Recht op aftrek, Onregelmatige facturen · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Hof van Cassatie 19 september 1996

Zoeken

Recht op aftrek, Onregelmatige facturenRecht op aftrek,Onregelmatige facturen

https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-onregelmatige-facturen-btw-cassatie-brussel-1996-09-19-2903

Rechtscollege
Hof van Cassatie
Datum
19 september 1996

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

18 paragrafen

Tekst van de beslissing

ARREST C 96/3

Arrest van het Hof van Cassatie dd. 19.09.1996

Recht op aftrek - Onregelmatige facturen

Om zijn recht op aftrek van de BTW geheven van het aan hem geleverde goed of verleende dienst te kunnen uitoefenen, moet de belastingplichtige in het bezit zijn van een regelmatige factuur; het arrest dat, enerzijds, vaststelt dat de litigieuze facturen verschillende onregelmatigheden vertonen t.a.v. de vermeldingen die verplicht erop moeten voorkomen en waaruit, anderzijds, niet volgt dat die vermeldingen geen nut hadden voor de inning van de BTW en voor de controle erop door de administratie, beslist derhalve niet naar recht dat de belastingplichtige de BTW betreffende de voornoemde facturen mocht aftrekken.

C.95.0383.F

HET HOF,

Gelet op het bestreden arrest op 30 juni 1994 door het Hof van Beroep te Luik gewezen;

Over het middel : schending van de artikelen 45, § 1, 49, 50, § 2, 52 (voor de wijziging ervan bij de wet van 28 december 1992) van de wet van 3 juli 1969 tot invoering van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, 2 van het koninklijk besluit nr. 1 van 23 juli 1969 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde, 3, § 1, 1° van het koninklijk besluit nr. 3 van 10 december 1969 met betrekking tot de aftrekregeling voor de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde (voor de wijziging ervan bij koninklijk besluit van 29 december 1992), en 4, § 2, van het (toen vigerende) koninklijk besluit nr. 17 van 20 juli 1970 met betrekking tot de vaststelling van een minimummaatstaf van heffing voor personenauto's op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde,

doordat het arrest, ofschoon het heeft beslist dat de litigieuze facturen verschillende onregelmatigheden vertoonden gelet op de vermeldingen die verplicht erop moesten voorkomen ... met toepassing van artikel 2 van het koninklijk besluit nr. 1 van 23 juli 1969 en van artikel 4, § 2, van het koninklijk besluit nr. 17 van 20 juli 1970, het dwangbevel dat op 12 januari 1981 tegen verweerder was uitgevaardigd tot betaling van de belasting over de toegevoegde waarde en de boete, van nul en generlei waarde verklaart op grond "dat, wat de naar de vorm onregelmatige facturen betreft, de aftrek toch moet worden toegestaan wanneer geen twijfel bestaat over de werkelijkheid van de gefactureerde verrichtingen; ... dat uit de gegevens van het dossier blijkt dat (eiser) noch het feitelijk bestaan van de verkopen, noch de regelmatige betaling door (verweerder) van de BTW op die verkopen ooit in twijfel heeft getrokken...; dat de wetgever niet de bedoeling heeft gehad om te goeder trouw zijnde belastingplichtige te laten opdraaien voor het verzuim van een leverancier om de door hem verschuldigde belasting te betalen - (eiser) beweert overigens niet dat hij ze in casu niet heeft geïnd - en om een volledige en waarheidsgetrouwe factuur op te maken - waartoe de leverancier verplicht is; dat er derhalve geen gronden zijn om (verweerder) zijn recht op aftrek te ontzeggen aangezien hij bewijst de belasting te hebben betaald en zijn leveranciers identificeert zodat de ontbrekende vermeldingen, in casu, de controle op de effectieve storting van de BTW door de leveranciers niet hebben verhinderd,

terwijl de belastingplichtige, krachtens artikel 3, § 1, 1°, van het koninklijk besluit nr. 3 van 10 december 1969, zijn recht op aftrek slechts kan uitoefenen voor zover hij in het bezit is van een factuur opgemaakt overeenkomstig artikel 2 van het koninklijk besluit nr. 1 van 23 juli 1969; artikel 4, § 2, van het (toen vigerende) koninklijk besluit nr. 17 van 20 juli 1970 bepaalde dat de facturen die betrekking hebben op de levering of op de invoer hier te lande van een personenauto, verschillende vermeldingen moesten bevatten die nodig waren voor het vaststellen van de catalogusprijs en voor het identificeren van de typen van personenauto's, hun toebehoren, enz ...; artikel 2 van het koninklijk besluit nr. 1 van 23 juli 1969 waarnaar artikel 3, § 1, van het koninklijk besluit nr. 3 van 10 december 1969 verwijst, onder meer bepaalt dat de factuur het volgnummer dient te vermelden waaronder ze is ingeschreven in het boek voor uitgaande facturen; het, casu, niet wordt betwist dat, naast andere onregelmatigheden, het volgnummer van het boek voor uitgaande facturen ontbrak op de facturen die door verschillende leveranciers van verweerder waren uitgereikt; het arrest niet vaststelt dat die vermelding geen nut had voor de inning van de belasting over de toegevoegde waarde en voor de controle erop door de BTW-administratie; het enkel erop wijst dat eiser niet beweert dat de betrokken leveranciers de belasting niet zouden hebben betaald of dat de ontbrekende vermeldingen "in casu" de controle op de "effectieve" storting van de belasting over de toegevoegde waarde door de leveranciers hebben verhinderd en dat verweerder, in ieder geval, niet verantwoordelijk is voor het eventuele verzuim van de leveranciers; het arrest aldus voornoemd artikel 3, § 1, 1 ° heeft geschonden, aangezien het in strijd met het door die bepaling opgelegde verbod tot aftrek, beslist dat de belasting over de toegevoegde waarde mag worden afgetrokken door een belastingplichtige die niet in het bezit is van een overeenkomstig artikel 2 van koninklijk besluit nr. 1 van 23 juli 1969 opgemaakte factuur, wanneer de administratie de door belastingplichtige betaalde belasting over de toegevoegde waarde van de leverancier heeft ontvangen of wanneer zij, op zijn minst, haar schuldvordering heeft kunnen identificeren; het arrest aldus bij artikel 3 bepaalde voorwaarde voor de aftrekbaarheid van de belasting heeft uitgebreid; hieruit volgt dat het arrest niet wettig heeft beslist dat verweerder de belasting over de toegevoegde waarde betreffende de litigieuze facturen mocht aftrekken en dat bijgevolg het tegen hem op 12 januari 1981 uitgevaardigde dwangbevel nietig was (schending van de bovenaan in het middel aangegeven wettelijke bepalingen en inzonderheid van artikel 3, § 1, l', van het koninklijk besluit nr. 3 van 10 december 1969)

Overwegende dat de belastingplichtige, krachtens artikel 3, § 1, 1°, van het koninklijk besluit nr. 3 van 10 december 1969 met betrekking tot de aftrekregeling zijn recht op aftrek slechts kan uitoefenen voor zover hij in het bezit is van een factuur opgemaakt overeenkomstig artikel 2 van het koninklijk besluit nr. 1 van 23 juli 1969;

Overwegende dat het arrest vaststelt dat de litigieuze facturen verschillende onregelmatigheden vertoonden gelet op de vermeldingen die verplicht erop moeten voorkomen, hoofdzakelijk met toepassing van artikel 2 van het koninklijk besluit nr. 1 van 23 juli 1969 en van artikel 4, § 2, van het koninklijk besluit nr. 17 van 20 juli 1970;

Dat het arrest, waaruit niet blijkt dat die vermeldingen geen nut hadden voor de inning van de belasting over de toegevoegde waarde en voor de controle erop door de administratie, zijn beslissing volgens welke verweerder belasting over de toegevoegde waarde betreffende de litigieuze facturen mocht aftrekken en het tegen hem uitgevaardigde dwangbevel bijgevolg nietig was, behalve in zoverre het de factuur van 29 juni 1977 betreft, niet naar recht verantwoordt;

Dat het middel gegrond is;

Beschikkend gedeelte

OM DIE REDENEN,

Vernietigt het bestreden arrest;

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest,

Houdt de kosten aan en laat de uitspraak daaromtrent aan de feitenrechter over; Verwijst de zaak naar het Hof van Beroep te Brussel.

Aangehaalde teksten

1
KB nr. 3 art. 33 voorkomens

Rechtspraak

16

België

16

Hof van beroep te Luik03.06.2009

Controle, Verhoging van de omzet

Hof van beroep te Gent29.04.2002

Recht op aftrek van Btw, vervolging, geding

Bekijk alle 16

Administratieve doctrine

1

Bekijk de 17 documenten

Vergelijkbare beslissingen

8