Vr. en Antw., Kamer, nr. 96, 1996-1997, blz. 13045-13047
BTW-Revue nr. 131, blz. 1168
BTW. - Openbaar vervoer. - Bewijs.
VRAAG
1. Welke sancties kunnen worden toegepast op een belastingplichtige, die nalaat een factuur af te leveren bij de levering van goederen of het verlenen van diensten?
2. Welk is het nummer en de datum van de beslissing (al dan niet gepubliceerd) waarbij de BTW-administratie de Nationale maatschappij van de Belgische spoorwegen (NMBS) heeft gemachtigd geen facturen af te leveren voor personenvervoer van belastingplichtigen of van rechtspersonen?
3. Hebben uw diensten een raming gemaakt (weze het bij benadering) van het bedrag van de BTW die niet door de ondernemingen wordt afgetrokken (bijkomende inkomsten, voor de Schatkist) omdat de NMBS geen facturen aflevert in verband met het vervoer van personen voor rekening van bedrijven?
ANTWOORD
1. Overeenkomstig artikel 70, § 2, van het BTW-wetboek, wordt, wanneer de factuur of het als zodanig geldend stuk, waarvan de uitreiking is voorgeschreven bij de artikelen 53, 53octies, en 54 van dit wetboek, of door de ter uitvoering van deze artikelen genomen besluiten niet is uitgereikt, een geldboete opgelegd gelijk aan het dubbel van de op de handeling verschuldigde belasting, zonder dat ze minder mag bedragen dan 2.000 frank.
Die geldboete is verschuldigd individueel door de leverancier of de dienstverrichter en door zijn medecontractant. Ze is evenwel niet verschuldigd wanneer de overtredingen als louter toevallig kunnen worden aangemerkt, inzonderheid op grond van het aantal en het belang van de handelingen waarvoor geen regelmatig stuk is uitgereikt, vergeleken met het aantal en het belang van de handelingen waarvoor wel een regelmatig stuk is uitgereikt of wanneer de leverancier of de dienstverrichter geen ernstige reden had om te twijfelen aan de niet- belastingplichtigheid van de medecontractant.
Het verminderd bedrag van deze geldboete is bepaald in de bijlage bij het koninklijk besluit nr. 41 van 30 januari 1987 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde (zie tabel C, rubriek 1).
De niet in artikel 70, § 2, van het BTW-wetboek bedoelde overtredingen van niet-uitreiking van facturen, worden overeenkomstig artikel 70, § 4, van datzelfde wetboek, bestraft, met een geldboete van 1.000 tot 100.000 frank per overtreding. Het bedrag van deze geldboete is bepaald in de bijlage bij het koninklijk besluit nr. 44 van 21 oktober 1993 tot vaststelling van het bedrag van de niet-proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde (zie eerste afdeling, rubriek II).
De door het geacht lid beoogde beslissing is deze van 31 juli 1975, nr. ET 16.172, gepubliceerd in de BTW-Revue nr. 22 van juli- november 1975 onder nr. 549, blz. 325-326.
Opgemerkt wordt dat deze beslissing niet alleen van toepassing is op de NMBS maar ook op alle maatschappijen voor openbaar vervoer en dat zij een bepaling inhoudt die de belastingplichtige toelaat zijn recht op aftrek van de BTW, geheven van openbaar vervoer waarvan hij de kosten draagt, uit te oefenen in de mate waarin hij, inzonderheid door het voorleggen van een vervoerbewijs, tegenover de administratie aantoont dat hij van het openbaar vervoer werkelijk gebruik heeft gemaakt voor de behoeften van de onderneming.
Er hoeft overigens geen enkel onderscheid te worden gemaakt naargelang het vervoerbewijs voor beroepsreizen werd gebruikt door de belastingplichtige zelf of door de beheersorganen als de belastingplichtige een rechtspersoon is, dan wel door leden van zijn personeel.
Indien het vervoerbewijs recht geeft op verscheidene reizen (kaart of abonnement, zelfs uitgegeven op naam van een beheersorgaan van de vennootschap, of van een personeelslid), mag de BTW begrepen in de prijs van het vervoerbewijs uiteraard slechts in aftrek worden gebracht in de mate waarin dit vervoerbewijs werkelijk werd gebruikt voor de behoeften van de onderneming. Het bedrag van de aftrekbare BTW dient door de belastingplichtige te worden vastgesteld overeenkomstig de regels die worden aangenomen door de Administratie van de directe belastingen voor het bepalen van het deel van de prijs van het vervoerbewijs dat als algemene onkosten aanneembaar is.
Overeenkomstig § 40 van de aanschrijving nr. 103/1970, wordt de aftrek toegestaan voor de belasting geheven van de werkelijke reiskosten die een werkgever voor de verplaatsingen van zijn personeel met openbare vervoermiddelen draagt voor zover de werkgever verplicht is in die kosten bij te dragen op grond van de sociale wetgeving of blijkens paritaire overeenkomsten die ter uitvoering van die wetgeving werden gesloten.
3. Rekening gehouden met het antwoord onder 2, is onderhavige vraag zonder voorwerp.