Diensten (01.09.2022) · Btw-commentaar

Naar de tekst
Juriel

19 september 2022

Zoeken

Diensten (01.09.2022)

https://juriel.be/nl/btw-commentaar/diensten-c6e6

Datum
19 september 2022

Over het document

Verzameling
Btw-commentaar
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

3686 paragrafen

BOEKWERK I: Belastingplicht en belastbare handelingen

Hoofdstuk 3: Diensten

Bijwerking 01.09.2022 - Vorige versies: [01.07.2018] [01.10.2020]

Structuur

Afdeling 1. Wetgevend kader

Afdeling 2. De belastbare diensten

Afdeling 3. Opsomming van de contractuele diensten

1. Materieel of intellectueel werk (artikel 18, § 1, tweede lid, 1°, van het Btw-Wetboek)

2. De terbeschikkingstelling van personeel (artikel 18, § 1, tweede lid, 2°, van het Btw-Wetboek)

3. De lastgeving (artikel 18, § 1, tweede lid, 3°, van het Btw-Wetboek)

4. Het genot van een lichamelijk roerend of onroerend goed (artikel 18, § 1, tweede lid, 4°, van het Btw-Wetboek)

5. Overdracht van een cliënteel en verlenen van rechten op een cliënteel en de verbintenis een beroepswerkzaamheid niet uit te oefenen (artikel 18, § 1, tweede lid, 5°, van het Btw-Wetboek)

6. Overdracht van of verlenen van rechten op een verkoop- of inkoopmonopolie of van het recht een beroepswerkzaamheid uit te oefenen (artikel 18, § 1, tweede lid, 6°, van het Btw-Wetboek)

7. Overdracht van en verlenen van licenties inzake intellectuele rechten (artikel 18, § 1, tweede lid, 7° , van het Btw-Wetboek)

8. Terbeschikkingstelling van stalling voor rijtuigen (artikel 18, § 1, tweede lid, 8°, van het Btw-Wetboek)

9. De terbeschikkingstelling van bergruimte voor het opslaan van goederen (artikel 18, § 1, tweede lid, 9°, van het Btw-Wetboek)

10. Logies van betalende gasten en camping (artikel 18, § 1, tweede lid, 10°, van het Btw-Wetboek)

11. Restaurant- en cateringdiensten (artikel 18, § 1, tweede lid, 11°, van het Btw-Wetboek)

12. Toekenning van het recht op toegang tot inrichtingen voor cultuur, sport of vermaak (artikel 18, § 1, tweede lid, 12°, van het Btw-Wetboek)

13. Bankverrichtingen en financiële diensten (artikel 18, § 1, tweede lid, 13°, van het Btw-Wetboek)

14. Radiodistributie, teledistributie, telecommunicatie (artikel 18, § 1, tweede lid, 14°, van het Btw-Wetboek)

15. De toekenning van het recht van toegang tot verkeerswegen en tot de erbij behorende kunstwerken, alsmede de toekenning van het recht er gebruik van te maken (artikel 18, § 1, tweede lid, 15°, van het Btw-Wetboek)

16. Langs elektronische weg verrichte diensten (artikel 18, § 1, tweede lid, 16°, van het Btw-Wetboek)

Afdeling 4. Diensten die worden verricht buiten enige contractuele band (artikel 18, § 2, eerste lid, van het Btw-Wetboek)

Afdeling 5. Geen diensten op grond van artikel 18, § 3, van het Btw-Wetboek

Afdeling 6. De met een belastbare dienst gelijkgestelde handelingen ingevolge de toepassing van artikel 19 van het Btw-Wetboek

Afdeling 7. Commissionair inzake diensten

Afdeling 8. Plaats van de dienst

Afdeling 9. Belastbaar feit en opeisbaarheid van de belasting

Inhoud · 267 onderdelen

Afdeling 1 - Wetgevend kader

1. Overzicht bepalingen Btw-Wetboek

2. Overzicht bepalingen koninklijke besluiten

Afdeling 2 – De belastbare diensten

1. Algemene voorwaarden van belastbaarheid

2. Algemene definitie van het begrip ‘diensten’

A. Negatieve definitie: ‘elke handeling die geen levering van een goed is’

B. Voorwerp van de handeling

C. Kenmerken van de handeling

a. Betrokken partijen

b. Verbintenis die van nature uit een verbruik inhoudt

4. Ongeoorloofde handelingen

5. Diensten verricht onder bezwarende titel

A. Rechtstreekse tegenprestatie

B. Afwezigheid van een tegenprestatie

a. Bruiklening

b. Wettelijke waarborgverplichting

c. Bijkomende bovenwettelijke waarborg toegekend door de verkoper op het tijdstip van de aankoop

d. Fooien

C. Afwezigheid van een rechtstreekse tegenprestatie

a. Contante inbreng in een vennootschap

b. Uitgifte van aandelen

c. Uitkering van dividenden

d. Voordeel van alle aard

D. Wederzijdse prestaties

a. Sportuitrusting tegen reclame

b. Werken tegen een forfaitair bedrag of vermindering van de huurprijs

c. Werken in ruil voor een bezoekrecht van een kijkwoning

d. Andere wederzijdse leveringen of diensten

6. Schadevergoeding

A. Niet belastbare schadevergoeding

a. Voorschotten

b. Verbreking van een aannemingscontract

c. Verplaatsing van installaties

d. Dekking van kosten verbonden aan de uitvoering van een waarborgverplichting

e. Verplichte of administratieve transfers van voetballers

f. Definitieve overdracht van een melkquotum

g. Andere voorbeelden van schadevergoeding

B. Belastbare tegenprestatie van een dienst

7. Complexe handelingen – Omvang van de handeling

A. Eén enkele prestatie

a. Eén enkele prestatie ingevolge de wet

• De organisatie van reizen

• Bijkomstige kosten in de maatstaf van heffing van de hoofdhandeling

b. Eén enkele prestatie ingevolge het onderzoek van de feitelijke omstandigheden

c. Toepassingen

B. Meerdere onderscheiden hoofdprestaties

C. Doorrekening van kosten

8. Onderscheid tussen leveringen van goederen en diensten – Kwalificatie van de handeling

A. Lichamelijke en onlichamelijke goederen

B. Verkoop van software en overdracht van gegevensbanken

C. Verschaffen van spijzen en dranken

D. Handelingen die zowel betrekking hebben op de levering van goederen als op het verrichten van een werk

a. Levering met installatie of montage van een roerend goed ingevolge een enig contract

b. Levering met installatie of montage van een lichamelijk roerend goed ingevolge afzonderlijke contracten

c. Levering met installatie of montage van een lichamelijk roerend goed op een roerend goed in of buiten het kader van een handeling inzake onderhoud of herstelling

d. Verstrekken van een roerend werk met grondstoffen geleverd door de leverancier of door de klant

Afdeling 3 – Opsomming van de contractuele diensten

1. Materieel of intellectueel werk (artikel 18, § 1, tweede lid, 1°, van het Btw-Wetboek)

A. Voorwerp en aard van het contract

b. Werken verricht in onderaanneming

B. Werk in roerende staat

C. Werk in onroerende staat

a. Toepassingsgebied

b. Definitie van een werk in onroerende staat

c. Met werk in onroerende staat gelijkgestelde handelingen

D. Intellectuele werken

E. Handelingen van makelaars

a. Hoofdhandeling

b. Overdracht van een optierecht op een goed

c. Uitsluiting van de commissionair

d. Van de btw vrijgestelde makelaarsdiensten

F. Het vervoer van personen of goederen

a. Voorwerp en aard van het contract

b. Onderscheid tussen vervoerdienst en verhuur van vervoermiddelen

c. Bijkomende diensten bij vervoer

d. Toepassingsgevallen

e. Vrijgestelde vervoersdiensten

G. Reclamediensten

a. Voorwerp van de handeling

b. Toepassingsgevallen

H. Organisatie van een beurs, een tentoonstelling of een dergelijke manifestatie

a. Globale dienst

b. Onroerende verhuur

c. Andere kwalificaties

I. Andere beoogde diensten

a. Persoonsverzorging

b. Stallen en verzorgen van dieren

c. Dierenkerkhof

d. Weghalen van vuilnis, afval of puin - Afbraak van gebouwen

e. Periodieke markten voor tweedehandse voertuigen

f. Begrafenisonderneming

2. De terbeschikkingstelling van personeel (artikel 18, § 1, tweede lid, 2°, van het Btw-Wetboek)

A. Voorwerp en aard van het contract

B. Interpretatie van het contract

C. Vrijstellingen

D. Handelingen buiten de werkingssfeer van de btw

3. De lastgeving (artikel 18, § 1, tweede lid, 3°, van het Btw-Wetboek)

A. Voorwerp en aard van het contract

B. Onderscheid met andere handelingen

a. Makelaars

b. Zaakbezorgers

C. Uitsluiting voor commissionairs

D. Vrijstellingen

4. Het genot van een lichamelijk roerend of onroerend goed (artikel 18, § 1, tweede lid, 4°, van het Btw-Wetboek)

A. Voorwerp en aard van het contract

a. Lichamelijke roerende goederen

B. Onderscheid met een levering van goederen

a. De huurkoop

b. Terbeschikkingstelling van verpakkingsmiddelen en opslagmogelijkheden

• Verpakkingskosten

• Gasflessen

• Opslagsilo’s

C. Onderscheid tussen de verhuur en andere diensten

a. Verhuur van een vervoermiddel met bestuurder

b. Terbeschikkingstelling van een werfmachine met personeel om het te bedienen

c. Verhuur van podiums

d. Recht op toegang tot inrichtingen voor sport

e. Overdracht of vestigen van het recht een beroepswerkzaamheid uit te oefenen

D. Toepassingsgevallen

E. Vrijstellingen

F. Uitzonderingen op de vrijstelling

a. Verplicht te belasten onroerende verhuur

b. Onroerende verhuur voor een periode van meer dan zes maanden (behalve uitzonderingen) belast bij optie (artikel 44, § 3, 2°, d), van het Btw-Wetboek

G. Specifieke topics met betrekking tot onroerende verhuur

5. Overdracht van een cliënteel en verlenen van rechten op een cliënteel en de verbintenis een beroepswerkzaamheid niet uit te oefenen (artikel 18, § 1, tweede lid, 5°, van het Btw-Wetboek)

A. Voorwerp en aard van het contract

a. Overdracht van een cliënteel en verlenen van rechten op een cliënteel

b. Verbintenis een beroepswerkzaamheid niet uit te oefenen

B. Vrijstelling

6. Overdracht van of verlenen van rechten op een verkoop- of inkoopmonopolie of van het recht een beroepswerkzaamheid uit te oefenen (artikel 18, § 1, tweede lid, 6°, van het Btw-Wetboek)

A. Verkoop- of inkoopmonopolie

a. Autonoom karakter van de handeling

• Verkoopmonopolie

• Inkoopmonopolie

b. Brouwerijcontracten

c. Uitbreiding tot andere sectoren dan die van de brouwerijen

B. Overdracht van of verlenen van rechten op het recht een beroepswerkzaamheid uit te oefenen

a. Voorwerp en aard van het contract

b. Draagwijdte van het begrip ‘beroepswerkzaamheid’

c. Toepassingsgevallen

d. Andere kwalificaties: organisatie van een beurs, tentoonstelling of dergelijke manifestatie

7. Overdracht van en verlenen van licenties inzake intellectuele rechten (artikel 18, § 1, tweede lid, 7° , van het Btw-Wetboek)

A. Voorwerp en aard van het contract

B. Onderscheid met een levering van goederen

C. Toepassingsgevallen

D. Contract voor uitgave - vrijstelling

8. Terbeschikkingstelling van stalling voor rijtuigen (artikel 18, § 1, tweede lid, 8°, van het Btw-Wetboek)

A. Voorwerp en aard van het contract

B. Uitoefening van een economische activiteit

C. Verplichte belastingheffing

D. Eén enkele economische handeling

a. Vrijstelling (artikel 44, § 3, 2°, van het Btw-Wetboek) – Bijkomstig op een vrijgestelde verhuur

b. Verplichte belastingheffing (artikel 44, § 3, 2°, a), zevende streepje, van het Btw-Wetboek)

c. Optionele belastingheffing (artikel 44, § 3, 2°, d), van het Btw-Wetboek)

E. Handelingen buiten de werkingssfeer

9. De terbeschikkingstelling van bergruimte voor het opslaan van goederen (artikel 18, § 1, tweede lid, 9°, van het Btw-Wetboek)

A. Voorwerp en aard van de overeenkomst

a. Definitie

b. Opslagplaats volgens de normen (oppervlakte of volume)

c. Voorbeelden

B. Uitoefening van een economische activiteit

C. Belastingheffing of toepassing van een vrijstelling?

D. Eén enkele economische handeling

a. Vrijstelling (artikel 44, § 3, 2°, van het Btw-Wetboek) – Aanvulling bij een vrijgestelde verhuur.

b. Verplichte belastingheffing (artikel 44, § 3, 2°, a), zevende streepje, van het Btw-Wetboek)

c. Optionele belastingheffing (artikel 44, § 3, 2°, d), van het btw-Wetboek)

10. Logies van betalende gasten en camping (artikel 18, § 1, tweede lid, 10°, van het Btw-Wetboek)

A. Verschaffen van gemeubeld logies aan betalende gasten in hotels, motels en instellingen met een soortgelijke functie

a. Aard en voorwerp van de overeenkomst

b. Uitoefening van een economische activiteit

c. Belastingheffing of vrijstelling volgens de administratieve criteria tot 30.06.2022

d. Belastingheffing of vrijstelling volgens de wettelijke criteria vanaf 01.07.2022

e. Bijzondere regelingen

f. De terbeschikkingstelling, in hun geheel, van hotels, motels en gelijksoortige inrichtingen waar betalende gasten verblijven: belastingvrijstelling behalve bij optionele belastingheffing

g. Terbeschikkingstelling van gemeubeld logies dat in functie van een bepaald doel wordt vrijgesteld

B. Terbeschikkingstelling van een plaats om te kamperen

a. Voorwerp en aard van het contract

b. Uitoefening van een zelfstandige economische activiteit

c. Onderscheid met een vrijgestelde onroerende verhuur

11. Restaurant- en cateringdiensten (artikel 18, § 1, tweede lid, 11°, van het Btw-Wetboek)

A. Beoogde diensten

B. Restaurant- en cateringdiensten

a. Restaurantdiensten

• De klanten verbruiken de spijzen en/of dranken in een ruimte binnen

• De klanten verbruiken de spijzen en/of dranken in open lucht

b. Cateringdienst

c. Verschillende diensten

C. Onderscheid tussen restaurant- of cateringdiensten en een levering van spijzen en/of dranken (verkoop om mee te nemen)

a. De dienst is bijkomstig

b. Collectieve catering

c. Toepassingsgeval

D. De terbeschikkingstelling van een zaal tezamen met het verschaffen van spijzen en/of dranken bestemd voor het verbruik ter plaatse

E. Vrijstellingen

a. Verschaffen van spijzen en/of dranken bestemd voor het verbruik ter plaatse, dat nauw verbonden is met een vrijgestelde handeling beoogd door artikel 44, § 2, van het Btw-Wetboek

b. Uitbating van een drank- of eetgelegenheid, die niet voor iedereen toegankelijk is, door culturele of zorginstellingen waarvan de activiteiten vrijgesteld zijn door artikel 44, § 2, van het Btw-Wetboek: tolerantie

c. Uitbating van een drankgelegenheid, voor iedereen toegankelijk, door een jeugdhuis: tolerantie

d. Uitbating van een drank- of eetgelegenheid, die voor iedereen toegankelijk is, door een lokaal dienstencentrum

12. Toekenning van het recht op toegang tot inrichtingen voor cultuur, sport of vermaak (artikel 18, § 1, tweede lid, 12°, van het Btw-Wetboek)

A. Voorwerp en aard van het contract

B. Aard van de inrichting

C. Toepassingsgevallen

D. Onderscheid met de onroerende verhuur

E. Onderscheid met andere diensten

F. Vrijstellingen

13. Bankverrichtingen en financiële diensten (artikel 18, § 1, tweede lid, 13°, van het Btw-Wetboek)

A. Handelingen betreffende deposito’s

B. Handelingen betreffende rekening-courantverkeer

C. Handelingen met betrekking tot schuldvorderingen, cheques en andere handelspapieren

a. Beheer en invordering van schuldvorderingen

b. Factoring

c. Kortingskaart

D. Kredietverrichtingen

E. Plaatsing van effecten

a. Plaatsing zonder garantie tot succes

b. Plaatsing met garantie tot succes

c. Bemiddeling met betrekking tot effecten

d. Verkoop van een optie

F. Diensten die betrekking hebben op effecten

G. Betalings- en ontvangstverrichtingen

H. Diensten inzake deviezen

I. Leveringen van goud als beleggingsobject

J. Bewaringsverrichtingen

K. Vermogensbeheer

a. Portefeuillebeheer

b. Beleggingsadvies

L. Instellingen voor collectieve belegging

14. Radiodistributie, teledistributie, telecommunicatie (artikel 18, § 1, tweede lid, 14°, van het Btw-Wetboek)

A. Radiodistributie en teledistributie

a. Definitie

b. Beoogde diensten

c. Uitgesloten diensten

B. Telecommunicatiediensten

a. Definitie

b. Beoogde diensten

c. Uitgesloten diensten

C. Kosten van aansluiting

15. De toekenning van het recht van toegang tot verkeerswegen en tot de erbij behorende kunstwerken, alsmede de toekenning van het recht er gebruik van te maken (artikel 18, § 1, tweede lid, 15°, van het Btw-Wetboek)

16. Langs elektronische weg verrichte diensten (artikel 18, § 1, tweede lid, 16°, van het Btw-Wetboek)

A. Niet-limitatieve opsomming

B. E-mail: louter een communicatiemiddel

C. Toepasbare criteria

D. Beoogde diensten

E. Uitgesloten diensten

F. Onderscheid met leveringen van goederen

G. Bijzondere en gemeenschappelijke regels met diensten inzake radiodistributie, teledistributie en telecommunicatie

Afdeling 4 - Diensten die worden verricht buiten enige contractuele band (artikel 18, § 2, eerste lid, van het Btw-Wetboek)

1. Beoogde diensten

2. Toepassingsgeval

3. Vrijstellingen

Afdeling 5 – Geen diensten op grond van artikel 18, § 3, van het Btw-Wetboek

1. Beoogde gevallen

2. Draagwijdte van artikel 11 van het Btw-Wetboek en toepassingsvoorwaarden

Afdeling 6 – De met een belastbare dienst gelijkgestelde handelingen ingevolge de toepassing van artikel 19 van het Btw-Wetboek

1. Doeleinden van de gelijkstelling

2. Gebruik van goederen behorend tot het bedrijf voor andere doeleinden dan de economische activiteit (artikel 19, § 1, van het Btw-Wetboek)

A. Doel van de heffing op het gebruik van een bedrijfsmiddel

a. Correctiemechanisme op het recht op aftrek

b. Verband met de regels inzake recht op aftrek

c. Verband met het stelsel van de herzieningen van het recht op aftrek als beoogd door artikel 48, § 2, van het Btw-Wetboek

d. Onderscheid met een onttrekking van goederen voor andere dan bedrijfsdoeleinden

B. Toepassingsgebied

a. Beoogde goederen

b. Niet beoogde goederen

C. Vervoermiddelen die worden beoogd door artikel 45, § 2, eerste lid, van het Btw-Wetboek

D. Maatstaf van heffing

E. Toepassingsgeval

3. Uitvoering van werken in onroerende staat door een belastingplichtige voor de doeleinden van zijn economische activiteit of, om niet, voor zijn privédoeleinden of deze van zijn personeel, of meer in het algemeen, voor andere doeleinden dan deze van zijn economische activiteit (artikel 19, § 2, van het Btw-Wetboek)

A. Doeleinden van de heffing van werken in onroerende staat

b. Andere doeleinden dan deze van de economische activiteit

B. Aard van de werken

a. Uitsluiting van de intellectuele werken

b. Uitsluiting van oprichtingswerken door een beroepsoprichter voor de doeleinden van zijn economische activiteit

c. Uitsluiting van herstellings-, onderhouds- of reinigingswerken, door een belastingplichtige voor de doeleinden van zijn economische activiteit

C. Beoogde personen

D. Doeleinden van de werken in onroerende staat

a. Werken in onroerende staat verricht door een belastingplichtige voor de doeleinden van zijn economische activiteit

b. Werken verricht door een belastingplichtige voor doeleinden die vreemd zijn aan zijn economische activiteit

• De belastingplichtige is een natuurlijke persoon

• De belastingplichtige is een rechtspersoon

c. Werken uitgevoerd door een belastingplichtige, natuurlijke persoon, zowel voor zijn privédoeleinden als voor de doeleinden van zijn economische activiteit

E. Werken in onroerende staat verricht door een verhuurder van gebouwen

Afdeling 7 – Commissionair inzake diensten

1. Kwalificatie van de tussenkomst van de commissionair

A. Principe

B. Analogie met leveringen van goederen

C. Commissionair en gelijkgestelde tussenpersoon

a. Soorten tussenpersonen

b. Commissionair in de eigenlijke zin

c. Commissionair door gelijkstelling

D. Doelstellingen van de gelijkstelling met een commissionair

E. Onderscheid met het burgerlijk recht en het handelsrecht

2. Btw-gevolgen van het commissionairsstelsel

A. Twee opeenvolgende handelingen van dezelfde aard

B. Toepassingsgeval

a. Vervoerscommissionair die contracteert met de eigenlijke afnemer van de dienst (de derde opdrachtgever) voor rekening van een vervoerder (zijn committent)

b. Vervoerscommissionair die contracteert met een vervoerder (derde dienstverrichter) voor rekening van de werkelijke afnemer van de dienst (zijn committent)

c. Financiële tussenkomst in de reclamekosten

3. Afwezigheid van het optreden van een tussenpersoon: uitsluiting van werken die worden verricht door een huurder in ruil voor de niet-betaling van huur

4. Uitsluiting voor reisbureaus

5. Vrijstellingen bedoeld in artikel 44 van het Btw-Wetboek van toepassing op de commissionair

A. Tussenkomst van een tussenpersoon bij kansspelen: vrijstelling

B. Facturen uitgereikt door een theaterbureau aan een organisator van voordrachten: geen vrijstelling

Afdeling 8 – Plaats van de dienst

1. Criteria

A. Inleiding

B. Algemene regels voor de plaatsbepaling

a. B2B situatie

b. B2C situatie

C. Afwijkende plaatsbepalingsregels

D. Aansprakelijkheid van de dienstverrichter

a. De ontvanger is in de Gemeenschap gevestigd

b. De ontvanger is buiten de Gemeenschap gevestigd

E. Hoedanigheid van de afnemer – Begrip ‘belastingplichtige’

a. Belastingplichtige in de zin van artikel 4 van het Btw-Wetboek

b. Gedeeltelijke belastingplichtige

c. Niet-belastingplichtige rechtspersoon die voor btw-doeleinden is geïdentificeerd

d. Privédoeleinden van de belastingplichtige of van zijn personeel

F. Uniciteit van de plaatsbepaling

a. Gemengd gebruik van de dienst

b. Gebruik van de dienst is gewijzigd

2. Territoriale aanknopingsregels

A. Principes

a. B2B – Hoofdregel

b. B2C – Hoofdregel

B. Definities

a. Zetel van economische activiteit

b. Vaste inrichting

• Vaste inrichting als ontvanger van de dienst

• Vaste inrichting als dienstverrichter

c. Woonplaats

d. Gebruikelijke verblijfplaats

C. Prioritaire en ondergeschikte aanknopingspunten van de handeling

D. Bepaling van de vaste inrichting die optreedt als ontvanger

a. Voornaamste onderscheidende criteria

b. Ondergeschikte onderscheidende criteria

c. Aanknoping met de zetel van economische activiteit

d. Verantwoordelijkheid van de dienstverrichter en de ontvanger

3. Gemeenschappelijke afwijkende regels (B2B en B2C)

A. Diensten die verband houden met een onroerend goed

a. Criteria voor de plaatsbepaling

b. Begrip ‘onroerend goed’

c. Diensten die verband houden met een onroerend goed

• Werk in onroerende staat

• Handelingen van architecten

• Expertises met betrekking tot een uit zijn aard onroerend goed

• De leasing of huur van een onroerend goed

• Diensten van tussenpersonen

• Het beheer van uit hun aard onroerende goederen

• Juridische diensten met betrekking tot een uit zijn aard onroerend goed

• Bewaking of toezicht van een uit zijn aard onroerend goed

• Terbeschikkingstelling van werktuigen en personeel

d. Toelichting

B. Personenvervoerdiensten

a. Criteria voor de plaatsbepaling

b. Voorwerp en aard van de overeenkomst

c. Voorbeeld

d. Vrijstellingen

e. Toepassingsgeval

C. Het verlenen van toegang tot culturele, artistieke, sportieve, wetenschappelijke, onderwijs-, amusements- of soortgelijke evenementen

a. Regel voor de plaatsbepaling

b. Beoogde diensten

c. Educatieve evenementen (conferenties, seminaries, vorming…)

• B2B context

• B2C context

d. Uitgesloten diensten

e. Samenhangende diensten

f. Diensten van tussenpersonen

g. Voorbeelden

h. Vrijstellingen

D. Restaurant- en cateringdiensten

a. Regel voor de plaatsbepaling

b. Voorbeelden

E. Verhuur op korte termijn van een vervoermiddel

a. Regel voor de plaatsbepaling

b. Daadwerkelijke terbeschikkingstelling

c. Begrip ‘vervoermiddel’

d. Duur van de verhuur

e. Opeenvolgende contracten

f. Bewijsmiddelen

F. Restaurant- en cateringdiensten voor verbruik aan boord van een schip, vliegtuig of trein

a. Regel voor de plaatsbepaling

b. Definities

c. In de Gemeenschap verricht gedeelte van een passagiersvervoer

d. Toepassingsgevallen

G. Diensten van reisbureaus

4. Afwijkende bepalingen eigen aan de verhouding B2C

A. Andere goederenvervoerdiensten dan het intracommunautair goederenvervoer

a. Regel voor de plaatsbepaling

b. Voorbeelden

c. Vrijstellingen

B. Het intracommunautaire goederenvervoer

a. Regel voor de plaatsbepaling

b. Definities

c. Voorbeelden

d. Vrijstellingen

C. Culturele, artistieke, sportieve, wetenschappelijke, onderwijs-, en vermakelijkheidsactiviteiten of soortgelijke activiteiten

a. Regel voor de plaatsbepaling

b. Beoogde diensten

c. Onderscheid met het verlenen van toegang tot culturele, artistieke, sportieve, wetenschappelijke, onderwijs-, vermakelijkheids- of soortgelijke evenementen

d. Samenhangende diensten

e. Toepassingsgevallen

D. De met goederenvervoer samenhangende diensten

a. Regel voor de plaatsbepaling

b. Voorwerp en aard van het contract

c. Uitsluiting: opslag van goederen

d. Globale dienst

e. Vrijstellingen

f. Voorbeelden

E. Expertises en werkzaamheden met betrekking tot lichamelijke roerende goederen

a. Regel voor de plaatsbepaling

b. Beoogde diensten

c. Uitgesloten diensten

d. Vrijstellingen

e. Voorbeelden

F. Verhuur anders dan op korte termijn van een vervoermiddel

a. Algemene regel van de plaatsbepaling

b. Afwijkende regel: pleziervaartuigen

c. Duur van de verhuur

d. Voorbeelden

e. Problematiek betreffende het bewijs van de vestigingsplaats van de ontvanger van de dienst

f. Vermoedens met betrekking tot de vestigingsplaats van de ontvanger van de dienst

g. Weerleggen van vermoedens

G. Telecommunicatiediensten, radio- en televisieomroepdiensten en langs elektronische weg verrichte diensten

a. Algemene regel voor de plaatsbepaling

b. Voorwaardelijke afwijkende regeling voor de plaatsbepaling

c. Uitzondering

d. Problematiek betreffende het bewijs van de vestigingsplaats van de ontvanger van de dienst

e. Vermoedens met betrekking tot de vestigingsplaats van de ontvanger van de dienst

f. Weerleggen van vermoedens

g. Toelichting - Referentie

H. Diverse diensten verstrekt aan buiten de Gemeenschap gevestigde personen

a. Regel voor de plaatsbepaling

b. Toepassingsvoorwaarden

c. Beoogde diensten

d. Uitgesloten diensten

e. Problematiek betreffende het bewijs van de vestigingsplaats van de ontvanger van de dienst

I. Diensten van tussenpersonen

a. Regel voor de plaatsbepaling

b. Voorwerp en aard van het contract

c. Toepassingsgevallen

d. Vrijstellingen

5. Afwijkende plaatsbepalingsregel ‘use and enjoyment’

A. Mogelijkheid tot afwijking in de relaties B2B en B2C

B. Afwijking in de B2B relatie

C. Toepassing van de afwijking in een B2B relatie

a. Eerste regel inzake de plaatsbepaling: buiten de Gemeenschap, plaats van het werkelijk gebruik of van de werkelijke exploitatie van de dienst

b. Tweede regel inzake de plaatsbepaling: in België, plaats van het werkelijk gebruik of van de werkelijke exploitatie van de dienst

c. Voorbeelden

D. Geen afwijkende regel in een B2C-relatie

6. Samenvatting van de regels inzake plaatsbepaling

A. Vervoerdiensten en ermee samenhangende diensten

a. Personenvervoer

b. Goederenvervoer

• B2B context

• B2C context

c. De met goederenvervoer samenhangende diensten

• B2B context

• B2C context

B. Culturele, artistieke, sportieve, wetenschappelijke, educatieve, vermakelijkheids- of soortgelijke evenementen

a. De diensten inzake het verlenen van toegang tot een evenement dat voor iedereen toegankelijk is en de met toegangsverlening samenhangende diensten

b. Alle diensten, andere dan die betreffende het verlenen van toegang door de organisator van het evenement (beheer). De diensten die culturele of soortgelijke activiteiten als voorwerp hebben, evenals de diensten van de organisatoren van dergelijke activiteiten (recht op toegang tot een interne opleiding, tot een inrichting waar een activiteit plaatsvindt) en de daarmee samenhangende diensten.

C. De tussenpersonen

a. Makelaars of lasthebbers

b. Commissionairs

D. Samenvattende tabellen voor de plaats van de dienst

a. Hoofdregels

b. Afwijkende regels

Afdeling 9 – Belastbaar feit en opeisbaarheid van de belasting

1. Definities – Belang van de begrippen

A. Belastbare feit en opeisbaarheid van de belasting

B. Intracommunautaire diensten

2. Verband tussen het belastbare feit en het tijdstip van opeisbaarheid van de belasting

A. Andere diensten dan intracommunautaire diensten

B. Intracommunautaire diensten

C. Diensten verstrekt aan natuurlijke personen die voor privédoeleinden handelen en aan publiekrechtelijke lichamen beoogd door artikel 6 van het Btw-Wetboek

3. Belastbare feit

A. Algemene regel

a. Werken in onroerende staat

b. Vouchers voor enkelvoudig gebruik

• Overdracht door een belastingplichtige handelend in eigen naam

• Overdracht door een belastingplichtige die niet handelt in eigen naam

• De dienstverrichter is niet dezelfde persoon als de belastingplichtige die de voucher in eigen naam uitgeeft

B. Diensten die aanleiding geven tot opeenvolgende afrekeningen of betalingen

a. Belastbare feit

b. Beoogde diensten

c. Toepassingsgeval

C. Doorlopende intracommunautaire diensten

a. Belastbare feit

b. Beoogde diensten

c. Toepassingsgeval

4. Tijdstip van opeisbaarheid van de belasting indien de belastingplichtige een factuur moet uitreiken op grond van artikel 53, § 2, van het Btw-Wetboek en van artikel 1 van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd

A. Facturatie voor of na het belastbare feit

B. Ontvangst van een betaling voor het belastbare feit

a. Principe

b. Wijze van betaling

c. Toepassingsgevallen

d. Rechtspraak

C. Diensten verstrekt aan publiekrechtelijke lichamen beoogd door artikel 6 van het Btw-Wetboek

a. Principe

b. Beoogde personen

c. Uitgesloten handelingen

d. Toepassingsgeval: Belgisch en buitenlands publiekrechtelijk lichaam

5. Tijdstip van opeisbaarheid van de belasting voor de diensten verstrekt aan natuurlijke personen die voor privédoeleinden handelen

A. Principe

B. Toepassingsgeval

6. Samenvattende tabellen met betrekking tot het tijdstip van de opeisbaarheid van de btw – onderscheid tussen andere dan intracommunautaire diensten en intracommunautaire diensten

A. Overzicht – Verwijzingen naar de circulaire 2019/C/65 van 09.07.2019 met betrekking tot de opeisbaarheid van de btw

B. Toepassing op vervoerdiensten en verhuurdiensten voor een als zodanig handelende belastingplichtige (Referenties naar het Btw-Wetboek)

7. Toepassing op een roerend werk

A. Dienst andere dan een intracommunautaire dienst – Verwijzingen naar het Btw-Wetboek

B. Intracommunautaire dienst

8. Bijzonderheden verbonden aan bepaalde beroepen of functies

A. Architecten, landmeters, ingenieurs

B. Gerechtsdeurwaarders

C. Notarissen

a. Prestaties die resulteren in het verlijden van een akte

b. Prestaties die niet resulteren in het verlijden van een akte

D. Advocaten

E. Bestuurders-rechtspersonen en zaakvoerders-rechtspersonen

F. Esthetische chirurgie/ Ingrepen en behandelingen zonder therapeutisch doel

[Top]

Afdeling 1 - Wetgevend kader

1. Overzicht bepalingen Btw-Wetboek

Artikel 18

Artikel 19

Artikel 20

Artikel 21

Artikel 21bis

Artikel 21ter

Artikel 22

Artikel 22bis

Artikel 22ter

2. Overzicht bepalingen koninklijke besluiten

Koninklijk besluit nr. 10 van 29.12.1992 met betrekking tot de uitoefeningsmodaliteiten van de keuzen, bedoeld in de artikelen 15, § 2, vierde lid, 21bis, § 2, 9°, vierde lid, 25ter, § 1, tweede lid, 2°, tweede lid en 44, § 3, 2°, d), van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, bij de aangiften van aanvang, wijziging en stopzetting van activiteit en de voorafgaande kennisgevingen inzake de belasting over de toegevoegde waarde.

Koninklijk besluit nr. 30 van 29.12.1992 met betrekking tot de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde op de onroerende financieringshuur

Koninklijk besluit nr. 57 van 31.10.2017 met betrekking tot de plaats van diensten in functie van hun werkelijke gebruik of hun werkelijke exploitatie inzake belasting over de toegevoegde waarde wat goederenvervoerdiensten en ermee samenhangende diensten betreft

[Top]

Afdeling 2 – De belastbare diensten

1. Algemene voorwaarden van belastbaarheid

Opdat een dienst belastbaar zou zijn, moeten vier voorwaarden gelijktijdig vervuld zijn (artikel 2, eerste lid, van het Btw-Wetboek):

• de handeling moet een dienst zijn als bedoeld in artikel 18 van het Btw-Wetboek (zie afdelingen 3 tot 5 van dit Hoofdstuk)

• deze dienst moet onder bezwarende titel (tegen vergoeding) verricht worden of moet met een onder bezwarende titel verrichte dienst worden gelijkgesteld door artikel 19 van het Btw-Wetboek (zie titel 5 van deze afdeling en Afdeling 6 van dit Hoofdstuk)

• deze dienst moet plaatsvinden in België (zie Afdeling 8 van dit Hoofdstuk)

• deze dienst moet worden verricht door een als zodanig handelende belastingplichtige (zie ‘Boekwerk I: Belastingplicht en belastbare handelingen - Hoofdstuk 1: De belastingplichtige, Afdeling 3, titel 3’)

De dienst is niet alleen belastbaar maar ook effectief belast indien geen enkele vrijstelling (artikelen 39 tot en met 44bis van het Btw-Wetboek) of bijzondere regeling (bijvoorbeeld artikel 56bis van het Btw-Wetboek betreffende de belastingvrijstelling voor kleine ondernemingen) van toepassing is.

2. Algemene definitie van het begrip ‘diensten’

Voor de toepassing van de btw moet, krachtens de bepalingen van artikel 18, § 1, eerste lid, van het Btw-Wetboek, als een dienst worden aangemerkt, ‘elke handeling die geen levering van een goed is in de zin van dit Wetboek’.

Artikel 18 van het Btw-Wetboek beperkt zich tot het definiëren van het begrip ‘diensten’. Om na te gaan of deze handelingen aan de btw onderworpen zijn, dient rekening te worden gehouden met de voorwaarden van artikel 2, eerste lid, van het Btw-Wetboek (zie titel 1 van deze afdeling).

De tekst van artikel 18, § 1, eerste lid, van het Btw-Wetboek herneemt de definitie opgenomen in artikel 24, lid 1, van de richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28.11.2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde.

Artikel 25 van voornoemde richtlijn 2006/112/EG voegt hieraan toe dat een dienst, onder andere, een van de volgende handelingen kan zijn:

‘a) de overdracht van een onlichamelijke zaak, ongeacht of deze al dan niet in een titel is belichaamd

b) de verplichting om een daad na te laten of om een daad of een situatie te dulden

c) het verrichten van een dienst op grond van een vordering door of namens de overheid, dan wel krachtens de wet.’

De diensten ingevolge de uitvoering van een vordering of een wettelijke verplichting maken, in het Btw-Wetboek, het voorwerp uit van een bijzondere bepaling (zie artikel 18, § 2, eerste lid, van het Btw-Wetboek).

Rekening houdend met de structuur van artikel 18 van het Btw-Wetboek en de ingenomen plaats van respectievelijk de algemene definitie van de diensten, gevolgd door voorbeelden die elk gebaseerd zijn op contracten (§ 1), en de niet-contractuele handelingen (§ 2, eerste lid), moet worden besloten dat de algemene definitie het bestaan van een contract (1) veronderstelt, hoewel deze definitie hier niet naar verwijst.

(1) ‘ Een contract is een overeenkomst waarbij een of meer personen zich jegens een of meer andere verbinden iets te geven, te doen, of niet te doen’ (artikel 1101 van het Burgerlijk Wetboek). Bijvoorbeeld: de verkoop, de ruil, de verhuur of het mandaat. Het contract leidt dus tot verbintenissen tussen personen, rechtssubjecten. Het doel van de overeenkomst tussen die personen is immers juridische gevolgen teweegbrengen, zijnde, verplichtingen te doen ontstaan, te wijzigen of af te wikkelen.

Om belastbaar te zijn moet een dienst bovendien onder bezwarende titel worden verricht. Dit vereist een rechtstreekse tegenprestatie. Het rechtstreeks verband wordt gevestigd door een contract onder bezwarende titel (2) behalve bij de toepassing van artikel 18, § 2, eerste lid, van het Btw-Wetboek, dat in afdeling 4 van dit hoofdstuk wordt besproken.

(2) Het contract onder bezwarende titel is dat waarbij aan elke partij de verplichting wordt opgelegd om iets te geven of te doen (artikel 1106 van het Burgerlijk Wetboek).

A. Negatieve definitie: ‘elke handeling die geen levering van een goed is’

De algemene definitie van het begrip diensten, zoals bepaald door artikel 18, § 1, eerste lid, van het Btw-Wetboek, is een standaardbegrip. Indien de handeling niet de overgang van de macht om als een eigenaar over een goed te beschikken tot voorwerp heeft (artikel 10 van het Btw-Wetboek), is er sprake van een dienst.

Wanneer er sprake is van handelingen in de zin van artikel 18, § 1, van het Btw-Wetboek, is het vanzelfsprekend dat het om uitgaande handelingen gaat. De andere belastbare handelingen, te weten de invoer en intracommunautaire verwerving van goederen, zijn, als inkomende handelingen, niet beoogd door deze definitie.

Leveringen van goederen onder bezwarende titel vormen immers, tezamen met diensten onder bezwarende titel, de economische activiteit van een belastingplichtige zoals gedefinieerd door artikel 4, § 1, van het Btw-Wetboek. De werkingssfeer van de economische activiteit wordt zodoende op een objectieve wijze bepaald, ongeacht het oogmerk en resultaat ervan (Hof van Justitie van de Europese Unie, Arrest Lajvér, zaak C-263/15, van 02.06.2016, punt 38).

B. Voorwerp van de handeling

Uit de negatieve en niet-limitatieve definitie van het begrip diensten, zoals bepaald door artikel 18, § 1, eerste lid, van het Btw-Wetboek, volgt dat er geen uitgaande handelingen, omwille van hun voorwerp, uit de werkingssfeer van de btw vallen.

Het begrip ‘handeling’ wordt evenwel beperkt door de aard van de btw als verbruiksbelasting (zie rubriek C, subrubriek b, van deze titel).

Als een dienst worden aangemerkt, elke handeling die geen levering van een lichamelijk goed is.

Het gaat onder andere om:

• handelingen die, ook al slaan ze op een lichamelijk goed, niet de overdracht inhouden van het recht om als eigenaar over het goed te beschikken of, met andere woorden, de overdracht van de juridische beschikkingsbevoegdheid. Bijvoorbeeld: de verhuur van een uit zijn aard onroerend goed of van een lichamelijk roerend goed zoals een vervoermiddel

• handelingen die, ook al behelzen ze de overdracht van het recht om als eigenaar over het goed te kunnen beschikken, niet op een lichamelijk maar wel op een onlichamelijk goed slaan, zoals bijvoorbeeld de overdracht of het verlenen van octrooien, licentierechten, merknamen en handelsnamen

• handelingen die geen betrekking hebben op lichamelijke of onlichamelijke goederen, zoals bijvoorbeeld, een marktstudie.

C. Kenmerken van de handeling

Artikel 24 van de richtlijn 2006/112/EG, voornoemd, en artikel 18 van het Btw-Wetboek gebruiken het woord ‘handeling’ zonder er een definitie van te geven. De rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft geleidelijk aan de contouren van dat begrip omschreven.

Het bestaan van een handeling in de zin van het Btw-recht hangt af van het ontstaan van een rechtsbetrekking die verplichtingen genereert en die de tussenkomst van minstens twee personen veronderstelt waarvan één een verbintenis aangaat die van nature uit een verbruik teweegbrengt.

Om belastbaar te zijn moet de handeling bovendien onder bezwarende titel worden verricht. Dit impliceert dat er een tegenprestatie bestaat die een rechtstreeks verband heeft met de verrichte dienst (Hof van Justitie van de Europese Unie, Arrest Tolsma, zaak C-16/93, van 03.03.1994, punt 13, Arrest RCI Europe, zaak C-37/08, van 03.09.2009, punt 30 en Arrest M. P. SARL, zaak C-320/17, van 05.07.2018, punt 23) (zie titel 5, rubriek A, van deze afdeling).

a. Betrokken partijen

Opdat een handeling zou kunnen bestaan, moet er sprake zijn van minstens twee zelfstandige partijen. Deze zelfstandigheid veronderstelt dat er geen sprake is van een band van ondergeschiktheid bij de bepaling van de voorwaarden waaronder de activiteit wordt uitgeoefend, de bezoldigingsvoorwaarden en de verantwoordelijkheid van de tussenkomende partijen (zie artikel 10 van de richtlijn 2006/112/EG).

Om vast te stellen of een economische activiteit zelfstandig wordt verricht, moet worden nagegaan of de betrokken persoon zijn activiteiten in eigen naam, voor eigen rekening en onder zijn eigen verantwoordelijkheid verricht en of hij het aan die activiteiten verbonden economische risico draagt (Hof van Justitie van de Europese Unie, Arrest Christine Nigl, zaak C-340/15, van 12.10.2016, punt 28) (zie ook ‘Boekwerk I: Belastingplicht en belastbare handelingen- Hoofdstuk 1: De belastingplichtige, Afdeling 3, titel 5’).

Omwille van de afwezigheid van verschillende partijen, is er geen sprake van een handeling bij een transactie tussen de leden van een btw-eenheid in de zin van artikel 4, § 2, van het Btw-Wetboek. Een btw-eenheid wordt immers aangemerkt als één belastingplichtige (artikel 1 van het koninklijk besluit nr. 55 van 09.03.2007 met betrekking tot de regeling voor belastingplichtigen die een btw-eenheid vormen, zie ‘Boekwerk VI: Specifieke topics – Hoofdstuk 16: Specifieke topics, Afdeling 5: Btw-eenheid, titel 2 en titel 3, rubriek A’).

Een overdracht wordt niet beschouwd als een levering of een dienst wanneer deze plaatsvindt in het kader van een overdracht van een algemeenheid van goederen of een bedrijfsafdeling (zie artikelen 11 en 18, § 3, van het Btw-Wetboek). Hoewel er verschillende partijen zijn, wordt in dat geval de overnemer geacht de persoon van de overdrager voort te zetten (zie Afdeling 5 van dit Hoofdstuk en ‘Boekwerk VI: Specifieke topics – Hoofdstuk 16: Specifieke topics, Afdeling 6: Overdracht van een algemeenheid van goederen of van een bedrijfsafdeling’).

