Vr. en Antw., Senaat, 1982-1983, nr. 31, blz. 1180-1181
Tijdstip tenietgaan hoedanigheid belastingplichtige - Aangifte van stopzetting van werkzaamheid.
VRAAG
Wanneer een BTW-plichtige zijn bedrijvigheid staakt, moet hij het bestuur een aangifte overzenden (art. 50, § 1, 1°, oud en art. 53, 1° nieuw W.BTW), op straffe van boete (art. 70, § 4, van het Wetboek).
Sommige BTW-controleurs willen die boete inkohieren ten laste van BTW-plichtigen die in de aangifte een datum van staking vermelden die later valt dan de datum van afvoering van het handelsregister.
Hun standpunt lijkt mij ongegrond, om verschillende gronden.
Vooreerst legt het Wetboek van de BTW geen band tussen de hoedanigheid van handelaar en die van BTW-plichtige. Sommige BTW- plichtigen (vrije beroepen, VZW's) zijn trouwens geen handelaar. Het is alleszins onjuist te beweren dat de hoedanigheid van BTW-plichtige op dezelfde datum als die van handelaar verloren gaat.
Verder moet de BTW-plichtige die zijn bedrijvigheid stopzet (het geval is bijzonder duidelijk voor een vennootschap in vereffening, wanneer deze ten einde loopt) uitgaven dragen die zich voordoen of hem aangerekend worden nadat hij zijn afvoering van het handelsregister heeft aangevraagd. In die uitgaven is meestal BTW inbegrepen. Ik denk bv. aan de kosten voor de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad van een uittreksel uit de notulen van de laatste vergadering, waar de vereffenaar ontlasting gekregen heeft, aan de kosten voor het indienen van de laatste jaarrekening, en het ereloon van de accountant die de rekeningen heeft afgewerkt, aan de laatste rekening van de RTT.
Door de hoedanigheid van BTW-plichtige op de datum van afvoering van het handelsregister in te trekken, kan men de betrokkene het recht ontnemen de in die uitgaven begrepen BTW af te trekken, hoewel dit recht niet kan betwist worden wegens de band tussen die uitgaven en de bedrijvigheid.
Een BTW-plichtige verwijten dat hij deze hoedanigheid enige tijd na de afvoering behoudt, kan een onrechtvaardige toestand doen ontstaan.
Bestaat de eenvoudigste oplossing er niet in, bij een omzendbrief van het bestuur voor te schrijven dat men de BTW-plichtige geen late aangifte van staking kan aanwrijven als hij die hoedanigheid bewaart gedurende ten hoogste drie maanden na de laatste dag van de maand waarin hij van het handelsregister is afgevoerd ?
ANTWOORD
De hoedanigheid van BTW-belastingplichtige gaat slechts verloren zo de werkzaamheid waardoor die hoedanigheid ontstond definitief een einde neemt.
Zo verliest een handelaar, natuurlijke persoon, die een werkzaamheid uitoefent die hem de hoedanigheid van BTW-belastingplichtige verleent, in principe slechts die hoedanigheid op het tijdstip waarop hij de vereffening van zijn onderneming beëindigt en dientengevolge geen handelingen meer kan verrichten die in het BTW-Wetboek zijn bedoeld.
Wanneer tot de ontbinding van een vennootschap wordt besloten, behoudt die vennootschap eveneens de hoedanigheid van BTW- belastingplichtige tot de definitieve sluiting van de vereffening. Zolang die vereffening niet is gesloten blijft de vennootschap derhalve gehouden tot het indienen van periodieke BTW-aangiften.
De registratie van een vennootschap in vereffening mag nochtans, op haar verzoek, worden doorgehaald van zodra vaststaat dat die vennootschap geen handelingen meer kan verrichten waardoor ze tegenover de Staat schuldenares van belasting kan worden. Die doorhaling kan onder meer worden toegestaan wanneer de vennootschap in vereffening geen realiseerbare activa meer bezit en haar werkzaamheid nog slechts bestaat in het invorderen van haar schuldvorderingen tegenover derden.
Overigens mag de vereffenaar van een vennootschap of een natuurlijke persoon een aanvraag om teruggaaf indienen van de belasting die haar/hem na de doorhaling van haar/zijn BTW-registratie nog in rekening is gebracht.
Tenslotte wordt de aandacht erop gevestigd dat in geval van stopzetting van een onderneming de doorhaling van de inschrijving van het handelsregister moet gebeuren binnen het jaar na de stopzetting, overeenkomstig artikel 18 van de gecoördineerde wetten van 20 juli 1964 (Belgisch Staatsblad van 8 augustus en 10 september 1964) met betrekking tot het handelsregister, terwijl de doorhaling van de BTW-registratie moet gebeuren binnen vijftien dagen na de werkelijke stopzetting van de economische activiteiten die de hoedanigheid van BTW-belastingplichtige verleenden, overeenkomstig artikel 3 van het koninklijk besluit nr. 10 van 12 maart 1970 (oud) en artikel 3 van het koninklijk besluit nr. 10 van 29 december 1992 (nieuw) met betrekking tot de aangiften van aanvang, wijziging of stopzetting van werkzaamheid op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde.