanneer hij een boekhouding voert die het hem mogelijk maakt het tijdstip waarop het bedrijfsmiddel in gebruik wordt genomen te bepalen door het overboeken van de investeringsuitgaven van de rekening "vaste activa in aanbouw" naar de rekening "vastgelegde middelen", met vermelding van het goed in kwestie en van de belasting voldaan ter zake van de totstandkoming ervan. Die mogelijkheid is afhankelijk van een vergunning verleend door het controlekantoor waaronder de belastingplichtige ressorteert.
Anderzijds schrijft het hoofd van het controlekantoor waaronder de belastingplichtige ressorteert voor dat de 1ste januari van het jaar waarin het bedrijfsmiddel in gebruik wordt genomen als uitgangspunt van het herzieningstijdvak wordt genomen, in de gevallen waarin het uitgangspunt dat door artikel 9, § 1, van het koninklijk besluit nr. 3 wordt bepaald, de herziening dreigt te vervalsen.
Dit is inzonderheid het geval voor de investeringen die gedaan worden door een nieuwe onderneming, wanneer de totstandkoming van deze onderneming over meer dan één jaar gespreid is.
5.3.3. Onroerende bedrijfsmiddelenin gebruik genomen vanaf 1 januari 2012
Voor de btw geheven van onroerende bedrijfsmiddelen als bedoeld in artikel 9, § 1, laatste lid, van het koninklijk besluit nr. 3 die vanaf 1 januari 2012 in gebruik worden genomen, moet voortaan steedsals uitgangspunt van het herzieningstijdvak genomen worden 1 januari van het jaar waarin die bedrijfsmiddelen door de belastingplichtige in gebruik worden genomen. Aangezien het herzieningstijdvak samenvalt met een kalenderjaar is deze nieuwe bepaling enkel van toepassing ten aanzien van onroerende bedrijfsmiddelen die in gebruik worden genomen vanaf 1 januari 2012.
5.3.4. Bedrijfsmiddelen in gebruik genomen vóór 1 januari 2012
Ten aanzien van de bedrijfsmiddelen die reeds vóór 1 januari 2012 in gebruik waren genomen gelden dan ook de vroegere regels die als volgt kunnen worden samengevat.
Overeenkomstig artikel 9, § 1, van het koninklijk besluit nr. 3, begint het herzieningstijdvak te lopen vanaf 1 januari van het jaar waarin het recht op aftrek ontstaat; dit wil zeggen het jaar waarin de van het bedrijfsmiddel geheven belasting opeisbaar is geworden.
In afwijking van dit algemeen principe kan de Administratie toestaan, of zelfs voorschrijven, dat als uitgangspunt van het herzieningstijdvak wordt aangenomen de eerste januari van het jaar waarin het bedrijfsmiddel in gebruik wordt genomen (artikel 9, § 2 van het koninklijk besluit nr. 3).
De belastingplichtige mag dat uitgangspunt gebruiken wanneer hij beschikt over een vergunning die voorafgaandelijk aan het tijdstip van ingebruikname van het bedrijfsmiddel wordt verleend door het controlekantoor. Het hoofd van het controlekantoor waaronder de belastingplichtige ressorteert kan hem bovendien verplichten artikel 9, § 2, voormeld, toe te passen in de welbepaalde gevallen waarin het uitgangspunt dat door artikel 9, § 1, wordt bepaald, de herziening dreigt te vervalsen.
Het bewijs van de juistheid van de datum van de ingebruikneming kan geleverd worden door alle feitelijke gegevens en alle rechtsmiddelen met uitzondering van de eed.
Gerechtsdeurwaarders hadden er in hun hoedanigheid van vrijgestelde belastingplichtige vóór 1 januari 2012 geen belang bij om de in het vorige lid bedoelde vergunning te bekomen met betrekking tot de bedrijfsmiddelen die ze reeds in gebruik hebben genomen voor die datum. Daarom wordt het deze belastingplichtigen toegestaan alsnog een verzoek tot het bekomen van die vergunning te richten aan het hoofd van het bevoegd btw-controlekantoor. Dit verzoek dient uiterlijk te worden ingediend op 31 maart 2012.
5.4. Modaliteiten van de herziening
5.4.1. Op te maken inventaris en tijdstip van indiening van deze inventaris
De herziening is afhankelijk van de indiening bij het controlekantoor van de belasting over de toegevoegde waarde waaronder de belastingplichtige ressorteert van een inventaris van de op 1 januari 2012 nog niet gebruikte of verbruikte goederen en diensten en van een staat van de op dat tijdstip nog bruikbare bedrijfsmiddelen.
Die stukken worden opgemaakt in twee exemplaren waarvan er één bestemd is voor het btw-controlekantoor. Ze vermelden op gedetailleerde wijze de goederen en diensten die nog in aanmerking komen voor de herziening, de datum en het nummer van de factuur van de aankoop of het invoerdocument, de maatstaf van heffing waarover ze met de btw werden belast en het te regulariseren bedrag (artikel 21bis, § 2, van het koninklijk besluit nr. 3).Deze inventaris moet uiterlijk 20 dagen vóór de eerste periodieke aangifte met effectieve bedragen (andere dan een nihilaangifte) worden ingediend.
Dit betekent dat de bedoelde inventaris uiterlijk eind juni 2012 moet worden ingediend door de indieners van kwartaalaangiften die gebruik maken van de aangeboden tolerantie inzake indiening van periodieke aangiften.
De indieners van maandaangiften die volledig gebruik maken van de tolerantie inzake indiening van periodieke aangiften dienen deze inventaris uiterlijk eind april 2012 in te dienen.
Wanneer de inventaris niet binnen deze vastgestelde termijn is ingediend, zal de regularisatie pas in de volgende aangifte kunnen gebeuren.
5.4.2. Samenhang inventaris en vergunning inzake begindatum herzieningstijdvak
De aandacht wordt gevestigd op het feit dat de inhoud van de inventaris wordt beïnvloed door het al of niet aanvragen van de vergunning waarvan sprake in voornoemd punt 5.3.4. Bovendien dient de vergunning uiterlijk 31 maart 2012 aangevraagd te zijn, terwijl de uiterlijke indieningsdatum van de inventaris later valt.
5.4.3. Principe en praktische uitvoering
Artikel 21bis, § 3, van het koninklijk besluit nr. 3 bepaalt dat de herziening tot beloop van het passende bedrag wordt verricht door toerekening op het aan de Staat verschuldigde bedrag van de belasting in rooster 71 van kader VI van de periodieke aangifte. Wanneer het eindresultaat van deze toerekening een door de Staat verschuldigd bedrag is, wordt dat bedrag naar de volgende aangiftetijdvakken overgebracht tot passend beloop van rooster 71 van deze aangiften.
Praktisch dient er als volgt gewerkt te worden.
Met betrekking tot de eerste periodieke aangifte met bedragen (zijnde eventueel een aangifte met inbegrip van handelingen van een vorig aangiftetijdperk ingevolge de aangeboden tolerantie) berekent men het eindresultaat volgens de gewone btw-regels. Hierbij wordt nog geen rekening gehouden met de historische aftrek opgenomen in de inventaris.
Wanneer het eindresultaat een door de Staat verschuldigd bedrag is (rooster 72) kan de historische aftrek nog niet in aanmerking genomen worden en dient het volgende tijdvak afgewacht te worden.
Wanneer evenwel het eindresultaat, in principe, een aan de Staat verschuldigd bedrag is, (rooster 71) dient de nog te herziene btw in het voordeel van de belastingplichtige die opgenomen is in de inventaris ten belope van maximaal het berekende bedrag in rooster 71 opgenomen te worden in rooster 62 . Bijgevolg dient het rooster 71 opnieuw berekend te worden en resulteert het in een kleiner te betalen bedrag of 0,00 EUR.
De te herziene btw in het voordeel van de belastingplichtige, opgenomen in de inventaris, die op deze wijze nog niet verricht kon worden, dient overgedragen te worden naar het volgende aangiftetijdvak. Opnieuw zal het eventuele bedrag opgenomen in rooster 71 mogen verminderd worden of herleid worden tot 0,00 EUR via het rooster 62 ten belope van het nog openstaande bedrag aan te verrichten herzieningen in zijn voordeel.
Deze werkwijze dient herhaald te worden tot het volledige bedrag aan historische btw waarop de belastingplichtige recht heeft, werd gerecupereerd.
5.5 Administratieve tolerantie inzake het uitoefenen van het recht op aftrekin hoofde van een gerechtdeurwaarder in verband met de eerste facturen die hem worden uitgereikt zonder vermelding van het btw-identificatienummer
Opdat de gerechtsdeurwaarder die goederen en diensten heeft ontvangen, rechtmatig zijn recht op aftrek van de btw die hierover werd geheven, zou kunnen uitoefenen, dient hij in het bezit te zijn van facturen opgemaakt overeenkomstig artikel 5, van het koninklijk besluit nr. 1 van 29 december 1992 (zie artikel 3, § 1, 1°, van het koninklijk besluit nr. 3 van 10 december 1969), dit wil zeggen dat de facturen verplicht een zeker aantal vermeldingen moeten bevatten zoals de identificatiegegevens van de betrokken partijen (met inbegrip van het identificatienummer bedoeld in artikel 50 van het Btw-Wetboek), de gegevens die toelaten de handeling te determineren, de maatstaf van heffing, het bedrag van de verschuldigde belasting en het tarief van deze belasting, het inschrijvingsnummer in het boek voor uitgaande facturen van de leverancier, enz.
Wanneer de factuur onregelmatig of onvolledig is wat de bepalingen van bovengenoemd koninklijk besluit nr. 1 van 29 december 1992 betreft, weigert de Administratie in principe de aftrek van de belasting.