Bij sommige belastbare handelingen is er slechts sprake van de tussenkomst van één persoon. Sommige materiële feiten die door een belastingplichtige worden verricht, worden immers door een wettelijke gelijkstelling als een belastbare handeling beschouwd hoewel deze slechts door één persoon worden gesteld en er aldus geen sprake is van het contractueel element. Wat diensten betreft, is dit bijvoorbeeld het geval voor werken in onroerende staat uitgevoerd door een belastingplichtige voor zijn privédoeleinden (zie artikel 19, § 2, eerste lid, 2°, van het Btw-Wetboek, zie circulaire 2019/C/19 van 01.03.2019 betreffende de gelijkstelling van een werk in onroerende staat met een dienst onder bezwarende titel (artikel 19, § 2, van het Btw-Wetboek, E.T. 133.041, nummers 69 tot 93), zie afdeling 6 van dit Hoofdstuk en Boekwerk III : Recht op aftrek van de voorbelasting – Hoofdstuk 12 : Correcties op het recht op aftrek (herzieningen, onttrekkingen en ingebruiknemingen), Afdeling 4, titel 3).

b. Verbintenis die van nature uit een verbruik inhoudt

Een handeling, in de zin van het Btw-Wetboek, veronderstelt een verbintenis (die in principe contractueel is, maar zie evenwel artikel 18, § 2, eerste lid, van het Btw-Wetboek) die een verbruik impliceert. Haar bestaan mag echter niet afhankelijk zijn van de bestemming die aan het goed of de dienst wordt gegeven. Enkel de aard van de verbintenis dient in aanmerking te worden genomen.

Geen enkele belastbare dienst ontstaat zonder het bestaan van een rechtstreeks en persoonlijk voordeel voor een bepaalde persoon. Onrechtstreekse voordelen die een gehele sector ten goede komen, beantwoorden niet aan deze voorwaarde (zie Hof van Justitie van de Europese Unie, Arrest Apple and Pear, zaak C-102/86, van 08.03.1988, punten 14 tot en met 17).

Het Hof van Justitie van de Europese Unie, heeft voor recht gezegd dat de door de overheid toegekende vergoeding voor de definitieve beëindiging van de melkproductie, in het kader van de Europese reglementering, geen prijs is voor een dienst en ze bijgevolg niet aan de btw onderworpen is.

Bij afwezigheid van een verbruik in de zin van het gemeenschappelijk stelsel van de btw, kunnen noch de Gemeenschap noch de bevoegde nationale autoriteiten als verbruikers van een dienst worden aangemerkt. Zij handelen in het algemeen belang, te weten het bevorderen van de goede werking van de communautaire markt voor melk (Hof van Justitie van de Europese Unie, Arrest Mohr, zaak C-215/94, van 29.02.1996, punten 19 tot en met 23).

Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft in diezelfde zin beslist in een zaak betreffende een nationale vergoeding voor extensivering van aardappelproductie.

De in het kader van een nationale vergoedingsregeling door een landbouwproducent aangegane verbintenis om een gedeelte van de door hem geteelde aardappelen niet te oogsten, is geen dienst met betrekking tot de verplichting om een daad na te laten. De verbintenis een daad na te laten, als dienst, veronderstelt dat de dienst wordt verstrekt aan een identificeerbare verbruiker of dat die dienst een voordeel biedt dat als een bestanddeel van de kosten van de activiteit van een andere deelnemer aan het economisch verkeer kan worden beschouwd (Hof van Justitie van de Europese Unie, Arrest Landboden – Agrardienste, zaak C-384/95, van 18.12.1997, punt 23).

3. Niet limitatieve opsomming van diensten

In artikel 18, § 1, tweede lid, van het Btw-Wetboek worden de handelingen ter uitvoering van een contract opgesomd die als een dienst worden beschouwd.

Het voorwerp van het contract is onder meer:

• de uitvoering van een intellectueel of materieel werk

• de toekenning van het genotsrecht van een roerend of onroerend lichamelijk goed of het recht op toegang tot bepaalde installaties of infrastructuur

• de overdracht van of het verlenen van rechten op intellectuele rechten.

Afdeling 3 van dit Hoofdstuk becommentarieert elk van deze diensten.

Gelet op de zeer brede draagwijdte van het begrip ‘diensten’, betreft het hier een niet-limitatieve lijst, die toelaat een beter overzicht te krijgen van wat een dienst is.

Vóór 01.01.1993 en bij gebrek aan een algemene definitie, was de opsomming van diensten in artikel 18 van het Btw-Wetboek wel limitatief.

Betreffende artikel 18 van het Btw-Wetboek, wordt in de memorie van toelichting van de wet van 28.12.1992 tot wijziging van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde en het Wetboek der Registratie, Hypotheek- en Griffierechten (Kamer, Doc 48/0684/001, pagina’s 1-7) verduidelijkt dat: ‘rekening houdend met de permanente rechtspraak alsook met de administratieve leer, is het wenselijk om de in artikel 18 van het Btw-Wetboek - van kracht tot en met 31.12.1992 - vermelde handelingen te blijven opsommen als type-handelingen die als diensten worden beschouwd. Het betreft zeker geen exhaustieve opsomming’.

Zijn, onder meer, diensten die worden beoogd door het Btw-Wetboek en die niet worden vermeld in de opsomming van voorbeelden van artikel 18, § 1, tweede lid, van het Btw-Wetboek:

• de handelingen van verzekering en herverzekering (zie evenwel artikel 44, § 3, 4° van het Btw-Wetboek met betrekking tot de vrijstellingen van de btw)

• de loterijen en andere kans- en geldspelen (zie evenwel artikel 44, § 3, 13°, van het Btw-Wetboek met betrekking tot de vrijstellingen van de btw en de circulaire 2018/C/99 van 22.03.2018 met betrekking tot de gevolgen van het arrest van het Grondwettelijk Hof nr. 34/2018 (nr. E.T. 133.771), nummers 1 en 2)

• het verlenen door de Koninklijke Belgische Voetbalbond van het recht om voetbalwedstrijden uit te zenden aan radio en televisie (beslissing nr. E.T. 79.369 van 04.02.1994)

• de vrije transfer, definitief of tijdelijk, van voetbalspelers (die ten minste 16 jaar oud zijn op 01.08 volgend op de datum van de transfer, zo niet is de transfer niet aan de belasting onderworpen), die met het akkoord van de betrokken clubs en de speler wordt gesloten. (zie de schriftelijke parlementaire vragen nr. 335 van de heer Senator Achille Diegenant van 29.03.1993 en nr. 1.170 van de heer Volksvertegenwoordiger Filip Dewinter van 14.07.1994 en de beslissing nr. E.T. 10.612 van 06.04.1993. De redenering die de basis vormt voor deze beslissing kan ook worden toegepast bij de transfer van een trainer (Arrest van het Hof van beroep te Gent nr. WF 804-15-18/036073 van 21.09.2021). Voor de niet belastbare vergoedingen die worden betaald naar aanleiding van verplichte en administratieve transfers van voetbalspelers, met inbegrip van de opleidingsvergoeding, wordt verwezen naar titel 6, rubriek A, subrubriek e, van deze Afdeling)

• het verlenen van het recht door een landbouwer aan een varkensmestbedrijf om bedrijfsmest op zijn gronden te storten (beslissing nr. E.T. 89.594 van 06.05.1997)

• de tijdelijke overdracht van een melkquotum (beslissing nr. E.T. 87.178 van 09.01.1998, zie ook titel 2, rubriek C, subrubriek b en titel 6, rubriek F, van deze Afdeling voor de definitieve overdracht van dit quotum)

• de overdracht van een aankoopoptie op een roerend of onroerend goed. Artikel 44, § 3, 1°, van het Btw-Wetboek voorziet geen btw-vrijstelling ingeval de optie betrekking heeft op een uit zijn aard onroerend goed (schriftelijke parlementaire vraag nr. 441 van de heer Volksvertegenwoordiger Richard Fournaux van 27.07.2004).

4. Ongeoorloofde handelingen

Een ongeoorloofde activiteit buiten het economisch verkeer die iedere concurrentie uitsluit wegens de bijzondere aard van het goed of de dienst, blijft buiten de werkingssfeer van de btw (voor de organisatie van verboden kansspelen, zie Hof van Justitie van de Europese Unie, Arrest Fischer, zaak C-283/95, van 11.06.1998, punten 19 tot en met 23).

Het begrip ‘handeling’ omvat dus de activiteiten die bij wet verboden zijn indien er een risico op concurrentie bestaat tussen de legale en illegale economische sectoren. Het beginsel van fiscale neutraliteit inzake btw verzet zich immers tegen een algemeen onderscheid tussen legale en illegale transacties.

De omstandigheid dat de overeenkomst die tussen de partijen is afgesloten ongeoorloofd is, doet geen afbreuk aan het feit dat deze handeling, voor de toepassing van het Btw-Wetboek, een contractueel karakter heeft. De fiscale administratie is immers geen rechter ten aanzien van de nietigheid van overeenkomsten en bovendien moet zij erover waken dat de btw wordt geheven van elke economische activiteit die in een contractuele vorm tot uiting komt. Dit is bijvoorbeeld het geval voor:

• de overeenkomst waarbij een architect zich er tegen betaling van een commissieloon toe verbindt tegenover een leverancier van bouwmaterialen of een aannemer van bouwwerken om deze laatsten bij de bouwheer aan te bevelen (beslissing nr. E.T. 16.585 van 27.12.1973)

• de persoon die zonder vergunning een kampeerterrein exploiteert, verricht een dienst bestaande uit de terbeschikkingstelling van een plaats om te kamperen (artikel 18, § 1, tweede lid, 10°, van het Btw-Wetboek) ook al overtreedt die persoon de wetgeving op de kampeerterreinen (aanschrijving nr. 4/1973 van 12.01.1973, randnummer 22).

5. Diensten verricht onder bezwarende titel

A. Rechtstreekse tegenprestatie

Uit een vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie blijkt dat een dienstprestatie enkel wordt verricht onder bezwarende titel en bijgevolg enkel belastbaar is wanneer tussen de verrichter en de ontvanger van de dienst een rechtsbetrekking bestaat waarbij over en weer prestaties worden uitgewisseld, en de door de dienstverrichter ontvangen vergoeding de werkelijke tegenwaarde vormt voor de aan de ontvanger verleende individualiseerbare dienst.

Die tegenprestatie moet bovendien een subjectieve waarde hebben, werkelijk worden ontvangen en in geld kunnen worden uitgedrukt.

Dit is het geval indien er een rechtstreeks verband bestaat tussen de verrichte dienst en de ontvangen tegenwaarde. Er bestaat een rechtstreeks verband wanneer twee prestaties van elkaar afhankelijk zijn, dit wil zeggen dat ene prestatie enkel wordt verricht op voorwaarde dat de andere prestatie ook wordt verricht, en omgekeerd. (Hof van Justitie van de Europese Unie, Arrest R.J. Tolsma, zaak C-16/93 van 03.03.1994, punten 13 tot 20, Arrest A.M.K., zaak C-334/20 van 25.11.2021, punten 26 et 27 en de daarin geciteerde rechtspraak , Arrest S.W.E.P.- E.E.U., L2, zaak C-605/20 van 24.02.2022, punt 62), zie schriftelijke parlementaire vraag nr. 608 van de heer volksvertegenwoordiger Josy Arens van 08.09.2021, met betrekking tot diensten door sociale media.

Bijgevolg mag de verleende prestatie niet uitsluitend ten goede komen aan het algemeen belang, bijvoorbeeld in het kader van het toerismebeleid, promotie van de omgeving en het imago ervan.

De aard van de tegenprestatie heeft overigens geen belang. Normaal ontvangt de dienstverrichter een geldsom in ruil voor de dienst die hij verricht. Maar hij kan ook een andere dienst of zelfs een goed, zoals deelbewijzen in een vennootschap, in ruil verkrijgen, voor zover de tegenprestatie in geld kan worden uitgedrukt (Hof van Justitie van de Europese Unie, Arrest Bertelsmann, zaak C-380/99, van 03.07.2001, punt 18).

Het specifieke geval van de overdracht van vouchers die aanleiding geven tot transacties onder bezwarende titel en aldus aan de btw zijn onderworpen, wordt becommentarieerd in de circulaire 2020/C/121 van 18.09.2020 betreffende de btw-behandeling van vouchers (E.T. nr. 135.111), nummers 3 en 5.

We spreken van een ‘voucher’ wanneer voldaan is aan volgende voorwaarden:

• er bestaat een verplichting om de voucher te aanvaarden als gehele of gedeeltelijke tegenprestatie van het verlenen van diensten

• de voucher zelf of de bijhorende documentatie met inbegrip van de algemene voorwaarden voor het gebruik van de voucher (het feit dat de bijhorende documentatie enkel online beschikbaar is via een website of een toepassing vormt geen belemmering), bevat ten minste één van de volgende elementen:

o de te verrichten diensten

o de identiteit van de potentiële verrichters van die diensten.

Men maakt een onderscheid tussen een voucher voor éénmalig gebruik en een voucher voor meervoudig gebruik.

Zo worden bijvoorbeeld de vouchers die door bezoekers van een culinair festival als betaalmiddel worden gekocht voor het voedsel en de dranken die ter plaatse worden verbruikt of meegenomen, aangemerkt als vouchers voor meervoudig gebruik (artikel 1, § 15, 22ter en 26, § 2, van het Btw-Wetboek, van toepassing op de na 31.12.2018 uitgereikte vouchers, zie ‘Boekwerk VI: Specifieke topics – Hoofdstuk 16: Specifieke topics, Afdeling 11: Vouchers’).

Alle andere vouchers dan vouchers voor enkelvoudig gebruik zijn ‘vouchers voor meervoudig gebruik’. Een instrument dat de houder ervan het recht geeft om gedurende een beperkte tijd en tot een bepaald bedrag op een bepaalde plaats gebruik te maken van verschillende diensten, kan een „voucher” in de zin van artikel 30bis, punt 1, van de richtlijn 2006/C/EG zijn, zelfs indien een gemiddelde consument wegens de beperkte geldigheidsduur van dit instrument niet van alle aangeboden diensten gebruik kan maken. Dat instrument is een ‘voucher voor meervoudig gebruik’ in de zin van artikel 30bis, punt 3, van die richtlijn, aangezien de over deze diensten verschuldigde btw niet bekend is op het tijdstip waarop het wordt uitgegeven (zie Hof van Justitie van de Europese Unie, Arrest D.D.S.A., zaak C-637/20 van 28.04.2022, punten 28 en 32).

B. Afwezigheid van een tegenprestatie

a. Bruiklening

De bruiklening (3) valt buiten de werkingssfeer van de btw.

(3) De bruiklening is een contract waarbij een persoon aan een ander persoon het gebruik verleent van een zaak gedurende een bepaalde periode en zonder er enige prijs voor te vragen. De bijzondere eigenschap van dit contract is de kosteloosheid.

Men mag echter niet uit het oog verliezen dat vanaf het ogenblik dat de lener aan de ontlener éénder welke som geld moet storten - zij het in hoofde van kosten van onderhoud of afschrijving - het contract een contract van verhuur wordt zoals bedoeld door artikel 18, § 1, tweede lid, 4°, van het Btw-Wetboek.

Bovendien stelt artikel 19, § 1 van het Btw-Wetboek het gebruik van een tot het bedrijf behorend goed voor andere doeleinden dan deze van de economische activiteit van de belastingplichtige gelijk met een dienst verricht onder bezwarende titel wanneer voor dat goed recht op volledige of gedeeltelijke aftrek van de belasting is ontstaan (zie Afdeling 6, titel 1, van dit Hoofdstuk).

b. Wettelijke waarborgverplichting

Wanneer een dienst gratis wordt verstrekt door een belastingplichtige ter uitvoering van een waarborgverplichting waartoe hij is gehouden, is deze handeling niet onderworpen aan btw, zonder dat de aftrek in het gedrang wordt gebracht van de btw die geheven werd van de aan de belastingplichtige geleverde goederen en verstrekte diensten die hij gebruikt om zijn waarborgverplichting te kunnen nakomen (beslissing nr. E.T. 12.129 van 13.10.1972).

Hetzelfde geldt indien de gebreken pas na het verstrijken van de gebruikelijke garantietijd aan het licht gekomen zijn (beslissing nr. E.T. 16.252 van 21.11.1973).

c. Bijkomende bovenwettelijke waarborg toegekend door de verkoper op het tijdstip van de aankoop

De kostprijs van de bijkomende waarborg voor de klant maakt deel uit van de maatstaf van heffing van het geleverde goed. Indien de herstelling wordt verricht in het kader van een bijkomende waarborg zonder betaling van een franchise, dan blijft de handeling buiten de werkingssfeer van de btw. Dit omwille van het gebrek aan een tegenprestatie voor het geleverde werk en ongeacht of de verkoper optreedt als zijn eigen verzekeraar of een globale verzekeringsovereenkomst met een verzekeringsmaatschappij heeft gesloten met doorrekening van de premie op de koper of zonder doorrekening van die premie bij wijze van promotie.

Men kan ervan uitgaan dat hij reeds bij de berekening van de verkoopprijs rekening heeft gehouden met eventuele herstellingskosten en uiteraard met de betaalde verzekeringspremies. De herstelling in kwestie staat het recht op aftrek van de voorbelasting in hoofde van de verkoper niet in de weg.

Ingeval van betaling van een forfaitair bedrag (franchise), vormt deze de tegenprestatie (btw inbegrepen) van de verrichte herstelling (beslissing nr. E.T. 65.063 van 23.12.1992).

d. Fooien

De door gidsen, buschauffeurs en begeleiders van reizen ontvangen fooien en drinkgelden kunnen, in het geval deze vrijwillig en naar eigen goeddunken door de reizigers worden gegeven, niet worden geacht de tegenprestatie te zijn van een aan reizigers verleende dienst. Deze bedragen vallen dan ook buiten de werkingssfeer van de btw, zelfs als de betrokken personen zelf om een fooi vragen en verwachten een bepaald bedrag te ontvangen (parlementaire vraag nr. 1565 van mevrouw van Kessel van 23.11.1998). Dit is bijvoorbeeld het geval bij vrijwillige fooien ontvangen volgens het ‘pay what you want/tour for tips’ principe.

C. Afwezigheid van een rechtstreekse tegenprestatie

a. Contante inbreng in een vennootschap

Een personenvennootschap die een nieuwe vennoot opneemt tegen betaling van een contante inbreng, verricht geen dienst onder bezwarende titel voor deze vennoot (Hof van Justitie van de Europese Unie, Arrest KapHag Renditefonds, zaak C-442/01, van 26.06.2003, punt 34).

b. Uitgifte van aandelen

In diezelfde zin is de uitgifte van aandelen door een vennootschap, ongeacht of dit al dan niet bij de beursintroductie van de betrokken vennootschap wordt verricht, geen dienst onder bezwarende titel. Met de uitgifte van aandelen beoogt de vennootschap het aantrekken van kapitaal, niet het verrichten van diensten. Vanuit het oogpunt van de aandeelhouder is het voor de kapitaalverhoging betaalde bedrag niet de betaling van een tegenprestatie, maar een investering of een belegging van middelen (Hof van Justitie van de Europese Unie, Arrest Kretztechnik AG, zaak C-465/03, van 26.05.2005, punten 26 en 27).

c. Uitkering van dividenden

Het beheer van participaties in vennootschappen die dividenden kunnen genereren, geeft geen aanleiding tot een rechtstreeks verband tussen het dividend en een dienst en dit zelfs indien deze worden verstrekt door een aandeelhouder die het dividend ontvangt. De toekenning van dividenden vooronderstelt het bestaan van uitkeerbare winst. De uitkering van dividenden heeft aldus een willekeurig karakter. Bovendien is het dividend slechts het resultaat van het eenvoudig bezit van een aandeel.

De inmenging in het beheer onder de vorm van administratieve diensten, boekhouddiensten en informaticadiensten tegen een specifieke vergoeding, zijn daarentegen wel diensten onder bezwarende titel (Hof van Justitie van de Europese Unie, Arrest Polysar, zaak C-60/90, van 20.06.1991, punten 13 en 14, Arrest Sofitam, zaak C-333/91, van 22.06.1993, punten 12 en 13 en Arrest Floridienne SA en Berginvest SA, zaak C-142/99, van 14.11.2000, punten 19 tot en met 23).

d. Voordeel van alle aard

Het gebruik voor privédoeleinden van een voor het bedrijf bestemd bedrijfsmiddel of een ander goed, door een zaakvoerder of bestuurder wordt inzake inkomstenbelastingen aangemerkt als een voordeel van alle aard.

Dit gegeven is op zich niet relevant om te concluderen dat de dienst onder bezwarende titel is verricht. Het voordeel van alle aard kan niet worden gelijkgesteld met een huurprijs. Het kan niet worden aangemerkt als een deel van het loon waarvan de begunstigde heeft afgezien als tegenprestatie voor de terbeschikkingstelling van een goed van het bedrijf (Hof van Justitie van de Europese Unie, Arrest Medicom SPRL en Maison Patrice Alard SPRL, gevoegde zaken C-210/11 en C-211/11, van 18.07.2013, punten 28 en 29).

De gratis terbeschikkingstelling van een voertuig of van een ander goed van een zaakvoerder, bestuurder of personeelslid van een vennootschap , btw-belastingplichtig, is onderworpen aan de btw op grond van een met een dienst gelijkgestelde handeling verricht onder bezwarende titel als voorzien in artikel 19, § 1, van het Btw-Wetboek wanneer voor dat goed recht op aftrek is ontstaan (zie Afdeling 6, titel 1, van dit Hoofdstuk, ‘Boekwerk III : Recht op aftrek van de voorbelasting – Hoofdstuk 12 : Correcties op het recht op aftrek (herzieningen, onttrekkingen en ingebruiknemingen), Afdeling 3’).

Daarentegen wordt de terbeschikkingstelling van een bedrijfsmiddel of een ander goed van een zaakvoerder, bestuurder of personeelslid, in de regel, onder bezwarende titel verricht indien haar tegenprestatie bestaat in:

• de betaling van een geldsom

• de vermindering van de bezoldiging van een zaakvoerder, bestuurder of personeelslid met de waarde van de terbeschikkingstelling

• het debiteren van de rekening-courant van de zaakvoerder, bestuurder, en dergelijke tot beloop van de overeengekomen vergoeding (zie circulaire AAFisc nr. 36/2015 (nr. E.T. 119.650) van 23.11.2015, randnummers 33 en 34).

D. Wederzijdse prestaties

Hiertoe dienen alle handelingen, leveringen en/of diensten, te worden afgezonderd en dienen deze als twee afzonderlijk en autonome handelingen te worden aangemerkt. Wederzijdse diensten (en/of leveringen van goederen) komen vaak voor, inzonderheid in de reclamewereld en marketing of in de exploitatie van cafés.

Zo is het brouwerijcontract een ruil van diensten (aankoopmonopolie) tegen goederen en/of diensten (verkoop en/of verhuur van roerende goederen en/of materieel). Uit dat contract volgt een dubbele dienst of levering waarvan de prijs in natura is betaald. Iedere partij, als btw-belastingplichtige, verricht dus een belastbare handeling (zie Afdeling 3, titel 6, rubriek A van dit Hoofdstuk).

a. Sportuitrusting tegen reclame

De terbeschikkingstelling van uitrusting door fabrikanten van sportartikelen, voor het maken van reclame, aan een sportclub wordt enerzijds aangemerkt als een levering van goederen (ingevolge de overdracht van de sportuitrusting) en anderzijds als een dienst (de reclame). Aangezien de reclame als de tegenprestatie van voornoemde levering van goederen wordt verricht, vindt ze haar oorzaak in een contract onder bezwarende titel dat het voeren van reclame tot onderwerp heeft (zie beslissing nr. E.T. 23.594 van 26.04.1977 en nr. E.T. 62.466 van 19.10.1988).

Dezelfde analyse leidt tot het belasten van de volledige prijs (en niet van de verminderde prijs) van een goed wanneer dat goed wordt afgestaan tegen betaling van een lagere prijs dan de gewoonlijke prijs, als tegenprestatie van de dienst als makelaar in het kader van een presentatie van producten die wordt georganiseerd bij de gastvrouw thuis die het gepresenteerde goed als ‘geschenk’ ontvangt (Hof van Justitie van de Europese Unie, Arrest Naturally Yours Cosmetics, zaak C-230/87, van 23.11.1998).

b. Werken tegen een forfaitair bedrag of vermindering van de huurprijs

Verhuurders en huurders kunnen ook ‘diensten ruilen’.

Wanneer de verrichter van een dienst, bestaande in de reparatie en stoffering van een appartement, er zich enerzijds, volgens een met de eigenaar van dit appartement gesloten overeenkomst, toe verbindt om deze dienst op zijn kosten te verrichten en hij anderzijds het recht verkrijgt om dat appartement gedurende de looptijd van deze overeenkomst te gebruiken voor zijn economische activiteit, zonder dat hij huur hoeft te betalen, terwijl de eigenaar het ingerichte appartement terugkrijgt aan het einde van die overeenkomst, wordt deze in de vorm van reparatie- en stofferingswerkzaamheden verrichte dienst onder bezwarende titel verricht (Hof van Justitie van de Europese Unie, Arrest Serebryannay, zaak C-283/12, van 26.09.2013, punt 40)

De huurder die de werken heeft besteld treedt niet op als een commissionair in de zin van de artikelen 13, § 2 en 20, § 1 van het Btw-Wetboek en kan evenmin worden beschouwd als een tussenpersoon die een dienst in het belang van de eigenaar verstrekt (Arrest van het Hof van Cassatie nr. F.11.0079.N van 15.03.2013, punt 4).

De administratie volgt deze beslissingen.

Wanneer een belastingplichtige werken verricht in een gebouw dat hij huurt en het huurcontract en/of de uitvoering ervan een rechtstreeks verband vertonen tussen de werken en de door de verhuurder toegestane voordelen, kan worden besloten dat de huurder een handeling onder bezwarende titel verricht voor de verhuurder. Het is hierbij van geen belang of de toegestane voordelen de volledige economische waarde van die werken dekken.

Voor zover het geen levering van goederen betreft wordt deze handeling geval per geval gekwalificeerd als een dienstprestatie welke onderworpen is aan de btw volgens de algemene btw-principes (artikelen 2, 4, 10, §§ 1 en 2, a) en 18, §§ 1 en 2, van het Btw-Wetboek) (circulaire 2019/C/22 van 13.03.2019 betreffende werken uitgevoerd door een Btw-belastingplichtige in een gebouw dat hij huurt (E.T. nr. 128.804), nummer 2.1.).

Voorbeeld

Een belastingplichtige met volledig recht op aftrek huurt een nieuw gebouw om uitsluitend voor zijn economische activiteit te gebruiken als bureauruimte. De omvormingswerken ten laste van de huurder van het gebouw bedragen 5.000 euro en de verhuurder, belastingplichtige indiener van periodieke aangiften, kent een korting toe van 4.000 euro op de huurprijs.

De huurder dient de normale waarde van de verkregen tegenprestatie, zijnde 4.000 euro als maatstaf van heffing te vermelden op zijn factuur en in zijn periodieke btw-aangifte in de roosters 45, 83 en 87. Het verschuldigde en aftrekbare btw-bedrag dient te worden vermeld in de roosters 56 en 59.

c. Werken in ruil voor een bezoekrecht van een kijkwoning

De overeenkomst waarbij een aannemer of bouwpromotor zich tegenover de eigenaar van een woning verbindt om bepaalde prestaties te verrichten (zoals het aanleggen van de tuin, binnenhuisschilderwerken en het behangen van die woning), als tegenprestatie waarvan de eigenaar van deze woning aan de aannemer of de bouwpromotor het recht toekent om die woning aan kandidaat-kopers van gelijkaardige woningen te tonen, is een overeenkomst die wederzijdse diensten inhoudt die respectievelijk bedoeld zijn artikel 18, § 1, tweede lid, 1° en 6°, van het Btw-Wetboek (zie Afdeling 3, titel 1, rubriek C en titel 6, rubriek B van dit Hoofdstuk).

Aangezien in dergelijke gevallen de eigenaar van de woning in de regel niet handelt in het kader van een economische activiteit waarvoor hij belastingplichtige is, is de belasting niet verschuldigd wegens de door hem verstrekte diensten.

De btw wordt berekend over een maatstaf van heffing die gelijk is aan de normale waarde van de door de aannemer of bouwpromotor uitgevoerde werken (beslissing nr. E.T.25.052 van 28.04.1977).

d. Andere wederzijdse leveringen of diensten

• maakloonwerk met afstand van het afval

• de afbraak van een gebouw en het weghalen van puin (zie aanschrijving nr. 3/1972 van 07.01.1972).

Er wordt verwezen naar ‘Boekwerk II: Bepaling van de belastbare basis en het toepasselijke tarief - Hoofdstuk 6: Maatstaf van heffing, Afdeling 4’.

6. Schadevergoeding

Er moet worden nagegaan of een bedrag, dat als een ‘vergoeding’ wordt aangemerkt:

• een schadevergoeding vormt en derhalve buiten de werkingssfeer van de btw valt (zie rubriek A, van deze titel)

• dan wel de tegenprestatie vormt van een bepaalde dienst verstrekt door de begunstigde van die vergoeding (in voorkomend geval een bijkomende dienstprestatie die oorspronkelijk niet door de partijen was voorzien) die dus belastbaar is (zie rubriek B, van deze titel).

A. Niet belastbare schadevergoeding

Een vergoeding die het gevolg is van een werkelijk geleden schade, is niet de tegenprestatie van een belastbare handeling. Deze schadevergoeding beperkt zich tot het herstellen van schade of het bestraffen van de niet-uitvoering van een verplichting, hetgeen inhoudt dat dit bedrag niet wordt betaald indien de partijen hun contractuele verplichtingen correct nakomen.

Er kan geen btw opeisbaar zijn zonder een belastbaar feit, zijnde de effectieve uitvoering van een levering van goederen of een dienst.

Dit is bijvoorbeeld het geval voor een schadevergoeding die de herstellingskosten dekt van goederen die door de ontvanger van de diensten tijdens de bezetting van de plaats in het kader van een contract met een business- of dienstencentrum, werden beschadigde, of zelfs vernietigd.

a. Voorschotten

De betaling van een voorschot door de klant van een hotel is geen werkelijke tegenprestatie voor een autonome en individualiseerbare dienst die aan deze klant wordt verstrekt, zijnde een afzonderlijke handeling inzake reservatie. Het is een element dat deel uitmaakt van het huisvestingscontract. Indien de dienst wordt verstrekt, wordt het voorschot afgetrokken van de prijs van die dienst. Ingeval van annulering door de klant, worden de als voorschot betaalde sommen door de hotelhouder behouden. Onder die omstandigheden kwalificeren deze sommen als een schadevergoeding. Het maakt niet of de door annulering vrijgekomen kamers door nieuwe klanten kunnen worden gebruikt (Hof van Justitie van de Europese Unie, Arrest Société thermale d’Eugénie-les-Bains, zaak C-277/05, van 18.07.2007, punten 26 en 32).

De toenmalige minister van Financiën had reeds voorzien dat de inhouding van een voorschot ingeval van annulering niet moest worden belast. Hij heeft dit standpunt behouden. De vergoedingen die uitsluitend worden gevraagd tot herstel van schade ontsnappen immers aan de toepassing van de btw, aangezien deze niet de tegenprestatie vormen van leveringen van goederen of diensten (schriftelijke parlementaire vragen nr. 3-4 van mevrouw de Senator Clotilde Nyssens van 08.08.2003 en nr. 72 van de heer Volksvertegenwoordiger Dirk Van der Maelen van 08.11.2007).

b. Verbreking van een aannemingscontract

Ingevolge artikel 1794 van het Burgerlijk Wetboek kan de opdrachtgever door zijn enkele wil het aannemingscontract verbreken, ook al is het werk reeds begonnen, mits hij de aannemer schadeloos stelt voor al zijn uitgaven, al zijn arbeid, en alles wat hij bij die aanneming had kunnen winnen. Wanneer de partijen deze bepaling toepassen, is de vergoeding die de opdrachtgever aan de aannemer betaalt niet aan de btw onderworpen in de mate waarin ze alleen de winstderving van de aannemer dekt voor het werk dat hij niet heeft uitgevoerd (beslissing nr. E.T. 18.762 van 13.09.1974).

c. Verplaatsing van installaties

Het bedrag dat een overheid betaalt aan de beheerder van het spoorwegnet, het telefoon-, water-, gas- of elektriciteitsnetwerk, om deze te vergoeden voor de verplaatsing van hun installaties (kabels, masten, enzovoort) die noodzakelijk is bij de uitvoering van openbare werken door de overheid (aanleg van een rotonde, een weg, enzovoort), moet worden aangemerkt als een schadevergoeding die niet aan de btw onderworpen is (beslissingen nr. T. 4.079 van 31.03.1971 en nr. E.T. 16.532 van 08.03.1974).

d. Dekking van kosten verbonden aan de uitvoering van een waarborgverplichting

Het bedrag dat een belastingplichtige, die persoonlijk gehouden is een waarborgverplichting na te leven tegenover zijn klant, aan zijn leverancier vraagt ter dekking van de kosten die hij heeft moeten dragen om zijn waarborgverplichting na te leven, kwalificeert als een schadevergoeding die bijgevolg buiten de werkingssfeer van de btw valt. Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer een autoverdeler de herstellingskosten, verricht onder waarborg, terugvordert van de invoerder van de auto’s.

De oplossing is dezelfde indien de leverancier tegenover zijn klant geen persoonlijke waarborgverplichting heeft maar wel gehouden is de herstelling of de levering te verrichten in het kader van een collectieve overeenkomst gesloten tussen de constructeur en alle verdelers (beslissing nr. E.T. 12.129 van 13.10.1972).

Deze oplossing werd uitgebreid naar de gevallen waarbij de gebreken pas na het verstrijken van de gebruikelijke garantietijd aan het licht gekomen zijn (beslissing nr. E.T. 16.252 van 21.11.1973).

e. Verplichte of administratieve transfers van voetballers

De btw is niet van toepassing op onderstaande transfers die in feite leiden tot schadevergoedingen:

• de verplichte transfer van een voetbalspeler (met het akkoord van de betrokken speler en een andere club dan de zijne, zonder het akkoord van deze laatste en mits betaling van de reglementaire vergoeding) en de administratieve transfer (met het akkoord van de speler zonder het akkoord van zijn club, door tussenkomst van de bevoegde bondsinstantie of van rechtswege op grond van de reglementsbepalingen) (beslissing nr. E.T. 10.612 van 06.04.1993)

• de transfert van een speler die de leeftijd van 23 jaar nog niet heeft bereikt, naar aanleiding waarvan een opleidingsvergoeding en een gelijkaardige solidariteitsbijdrage door een voetbalclub aan een andere club wordt betaald (Beslissing nr. E.T.109.759 van 08.08.2005).

Voor de aan de belasting onderworpen vrije transferts van voetbalspelers en trainers wordt verwezen naar titel 3, van deze afdeling.

f. Definitieve overdracht van een melkquotum

Bij wijze van tolerantie, en rekening houdend met de gelijkenissen met de toekenning van een vergoeding voor de definitieve beëindiging van de melkproductie, zijn de vergoedingen die toegekend zijn in onderstaande gevallen, niet aan de btw onderworpen:

• de definitieve overdracht van het melkquotum in het kader van de procedure van herverdeling (systeem van herverdeling van quota door bemiddeling van het quotumfonds)

• de definitieve en directe overdracht van een melkquotum die gepaard gaat met de overdracht of verhuur van de gronden (Hof van Justitie van de Europese Unie, Arrest Mohr, zaak C-215/94, van 29.02.1996, punt 23, Beslissing nr. E.T. 87.178 van 09.01.1998, zie titel 2, rubriek C, subrubriek b van deze Afdeling).

g. Andere voorbeelden van schadevergoeding

Zijn, onder andere, ook niet aan de btw onderworpen:

• de gratis herstelling, verricht door een aannemer, van de schade die hij heeft veroorzaakt (beslissing nr. E.T. 8.711 van 16.11.1971)

• de sommen die een vervoerder aan zijn klanten als staan- of liggeld aanrekent (beslissing nr. T. 2110 van 04.05.1971)

• het bedrag dat de leverancier aan zijn klant aanrekent voor de periode dat hij niet over zijn materieel voor leveringen kan beschikken, daar het langer dan de voor het lossen toegestane tijd op de werf wordt opgehouden (beslissing nr. T. 4.820 van 21.06.1971)

• de herinneringskosten of de kosten voor ingebrekestelling en de kosten voor verbreking wegens het niet nakomen van de verplichtingen (beslissing nr. E.T. 84.570 van 29.05.1997)

• het bedrag dat de organisator van een handelsbeurs aanrekent aan een inzender die van deelneming afziet (beslissing nr. E.T. 8.548 van 29.09.1971)

• het bedrag dat als vergoeding door de patiënt wordt betaald aan de medische beroepsbeoefenaar voor het niet tijdig annuleren van de afspraak (circulaire 2021/C/114 van 20.12.2021 betreffende de vrijstelling van de belasting inzake medische verzorging verricht door bepaalde personen en inzake ziekenhuisverpleging (nr. E.T. 138.926), nummer 4.4.4.).

B. Belastbare tegenprestatie van een dienst

Het vooraf bepaalde bedrag dat een marktdeelnemer ontvangt wanneer een dienstenovereenkomst met een minimumcontractduur voortijdig wordt beëindigd door zijn klant of om een aan deze klant toe te rekenen reden, waarbij dat bedrag overeenkomt met het bedrag dat die aanbieder gedurende de resterende contractduur zou hebben ontvangen indien de overeenkomst niet was beëindigd, moet worden beschouwd als de vergoeding voor een dienst die onder bezwarende titel is verricht en als zodanig aan btw is onderworpen, ook al impliceert die beëindiging de deactivering van de contractuele goederen en diensten vóór het einde van de overeengekomen minimumcontractduur (Hof van Justitie van de Europese Unie, Arrest V.P.- C.P.S., zaak C-43/19, van 11.06.2020, punt 33 en geciteerde rechtspraak).

Indien de vergoeding de tegenprestatie is van een individualiseerbare dienst en er een rechtstreeks verband bestaat tussen de door de begunstigde van de vergoeding verleende dienst en daadwerkelijk ontvangen tegenwaarde, is de prestatie belastbaar, ongeacht of het betalen van de som voortspruit uit de toepassing van een contract of van de wet.

Indien de voorwaarden zijn vervuld, zijn bijvoorbeeld aan de btw onderworpen, de vergoedingen ter compensatie van de huurbedragen die zouden zijn ontvangen indien het contract inzake de terbeschikkingstelling van ruimte door een bedrijvencentrum of van diensten volledig zou zijn uitgevoerd.

7. Complexe handelingen – Omvang van de handeling

Om een ten opzichte van de mededinging neutrale belastingheffing te waarborgen, dienen de verschillende belastbare handelingen die niet tot één enkele handeling kunnen worden samengevoegd, ieder afzonderlijk aan de belasting over de toegevoegde waarde te worden onderworpen (Hof van Justitie van de Europese Unie, Arrest Hans-Dieter en Ute Kerrutt, Markgröningen, zaak C-73/85, van 08.071986, punt 14).

De vraag inzake de belastbaarheid stelt zich levering per levering en dienst per dienst. Deze analytische benadering is ingegeven door artikel 2, eerste lid, van het Btw-Wetboek. Opdat een handeling aan de btw onderworpen zou zijn, is het overeenkomstig dat artikel vereist dat de belastingplichtige als zodanig handelt bij de uitvoering van een handeling die beoogd is door het Btw-Wetboek.

De economische activiteit, die de hoedanigheid van belastingplichtige geeft aan diegene die ze op geregelde en zelfstandige wijze verricht, moet voor de heffing handeling per handeling worden onderzocht. Dit betekent per onderscheiden en zelfstandige handeling, zijnde een levering van goederen of een dienst.

Concreet komt de vraag inzake de omvang van de dienst erop neer hoe onderscheid moet worden gemaakt tussen ‘één enkele’ prestatie en ‘verschillende’ prestaties.

Wanneer de betreffende handeling uit een reeks van elementen en handelingen bestaat, dient men immers:

• de verschillende prestaties te identificeren die als hoofdprestaties worden aangemerkt en de omvang van ieder van die onderscheiden prestaties te bepalen, die hun eigen btw-regeling volgen (plaatsbepaling, maatstaf van heffing, tarief, vrijstelling, recht op aftrek…)

• of de verschillende elementen samen te voegen tot één enkele hoofdprestatie waarvan de omvang dient te worden bepaald en waarbij de bijkomende handelingen aan worden toegevoegd, dit wil zeggen de bijkomende diensten waardoor de klant in de beste omstandigheden kan gebruik maken van de hoofdprestatie.

A. Eén enkele prestatie

Een complexe, gecombineerde of globale handeling betekent dat eenzelfde persoon aan zijn medecontractant een geheel van prestaties verstrekt die economisch gezien slechts als één handeling wordt beschouwd. Deze analyse vereist dat men alle omstandigheden van de betreffende handeling in overweging neemt en men er de kenmerkende elementen uit haalt (Hof van Justitie van de Europese Unie, Arrest V.F.S.L., zaak C-153/17, van 18.10.2018, punt 29).

Indien uit zo’n analyse blijkt dat het om één enkele dienst gaat, wordt de plaats ervan bepaald in functie van het hoofdelement (Arrest nr. F. 20.0063.N van het Hof van Cassatie van 25.06.2021) (zie subrubriek b, van deze rubriek).

De omvang van de prestatie kan, in bepaalde gevallen, ook door de wet worden geregeld (zie subrubriek a, van deze rubriek).

a. Eén enkele prestatie ingevolge de wet

• De organisatie van reizen

‘Als een dienst wordt, voor het geheel, (…) beschouwd, de uitvoering door een reisbureau in de zin van artikel 1, § 7, eerste lid, 2°, van prestaties die deel uit maken van of horen bij een reis beoogd in artikel 1, § 7, eerste lid, 1°, en welke dit reisbureau aan de afnemer levert’ (artikel 18, § 2, tweede lid, van het Btw-Wetboek).

Het betreft diensten van vervoer, logies, spijs en drank om ter plaatse te worden verbruikt, ontspanning en dergelijke, die door het reisbureau, in eigen naam, aan de afnemer worden verkocht en dit door gebruik te maken van door derden aan het reisbureau verstrekte goederen en diensten (circulaire 2020/C/44 van 23.03.2020 betreffende de bijzondere reisbureauregeling en de btw-regeling voor reishandelingen waarop de bijzondere reisbureauregeling niet toepasselijk is (nr. E.T. 135.877), punt 72).

• Bijkomstige kosten in de maatstaf van heffing van de hoofdhandeling

Artikel 26, § 1, tweede lid, van het Btw-Wetboek, dat de omzetting is van artikel 78 van de richtlijn 2006/112/EG, voornoemd, bepaalt: ‘Tot de maatstaf van heffing behoren onder meer de sommen die de leverancier van het goed of de dienstverrichter aan degene aan wie het goed wordt geleverd of de dienst wordt verricht in rekening brengt als kosten van commissie, verpakking, verzekering en vervoer, ongeacht of zulks al dan niet bij een afzonderlijk debetdocument wordt gedaan of ingevolge een afzonderlijke overeenkomst’.

Het vervoer van goederen door de leverancier of voor zijn rekening vormt bijgevolg geen afzonderlijke dienst inzake vervoer zelfs indien de leverancier een afzonderlijke vervoersovereenkomst met de koper heeft gesloten.

Wanneer de vervoerdienst wordt verricht door de leverancier van een goed of door een dienstverrichter of voor zijn rekening ten gunste van de koper of de ontvanger van de dienst, maakt deze vervoerdienst een bijzaak uit van de levering van goederen of van de dienst en volgt hij op het stuk van de btw het op de hoofdhandeling toepasselijke regime (schriftelijke parlementaire vraag nr. 182 van de heer Volksvertegenwoordiger Louis Michel van 07.12.1995).

b. Eén enkele prestatie ingevolge het onderzoek van de feitelijke omstandigheden

Waarom wordt één enkele prestatie als ‘complex’ aangemerkt?

In de weerhouden hypothese is er sprake van twee nauw verbonden elementen, het ene hoofdzakelijk, het andere bijkomend, die in andere omstandigheden afzonderlijk kunnen worden verstrekt, terwijl ze in dit geval formeel afzonderlijk in eenzelfde contract zijn opgenomen.

Zo wordt bijvoorbeeld een stelling verhuurd aan een ondernemer die de gevel van een appartementsgebouw renoveert voor rekening van de vereniging van de mede-eigenaars. De verhuurfirma zorgt zelf voor de montage/ demontage van de stelling.

De toekenning van het recht om de stelling te gebruiken en de installatie ervan vormen een ondeelbaar geheel, namelijk een dienst bedoeld in artikel 18, § 1, tweede lid, 4°, van het Btw-Wetboek.

De montage van de onderdelen van die stelling is slechts het middel voor de klant, in dit geval de aannemer, om werken in de hoogte uit te voeren (zie de hieronder geciteerde rechtspraak). Het feit dat de verhuurfirma op andere werven ter uitvoering van andere contracten enkel de installatie op zich neemt van een stelling die de aannemer toebehoort (montage/demontage) wijzigt die oplossing niet.

Wat de aannemer betreft, zelfs indien deze op de factuur aan zijn eigen klant afzonderlijk de huurkost van de stelling vermeldt, verricht hij voor het geheel een werk in onroerende staat, bedoeld in artikel 18, § 1, tweede lid, 1°, van het Btw-Wetboek, belastbaar tegen het tarief dat geldt voor die prestatie, in voorkomend geval het verlaagd btw-tarief van 6%.

De terbeschikkingstelling van de gemonteerde stelling is immers geen doel op zich voor de vereniging van de mede-eigenaars. Het doel dat door de klant wordt nagestreefd is in dit geval uiteraard de renovatie van de gevel (zie de hieronder geciteerde rechtspraak).

Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie blijken de volgende principes.

• Wanneer een economische handeling uit een reeks elementen en handelingen bestaat, dient rekening te worden gehouden met alle omstandigheden waarin de betreffende handeling plaatsvindt teneinde na te gaan of daaruit één of meerdere prestaties naar voren komen, met dien verstande dat elke prestatie normaal gesproken als een onderscheiden en zelfstandige prestatie moet worden beschouwd, zoals blijkt uit artikel 1, lid 2, tweede alinea, van richtlijn 2006/112/EG.

• Niettemin gelden de volgende uitzonderingen op deze algemene regel:

o Ten eerste dient de handeling die economisch gezien uit één dienst bestaat, niet kunstmatig uit elkaar te worden gehaald teneinde de werking van het btw-stelsel niet aan te tasten (Hof van Justitie van de Europese Unie, Arrest S.T.C.L., zaak C-593/19, van 15.04.2021, punt 36 en de geciteerde rechtspraak). Daarom is er sprake van één enkele prestatie wanneer twee of meer elementen of handelingen die de belastingplichtige aan de klant levert zo nauw met elkaar verbonden zijn dat zij objectief gezien één niet te splitsen economische prestatie vormen waarvan het kunstmatig zou zijn die uit elkaar te halen. In dit verband dient men de kenmerkende elementen van de betreffende handeling te bepalen vanuit het standpunt van de gemiddelde consument.

De reeks aanwijzingen die daartoe in aanmerking worden genomen, omvat verschillende elementen, waaronder, ten eerste, elementen die van intellectuele aard zijn en die beslissend zijn teneinde vast te stellen of de elementen van de betrokken handeling al dan niet ondeelbaar zijn en of de betrokken handeling al dan niet één enkel economisch doel heeft, en, ten tweede, elementen die van materiële aard zijn en die niet beslissend zijn De andere elementen die van materiële aard zijn en geen doorslaggevend belang hebben, in voorkomend geval ter ondersteuning van de analyse van de eerste elementen, zoals de omstandigheid of er sprake is van afzonderlijke dan wel gezamenlijke toegang tot de prestaties in kwestie of van gezamenlijke dan wel afzonderlijke facturering.

o Ten tweede vormt een economische handeling één enkele prestatie wanneer een of meerdere elementen moeten worden geacht de hoofdprestatie te vormen, terwijl andere elementen moeten worden beschouwd als een of meer nevenprestaties, die het fiscale lot van de hoofdprestatie delen.

Dit betekent:

* Het eerste criterium dat in dit verband in aanmerking moet worden genomen, is het feit dat de prestatie vanuit het oogpunt van de gemiddelde consument geen zelfstandig doel heeft. Een prestatie moet dus als een nevenprestatie bij de hoofdprestatie worden beschouwd wanneer zij voor de klanten geen doel op zich is, maar een middel om van de hoofddienst van de dienstverrichter optimaal te kunnen gebruikmaken

* Het tweede criterium, dat in feite een aanwijzing is voor het eerste, houdt in dat rekening moet worden gehouden met de respectieve waarde van elk van de prestaties die samen de economische handeling vormen, waarbij de ene gering, zelfs marginaal, blijkt te zijn ten opzichte van de andere (Hof van Justitie van de Europese Unie, Arrest F. – U.L., zaak C-581/19, van 04.03.2021, punten 37 tot 42 en de geciteerde rechtspraak).

c. Toepassingen

Op basis van deze criteria, heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie voor recht gezegd dat, de analyse van en het toezicht op het vermogen van de belegger (verstrekken van advies) en de eigenlijke koop en verkoop van effecten als één enkele handeling inzake portefeuillebeheer moet worden beschouwd. Beleggingsadvies en de aankoop/verkoop van effecten zijn daarentegen twee afzonderlijke handelingen die hun eigen regeling volgen aangezien de eventuele aankopen en verkopen van de effecten een nieuwe wilsuiting van de klant vereisen (Hof van Justitie van de Europese Unie, Arrest Deutsche Bank, zaak C-44/11, van 19.07.2012, punten 23 tot en met 29 en 41 en met 46, zie Afdeling 3, titel 13, rubriek K, van dit Hoofdstuk).

Volgende handelingen kunnen eveneens als één enkele complexe maar globale dienst worden aangemerkt:

• de verschaffing van spijzen en dranken in omstandigheden voor het verbruik ter plaatse

Wanneer een restauranthouder, een traiteur, enzovoort, spijzen verstrekt en tegelijkertijd, met het oog op het verbruik door de gasten, een zaal ter beschikking stelt van een klant gaat deze er, als gemiddelde consument, van uit dat hij de afnemer is van één enkele dienst. Het verschaffen van spijzen en dranken in omstandigheden voor het verbruik ter plaatse resulteert, in het onderhavige geval, in de terbeschikkingstelling van infrastructuur. Naast het geschikte meubilair bestaat deze uit vaatwerk en andere uitrusting voor het verbruik van maaltijden zonder dat er daarbij noodzakelijk sprake is van het dekken van de tafel, advies aan de klant, het geven van uitleg met betrekking tot de aangeboden spijzen en dranken, de bediening aan tafel en tenslotte het afruimen van de tafels na verbruik (circulaire AFZ nr. 19/2009 van 22.12.2009, nummer 49, zie Afdeling 3, titel 11, rubriek D, van dit Hoofdstuk).

• de diensten die worden verstrekt in het kader van de organisatie van een begrafenis (beslissing nr. E.T. 110.001 van 14.09.2005)

• de prestaties met betrekking tot de organisatie van periodieke markten voor tweedehandse voertuigen (beslissing nr. E.T. 73.144 van 31.03.1992)

• het stallen en verzorgen van dieren (beslissing nr. E.T. 100.722 van 22.10.2001)

• de verhuur van informaticamateriaal met informatie- of demonstratiecursussen, zelfs indien de sommen afzonderlijk in rekening worden gebracht (beslissing nr. E.T. 62.013 van 13.06.1988)

• de toekenning van het recht op toegang tot inrichtingen voor cultuur, sport of vermaak, alsmede de automatische terbeschikkingstelling, zonder meerprijs, van roerende goederen die, in hun geheel genomen, integrerend deel uitmaken van die inrichting derwijze dat de toegang tot de inrichting of het gebruik ervan niet mogelijk zouden zijn zonder die goederen (beslissing nr. E.T. 113.196 van 10.04.2014).

B. Meerdere onderscheiden hoofdprestaties

De hoofdprestaties worden uitgesplitst in onderscheiden en zelfstandige prestaties zelfs indien ze worden verstrekt ingevolge een enig contract gesloten tussen dezelfde leverancier en dezelfde klant. Bijgevolg worden ze inzake btw afzonderlijk beoordeeld.

Het feit dat bepaalde elementen van een prestatie (kunnen) worden verstrekt door derden en dat de klant de leveranciers of dienstverrichters zelf kan kiezen en/of zelf kan bepalen hoe hij de betrokken goederen of diensten gebruikt, vormt een belangrijk criterium om te bepalen of er sprake is van onderscheiden handelingen (zie onder andere, Hof van Justitie van de Europese Unie, Arrest Wojskowa, zaak C-42/14, van 16.04.2015, punten 39, 41 en 45 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

C. Doorrekening van kosten

Bij een doorrekening van kosten, dient te worden nagegaan of de doorgerekende kost al dan niet geïntegreerd is in een geheel van prestaties, met andere woorden, of deze doorrekening deel uitmaakt van één enkele dienst of als zodanig wordt doorgerekend zonder dat deze doorrekening betrekking heeft op het verstrekken van een geheel van diensten dat beschouwd wordt als één enkele hoofdprestatie.

In het eerste geval, vormen de doorgerekende kosten een element van de prijs van de prestatie

en volgen ze dus dezelfde btw-regeling als de hoofdhandeling. Voorbeeld: een expert vordert het bedrag van zijn honoraria aan zijn klant en rekent hem, naar aanleiding daarvan, de verplaatsingskosten door. Deze kosten hebben betrekking op de enige dienst inzake expertise en volgen dezelfde btw-regeling als laatstgenoemde.

Indien een belastingplichtige daarentegen in eigen naam kosten, die hem in rekening zijn gebracht, doorrekent aan een andere persoon zonder dat die doorrekening kadert in het verstrekken van een geheel van prestaties, wordt de belastingplichtige die de doorrekening uitvoert als een commissionair aangemerkt. Bij toepassing van de artikelen 13, § 2 en 20, § 1, van het Btw-Wetboek wordt de belastingplichtige geacht de diensten, die betrekking hebben op de doorgerekende kosten, zelf te hebben ontvangen en zelf te hebben verstrekt mits deze kosten betrekking hebben op diensten die worden beoogd door het Btw-Wetboek en voor zover de belastingplichtige, die de factuur heeft uitgereikt, bij deze gelegenheid de rol van tussenpersoon heeft gespeeld (zie Afdeling 7 van dit Hoofdstuk).

8. Onderscheid tussen leveringen van goederen en diensten – Kwalificatie van de handeling

De vraag of het gaat over een levering van goederen of een dienstprestatie is een feitenkwestie. Wanneer er sprake is van één enkele handeling moeten, om te bepalen of handelingen leveringen van goederen dan wel diensten zijn, alle omstandigheden waaronder de betrokken handeling wordt verricht in aanmerking worden genomen om daaruit de kenmerkende elementen naar voren te halen en er de overheersende bestanddelen van te identificeren (Hof van Justitie van de Europese Unie, Arrest Faaborg-Gelting Linien, zaak C-231/94, van 02.05.1996, punten 12 en 14, met betrekking tot restauratiediensten, Arrest J.K., zaak C-703/19, van 22.05.2021, punten 51, 53 en 54, Arrest van het Hof van beroep te Luik nr. WF 704-15-17/055832, van 19.02.2021, punt 10, zie rubriek C, van deze titel).

Het onderscheid tussen een levering van goederen en een dienst is belangrijk, onder andere, inzake de territorialiteit van de belasting. Naast de bepaling van de plaats waar de handeling moet worden belast (of van de btw is vrijgesteld), treedt dat onderscheid ook op voor:

• het bepalen van het tijdstip van de handeling en, in het verlengde daarvan, het tijdstip van opeisbaarheid van de btw

• de bepaling van de maatstaf van heffing van de handeling (bijvoorbeeld de behandeling van de financieringskost bij een verkoop op afbetaling en bij een financiële leasing of financieringshuur)

• de bepaling van het tarief van de handeling (bijvoorbeeld het btw-tarief voor werk in onroerende staat met betrekking tot privéwoningen van minstens 10 jaar)

• de bepaling van het recht op aftrek van de btw (bijvoorbeeld de uitsluiting van dit recht met betrekking tot restaurantkosten)

• de aanwijzing van de schuldenaar van de btw (bijvoorbeeld bij de verlegging van heffing bij werk in onroerende staat, de vermelding ‘Btw verlegd’ in plaats van de vermelding van het tarief en het bedrag van de verschuldigde btw, artikel 5, § 1, 9°bis van het koninklijk besluit nr. 1 van 29.12.1992 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde )

• de toepassing van de btw-vrijstellingen, wanneer deze specifiek leveringen van goederen dan wel diensten beogen

• het naleven van bepaalde btw-verplichtingen (bijvoorbeeld de opmaak van rekeningen of ontvangstbewijzen, de verplichtingen inzake het geregistreerde kassasysteem, zie circulaire 2017/C/70 van 06.11.2017 betreffende het geregistreerde kassasysteem, nummer 2)

• de uitsluiting van diensten in het kader van de bijzondere winstmargeregeling voorzien door artikel 58, § 4, van het Btw-Wetboek (beslissing nr. E.T. 128.514 van 07.07.2015 betreffende de doorverkoop van evenemententickets).

A. Lichamelijke en onlichamelijke goederen

Er dient een onderscheid te worden gemaakt tussen lichamelijke goederen (materieel) en onlichamelijke goederen (immaterieel). Dit onderscheid is van belang bij de kwalificatie van de belastbare handeling.

Indien, bijvoorbeeld, de eigendomsoverdracht betrekking heeft op een lichamelijk goed (4), is de terbeschikkingstelling ervan een levering van een goed. Indien het overgedragen goed een onlichamelijk goed is (5), is er sprake van een dienst.

(4) Het lichamelijk goed bestaat werkelijk, heeft een fysieke verschijningsvorm. Gas en elektriciteit zijn hier ook bedoeld.

(5) Onlichamelijke goederen hebben, per definitie, geen fysieke verschijningsvorm, zodat we ze niet met onze zintuigen kunnen waarnemen. We kennen ze slechts door het verstand.

Voorbeelden

Worden beschouwd als een dienstprestatie, de overdracht van een intellectueel recht aan een onderneming, de vestiging van een vruchtgebruik op een voertuig.

Indien dat vruchtgebruik betrekking heeft op een onroerend goed, wordt deze beschouwd als een lichamelijk goed (artikel 9, tweede lid, 2°, van het Btw-Wetboek) en is deze het voorwerp van een levering van goederen.

Verzamelzegels zijn lichamelijke goederen. Deze kunnen het voorwerp uitmaken van een levering van goederen. Anderzijds worden postzegels gebruikt om een brief te frankeren beschouwd als een vervoersbewijs. Deze kunnen het voorwerp uitmaken van een dienst.

In dezelfde zin dient een onderscheid te worden gemaakt tussen verzamelmuntstukken en muntstukken die gebruikt worden als wettig betaalmiddel.

Muntstukken kunnen het voorwerp zijn van een levering van lichamelijke goederen. Muntstukken die als verzamelobject worden beschouwd, worden uitdrukkelijk van de vrijstelling bedoeld in artikel 44, § 3, 9°, van het Btw-Wetboek uitgesloten (zie circulaire 2022/C/30 van 17.03.2022 betreffende munten die als verzamelobject worden beschouwd (E.T. 138.959).

Handelingen met betrekking tot muntstukken die gebruikt worden als wettig betaalmiddel zijn diensten.

B. Verkoop van software en overdracht van gegevensbanken

Volgende handelingen kwalificeren als een levering van lichamelijke roerende goederen:

• de overdracht van gestandaardiseerde software op een materiële drager (Cd-rom …), die gepaard gaat met de gebruikelijke licentie die kopiëring en verspreiding verbiedt en die slechts de installatie op een aantal werkposten toelaat dat overeenstemt met het aantal materiële dragers dat werd verstrekt (beslissing nr. E.T. 101.848 van 13.02.2002).

Het gaat hier immers om een serieproduct dat door alle klanten vrij kan worden verkregen en, na installatie en beperkte vorming, door hen zelfstandig kan worden gebruikt in gestandaardiseerde vorm voor de aanwending van dezelfde toepassingen en functies (schriftelijke parlementaire vraag nr. 1.241 van de heer Volksvertegenwoordiger Rik Daems van 11.02.1998).

• de overdracht, onder de vorm van een materiële drager, van een gegevensbank die niet ontworpen of aangepast is in functie van de specifieke noden van een onderneming maar gecommercialiseerd is onder een gestandaardiseerde vorm die door elke geïnteresseerde onderneming verkrijgbaar is (schriftelijke parlementaire vraag nr. 706 van de heer Volksvertegenwoordiger Didier Reynders van 14.01.1997).

Worden daarentegen als diensten aangemerkt:

• de verkoop van software voor specifiek gebruik, aangepast of ontworpen om te voldoen aan de specifieke behoeften van de klant en dit volgens de door die klant verstrekte gegevens. In dat geval zijn de doorgevoerde aanpassingen geenszins gering of van ondergeschikte aard, maar hebben ze een overheersend karakter. Dit is onder andere het geval wanneer, op basis van de omvang, de duur en de kosten ervan, de aanpassingen van doorslaggevend belang zijn om een op maat gemaakte software bruikbaar te maken voor de afnemer (Hof van Justitie van de Europese Unie, Arrest Levob en Verzekeringen BV en OV Bank nv, zaak C-41/04 van 27.10.2005, punten 27 tot en met 29, schriftelijke parlementaire vraag nr. 1.241 van de heer Volksvertegenwoordiger Rik Daems van 11.02.1998)

• de overdracht van een gegevensbank die, door middel van een intellectueel werk, ontworpen of aangepast is aan de specifieke noden van een onderneming. In dat geval, dient de materiële drager immers als hulpmiddel te worden beschouwd van het intellectueel werk verricht door de dienstverrichter dat normaal gezien in hoofde van de partijen, het essentiële bestanddeel van de overeenkomst vormt (schriftelijke parlementaire vraag nr. 706 van de heer Volksvertegenwoordiger Didier Reynders van 14.01.1997)

• de overdracht van gestandaardiseerde software waarbij het aantal materiële dragers miniem is in vergelijking met het aantal licenties dat verleend wordt. In dat geval heeft het contract betrekking op het verlenen van licenties op een gestandaardiseerde software, dan wel op de overdracht van auteursrechten (beslissing nr. E.T. 101.848 van 13.02.2002)

• de overdracht van gestandaardiseerde software of de overdracht van gegevensbanken zonder dat er gebruik wordt gemaakt van een informatiedrager maar die telefonisch, op elektronische wijze of, via radiogolven, per satelliet of via Internet plaatsvindt (schriftelijke parlementaire vragen nr. 186 van de heer Volksvertegenwoordiger Louis Michel van 07.12.1995 en nr. 706 van de heer Volksvertegenwoordiger Didier Reynders van 14.01.1997).

C. Verschaffen van spijzen en dranken

De verkoop van spijzen en dranken om mee te nemen, geeft aanleiding tot leveringen van goederen terwijl het verbruik ter plaatse van dezelfde spijzen en dranken, in bepaalde omstandigheden, een element zijn van één complexe maar globale dienst. Deze analyse is inzonderheid van belang voor de bepaling van het btw-tarief van de handeling.

In dat opzicht heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie verduidelijkt dat, wanneer het om één enkele prestatie gaat, de kwalificatie van de verrichting als levering van goederen dan wel als dienstverrichting, afhangt van alle feitelijke omstandigheden, waarbij de kwalitatief doorwegende of overheersende aspecten uit het oogpunt van de consument in aanmerking moeten worden genomen (Hof van Justitie van de Europese Unie, Arrest J.K., zaak C-703/19 van 22.04.2021, punten 48 en 49).

Voor een bijkomende uitleg wordt verwezen naar Afdeling 3, titel 11, van dit Hoofdstuk.

D. Handelingen die zowel betrekking hebben op de levering van goederen als op het verrichten van een werk

Inzake btw geeft een enig contract geregeld aanleiding tot een levering van goederen tezamen met het verrichten van een werk tegen een arbeidsloon. Het kan in deze gevallen moeilijk zijn om de betreffende handelingen in de categorie van de leveringen van goederen dan wel van de diensten te klasseren, des te meer omdat de wijze waarop de zaken worden voorgesteld, onder andere inzake de prijs en facturatie, op zich niet bepalend zijn.

a. Levering met installatie of montage van een roerend goed ingevolge een enig contract

De levering met plaatsing, door de leverancier of voor zijn rekening, van goederen die roerend blijven (een koelkast in de keuken van een particulier) of ten hoogste onroerend door bestemming worden door hun aanwending voor de dienst en de exploitatie van het erf (een koeltoog in een winkel), wordt in de regel aangemerkt als een in artikel 10 van het Btw-Wetboek bedoelde levering van goederen. In dat geval beschouwt het btw-recht de goederen zoals ze in werkelijkheid zijn, zijnde lichamelijk roerende goederen.

Het betreft in ieder geval een feitenkwestie die geval per geval moet worden beoordeeld.

De handelingen bestaande uit de levering met plaatsing van een roerend goed dat niet in een ander onroerend goed uit zijn aard wordt geïncorporeerd maar eenvoudig aan deze wordt vastgehecht, zijn leveringen van goederen. Dit is bijvoorbeeld het geval bij de levering met plaatsing van machines voor productie, toestellen, gereedschappen en ander outillage die niet zijn ingelijfd in een gebouw (deze kunnen worden verplaatst zonder schade of wijzigingen aan het gebouw door te voeren). Het betreft leveringen van goederen met installatie of montage. In die gevallen is de installatie of montage noodzakelijk om het roerend goed, dat niet op een ander roerend goed geïnstalleerd is, nut te geven (ingeval van installatie op een roerend goed, zie subrubriek c, van deze rubriek).

De installatie of montage impliceert een bijkomstig werk dat verder gaat dan de loutere aansluiting op een energiebron. Het werk tegen arbeidsloon bestaande uit de installatie of montage is, bijgevolg, een element van de maatstaf van heffing van de levering van goederen.

Echter wanneer de goederen door hun plaatsing onroerend uit hun aard worden, is hun levering met plaatsing voor het geheel een dienstprestatie gekwalificeerd als een materieel werk in onroerende staat (artikel 18, § 1, tweede lid, 1° en artikel 19, § 2, derde lid, 1° van het Btw-Wetboek) en dit ongeacht de waarde van de goederen en de kostprijs van het arbeidsloon voor de plaatsing. Goederen worden onroerend uit hun aard:

• hetzij wegens de inlijving ervan in de grond of in het gebouw, hetzij wegens de omvang (volume of gewicht) ervan onroerend uit hun aard worden zoals industriële toestellen voor klimaatregeling, koelkamers, gashouders, hoogovens, grote reservoirs, silo’s, stoomgeneratoren, werktuigen of machines die blijvend geïnstalleerd zijn (zij kunnen niet worden verplaatst zonder vernietiging of wijziging van het gebouw) (artikel 13ter van de uitvoeringsverordening (EU) nr. 282/2011 van de Raad van 15.03.2011 houdende vaststelling van maatregelen ter uitvoering van de richtlijn 2006/112/EG betreffende het gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde en beslissing nr. E.T. 9.537 van 06.01.1972)

• als element van een werk in onroerende staat zoals bijvoorbeeld de verkoop met plaatsing van een garagepoort met een systeem van automatische opening op zo’n wijze dat ze onroerend uit hun aard worden

• als element van een met een werk in onroerende staat gelijkgestelde handeling, zoals bedoeld in artikel 20, § 2, tweede lid, van het koninklijk besluit nr. 1 van 29.12.1992 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde, zoals bijvoorbeeld de levering met plaatsing van een installatie voor centrale verwarming.

Bijvoorbeeld, een aannemingscontract heeft als voorwerp de bouw van een woning op het terrein van de bouwheer waarbij de bouwmaterialen door de aannemer worden geleverd. Het werk in onroerende staat omvat ook de levering van materialen door de aannemer. Het betreft in zijn geheel een dienst.

Er dient geen enkele opsplitsing te worden gemaakt tussen de door de aannemer verrichte levering van materialen, die hij gebruikt bij het verrichten van de werken, en de uitgevoerde werken tegen arbeidsloon.

b. Levering met installatie of montage van een lichamelijk roerend goed ingevolge afzonderlijke contracten

Wanneer de levering enerzijds en de installatie of de montage door of rekening van de leverancier anderzijds, geschieden ter uitvoering van twee onderscheiden overeenkomsten, moet het volgende onderscheid worden gemaakt:

• indien de overeenkomst met betrekking tot de installatie of de montage gesloten wordt uiterlijk op het tijdstip waarop de levering van het goed plaatsvindt, hetzij bij de terbeschikkingstelling van het goed aan de koper of de verkrijger, hetzij bij aankomst van het vervoer door of voor rekening van de leverancier op de bestemming van de koper of verwerver (artikel 16, § 1, eerste lid of derde lid van het Btw-Wetboek), dan worden de levering en installatie of montage voor het geheel als de levering van een goed of als een dienst aangemerkt overeenkomstig het onderscheid gemaakt onder subrubriek a, van deze rubriek.

• indien de overeenkomst met betrekking tot de installatie of de montage gesloten wordt nadat de levering van het goed heeft plaatsgevonden, dit wil zeggen na de terbeschikkingstelling of aankomst van het vervoer door de leverancier of voor zijn rekening, dan wordt die overeenkomst als onderscheiden van die met betrekking tot de levering aangemerkt. Het gaat dan overigens om een dienst.

c. Levering met installatie of montage van een lichamelijk roerend goed op een roerend goed in of buiten het kader van een handeling inzake onderhoud of herstelling

Het relatieve belang, in waarde, van de geleverde materialen en het verrichte werk tegen arbeidsloon dient te worden onderzocht.

Indien de waarde van het geleverde en op een ander roerend goed geplaatste roerend goed hoger (of gelijk) is aan 50% van de totale prijs (exclusief btw), wordt de handeling aangemerkt als de levering van een goed.

Wanneer meer bepaald de handeling wordt aangemerkt als een levering en het roerend goed waarop het andere goed werd gemonteerd of geïnstalleerd na de installatie of montage wordt verzonden of vervoerd naar de inrichting van de verkrijger, wordt de levering geacht plaats te vinden daar waar de verzending of het vervoer aanvangt, overeenkomstig artikel 14, § 2, eerste lid, van het Btw-Wetboek.

In dit verband kan opgemerkt worden dat de plaatsbepaling van de levering van een goed niet gebeurt op basis van artikel 14, § 3, van het Btw-Wetboek, wanneer het goed wordt vervoerd of verzonden naar de inrichting van de verwerver nadat de montage of installatie is verricht. is er Deze levering van goederen door een belastingplichtige kan de vrijstelling van artikel 39bis, eerste lid, 1°, van het Btw-Wetboek genieten, voor zover voldaan is aan de voorwaarden (zie circulaire 2020/C/50 van 02.04.2020 betreffende het btw-stelsel van het B2B intracommunautair handelsverkeer van goederen (nr. E.T. 135.109), nummer 3.6.1.6.3 en ‘Boekwerk I: Belastingplicht en belastbare handelingen - Hoofstuk 2: Leveringen van goederen, Afdeling 8, titel 2, rubriek B’).

Wanneer de waarde van het ter gelegenheid van de handeling geleverde en geplaatste goed daarentegen lager is dan 50% van de totale prijs (exclusief btw) die verschuldigd is door de koper of de ontvanger, dient de handeling voor het geheel te worden aangemerkt als een dienst. In dat geval is de waarde van het verrichte werk overwegend (51%). De plaats van deze handeling wordt bijgevolg bepaald door artikel 21, § 2, van het Btw-Wetboek (zetel van de economische activiteit van de afnemer) indien de afnemer als een belastingplichtige wordt beschouwd in de zin van artikel 21, § 1, van het Btw-Wetboek of, in het andere geval, door artikel 21bis, § 2, 6°, c), van het Btw-Wetboek (waar de dienst materieel wordt verricht).

De hierboven omschreven regels kunnen inzonderheid worden toegepast voor alle handelingen die bestaan in de levering met plaatsing van een roerend goed in een vervoermiddel (banden, radio, motor, alarm, LPG-installatie, anti-diefstalsysteem…) (zie beslissing nr. E.T. 95.109 van 10.05.1999).

Bovengenoemde regels zijn evenwel niet van toepassing op de herstelling en onderhoud van fietsen. De minister van Financiën heeft terzake beslist dat, uitsluitend wat de dienst inzake het herstellen of onderhouden van fietsen betreft, de fietshersteller volgende regeling moet toepassen:

• de levering van onderdelen is onderworpen aan het normale btw-tarief van 21%

• het arbeidsloon (met inbegrip van de gebruikte benodigdheden, zoals lijm, smeerolie, en dergelijke) is onderworpen aan het verlaagde btw-tarief van 6%.

Gebeurt die splitsing niet dan is de heffing slechts regelmatig indien de volledige handeling wordt onderworpen aan het hoogste btw-tarief (circulaire 2017/C/38 van 14.06.2017 betreffende het btw-tarief dat van toepassing is op fietsherstellingen (E.T. 132.016)).

d. Verstrekken van een roerend werk met grondstoffen geleverd door de leverancier of door de klant

De overeenkomst waarbij een ambachtsman, een fabrikant of aannemer zich ertoe verbindt een roerend goed te vervaardigen door gebruik te maken van materialen die hij zelf levert, geeft in de regel voor het geheel aanleiding tot een levering van goederen. Bijvoorbeeld: een schrijnwerker maakt een meubel met zijn eigen planken.

Wanneer een belastingplichtige slechts de diverse onderdelen van een machine assembleert die hem alle door zijn klant zijn bezorgd, is deze handeling een dienst (artikel 8 van de uitvoeringsverordening (EU) nr. 282/2011, voornoemd).

Meer algemeen, wanneer een aannemer aan zijn medecontractant een lichamelijk roerend goed verstrekt dat hij heeft vervaardigd of geassembleerd door middel van materialen en voorwerpen die hiertoe door zijn medecontractant zijn verstrekt, is er sprake van een dienst.

Het betreft een maakloonwerk zoals gedefinieerd door artikel 18, § 1, tweede lid, 1°, in fine, van het Btw-Wetboek dat verduidelijkt dat ‘ongeacht of de opdrachtnemer al dan niet een deel van de gebruikte materialen heeft verstrekt’.

Bijvoorbeeld, de prestatie van een maakloonwerker die bestaat uit het herstellen van boeken (Hof van Justitie van de Europese Unie, Arrest Van Dijk’s Boekhuis BV, zaak C-139/84, van 14.05.1985, punten 21 en 22, zie Afdeling 3, titel 1, rubriek B van dit Hoofdstuk).

Opmerking

Indien de waarde van de door de aannemer verstrekte grondstoffen hoger is dan de waarde van de grondstoffen die door de klant zijn aangereikt, zou er sprake zijn van een levering van goederen en niet van een dienst.

Rekening houdend met hetgeen voorafgaat, zijn de contouren van de begrippen leveringen van goederen en diensten goed omschreven maar een analyse, geval per geval, is vereist.

[Top]

Afdeling 3 – Opsomming van de contractuele diensten

Om alle hieronder genoemde dienstprestaties aan de btw te onderwerpen, zijn de twee vereisten met betrekking tot de hoedanigheid van belastingplichtige die als zodanig optreedt en het bestaan van een contract onder bezwarende titel essentieel. Deze vindt men terug in artikel 2, eerste lid van het Btw-Wetboek.

Het aspect van de territorialiteit van de dienstprestaties wordt besproken in Afdeling 8 van dit Hoofdstuk.

Mits ze in België plaatsvinden (zie Afdeling 8), kunnen bepaalde van onderstaande diensten, onder bepaalde voorwaarden, van de btw vrijgesteld zijn krachtens de artikelen 39 tot en met 44bis, van het Btw-Wetboek.

Voor de mogelijke toepassing van de voornoemde btw-vrijstellingen bedoeld in artikel 44 van het Btw-Wetboek, dient inzonderheid te worden verwezen naar ‘Boekwerk II: Bepaling van de belastbare basis en het toepasselijke tarief - Hoofdstuk 9: Vrijstellingen beoogd door artikel 44 van het Btw-Wetboek’).

1. Materieel of intellectueel werk (artikel 18, § 1, tweede lid, 1°, van het Btw-Wetboek)

A. Voorwerp en aard van het contract

Zowel materieel, roerend of onroerend, werk als intellectueel werk vallen onder de toepassing van artikel 18, § 1, tweede lid, 1°, van het Btw-Wetboek. Aan de oorsprong van de dienst ligt een overeenkomst die minstens door twee personen ondertekend is. Daarbij is het van geen belang welke de aard is van het contract ter uitvoering waarvan het werk wordt uitgevoerd. Het is voldoende dat het onder bezwarende titel is aangegaan (artikel 2, eerste lid, van het Btw-Wetboek). Het voorwerp van het contract is de uitvoering van een werk (6).

(6) Onder werk wordt verstaan: het voortbrengen van een menselijke of mechanische inspanning om iets te doen. Het begrip ‘werk’ is dus zeer uitgebreid.

Zowel het arbeidscontract als het aannemingscontract zijn hier beoogd. Artikel 4, § 1, van het Btw-Wetboek, die het begrip belastingplichtige definieert ten opzichte van de economische activiteit die op geregelde en zelfstandige wijze wordt uitgeoefend, plaatst het arbeidscontract evenwel buiten de toepassingssfeer van de btw. Het is bovendien niet het louter bestaan van een contract dat de btw opeisbaar maakt, maar wel de uitvoering ervan.

Hetgeen de belasting opeisbaar maakt is niet het bestaan van een overeenkomst maar wel de uitvoering ervan.

De uitvoering van een aannemingscontract beantwoordt aan de voorwaarden inzake opeisbaarheid van de belasting. Het betreft een contract met als voorwerp de uitvoering van een werk met tegenprestatie zonder dat de aannemer zijn zelfstandigheid opgeeft bij de uitvoering van zijn verbintenissen en zonder dat hij, in tegenstelling tot een lasthebber, een vertegenwoordigingsbevoegdheid bezit.

Bijvoorbeeld, de terbeschikkingstelling, ingevolge één contract, van een werfmachine (kranen, bulldozers, graafmachines, toestellen voor het verplaatsen van uitzonderlijke lasten …), met personeel dat zorgt voor de bediening van die machines, is in principe voor het geheel een aannemingscontract bedoeld in artikel 18, § 1, tweede lid, 1°, van het Btw-Wetboek. In dat geval is het werk immers overwegend (schriftelijke parlementaire vraag nr. 248 van de heer Volksvertegenwoordiger Jean-Pierre de Clippele van 06.10.1992, zie titel 2, rubriek B en titel 4, rubriek C, subrubriek b, van deze Afdeling).

Naast het aannemingscontract, beoogt artikel 18, § 1, tweede lid, 1°, van het Btw-Wetboek eveneens het werk dat zijn oorsprong vindt in een vervoercontract of een ander contract, zoals bijvoorbeeld het vennootschapscontract.

a. Inbreng in nijverheid

Wanneer een persoon zich verbindt materieel of intellectueel werk zelfstandig te verrichten ter uitvoering van een vennootschapscontract, heeft men te maken met een dienst in de zin van artikel 18, § 1, tweede lid, 1°, van het Btw-Wetboek.

Voorbeelden

• een zelfstandig boekhouder brengt zijn vakkennis in in een recent opgerichte vennootschap.

• twee of meer architecten richten een burgerlijke vennootschap op waarbij ieder van hen zich verbindt tot de zelfstandige inbreng van zijn werk om het die vennootschap mogelijk te maken het hoofd te bieden aan de bestellingen van derden. Die architecten verlenen aan de vennootschap diensten in de zin van artikel 18, § 1, tweede lid, 1°, van het Btw-Wetboek. Deze zijn onderworpen aan de belasting ingevolgde de toepassing van artikel 2, eerste lid, van het Btw-Wetboek. Wanneer een vennoot btw-belastingplichtige is wegens de inbreng in vennootschap van zijn bedrijvigheid, wordt zijn identificatie als belastingplichtige evenwel niet geëist wanneer hij alleen om reden van die inbreng van bedrijvigheid belastingplichtige is.

b. Werken verricht in onderaanneming

Het komt voor dat de dienstverrichter - aan wie een bepaald werk werd toevertrouwd - een collega

geheel of gedeeltelijk belast met het verrichten van het werk waartoe hij zich verbonden had (bijvoorbeeld een werk in onroerende staat). De uitvoering door de onderaannemer - voor rekening van de hoofdaannemer - van het werk dat hem is toevertrouwd, is een dienst in de zin van artikel 18, § 1, tweede lid, 1°, van het Btw-Wetboek. De uitvoering van eenzelfde werk bestaat bijgevolg uit twee diensten, hetgeen in overeenstemming is met de contractuele analyse van de handelingen.

B. Werk in roerende staat

Met een werk in roerende staat worden alle mechanische en menselijke werken beoogd die worden verricht aan een roerend lichamelijk goed.

Worden bedoeld:

• de vervaardiging, assemblage, verbouwing, aanpassing van lichamelijk roerende goederen met inbegrip van maakloonwerk (7)

Bijvoorbeeld: de omvorming door een maakloonwerker van baren fijn goud tot staven (beslissing nr. E.T. 5.667 van 06.10.1971).

(7) De vervaardiging of assemblage van een nieuw roerend goed, met materialen en voorwerpen die door de klant werden verstrekt.

Er is een nieuw goed wanneer door het werk van de opdrachtnemer een goed ontstaat waarvan de functie volgens de in het maatschappelijk verkeer gangbare opvattingen verschilt van de functie die de verstrekte materialen hadden (Hof van Justitie van de Europese Unie, Arrest Van Dijk’s Boekhuis BV, zaak C-139/84, van 14.05.1985, punten 21 en 22; circulaire 2019/C/97 van 27.09.2019 betreffende diensten in een intracommunautaire context die een materieel werk (waaronder het maakloonwerk) of een expertise met betrekking tot een lichamelijk roerend goed tot voorwerp hebben (E.T. nr. 127.645/2), nummer 6; zie Afdeling 2, titel 8, rubriek D, subrubriek d, van dit Hoofdstuk).

Daarbij speelt het geen rol dat de dienstverrichter zelf een deel van de materialen verstrekt bij de uitvoering van het maakloonwerk wanneer de waarde van de geleverde en geplaatste goederen lager is dan 50 pct. van de totale prijs van het maakloonwerk (zie beslissing nr. E.T. 95.109 van 10.05.1999).

• alle werken van herstelling, onderhoud of schoonmaak van roerende goederen. Bijvoorbeeld het bedrag dat een verkoper van een auto aan de koper aanrekent om, op diens aanvraag, een aanvullende anti-roest behandeling op de wagen uit te voeren, is de vergoeding van een dienst die los staat van het verkoopcontract en betrekking heeft op een materieel werk met betrekking tot een roerend goed (beslissing nr. E.T. 6.547 van 15.06.1971)

• het nazicht van goederen in het kader van een onderhoudscontract, zelfs wanneer de handeling die wordt uitgevoerd enkel bestaat uit het nazicht van het goed zonder dat hierbij enig ander materieel werk wordt uitgevoerd

• de expertise die bestaat uit het onderzoeken, het definiëren of het bepalen van de kenmerken van een specifiek lichamelijk roerend goed, bijvoorbeeld de beoordeling van een geleden schade

• het verpakken, herverpakken en de behandeling van goederen met het oog op de verkoop ervan, op voorwaarde dat deze handelingen niet bijkomstig zijn bij het transport van goederen. In dat geval gaat het om een dienst, bijkomstig bij het vervoer.

Herstellings- en onderhoudswerken hebben als doel om het roerend goed te herstellen en te onderhouden in een toestand die geschikt is voor normaal gebruik waarvoor het goed is bedoeld.

Reinigingswerken van een roerend goed hebben als doel om het roerend goed proper te maken daar waar het voordien bevuild was.

In tegenstelling tot herstellings-, onderhouds- en reinigingswerken, zijn verbouwingswerken erop gericht de materie of vorm van een goed te wijzigen en er aldus een nieuwe economische waarde aan te geven. Dit onderscheid is van belang inzake de bepaling van het btw-tarief en de te vervullen verplichtingen.

Iedere handeling die bijdraagt tot het vervaardigen, het bouwen, het monteren of het omvormen van een ander goed dan een uit zijn aard onroerend goed, is aan de belasting onderworpen naar het tarief dat geldt voor het goed beschouwd in de staat waarin het verkeert na de uitvoering van de handeling (artikel 38ter van het Btw-Wetboek). Hetzelfde geldt voor het maakloonwerk dat bestaat in het inbinden van een verzameling van niet-handgeschreven processen-verbaal (beslissing nr. E.T. 118.312 van 23.05.2011).

Inzake de verplichtingen van belastingplichtigen, moet de maakloonwerker, in tegenstelling tot een bedrijf dat belast is met het onderhoud en de herstelling van een roerend goed, een bijzonder register houden of boekhouding voeren met betrekking tot de materialen (artikel 54bis, § 2 , van het Btw-Wetboek, artikelen 26 en 27 van voornoemd koninklijk besluit nr. 1 en de schriftelijke parlementaire vraag nr. 1014 van de heer Volksvertegenwoordiger Francis Van den Eynde van 14.04.1994).

Zijn uitgesloten :

• de werken in roerende staat bestaande uit het plaatsen van een lichamelijk roerend goed op een ander roerend goed waarbij de waarde van de ter gelegenheid van de handeling geleverde en geplaatste goederen hoger (of gelijk) is aan 50% van de totale prijs (exclusief btw)

In een dergelijk geval is er immers sprake van een levering van goederen.

Voor wat de herstellingen en onderhoud van fietsen betreft, is het toegelaten om een uitsplitsing te maken tussen de prijs van de (geleverde) onderdelen belast tegen het btw-tarief van 21% en de rest (werkuren en toebehoren) belast tegen het btw-tarief van 6% (zie Afdeling 2, titel 8, rubriek E, subrubriek c, van dit Hoofdstuk).

• de dienstprestaties gewoonlijk verricht door dierenartsen. De voornaamste taken van de dierenarts bestaan hoofdzakelijk in de geneeskundige verzorging van dieren overeenkomstig de regels der wetenschap (Hof van Justitie van de Europese Unie, Arrest Linthorst, Pouwels en Scheres, zaak C-167/95, van 06.03.1997, punten 17 tot 18). Dit arrest is belangrijk voor de plaatsbepaling van dergelijke diensten (toepassing van de algemene regel en niet de afwijkende bepaling voorzien in artikel 21bis, 6°, c), van het Btw-Wetboek, zie Afdeling 8, titel 4, rubriek E, subrubriek c, van dit Hoofdstuk).

C. Werk in onroerende staat

Het werk in onroerende staat is, inzake btw, onderworpen aan specifieke regels en leidt tot bijzondere gevolgen. Deze werken beslaan ongetwijfeld een belangrijke categorie van diensten van materiële aard, hetgeen een uitgebreide toelichting van hun definitie verantwoordt.

Overeenkomstig artikel 19, § 2, derde lid, van het Btw-Wetboek wordt ‘voor de toepassing van dit Wetboek verstaan onder werk in onroerende staat het bouwen, het verbouwen, het afwerken, het inrichten, het herstellen, het onderhouden, het reinigen en het afbreken, geheel of ten dele, van een uit zijn aard onroerend goed, en de handeling die erin bestaat een roerend goed te leveren en het meteen op zodanige wijze aan te brengen aan een onroerend goed dat het onroerend uit zijn aard wordt’ (zie subrubriek b, van deze rubriek).

In het verlengde van deze definitie, en in de mate dat ze geen werk in onroerende staat zijn, worden bepaalde handelingen met een onroerend karakter ook beoogd maar in limitatieve lijsten die opgesteld zijn in een specifieke context (bijvoorbeeld bij de verlegging van heffing en voor de toepassing van de verlaagde btw-tarieven).

De handelingen die opgesomd zijn in artikel 20, § 2, tweede lid, van koninklijk besluit nr. 1 voornoemd, betreffende de verlegging van heffing, (hierna de ‘gelijkgestelde handelingen’) worden evenwel geciteerd in andere toepassingsgevallen (zie subrubriek a, van deze rubriek).

a. Toepassingsgebied

Het begrip ‘werk in onroerende staat’ is, voor de toepassing van het Btw-Wetboek, een veelzijdig begrip. Het komt in verschillende toepassingsgebieden voor maar niet op identieke wijze.

Zo mag men bijvoorbeeld het begrip ‘werk in onroerende staat’ niet verwarren met het begrip ‘diensten met betrekking tot een uit zijn aard onroerend goed’ inzake de bepaling van de plaats van de dienst (zie Afdeling 8, titel 3, rubriek A, van dit Hoofdstuk).

Zo zijn de intellectuele diensten die, onder andere, worden verstrekt door architecten, landmeters, ingenieurs, vastgoedexperten, geen werk in onroerende staat.

Deze diensten worden daarentegen wel aangemerkt als diensten die verband houden met een uit zijn aard onroerend goed die, inzake btw, worden gelokaliseerd op de plaats waar het onroerend goed is gelegen.

De omvang van werk in onroerende staat hangt af van de vele toepassingsgebieden die hierna worden opgesomd.

• Het belasten van het werk in onroerende staat en de ermee gelijkgestelde handelingen verricht in eigen regie door een belastingplichtige voor de doeleinden van zijn economische activiteit, wanneer, ingeval dergelijk werk wordt verricht door een andere belastingplichtige, hij geen volledig recht op aftrek van de belasting zou hebben (artikel 19, § 2, eerste lid, 1°, van het Btw-Wetboek) – de herstellings-, onderhouds- en reinigingswerken zijn uitgesloten (zie Afdeling 6, titel 2, van dit Hoofdstuk en ‘Boekwerk III : Recht op aftrek van de voorbelasting – Hoofdstuk 12 : Correcties op het recht op aftrek (herzieningen, onttrekkingen en ingebruiknemingen, Afdeling 4, titel 3, rubriek C, subrubriek b’).

• De minimum maatstaf van heffing: ze dient te worden toegepast bij werk in onroerende staat wanneer het betrekking heeft op op te richten gebouwen (artikel 36, § 1, b), van het Btw-Wetboek; zie ‘Boekwerk II : Bepaling van de belastbare basis en het toepasselijk tarief – Hoofdstuk 6 : Maatstaf van Heffing, Afdeling 5, titel 3, rubriek B’).

• Tarieven: de tabellen A en B van de bijlage bij het koninklijk besluit nr. 20 van 20.07.1970 tot vaststelling van de tarieven van de belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling van de goederen en de diensten bij die tarieven, bevatten rubrieken die betrekking hebben op werk in onroerende staat en ermee gelijkgestelde handelingen die aan een van de verlaagde btw-tarieven van 6% of 12% onderworpen zijn. De reiniging is evenwel een belangrijke uitsluiting. (zie ‘Boekwerk II: Bepaling van de belastbare basis en het toepasselijke tarief - Hoofdstuk 7: Tarieven van de belasting, Afdeling 4, titel 8, rubriek D, subrubriek c’).

Bij wijze van voorbeeld, op basis van deze bepaling, komt vanaf 08.04.2014 de verwijdering of buitengebruikstelling van stookolietanks in aanmerking voor het verlaagd tarief van 6% of 12%, onder de voorwaarden van beslissing nr. E.T. 104.683/2 van 18.06.2015.

• Het stelsel van de belastingvrijstelling voor kleine ondernemingen: zijn voor het geheel van hun economische activiteit van deze regeling uitgesloten, de belastingplichtigen die geregeld werk in onroerende staat in de zin van artikel 19, § 2, derde lid, van het Btw-Wetboek alsook de ermee gelijkgestelde handelingen verrichten (artikel 56bis, § 2, tweede lid, 1°, van het Btw-Wetboek). Deze uitsluiting is niet van toepassing op belastingplichtigen in het kader van de deeleconomie (artikel 56bis, § 2, derde lid, van het Btw-Wetboek, circulaire 2019/C/40 van 15.05.2019, FAQ betreffende de deeleconomie en occasionele diensten tussen burgers inzake Btw (met erratum van 04.07.2019). Toepassing van de regeling met betrekking tot de btw, nummer 5, a).

• De facturatieverplichting aan natuurlijke personen voor hun privégebruik (artikel 1, §1, 3° van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd) en de verplichting inzake verlegging van heffing in hoofde van de belastingplichtige als indiener van periodieke btw-aangiften (artikel 20, §1, van het koninklijk besluit nr 1, voornoemd): alle werk in onroerende staat en ermee gelijkgestelde handelingen worden door deze twee verplichtingen beoogd. Voor de verlegging van heffing, is het de landbouwondernemingen onderworpen aan de bijzondere landbouwregeling, en de ondernemingen onderworpen aan de vrijstellingsregeling, verboden om hun btw-nummer mee te delen aan hun aannemer (artikel 53quater, § 1, tweede lid, van het Btw-Wetboek ;

circulaire 2019/C/3 van 25.01.2019 betreffende aanpassingen aan het Btw-Wetboek door de wet van 30.07.2018 (E.T. nr. 133.410), nummer 7.1, zie ‘Boekwerk IV : Voldoening van de belasting – Hoofdstuk 13 : Regeling voor de voldoening van de belasting, Afdeling 4’).

• Ieder pas opgericht gebouw wordt geacht geleverd te zijn ter uitvoering van één of meer dienstverrichtingen met betrekking tot een werk in onroerende staat onder voorwaarden waaronder de belasting opeisbaar wordt (artikel 64, § 4, van het Btw-Wetboek, koninklijk besluit nr. 58 van 28.05.2019 met betrekking tot de mededeling van inlichtingen inzake de pas opgerichte gebouwen voor de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde, datum van inwerkingtreding van 30.06.2019, circulaire 2019/C/3 van 25.01.2019 betreffende de aanpassingen aan het Btw-Wetboek door de wet van 30.07.2018 (E.T. nr. 133.410), nummer 9, circulaire 2020/C/51 van 06.04.2020 betreffende het formulier nr. 111 B57 (E.T. nr. 137.437)).

b. Definitie van een werk in onroerende staat

De voorbeelden van werken in onroerende staat en ermee gelijkgestelde handelingen die hierna zijn vermeld, zijn vooral afkomstig van de circulaire nr. 03/1979 van 01.02.1979, nummers 15, 17, 25 en volgende.

Wanneer deze betrekking heeft op een gebouw of een gedeelte van een gebouw wordt, voor de toepassing van het Btw-Wetboek, onder werk in onroerende staat verstaan:

• het bouwen, bijvoorbeeld het oprichten van een gebouw of gedeelte van een gebouw (8) door een aannemer

(8) Onder ‘gebouw of een gedeelte van een gebouw’ wordt verstaan, ieder bouwwerk dat vast met de grond is verbonden (artikel 1, § 9, eerste lid, 1°, van het Btw-Wetboek).

• de omvorming, bijvoorbeeld een wasruimte omvormen tot een badkamer

• het afwerken, bijvoorbeeld, de bepleistering of het opvoegen van een huis in opbouw

• het inrichten, bijvoorbeeld, het aanleggen van een tuin, zelfs indien de gevraagde prijs de levering van bomen, struiken, bloemen, zaaigoed, grind …, omvat evenals het aanleggen van een boomgaard die deel uitmaakt van een landbouwbedrijf (schriftelijke parlementaire vraag nr. 315 van de heer Senator Ludwig Caluwe van 19.09.1997)

• de herstelling, bijvoorbeeld het vervangen van een ruit, zelfs indien de aannemingsprijs, benevens de prestaties, de levering omvat van een ruit en andere bijkomstige materialen (stopverf, spijkers, houten latten, enzovoort)

• het onderhoud, bijvoorbeeld het onderhoud van een lift, zelfs indien de aannemingsprijs de levering omvat van onderhoudsproducten of van onderdelen die ter vervanging van gebroken of defecte onderdelen werden aangebracht

• de reiniging, bijvoorbeeld de reiniging van een gevel waarvan de aannemingsprijs het arbeidsloon, de leveringen van verschillende materialen en het gebruik van een stelling begrijpt

• de afbraak, bijvoorbeeld van een brug of een woning.

Artikel 19, § 2, derde lid, van het Btw-Wetboek beoogt enkel materiële werken.

Intellectuele diensten met betrekking tot het voorbereiden, het coördineren of bewaken van de uitvoering van onroerende werken zoals de diensten van architecten, landmeters, ingenieurs, vastgoedexperten, veiligheidscoördinatoren (studiewerk, expertisewerk, het opstellen van plannen, toezicht houden op het werk, het controleren van de veiligheid, enzovoort), zijn uitgesloten.

Onder werk in onroerende staat verstaat men ook iedere handeling waarbij een roerend goed wordt geleverd en op zodanige wijze aan een onroerend goed aangebracht dat het onroerend uit zijn aard wordt. Bijvoorbeeld:

• de levering met plaatsing van deuren, ramen en trappen

• het ingraven van een reservoir

• het leveren en plaatsen van scheidswanden in een woning

• het leveren en plaatsen van hang- en sluitwerk in gebouwen (sloten, spanjoletten, handvatten voor deuren en ramen, brievenbussen, enzovoort)

• het leveren en plaatsen van een trapleuning, balustrades

• het leveren en plaatsen van lichtreclames evenals al dan niet verlichte reclamepanelen, wanneer ze een constructie vormen die op palen of een voetstuk ingelijfd is in de grond. Daarentegen is de levering met plaatsing van lichtreclames of voornoemde panelen die worden aangehecht aan een gebouw of geplaatst op het dak van een gebouw, een levering met installatie of montage. Hetzelfde geldt wanneer de installateur bij deze plaatsing een elektrische bedrading legt die de lichtreclame verbindt met de zekeringskast van het gebouw (beslissing nr. E.T. 71.428 van 27.12.1993)

• de levering met plaatsing door inlijving in de grond van een op een metalen of houten pyloon of pijler geplaatste radio- of televisieantenne, alsmede voor de gemeenschappelijke antennes met versterker en verschillende contactdozen, die bestemd zijn om een onbepaald aantal ontvangtoestellen te bedienen en die in een gebouw of in de grond zijn ingelijfd (schriftelijke parlementaire vraag nr. 114 van de heer Senator Maurits Coppieters van 18.09.1979)

• de levering van stortklaar beton :

o in de bekisting van een bouwwerk of dat op een andere wijze in een onroerend goed wordt ingelijfd (schriftelijke parlementaire vraag nr. 63 van de heer Senator Maurits Coppieters van 11.07.1979)

o met rechtstreekse inbreng in de fundering van een gebouw in oprichting door middel van een vrachtwagen uitgerust met een betonpomp (parlementaire vraag nr. 2218 van de heer Servais Verherstraeten van 26.04.2018)

o met tussenkomst van een onderaannemer, in de omstandigheden hieronder beschreven, bijvoorbeeld, in het geval van een terbeschikkingstelling van een betonpomp met operator (parlementaire vraag nr. 2523 van de heer Servais Verherstraeten van 31.01.2019).

c. Met werk in onroerende staat gelijkgestelde handelingen

Handelingen bestaande uit de levering van een roerend goed dat niet wordt ingelijfd in een uit zijn aard onroerend goed maar eenvoudig aan laatstgenoemd wordt vastgehecht, zijn in principe niet beoogd.

In limitatieve lijsten, die de werkingssfeer bepalen voor:

• de toepassing van de verlegging van heffing voorzien in artikel 20, § 1, van voornoemd koninklijk besluit nr. 1

• de toepassing van het btw-tarief van 6% (bijlage bij het koninklijk besluit nr. 20, voornoemd, tabel A, rubrieken XXXI, § 3, 3° tot 6°, XXXII, § 1, eerste lid, XXXIII, § 1, XXXVI, § 1, 2°, XXXVII, eerste lid, XXXVIII, § 3, 3° tot 6° en XL, 3°)

• de toepassing van het btw-tarief van 12% (bijlage bij het koninklijk besluit nr. 20, voornoemd, tabel B, rubrieken X, § 1, B) en XI, § 2)

worden, voor zover ze geen werk in onroerende staat zijn, met dergelijke werken gelijkgesteld, de handelingen die tot voorwerp hebben zowel de levering als de aanhechting aan een gebouw:

• van de bestanddelen of een gedeelte van de bestanddelen van een installatie voor centrale verwarming of airconditioning, daaronder begrepen de branders, de reservoirs en de regel- en controletoestellen verbonden aan de ketel of aan de radiatoren

Zijn bijvoorbeeld bedoeld, de levering met plaatsing:

o van thermische en fotovoltaïsche zonnepanelen speciaal ontworpen voor de productie van warmte-energie en/of elektriciteit (beslissing nr. E.T. 113.873 van 19.02.2008)

o onder bepaalde voorwaarden, van kachels, radiators of individuele convectors op elektriciteit (Info van 18.08.2011, inzake de toepassing van een verlaagde btw-tarief)

• van de bestanddelen of een gedeelte van de bestanddelen van een sanitaire installatie van een gebouw en, meer algemeen, van al de vaste toestellen voor sanitair of hygiënisch gebruik aangesloten op een waterleiding of een riool

Zie ook de beslissing nr. E.T. 113.109 van 04.09.2009, inzake de toepassing van de verlaagde btw-tarieven van 6% of 12%, op de levering met aanhechting aan een gebouw van een douchecabine met beperkte capaciteit (voor één of twee personen) die uitgerust is met een stoomunit en/of ‘waterjets’ voor zover deze cabine geen deel uitmaakt van een installatie die uitgesloten is van het verlaagd tarief

• van de bestanddelen of een gedeelte van de bestanddelen van een elektrische installatie van een gebouw, met inbegrip van zonnepanelen (zie eerste bullet hiervoor) maar met uitzondering van toestellen voor de verlichting en van lampen

• van de bestanddelen of een gedeelte van de bestanddelen van een elektrische belinstallatie, van brandalarmtoestellen, van alarmtoestellen tegen diefstal en van een huistelefoon

• van opbergkasten, gootstenen, gootsteenkasten en meubels met ingebouwde gootsteen, wastafels en meubels met ingebouwde wasbak, zuigkappen, ventilators en luchtverversers waarmee een keuken of een badkamer is uitgerust evenals de opbergkasten die definitief ingelijfd zijn in daartoe speciaal voorziene volumes in een gebouw.

Zijn evenwel niet bedoeld de handeling bestaande uit de levering met plaatsing van een koelkast, een diepvriezer, een fornuis, een gas- of elektrisch fornuis, een elektrische oven, een vaatwasmachine, een wasmachine, een droogkast, enzovoort.

Naast deze opsomming, kan er inzake recht op aftrek ook worden verwezen naar de beslissing nr. E.T. 125.655 van 13.03.2014.

Deze beslissing staat het recht op aftrek toe van de btw geheven van de levering van elektrische huishoudapparaten die blijvend aangehecht zijn aan het gebouw (inbouwapparatuur geïntegreerd in het keukenmeubilair) voor zover deze apparatuur door belastingplichtigen beoogd door artikel 4, § 1 of artikel 8 (toevallige belastingplichtige) van het Btw-Wetboek, samen met een nieuw gebouw onder het btw-stelsel wordt overgedragen en voor zover de waarde van deze apparatuur begrepen wordt in de maatstaf van heffing. De blijvende aanhechting van de apparatuur aan het gebouw kan verricht zijn door de verkoper van de apparatuur, een belastingplichtige onderneming of de eigenaar van het gebouw.

• van luiken, rolluiken en rolgordijnen die aan de buitenkant van het gebouw worden geplaatst.

Wordt ook met een werk in onroerende staat gelijkgesteld:

• iedere handeling die tot voorwerp heeft zowel de levering van wandbekleding of vloerbekleding of -bedekking als de plaatsing ervan in een gebouw ongeacht of die bekleding of bedekking aan het gebouw wordt vastgehecht of eenvoudig ter plaatse op maat gesneden volgens de afmetingen van de te bedekken oppervlakte. Bijvoorbeeld het plaatsen van behangpapier of een andere wandbekleding, iedere vloerbekleding, ongeacht of deze wordt vastgehecht, gekleefd of op maat wordt gesneden volgens de afmetingen van de te bekleden oppervlakte evenals alle nodige materialen voor deze plaatsing (lijm, kalk … )

• ieder werk bestaande uit het aanhechten, het plaatsen, het herstellen, het onderhouden, en het reinigen van goederen beoogd in artikel 20, § 2, van voornoemd koninklijk besluit nr. 1

In dit verband wordt opgemerkt dat:

o reinigingswerken uitgesloten van de toepassing van de verlaagde btw-tarieven

o de verlegging van heffing is, onder de voorwaarden van artikel 20 van voornoemd koninklijk besluit nr. 1, bijvoorbeeld, van toepassing op de reiniging en het onderhoud van een installatie voor centrale verwarming met inbegrip van het schoorsteenvegen, de ontstopping van de leidingen van een sanitaire installatie door een loodgieter.

• de terbeschikkingstelling van personeel met het oog op het verrichten van een werk in onroerende staat of een ermee gelijkgestelde handeling.

D. Intellectuele werken

Evenals de materiële werken, zijn de intellectuele werken die worden beoogd door artikel 18, § 1, tweede lid, 1°, van het Btw-Wetboek, zeer divers. Deze wettelijke bepaling reikt immers tot alle intellectuele werkzaamheden, ongeacht hun aard.

Zijn, onder andere, beoogd:

• diensten betreffende de organisatie, het beheer/de leiding van ondernemingen (beslissing nr. E.T. 29.272 van 02.08.1978)

• diensten inzake boekhouding, studies, controle, expertise, evaluatie en onthaal

• diensten van architecten, landmeters en ingenieurs (aanschrijving nr. 50/1971 van 02.04.1971)

• analyse- of studiediensten die verder gaan dan het expertisewerk en deel uitmaken van een breder kader dan dat van een specifiek goed, bijvoorbeeld, de analyse van farmaceutische producten of andere met een overwegend intellectueel karakter (circulaire 2019/C/97 van 27.09.2019 betreffende diensten in een intracommunautaire context die een materieel werk (waaronder het maakloonwerk) of een expertise met betrekking tot een lichamelijk roerend goed tot voorwerp hebben (beslissing nr. E.T. 127.645/2), nummer 7)

Met betrekking tot de plaatsbepaling van diensten is het onderscheid tussen werkzaamheden van intellectuele aard en de expertisewerkzaamheden die per definitie bestaan uit het taxeren of waarderen van een goed of een zaak van belang, bijvoorbeeld, het beoordelen van de schade die een goed heeft geleden (zie Afdeling 8, titel 4, rubriek E, van dit Hoofdstuk).

• adviesverlening inzake octrooien, inzake vastgoed, juridisch advies (beslissing nr. T. 1.911 van 17.12.1970) en andere

• diensten welke bestaan in het vertalen, het verbeteren of het schrijven van allerlei teksten, alsmede de diensten verstrekt door tolken (beslissing nr. E.T. 28.456 van 14.07.1978)

Zijn evenwel van de btw vrijgesteld, de diensten:

o van gebarentolken en sociaal tolken en sociaal vertalers wanneer deze, gelet op de omstandigheden waarin de diensten worden verricht, fundamenteel de aard verkrijgen van diensten voor gezinshulp (artikel 44, § 2, 2°, tweede lid, derde streepje, van het Btw-Wetboek)

o van simultaan vertalen verstrekt aan organisatoren van voordrachten (artikel 44, § 2, 8°, van het Btw-Wetboek).

E. Handelingen van makelaars

a. Hoofdhandeling

Er moet geen onderscheid gemaakt worden naargelang de makelaar (9) tussenkomt bij

een belastbare handeling, effectief belast of vrijgesteld (bijvoorbeeld bij de levering of een onroerende verhuur van een woning die van de btw is vrijgesteld op grond van artikel 44, § 3, 1° of 2°, van het Btw-Wetboek), dan wel bij een niet belastbare handeling (circulaire AOIF nr. 16/2010 (nr. E.T. 117.880) van 25.02.2010, randnummer 6).

(9) De makelaar is de tussenpersoon die door zijn opdrachtgever belast wordt om hem in het kader van een zakelijke transactie in contact te brengen met mogelijke medecontractanten (kopers/verkopers). In tegenstelling tot een lasthebber verricht een makelaar geen enkele rechtshandeling in naam en voor rekening van zijn opdrachtgever.

Worden hier bijvoorbeeld bedoeld: diensten van een goederenmakelaar, reclamemakelaar of vastgoedmakelaar. Een belastingplichtige die belast wordt met een eenvoudige zoektocht die erin bestaat kandidaat-kopers in contact te brengen met de eigenaar van een onroerend goed, wordt namelijk als een (vastgoed)makelaar aangemerkt.

b. Overdracht van een optierecht op een goed

Degene aan wie op een geregelde manier koopopties op onroerende goederen worden verleend, die hij in de regel niet zelf licht, handelt in werkelijkheid als makelaar bij de verkoop van onroerende goederen (beslissing nr. E.T. 23.051 van 05.07.1976).

Sinds de invoering van een algemene definitie van het begrip ‘diensten’ op 01.01.1993 (artikel 18, § 1, eerste lid, van het Btw-Wetboek), wordt de overdracht van een aankoopoptie op een roerend of onroerend goed als een dienst beschouwd. Wanneer die overdracht onder bezwarende titel plaatsvindt en verricht wordt door een belastingplichtige in het kader van zijn economische activiteit, is deze aan de btw onderworpen. Geen enkele btw-vrijstelling is voorzien, zelfs niet indien de optie betrekking heeft op een uit zijn aard onroerend goed (schriftelijke parlementaire vraag nr. 441 van de heer Volksvertegenwoordiger Richard Fournaux van 27.07.2004).

c. Uitsluiting van de commissionair

De makelaar die met een commissionair wordt gelijkgesteld ingevolge artikel 13, § 2, van het Btw-Wetboek, verricht geen makelaarsdienst maar wordt een koper-verkoper (artikel 13, § 1, van het Btw-Wetboek) of afnemer-dienstverrichter, bijvoorbeeld, een opdrachtgever enerzijds en een vervoerder anderzijds (artikel 20, § 1, van het Btw-Wetboek).

d. Van de btw vrijgestelde makelaarsdiensten

Zijn onder andere van de btw vrijgesteld, de prestatie van makelaars :

• die tussenkomen bij een handeling die plaatsvindt buiten de Gemeenschap of van de btw vrijgesteld is, met name ingevolge uitvoer (artikel 41, § 2, van het Btw-Wetboek, zie ‘Boekwerk II : Bepaling van de belastbare basis en het toepasselijke tarief – Hoofdstuk 8 : Vrijstellingen voor uitvoer, intracommunautaire leveringen en verwervingen, invoer en internationaal vervoer, Afdeling 6, titel 4’)

• inzake verzekeringen (artikel 44, § 3, 4°, van het Btw-Wetboek, zie ‘Boekwerk II : Bepaling van de belastbare basis en het toepasselijke tarief – Hoofdstuk 9 : Vrijstellingen beoogd door artikel 44 van het Btw-Wetboek, Afdeling 25’)

• inzake kredieten (artikel 44, § 3, 5°, van het Btw-Wetboek, zie ‘Boekwerk II : Bepaling van de belastbare basis en het toepasselijke tarief – Hoofdstuk 9 : Vrijstellingen beoogd door artikel 44 van het Btw-Wetboek, Afdeling 26’).

F. Het vervoer van personen of goederen

a. Voorwerp en aard van het contract

Een vervoerdienst (10) omvat niet enkel de overeenkomst die wordt gesloten met iemand die zelf het vervoer verricht, doch ook de overeenkomst die wordt gesloten met iemand die het vervoer geheel of gedeeltelijk doet verrichten door een of meer andere personen.

(10) Het voorwerp van het vervoer is het overbrengen van goederen of personen vanuit een bepaalde plaats naar een andere bepaalde plaats. Het vervoermiddel dat daarbij wordt gebruikt, heeft geen belang.

Ter herinnering, de vrijstellingsregeling voor kleine ondernemingen kan worden toegepast binnen de grenzen bepaald door artikel 56bis van het Btw-Wetboek en het koninklijk besluit nr. 19, voornoemd.

Er wordt aangenomen dat de verstrekte dienst voor het geheel als een personenvervoer kwalificeert (waarvan de aard niet wordt gewijzigd) in de volgende gevallen:

• het vervoer van niet geregistreerde bagage en van dieren welke de reiziger vergezellen

• wanneer de vervoerder zelf, zonder meerprijs, voeding en logies verschaft aan de reizigers, aan boord van het voertuig waarmede deze zich verplaatsen. Een uitzondering wordt echter gemaakt voor cruises

• wanneer de bestuurder van het voertuig aan de reizigers uitleg verschaft over de bezienswaardigheden onderweg. Hetzelfde geldt wanneer die uitleg wordt verschaft door een bijrijder of door een gids (aanschrijving nr. 33/1978 van 08.11.1978, randnummer 18).

b. Onderscheid tussen vervoerdienst en verhuur van vervoermiddelen

Er is een verschil tussen een contract inzake een vervoerdienst en een contract met betrekking tot de verhuur van een vervoermiddel.

Het fundamentele onderscheid tussen een vervoerdienst en de verhuur van een vervoermiddel is het volgende: een vervoerdienst bestaat uit de ter beschikkingstelling van een vervoermiddel (auto, boot … ) met bestuurder of bemanning. De verhuur bestaat daarentegen uit de terbeschikkingstelling van een transportmiddel zonder bestuurder of bemanning.

Zelfs wanneer degene die het vervoermiddel met de bestuurder of bemanning ter beschikking stelt, de lonen van die bestuurder of bemanning afzonderlijk factureert aan de huurder betwist de administratie de interpretatie niet volgens welke de gesloten overeenkomst voor het geheel betrekking heeft op een vervoerdienst (aanschrijving nr. 33/1978 van 08.11.1978, randnummer 19).

Dit onderscheid is van belang voor:

• de bepaling van de plaats van de handeling (bijvoorbeeld: een personenvervoerdienst vindt plaats waar het vervoer wordt verricht, zulks naar verhouding van de afgelegde afstanden terwijl de verhuur op korte termijn van een vervoermiddel plaatsvindt daar waar het vervoermiddel daadwerkelijk ter beschikking van de ontvanger wordt gesteld)

• het toe te passen btw-tarief (6% voor het personenvervoer: zie rubriek XXV van tabel A van de bijlage bij het koninklijk besluit nr. 20, voornoemd)

• de eventuele toepassing van een btw-vrijstelling (zie subrubriek e, van deze rubriek).

c. Bijkomende diensten bij vervoer

Het eigenlijke vervoer gaat vaak gepaard met diensten van zeer diverse aard, die nauw met het vervoer verbonden zijn. Dit zijn de materiële bijkomende diensten bij vervoer zoals het slepen, het laden, het lossen, het stouwen en verstouwen, het behandelen, het opbergen en bewaren van roerende goederen.

d. Toepassingsgevallen

Worden onder andere als vervoerdiensten aangemerkt:

• het ter beschikking stellen van een vervoermiddel samen met een of meer personeelsleden die met de bediening ervan zijn belast, zoals bijvoorbeeld het ter beschikking stellen van een boot of een schip met kapitein en bemanning (tijdbevrachting of reisbevrachting genoemd, in het Engels respectievelijk ‘time charter party’ en ‘voyage charter party)’ en het ter beschikking stellen van een auto met bestuurder

• het slepen van vervoermiddelen, wanneer het voorttrekken en de besturing door dezelfde persoon wordt verzorgd

• diensten met betrekking tot het overbrengen van gas, aardolie of andere vloeistoffen door middel van buizen of pijpleidingen (schriftelijke parlementaire vraag nr. 182 van de heer Volksvertegenwoordiger Louis Michel van 07.12.1995).

e. Vrijgestelde vervoersdiensten

Zijn van de belasting vrijgesteld:

• het zeevervoer van personen en het internationale luchtvervoer van personen evenals het vervoer van door reizigers begeleide bagage en auto’s bij voornoemd vervoer (artikel 41, § 1, eerste lid, 1°, van het Btw-Wetboek, zie ‘Boekwerk II : Bepaling van de belastbare basis en het toepasselijke tarief – Hoofdstuk 8 : Vrijstellingen voor uitvoer, intracommunautaire leveringen en verwervingen, invoer en internationaal vervoer, Afdeling 6, titel 2’)

• het internationale goederenvervoer (artikel 41, § 1, eerste lid, 2° tot 5°, van het Btw-Wetboek) en het intracommunautaire goederenvervoer beoogd door artikel 41, § 1, eerste lid, 6°, van het Btw-Wetboek (zie ‘Boekwerk II : Bepaling van de belastbare basis en het toepasselijke tarief – Hoofdstuk 8 : Vrijstellingen voor uitvoer, intracommunautaire leveringen en verwervingen, invoer en internationaal vervoer, Afdeling 6, titel 3’ en circulaire 2021/C/96 van 27.10.2021 betreffende de btw-vrijstelling voor vervoerdiensten die rechtstreeks verband houden met een uitvoer van goederen (nr. E.T. 132.341/3), bijgewerkt door de circulaire 2021/C/101 van 22.11.2021, de circulaire 2022/C/26 van 15.03.2022 en de circulaire 2022/C/72 van 19.07.2022 waardoor de inwerkingtreding van de circulaire 2021/C/96 van 27.10.2021 wordt opgeschort. Deze circulaire bevat het nieuwe administratieve standpunt naar aanleiding van het Arrest ‘L.C.’IK van het Hof van Justitie van de Europese Unie, zaak C-288/16, van 29.06.2017 van toepassing vanaf 01.04.2022)

• het vervoer van zieken of gewonden met speciaal daartoe uitgeruste vervoermiddelen (artikel 44, § 2, 1°, b), van het Btw-Wetboek, circulaire 2020/C/66 van 11.05.2020 betreffende het vrijgesteld vervoer van bepaalde categorieën van personen (nr. E.T. 129.928/2))

• het vervoer van personen met verminderde mobiliteit (zieken, gewonden, invaliden) door instellingen die door de bevoegde overheid als instellingen van sociale aard erkend zijn (artikel 44, § 2, 2°, van het Btw-Wetboek) (zie circulaire AAFisc 2020/C/66 (nr. E.T.129.928/2) van 11.05.2020).

G. Reclamediensten

a. Voorwerp van de handeling

Overeenkomstig de Europese rechtspraak omvat het begrip ‘reclame’ de verspreiding van een boodschap die tot doel heeft de consument over het bestaan en de kwaliteit van een product of dienst te informeren teneinde de verkoop ervan te bevorderen.

Hoewel de verspreiding van die boodschap gewoonlijk mondeling, schriftelijk en/of door middel van illustraties door de pers, de radio en/of de televisie kan plaatsvinden, kan zij eveneens geheel of gedeeltelijk door andere middelen geschieden.

Vallen onder het begrip ‘reclame’: een promotiecampagne zoals de verkoop van handelswaren tegen gereduceerd tarief of het gratis uitdelen ervan aan de consumenten, de organisatie van een cocktailparty, een persconferentie, seminarie, recreatieve bijeenkomst of andere ‘public relations’-manifestaties, waarbij reclamediensten worden verricht. Het is van geen belang of deze goederen en diensten, afzonderlijk beschouwd, de overdracht van een reclameboodschap inhouden.

Hetzelfde geldt voor elke verrichting die een onlosmakelijk deel is van een reclamecampagne en die uit dien hoofde bijdraagt tot het doorgeven van een reclameboodschap. Dit is het geval voor de vervaardiging van middelen die voor een bepaalde reclame worden gebruikt. (Hof van Justitie van de Europese Unie, Arresten Commissie tegen Frankrijk, zaak C-68/92, punten 18 en 19, Commissie tegen Luxemburg, zaak C-69/92, punten 19 en 20, Commissie tegen Spanje, zaak C-73/92, punten 14 en 16, van 17.11.1993).

Wordt aanzien als een reclamedienst, het verlenen van een dienst bestaande in het ontwerpen en de tijdelijke terbeschikkingstelling en, in voorkomend geval, het vervoer en de opbouw van een beurs- of expositiestand ontworpen of gebruikt voor publicitaire doeleinden (Hof van Justitie van de Europese Unie, Arrest Inter-Mark, zaak C-530/09, van 27.10.2011, punten 20 tot 33, met betrekking tot de plaatsbepaling van diensten, zie rubriek H, van deze titel).

Het is niet van belang of de reclamedienst rechtstreeks aan de adverteerder wordt gefactureerd dan wel aan een derde die ze aan de adverteerder doorfactureert (Hof van Justitie van de Europese Unie, Arrest Syndicat des producteurs indépendants (SPI), zaak C-108/00, punt 22).

De administratie heeft dezelfde definitie aangenomen van het begrip ‘reclamedienst’. Ze is van oordeel dat volgende handelingen door dat begrip worden beoogd: de diensten die tot doel hebben een commerciële of industriële onderneming of product bekend te maken en, meer algemeen, alle diensten die ertoe strekken het publiek te informeren met behulp van diverse reclamemiddelen: kranten, folders, affiches, radio, televisie, internet, projectie van cinematografische films, enzovoort.

Het doorgeven van een reclameboodschap kan ook, geheel of gedeeltelijk, door andere middelen gebeuren, zoals de terbeschikkingstelling van een ruimte voor het aanbrengen van reclame of reclameborden. Zonder onderscheid naargelang de ter beschikking gestelde ruimte voor het aanbrengen van reclame of van een reclamebord betrekking heeft op een lichamelijk roerend of onroerend goed dan wel de plaats voor het aanbrengen van die reclame bepaald of onbepaald is, wordt die terbeschikkingstelling als een dienst inzake reclame aangemerkt. Deze dienst maakt, in principe, de btw opeisbaar indien deze verricht wordt door een persoon die handelt onder de voorwaarden van de artikelen 2, eerste lid, en 4, § 1, van het Btw-Wetboek (beslissing nr. E.T. 77.024 van 10.05.1999).

Wanneer deze terbeschikkingstellingen evenwel worden verricht door een particulier (niet-belastingplichtige) met betrekking tot een bepaalde oppervlakte van zijn privéwoning, die hij normaal niet op een actieve wijze (oprichting of aanpassing van zijn woning, het zoeken van huurders via advertenties, enzovoort) heeft bestemd voor bedoelde handelingen, wordt bij wijze van tolerantie zijn btw-identificatie niet geëist. Derhalve is in dit geval de btw niet verschuldigd (beslissing nr. E.T. 104.989 van 28.03.2006).

b. Toepassingsgevallen

Volgende handelingen zijn aan te merken als reclamediensten:

• het aanbrengen van publiciteit (verf van een bepaalde kleur, de benaming of de firmanaam van een onderneming of van reclameteksten) op een autovoertuig (beslissing nr. E.T. 129.852 van 15.06.2016)

• het ontwerpen van een reclameaanplakbiljet zonder dat aanplakbiljet zelf te drukken en, meer algemeen, zonder aan de afnemer andere diensten te verlenen (beslissing nr. E.T. 31.009 van 07.05.1979)

• het door een vzw vermelden van een logo of naam van een sponsor op haar briefpapier, in een programmaboekje, in een tijdschrift, op T-shirts van de leden van de vzw, op lidkaarten, enzovoort, met de bedoeling de betreffende onderneming naambekendheid te geven (schriftelijke parlementaire vraag nr. 1.095 van de heer Volksvertegenwoordiger Yves Leterme van 26.08.2002)

• het aanbieden door een gemeente van advertentieruimte op straatnaamborden, in het gemeentelijk infoblad, enzovoort (circulaire 2017/C/91 van 22.12.2017 betreffende praktische toepassingsgevallen inzake de belastingplicht van publiekrechtelijke lichamen (E.T. 130.932), randnummer II, 1).

H. Organisatie van een beurs, een tentoonstelling of een dergelijke manifestatie

a. Globale dienst

De organisator van een beurs, tentoonstelling of een dergelijke manifestatie kan, zoals dikwijls het geval is, in het kader van een enkele overeenkomst:

• aan de deelnemers (inzenders) een gesloten ruimte of een plaats in open lucht ter beschikking stellen (een standplaats) tezamen met handelingen die er nauw mee samenhangen (elektriciteit, water, verwarming, airconditioning, verlichting en schoonmaak)

• en andere handelingen verrichten zoals het ontwerpen van de stand, het vervoer en de opslag van artikelen, de terbeschikkingstelling van machines en materialen voor de opbouw van de stand, het leggen van kabels, verzekering en reclame.

De organisator van de beurs, tentoonstelling of dergelijke manifestatie verricht dan voor het geheel een globale dienst (artikel 18, § 1, eerste lid, van het Btw-Wetboek, aanschrijving nr. 15 van 12.05.1978, nummer 3).

Navolgende handelingen maken in de regel geen deel uit van de globale dienst, zelfs niet indien ze worden verstrekt door de organisator van de beurs, de tentoonstelling of dergelijke manifestatie:

• de levering van goederen bestemd om te worden verkocht tijdens de beurs

• de levering van bedrijfsmiddelen

• het verschaffen van goederen en diensten beoogd in artikel 45, § 3, van het Btw-Wetboek (bijvoorbeeld: de verkoop van tabakswaren, kosten van logies, spijzen en dranken in omstandigheden voor verbruik ter plaatse)

• het verschaffen van goederen en diensten in verband met het vermaak van de inzenders (bijvoorbeeld: toeristische uitstappen, voorstellingen, en dergelijke).

Deze handelingen volgen hun eigen btw-regels naargelang de aard van de individuele handeling wat, onder andere, de plaats- en tariefbepaling betreft.

Naast de elementen die verplicht uitgesloten worden van de globale dienst, bekritiseert de administratie de interpretatie niet volgens dewelke de facturatie van afzonderlijke prijzen voor bepaalde handelingen haar oorzaak vindt in het bestaan van meerdere contracten (aanschrijving nr. 15/1978 van 12.05.1978, randnummers 3 tot en met 8).

b. Onroerende verhuur

Indien de organisator van de beurs of tentoonstelling zich beperkt tot het ter beschikking stellen van de inzenders van een gesloten ruimte of een plaats in open lucht, en eventueel enkel handelingen verstrekt die er nauw mee samenhangen (elektriciteit, water, verwarming, airconditioning, verlichting en schoonmaak …), verricht hij een onroerende verhuur in de zin van artikel 18, § 1, tweede lid 4°, van het Btw-Wetboek en in principe vrijgesteld van de btw volgens artikel 44, § 3, 2° van het Btw-Wetboek.

Bij wijze van uitzondering op deze vrijstelling is sinds 01.01.2019 de verhuur aan om het even wie op korte termijn voor een periode van niet meer dan 6 maanden, verplicht onderworpen aan de belasting, behalve:

• aan een organisatie zonder winstoogmerk

• of aan een natuurlijk persoon die het aanwendt voor privédoeleinden of doeleinden vreemd aan zijn economische activiteit

• of aan een persoon die de ruimte aanwendt voor handelingen bedoeld in artikel 44, § 2, van het Btw-Wetboek (artikel 44, § 3, 2°, a), zevende streepje, van het Btw-Wetboek, circulaire 2019/C/25 van 21.03.2019 betreffende de wet van 14.10.2018 tot wijziging van het Btw-Wetboek op het vlak van onroerende verhuur – FAQ (beslissing nr. E.T. 134.229), nummer III, vragen 11 en 12).

c. Andere kwalificaties

De administratie volgt het standpunt van het Hof van Justitie van de Europese Unie waarin het Hof voor recht zegt dat een dienst die bestaat in de uitwerking, de tijdelijke terbeschikkingstelling en, in voorkomend geval, het vervoer en de montage van een beurs- of expositiestand, voor klanten die hun producten of diensten voorstellen op beurzen en exposities kan aangemerkt worden als:

• een dienst inzake reclame wanneer de stand wordt ontworpen of gebruikt voor reclamedoeleinden

• een dienst die verband houdt met een culturele, artistieke, sportieve, wetenschappelijke of soortgelijke activiteit wanneer de stand wordt uitgewerkt of ter beschikking gesteld voor een bepaalde beurs of expositie in verband met een van die thema’s of wanneer de stand beantwoordt aan een model waarvan de organisator van een bepaalde beurs of expositie de vorm, afmetingen, materiële opbouw of het visuele aspect vastgelegd heeft

• de verhuur van roerende goederen in de zin van artikel 18, § 1, tweede lid, 4°, van het Btw-Wetboek, wanneer de tijdelijke terbeschikkingstelling van materiële bestanddelen van een stand tegen vergoeding een doorslaggevend element van die dienst vormt (Hof van Justitie van de Europese Unie, Arrest Inter-Mark, zaak C-530/09, van 27.10.2011, punten 20 tot en met 33, inzake de plaatsbepaling van diensten).

I. Andere beoogde diensten

a. Persoonsverzorging

Onder de diensten inzake persoonsverzorging verstaat men, onder andere, de diensten van een kapper, manicure of pedicure, schoonheidsspecialiste.

Zijn eveneens beoogd, het geheel van diensten verstrekt door:

• schoonheidsinstituten of dergelijke inrichtingen, met inbegrip van massages, verjongingskuren (schoonheidsmaskers, enzovoort), zonnebanken (zelfs automatisch)

• exploitanten van sauna-inrichtingen, met inbegrip van relaxatieoefeningen en andere zorgen die bijkomstig zijn aan een sauna (zie, inzake tarieven, beslissing nr. E.T. 126.122 van 26.08.2014).

De dienst strekt zich eveneens uit tot het verstrekken van producten die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de dienst (shampoo, lotions, haarlak, haarkleuring, schoonheidsproducten…). De verkoop van producten aan zijn klanten door een belastingplichtige die de persoonsverzorging verstrekt, maakt daarentegen het voorwerp uit van een levering van goederen in de zin van artikel 10, § 1, van het Btw-Wetboek.

b. Stallen en verzorgen van dieren

Wanneer een persoon zich tegen betaling tegenover één of meerdere eigenaars van paarden verbindt om die paarden te stallen en te verzorgen, worden deze handelingen voor het geheel aangemerkt als een dienst bedoeld in artikel 18, § 1, tweede lid, 1°, van het Btw-Wetboek, zelfs indien twee afzonderlijke overeenkomsten worden gesloten. Gelet op hun samenhang, vormen beide overeenkomsten immers één geheel dat leidt tot een globale dienstverrichting die, meer bepaald wegens het onafscheidelijk karakter van zijn elementen, niet kan worden vrijgesteld door artikel 44, § 3, 2° van het Btw-Wetboek.

Wanneer daarentegen een eigenaar van paarden overeenkomsten sluit met twee verschillende dienstverrichters, waarbij de ene instaat voor het stallen en de andere voor de verzorging, volgt elke handeling zijn eigen regeling.

In dat geval is de verzorging van de paarden bedoeld in voornoemd artikel 18, § 1, eerste lid, en tweede lid, 1°, van het Btw-Wetboek terwijl het stallen van de dieren bedoeld is in artikel 18, § 1, eerste lid, van het Btw-Wetboek.

Die handelingen zijn allebei onderworpen aan de btw volgens de gewone regels. De vrijstelling van artikel 44, § 3, 2°, van het Btw-Wetboek – die, zoals alle andere vrijstellingen, strikt moet worden toegepast aangezien deze een uitzondering zijn op het principe van de taxatie - is niet van toepassing ten aanzien van de terbeschikkingstelling van de boxen gelet op de omstandigheden waarin het stallen van de paarden gewoonlijk gebeurt (beslissing nr. E.T. 100.722 van 22.10.2001). Deze beslissing geldt mutatis mutandis voor andere dieren.

c. Dierenkerkhof

De handeling waarbij een natuurlijke persoon of een rechtspersoon zich tegenover de eigenaars van dieren verbindt om hen een plaats op een dierenkerkhof ter beschikking te stellen, om de dieren aldaar te begraven, om een zerk te leveren en te plaatsen, om de begraafplaats en de directe omgeving ervan te onderhouden, enzovoort, wordt voor het geheel aangemerkt als een dienst als bedoeld in artikel 18, § 1, tweede lid, 1°, van het Btw-Wetboek, en is onderworpen aan de belasting zelfs indien er afzonderlijke prijzen worden bepaald.

Indien daarentegen zou blijken dat het gaat om een gewone concessieovereenkomst zonder bijkomende dienstprestaties, wordt deze handeling aangemerkt als een onroerende verhuur die in principe overeenkomstig artikel 44, § 3, 2°, van het Btw-Wetboek is vrijgesteld van de belasting (beslissing nr. E.T. 52.022 van 09.02.1999).

d. Weghalen van vuilnis, afval of puin - Afbraak van gebouwen

Iemand die zich verbindt tot een prestatie bestaande in het opruimen of het weghalen van vuilnis, afval, puin of in het afbreken van een gebouw - terwijl de medecontractant hem de eigendom afstaat van de opgeruimde of weggehaalde stoffen of van de afbraakmaterialen - verstrekt een dienst in de zin van artikel 18, § 1, tweede lid, 1°, van het Btw-Wetboek. Dit is ook zo indien de persoon die de prestatie verricht al dan niet een vergoeding krijgt van zijn medecontractant (aanschrijving nr. 3/1972 van 07.01.1972).

Zijn eveneens door voornoemde bepaling beoogd:

• de diensten verricht door uitbaters van stortplaatsen met het oog op het behandelen van afvalstoffen (beslissing nr. E.T. 42.305 van 14.02.1986)

• de overeenkomst waarbij een gemeentebestuur opdracht geeft aan een privéonderneming om het huisvuil op te halen (beslissing nr. T. 5.737 van 14.06.1971).

e. Periodieke markten voor tweedehandse voertuigen

De organisatie van een periodieke markt voor tweedehandse voertuigen - waarbij zowel aan kandidaat- beroepsverkopers als aan gelegenheidsverkopers gedurende een hele of een halve dag willekeurige standplaatsen ter beschikking worden gesteld om een personenwagen te koop te stellen en waarbij bijkomende diensten worden verleend zoals het voeren van reclame voor die manifestatie, het leveren van de op de wagens aan te brengen affiches, het reinigen van de standplaatsen, enzovoort, wordt voor het geheel aangemerkt als een dienst bedoeld in artikel 18, § 1, tweede lid, 1°, van het Btw-Wetboek (beslissing nr. E.T. 73.144 van 31.03.1992).

f. Begrafenisonderneming

Wanneer een begrafenisonderneming de volledige organisatie van een begrafenis op zich neemt, verricht ze voor het geheel een dienst als beoogd door artikel 18, § 1, tweede lid, 1°, van het Btw-Wetboek. Ze verstrekt een geheel aan goederen en diensten die gewoonlijk bestaan uit:

• de voorbereiding van het lichaam

• de versiering of de terbeschikkingstelling van een rouwkamer

• het plaatsen van berichten in kranten

• het vervoer of de repatriëring van het lichaam van de overledene

• de organisatie van de begrafenisstoet

• de dienst van de dragers

• het luiden van de doodsklok en het verzorgen van de muziek voor de begrafenisdienst

• het ter aarde bestellen of de crematie

• het drukken van de overlijdensberichten

• de levering van de doodskist of een urne, grafzerk, bloemen, kransen of diverse andere begrafenisartikelen (beslissing nr. E.T. 110.001 van 14.09.2005).

[Top]

2. De terbeschikkingstelling van personeel (artikel 18, § 1, tweede lid, 2°, van het Btw-Wetboek)

A. Voorwerp en aard van het contract

De memorie van Toelichting verduidelijkt de draagwijdte van artikel 18, § 1, tweede lid, 2°, van het Btw-Wetboek in volgende bewoordingen: ‘Het is niet ongebruikelijk dat iemand zijn werklieden of bedienden tijdelijk tegen vergoeding ter beschikking stelt van iemand anders onder diens gezag, leiding of toezicht, om werkzaamheden te verrichten. Voor dergelijke handeling dient dezelfde regeling als voor de werkaannemingscontracten te gelden’ (memorie van toelichting van de wet van 03.07.1969 bij de totstandkoming van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, Kamer, Doc 1968/88/1, pagina 26).

De aard van het werk - roerend of onroerend - is zonder belang, maar de terbeschikkingstelling moet betrekking hebben op de diensten van personen die gebonden zijn door een arbeids- of bediendencontract en de ter beschikking gestelde personeelsleden moeten werken onder de leiding van de persoon tot wiens beschikking ze werden gesteld.

In het kader van de plaatsbepaling van diensten heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie evenwel voor recht gezegd dat: ‘het begrip “het beschikbaar stellen van personeel” ook betrekking heeft op het beschikbaar stellen van zelfstandigen, die niet in loondienst werkzaam zijn bij de dienstverrichter.’ (Hof van Justitie van de Europese Unie, Arrest ADV Allround Vermittlungs AG, zaak C-218/10, van 26.01.2012, punt 32).

B. Interpretatie van het contract

Daar soms moeilijk een onderscheid kan worden gemaakt tussen de terbeschikkingstelling van personeel en het eigenlijk verrichten van werk, wordt de interpretatie die de partijen aan de overeenkomst geven echter niet betwist voor zover ze dezelfde interpretatie geven voor alle bepalingen van het Btw-Wetboek die op die overeenkomst van toepassing zijn, inzonderheid inzake plaats van de dienst en inzake het toepasbare btw-tarief (beslissing nr. E.T. 5.312 van 05.10.1971).

De dienst die door het uitzendbureau wordt verstrekt aan zijn afnemer is een terbeschikkingstelling van personeel in de zin van artikel 18, § 1, tweede lid, 2°, van het Btw-Wetboek en is, in de regel, onderworpen aan de belasting over de totale som die de afnemer moet betalen.

Dit is het geval met de terbeschikkingstelling van zorgpersoneel door een interimkantoor dat geen aannemingscontract heeft gesloten met de zorginstelling (Arrest van het Grondwettelijk hof nr. 175/2021 van 02.12.2021).

De administratie oefent evenwel geen kritiek uit op de interpretatie waarbij de overeenkomst tussen het uitzendbureau en de afnemer voorgesteld wordt als een werkaannemingscontract bedoeld in artikel 18, § 1, tweede lid, 1°, van het Btw-Wetboek.

In deze interpretatie wordt de dienst die door het uitzendbureau aan de afnemer wordt verstrekt - over het totale bedrag dat deze moet betalen - belast tegen het btw-tarief dat geldt in functie van de aard van het door de uitzendkracht verrichte werk. Indien het door de uitzendkracht verrichte werk vrijgesteld is van belasting - bij toepassing van artikel 44 van het Btw-Wetboek - is geen enkele btw verschuldigd over de som die de afnemer moet betalen. Het uitzendbureau heeft in die mate de hoedanigheid van vrijgestelde belastingplichtige en is dus een gemengde belastingplichtige.

Bijvoorbeeld: de overeenkomst waarbij een uitzendbureau een verpleegster ter beschikking stelt van een OCMW is bedoeld in artikel 18, § 1, tweede lid, 2°, van het Btw-Wetboek. Niettemin, indien de contracterende partijen de overeenkomst interpreteren als een contract van werkaanneming, zal de administratie die interpretatie niet betwisten. Er is bijgevolg geen btw verschuldigd, aangezien het contract van werkaanneming betrekking heeft op diensten die zijn vrijgesteld krachtens artikel 44, § 1, eerste lid, 1°, van het Btw-Wetboek omdat ze behoren tot de geregelde werkzaamheid van verpleegsters (beslissing nr. E.T. 8.412 van 08.11.1971).

De vrijstelling voor medische verzorging geldt enkel voor diensten met een therapeutisch doel (circulaire 2021/C/114 van 20.12.2021 betreffende de vrijstelling van de belasting inzake medische verzorging verricht door bepaalde personen en inzake ziekenhuisverpleging (nr. E.T. 138.926), nummers 3 en 11).

Bovendien zal de administratie de interpretatie van de partijen niet betwisten indien deze beschouwen dat er enerzijds sprake is van een terbeschikkingstelling van personeel, en anderzijds van een terbeschikkingstelling van roerende goederen, wanneer een verhuurder van werfmachines (kraan, bulldozer, graafmachine, transporteur voor bijzondere lasten, enzovoort) leden van zijn personeel ter beschikking stelt van de huurder met het oog op het verrichten van het werk met behulp van deze machines, onder de leiding en verantwoordelijkheid van de huurder. In dat geval dienen twee onderscheiden overeenkomsten te worden opgesteld (schriftelijke parlementaire vraag nr. 248 van de heer Volksvertegenwoordiger Jean-Pierre de Clippele van 06.10.1992).

C. Vrijstellingen

Zijn van de btw vrijgesteld:

• de terbeschikkingstelling van personeel in het kader van artikel 60, § 7, van de organieke wet van 08.07.1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, die er in hoofdzaak op gericht zijn om sociale rechten op te bouwen (toepassing artikel 44, § 2, 2°, van het Btw-Wetboek). Dit is een tolerantie, voor zover deze terbeschikkingstelling niet wordt verricht door een niet-belastingplichtige beoogd door rubriek D, hierna (circulaire 2017/C/91 van 22.12.2017 betreffende praktische toepassingsgevallen inzake de belastingplicht van publiekrechtelijke lichamen (nr. E.T. 130.932), randnummer II, 23)

• de terbeschikkingstelling van personeel door religieuze of levensbeschouwelijke instellingen voor de volgende vrijgestelde werkzaamheden:

o diensten verstrekt door ziekenhuizen, klinieken en dispensaria (artikel 44, § 2, 1°, van het Btw-Wetboek)

o diensten verstrekt door bepaalde instellingen die de bejaardenzorg tot doel hebben, kinderbewaarplaatsen en zuigelingentehuizen (artikel 44, § 2, 2°, van het Btw-Wetboek)

o onderwijs, beroepsopleiding of –herscholing (artikel 44, § 2, 4°, a), van het Btw-Wetboek)

o de verlening van geestelijke bijstand (artikel 44, § 2, 10°, van het Btw-Wetboek).

• de terbeschikkingstelling van zorgpersoneel tussen zorginstellingen in het kader van een samenwerkingsverband. Het personeel heeft een arbeidsovereenkomst met een zorginstelling en het doel van de terbeschikkingstelling is het stellen van een diagnose, behandeling, genezing, opvang, begeleiding of verzorging van een zorgbehoevende persoon (artikel 44, § 2, 1° en 2°, van het Btw-Wetboek. Zie circulaire nr. 36/2012 (nr. E.T. 123.129) van 27.11.2012).

D. Handelingen buiten de werkingssfeer van de btw

Er wordt aanvaard dat de terbeschikkingstelling van personeel door een gemeente, een OCMW, een politie- of hulpverleningszone aan een ander publiekrechtelijk lichaam geen aanleiding geeft tot (potentiële) concurrentieverstoring in de zin van artikel 6, tweede lid, van het Btw-Wetboek. De gemeente of het OCMW is bijgevolg geen belastingplichtige voor deze terbeschikkingstelling van personeel.

Deze toegeving geldt ook ten aanzien van de terbeschikkingstellingen van personeel door een gemeente, een OCMW, een politie- of hulpverleningszone aan entiteiten die door lokale besturen worden opgericht en die onder hun toezicht staan. Worden bijvoorbeeld beoogd: de autonome gemeentebedrijven, de OCMW-verenigingen en de intergemeentelijke samenwerkingsverbanden (circulaire 2017/C/91 van 22.12.2017 betreffende praktische toepassingsgevallen inzake de belastingplicht van publiekrechtelijke lichamen (nr. E.T. 130.932), randnummer II, 23).

Gelet op deze bijzondere omstandigheden wordt aanvaard dat de terbeschikkingstelling van personeel door een stad, een gemeente of een OCMW om een vaccinatiecentrum van het nodige personeel te voorzien in de strijd tegen de Covid-19-pandemie geen aanleiding geeft tot (potentiële) concurrentieverstoring in de zin van artikel 6, tweede lid, van het Btw-Wetboek. Deze overheden dienen bijgevolg geen btw te heffen over de personeelskosten die ze in dat kader in rekening brengen.

Hetzelfde geldt, mutatis mutandis, voor het personeel dat door een hulpverleningszone ter beschikking zou worden gesteld van een vaccinatiecentrum (circulaire 2021/C/17 van 25.02.2021 betreffende de terbeschikkingstelling van personeel door bepaalde publiekrechtelijke lichamen om vaccinatiecentra van het nodige personeel te voorzien (nr. E.T. 138.142)).

[Top]

3. De lastgeving (artikel 18, § 1, tweede lid, 3°, van het Btw-Wetboek)

A. Voorwerp en aard van het contract

Enkel de contractuele lastgeving (11) is in artikel 18, § 1, tweede lid, 3°, van het Btw-Wetboek bedoeld. Gerechtelijke lastgevingen (curatoren in een faillissement, vereffenaar…) worden beoogd door artikel 18, § 2, eerste lid, van het Wetboek (zie Afdeling 4 van dit Hoofdstuk).

(11) Lastgeving is een handeling, waarbij een persoon (lastgever) aan een ander (lasthebber) de macht geeft om juridische handelingen (verkopen, verhuren, enzovoort) te stellen, maar geen materiële handelingen, in naam en voor rekening van de lastgever (zie artikel 1984 van het Btw-Wetboek).

Om aan de btw onderworpen te zijn, moet de uitvoering van de lastgeving onder bezwarende titel gebeuren (artikel 2, eerste lid, van het Btw-Wetboek).

De mandaten van bestuurder of vereffenaar zijn beoogd maar de bestuurders en vereffenaars natuurlijke personen die handelen als orgaan van de vennootschap zijn niet belastingplichtig aangezien ze niet zelfstandig handelen in de zin van artikel 4, § 1, van het Btw-Wetboek. Voor dergelijke mandaten zijn rechtspersonen voortaan wel belastingplichtig. Hun btw-regeling is in werking getreden op 01.06.2016 en maakt het voorwerp uit van de beslissing nr. E.T. 127.850 van 30.03.2016.

Er hoeft geen onderscheid te worden gemaakt naargelang de lasthebber tussenkomst

verleent bij een belastbare (belast of vrijgesteld) dan wel een niet-belastbare handeling (circulaire AOIF nr. 16/2010 (nr. E.T. 117.880) van 25.02.2010, randnummer 5).

Wordt bijvoorbeeld bedoeld in artikel 18, § 1, tweede lid, 3°, van het Btw-Wetboek, de tussenkomst van verdelers en onderverdelers die loterijbiljetten verkopen in naam en voor rekening van de Nationale Loterij (aanschrijving nr. 9/1997 van 07.10.1997).

B. Onderscheid met andere handelingen

a. Makelaars

Het gebeurt evenwel dat makelaars handelingen inzake lastgeving verrichten gedurende hun opdracht als tussenpersoon. Hun handelingen vallen in dat geval zowel in de toepassingssfeer van artikel 18, § 1, tweede lid, 1° als van 3°, van het Btw-Wetboek (beslissing nr. T. 1.968 van 28.10.1970).

b. Zaakbezorgers

Hoewel ze soms juridische handelingen stellen voor rekening van een derde, verstrekken zaakbezorgers hoofdzakelijk werkprestaties in de zin van artikel 18, § 1, tweede lid, 1°, van het Btw-Wetboek (memorie van toelichting van de wet van 03.07.1969 bij de totstandkoming van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, Kamer, Doc 1968/88/1, pagina 26).

(12) De zaakbezorger is een persoon die zijn diensten aan het publiek verstrekt om, tegen vergoeding, de zaak van een ander waar te nemen en de belangen hiervoor te behartigen.

Zijn onder meer bedoeld de prestaties van privédetectives, van bureaus voor commerciële voorlichting, van adviesbureaus, van expertise-, uitzend- of vertaalbureaus, van raadgever inzake organisatie, ‘public-relations’ of reclame, van reclame- of persbureaus, van genealogen, van octrooibureaus, van bureaus die artiesten aanwerven, van personen belast met het beheer van onroerende goederen, van verhuur- en verkoopkantoren van onroerende goederen, van kantoren die schuldvorderingen van hun klanten beheren en ze voor hun rekening innen.

C. Uitsluiting voor commissionairs

Indien de lasthebber als een commissionair of ermee gelijkgestelde handelt, wordt hij, voor de toepassing van de btw, niet meer geacht te handelen in het kader van een lastgeving. Hij handelt dan als koper-verkoper (artikel 13, § 1, van het Btw-Wetboek) of als afnemer-dienstverrichter (artikel 20, § 1, van het Btw-Wetboek). Een commissionair inzake diensten wordt immers geacht de diensten zelfs te hebben ontvangen en zelf op zijn beurt te hebben verstrekt (zie Afdeling 7, hierna, van dit Hoofdstuk).

In dit verband wordt, sinds 01.01.2011, aangenomen dat wedkantoren en dagbladhandelaars handelen als commissionairs inzake diensten betreffende weddenschappen in de zin van artikel 20, § 1, van het Btw-Wetboek (beslissing nr. E.T. 127.279 van 13.07.2015, zie Afdeling 7, titel 5, rubriek A, van dit Hoofdstuk).

D. Vrijstellingen

Zijn, onder andere, van de btw vrijgesteld de diensten van lasthebbers:

• die tussenkomst verlenen bij handelingen die buiten de Gemeenschap plaatsvinden of van de btw vrijgesteld zijn, onder andere, om reden van uitvoer (artikel 41, § 2, van het Btw-Wetboek), zie ‘Boekwerk II : Bepaling van de belastbare basis en het toepasselijke tarief – Hoofdstuk 8 : Vrijstellingen voor uitvoer, intracommunautaire leveringen en verwervingen, invoer en internationaal vervoer, Afdeling 6, titel 4’)

• inzake verzekeringen (artikel 44, § 3, 4°, van het Btw-Wetboek, zie ‘Boekwerk II : Bepaling van de belastbare basis en het toepasselijke tarief – Hoofdstuk 9 : Vrijstellingen beoogd door artikel 44 van het Btw-Wetboek, Afdeling 25’)

• inzake kredieten (artikel 44, § 3, 5°, van het Btw-Wetboek, zie ‘Boekwerk II : Bepaling van de belastbare basis en het toepasselijke tarief – Hoofdstuk 9 : Vrijstellingen beoogd door artikel 44 van het Btw-Wetboek, Afdeling 26’).

[Top]

4. Het genot van een lichamelijk roerend of onroerend goed (artikel 18, § 1, tweede lid, 4°, van het Btw-Wetboek)

A. Voorwerp en aard van het contract

Overeenkomstig artikel 18, § 1, tweede lid, 4°, van het Btw-Wetboek wordt als een dienst beschouwd: de uitvoering van ieder contract waarbij de ene partij aan de andere ‘het genot verleent van een ander dan in artikel 9, tweede lid, bedoeld goed’, met andere woorden het genot van lichamelijke goederen (roerende of onroerende), met uitzondering van de zakelijke rechten van het genot op onroerende goederen bedoeld in de bovengenoemde bepaling.

De beoogde contracten zijn hoofdzakelijk de verhuring, de onderverhuring, de verpachting, de leasing (onroerende financieringshuur).

De overdracht van huur is ook bedoeld in de bovengenoemde bepaling. Sinds 01.01.2019 is deze niet meer vrijgesteld van de btw door artikel 44, § 3, 2°, van het Btw-Wetboek.

De bruikleen is beoogd maar is evenwel een overeenkomst om niet. Hij valt bijgevolg buiten de werkingssfeer van de btw (artikel 2, eerste lid, van het Btw-Wetboek). Er dient, in voorkomend geval, rekening te worden gehouden met aan de diensten verricht onder bezwarende titel gelijkgestelde handelingen (artikel 19, § 1, van het Btw-Wetboek, zie Afdeling 6, titel 1, van dit Hoofdstuk).

a. Lichamelijke roerende goederen

Wat de lichamelijke roerende goederen betreft, kan het zowel gaan om een persoonlijk recht van genot als om een zakelijk recht andere dan het eigendomsrecht (bijvoorbeeld het vruchtgebruik).

Onroerende goederen door bestemming worden, ingevolge hun toewijzing voor de dienst en de exploitatie van dat erf, inzake btw als lichamelijke roerende goederen behandeld.

b. Lichamelijke onroerende goederen

Rekening houdend met artikel 9, tweede lid, 2°, van het Btw-Wetboek van het Btw-Wetboek wordt wat lichamelijke onroerende goederen betreft, in tegenstelling tot lichamelijke roerende goederen, in de regel, enkel het persoonlijk recht van genot beoogd. Zakelijke rechten, andere dan het eigendomsrecht, die aan de rechthebbende een recht van gebruik op een onroerend goed verlenen, worden immers in principe als leveringen van goederen beschouwd.

Volgende handelingen kunnen niet het voorwerp uitmaken van een dienst inzake het genot van een onroerend goed aangezien ze als leveringen van goederen worden aangemerkt:

• de erfpacht, behalve wanneer het een recht van erfpacht betreft dat door een onderneming die gespecialiseerd is in onroerende financieringshuur wordt gevestigd of overgedragen in het kader van onroerende financieringshuur in de zin van artikel 44, § 3, 2°, b), van het Btw-Wetboek of waarvoor de optie voor de belastingheffing bedoeld in artikel 44, § 3, 2°, d) van het Btw-Wetboek werd uitgeoefend

• het recht van opstal

• het vruchtgebruik

• de erfdienstbaarheid

• het recht van gebruik of bewoning.

De voornoemde zakelijke rechten worden uitgebreid besproken in ‘Boekwerk 1 : Belastingplicht en belastbare handelingen – Hoofdstuk 2 : Levering van goederen, Afdeling 3, titel 2, rubriek B’.

Uit het voorgaande volgt dat de beoogde overeenkomsten, onder andere, de verhuur en de leasing van onroerende goederen zijn.

Het begrip onroerende verhuur moet voornamelijk worden geïnterpreteerd in het licht van de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie.

De onroerende verhuur is een betrekkelijk passieve activiteit, die enkel verband houdt met het tijdsverloop, waarbij een verhuurder aan een huurder voor een overeengekomen tijdsduur en tegen vergoeding het recht verleent een onroerend goed te gebruiken als ware hij de eigenaar ervan en ieder ander van het genot van dat recht uit te sluiten (Hof van Justitie van de Europese Unie, onder andere, Arrest Temco, zaak C-284/03, van 18.11.2004, punten 19 en 20). Deze definitie geldt zowel voor onroerende als roerende zaken (Hof van Justitie van de Europese Unie, Arrest Q., zaak C-288/19, van 20.01.2021, punten 40 tot 42).

De leasing of onroerende financieringshuur van gebouwen maakt het voorwerp uit van een bijzondere regeling (artikel 44, § 3, 2°, b), van het Btw-Wetboek en het koninklijk besluit nr. 30 van 29.12.1992 met betrekking tot de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde op de onroerende financieringshuur, circulaire nr. AOIF 10/2007 (E.T. 109.976) van 12.04.2007).

Om aan de btw onderworpen te zijn, dient op grond van het koninklijk besluit nr. 30 een dergelijk contract aan volgende voorwaarden te voldoen:

• het contract moet betrekking hebben op gebouwde onroerende goederen die zijn opgericht of verkregen door een onderneming die gespecialiseerd is in financieringshuur of onroerende leasing (artikel 1, 1°, van het koninklijk besluit nr. 30, voornoemd)

• de gebouwen moeten opgericht of verkregen worden overeenkomstig de specifieke aanwijzingen van de toekomstige leasingnemer (lessee) (artikel 1, 1°, van het koninklijk besluit nr. 30, voornoemd)

• de gebouwen moeten door de leasingnemer worden gebruikt in de uitoefening van zijn werkzaamheid als belastingplichtige (artikel 1, 1°, van het koninklijk besluit nr. 30, voornoemd)

• het genot van de gebouwen en van de grond waarop ze zijn opgericht moet aan de leasingnemer worden toegestaan op grond van een niet opzegbaar en niet eigendomsoverdragend contract (artikel 1, 2°, van het koninklijk besluit nr. 30. voornoemd)

• de leasingnemer moet de mogelijkheid hebben om bij het einde van het contract, tegen een prijs waarvan de vaststellingscriteria in dat contract zijn bepaald, de zakelijke rechten over te nemen die de leasinggever bezit op de goederen die het voorwerp uitmaken van de overeenkomst (artikel 1, 3°, van het koninklijk besluit nr. 30, voornoemd)

• na vijftien jaar moet het totale bedrag van de periodieke huurprijzen die door de leasingnemer worden betaald, het de leasinggever (lessor) mogelijk maken het geïnvesteerde kapitaal integraal weder samen te stellen (artikel 1, 4°, van het koninklijk besluit nr. 30, artikel 1, 4°, van het koninklijk besluit nr. 30, toepasselijk op contracten van onroerende financieringshuur gesloten vanaf 27.01.2005).

Indien niet aan bovengenoemde voorwaarden is voldaan, kunnen de leasingnemer en leasinggever er gezamenlijk voor opteren, mits voldaan is aan de voorwaarden van artikel 44, § 3 , 2° d) van het Btw-Wetboek, om de onroerende verhuur te belasten (Voor een meer gedetailleerde commentaar wordt verwezen naar ‘Boekwerk VI : Specifieke topics – Hoofdstuk 16 : Specifieke Topics, Afdeling 2 : Onroerende goederen – Diensten, titels 4 en 5’).

B. Onderscheid met een levering van goederen

a. De huurkoop

De huurkoop (13) is een levering van goederen in de zin van artikel 10 van het Btw-Wetboek wanneer die handeling betrekking heeft op een lichamelijk goed (artikel 10, § 2, b), van het Btw-Wetboek. Zie ‘Boekwerk I: Belastingplicht en belastbare handelingen - Hoofdstuk 2: Leveringen van goederen, Afdeling 4, titel 2, rubriek B’).

(13) Er is huurkoop wanneer de persoon die het genot van een goed krijgt - na het verstrijken van een overeengekomen termijn - eigenaar van dat goed wordt door alle in de overeenkomst voorgeschreven huurprijzen te hebben betaald.

Deze handeling valt buiten de werkingssfeer van artikel 18, § 1, tweede lid, 4° van het Btw-Wetboek.

Het onderscheid tussen de eigenlijke huur en de huurkoop is soms delicaat. Het is hoofdzakelijk een feitenkwestie. De gegevens die het mogelijk maken te bepalen of het om een huurkoop gaat, zijn inzonderheid dat het totaal van de huursommen - gebeurlijk verhoogd met de financieringskosten - de verkoopprijs vormt en dat de huurprijs niet overeenstemt met een normale raming van het genot van het goed.

b. Terbeschikkingstelling van verpakkingsmiddelen en opslagmogelijkheden

De terbeschikkingstelling van goederen is, in onderstaande gevallen, bijkomstig aan de levering van een goed. De vergoeding die voor de handeling wordt gevraagd, maakt derhalve deel uit van de maatstaf van heffing van die levering en vormt dus niet de prijs van een afzonderlijke verhuur.

• Verpakkingskosten

De vergoeding die aan een klant in rekening wordt gebracht voor gewone en gebruikelijke verpakking die teruggezonden kan worden en die in ieder geval moet worden betaald, zelfs ingeval van terugzending, moet worden aangemerkt als een element van de verkoopprijs van de inhoud.

• Gasflessen

De vergoeding die in elk geval aan de koper van gasflessen wordt gevraagd voor de terbeschikkingstelling, het onderhoud, het nazicht en herstelling van die flessen, vormt een element van de verkoopprijs van het gas.

• Opslagsilo’s

De vergoeding die aan landbouwers wordt gevraagd door de handelaars in veevoeders, voor de terbeschikkingstelling, in hun eigen bedrijf, van silo’s die bestemd zijn voor de opslag van deze goederen, vormt een element van de verkoopprijs van het veevoeder (beslissing nr. E.T. 16.966 van 10.04.1974).

C. Onderscheid tussen de verhuur en andere diensten

a. Verhuur van een vervoermiddel met bestuurder

De terbeschikkingstelling van een vervoermiddel (auto, boot, vliegtuig) met bestuurder valt onder de toepassing van artikel 18, § 1, tweede lid, 1°, van het Btw-Wetboek, aangezien het werk overwegend is. Het betreft een vervoerdienst.

b. Terbeschikkingstelling van een werfmachine met personeel om het te bedienen

De terbeschikkingstelling, in het kader van een enige overeenkomst, van een werfmachine (kraan, bulldozer, graafmachine …), met personeel dat zorgt voor de bediening ervan, wordt in principe voor het geheel aangemerkt als een aannemingscontract (artikel 18, § 1, tweede lid, 1°, van het Btw-Wetboek). De dienstverrichter (verhuurder) wordt dan verondersteld verantwoordelijk te zijn voor de uitvoering van de werken (zie, voor de plaatsbepaling, Afdeling 8, titel 3, rubriek A, subrubriek c, laatste puntje, van dit hoofdstuk).

Niettemin zal de administratie de interpretatie van de partijen niet betwisten indien deze beschouwen dat er enerzijds sprake is van een terbeschikkingstelling van personeel, en anderzijds van een terbeschikkingstelling van roerende goederen, wanneer een verhuurder van werfmachines leden van zijn personeel ter beschikking stelt van de huurder met het oog op het verrichten van het werk met behulp van deze machines, onder de leiding en verantwoordelijkheid van de huurder. In dat geval dienen twee onderscheiden overeenkomsten te worden opgesteld (schriftelijke parlementaire vraag nr. 248 van de heer Volksvertegenwoordiger Jean-Pierre de Clippele van 06.10.1992).

c. Verhuur van podiums

De verhuur van een podium met geluids- en verlichtingsinstallatie, waarbij de verhuurder eveneens belast is met het monteren en demonteren, vormt in het algemeen, voor het geheel een dienst met als voorwerp het genot van een goed (artikel 18, § 1, tweede lid, 4°, van het Btw-Wetboek).

Echter wanneer de verhuurder bovendien instaat voor de werking van de installaties, kwalificeert de handeling voor het geheel als een werkaanneming inzake diensten met betrekking tot de organisatie van culturele, vermakelijkheids- of dergelijke activiteiten.

d. Recht op toegang tot inrichtingen voor sport

Volgende handelingen zijn verbonden aan de uitoefening van een sport en vormen diensten in de zin van artikel 18, § 1, tweede lid, 12°, van het Btw-Wetboek (zie titel 12 van deze Afdeling en ‘Boekwerk VI : Specifieke topics – Hoofdstuk 16 : Specifieke topics, Afdeling 2 : Onroerende goederen – Diensten, titel 4, rubriek G, subrubriek c’):

• het verlenen van het recht een golfterrein te gebruiken: een groot aantal commerciële activiteiten zijn overwegend (toezicht, beheer, voortdurende onderhoud, de terbeschikkingstelling van andere installaties, enzovoort) (Hof van Justitie van de Europese Unie, Arrest Stockholm Lindöpark AB, zaak C-150/99, van 18.01.2001, punten 18 tot en met 26)

• de verpachting van een visrecht in een vijver voor een duur van 10 jaar: ieder ander is niet van het genot van dat recht uitgesloten (Hof van Justitie van de Europese Unie, Arrest Walderdorff, zaak C-451/06, van 06.12.2007, punten 20 tot en met 23)

• de terbeschikkingstelling van een voetbalstadion voor zover de waarde van de diensten die geen betrekking hebben op de eigenlijke terbeschikkingstelling van het stadion en op de diensten inzake de instandhouding, een overwegend deel van de gevraagde prijs vertegenwoordigt (Hof van Justitie van de Europese Unie, Arrest Régie communale autonome stade Luc Varenne, zaak C-55/14, van 25.01.2015, punten 29 tot en met 39)

• de terbeschikkingstelling door een vzw van een sportcentrum aan sport-, stretching-, en fitnessclubs, aan scholen van een gemeente, aan bepaalde evenementen en sportbeurzen (Arrest van het Hof van beroep te Brussel n° WF 703-15-12/015099, van 11.04.2019, parlementaire vraag nr. 234 van mevrouw Florence Reuter van 21.02.2020).

e. Overdracht of vestigen van het recht een beroepswerkzaamheid uit te oefenen

Er is sprake van de overdracht of het vestigen van een recht een beroepswerkzaamheid uit te oefenen wanneer het gebruik van een deel van een oppervlakte of een standplaats binnen een commerciële ruimte, overeenkomstig het contract, slechts een middel is om een dienst te verstrekken die hierop betrekking heeft, zoals het garanderen van een exclusief verkooprecht van producten (artikel 18, § 1, tweede lid, 6°, van het Btw-Wetboek). Het contract heeft dan niet als voorwerp de passieve terbeschikkingstelling van een oppervlakte die aan de medecontractant het recht verleent het goed te gebruiken als ware hij de eigenaar ervan en ieder ander van het genot van dat recht uit te sluiten.

Is bijvoorbeeld beoogd door artikel 18, § 1, tweede lid, 6°, van het Btw-Wetboek, het recht een sigarettenautomaat in een bedrijfsruimte te installeren met als doel een exclusief verkooprecht van sigaretten te garanderen (of een drankautomaat in een ziekenhuis) (Hof van Justitie van de Europese Unie, Arrest Sinclair Collis, zaak C-275/01, van 12.06.2003, punten 27, 30 en 31. Zie titel 6, rubriek B, van deze Afdeling).

D. Toepassingsgevallen

Wordt, onder andere, aangemerkt als een dienst in de zin van artikel 18, § 1, tweede lid, 4°, van het Btw-Wetboek, de uitvoering van een overeenkomst waarbij:

• de uitbater van een manege, tegen betaling van een vergoeding, paarden beschikbaar stelt (beslissing nr. T. 6.228 van 08.06.1971)

• de eigenaar van paarden, pony's of ezels, tegen betaling van een vergoeding, deze ter beschikking stelt voor rondritten op het strand (beslissing nr. E.T. 11.927 van 03.08.1972)

• iemand, die het recht verkregen heeft op het strand tenten te verhuren, deze tenten tegen betaling van een vergoeding ter beschikking stelt van vakantiegangers (beslissing nr. T. 6506 van 04.08.1971)

• iemand een binnenhuistelefooninstallatie verhuurt (beslissing nr. E.T. 15.522 van 07.01.1974)

• een diskjockey een geluidsinstallatie verhuurt, zonder dat hij zelf optreedt of deelneemt aan de uitvoering van de muziek (beslissing nr. E.T. 17.124 van 25.01.1974)

• een brouwer een tapinstallatie, tafels en stoelen van een caféhouder ter beschikking stelt, zonder van hem een geldelijke vergoeding te eisen maar door hem verschillende verplichtingen op te leggen zoals onder andere de verplichting zich uitsluitend bij de brouwerij te bevoorraden (beslissing nr. E.T. 96.988 van 22.11.2000. Zie ook titel 6, rubriek A, subrubriek b, van deze Afdeling)

• het hoofddoel de verhuur van informaticamateriaal is, rechtstreeks verbonden aan informatie- en demonstratiecursussen (beslissing nr. E.T. 62.013 van 13.06.1988)

• de organisator van een beurs, tentoonstelling of dergelijke manifestatie, aan de inzenders of exposanten een gesloten ruimte of een plaats in open lucht ter beschikking stellen (een standplaats) en eventueel tezamen met handelingen die er nauw mee samenhangen (elektriciteit, water, verwarming, airconditioning, verlichting en schoonmaak). Hij verstrekt in dat geval een onroerende verhuur in de zin van artikel 18, § 1, tweede lid, 4°, van het Btw-Wetboek (zie titel 1, rubriek H, subrubriek b, van deze Afdeling)

• gedurende de organisatie van een beurs, tentoonstelling of dergelijke manifestatie, de organisator een stand ontwerpt, deze uitwerkt en tijdelijk ter beschikking stelt en, in voorkomend geval, vervoert en monteert voor zijn klanten die hun producten of diensten voorstellen.

Het betreft een roerende verhuur wanneer de tijdelijke terbeschikkingstelling van de materiële bestanddelen, die eenzelfde stand vormen, tegen vergoeding een doorslaggevend element van die dienst vormt (zie titel 1, rubriek H, subrubriek b, van deze Afdeling).

E. Vrijstellingen

De volgende handelingen zijn van de belasting vrijgesteld:

• onder bepaalde voorwaarden, de verhuur van boeken en tijdschriften, van muziekpartituren, grammofoonplaten, magneetbanden, diapositieven en van andere dergelijke voorwerpen van culturele aard (kunstvoorwerpen, schilderijen, tekeningen, foto’s, enzovoort) door bibliotheken en leeszalen (artikel 44, § 2, 6°, van het Btw-Wetboek)

• de verpachting en de verhuur van uit hun aard onroerende goederen (artikel 44, § 3, 2°, van het Btw-Wetboek), behalve uitzonderingen (zie rubriek F, van deze titel).

F. Uitzonderingen op de vrijstelling

Uitzonderingen op de btw-vrijstelling met betrekking tot de verpachting en de verhuur van uit hun aard onroerende goederen zijn:

• verplicht te belasten verhuur (artikel 44, § 3, 2°, a), b), c) van het Btw-Wetboek), (zie subrubriek a, van deze rubriek)

• belaste verhuur door middel van het uitvoeren van de gezamenlijke optie door de verhuurder en de huurder (artikel 44, § 3, 2°, d), van het Btw-Wetboek), (zie subrubriek b, van deze rubriek).

Deze uitzonderingen zijn, naargelang het geval, afhankelijk van :

• de huurtermijn (voor de verplichte belastingheffing van de kortdurende onroerende verhuur)

• de aard van het goed :

o een gebouw of deel van een gebouw met bijhorend terrein (voor wat betreft de optionele belastingheffing)

o of meer algemeen, elk uit zijn aard onroerend goed, inclusief het niet bijhorend terrein, in tegenstelling tot het bijhorend terrein zoals bepaald in artikel 1, § 9, eerste lid, 2° van het Btw-Wetboek, onbebouwd terrein (in het bijzonder in het kader van de verplichte belastingheffing van de kortdurende onroerende verhuur).

• de hoedanigheid van de huurder en de aard van het gebruik van het gehuurd goed (in het bijzonder voor de verplichte belastingheffing van de huur van een magazijn dat beantwoordt aan de normen).

Tussen de voornoemde verschillende wettelijke bepalingen bestaan er raakvlakken met betrekking tot de uitsluitingen van de betreffende vrijstelling. Conflicten tussen bepaalde uitsluitingen dienen te worden vermeden. Met het oog hierop :

• is de verplichte belastingheffing van de terbeschikkingstelling van ruimten voor opslagdoeleinden van goederen niet bedoeld voor gebouwen of gedeelten van gebouwen (met bijhorend terrein) voor opslagdoeleinden aan huurders die deze uitsluitend gebruiken voor hun economische activiteit (mogelijkheid om gebruik te maken van de optionele belastingheffing)

• heeft de verplichte belastingheffing op de kortdurende onroerende verhuur voorrang op de optionele belastingheffing

a. Verplicht te belasten onroerende verhuur

Bepaalde verplicht te belasten onroerende verhuren houden geen rekening met de duur van de verhuur, andere houden er wel rekening mee.

• Ongeacht de duur van de verhuur

Het uiteindelijk doel van het gehuurd goed is al dan niet doorslaggevend. Het gebruik als opslagruimte dient te worden onderscheiden van andere doeleinden.

o Met of zonder uitsluitend economisch gebruik van het goed (uitgezonderd opslag van goederen)

De volgende diensten die meestal van industriële of commerciële aard zijn worden verplicht belast (artikel 44, § 3, 2°, a), eerste en derde tot zesde streepje en c), van het Btw-Wetboek):

* de terbeschikkingstelling van stallingen voor rijtuigen

* het verschaffen van gemeubelde logies

* de terbeschikkingstelling van een plaats om te kamperen

* de terbeschikkingstelling van uit hun aard onroerende goederen in het kader van de exploitatie van havens, bevaarbare waterlopen en vlieghavens

* de terbeschikkingstelling van blijvend geïnstalleerde werktuigen en machines

* de verhuur van safeloketten

o Zonder exclusief economisch gebruik van (een deel van) het gebouw gebruikt voor opslagdoeleinden

Vanaf 01.01.2019 zijn specifieke regels van toepassing op de terbeschikkingstelling van ruimten voor de opslag van goederen (zie titel 9, van deze Afdeling).

Artikel 44, § 3, 2°, a), tweede streepje van het Btw-Wetboek bepaalt de normen (oppervlakte/volume) om te bepalen of de ruimten worden gebruikt voor opslagdoeleinden (hierna genoemd als opslagruimten volgens de normen) in de zin van deze bepaling.

Zo beantwoordt een ruimte waarvan de oppervlakte of het totaal volume door de huurder voor meer dan 50% exclusief wordt gebruikt voor opslagdoeleinden en voor niet meer dan 10% als verkoopruimte aan de vereiste normen.

Anderzijds wordt het toepassingsgebied van de verplichte belastingheffing beperkt door de optionele belastingheffing van de onroerende verhuur (zie subrubriek b, van deze rubriek).

Zo wordt de terbeschikkingstelling van een ruimte bestemd voor opslagdoeleinden die zich in of op een (deel van een) gebouw bevindt, pas verplicht belast indien de huurder deze niet of slechts gedeeltelijk gebruikt in het kader van een economische activiteit die hem de hoedanigheid verleent van belastingplichtige (ongeacht de hoedanigheid van de huurder en de aard van het gebruik van het goed indien deze zich op een onbebouwd terrein bevindt), (artikel 44, § 3, 2°, a), tweede streepje, van het Btw-Wetboek).

• Met betrekking tot de verhuur op korte termijn (maximum 6 maand)

De invoering vanaf 01.01.2019 van een nieuwe uitzondering op de vrijstelling met betrekking tot de onroerende verhuur, namelijk de verplichte belastingheffing van de verhuur op korte termijn (maximum 6 maanden), voorzien in artikel 44, § 3, 2°, a), zevende streepje, van het Btw-Wetboek vormt een belangrijke vereenvoudiging in zoverre dat een einde wordt gemaakt aan de problemen om een onderscheid te maken tussen de diensten van :

o de vrijgestelde verhuur van onroerende goederen uit hun aard

o en deze van de terbeschikkingstelling van dergelijke goederen voor een korte termijn, voorheen gedeeltelijk belast, wanneer zij gepaard gaan met de terbeschikkingstelling van roerende goederen of andere complementaire diensten.

Deze verplicht te belasten onroerende verhuur op korte termijn (niet langer dan zes maanden) heeft als voorwerp de terbeschikkingstelling, andere dan deze voor doeleinden van logies, van ieder onroerend goed uit zijn aard voor eender welke afnemer andere dan een:

o natuurlijk persoon die handelt voor privédoeleinden of andere dan economische doeleinden

o of organisatie zonder winstoogmerk

o of persoon die het goed aanwendt voor een handeling bedoeld in artikel 44, § 2, van het Btw-Wetboek.

• Met betrekking tot de verhuur op lange termijn (minimum 15 jaar) om zo het geïnvesteerd kapitaal integraal weder samen te stellen

De onroerende financieringshuur (artikel 44, § 3, 2°, b) van het Btw-Wetboek) is enkel verplicht belast indien aan de voorwaarden van het koninklijk besluit nr. 30, voornoemd, is voldaan, onder meer indien de afnemer het gebouw uitsluitend gebruikt in het kader van zijn economische activiteit die hem de hoedanigheid verleent van belastingplichtige.

b. Onroerende verhuur voor een periode van meer dan zes maanden (behalve uitzonderingen) belast bij optie (artikel 44, § 3, 2°, d), van het Btw-Wetboek

De optionele belastingheffing van de onroerende verhuur is slechts mogelijk indien het goed exclusief wordt gebruikt in het kader van de economische activiteit die aan de afnemer de hoedanigheid verleent van belastingplichtige. De optie dient gezamenlijk door de partijen te worden uitgeoefend, overeenkomstig de bepalingen van artikel 7quater van het koninklijk besluit nr. 10 van 29.12.1992 met betrekking tot de uitvoeringsmodaliteiten van de keuzen bedoeld in de artikelen 15, § 2, derde lid, 21bis, § 2, 9°, vierde lid, 25ter, § 1, tweede lid, 2°, tweede lid, en 44, § 3, 2°, d) van het Btw-Wetboek, de aangiften van aanvang, wijziging, stopzetting van activiteit en de voorafgaande kennisgevingen inzake de belasting over de toegevoegde waarde (zie circulaire 2020/C/89 van 30.06.2020 met betrekking tot de wijzigingen aangebracht aan koninklijke besluiten 1, 7, 10, 24, 31, 35, 46 et 56 inzake btw door het koninklijk besluit van 07.11.2019 (nr. E.T. 137.009, nummers 7.2.2 en 12.2)).

Vanaf 01.01.2019 is vrijgesteld of belast volgens de keuze van de partijen (huurder/verhuurder), de verhuur:

• van een gebouw of een autonoom deel van een gebouw, inbegrepen het bijhorend terrein, ander dan een opslagruimte volgens de normen (beschreven in subrubriek a, van deze rubriek), waarvoor de btw over de onroerende werkzaamheden die bijdragen tot de oprichting of ingrijpende renovatie niet opeisbaar is geworden vóór 01.10.2018 (scharnierdatum)

• van een opslagruimte volgens de normen: een gebouw of een autonoom deel van een gebouw dat beantwoordt aan de normen bepaald in subrubriek a, van deze rubriek, zonder rekening te houden met de scharnierdatum zoals hierboven bepaald.

De looptijd van de verhuur dient meer te zijn dan zes maanden behalve indien de huurder niet in aanmerking komt voor de verplichte belastingheffing op de kortdurende verhuur indien de huurder:

• een organisatie is zonder winstoogmerk of

• een persoon is die het goed gebruikt voor een activiteit bedoeld in artikel 44, §2, van het Btw-Wetboek (bijvoorbeeld voor een sociaal-culturele activiteit).

Voor een uitgebreide toelichting, zie de circulaire 2019/C/25 van 21.03.2019 betreffende de wet van 14.10.2018 tot wijziging van het Btw-Wetboek op het vlak van onroerende verhuur -FAQ ‘Boekwerk VI: Specifieke topics – Hoofdstuk 16: Specifieke topics, Afdeling 2: Onroerende goederen – Diensten, titel 4, rubrieken E en F en titel 5’).

G. Specifieke topics met betrekking tot onroerende verhuur

‘Boekwerk VI: Specifieke topics - Hoofdstuk 16: Specifieke topics, Afdeling 2: Onroerende goederen – Diensten’, geeft een uitgebreide uitleg betreffende bijzonderheden inzake onroerende verhuur zoals:

• de onroerende verhuur met zogenaamde bijkomende diensten in ‘Boekwerk VI: Specifieke topics – Hoofdstuk 16: Specifieke topics, Afdeling 2: Onroerende goederen – Diensten, titel 4, rubriek B, subrubriek d’

• de terbeschikkingstelling van vergaderzalen, zalen voor seminaries, conferenties in ‘Boekwerk VI: Specifieke topics – Hoofdstuk 16: Specifieke topics, Afdeling 2: Onroerende goederen – Diensten, titel 4, rubriek B, subrubriek a’

• de terbeschikkingstelling van een zaal door de exploitant van inrichtingen voor cultuur, sport of vermaak in ‘Boekwerk VI: Specifieke topics – Hoofdstuk 16: Specifieke topics, Afdeling 2: Onroerende goederen – Diensten, titel 4, rubriek H, subrubriek b’

• de terbeschikkingstelling van een zaal door de exploitant van een hotel, een restaurant, een café of door een traiteur in ‘Boekwerk VI: Specifieke topics – Hoofdstuk 16: Specifieke topics, Afdeling 2: Onroerende goederen – Diensten, titel 4, rubriek H, subrubriek c’

• de bedrijven- of dienstencentra in ‘Boekwerk VI: Specifieke topics – Hoofdstuk 16: Specifieke topics, Afdeling 2: Onroerende goederen – Diensten, titel 4, rubriek H, subrubriek d’

• de winkelcentra in ‘Boekwerk VI: Specifieke topics – Hoofdstuk 16: Specifieke topics, Afdeling 2: Onroerende goederen – Diensten, titel 4, rubriek H, subrubriek e’

[Top]

5. Overdracht van een cliënteel en verlenen van rechten op een cliënteel en de verbintenis een beroepswerkzaamheid niet uit te oefenen (artikel 18, § 1, tweede lid, 5°, van het Btw-Wetboek)

A. Voorwerp en aard van het contract

a. Overdracht van een cliënteel en verlenen van rechten op een cliënteel

In zijn eerste deel, beoogt artikel 18, § 1, tweede lid, 5°, van het Btw-Wetboek de handeling die enkel betrekking heeft op de overdracht van een cliënteel en verlenen van rechten op een cliënteel zonder de overdracht van enig ander bestanddeel van het handelsfonds. Deze handeling kan een verkoop, een verhuur of een inbreng in een vennootschap als resultaat hebben.

Als de handeling betrekking heeft op een handelszaak valt ze in de werkingssfeer van artikel 18, § 1, tweede lid, 5°, van het Btw-Wetboek voor het gedeelte van de prijs dat betrekking heeft op de overdracht van of het verlenen van rechten op een cliënteel. De andere bestanddelen volgen hun eigen regeling. Voor de toepassing van de belasting wordt de handelszaak immers niet beschouwd als een afzonderlijke juridische entiteit onderscheiden van de bestanddelen waaruit deze bestaat (uitrusting, voorraad, merk, verkoopmonopolie, …).

Hier mag echter niet uit het oog worden verloren dat ingevolge artikel 18, § 3, van het Btw-Wetboek, ‘niet als diensten kunnen worden beschouwd, de in artikel 18, § 1, bedoelde handelingen die bij de overdracht van een algemeenheid van goederen of van een bedrijfsafdeling, bij wege van inbreng in een vennootschap of anderszins, onder de voorwaarden van artikel 11 van het Btw-Wetboek worden verricht’. Deze bepaling is van toepassing op de overdracht onder bezwarende titel of om niet van een handelszaak (niet de verhuur) op voorwaarde dat werd voldaan aan de voorwaarden van artikel 11 van het Btw-Wetboek, met name de hoedanigheid van de verkrijger als belastingplichtige die de belasting geheel of gedeeltelijk in aftrek zou kunnen brengen indien deze verschuldigd zou zijn (zie Afdeling 5, van dit Hoofdstuk en ‘Boekwerk VI: Specifieke topics – Hoofdstuk 16: Specifieke topics, Afdeling 6: Overdracht van een algemeenheid van goederen of bedrijfsafdeling (artikels 11 en 18, § 3, van het Btw-Wetboek’ ).

b. Verbintenis een beroepswerkzaamheid niet uit te oefenen

In zijn tweede deel, beoogt artikel 18, § 1, tweede lid, 5°, van het Btw-Wetboek de verbintenis een bepaalde beroepswerkzaamheid, gedurende een bepaalde termijn of op een bepaald grondgebied, niet uit te oefenen.

In een dergelijke overeenkomst is de dienstverrichter hij die de verbintenis aangaat en de begunstigde van de dienst hij tegenover wie die verbintenis werd aangegaan en die trouwens een vergoeding moet betalen. Aan te stippen valt dat dergelijke overeenkomsten niet beperkt blijven tot handelaars. De persoon die een vrij beroep uitoefent, kan eveneens een dergelijke verbintenis aangaan.

B. Vrijstelling

De overdracht van een cliënteel of het verlenen van rechten op een cliënteel dat betrekking heeft op een op grond van artikel 44 vrijgestelde activiteit is van de belasting vrijgesteld (artikel 44, § 2, 13°, van het Btw-Wetboek).

Bijvoorbeeld: een verzekeringsmakelaar die zijn verzekeringsportefeuille en het daaraan verbonden cliënteel overdraagt aan een andere makelaar (zie Senaat, Doc 1968/455, pagina’s 106 en 107).

Wanneer de verbintenis een beroepswerkzaamheid niet uit te oefenen, wordt aangegaan door iemand die alleen een werkzaamheid uitoefent die vrijgesteld is ingevolge artikel 44 van het Btw-Wetboek, is die verbintenis eveneens een vrijgestelde handeling.

[Top]

6. Overdracht van of verlenen van rechten op een verkoop- of inkoopmonopolie of van het recht een beroepswerkzaamheid uit te oefenen (artikel 18, § 1, tweede lid, 6°, van het Btw-Wetboek)

A. Verkoop- of inkoopmonopolie

a. Autonoom karakter van de handeling

• Verkoopmonopolie

Wordt onder meer beoogd: de overeenkomst waarbij een fabrikant aan een handelaar het exclusieve recht van verkoop van een bepaald product binnen een bepaald gebied verleent.

Als de exclusiviteit echter wordt verleend door een leverancier aan een koper in het kader van een verkoopovereenkomst, dient zij te worden aangemerkt als een modaliteit van de tot stand gekomen verkoop. De vergoeding die de leverancier aanrekent voor de door hem verleende exclusiviteit is dan besloten in de prijs van de in exclusiviteit verkochte goederen en is belastbaar met de btw tegen het tarief dat voor die goederen geldt.

• Inkoopmonopolie

Wanneer een verkoopbedrijf - inzonderheid een kleinhandelsonderneming - zich verbindt bij een bepaalde fabrikant te kopen, is er sprake van een inkoopmonopolie.

b. Brouwerijcontracten

Tussen een brouwerij en de caféhouders worden vaak overeenkomsten gesloten waarbij enerzijds de caféhouder zich ertoe verbindt om zich uitsluitend bij de brouwerij te bevoorraden en anderzijds de brouwerij zich ertoe verbindt aan de caféhouder een dienst te verstrekken of hem goederen te leveren. Het betreft een contract met wederzijdse prestaties. Aangezien de caféhouder en de brouwerij belastingplichtigen zijn met recht op aftrek, is de btw verschuldigd, zowel over de dienst die de caféhouder verstrekt als over de dienst of de levering die de brouwerij verstrekt, tenzij deze leveringen of diensten van de belasting zijn vrijgesteld op grond van artikel 44 van het Wetboek.

De regels die van toepassing zijn op brouwerijcontracten worden verduidelijkt in de beslissing nr. E.T. 96.988 van 22.11.2000. Deze beslissing is ingegaan op 01.01.2001.

Enerzijds is de verbintenis van de caféhouder om zich uitsluitend bij de brouwerij te bevoorraden een dienst in de zin van artikel 18, § 1, tweede lid, 6°, van het Btw-Wetboek. Deze handeling is in principe belastbaar met btw over de normale waarde van de tegenprestatie van de brouwerij (artikel 32, eerste lid, van het Btw-Wetboek). Om praktische redenen stemt de administratie er echter mee in dat de over deze dienst verschuldigde btw niet wordt geheven wanneer die btw volledig aftrekbaar zou zijn in hoofde van de brouwerij.

Indien de brouwerij leningen toestaat aan de caféhouders, moet ze laatstgenoemde aan de hand van een attest inlichten dat ze haar recht op aftrek uitoefent volgens de regel van het werkelijk gebruik zoals bedoeld in artikel 46, § 2, van het Btw-Wetboek.

Anderzijds is de btw ook verschuldigd op de door de brouwerij als tegenprestatie verstrekte leveringen of diensten, tenzij het gaat om het verstrekken van een lening, vermits deze handeling vrijgesteld is van de btw ingevolge artikel 44, § 3, 5°, van het Btw-Wetboek. Op grond van artikel 32, eerste lid, van het Btw-Wetboek is de maatstaf van heffing in principe gelijk aan de normale waarde van de door de caféhouder verrichte tegenprestatie.

Aangezien de waarde van het door de caféhouder verstrekte recht echter moeilijk te bepalen is, wordt als maatstaf van heffing de normale waarde van de door de brouwerij gedane levering of verstrekte dienst genomen. Wanneer de tegenprestatie van de brouwerij bestaat in de terbeschikkingstelling of de levering van café-uitrusting of meubilair, is de maatstaf van heffing de prijs die de caféhouder zou moeten betalen indien de goederen hem door een derde zouden zijn ter beschikking gesteld of geleverd.

c. Uitbreiding tot andere sectoren dan die van de brouwerijen

Door de beslissing nr. E.T. 104.439 van 04.04.2005 worden de hiervoor bedoelde beginselen uitgebreid tot de overeenkomsten die gesloten worden in andere sectoren dan die van de brouwerijen, op voorwaarde dat deze onder dezelfde omstandigheden worden gesloten als voornoemde brouwerijcontracten en mits aan alle voorwaarden van voornoemde beslissing (zie subrubriek b, hiervoor) wordt voldaan.

B. Overdracht van of verlenen van rechten op het recht een beroepswerkzaamheid uit te oefenen

Artikel 18, § 1, tweede lid, 6°, van het Btw-Wetboek onderwerpt aan btw de overdracht van of het verlenen (14) van al dan niet exclusieve rechten op het recht een beroepswerkzaamheid uit te oefenen.

(14) Indien de handeling slaat op de eigendom van het recht, is er sprake van een overdracht. Indien de handeling beperkt is tot de toekenning van een genotsrecht, is er sprake van het verlenen van rechten.

a. Voorwerp en aard van het contract

In de aanschrijving nr. 4/1973 van 12.01.1973, nrs. 68 en 70 worden de twee volgende handelingen onder bezwarende titel beoogd:

• de overeenkomst waarbij iemand die een handelscomplex of een ander complex uitbaat aan een ander het recht verleent een beroepswerkzaamheid binnen dat complex uit te oefenen, ongeacht of het een warenhuis, een winkelgalerij, een tentoonstelling, een hotel, een restaurant, een schouwburg, een sportstadion of dergelijke betreft

In elk geval is het vereist dat de lokalen gezamenlijk en gelijktijdig gebruikt worden voor de behoeften van hun respectievelijke economische activiteit. Overigens kan er principieel slechts worden gesproken van een recht een beroepswerkzaamheid uit te oefenen in de zin van artikel 18, § 1, tweede lid, 6°, van het Btw-Wetboek wanneer diegene die dat recht verleent, zelf reeds in het kader van zijn economische activiteit gebruik maakt van hetzelfde gebouw als dit waarop bovengenoemd recht betrekking heeft (parlementaire vraag nr. 127 van mevrouw de Volksvertegenwoordiger Trees Pieters van 23.11.1999).

Het idee hierbij is dat er bijvoorbeeld bij de uitbating van een cafetaria een economische band bestaat tussen de twee partijen. De activiteit uitgeoefend door de concessiehouder vult deze van de concessiegever aan door deze aantrekkelijker te maken.

• de overeenkomst waarbij iemand, tegen betaling van een vergoeding, aan een ander het recht overdraagt of rechten verleent op het recht om een handelsinrichting of een andere inrichting uit te baten, met dien verstande dat het essentiële voorwerp van de overeenkomst het recht is om de beroepswerkzaamheid uit te oefenen en niet het genot van de inrichting.

In deze situaties is de inmenging van de eigenaar in de activiteit van de gebruiker van het onroerend goed duidelijk, toch moeten de beperkingen en verplichtingen opgelegd aan de exploitant relevant zijn en gepaard gaan met een actieve tussenkomst van de eigenaar (schriftelijke parlementaire vraag nr. 4-1052 van Senator Alain Destexhe van 05.062008 en mondelinge parlementaire vraag nr. 8302 van mevrouw de Volksvertegenwoordiger Karine Lalieux van 12.11.2008).

Onder bovengenoemde gevallen vallen, onder andere, ook de franchiseovereenkomsten. De uitvoering van een franchiseovereenkomst is een complexe dienst die erin bestaat, tegen vergoeding, aan een franchisee de mogelijkheid te bieden om een beroepswerkzaamheid uit te oefenen onder de naam of de merknaam van de franchisor en, meer algemeen, de commerciële en technische bijstand van die franchisor te krijgen.

De franchisee moet zich in de regel onderwerpen aan controles van de franchisor.

Het onderscheid tussen het recht een beroepswerkzaamheid uit te oefenen (onderworpen aan de btw) en de onroerende verhuur (in principe vrijgesteld van de btw) wordt behandeld in ‘Boekwerk VI: Specifieke topics - Hoofdstuk 16: Specifieke topics, Afdeling 2: Onroerende goederen – Diensten, titel 4, rubriek G, subrubriek b’.

b. Draagwijdte van het begrip ‘beroepswerkzaamheid’

De kwalificatie van het verlenen van een recht om een beroepswerkzaamheid uit te oefenen veronderstelt niet de uitbating, de verkoop of de uitbating van een handelszaak.

Het feit dat de begunstigde van het recht zelf geen handelszaak uitbaat, kan bijgevolg de kwalificatie als recht om een beroepswerkzaamheid uit te oefenen bijgevolg niet uitsluiten. Het is aldus niet vereist dat de beroepswerkzaamheid uitgeoefend wordt om winst te maken.

Zo is artikel 18, § 1, tweede lid, 6°, van het Btw-Wetboek van toepassing op de overeenkomst waarbij de organisator van een tentoonstelling aan een vereniging zonder winstoogmerk het recht verleent in de tentoonstellingsruimte brochures te verkopen waarin haar filosofisch ideaal wordt verdedigd.

c. Toepassingsgevallen

Vallen aldus binnen het toepassingsgebied van artikel 18, § 1, tweede lid, 6°, van het Btw-Wetboek:

• de overeenkomst waarbij de uitbater van een hotel, van een restaurant of van een toneelzaal, aan een ander persoon het recht verleent om de vestiaire, de toiletten of een verkoopstand uit te baten in de inrichting

• de overeenkomst waarbij de uitbater van een warenhuis aan een ander persoon het recht verleent zijn eigen producten in het warenhuis tentoon te stellen of te verkopen

• de overeenkomst waarbij de uitbater van een (sport)stadion aan andere personen het recht verleent om in het stadion sommige producten te verkopen (dranken, suikergoed, frieten, kranten, enzovoort)

• de overeenkomst waarbij de uitbater van een spoorwegnet aan een ander persoon het recht verleent om buffetten en restaurants in de stations uit te baten

• de overeenkomst waarbij de uitbater van een spoorwegnet aan een ander persoon het recht verleent reclame te maken op het net

• de overeenkomst waarbij de organisator van een tentoonstelling aan een ander persoon het recht verleent om binnen de ruimte van de tentoonstelling een beroepswerkzaamheid uit te oefenen

• de overeenkomst waarbij de organisator van een muziekfestival aan zelfstandigen het recht verleent om in open lucht voeding en drank te verkopen aan de festivalbezoekers (mondelinge parlementaire vraag nr. 18.543 van de heer Volksvertegenwoordiger Tanguy Veys van 02.07.2013)

• de overeenkomst waarbij een bedrijf aan een firma het recht toekent om reclame te maken voor haar eigen producten

• de overeenkomst waarbij belastingplichtige ondernemingen aan een elektriciteitsproducent het recht verlenen zonnepanelen te plaatsen en te exploiteren op het dak van hun bedrijfsgebouw en, in dezelfde zin, een mast voor mobiele telefonie te exploiteren op het dak van een administratief gebouw

• de overeenkomst waarbij aan een telecomoperator het recht wordt verleend een ruimte te gebruiken om apparatuur voor telecommunicatie en alle toebehoren en randapparatuur te plaatsen, te onderhouden en te exploiteren met het oog op de ontvangst en uitzending van golven voor telecommunicatie in de beste omstandigheden, zonder de mogelijkheid om dat deel van het gebouw in bezit te nemen.

d. Andere kwalificaties: organisatie van een beurs, tentoonstelling of dergelijke manifestatie

In de relatie van een organisator van een beurs, een tentoonstelling of een dergelijke manifestatie tot de inzenders is, ten aanzien van de terbeschikkingstelling van een standplaats, de gesloten overeenkomst niet bedoeld in artikel 18, § 1, tweede lid, 6°, van het Btw-Wetboek, maar wordt ze voor het geheel beschouwd, ofwel als een dienst bedoeld in artikel 18, § 1, tweede lid, 1°, van het Btw-Wetboek (geheel van diensten met betrekking tot de organisatie van een beurs), ofwel als een onroerende verhuur (terbeschikkingstelling van een standplaats), maar kan in voorkomend geval ook andere kwalificaties krijgen (reclame, culturele of dergelijke activiteit, verhuur van een roerend goed) (zie titel 1, rubriek H, van deze Afdeling).

[Top]

7. Overdracht van en verlenen van licenties inzake intellectuele rechten (artikel 18, § 1, tweede lid, 7° , van het Btw-Wetboek)

A. Voorwerp en aard van het contract

Worden beoogd: de overdracht van en het verlenen van licenties inzake een octrooi, een fabrieks- of een handelsmerk, een auteursrecht, een industrietekening, een industriemodel of andere soortgelijke rechten (artikel 18, § 1, tweede lid, 7°, van het Btw-Wetboek).

Intellectuele rechten zoals die welke voortvloeien uit een octrooi, een fabrieks- of handelsmerk of een auteursrecht, zijn niet verbonden aan een persoon. Ze kunnen het voorwerp uitmaken van een overdracht van het genot of van het verlenen van rechten op het genot.

Kunstenaars, uitvinders en fabrikanten kunnen voordeel halen uit de intellectuele rechten die de wet hen verleent, hetzij door de eigendom van die intellectuele rechten over te dragen, hetzij door een tijdelijk genot op die intellectuele rechten te verlenen. Handelingen die men overdracht van intellectuele rechten of verlenen van licenties inzake die rechten noemt, zijn handelingen bedoeld in artikel 18, § 1, tweede lid, 7°, van het Btw-Wetboek. De aard van de overeenkomst waarvan de overdracht of het verlenen van rechten het gevolg is, heeft weinig belang. Om belastbaar te zijn dienen de handelingen te worden verricht onder bezwarende titel (artikel 2, eerste lid, van het Btw-Wetboek).

De inbreng in vennootschap van de eigendom of van het genot van een octrooi valt binnen het toepassingsgebied van artikel 18, § 1, tweede lid, 7°, van het Btw-Wetboek. In voorkomend geval is artikel 18, § 3, van het Wetboek van toepassing indien de genoemde handeling binnen het toepassingsgebied van artikel 11 van het Btw-Wetboek plaatsvindt (zie Afdeling 5 van dit Hoofdstuk en ‘Boekwerk VI : Specifieke topics – Hoofdstuk 16 : Specifieke topics, Afdeling 6 : Overdracht van een algemeenheid van goederen of van een bedrijfsafdeling (artikel 11 en 18, § 3, van het Btw-Wetboek).

Intellectuele rechten als bedoeld in artikel 18, § 1, tweede lid, 7°, van het Btw-Wetboek zijn onder meer:

• het recht dat voortvloeit uit een uitvindingsoctrooi en dat door de wetgeving op de octrooien wordt beschermd

• het onlichamelijk recht dat een uitvinder kan bezitten op een niet gebrevetteerd fabricageprocédé

• de rechten die door de wetgeving op de fabrieks- en handelsmerken worden erkend

• de rechten die door de wetgeving op de auteursrechten worden toegekend aan iedere auteur van een letterkundig werk of van een kunstwerk

• het recht een portret van iemand in het openbaar tentoon te stellen

• het recht een handelsnaam te gebruiken

• het recht een uithangbord te gebruiken.

B. Onderscheid met een levering van goederen

De overdracht van een kunstvoorwerp door zijn maker wordt niet als een dienst (verstrekt door een artiest in de zin van artikel 18, § 1, tweede lid, 7°, van het Btw-Wetboek) aangemerkt maar als een levering van goederen (verkoop van een lichamelijk goed in de zin van artikel 10 van het Btw-Wetboek).

Het maakt niet uit dat het goed het creatiewerk van de artiest is en dat de waarde van het kunstwerk voornamelijk het gevolg is van het unieke werk van de artiest (Hof van Justitie van de Europese Unie, Arrest Commissie tegen Finland, zaak C-169/00, van 07.03.2002, punt 35).

Wanneer iemand ten behoeve van een door hem te organiseren schouwspel een decor bestelt bij een zelfstandige decorontwerper die tegelijk het decor ontwerpt en de materiële uitvoering ervan verzorgt, heeft die handeling volgens de bedoeling van de partijen normaal niet in hoofdzaak het verlenen van auteursrechten tot onderwerp, maar de levering van een lichamelijk roerend goed (beslissing nr. E.T. 11.050 van 20.03.1973).

C. Toepassingsgevallen

Volgende handelingen maken het voorwerp uit van een dienst in de zin van artikel 18, § 1, tweede lid, 7°, van het Btw-Wetboek:

• de deelnemers van een architectenwedstrijd die, tegen betaling van een vergoeding, aan de organisatoren bepaalde rechten op de bekroonde ontwerpen toekennen en dit ongeacht of de organisatoren het ontwerp al dan niet realiseren (beslissing nr. E.T. 12.439 van 23.08.1972 – aanschrijving nr. 6/1994 van 09.03.1994, randnummer 41)

• de overdracht van of het verlenen van licenties op het recht een toneel- of ander werk in het publiek op te voeren. Dit is zo ook wanneer de overdrager of de concessieverlener aan de concessiehouder materieel ter beschikking stelt dat noodzakelijk is voor de opvoering (beslissing nr. E.T. 21.601 van 04.12.1975)

• de zogenaamde prestaties van ‘lay-out’. Aangezien dergelijke prestaties bestaan in het tot stand brengen van originele tekeningen, bladschikkingen, versieringen voor boek- en drukwerken, dienen ze te worden aangemerkt als de overdracht van of het verlenen van licenties op auteursrechten (beslissing nr. E.T. 21.772 van 21.01.1976)

• de overdracht van of het verlenen van licenties op auteursrechten in het kader van een uitgavecontract

• de overdracht of het verlenen van het recht om op elk ogenblik over een bepaalde hoeveelheid aardolieproducten te kunnen beschikken gedurende een bepaalde periode (beslissing nr. E.T. 101.960 van 29.07.2005).

D. Contract voor uitgave - vrijstelling

De rechtstreeks door de auteur of toondichter, natuurlijke personen, gesloten contracten voor uitgave van letterkundige werken of kunstwerken zijn van de btw vrijgesteld, met uitzondering van de contracten gesloten tussen twee uitgevers.

De uitgave veronderstelt dat het werk dat wordt overgedragen of waarop rechten worden verleend materieel vermenigvuldigd wordt op een aantal duurzame exemplaren, voldoende om ter beschikking van het publiek te worden gesteld (artikel 44, § 3, 3°, van het Btw-Wetboek).

De overdracht van of het verlenen van licenties op het recht een vertoning, in het openbaar, van een letterkundig of muzikaal werk uit te voeren, valt daarentegen niet onder de toepassing van die vrijstelling die enkel geldt voor uitgavecontracten (aanschrijving nr. 142/1971 van 24.09.1971).

[Top]

8. Terbeschikkingstelling van stalling voor rijtuigen (artikel 18, § 1, tweede lid, 8°, van het Btw-Wetboek)

A. Voorwerp en aard van het contract

Krachtens artikel 18, § 1, tweede lid, 8°, van het Btw-Wetboek wordt de ‘terbeschikkingstelling van stalling voor rijtuigen’ als een dienst aangemerkt. Deze dienst is bovendien, ingevolge artikel 44, 3, 2°, a), eerste streepje, van het Btw-Wetboek uitdrukkelijk uitgesloten van de btw-vrijstelling voor de onroerende verhuur.

De terbeschikkingstelling van parkeerruimte voor voertuigen beoogt iedere verhuur van oppervlakken voor het parkeren van voertuigen, daaronder begrepen gesloten garages (Hof van Justitie van de Europese Unie, Arrest Morten Henriksen, zaak C-173/88, van 13.07.1989, punten 12 tot 14 en 17).

Ter zake dient er geen onderscheid te worden gemaakt naargelang die stallingen de vorm aannemen van gemeenschappelijke garages of van een geheel van gesloten boxen of van staanplaatsen die eenvoudig afgebakend zijn door lijnen op de grond. Evenmin van belang is de gebruiksduur (per uur, per maand, per jaar, enzovoort) of de interpretatie die aan de overeenkomst wordt gegeven (bewakingscontract, onroerende verhuur…).

Het begrip ‘voertuig’ moet worden uitgelegd als alle vervoermiddelen, met inbegrip van boten (Hof van Justitie van de Europese Unie, Arrest Fonden Marselisborg Lystbådehavn, zaak C-428/02 van 03.03.2005, punten 43 en 44).

Het begrip ‘voertuig’ wordt, voor wat de plaatsbepaling van de verhuur van voertuigen betreft, gedefinieerd in artikel 38 van de uitvoeringsverordening (EU) nr. 282/2011, voornoemd (zie Afdeling 8, titel 3, rubriek E, subrubriek c, van dit hoofdstuk).

Worden bedoeld, alle vervoermiddelen voor het vervoer van personen of goederen evenals hun aanhangwagens zijn beoogd (vrachtwagen, autobus, autovoertuig, aanhangwagen voor de camping, bromfiets, fietsen, boten, caravan, vliegtuigen, enzovoort).

Zijn derhalve uitgesloten, de landbouwvoertuigen zoals een eg of een ploeg, getrokken door een tractor en uitsluitend gebruikt voor het oogsten of het bewerken van de grond, en die door hun aard niet zijn bestemd voor het vervoer van personen of goederen. Bijgevolg kan de terbeschikkingstelling van ruimte voor de stalling van voornoemde machines niet worden aangemerkt als de terbeschikkingstelling van stalling voor rijtuigen.

B. Uitoefening van een economische activiteit

Rekening houdend met de belangrijke verscheidenheid aan dienstverrichters in betreffende sector, wordt eraan herinnerd dat de terbeschikkingstelling van stalling voor rijtuigen (parkings) - ook wanneer het gesloten garages of boxen betreft – door eenieder binnen de voorwaarden van de artikelen 2, eerste lid, en 4, § 1, van het Btw-Wetboek, moet worden aangemerkt als een economische activiteit (beslissing nr. E.T. 78.929 van 21.02.1994).

Overeenkomstig artikel 9, lid 1, tweede alinea, van de richtlijn 2006/112/EG, voornoemd, worden ‘als “economische activiteit” beschouwd, alle werkzaamheden van een fabrikant, handelaar of dienstverrichter (…). Als economische activiteit wordt in het bijzonder beschouwd de exploitatie van een lichamelijke of onlichamelijke zaak om er duurzaam opbrengst uit te verkrijgen.’

Er is geen verband tussen de hoedanigheid als btw-belastingplichtige en de kwalificatie van de beroepsinkomsten inzake de personenbelasting (schriftelijke parlementaire vraag nr. 1.340 van de heer Volksvertegenwoordiger Jozef Dupré van 19.12.1994).

De aard van de economische activiteit wordt uitvoerig besproken in ‘Boekwerk I: Belastingplicht en belastbare handelingen - Hoofdstuk I: De belastingplichtige, Afdeling 3, titel 3’.

Volledigheidshalve wordt ook gewezen op de toepassing van de vrijstellingsregeling voor kleine ondernemingen binnen de beperkingen van artikel 56bis van het Btw-Wetboek en het koninklijk besluit nr. 19, voornoemd.

Wanneer een landbouwer, die onderworpen is aan de bijzondere landbouwregeling van artikel 57 van het Btw-Wetboek, stallingen voor rijtuigen ter beschikking stelt en hij voor de handelingen de vrijstellingsregeling voor kleine ondernemingen van artikel 56bis van het Btw-Wetboek niet kan genieten, is hij voor zijn volledige activiteit aan de normale btw-regeling onderworpen (beslissing nr. E.T. 78.929 van 21.02.1994).

C. Verplichte belastingheffing

De terbeschikkingstelling van stalling voor rijtuigen is een verplichte communautaire uitzondering op de vrijstelling inzake verhuur van uit hun aard onroerende goederen, op grond van artikel 135, lid 2, punt b), van de richtlijn 2006/112/EG, zoals omgezet in artikel 44, § 3, 2°, a), eerste streepje, van het Btw-Wetboek.

Deze expliciete uitzondering op de btw-vrijstelling beoogt de uitvoering van een overeenkomst die de terbeschikkingstelling van stallingen voor rijtuigen tot doel heeft.

Heeft hierbij geen belang :

• de hoedanigheid van de afnemer: belastingplichtige als zodanig handelend of geen belastingplichtige

• de termijn van de verhuur: enkele uren of verhuur over een jaar.

Zijn volgens deze wettelijke bepaling bijvoorbeeld verplicht aan de btw onderworpen:

• de terbeschikkingstelling aan bezoekers, tegen een afzonderlijke prijs, van stalling voor rijtuigen, door de organisator van een handelsbeurs, een sportwedstrijd of een andere dergelijke manifestatie (beslissing nr. E.T. 33.044 van 23.03.1981)

• de overeenkomst waarbij een gebouw dat als parkeergarage of parking werd opgericht, die enkel voor die doeleinden kan worden gebruikt, dat in zijn geheel ter beschikking wordt gesteld van een persoon die het bedoeld gebouw als parkeergarages of parking zal uitbaten. De omstandigheid dat in de parking bijkomend een kantoor of kleine ruimte is voorzien dat uitsluitend dienst doet voor de persoon belast met het beheer van parking, doet geen afbreuk aan de belastbaarheid van bovengenoemde handelingen (beslissing nr. E.T. 84.364 van 29.09.1995)

• de punctuele en occasionele terbeschikkingstelling van garages die deel uitmaken van een onroerend goed voor sociale huisvesting door sociale huisvestingsmaatschappijen, niet onderworpen aan de vrijstellingsregels voor kleine ondernemingen, aan personen die geen huurders van sociale woningen zijn.

De terbeschikkingstelling van plaatsen voor voertuigen is dus niet nauw verbonden is met een op grond van artikel 44, § 3, 2°, van het Btw-Wetboek vrijgestelde hoofdhuurovereenkomst (mondelinge parlementaire vraag nr. 03/A891 van de heer Volksvertegenwoordiger Jean-Pol Henry van 11.02.2003).

D. Eén enkele economische handeling

a. Vrijstelling (artikel 44, § 3, 2°, van het Btw-Wetboek) – Bijkomstig op een vrijgestelde verhuur

De terbeschikkingstelling van stalling voor rijtuigen kan slechts van de belasting worden vrijgesteld op grond van artikel 44, § 3, 2°, van het Btw-Wetboek op voorwaarde dat de handeling nauw verbonden is met een eveneens door dezelfde wettelijke bepaling vrijgestelde huurovereenkomst betreffende een voor een ander gebruik bestemd onroerend goed (bijvoorbeeld, voor bewoning) die zij aanvult en dus een bijkomstig is.

Dit veronderstelt dat:

• de betrokken partijen dezelfde zijn en handelen in dezelfde hoedanigheid (dit wil zeggen dezelfde huurder en dezelfde verhuurder), zelfs indien zij twee onderscheiden overeenkomsten hebben gesloten

• de stalling voor rijtuigen zich dichtbij het perceel bevindt waarop het hoofdgebouw is opgetrokken. Dit is ontegensprekelijk het geval indien de stalling voor rijtuigen en het onroerend goed bestemd voor een ander gebruik deel uitmaken van eenzelfde onroerend geheel (bijvoorbeeld appartementen, huizencomplexen…).

Wat evenwel de appartementsgebouwen betreft, is rekening houdend met het geheel dat dergelijk gebouw vormt, de voormelde vrijstelling eveneens van toepassing ten aanzien van de terbeschikkingstelling van stalling voor rijtuigen ingericht op hetzelfde terrein als het appartementsgebouw en toegestaan aan een mede-eigenaar door een andere mede-eigenaar van hetzelfde gebouw of toegestaan aan een huurder van een appartement door een andere mede-eigenaar dan diegene die het appartement in huur geeft.

De vraag of de vrijstelling verplicht van toepassing is voor de terbeschikkingstelling van stalling voor rijtuigen dient geval per geval te worden onderzocht, in functie van het al dan niet bestaan van het hogergenoemde nauwe band tussen die terbeschikkingstelling en de verhuur van een ‘hoofdgebouw’ waarbij ze bijkomstig is.

Het is bijgevolg niet uitgesloten dat de eigenaar van meerdere stallingen voor rijtuigen de vrijstelling bedoeld in artikel 44, § 3, 2°, van het Btw-Wetboek dient toe te passen voor bepaalde terbeschikkingstellingen en andere met btw moet belasten, gezien de mogelijkheid om de andere middels optie aan de btw te onderworpen (zie subrubrieken b en c, van deze rubriek, Hof van Justitie van de Europese Unie, arrest Morten Henriksen, zaak C-173/88 van 13.07.1989, punten 14 tot 16, beslissing nr. E.T. 78.929 van 21.02.1994 en beslissing nr. E.T. 106.904 van 31.03.2004).

b. Verplichte belastingheffing (artikel 44, § 3, 2°, a), zevende streepje, van het Btw-Wetboek)

Vanaf 01.01.2019 is de terbeschikkingstelling op korte termijn (maximum 6 maanden) van een uit zijn aard onroerend goed, dat niet wordt gebruikt voor bewoning, met een stalling voor rijtuigen, onderworpen aan de verplichte belastingheffing, behalve indien de afnemer :

• een natuurlijk persoon is die de goederen aanwendt voor privédoeleinden of andere doeleinden dan die van de economische activiteit, of

• een organisatie is zonder winstoogmerk, of

• een persoon die de goederen aanwendt voor een handeling bedoeld in artikel 44, § 2 van het Btw-Wetboek.

Bijvoorbeeld, wordt in zijn geheel aan de belasting onderworpen, de passieve verhuur voor zes maanden van een pop-up winkel (tijdelijke winkel) met garage door een belastingplichtige die niet valt onder toepassing van de vrijstellingsregeling, aan een handelaar, verdeler van voedingsmiddelen (artikel 44, § 3, 2°, a), zevende streepje, van het Btw-Wetboek, zie “Boekwerk VI : Specifieke topics – Hoofdstuk 16 : Specifieke topics, Afdeling 2 : Onroerende goederen – Diensten, titel 4, rubriek E, subrubriek g”).

c. Optionele belastingheffing (artikel 44, § 3, 2°, d), van het Btw-Wetboek)

Vanaf 01.01.2019 is de verhuur van een (autonoom deel van een) gebouw met stalling voor rijtuigen voor een looptijd van in principe meer dan zes maanden (ongeacht de duur indien de huurder een organisatie is zonder winstoogmerk en hij het goed aanwendt voor doeleinden bedoeld in artikel 44, § 2, van het Btw-Wetboek) vrijgesteld van de belasting of bij gezamenlijke optie door de partijen (huurder/verhuurder) belast indien :

• geen enkele opeisbaarheid van de btw zich heeft voorgedaan voor 01.10.2018 (scharnierdatum) op de onroerende werkzaamheden die bijdragen tot de oprichting of, bij uitbreiding, tot de ingrijpende of belangrijke renovatie ervan

• de huurder gebruikt het gebouw exclusief in het kader van zijn economische activiteit die hem de hoedanigheid verleent van belastingplichtige.

Bijvoorbeeld, wordt bij optie voor zijn geheel aan de belasting onderworpen, de verhuur andere dan de korte termijnverhuur, van een kantoorgebouw dat in zijn geheel werd opgericht in 2020, samen met de verhuur van een aangrenzende geasfalteerde parking (zie “Boekwerk VI : Specifieke topics – Hoofdstuk 16 : Specifieke topics, Afdeling 2 : Onroerende goederen – Diensten, titel 4, rubriek F”).

E. Handelingen buiten de werkingssfeer

Zijn niet onderworpen aan de btw :

• de organisatie van parkeergelegenheid op de openbare weg, tegen betaling en gecontroleerd door parkingmeters of door andere toestellen met dezelfde functie, wanneer deze organisatie tot stand is gekomen door een beslissing van de overheid (beslissing nr. E.T. 78.929 van 21.02.1994)

• de terbeschikkingstelling van parkeerplaatsen, door de gemeente, op de openbare weg tegen betaling van een retributie, zelfs indien de gemeente een derde belast met de inning van die retributie (circulaire 2017/C/91 van 22.12.2017 betreffende praktische toepassingsgevallen inzake de belastingplicht van publiekrechtelijke lichamen (E.T. nr. 130.932), randnummer II, 14 en 15)

• de stalling die een onderneming kosteloos ter beschikking stelt van haar personeel en die als een collectief voordeel van sociale aard wordt aangemerkt.

[Top]

9. De terbeschikkingstelling van bergruimte voor het opslaan van goederen (artikel 18, § 1, tweede lid, 9°, van het Btw-Wetboek)

A. Voorwerp en aard van de overeenkomst

a. Definitie

Op Europees niveau definieert het btw-comité een opslagdienst als zijnde ‘een dienstverrichting waarbij de ontvanger van de dienst goederen toevertrouwt aan een onderneming die deze goederen bewaart totdat deze wordt gevraagd om de goederen terug te geven aan de ontvanger van de dienst of aan een derde persoon’.

Indien de overeenkomst inzake de terbeschikkingstelling van (een deel van) een onroerend goed, waarvoor een exclusief gebruiksrecht is toegekend, in essentie betrekking heeft op de eenvoudige opslag van goederen, zonder enige andere economische activiteit (verwerking van de opgeslagen goederen), dan kwalificeert deze dienst als de terbeschikkingstelling van bergruimte voor het opslaan van goederen in de zin van artikel 18, § 1, tweede lid, 9°, van het Btw-Wetboek.

De aard van deze ruimte heeft weinig belang omdat het gaat over alle plaatsen die in België zijn gelegen, die worden gebruikt voor opslagdoeleinden en overeenkomen met een duidelijk omschreven fysieke plaats : opslagruimte, delen van gebouwen, fabriek, silo, industriële site, tank en netwerk van pijpleidingen, reservoir, aangestampte aarde bestemd voor opslag, bijvoorbeeld … (circulaire nr. 9/1996 van 05.11.1996, nummer 10, beslissing nr. E.T. 124.412 van 02.06.2014).

b. Opslagplaats volgens de normen (oppervlakte of volume)

Sinds 01.01.2019 beperkt de gecombineerde toepassing van de artikelen 18, § 1, tweede lid, 9° en 44, § 3, 2°, a), tweede streepje, van het Btw-Wetboek de verplichte belastingheffing tot de opslagplaatsen die beantwoorden aan de normen (oppervlakte of volume, volgens het meest geschikte criterium, in functie van de omstandigheden), hieronder genoemd, opslagplaats volgens de normen.

De ruimten bestemd voor exclusief gebruik door de huurder voldoen, rekening houdend met hun totale oppervlakte of totale volume, aan de normen indien zij worden gebruikt:

• voor meer dan 50% voor opslagdoeleinden

• voor maximum 10% als verkoopruimte.

Vóór 01.01.2019, was de verplichte belastingheffing voorzien in artikel 44, § 3, 2°, a), tweede streepje, van het Btw-Wetboek alleen van toepassing voor ruimten exclusief bestemd voor de opslag van goederen met als enige tolerantie een plaats van niet meer dan 10% van de totale oppervlakte (of volume) van de betrokken ruimte die louter bestemd was voor het beheer van de opgeslagen goederen. Bijgevolg was elke verkoopruimte verboden en was de hoedanigheid van de afnemer, handelend als zodanig handelend belastingplichtige of niet, van weinig belang.

De normen met betrekking tot opslagplaatsen die sinds 01.01.2019 gelden, zijn niet opgenomen in de voornoemde richtlijn 2006/112/EG. Artikel 135, § 2, eerste lid van deze richtlijn voorziet geen uitzondering op de btw-vrijstelling in het kader van de onroerende verhuur voor de prestatie van de terbeschikkingstelling van een ruimte voor de opslag van goederen. De Belgische wetgever heeft voor deze prestatie een uitzondering toegevoegd op de vrijstelling op basis van de mogelijkheid die hem is aangeboden door artikel 135, § 2, tweede lid van deze richtlijn, in artikel 44, § 3, 2°, a), tweede streepje van het Btw-Wetboek. Hieruit volgt dat deze uitzondering op de vrijstelling niet valt onder een communautair begrip en dus op een autonome wijze door het Belgische recht wordt geïnterpreteerd.

De draagwijdte van deze normen dient nader te worden gespecificeerd aangezien deze tussenkomen op 2 niveaus:

• de definitie van de werkingssfeer van artikel 44, § 3, 2°, a), tweede streepje, van het Btw-Wetboek dat een verplichte belastingheffing voorziet voor de terbeschikkingstelling van ruimten in opslagplaatsen die voldoen aan de normen

De verplichte belastingheffing van de terbeschikkingstelling van opslagruimten is echter niet van toepassing indien de optionele belastingheffing, die gezamenlijk door de beide partijen (dienstverrichter/afnemer) als belastingplichtigen wordt uitgeoefend, kan worden toegepast zoals voorzien in artikel 44, § 3, 2°, d) van het Btw-Wetboek.

• voor de toepassing van de voormelde optionele belastingheffing indien aan de hierboven vermelde normen werd voldaan: de opheffing van de voorwaarde waarbij de btw op de materiële oprichting van de opslagruimte of van de belangrijke of ingrijpende renovatie ervan niet opeisbaar is geworden vóór 01.10.2018 (zie artikel 44, § 3, 2°, d), derde lid, van het Btw-Wetboek).

c. Voorbeelden

Worden bedoeld door artikel 18, § 1, tweede lid, 9°, van het Btw-Wetboek:

• het in bewaring plaatsen van bagage in de bagagedepots van spoorwegstations

• het ter beschikking stellen van ruimten voor de bewaring van archieven

• het ter beschikking stellen van ruimten in koelkamers

• de opslag van granen en oliehoudend zaad in silo's

• de opslag van goederen op de kades en loodsen van havens

• de opslag van petroleum, benzine, gasolie of brandstof in reservoirs en in tanks

• het ter beschikking stellen van afgesloten ruimten in een complex dat inzonderheid is ingericht om goederen in op te slaan of te bewaren (bijvoorbeeld zogenaamde ‘mini- of selfstorage’)

• de handeling waarbij een persoon een derde toestaat om op een hem toebehorend terrein goederen, zoals bijvoorbeeld containers, op te slaan voor zover dit terrein daadwerkelijk voor die doeleinden wordt gebruikt

• de terbeschikkingstelling van alle ruimten of plaatsen die bestemd zijn voor de opslag, voor zover dat deze laatsten effectief ontworpen zijn voor de opslag van goederen en voornamelijk gebruikt worden voor die doeleinden (zie beslissing nr. E.T. 84.364 van 29.09.1995, aangepast).

B. Uitoefening van een economische activiteit

Rekening houdend met de belangrijke verscheidenheid aan dienstverrichters in betreffende sector, wordt eraan herinnerd dat de terbeschikkingstelling van bergruimte voor het opslaan van goederen door eenieder binnen de voorwaarden van de artikelen 2, eerste lid en 4, § 1, van het Btw-Wetboek, moet worden aangemerkt als een economische activiteit.

De aard van de economische activiteit wordt uitvoerig besproken in ‘Boekwerk I: Belastingplicht en belastbare handelingen - Hoofdstuk I: De belastingplichtige, Afdeling 3, titel 3’.

Volledigheidshalve wordt ook gewezen op de toepassing van de vrijstellingsregeling voor kleine ondernemingen binnen de beperkingen van artikel 56bis van het Btw-Wetboek en het koninklijk besluit nr. 19, voornoemd.

C. Belastingheffing of toepassing van een vrijstelling?

De terbeschikkingstelling ten bezwarende titel (met rechtstreekse tegenprestatie), van opslagruimten in België (locatie van de opslagruimte), door een belastingplichtige als zodanig handelend, is belastbaar, onder voorbehoud van de toepassing van een vrijstelling met recht op aftrek (artikel 41 van het Btw-Wetboek) of zonder recht op aftrek (artikel 44, § 3, 2°, van het Btw-Wetboek).

Overeenkomstig artikel 41 van het Btw-Wetboek kunnen diensten met betrekking tot de terbeschikkingstelling van ruimten voor de opslag van goederen van de btw worden vrijgesteld.

Dit zal voornamelijk het geval zijn indien de goederen worden opgeslagen in ruimten die exclusief bestemd zijn voor de opslag van btw-goederen of indien de opslag betrekking heeft op van de btw vrijgesteld vervoer (zie ‘Boekwerk II: Bepaling van de belastbare basis en het toepasselijke tarief – Hoofdstuk 8: Vrijstellingen voor uitvoer, intracommunautaire leveringen en verwervingen, invoer en internationaal vervoer’).

De sinds 01.01.2019 van toepassing zijnde vrijstelling met betrekking tot de onroerende verhuur overeenkomstig artikel 44, § 3, 2° van het btw-Wetboek wordt bij wijze van uitzondering niet toegepast omwille van:

• Terug te vallen op de verplichte belastingheffing van de verhuur van een ruimte voor de opslag van goederen die zich bevindt in of op een gebouw of een deel van een gebouw, en beantwoordt aan een opslagplaats volgens de normen (zie rubriek A, subrubriek b, van deze titel) en dit:

- ongeacht de looptijd in het geval van de verhuur waarbij de huurder deze niet louter in het kader van een economsche activiteit gebruikt die hem de hoedanigheid verleent van belastingplichtige (artikel 44, § 3, 2°, a), tweede streepje, van het Btw-Wetboek) , (indien de ruimte zich bevindt op een onbebouwd terrein, is de regeling voorzien bij deze terbeschikkingstelling van toepassing ongeacht de hoedanigheid van de afnemer en de aard van het gebruik van het goed).

- rekening houdend met de korte termijn (maximum zes maand) van de verhuur in het geval van een exclusief economisch gebruik door een afnemer andere dan een:

* organisatie zonder winstoogmerk, of

* persoon die de genoemde ruimte aanwendt voor doeleinden bedoeld in artikel 44, § 2, van het Btw-Wetboek, bijvoorbeeld, de opslag van een theaterdecor (artikel 44, § 3, 2°, a), zevende streepje, van het Btw-Wetboek), (indien de ruimte zich bevindt op een onbebouwd terrein, is de regeling voorzien voor deze terbeschikkingstelling enkel van toepassing indien de opslagruimte niet beantwoordt aan de normen gedefinieerd in rubriek A, subrubriek B, van deze titel)

• het toelaten van de optionele belastingheffing bij gezamenlijke akkoord tussen de bij de verhuur betrokken partijen:

* van een gebouw of een autonoom deel van een gebouw, beschouwd als een opslagplaats volgens de normen (zie rubriek A, subrubriek b, van deze titel). Het heeft hier geen belang of de btw geheven van de materiële oprichting van het gebouw of de ingrijpende renovatie ervan vóór 01.10.2018 opeisbaar is geworden of niet

* exclusief bestemd voor economische doeleinden

* voor een periode van meer dan 6 maanden (behalve indien de huurder een organisatie zonder winstoogmerk is of hij het goed gebruikt voor doeleinden bedoeld in artikel 44, § 2, van het Btw-Wetboek), (artikel 44, § 3, 2°, d), van het Btw-Wetboek).

D. Eén enkele economische handeling

Wordt beschouwd als één enkele economische handeling, de terbeschikkingstelling van een bergruimte voor het opslaan van goederen, die nauw verbonden is met de verhuur van een gebouw bestemd voor een ander gebruik (bewoning, handel, industrie…) en die deze aanvult. Zij vormt dus een aanvulling.

Dit veronderstelt eenzelfde huurder, eenzelfde verhuurder alsook een zekere nabijheid te hebben.

Deze handeling is, zoals hieronder gespecifieerd, voor het geheel onderworpen aan dezelfde btw-regeling als deze van de verhuur van het hoofdgebouw.

a. Vrijstelling (artikel 44, § 3, 2°, van het Btw-Wetboek) – Aanvulling bij een vrijgestelde verhuur.

Op grond van artikel 44, § 3, 2° van het Btw-Wetboek kan de terbeschikkingstelling van een ruimte bedoeld voor de opslag van goederen slechts worden vrijgesteld van btw indien zij nauw verbonden is met een huur die zelf vrijgesteld is op grond van deze wettelijke bepaling en die betrekking heeft op een gebouw bestemd voor een ander gebruik (bijvoorbeeld bewoning) en die deze aanvult.

Dit veronderstelt, zoals reeds hierboven vermeld, eenzelfde verhuurder, eenzelfde huurder, een zekere nabijheid.

De terbeschikkingstelling door eenzelfde verhuurder aan eenzelfde huurder van een appartement met bijhorende kelders is bijvoorbeeld voor het geheel vrijgesteld van de btw.

b. Verplichte belastingheffing (artikel 44, § 3, 2°, a), zevende streepje, van het Btw-Wetboek)

Vanaf 01.01.2019, is bijvoorbeeld de terbeschikkingstelling aan een handelsvennootschap door eenzelfde verhuurder en voor een periode van maximaal 6 maanden, van een industrieel gebouw en een bijhorende opslagruimte (minder dan 50% van de totale oppervlakte (volume)) die beiden deel uitmaken van eenzelfde geheel, verplicht belast.

c. Optionele belastingheffing (artikel 44, § 3, 2°, d), van het btw-Wetboek)

Vanaf 01.01.2019 is bijvoorbeeld de terbeschikkingstelling voor een periode van een jaar door eenzelfde verhuurder aan eenzelfde belastingplichtige huurder van een volledig in 2020 opgericht industrieel gebouw met bijhorende opslagruimte (minder dan 50% van de totale oppervlakte (volume)) die beide deel uitmaken van eenzelfde geheel, onderworpen aan de optionele belastingheffing.

Voor uitgebreide commentaar met betrekking tot de opslag van goederen wordt verwezen naar ‘Boekwerk VI: Specifieke topics – Hoofdstuk 16: Specifieke topics, Afdeling 2: Onroerende goederen – Diensten, titel 4, rubriek E, subrubriek b’.

[Top]

10. Logies van betalende gasten en camping (artikel 18, § 1, tweede lid, 10°, van het Btw-Wetboek)

A. Verschaffen van gemeubeld logies aan betalende gasten in hotels, motels en instellingen met een soortgelijke functie

a. Aard en voorwerp van de overeenkomst

‘Het verschaffen van gemeubeld logies’ wordt beschouwd als een dienst beoogd door artikel 18, § 1, tweede lid, 10°, van het Btw-Wetboek. Bovendien wordt, onder bepaalde voorwaarden, deze dienst expliciet uitgesloten van de vrijstelling inzake onroerende verhuur van artikel 44, § 3, 2°, a), derde streepje, van het Btw-Wetboek, hetgeen neerkomt op een belasting van rechtswege.

De toepassing van deze wettelijke bepalingen is ondergeschikt aan het bestaan van een exploitatie die de uitvoering van een huisvestingscontract, omvattende verschillende diensten, tot doel heeft.

Artikel 44, § 3, 2°, a), derde streepje, van het Btw-Wetboek vormt de omzetting van artikel 135, lid 2, eerste alinea, punt a), van Richtlijn 2006/112/EG, voornoemd die bepaalt dat van de principiële vrijstelling inzake onroerende verhuur zijn uitgesloten “het verstrekken van accommodatie, als omschreven in de wetgeving van de lidstaten, in het hotelbedrijf of in sectoren met een soortgelijke functie, met inbegrip van de verhuuraccommodatie in vakantiekampen of op kampeerterreinen”.

De lidstaten beschikken over een beoordelingsmarge om te bepalen welke accommodatieverstrekkingen, in afwijking van de vrijstelling voor verpachting en verhuur van onroerende goederen, moeten worden belast. Deze marge wordt begrensd door het doel van artikel 135, lid 2, eerste alinea, punt a), van Richtlijn 2006/112/EG. Die bepaling heeft namelijk de bedoeling om te verzekeren dat het belast verschaffen van accommodatie in het hotelbedrijf of in sectoren met soortgelijke functies wordt onderscheiden van vrijgestelde handelingen, zoals de verpachting en de verhuur van onroerende goederen. Het staat derhalve aan de lidstaten om in dat kader criteria in te voeren die zij passend achten om dit onderscheid te maken.

De toepassing van het criterium verstrekking van accommodatie van korte duur, lijkt een redelijk middel om te verzekeren, dat belasting wordt geheven over de handelingen van belastingplichtigen die een activiteit uitoefenen welke overeenstemt met de essentiële functie van een hotel, te weten het tijdelijk verstrekken van accommodatie in het kader van een commerciële relatie.

Dat criterium lijkt een gemakkelijk en passend criterium ter verwezenlijking van het artikel van de richtlijn 2006/112/EG, dat erin bestaat de correcte en eenvoudige toepassing van de in die bepaling neergelegde vrijstellingen te verzekeren (Hof van Justitie van de Europese Unie, Arrest Elisabeth Blasi, zaak C-346/95, van 12.02.1998, punten 21 tot 25).

Zoals de Advocaat-generaal heeft aangegeven in zijn conclusie in de voormelde zaak Blasi voor het Hof, worden bij de verhuur van woonruimte voor korte duur de andere goederen en diensten die normaal in hotels worden verstrekt, zoals maaltijden, drank, beddengoed en de schoonmaak van de kamers, niet noodzakelijkerwijze allemaal verstrekt. Vast staat evenwel nog volgens de Advocaat-generaal, dat een belastingplichtige die bijvoorbeeld voor korte duur woonruimte aan vakantiegangers verhuurt, in wezen dezelfde functie vervult als, en concurreert met, een belastingplichtige in de hotelsector. Het wezenlijke verschil tussen dergelijke verhuur en de vrijgestelde verhuur van woonruimte is volgens hem het tijdelijk karakter van de accommodatie.

Hoe dan ook zal er, alsnog volgens de Advocaat-generaal, bij verhuur van korte duur eerder sprake zijn van bijkomende diensten zoals het verstrekken van beddengoed en de schoonmaak van de gemeenschappelijke ruimtes van gebouwen of van de accommodatie zelf. Verhuur van korte duur vergt een meer actieve exploitatie van het goed dan verhuur van lange duur, aangezien meer toe-

zicht en beheer vereist is (conclusie Advocaat-generaal, Arrest Elisabeth Blasi, zaak C-346/95, punt 19).

Volgens vaste rechtspraak verzet het beginsel van fiscale neutraliteit, dat ter zake van de btw uitdrukking heeft gegeven aan het algemene beginsel van gelijke behandeling, zich er inderdaad met name tegen dat soortgelijke goederen of diensten, die dus met elkaar concurreren, voor de heffing van de btw verschillend worden behandeld (Hof van Justitie van de Europese Unie, Arrest W.T., zaak C-449/19, van 17.12.2020, punt 48 en de geciteerde rechtspraak).

b. Uitoefening van een economische activiteit

Rekening houdend met de belangrijke verscheidenheid aan dienstverrichters in betreffende sector, wordt eraan herinnerd dat het verschaffen van gemeubeld logies door eenieder binnen de voorwaarden van de artikelen 2, eerste lid, en 4, § 1, van het Btw-Wetboek, moet worden aangemerkt als een economische activiteit.

De betrokken belastingplichtige is ten aanzien van zijn klanten alleen verantwoordelijk voor het verschaffen van logies. Hij kan uiteraard beroep doen op een onderaannemer, bijvoorbeeld voor het verschaffen van een ontbijt. Niettemin moet hij zijn economische activiteit in eigen naam, voor eigen rekening en onder zijn eigen verantwoordelijkheid verrichten, en het aan die activiteiten verbonden economisch risico dragen (Hof van Justitie van de Europese Unie, Arrest G.W., zaak C-276/14, van 29.09.2015, punt 34 en geciteerde rechtspraak).

De nadruk ligt dus hoofdzakelijk op de aard van de verstrekte handeling in de plaats van de hoedanigheid van de persoon die deze verstrekt.

Dit is bijvoorbeeld het geval voor volgende inrichtingen:

• hotels, motels, pensions, herbergen …

• de inrichtingen die geregeld aan betalende gasten onderdak verlenen voor een kortere tijdsduur dan een nacht, zelfs wanneer noch spijzen, noch dranken worden verschaft (rendez-vous huis, lusthuis, enzovoort) (beslissing nr. E.T. 6.381 van 18.06.1971)

• de aparthotels (beslissing nr. E.T. 88.687 van 06.04.1999)

• de gastenkamers of bed & breakfast, die aan toeristen worden verhuurd door particulieren. Noch de hoedanigheid van de exploitant (iemand die een andere activiteit beoefent in hoofdberoep, iemand zonder beroep, gepensioneerde), noch het aantal verhuurde kamers of het feit of al dan niet publiciteit wordt gevoerd, is ter zake relevant, maar het is duidelijk dat er onbetwistbaar sprake is van de uitoefening van een geregelde economische activiteit wanneer de gegevens van de betrokkene opgenomen zijn in een toeristische gids (beslissing nr. E.T. 98.904 van 30.05.2002).

Wanneer een exploitant van een hotelinrichting of degene die, meer algemeen, onderdak verschaft aan betalende gasten, aan iemand tegen betaling het recht toekent om vanuit een vensterraam een manifestatie op de openbare weg bij te wonen, gaat het om een handeling verricht in het kader van de normale beroepswerkzaamheid van die exploitant. Die handeling is een dienst als bedoeld in artikel 18, § 1, tweede lid, 10°, van het Btw-Wetboek die in de regel aan de btw onderworpen is (beslissing nr. E.T. 29.271 van 09.04.1979).

De aard van de economische activiteit wordt uitvoerig besproken in ‘Boekwerk I: Belastingplicht en belastbare handelingen - Hoofdstuk I: De belastingplichtige - Afdeling 3, titel 3’.

c. Belastingheffing of vrijstelling volgens de administratieve criteria tot 30.06.2022

De draagwijdte van de betrokken vrijstelling werd door de administratieve doctrine bepaald.

Het kon gaan om instellingen die werden uitgebaat onder de in de wetgeving op de hotelinrichtingen gestelde voorwaarden dan wel onder een ander statuut en die werden gekenmerkt door een permanente organisatie die al de materiële en menselijke factoren verenigt die het mogelijk maken aan de gasten diensten te verstrekken, zoals de ontvangst van de gasten, het ter beschikking stellen van gemeubelde kamers en huishoudlinnen (beddengoed, dekens, handdoeken, washandje, en dergelijke), het regelmatig onderhoud en schoonmaken van de kamers, met inbegrip van het verversen van het huishoudlinnen en, eventueel, het verschaffen van het ontbijt.

De inrichtingen die niet dit geheel van diensten verschaften, kwamen echter toch voor het belasten van hun handelingen in aanmerking als uit concrete feiten bleek dat systematisch aan alle klanten, voor een globale prijs een dienst werd aangeboden en verstrekt die zowel bestond in:

• het ter beschikking stellen van gemeubeld logies (van welke aard ook, kamer, appartement, chalet in een vakantiepark …)

• het onthaal ter plaatse van gasten gedurende een groot gedeelte van de dag.

De administratie aanvaardde dat het onthaal werd verzekerd:

* in de inrichting zelf of in de onmiddellijke nabijheid ervan, door de exploitant zelf of door een derde met wie een overeenkomst ter zake werd gesloten

* gezien de technologische evolutie, op een digitale wijze (via sms, e-mail…), tijdens de kantooruren indien een persoonlijk onthaal kon worden verzekerd wanneer de omstandigheden het vereisten en, meer algemeen, op een bijna permanente wijze, indien een persoon bereikbaar en beschikbaar was om vragen te beantwoorden en doorlopend bijstand te verlenen aan de betalende gasten.

• en, volgens de door de uitbater vastgestelde formule, minstens één van de volgende bijkomende diensten:

* het regelmatig onderhoud en schoonmaken van gemeubelde kamers tijdens het verblijf

* het verschaffen en het verversen van het huishoudlinnen gedurende het verblijf, of

* het verschaffen van een ontbijt op de kamers of in de eetzaal van de inrichting (aanschrijving nr. 17/1994 van 08.08.1994, randnummer 2, beslissing nr. E.T. 88.687 van 06.04.1999, schriftelijke parlementaire vragen nr. 1.865 van mevrouw de Senator Clotilde Nyssens van 04.02.2002 en nr. 768 van de heer Volksvertegenwoordiger Richard Fournaux van 02.05.2005 en parlementaire vraag nr. 292 van de heer Egbert Lachaert dd. 30.03.2020).

d. Belastingheffing of vrijstelling volgens de wettelijke criteria vanaf 01.07.2022

• Combinatie van een wettelijk bepaald kwantitatief en kwalitatief criterium

Vanaf 01.07.2022 moet voor het belasten als uitzondering op de vrijstelling inzake onroerende verhuur het verschaffen van gemeubeld logies voldoen aan de voorwaarden bepaald in artikel 44, § 3, 2°, a), derde streepje, van het Btw-Wetboek.

Door wettelijk deze uitzondering op de vrijstelling te beperken, wordt het toepassingsgebied van de effectieve belastingheffing bijgevolg binnen nauwere grenzen teruggebracht.

Die wettelijke grenzen berusten op de combinatie van:

o een kwantitatief criterium bestaande in een periode van minder dan drie maanden dat twee keer wordt gebruikt om:

§ de maximumduur van het verblijf van de betalende gast te bepalen in alle inrichtingen, met inbegrip van hotels en motels

§ op basis van de gebruikelijke activiteit, de aard van de inrichtingen met een soortgelijke functie als hotels of motels in strikte zin te bepalen.

o en een kwalitatief criterium bestaande in de nauw samenhangende diensten die gewoonlijk door hotels of motels worden verschaft en die dus enkel worden vereist in hoofde van de inrichtingen met een soortgelijke functie waar aan betalende gasten onderdak wordt verleend voor een periode van minder dan drie maanden.

• Kwantitatief criterium van minder dan drie maanden

Het kwantitatieve criterium van minder dan drie maanden heeft bijgevolg een dubbele uitwerking, met name zowel ten aanzien van het materiële als het personele toepassingsgebied.

Enerzijds bepaalt het ten aanzien van alle inrichtingen met inbegrip van hotels en motels de maximale duur van de overeenkomsten met betrekking tot de bedoelde diensten inzake het verschaffen van logies.

Derhalve is het verschaffen van logies voor een periode van drie maanden of meer steeds van de btw vrijgesteld, ongeacht de aard van de dienstverlener.

Zo zal bijvoorbeeld de hotelinrichting die om één of andere reden een kamer ter beschikking stelt van een klant voor een ongebruikelijk lange periode van meer dan drie maanden (bijvoorbeeld in het kader van een beroepsmatige detachering) die dienst moeten vrijstellen zodra de termijn van drie maanden wordt overschreden ook al gaat het om een inrichting die gewoonlijk dergelijke diensten verricht voor een periode van minder dan drie maanden.

Anderzijds beperkt het criterium de belastingheffing tot de inrichtingen met een soortgelijke functie als hotels of motels die gewoonlijk gemeubeld logies ter beschikking stellen aan hun klanten voor een periode van minder dan drie maanden.

Derhalve moeten de inrichtingen met een soortgelijke functie als hotels of motels die gewoonlijk onderdak verlenen aan betalende gasten voor een periode van drie maanden of meer, zoals bijvoorbeeld een aparthotel, al hun handelingen inzake het verschaffen van gemeubeld logies vrijstellen van btw, zelfs indien het uitzonderlijk gaat om een verblijf van minder dan drie maanden.

Bijgevolg zal bijvoorbeeld niet worden belast, de terbeschikkingstelling van een studentenkamer voor een periode van minder dan drie maanden door een belastingplichtige die gewoonlijk onderdak verleent aan studenten op grond van overeenkomsten van drie, zes, tien of twaalf maanden, wat meestal het geval is.

• Kwalitatief criterium van de samenhangende diensten

o Hotels en motels

De uitbater van een hotel of motel verstrekt steeds alle gebruikelijke diensten de samenhangen met de tijdelijke terbeschikkingstelling van gemeubeld logies aan betalende gasten. Derhalve moet hij, met het oog op de belastingheffing, enkel nagaan of de contractuele duur van het verblijf minder dan drie maanden bedraagt, zonder dat hij zich hoeft te bekommeren om de samenhangende diensten die hij in elk geval verstrekt.

Daarom is de vraag inzake nauw samenhangende diensten niet pertinent voor hotels en motels die hoe dan ook enkel worden onderworpen aan het kwantitatieve criterium van minder dan drie maanden. Die inrichtingen moeten inderdaad worden beschouwd als bedoeld in artikel 135, lid 2, eerste alinea, a), van de Richtlijn 2006/112/EG.

Artikel 44, § 3, 2°, a), derde streepje, van het Btw-Wetboek moet in die zin gelezen worden dat op dat punt een onderscheid gemaakt wordt tussen enerzijds hotels en motels en anderzijds de inrichtingen met een soortgelijke functie waar gewoonlijk aan betalende gasten onderdak wordt verleend voor een periode van minder dan drie maanden, tenzij die inrichtingen geen van de er geciteerde nauw samenhangende diensten verrichten.

o Inrichtingen met een soortgelijke functie als hotels of motels

Het bijkomend criterium inzake de samenhangende diensten wordt slechts wettelijk geëist van de aan hotels en motels gelijksoortige inrichtingen om ervoor te zorgen dat deze niet in het toepassingsgebied van de belastingheffing terechtkomen louter door de toepassing van het kwantitatieve criterium dat als belangrijkste onderscheidingscriterium wordt gehanteerd en om de verhuren van de belastingheffing uit te sluiten die voor een zeer korte periode worden toegestaan en worden gekenmerkt door het uitzonderlijk passief karakter van de dienstverrichters.

Wordt expliciet belast, het verschaffen van gemeubeld logies, voor een periode van minder dan drie maanden, door een inrichting met een soortgelijke functie als een hotel of motel indien de volgende cumulatieve voorwaarden zijn vervuld:

* deze inrichting verleent gewoonlijk aan betalende gasten onderdak voor een periode van minder dan drie maanden

* en een van de volgende nauw samenhangende diensten wordt rechtstreeks door de exploitant of door een derde voor zijn rekening verricht: instaan voor het fysiek onthaal van de gasten of de terbeschikkingstelling van huishoudlinnen en, wanneer het gemeubeld logies wordt verstrekt voor een periode van meer dan een week, de vervanging ervan tenminste eenmaal per week, of het dagelijks verschaffen van het ontbijt.

Zijn niet meer pertinent:

* de samenhangende dienst inzake de regelmatige schoonmaak van het gemeubeld logies. Deze dienst wordt immers quasi systematisch voorgesteld, ongeacht het type van gemeubeld logies, zoals bijvoorbeeld de verhuur voor twee weken van een appartement aan de Belgisch kust of van een vakantiehuis in de Ardennen

* de opmaak van een globale prijs.

In elk geval zal voor een inrichting met een soortgelijke functie als een hotel of motel die gewoonlijk voor een periode van minder dan drie maanden onderdak verschaft aan betalende gasten, het verstrekken van ten minste één van de wettelijk vereiste diensten, ongeacht of zij al dan niet bijkomend worden aangerekend ten opzichte van de prijs van het gemeubeld logies, de belastingheffing op deze prestatie tot gevolg hebben, wanneer die uiteraard is ingebed in overeenkomsten van minder dan drie maanden.

• Overzicht

Wanneer is het verstrekken van gemeubeld logiesbelast of vrijgesteld ?
Hotels, motelsInrichtingen met een soortgelijke functie
VerblijfsduurVerblijfsduur
‹ 3 maanden≥ 3 maanden‹ 3 maanden≥ 3 maanden
‘Gewoonlijke’ verblijfsduur van betalende gasten in de inrichting
‹ 3 maanden≥ 3 maanden
Samenhangende diensten? (fysiek onthaal van de gasten, huishoudlinnen, dagelijks ontbijt)
Minstens 1 dienstGeen dienst
BelastVrijgesteldBelastVrijgesteldVrijgesteldVrijgesteld

Het onderscheid tussen het belaste en vrijgestelde verschaffen van gemeubeld logies volgens de criteria bepaald in artikel 44, § 3, 2°, a), derde streepje, van het Btw-Wetboek, van toepassing vanaf 01.07.2022, wordt uitgebreid besproken in de memorie van toelichting van de wet van 27.12.2021 houdende diverse bepalingen inzake belasting over de toegevoegde waarde (Kamer, Doc 55/2279/001, pagina’s 07-19).

e. Bijzondere regelingen

Sinds 01.01.2022 is de vrijstellingsregeling voor kleine ondernemingen niet meer van toepassing op het verschaffen van gemeubeld logies bedoeld in artikel 44, § 3, 2°, a), derde streepje, van het Btw-Wetboek, behalve indien de dienst wordt verstrekt door een natuurlijke persoon onder de voorwaarden van artikel 50, § 4, van het Btw-Wetboek in het kader van de deeleconomie (artikel 56bis, § 3, 6°, van het Btw-Wetboek).

Een van de voorwaarden die vanaf 01.07.2022 gelden is de tussenkomst van een erkend platform.

f. De terbeschikkingstelling, in hun geheel, van hotels, motels en gelijksoortige inrichtingen waar betalende gasten verblijven: belastingvrijstelling behalve bij optionele belastingheffing

De loutere terbeschikkingstelling, in hun totaliteit, van hotels, motels en gelijksoortige inrichtingen waar aan betalende gasten onderdak wordt verleend is in principe een vrijgestelde onroerende verhuur (artikel 44, § 3, 2°, van het Btw-Wetboek, beslissing nr. E.T. 84.364 van 29.09.1995).

Sinds 01.01.2019 kan, voor zover de btw niet opeisbaar is geworden vóór 01.10.2018 (scharnierdatum) op materiële onroerende werken die specifiek bijdragen tot de oprichting of ingrijpende renovatie van het (deel van het) gebouw, deze handeling, onder bepaalde voorwaarden, onderworpen worden aan de optionele belastingheffing (artikel 44, § 3, 2°, d), van het Btw-Wetboek, zie ‘Boekwerk VI: Specifieke topics – Hoofdstuk 16: Specifieke topics, Afdeling 2: Onroerend goederen – Diensten, titel 4, rubriek F’).

g. Terbeschikkingstelling van gemeubeld logies dat in functie van een bepaald doel wordt vrijgesteld

Het verschaffen van gemeubelde logies door volgende instellingen kan, onder bepaalde voorwaarden van de btw vrijgesteld zijn:

• door ziekenhuizen en klinieken (artikel 44, § 2, 1°, a), van het Btw-Wetboek)

• door instellingen die de bejaardenzorg tot doel hebben en als zodanig zijn erkend door de bevoegde overheid (artikel 44, § 2, 2°, tweede lid, eerste streepje, van het Btw-Wetboek)

• kinderbewaarplaatsen, zuigelingentehuizen en de instellingen die in hoofdzaak het toezicht over jongelui en de zorg voor hun onderhoud, opvoeding en vrijetijdsbesteding tot doel hebben (artikel 44, § 2, 2°, tweede lid, tweede streepje, van het Btw-Wetboek)

• door pensionaten en internaten die toegevoegd zijn aan onderwijsinstellingen of ervan afhangen (artikel 44, § 2, 4°, a), van het Btw-Wetboek) (zie ‘Boekwerk II: Bepaling van de belastbare basis en het toepasselijke tarief - Hoofdstuk 9: Vrijstellingen beoogd door artikel 44 van het Btw-Wetboek Afdeling 11, titel 3’).

B. Terbeschikkingstelling van een plaats om te kamperen

a. Voorwerp en aard van het contract

‘De terbeschikkingstelling van een plaats om te kamperen’ is een dienst als bedoeld in artikel 18, § 1, tweede lid, 10°, van het Btw-Wetboek die, door artikel 44, § 3, 2°, a), vierde streepje, van het Btw-Wetboek, eveneens uitdrukkelijk is uitgesloten van de vrijstelling voor de verpachting en de verhuur van uit hun aard onroerende goederen.

Zoals bij het verschaffen van gemeubelde logies (zie rubriek A, van deze titel), dient om te kunnen nagaan of de terbeschikkingstelling van een plaats om te kamperen beoogd wordt door artikel 18, § 1, tweede lid, 10°, van het Btw-Wetboek, de nadruk te worden gelegd op de aard van de handeling in de plaats van de hoedanigheid van de persoon die deze verstrekt.

Inzake btw wordt als kampeerterrein aangemerkt, iedere terrein dat wordt gebruikt om te kamperen en waarop tenten, caravans, stacaravans of andere soortgelijke verblijven worden geplaatst.

Ter zake dient dan ook geen onderscheid te worden gemaakt of de terbeschikkingstelling van een plaats om te kamperen al dan niet gebeurt in overeenstemming met de ter zake geldende wetgeving.

Evenmin van belang zijn de duur van de terbeschikkingstelling (per dag, per week, per maand, per jaar, enzovoort) of de interpretatie die aan de overeenkomst wordt gegeven (onroerende verhuur).

De terbeschikkingstelling van een terrein in zijn geheel dat ingericht en uitgerust is als kampeerterrein (een schuilplaats, sanitaire installatie, zwembad, enzovoort), en dat enkel voor die doeleinden kan worden gebruikt is een dienst bedoeld in artikel 18, § 1, tweede lid, 10°, van het Btw-Wetboek en is in de regel onderworpen aan de belastingheffing.

De omstandigheid dat op dat terrein een kantoor of een kleine ruimte is voorzien dat uitsluitend wordt gebruikt door het personeel belast met het beheer van het kampeerterrein, doet geen afbreuk aan de belastbaarheid van voornoemde handeling (beslissing nr. E.T. 84.364 van 29.09.1995).

b. Uitoefening van een zelfstandige economische activiteit

Rekening houdend met de belangrijke verscheidenheid aan dienstverrichters in betreffende sector, wordt eraan herinnerd dat de terbeschikkingstelling van een plaats om te kamperen door eenieder binnen de voorwaarden van de artikelen 2, eerste lid en 4, § 1, van het Btw-Wetboek, moet worden aangemerkt als een economische activiteit.

De aard van de economische activiteit wordt uitvoerig besproken in ‘Boekwerk I: Belastingplicht en belastbare handelingen - Hoofdstuk I: De belastingplichtige - Afdeling 3, titel 3’.

Worden daarentegen niet als een economische activiteit in de zin van artikel 4, § 1, van het Btw-Wetboek aangemerkt:

• de particulier die tegen betaling van een vergoeding gedurende maximum zestig dagen per jaar een terrein om te kamperen ter beschikking stelt van georganiseerde groepen kampeerders die onder toezicht van monitoren staan en alleen tenten gebruiken

• de pachter die tegen betaling van een vergoeding aan één of twee gezinnen het recht geeft om te kamperen op een weide waarvan hij het genot heeft.

Volledigheidshalve wordt ook gewezen op de toepassing van de vrijstellingsregeling voor kleine ondernemingen binnen de beperkingen van artikel 56bis van het Btw-Wetboek en het koninklijk besluit nr. 19, voornoemd. De bijzonderheden van de deeleconomie dienen ook in aanmerking te worden genomen (artikel 50, § 4, van het Btw-Wetboek).

c. Onderscheid met een vrijgestelde onroerende verhuur

Wordt daarentegen niet aangemerkt als een kampeerterrein, het terrein waarop standplaatsen worden ter beschikking gesteld waarop chalets, bungalows, paviljoenen, huisjes en andere soortgelijke goederen worden opgericht, zelfs indien deze schuilplaatsen bestemd zijn voor een permanente bewoning.

Wanneer deze chalets, paviljoenen, bungalows, huisjes en dergelijke uit hun aard onroerende goederen zich op een kampeerterrein bevinden, dient hun terbeschikkingstelling in de regel te worden gekwalificeerd als een onroerende verhuur beoogd door artikel 18, § 1, tweede lid, 4°, van het Btw-Wetboek maar die van de btw is vrijgesteld door artikel 44, § 3, 2°, van het Btw-Wetboek.

De handeling kan evenwel kwalificeren als het verschaffen van gemeubelde logies in de zin van artikel 18, § 1, tweede lid, 10°, van het Btw-Wetboek en uitgesloten zijn van de vrijstelling inzake onroerende verhuur bedoeld in artikel 44, § 3, 2°, a), derde streepje, van het Btw-Wetboek en derhalve aan de btw onderworpen zijn onder de voorwaarden besproken in rubriek A, subrubriek c of d, van deze titel.

[Top]

11. Restaurant- en cateringdiensten (artikel 18, § 1, tweede lid, 11°, van het Btw-Wetboek)

A. Beoogde diensten

‘Het verschaffen van spijzen en dranken in restaurants en cafés en, meer algemeen, in omstandigheden voor het verbruik ter plaatse’ wordt als een dienst aangemerkt bij toepassing van artikel 18, § 1, tweede lid, 11°, van het Btw-Wetboek.

Hier worden restaurant- en cateringdiensten beoogd.

Het volstaat dus deze diensten te onderscheiden van de eenvoudige levering van spijzen en dranken (verkopen om mee te nemen of take away).

Zijn, onder meer, bedoeld:

• de traditionele restaurants, brasserieën, tavernes

• de fastfood- en zelfbedieningsrestaurants

• de restaurants in schouwburgen (theaters, clubs …), musea, handelscentra

• de bedrijfskantine en –mess

• de maaltijden verstrekt in volpension of in halfpension in een hotel of gastenkamer (de schriftelijke parlementaire vraag nr. 600 van mevrouw de Volksvertegenwoordiger Muriel Gerkens van 18.01.2005)

• de cafetaria’s, bars, cafés, tearooms, herbergen, discotheken

• de inrichtingen in stations die statafels ter beschikking stellen voor het nuttigen van spijzen

• de foodtrucks of snackbarwagens die over een binneninstallatie met een infrastructuur voor het verbruik ter plaatse beschikken

• de traiteurs en bakkers met een verbruikssalon

• tijdelijke verkoop- of eetstand op een festival, markt, beurs.

B. Restaurant- en cateringdiensten

Onder restaurant- en cateringdiensten wordt verstaan het verstrekken van bereide of onbereide spijzen (bijvoorbeeld kaas) of dranken dan wel beide, voor menselijke consumptie, in combinatie met voldoende bijkomende diensten ten behoeve van de onmiddellijke consumptie van die spijzen of dranken. Het verstrekken van spijzen of dranken dan wel beide is niet meer dan een onderdeel van het geheel waarin het dienstenaspect de overhand heeft.

De begrippen ‘bereid of onbereid’ beogen zowel de spijzen als de dranken.

Restaurantdiensten zijn dergelijke diensten verstrekt in de ruimten van de dienstverrichter en cateringdiensten zijn dergelijke diensten verstrekt elders dan in de ruimten van de dienstverrichter (zie artikel 6 van de uitvoeringsverordening (EU) nr. 282/2011, voornoemd).

Deze begrippen zijn rechtstreeks geïnspireerd op de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie volgens dewelke deze diensten worden gekenmerkt door een reeks van elementen en handelingen, waarvan de levering van voedsel niet meer dan een onderdeel is en waarin het dienstenaspect ruimschoots de overhand heeft en volgens dewelke een restaurantdienst de volgende kenmerken heeft:

• deze is het resultaat van een reeks diensten gaande van de bereiding van de spijzen en die doorloopt tot het feitelijke opdienen

• en gaat gepaard met de terbeschikkingstelling aan de klant van een infrastructuur bestaande uit:

o een inrichting, die kan bestaan uit een zaal met bijhorende ruimten (vestiaires …), een tijdelijke of mobiele inrichting (bijvoorbeeld tijdens een handelsbeurs …), een openbare of private plaats alwaar het recht werd toegekend een beroepswerkzaamheid uit te oefenen (terras op straat, bar op het strand, verbruiksstand in een showroom …)

o het meubilair en het vaatwerk.

In voorkomend geval is er ook personeel aanwezig dat de tafels dekt, de klant kan adviseren en hem kan informeren over de aangeboden spijzen of dranken, de gerechten aan tafel opdient en de tafels na het verbruik afruimt (Hof van Justitie van de Europese Unie, Arrest Faaborg-Gelting Linien, zaak C-231/94, van 02.05.1994, punten 13 en 14).

Uit de definitie van „restaurant- en cateringdiensten” in artikel 6 van uitvoeringsverordening nr. 282/2011, gelezen in het licht van de rechtspraak, komt derhalve naar voren dat de doorslaggevende criteria om te beoordelen of de met de levering van bereide spijzen gepaard gaande diensten kunnen worden beschouwd als „voldoende bijkomende diensten”, verband houden met het niveau van de dienstverlening dat de consument wordt aangeboden.

In dit verband houdt het Hof met name rekening met aspecten zoals de vraag of er kelners zijn, of er sprake is van bediening – die met name bestaat in het doorgeven van bestellingen aan de keuken, het vervolgens presenteren van de gerechten en het opdienen van deze gerechten aan tafel voor de klant –, of er gesloten en verwarmde, speciaal voor het nuttigen van de spijzen ingerichte ruimten ter beschikking worden gesteld, alsook of er garderobes en toiletten zijn en of er wordt gezorgd voor serviesgoed, meubilair en tafelgerei.

Bij de toepassing van deze criteria moet rekening worden gehouden met de keuze van de consument om van de bijkomende diensten bij de levering van spijzen of dranken gebruik te maken, welke keuze zal worden vermoed naargelang van de wijze waarop de onmiddellijk te nuttigen maaltijden worden verkocht. Bij samengestelde verrichtingen moet het overheersende aspect van een handeling immers worden bepaald vanuit het gezichtspunt van de consument (Hof van Justitie van de Europese Unie, Arrest J.K., zaak C-703/19, van 22.04.2021, punten 59 tot 62).

Onder verwijzing naar de rechtspraak van het Hof van Justitie van de EU is het hof van beroep van mening dat rekening moet worden gehouden met alle omstandigheden waarin de betrokken handeling plaatsvindt, teneinde de kenmerkende elementen en de overheersende elementen ervan vast te stellen.

Wat de kwalificatie van de verrichtingen betreft, beklemtoont het hof dat de uitdrukkingen en termen die in de overeenkomst worden gebruikt en die de rechten en verplichtingen van de partijen bepalen, van weinig belang zijn en dat de concrete werkelijkheid van de verrichtingen waarop zij betrekking hebben, in dit opzicht voorrang heeft.

Op grond van al deze elementen heeft het hof geoordeeld dat de dimensie van de dienstverrichting in casu overheerst en dat het feit dat eiseres zelf geen bediening aan tafel verricht en geen recht van toegang heeft tot de restaurantgedeelten in de verschillende vleugels van het gebouw van de vereniging, niet van dien aard is dat deze conclusie ter discussie wordt gesteld (Arrest van het Hof van beroep te Luik nr. WF 704-15-17/055832, van 19.02.2021).

Dezelfde redenering, gebaseerd op het criterium van het overheersend element, wordt in de administratieve doctrine toegepast om de restaurant- en cateringdiensten als diensten te kwalificeren (circulaire AFZ nr.19/2009 van 22.12.2009, randnummers 44 tot en met 49, zoals gewijzigd door de circulaire AFZ nr. 05/2011 van 27.06.2011, randnummers 14 en 15, beslissing nr. E.T. 100.714 van 24.06.2014 en beslissing nr. E.T. 100.714/2 van 26.09.2014, circulaire 2017/C/70 van 06.11.2017 betreffende het geregistreerd kassasysteem (E.T. 129.043), nummer 2.5.2, circulaire 2019/C/26 van 04.04.2019 betreffende het btw-tarief dat van toepassing is op restaurant- en cateringdiensten (nr. E.T. 133.812), nummer 2).

Het verschaffen van voorverpakte producten, zoals een pakje chips, een reep chocolade, een worst, een ijsje, voorverpakte kaas- of salamiblokjes, in omstandigheden voor het verbruik ter plaatse, wordt aangemerkt als een restaurant- of cateringdienst (circulaire 2021/C/42 van 07.05.2021 betreffende het tijdelijk verlaagde btw-tarief van 6 % voor sommige restaurant- en cateringdiensten (nr. E.T. 138.345), nummer 4).

Bovendien worden in de administratieve doctrine nog de volgende preciseringen aangebracht bij de restaurant en cateringdiensten.

a. Restaurantdiensten

De spijzen en/of dranken worden aan de verbruikers verstrekt in een ruimte van de belastingplichtige (permanente, tijdelijke of verplaatsbare inrichting). Het is van geen belang wie de infrastructuur voor de consumptie ter plaatse ter beschikking stelt, bijvoorbeeld, de exploitant van een foodtruck op een festival of de organisator van dat evenement die een gemeenschappelijke infrastructuur ter beschikking stelt. Het begrip 'ruimte' of 'inrichting' veronderstelt een oppervlakte of een gebouw.

Worden hier evenwel niet bedoeld : multifunctionele voorzieningen.

Het gaat om een vaste infrastructuur die geen verband houdt met een bepaald tijdelijk evenement, die volledig los staat van de verkoop van spijzen en/of dranken en door iedereen mag worden gebruikt, ongeacht of men spijzen en/of dranken verbruikt (bijvoorbeeld wachtzaal in een station of luchthaven, de wachtzaal van een bioscoop, de openbare zitbanken op de openbare weg…).

De administratieve doctrine maakt het onderscheid tussen een inrichting binnen of in open lucht.

• De klanten verbruiken de spijzen en/of dranken in een ruimte binnen

Wanneer een belastingplichtige aan zijn klanten een ruimte binnen ter beschikking stelt (eventueel geheel of gedeeltelijk gehuurd door een bepaalde klant) die voorzien is van een infrastructuur die de klanten de mogelijkheid biedt om hun spijzen en/of dranken, zittend of staand (gewone tafels, statafels of eetbalie), ter plaatse te verbruiken is er steeds sprake van een restaurantdienst wanneer deze klanten van die infrastructuur gebruik maken, ongeacht of er al dan niet bediening aan tafel is.

• De klanten verbruiken de spijzen en/of dranken in open lucht

De door de belastingplichtige verstrekte spijzen en/of dranken, maken het voorwerp uit van een restaurantdienst zodra, naast de terbeschikkingstelling van een of meerdere (sta)tafels of uitklapbare toog bestemd voor het verbruiken van spijzen/dranken, één van de volgende dienstenaspecten aanwezig is en de klanten van de aanwezige infrastructuur gebruik maken voor het verbruiken van de spijzen/dranken:

o er is minstens één bijkomend infrastructuurelement voorzien die het verbruik ter plaatse aangenamer maakt

Bijvoorbeeld grondbekleding (andere dan de vaste wegbekleding), (terras)verwarming, bescherming tegen de zon of regen (bijvoorbeeld parasol, stertent) die nuttig is voor de verbruiker, sfeermuziek verstrekt door de belastingplichtige, verlichting specifiek voorzien voor de verbruikers, tafellakens, afsluitingen (bijvoorbeeld met hekken of bloembakken), enzovoort. Deze lijst is niet exhaustief

o de belastingplichtige (of een derde) voorziet meubilair zodat de klanten hun spijzen en/of dranken al zittend kunnen nuttigen

o er is serviesgoed of tafelgerei (duurzaam of wegwerp) voor een effectief verbruik ter plaatse voorhanden, bijvoorbeeld bestek, borden, glazen, kopjes, enzovoort, of de spijzen/dranken worden aan de klant op een dienblad geserveerd

o er is bediening aan tafel en/of de klant staat zelf niet in voor het afruimen.

b. Cateringdienst

Er is sprake van een cateringdienst wanneer de diensten inzake het verschaffen van spijzen en/of dranken worden verstrekt elders dan in de ruimten van de belastingplichtige.

Wanneer een belastingplichtige bij de klant thuis of op een andere door deze klant gekozen locatie en tijdstip (maar elders dan in de ruimten van de belastingplichtige), spijzen en/of dranken verstrekt samen met een menselijke tussenkomst bij die klant, is er sprake van één dienst, zijnde een cateringdienst.

Het gaat bijvoorbeeld om de volgende tussenkomsten: de bereiding of het verwarmen ter plaatse van de spijzen, het schikken en eventueel afruimen van buffetten, het afruimen van de tafels, het afwassen van het vaatwerk of het serveren in de verbruiksruimte (bereiden, serveren, dresseren).

Maken, bijvoorbeeld, het voorwerp uit van een cateringdienst, het verschaffen van:

• spijzen en/of dranken met terbeschikkingstelling van personeel voor de bediening, door:

o een traiteur die aan huis levert of in een zaal die door de klant is gereserveerd

o of een cateringbedrijf dat aan een rusthuis, ziekenhuis, school, ander bedrijf, enzovoort levert.

• spijzen en/of dranken door de uitbater van een foodtruck, op een tijdstip en plaats gekozen door de klant (bij de particulier thuis, op het terrein van een bedrijf, enzovoort), aan de genodigden van de klant gedurende een privé-event en die rechtstreeks aan de opdrachtgever (bijvoorbeeld de organisator van een festival) worden gefactureerd

Het is van geen belang of de uitbater infrastructuur voor het verbruik ter plaatse (bijvoorbeeld tafels, stoelen, enzovoort) voorziet en die maaltijden in open lucht worden verbruikt dan wel in een door de klant gehuurde feestzaal.

• bereide maaltijden aan huis door een kok met ingrediënten die hij zelf aanlevert. Wanneer een belastingplichtige bij een klant thuis een maaltijd gaat bereiden met ingrediënten die door de klant worden aangeleverd, verricht de belastingplichtige een materieel werk dat onderworpen is aan het normale btw-tarief van 21% (artikel 18, § 1, tweede lid, 1°, van het Btw-Wetboek).

c. Verschillende diensten

Wanneer een natuurlijke persoon of rechtspersoon, andere dan diegene die de spijzen en/of dranken verschaft, actief tussenkomt, wordt het verschaffen van spijzen en/of dranken in principe als een levering van goederen aangemerkt.

Wanneer een belastingplichtige, andere dan diegene die de spijzen en/of dranken verstrekt, louter de bediening verzorgt, dan is dit een materieel werk als beoogd door artikel 18, § 1, tweede lid, 1°, van het Btw-Wetboek dat onderworpen is aan het normale btw-tarief van 21%.

De praktijk inzake misbruik bepaald in artikel 1, § 10, van het Btw-Wetboek kan hier evenwel van toepassing zijn, inzonderheid wanneer de twee personen (enerzijds de persoon die de spijzen verstrekt en anderzijds de persoon die de menselijke tussenkomst verricht) verbonden zijn. In dat geval kan het verstrekken van maaltijden worden aangemerkt als een dienstverrichting. Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer de firma van een traiteur een dochterbedrijf opricht met als activiteit het opdienen van de door het moederbedrijf verstrekte maaltijden. Dit kan ook het geval zijn wanneer twee belastingplichtigen samenwerken en naar de klant toe, bijvoorbeeld onder de vorm van publiciteit, één globale cateringdienst aanbieden (beslissing nr. E.T. 100.714 van 24.06.2014, beslissing nr. E.T. 100.714/2 van 26.09.2014 en circulaire AFZ nr. 19/2009 van 22.12.2009 (gewijzigd), nummer 52).

C. Onderscheid tussen restaurant- of cateringdiensten en een levering van spijzen en/of dranken (verkoop om mee te nemen)

a. De dienst is bijkomstig

Het verstrekken van bereide of onbereide spijzen (bijvoorbeeld kaas) of dranken dan wel beide, al dan niet inclusief het vervoer ervan, maar zonder andere bijkomende diensten wordt niet aangemerkt als restaurant- of cateringdiensten (artikel 6, lid 2, van de uitvoeringsverordening (EU) nr. 282/2011 van de Raad van 15.03.2011, voornoemd en circulaire AFZ nr.19/2009 van 22.12.2009 (gewijzigd), nummer 52).

Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft voor recht gezegd dat:

• de handeling wordt gekwalificeerd als een levering van goederen wanneer deze betrekking heeft op ‘afhaal’-maaltijden en niet gepaard gaat met diensten die de nuttiging ter plaatse in een passend kader moeten veraangenamen (Hof van Justitie van de Europese Unie, Arrest Faaborg-Gelting Linien, zaak C-231/94, van 02.05.1994, punt 14)

• de levering van snacks door een persoon die een snackwagen uitbaat beschouwd dient te worden als de levering van goederen indien de geleverde dienstprestaties slechts een onbeduidende, bijkomende prestatie vormen die het overheersende karakter van de hoofdprestatie, namelijk dat van een levering van goederen, niet kan wijzigen (Hof van Justitie van de Europese Unie, Arrest Manfred Bog & Co, gevoegde zaken C-497/09, C-499/09, C-501/09 en C-502/09 van 10.03.2011, punt 76)

• wanneer de consument ervoor kiest om geen gebruik te maken van de materiële en personele middelen die de belastingplichtige te zijner beschikking stelt, zijn deze middelen niet doorslaggevend voor die consument. Bijgevolg moet in dat geval worden aangenomen dat de levering van spijzen en dranken niet gepaard gaat met enige bijkomende dienst en dat de betrokken handeling moet worden aangemerkt als levering van goederen (Hof van Justitie van de Europese Unie, Arrest J.K., zaak C-703/19, van 22.04.2021, punt 62).

b. Collectieve catering

In het kader van collectieve catering kunnen lokalen die zijn ingericht en uitgerust als keuken en andere ruimten die nodig zijn voor de werkzaamheden van het cateringbedrijf (bureau, vestiaires, opslagruimte, …), door de klant ter beschikking worden gesteld van het cateringbedrijf en kunnen bovendien bepaalde periodieke kosten voortvloeiend uit de werkzaamheden van laatstgenoemde (kosten van onderhoud van de uitrusting, van elektriciteit, van warm water, van reiniging, …) door de klant ten laste worden genomen.