Teneinde de administratieve last van de leveranciers en dienstverrichters die aan gerechtsdeurwaarders factureren niet te verzwaren (in het bijzonder voor wat betreft de uitreiking van verbeterende facturen) zal voor de toepassing van bovengenoemde wetsbepalingen de Administratie geen kritiek uitoefenen indien de facturen die tot en met 31 maart 2012aan de gerechtsdeurwaarders worden uitgereikt nog geen melding maken van hun btw-identificatienummer.
De gerechtsdeurwaarders dienen evenwel zonder verwijlhun btw-identificatienummer aan alhun leveranciers en dienstverrichter mee te delen.
6. Bijzondere gevallen
6.1. Gelijktijdige tussenkomst door meerdere gerechtsdeurwaarders
In voorkomend geval worden meerdere gerechtsdeurwaarders geacht terzelfder tijd in eenzelfde dossier op te treden voor rekening van dezelfde opdrachtgever.
Dit is meerbepaald het geval wanneer de gerechtsdeurwaarder gelast wordt op te treden tegen een persoon die gehuisvest of gevestigd is in een ander gerechtelijk arrondissement dan dit waarin hij actief is. In dergelijk geval bereidt de gerechtsdeurwaarder die initieel gelast werd op te treden de te betekenen akte voor en doet voor wat de betekening betreft een beroep op een voor het respectievelijke gerechtelijke arrondissement bevoegde confrater.
Overeenkomstig de bepalingen van artikel 6, § 5, van het koninklijk besluit tot vaststelling van het tarief voor akten van gerechtsdeurwaarders in burgerlijke en handelszaken en van het tarief van sommige toelagen wordt aande gerechtsdeurwaarder die een door een ambtgenoot te betekenen akte opmaakt, één vierde van het gegradueerd recht toegekend en wanneer hij zorgt voor de geschriften of de vertaling van stukken wordt hij vergoed voor de kosten en de uitschotten met betrekking daartoe, voor zover hij de eensluidendheid van die vertalingen bevestigt. De gerechtsdeurwaarder die een aldus opgemaakte akte ontvangt, dient van zijn rechten, kosten en uitschotten de bedragen af te trekken die aan zijn ambtgenoot toekomen.
De gerechtsdeurwaarder die gelast wordt de akte te betekenen, dient aan zijn confrater voor wat zijn honoraria en kosten betreft een factuur uit te reiken met toepassing van de btw, voor zover deze geen voorschotten uitmaken in de zin van artikel 28, 5° van het Btw-Wetboek.
De initieel gelaste gerechtsdeurwaarder dient aan zijn opdrachtgever een factuur uit te reiken met toepassing van de btw voor wat het totaal van de honoraria en kosten betreft, voor zover deze geen voorschotten uitmaken in de zin van artikel 28, 5° van het Btw-Wetboek.
6.2. Betekening van akten in een andere lidstaat
Overeenkomstig de bepalingen van artikel 11 van verordening (EG) nr. 1393/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 13 november 2007 inzake de betekening en de kennisgeving in de lidstaten van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke of in handelszaken mag de betekening of kennisgeving van uit een andere lidstaat afkomstige gerechtelijke stukken geen aanleiding geven tot betaling of terugbetaling van heffingen of kosten voor de door de aangezochte lidstaat verleende diensten.
Ter zake heeft de Europese Commissie zich echter op het standpunt gesteld dat voornoemd artikel 11 niet leidt tot btw-vrijstelling voor de betekening van stukken wanneer deze betekening niet door de overheid geschiedt, maar door een andere persoon zoals bedoeld in het tweede lid van dat artikel.
6.3. Plaatsvervanging (artikelen 524 e.v. van het Gerechtelijk Wetboek)
Wanneer een gerechtsdeurwaarder overeenkomstig artikel 524 van het Gerechtelijk Wetboek wordt vervangen, wordt zijn plaatsvervanger geacht in naam en voor rekening van eerstgenoemde gerechtsdeurwaarder te handelen. De vervangen gerechtsdeurwaarder zal dan ook als dienstverrichter worden beschouwd. Dit heeft voor gevolg dat de verrichte prestaties dienen te worden opgenomen in de aangifte van de vervangen gerechtsdeurwaarder evenals dat de facturen dienen te worden uitgereikt met vermelding van de gegevens van de vervangen gerechtsdeurwaarder.
Indien de plaatsvervanger voor zijn prestatie inzake plaatsvervanging recht heeft op een vergoeding, dan dient deze vergoeding aan de btw te worden onderworpen.
(Beslissing nr. E.T.122.121 van 8 maart2012)
1Het begrip "belastingplichtige" zoals gedefinieerd in artikel 21 van het Wetboek mag alleen in de specifieke context inzake de plaatsbepaling van diensten worden gebruikt. In geen enkel geval is dit begrip van toepassing in andere bepalingen van het Btw-Wetboek waar alleen de definitie van artikel 4 van het Wetboek geldt als men het heeft over "belastingplichtige".