Volgend onderscheid moet worden gemaakt:

• Wanneer het cateringbedrijf zich beperkt tot de bereiding van de maaltijden (zelfs wanneer verdeeld in porties en geplaatst op of in een transportwagentje dat de maaltijden warm houdt) die worden verstrekt aan de klant om door laatstgenoemde of diens personeel te worden opgediend, betwist de administratie niet - onverminderd de eventuele toepassing van artikel 1, § 10, van het Wetboek - dat de handeling wordt aangemerkt als een levering van goederen wanneer de in het vorig lid beoogde lokalen onder bezwarende titel worden ter beschikking gesteld en de in het vorig lid beoogde kosten onder bezwarende titel ten laste worden genomen

• Wanneer daarentegen betreffende handelingen om niet worden verricht, moet de tussenkomst van het cateringbedrijf worden aangemerkt als een dienst (beslissing nr. E.T. 100.714 van 24.06.2014).

c. Toepassingsgeval

Er is, onder andere, sprake van een levering van spijzen en/of dranken in de volgende gevallen:

• een traiteur beperkt zich tot het leveren van spijzen en/of dranken op een door de klant gekozen locatie zonder menselijke tussenkomst bij laatstgenoemde. De eventuele terbeschikkingstelling van roerende goederen (vaatwerk, meubilair, versiering, tent, materiaal, enzovoort) vormt een afzonderlijke dienst die onderworpen is aan het btw-tarief van 21% (artikel 18, § 1, tweede lid, 4°, van het Btw-Wetboek)

• de loutere verkoop van spijzen en/of dranken, met of zonder voorafgaande bereiding, om mee nemen (dit blijkt inzonderheid uit de wijze van verpakking), zonder dat de klant gebruik maakt van de ter beschikking gestelde verbruiksinfrastructuur

• spijzen en/of dranken die op de openbare weg worden verkocht, indien geen speciale voorzieningen aan de klant worden ter beschikking gesteld

• de administratie aanvaardt dat de door middel van automaten verstrekte spijzen en/of dranken zonder onderscheid geacht worden het voorwerp uit te maken van een eenvoudige levering, ongeacht dus de plaats waar de automaten staan (frituren, cafetaria’s, cafés, bedrijfsrestaurants, kantines, stationshallen of -buffetten, sportcentra, wachtzalen in een ziekenhuis, scholen…). Het gaat om een administratieve tolerantie voorde toepassing van de tarieven (schriftelijke parlementaire vraag nr. 563 van mevrouw de Volksvertegenwoordiger Veerle Wouters van 31.08.2012).

D. De terbeschikkingstelling van een zaal tezamen met het verschaffen van spijzen en/of dranken bestemd voor het verbruik ter plaatse

In bepaalde gevallen stelt de exploitant van een hotelinrichting, van een restaurant of van een drankslijterij of een tafelhouder een zaal ter beschikking van een persoon of een groepering om er een vergadering, een receptie of gelijk welke bijeenkomst te organiseren, terwijl hij ook de spijzen of dranken verschaft om ter plaatse te verbruiken.

De klant, als gemiddelde consument, beschouwt de terbeschikkingstelling van de zaal (tezamen met diensten die verband houden met het gebruik van de zaal, zoals het onderhoud) als bijkomstig bij de hoofdhandeling, zijnde het verlenen van een restaurantdienst door, bijvoorbeeld, een banket of een broodjesmaaltijd.

In dit geval betreft het een complexe maar globale dienst beoogd door artikel 18, § 1, tweede lid, 11°, van het Btw-Wetboek. Deze restaurantdienst is aan de belasting onderworpen over de volledig gevraagde vergoeding. Het feit dat een afzonderlijke prijs werd bedongen voor het genot van de zaal of het feit dat de verbruikers de prijs van de consumpties rechtstreeks in handen van de exploitant of van de tafelhouder voldoen, heeft geen invloed op de verschuldigdheid van de belasting (aanschrijving nr. 4/1973 van 12.01.1973, nummers 38 en 39).

Indien een globale prijs wordt gevraagd voor deze dienst waarbij tegelijk spijzen en dranken worden verschaft, moet deze prijs worden gesplitst: 21% voor de dranken en 12% voor de spijzen (rubriek I, van tabel B, van de bijlage bij het koninklijk besluit nr. 20, voornoemd – tijdelijke maatregel inzake de verlaging van het tarief van 12% naar 6%, van 08.05.2021 tot 30.09.2021).

Wanneer de restaurateur of cateraar die splitsing niet wenst te doen, zal de heffing slechts als regelmatig kunnen worden aangemerkt indien het geheel wordt belast tegen het hoogste toepasselijke btw-tarief, dat wil zeggen, in casu, het tarief van 21 % dat van toepassing is op het verschaffen van dranken in omstandigheden voor het verbruik ter plaatse (circulaire 2019/C/26 van 04.04.2019 betreffende het btw-tarief dat van toepassing is op restaurant- en cateringdiensten, nummers 3 en 4, die de beslissing nr. E.T. 117.557 van 23.12.2009, randnummer 3 actualiseert en vervangt en circulaire 2021/C/42 van 07.05.2021 betreffende het tijdelijk verlaagde btw-tarief van 6 % voor sommige restaurant- en cateringdiensten (nr. E.T. 138.345)).

Indien voor de klant, als gemiddelde consument, de terbeschikkingstelling van de zaal een doel op zich is en dus de enige hoofdhandeling vormt en in voorkomend geval vergezeld wordt van bijkomende diensten, dient te worden verwezen naar ‘Boekwerk VI: Specifieke topics – Hoofdstuk 16: Specifieke topics, Afdeling 2, titel 4, rubriek H, subrubriek c’.

E. Vrijstellingen

a. Verschaffen van spijzen en/of dranken bestemd voor het verbruik ter plaatse, dat nauw verbonden is met een vrijgestelde handeling beoogd door artikel 44, § 2, van het Btw-Wetboek

Het verschaffen van spijzen en/of dranken voor het verbruik ter plaatse is bijvoorbeeld, onder bepaalde voorwaarden, van de btw vrijgesteld wanneer deze dienst wordt verstrekt door:

• ziekenhuizen, psychiatrische inrichtingen of klinieken aan personen die er worden gehuisvest om te worden verzorgd (artikel 44, § 2, 1°, a), van het Btw-Wetboek)

• de instellingen die de bejaarden- of gehandicaptenzorg tot doel hebben (artikel 44, § 2, 2°, tweede lid, eerste streepje, van het Btw-Wetboek)

• de kinderbewaarplaatsen, de zuigelingentehuizen en de instellingen die in hoofdzaak het toezicht over jongelui en de zorg voor hun onderhoud, opvoeding en vrijetijdsbesteding tot doel hebben (artikel 44, § 2, 2°, van het Btw-Wetboek, tweede lid, tweede streepje, van het Btw-Wetboek)

• de onderwijsinrichtingen en de kostscholen en internaten die eraan toegevoegd zijn of ervan afhangen (artikel 44, § 2, 4°, a), van het Btw-Wetboek)

b. Uitbating van een drank- of eetgelegenheid, die niet voor iedereen toegankelijk is, door culturele of zorginstellingen waarvan de activiteiten vrijgesteld zijn door artikel 44, § 2, van het Btw-Wetboek: tolerantie

Er wordt aanvaard dat de uitbating van een drank- of eetgelegenheid die niet voor iedereen toegankelijk is en die bijkomstig is bij een handeling die vrijgesteld is door artikel 44, § 2, van het Btw-Wetboek, tevens van de belasting vrijgesteld kan zijn, mits cumulatief voldaan is aan bepaalde voorwaarden (beslissing nr. E.T. 130.298 van 12.09.2016).

Zijn in het bijzonder beoogd:

• instellingen die bejaardenzorg of de gehandicaptenzorg tot doel hebben (artikel 44, § 2, 2°, van het Btw-Wetboek)

• exploitanten van sportinrichtingen en inrichtingen voor lichamelijke opvoeding (artikel 44, § 2, 3°, van het Btw-Wetboek)

• exploitanten van musea, monumenten, natuurmonumenten, plantentuinen en dierentuinen (44, § 2, 7°, van het Btw-Wetboek)

• organisatoren van toneel-, ballet- of filmvoorstellingen, tentoonstellingen, concerten of conferenties (artikel 44, § 2, 9°, van het Btw-Wetboek).

c. Uitbating van een drankgelegenheid, voor iedereen toegankelijk, door een jeugdhuis: tolerantie

In principe is geen enkele btw-vrijstelling van toepassing op de uitbating door een jeugdhuis van een drankgelegenheid die voor iedereen toegankelijk is. Sinds 01.01.2016 is er evenwel een tolerantie waarvan de voorwaarden zijn opgenomen in de beslissing nr. E.T. 128.632 van 05.11.2015.

d. Uitbating van een drank- of eetgelegenheid, die voor iedereen toegankelijk is, door een lokaal dienstencentrum

In principe is geen enkele btw-vrijstelling van toepassing op de uitbating door een lokaal dienstencentrum van een drank- of eetgelegenheid die voor iedereen toegankelijk is. Sinds 01.01.2016 is er evenwel een tolerantie waarvan de voorwaarden zijn opgenomen in de beslissing nr. E.T. 130.608 van 23.09.2016.

Deze vrijstellingen worden besproken in ‘Boekwerk II: Bepaling van de belastbare basis en het toepasselijke tarief - Hoofdstuk 9: Vrijstellingen beoogd door artikel 44 van het Btw-Wetboek, Afdeling 9’.

[Top]

12. Toekenning van het recht op toegang tot inrichtingen voor cultuur, sport of vermaak (artikel 18, § 1, tweede lid, 12°, van het Btw-Wetboek)

A. Voorwerp en aard van het contract

Artikel 18, § 1, tweede lid, 12°, van het Btw-Wetboek beoogt de ‘Toekenning van het recht op toegang tot inrichtingen voor cultuur, sport of vermaak en de toekenning van het recht gebruik te maken van een dergelijke inrichting’.

Deze bepaling heeft betrekking op overeenkomsten waarbij de exploitant van een inrichting voor cultuur, sport of vermaak zich beperkt tot het verlenen aan toeschouwers of sportbeoefenaars, zonder begeleiding, individueel of in groep, tegen een toegangsprijs, van het recht op toegang tot de inrichting en het recht gebruik ervan te maken (in functie van diens bestemming) tezamen met andere personen (zie mondelinge parlementaire vragen nr. 11599 van de heer volksvertegenwoordiger Jef Van den Bergh van 25.03.2009 en nr. 1710 van mevrouw de volksvertegenwoordiger Vissers van 30.01.2008).

Een dergelijke inrichting is toegankelijk voor het publiek tegen de voorafgaande betaling van een toegangsrecht die, aan ieder die dit toegangsrecht betaalt, het recht verleent om gezamenlijk gebruik te maken van de voor deze evenementen of voorzieningen kenmerkende culturele diensten en ontspanning (Hof van Justitie van de Europese Unie, Arrest Erotic Center bvba, zaak C-3/09, van 18.03.2010, punt 17).

Wordt bijvoorbeeld niet bedoeld: de terbeschikkingstelling van een binnenspeelplaats aan een particulier voor het houden van een verjaardagsfeest.

Het is belangrijk deze dienst goed te omschrijven aangezien deze onderworpen is aan het btw-tarief van 6% overeenkomstig rubriek XXVIII van tabel A van de bijlage bij het koninklijk besluit nr. 20, voornoemd.

Bovendien voorziet het Btw-Wetboek geen uitzonderingen voor dergelijke toekenningen van het recht op toegang (zie echter rubriek F van deze titel).

B. Aard van de inrichting

Een inrichting voor cultuur, sport of vermaak wordt gekenmerkt door het bestaan van een zaal of tenminste van een afgebakende onroerende plaats waartoe het publiek toegang heeft.

De inrichting mag trouwens tijdelijk en in open lucht zijn, op een afgebakend gebied, zoals dat het geval is voor foorkramen en voor wielerwedstrijden georganiseerd op de openbare weg.

Bovendien moet de inrichting bestemd zijn voor cultuur, sport of vermaak en specifiek zijn ingericht voor zo’n activiteiten (aanschrijving nr. 4/1973 van 12.01.1973, randnummers 27 tot en met 29).

Volgende inrichtingen zijn bijvoorbeeld bedoeld:

• circussen, sportzalen, en fitnesscentra zonder begeleiding van de klanten

• handelsbeurzen of dergelijke manifestaties, ruilbeurzen

• zwembaden, stadions, hippodromen, golfterreinen, bowlings

• visvijvers, floraliën (beslissing nr. T. 1.901 van 25.11.1970)

• automobielcircuits, wielerbanen, racecircuit

• grotten, pretparken, musea, tentoonstellingszalen en schouwburgen

• markten voor tweedehandse voertuigen (beslissing nr. E.T. 73.144 van 31.03.1992).

C. Toepassingsgevallen

Artikel 18, § 1, tweede lid, 12°, van het Btw-Wetboek is onder andere van toepassing op:

• de terbeschikkingstelling van een volledige sportinrichting aan een bedrijf voor de organisatie van een teambuilding of aan een club die de infrastructuur voor een volledige dag wil gebruiken

• het verlenen van toegang tot een schouwspel van licht en geluid door de organisator ervan

• het eenvoudige jachtverlof dat aan de begunstigde geen enkel exclusief recht op het terrein toekent (beslissing nr. E.T. 40.937 van 24.05.1982)

• de toekenning van het recht op toegang tot een kartingpiste, het recht er gebruik van te maken en de terbeschikkingstelling van een kart wanneer deze onlosmakelijk verbonden zijn (beslissing nr. E.T. 100.917 van 03.09.2001)

• het geheel van de diensten verstrekt door de exploitant van een vliegveld, in het kader van het beoefenen van de zweefvliegsport en die in wezen bestaat in de terbeschikkingstelling aan de leden van de installaties en de banen van het vliegveld, alsmede van een sleepvliegtuig met piloot om de zweefvliegtuigen van de leden omhoog te trekken (beslissing nr. E.T. 113.196 van 10.04.2014)

• de terbeschikkingstelling van voertuigen (go-cars, motorfietsen, fietsen) op een gesloten baan of circuit

• de toekenning van een recht tot toegang van een biljardzaal aan toeschouwers die naar een wedstrijd komen kijken

• de toekenning van het recht tot toegang en gebruik van een sauna-inrichting (beslissing nr. E.T. 126.122 van 26.08.2014)

• de toekenning van het recht tot deelname aan een ontsnappingsspel (circulaire 2018/C/119 van 26.10.2018 betreffende het btw-tarief dat van toepassing is voor deelname aan een ontsnappingsspel (nr. E.T. 132.379/2)

D. Onderscheid met de onroerende verhuur

Het is belangrijk om een onderscheid te maken tussen het recht op toegang tot een bedoelde inrichting welke wordt belast (en als zodanig recht op aftrek verleent) en de onroerende verhuur, vrijgesteld van de btw (zonder recht op aftrek).

De volgende handelingen worden niet beschouwd als een onroerende verhuur:

• de toekenning van het recht van gebruik te maken van een golfterrein (Hof van Justitie van de Europese Unie, Arrest Stockholm Lindöpark AB, zaak C-150/99, van 18.01.2001, punt 26)

• de toekenning van het recht om in bepaalde wateren te vissen voor de duur van tien jaar (Hof van Justitie van de Europese Unie, Arrest Walderdorff, zaak C-451/06, van 06.12.2007, punten 20 tot 23)

• de terbeschikkingstelling van een voetbalstadion voor zover de waarde van de diensten die geen betrekking hebben op de loutere terbeschikkingstelling van het stadion en de onderhoudsdiensten, een overwegend deel van de gevraagde vergoeding vertegenwoordigt (Hof van Justitie van de Europese Unie, Arrest Régie communale autonome stade Luc Varenne, zaak C-55/14, van 25.01.2015, punten 29 tot 39, zie titel 4, rubriek C, subrubriek d, van deze Afdeling)

• de terbeschikkingstelling door een vzw van een sportcentrum aan sport-, stretching-, en fitnessclubs, aan scholen van een gemeente, aan bepaalde evenementen en sportbeurzen (Arrest van het Hof van beroep te Brussel n° WF 703-15-12/015099, van 11.04.2019, parlementaire vraag nr. 234 van mevrouw Florence Reuter dd. 21.02.2020, zie titel 4, rubriek C, subrubriek d, van deze Afdeling).

E. Onderscheid met andere diensten

Volgende handelingen kunnen bijvoorbeeld niet worden aangemerkt als de toekenning van het recht op toegang tot een bedoelde inrichting en het recht gebruik ervan te maken:

• het geheel van de diensten die verschillen van het verlenen van een recht op toegang tot een dergelijke inrichting, zijnde wanneer de exploitant bijkomend op actieve wijze tussenkomt tijdens het evenement of de activiteit

Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer de exploitant eveneens diensten verstrekt van acteurs/musici/sportbeoefenaars die het vermaak verzekeren, personeel ter beschikking stelt (bijvoorbeeld technici), logistieke ondersteuning biedt, affiches afdrukt, sportonderricht verstrekt, toezicht houdt op de geprojecteerde films, enzovoort. De overeenkomst die desgevallend wordt gesloten tussen de exploitant en de afnemer heeft dan betrekking op een enige complexe dienst waarvan het werk overwegend is (artikel 18, § 1, tweede lid, 1°, van het Btw-Wetboek)

Voor deze dienst, die erin bestaat dat de exploitant van een dergelijke inrichting gedurende een relatief lange periode een ruimte ter beschikking stelt en bijkomende diensten verleent, wordt verwezen naar ‘Boekwerk VI: Specifieke topics – Hoofdstuk 16: Specifieke topics, Afdeling 2: Onroerende goederen – Diensten, titel 4, rubriek H, subrubriek b’.

• de terbeschikkingstelling van een ligplaats voor boten in een jachthaven (artikel 18, § 1, tweede lid, 8°, van het Btw-Wetboek) (beslissing nr. E.T. 102.020 van 07.02.2002)

• de terbeschikkingstelling van kajaks en bijkomstige diensten voor de afvaart van een rivier, en van voertuigen (go-carts, motorfietsen, fietsen) op de openbare weg. Deze maken het voorwerp uit van de verhuur van roerende goederen (artikel 18, § 1, tweede lid, 4°, van het Btw-Wetboek) (zie Arrest van het Hof van beroep te Luik van 23.12.2015 en mondelinge parlementaire vraag nr. 55019315C van de heer volksvertegenwoordiger Benoît Piedboeuf van 30.06.2021)

• een parachutesprong, een luchtdoop vanuit een vliegtuig, helikopter of luchtballon. Deze kwalificeren als een dienst inzake personenvervoer (artikel 18, § 1, tweede lid, 1°, van het Btw-Wetboek)

• de organisatie op een strand of op zee van een sportactiviteit waarbij een persoon, die beschermd wordt door een speciale helm, in de lucht wordt gehesen door een motorboot (artikel 18, § 1, tweede lid, 1°, van het Btw-Wetboek).

F. Vrijstellingen

Artikel 44, § 2, van het Btw-Wetboek voorziet onder bepaalde voorwaarden vrijstellingen voor:

• de diensten verstrekt door exploitanten van sportinrichtingen en inrichtingen voor lichamelijke opvoeding (artikel 44, § 2, 3°, van het Btw-Wetboek)

• de diensten aan de lezers verstrekt door bibliotheken en leeszalen (artikel 44, § 2, 6°, van het Btw-Wetboek)

• de exploitanten van musea, monumenten, natuurmonumenten, plantentuinen en dierentuinen (artikel 44, § 2, 7°, van het Btw-Wetboek)

• de organisatoren van toneel-, ballet- of filmvoorstellingen, van tentoonstellingen, concerten of conferenties (artikel 44, § 2, 9°, van het Btw-Wetboek).

Deze vrijstellingen worden besproken in ‘Boekwerk II: Bepaling van de belastbare basis en het toepasselijke tarief – Hoofdstuk 9: Vrijstellingen beoogd door artikel 44 van het Btw-Wetboek, Afdelingen 10, 13, 14 en 16’.

[Top]

13. Bankverrichtingen en financiële diensten (artikel 18, § 1, tweede lid, 13°, van het Btw-Wetboek)

Worden beoogd door artikel 18, § 1, tweede lid, 13°, van het Btw-Wetboek: de ‘bank- en de financiële verrichtingen’ die, gewoonlijk, door banken en financiële instellingen worden verricht. Niettemin worden deze handelingen op objectieve wijze gedefinieerd en vallen ze dus in het toepassingsgebied van voornoemde bepaling, ongeacht de hoedanigheid van de persoon die ze verricht.

De volgende handelingen maken, onder andere, het voorwerp uit van bank- of financiële verrichtingen.

A. Handelingen betreffende deposito’s

Bedoeld wordt, elke verrichting waarbij een bank, een kredietinstelling, of een andere persoon, geld ontvangt dat op een rekening op naam van de eigenaar wordt geboekt (gewone rekening, spaarboekje, termijnboekje, enzovoort), en dat voor de eigen behoeften van die financiële instelling zal worden gebruikt (beleggingen, leningen, enzovoort).

Die handelingen, alsmede de verrichtingen van makelaars en lasthebbers ter zake, zijn evenwel van de belasting vrijgesteld ingevolge artikel 44, § 3, 7°, van het Btw-Wetboek (zie ‘Boekwerk II: Bepaling van de belastbare basis en het toepasselijke tarief - Hoofdstuk 9: Vrijstellingen beoogd door artikel 44 van het Btw-Wetboek, Afdeling 28’).

B. Handelingen betreffende rekening-courantverkeer

De handelingen, met inbegrip van de verrichtingen van makelaars en lasthebbers, met betrekking tot rekeningen-courant worden bedoeld door artikel 18, § 1, tweede lid, 13°, van het Btw-Wetboek. De rekening-courant is een overeenkomst waarbij twee personen, meestal een bankinstelling en haar klant, met het oog op hun onderlinge verrichtingen, ermee instemmen om de individualiteit van hun wederzijdse schuldvorderingen te compenseren door ze te veranderen in debet- en creditposten, zodat alleen het eindresultaat dat voortvloeit uit de compensatie van die verrichtingen opeisbaar wordt.

De betrokken handelingen zoals het beheer van een rekening-courant, die ook de opname van contant geld van die rekening inhoudt, zijn echter van de belasting vrijgesteld op grond van artikel 44, § 3, 7°, van het Btw-Wetboek (zie ‘Boekwerk II: Bepaling van de belastbare basis en het toepasselijke tarief -Hoofdstuk 9: Vrijstellingen beoogd door artikel 44 van het Btw-Wetboek, Afdeling 28’).

Volgens het Hof van Justitie van de Europese Unie is de opname bij een geldautomaat een betalingsdienst. Dergelijke diensten moeten een afzonderlijk geheel vormen dat op een globale wijze wordt beoordeeld en tot gevolg heeft dat zij de kenmerkende en essentiële functies van een betaling vervult, en derhalve tot een overmaking van geld leidt en juridische en financiële wijzigingen meebrengt. Een dergelijke dienst dient te worden onderscheiden van het verrichten van een eenvoudige materiële of technische dienst (Hof van Justitie van de Europese Unie, arrest Cardpoint GmbH, zaak C-42/18, van 03.10.2019, punten 20 en 21).

C. Handelingen met betrekking tot schuldvorderingen, cheques en andere handelspapieren

Inzonderheid worden hier bedoeld: de overdracht of afstand van schuldvorderingen, de overdracht of endossement van cheques, wisselbrieven, orderbriefjes, enzovoort, voor eigen rekening of voor rekening van een ander, op grond van een mandaat.

Met uitzondering van de invordering van schuldvorderingen, worden de hier bedoelde handelingen uitdrukkelijk vrijgesteld van de belasting op grond van artikel 44, § 3, 7°, van het Btw-Wetboek (zie ‘Boekwerk II: Bepaling van de belastbare basis en het toepasselijke tarief - Hoofdstuk 9: Vrijstellingen beoogd door artikel 44 van het Btw-Wetboek, Afdeling 28’).

a. Beheer en invordering van schuldvorderingen

Ingevolge de uitzondering op de vrijstelling van artikel 44, § 3, 7°, van het Btw-Wetboek, is het beheer en invordering van schuldvorderingen aan de btw onderworpen.

b. Factoring

Factoring is een generiek begrip dat wordt gebruikt voor het geheel van diensten verstrekt door een onderneming en dat betrekking heeft op commerciële schuldvorderingen.

Deze diensten gaan van de eenvoudige administratie van de schuldvorderingen (met inbegrip van de incassering, invordering via gerechtelijk weg), het indekken van wisselrisico’s, kredietverzekering tot de voorfinanciering.

Factoring beoogt de overeenkomst waarbij een onderneming haar commerciële schuldvorderingen overdraagt aan een factoringmaatschappij die, op haar beurt, de incassering van betreffende schuldvorderingen garandeert. De factoringmaatschappij is belast met het beheer en de incassering van die schuldvorderingen tegen betaling van een vergoeding, de factoringcommissie genoemd.

In de mate dat de afhandeling kan plaatsvinden op de vervaldag van de schuld dan wel op een vroeger ogenblik, kan de handeling ook het karakter hebben van een financiering (voorfinanciering van een percentage van de schuldvordering door de betaling van een voorschot bij de uitreiking van de factuur). Naast de voorfinanciering kan de factoringmaatschappij eveneens diensten van kredietverzekering verlenen.

Er wordt traditioneel een onderscheid gemaakt tussen twee soorten factoring: de eigenlijke factoring die de overname, door de factoringmaatschappij, van het insolvabiliteitsrisico van de schuldenaar (factoring zonder verhaal) impliceert en de factoring waarbij de factoringmaatschappij het insolvabiliteitsrisico van de schuldenaars niet dekt (factoring met verhaal).

Rekening houdend met het arrest MKG-Kraftfahrzeuge-Factoring van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof van Justitie van de Europese Unie, Arrest MKG-Kraftfahrzeuge-Factoring, zaak C-305/01, van 26.06.2003, punt 80), dienen factoringdiensten, met of zonder verhaal, te worden aangemerkt als prestaties van invordering van schuldvorderingen beoogd door de uitzondering op de vrijstelling van artikel 44, § 3, 7°, van het Btw-Wetboek.

Deze factoringdiensten moeten dus aan de belasting worden onderworpen tegen het normale btw-tarief.

Naast de eigenlijke factoringdiensten komt het vaak voor dat factoringmaatschappijen voorschotten verlenen aan hun cliënten.

Gegeven de vaststelling dat deze voorschotten een doel op zich zijn voor deze cliënten en niet een middel om onder de beste voorwaarden de factoringdienstprestaties te genieten, kunnen zij niet worden beschouwd als bijkomstige handelingen in de betekenis die de Europese rechtspraak aan dit begrip geeft.

Bijgevolg moet het verlenen van deze voorschotten worden aangemerkt als een kredietverrichting onderscheiden en onafhankelijk van de factoringdiensten en is het verlenen van voorschotten vrijgesteld op grond van artikel 44, § 3, 5°, van het Btw-Wetboek (beslissing nr. E.T. 106.246 van 01.04.2005).

c. Kortingskaart

De verkoop van een kortingskaart gebruikt om, tegen voordelige voorwaarden, goederen en diensten te verkrijgen bij deelnemende ondernemingen, is onderworpen aan de btw. Zij kan niet worden vrijgesteld van de btw op grond van de vrijstelling voorzien voor 'andere waardepapieren' of 'andere handelspapieren' (Hof van Justitie van de Europese Unie, Arrest G.A. BV, zaak C-461/12, van 12.06.2014, punt 39).

D. Kredietverrichtingen

Kredietverrichtingen alsook verrichtingen van makelaars en lasthebbers ter zake worden bedoeld in artikel 18, § 1, tweede lid, 13°, van het Btw-Wetboek.

Met kredietverrichting wordt elke verrichting bedoeld waarbij een bank, een kredietinstelling of een andere persoon, de beschikking over een som geld - in contanten of op rekening - rechtstreeks of onrechtstreeks verschaft of er zich toe verbindt dat te doen.

Onder de kredietverrichtingen zijn inzonderheid begrepen: de lening, de kredietopening, de borgtocht, het delcredere en de discontering en herdiscontering van handelspapieren.

Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie blijkt dat de verlening van kredieten, die niet louter betrekking hebben op de door banken en financiële instellingen verleende leningen en kredieten, erin bestaat dat een geldsom tegen vergoeding ter beschikking wordt gesteld.

Daarbij is het zonder belang of de terbeschikkinggestelde kredieten al dan niet worden terugbetaald aan de persoon die deze heeft verleend (Hof van Justitie van de Europese Unie, Arrest F.d.d.Z., zaak C-801/19, van 17.12.2020, punten 34 tot 36 en 39 en de geciteerde rechtspraak). .

Met betrekking tot het beheer van kredieten door diegene die ze heeft verleend wordt verwezen naar circulaire 2018/C/49 van 24.04.2018, met betrekking tot het beheer van kredieten (E.T. 133.200). De bedoelde situatie is deze waarin het beheer van een kredietportefeuille wordt verricht na de overdracht van de portefeuille door de oorspronkelijke kredietverstrekker aan de overnemer.

Die krediethandelingen, alsmede de ter zake verrichte diensten van makelaars en lasthebbers, zijn in principe van de belasting vrijgesteld overeenkomstig artikel 44, § 3, 5° en 6°, van het Btw-Wetboek (zie: ‘Boekwerk II: Bepaling van de belastbare basis en het toepasselijke tarief - Hoofdstuk 9: Vrijstellingen beoogd door artikel 44 van het Btw-Wetboek, Afdelingen 26 en 27’).

E. Plaatsing van effecten

Wordt bedoeld: iedere handeling waarbij een bank, een kredietinstelling of een andere persoon zich rechtstreeks of onrechtstreeks voor rekening van een ander belast met de plaatsing van welk effect ook. Dit ongeacht of er al dan niet een garantie gegeven wordt of een overeenkomst aangegaan wordt tegen vaste prijs. Elke prestatie die inherent is met die verrichting is ook bedoeld.

Indien de bank of kredietinstelling als koper of verkoper optreedt bij een handeling met betrekking tot effecten, wordt deze handeling als een dienst in de zin van artikel 18, § 1, tweede lid, 13°, van het Btw-Wetboek aangemerkt. Die dienst wordt echter van de belasting vrijgesteld door artikel 44, § 3, 10°, van het Btw-Wetboek.

Inzake de plaatsing van effecten wordt een onderscheid gemaakt in functie van de genomen verbintenis: met of zonder garantie tot succes.

a. Plaatsing zonder garantie tot succes

Indien de verbintenis van de financiële instelling wordt aangegaan zonder garantie tot succes, wordt de handeling aangemerkt als de dienst van een tussenpersoon als beoogd door artikel 18, § 1, tweede lid, 3° en 13°, van het Btw-Wetboek. Deze handeling is echter van de belasting vrijgesteld door artikel 44, § 3, 10°, van het Btw-Wetboek dat de prestaties van bemiddeling inzake handelingen die betrekking hebben op effecten van de btw vrijstelt.

b. Plaatsing met garantie tot succes

Als de verbintenis tot plaatsen aangegaan is met een garantie tot succes, dan verbindt de financiële tussenpersoon er zich toe al het nodige te doen om inschrijvers te vinden. Hij verbindt er zich bovendien ook toe om zelf de roerende waarden te onderschrijven die hij binnen de voorziene tijd niet heeft kunnen plaatsen. De verbintenis tussen de financiële tussenpersoon en de uitgever heeft aan één kant een prestatie als mandataris inzake effecten als voorwerp (zie subrubriek a, van deze rubriek) en aan de andere kant de verplichting tot onderschrijven (borgstelling – zie rubriek D, van deze titel).

Indien de verbintenis wordt aangegaan tegen een vaste prijs, moet ze worden aangemerkt als een onderschrijving en dus als een aankoop van effecten die bedoeld is in artikel 18, § 1, tweede lid, 13°, van het Btw-Wetboek maar op grond van artikel 44, § 3, 10°, van het Btw-Wetboek ook van de belasting is vrijgesteld (zie ‘Boekwerk II: Bepaling van de belastbare basis en het toepasselijke tarief - Hoofdstuk 9: Vrijstellingen beoogd door artikel 44 van het Btw-Wetboek, Afdeling 31’).

c. Bemiddeling met betrekking tot effecten

De tussenkomst als makelaar of tussenpersoon bij de verkoop van effecten is van de btw vrijgesteld op grond van artikel 44, § 3, 10°, van het Btw-Wetboek.

De bemiddeling heeft tot doel het nodige te doen opdat twee partijen een contract sluiten, zonder dat de bemiddelaar een eigen belang heeft inzake de inhoud van het contract.

Diensten waarbij enkel informatie over een financieel product wordt verstrekt en, in voorkomend geval, de verzoeken om inschrijving op de betrokken waardepapieren in ontvangst te nemen en te verwerken, zijn niet beoogd (Hof van Justitie van de Europese Unie, Arrest CSC Financial Services Ldt, zaak C-235/00, van 13.12.2001, punten 39 en 41).

De toenmalige minister van Financiën heeft bevestigd dat de uitvoering van een dienst die louter bestaat in het meedelen, aan de verkoper van de deelnemingen, van een overzicht van fysieke of rechtspersonen die, in functie van bepaalde parameters geïnteresseerd zouden kunnen zijn in de verwerving van deze deelnemingen, niet van de btw is vrijgesteld (schriftelijke parlementaire vraag nr. 3-5 van Mevrouw Senator Clotilde Nyssens van 08.03.2003).

d. Verkoop van een optie

De verkoop van een optie, als beleggingsinstrument, die onder het toepassingsgebied van de artikelen 18, § 1, tweede lid, 13° en 44, § 3, 10°, van het Btw-Wetboek valt, is een dienst die losstaat van de onderliggende handelingen waarop de optie betrekking heeft (artikel 9 van de uitvoeringsverordening (EU) nr. 282/2011, voornoemd). De opties worden dus als onafhankelijk van de onderliggende financiële producten aangemerkt.

De administratie neemt daarentegen aan dat documenten die handelswaren vertegenwoordigen geen andere waarde kunnen hebben dan de goederen die ze vertegenwoordigen. De beoogde handelingen moeten aldus als leveringen van goederen worden behandeld.

F. Diensten die betrekking hebben op effecten

Het gaat meer bepaald om de betaling van aan de uitgegeven effecten verbonden rechten, de omruiling of de terugbetaling van de effecten, de vervanging van de couponbladen.

G. Betalings- en ontvangstverrichtingen

Onder betalings- en ontvangstverrichtingen wordt niet alleen verstaan de verrichting waarbij een bank, een financiële instelling of een andere persoon zich voor rekening van een ander belast met het doen van een betaling, maar ook de verrichting waarbij iemand een geldsom voor rekening van een ander int.

De inning kan betrekking hebben op handelspapieren, op ontvangstbewijzen of op facturen.

Met uitzondering van de invordering van schuldvorderingen, zijn die handelingen, in de regel, van btw vrijgesteld overeenkomstig artikel 44, § 3, 8°, van het Btw-Wetboek. De dienstverrichter kan echter, onder de voorwaarden gesteld door of vanwege de minister van Financiën, kiezen voor het belasten ervan (aanschrijving nr. 18/1979 van 26.10.1979, randnummers 2 tot en met 4).

De in dat kader door makelaars en lasthebbers verrichte diensten zijn ook vrijgesteld op grond van artikel 44, § 3, 8°, van het Btw-Wetboek (zie ‘Boekwerk II: Bepaling van de belastbare basis en het toepasselijke tarief - Hoofdstuk 9: Vrijstellingen beoogd door artikel 44 van het Btw-Wetboek, Afdeling 29’).

H. Diensten inzake deviezen

Wanneer de verrichting neerkomt op een overdracht van munten of monetair goud, wordt ze beoogd door artikel 18, § 1, tweede lid, 13°, van het Btw-Wetboek.

Op grond van artikel 44, § 3, 9°, van het Btw-Wetboek wordt deze dienst evenwel uitdrukkelijk van de belasting vrijgesteld. In dit verband wordt erop gewezen dat de vrijstelling slechts geldt ten aanzien van de handelingen, bemiddeling daaronder begrepen, betreffende deviezen, bankbiljetten en munten die wettig betaalmiddel zijn, met uitzondering van munten en biljetten die als verzamelobject worden beschouwd. De overdracht van laatstgenoemde munten en biljetten is een levering van een lichamelijk goed die in de regel niet door artikel 44 van het Btw-Wetboek van de belasting is vrijgesteld.

Wanneer de verrichting een dienst van een makelaar of lasthebber is, wordt ze bedoeld in artikel 18, § 1, tweede lid, 13°, van het Btw-Wetboek, maar wordt ze ook uitdrukkelijk van de belasting vrijgesteld door artikel 44, § 3, 9°, van het Btw-Wetboek (zie ‘Boekwerk II: Bepaling van de belastbare basis en het toepasselijke tarief - Hoofdstuk 9: Vrijstellingen beoogd door artikel 44 van het Btw-Wetboek, Afdeling 30’).

I. Leveringen van goud als beleggingsobject

Artikel 1, § 8, van het Btw-Wetboek definieert het begrip beleggingsgoud als volgt:

‘1° goud, in de vorm van staven of plaatjes van een door de goudmarkten aanvaard gewicht, met een zuiverheid van ten minste 995 duizendsten, al dan niet belichaamd in certificaten.

De kleine staven of plaatjes met een gewicht van ten hoogste 1 gram worden evenwel niet aangemerkt als beleggingsgoud.

2° gouden munten die:

- een zuiverheid van ten minste 900 duizendsten hebben,

- na 1800 zijn geslagen,

- in het land van oorsprong als wettig betaalmiddel fungeren of hebben gefungeerd, en

- normaliter verkocht worden voor een prijs die de openmarktwaarde van het in de munten vervatte goud niet met meer dan 80% overschrijdt.

Dergelijke munten worden geacht niet verkocht te zijn wegens hun numismatisch belang.’

De leveringen van beleggingsgoud worden beoogd door artikel 18, § 1, tweede lid, 13°, van het Btw-Wetboek.

De bijzondere regeling voor beleggingsgoud bestaat uit twee delen:

• de algemene regel die bestaat uit een vrijstelling voor de leveringen, de intracommunautaire verwervingen en de invoeren van beleggingsgoud alsook voor de diensten van tussenpersonen die niet handelen onder de voorwaarden van artikel 13, § 2, van het Btw-Wetboek en bemiddelen bij zulke handelingen (zie artikel 44bis van het Btw-Wetboek)

De vrijstellingsregeling gaat gepaard met een bijzonder en beperkt recht op aftrek van de voorbelasting.

• een afwijking waarbij aan bepaalde handelaars wordt toegelaten om onder bepaalde voorwaarden te opteren voor de normale regeling van belastingheffing. De uitoefening van deze optie houdt de terugkeer in naar de gewone regels inzake aftrek van btw.

Voor verdere toelichting betreffende deze bijzondere regeling, wordt er verwezen naar de aanschrijving nr. 3/2000 van 12.10.2000 en ‘Boekwerk II: Bepaling van de belastbare basis en het toepasselijke tarief - Hoofdstuk 10: Vrijstelling beoogd door artikel 44bis van het Btw-Wetboek’).

J. Bewaringsverrichtingen

Onder bewaringsverrichtingen wordt verstaan iedere verrichting waarbij een bank, een financiële instelling of een andere persoon zich belast met het in bewaring nemen van elk lichamelijk of onlichamelijk roerend goed, met uitzondering van geld.

De bewaringsverrichtingen zijn aan de btw onderworpen ingevolge de uitzondering op de vrijstelling van artikel 44, § 3, 10°, van het Btw-Wetboek (beslissing nr. E.T. 4.023 van 22.10.1971).

K. Vermogensbeheer

Onder verrichtingen die het beheer van een vermogen tot voorwerp hebben, wordt verstaan iedere verrichting waarbij een bank, een financiële instelling of een andere persoon, zich belast met het beheer van tegoeden van een ander.

Vermogensbeheer beoogt, meer in het bijzonder, iedere studie- of zoekverrichting, inlichtingen, advies, raadgeving inzake commerciële, economische, financiële, fiscale materie of van een organisatie, die worden verricht in het kader van het beheer van tegoeden van een ander.

Deze handelingen worden beoogd door artikel 18, § 1, tweede lid, 13°, van het Btw-Wetboek maar er wordt opgemerkt dat zij, als intellectueel werk, eveneens onder de toepassing van artikel 18, § 1, tweede lid, 1°, van het Btw-Wetboek vallen. Handelingen inzake vermogensbeheer worden niet beoogd door een vrijstelling van artikel 44 van het Btw-Wetboek.

a. Portefeuillebeheer

In het arrest Deutsche Bank is het Hof van Justitie van de Europese Unie van oordeel dat portefeuillebeheer een dienstverrichting uitmaakt die samengesteld is uit twee elementen. Enerzijds, de analyse van en het toezicht op het vermogen van de cliënt-belegger en, anderzijds, de eigenlijke aankoop en verkoop van effecten.

Het Hof definieert portefeuillebeheer als het discretionaire en individuele beheer van portefeuilles van spaarders (voor zover die portefeuilles één of meerdere financiële instrumenten zoals gedefinieerd in artikel 2, eerste lid, 1°, van de wet van 02.08.2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten omvatten, laatst gewijzigd bij de wet van 05.05.2019, MB, 17.05.2019) op grond van een door de cliënt gegeven opdracht en waarbij de vermogensbeheerder vrij is op eigen initiatief daden van beschikking te stellen betreffende deze vermogensbestanddelen.

Het Hof is in wezen tot het besluit gekomen dat deze beide elementen op gelijke voet met elkaar staan en één enkele dienstverrichting vormen die voor geen enkele btw-vrijstelling in aanmerking komt en dus onderworpen is aan de belasting tegen het normale btw-tarief (Hof van Justitie van de Europese Unie, Arrest Deutsche Bank, zaak C-44/11, van 19.07.2012, punten 23, 28 en 43; zie ook, in dezelfde zin, de schriftelijke parlementaire vragen nr. 61 van de heer Volksvertegenwoordiger Gerolf Annemans van 01.09.1995 en nr. 589 van de heer Volksvertegenwoordiger Olivier Henry van 16.10.2012).

b. Beleggingsadvies

Beleggingsadvies wordt gedefinieerd als het aanreiken van gepersonaliseerde aanbevelingen aan een cliënt, hetzij op diens verzoek, hetzij op initiatief van de beleggingsonderneming, met betrekking tot één of meer transacties die met financiële instrumenten verband houden.

De klant kan vervolgens effecten aankopen of verkopen of daartoe de opdracht geven aan de verstrekker van beleggingsdiensten of aan enigerlei andere financiële instelling.

Zelfs als de dienstverlener die het beleggingsadvies geeft ook instaat voor de aankoop en verkoop van effecten, vereist de eventuele aankoop of verkoop van effecten dus een nieuwe wilsuiting van de genieter van het advies.

Er dient dan te worden van uitgegaan dat het niet gaat om een unieke dienstprestatie maar wel om twee afzonderlijk te beschouwen handelingen die hun eigen regeling ondergaan.

Beleggingsadvies (adviserend beheer) slaat op één van beide elementen waarin het portefeuillebeheer bestaat, meer bepaald ‘de dienst van adviesverlening’. Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft dit element gekwalificeerd als verrichting van analyse en toezicht.

Deze verrichting van analyse van en toezicht op het vermogen, die niet noodzakelijk de totstandkoming inhoudt van handelingen die rechten en verplichtingen van de partijen inzake effecten kunnen doen ontstaan, wijzigen of doen tenietgaan, valt niet binnen het toepassingsgebied van de vrijstelling van artikel 44, § 3, 10°, van het Btw-Wetboek en moet dus onderworpen worden aan de belasting tegen het normale btw-tarief (Hof van Justitie van de Europese Unie, Arrest Deutsche Bank, zaak C-44/11, van 19.07.2012, punt 39).

Daar staat tegenover dat de eventuele op voornoemde verrichting volgende aankoop of verkoop van effecten vrijgesteld is overeenkomstig artikel 44, § 3, 10°, van het Btw-Wetboek. Ter zake wordt verwezen naar ‘Boekwerk II: Bepaling van de belastbare basis en het toepasselijke tarief - Hoofdstuk 9: Vrijstellingen beoogd door artikel 44 van het Btw-Wetboek, Afdeling 31’.

Tenslotte, als de dienstverrichter een globale prijs aanrekent voor zowel de dienst van adviesverlening als voor de er op volgende verrichting van aankoop of verkoop van effecten, moet deze globale prijs uitgesplitst worden zodat de prijs voor de dienst van adviesverlening onderworpen is aan de belasting tegen het normale btw-tarief (beslissing nr. E.T. 124.567 van 10.04.2015).

L. Instellingen voor collectieve belegging

De handelingen die worden verricht door de instellingen voor collectieve belegging, als bedoeld in de wet van 03.08.2012 betreffende bepaalde vormen van collectief beheer van beleggingsportefeuilles, door openbare of institutionele gereglementeerde vastgoedvennootschappen beoogd door artikel 2, 1°, 2° en 3°, van de wet betreffende de gereglementeerde vastgoedvennootschappen (Bevek, Bevak, Bev…) en door instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening beoogd door artikel 8 van de wet van 27.10.2006 betreffende het toezicht op de instellingen voor bedrijfspensioenvoorzieningen, worden beoogd door artikel 18, § 1, tweede lid, 13°, van het Btw-Wetboek.

Het beheer van deze instellingen maakt het voorwerp uit van een economische activiteit. Inzake btw verstrekken ze diensten. Deze activiteit wordt op zelfstandige wijze uitgeoefend, zelfs door bestuurders-rechtspersonen in de uitoefening van hun statutaire taken (sinds 01.06.2016).

De handelingen die door deze instellingen worden verricht, alsook hun beheer en dat van hun activa, zijn evenwel van de belasting vrijgesteld indien ze aan de voorwaarden van artikel 44, § 3, 11°, van het Btw-Wetboek voldoen (beslissing nr. E.T. 127.850 van 30.03.2016, punten 8, 64 en 65 – zie ook ‘Boekwerk II: Bepaling van de belastbare basis en het toepasselijke tarief - Hoofdstuk 9: Vrijstellingen beoogd door artikel 44 van het Btw-Wetboek, Afdeling 32’).

[Top]

14. Radiodistributie, teledistributie, telecommunicatie (artikel 18, § 1, tweede lid, 14°, van het Btw-Wetboek)

Diensten van radiodistributie, teledistributie en telecommunicatie zijn diensten die worden beoogd door het Btw-Wetboek (artikel 18, § 1, tweede lid, 14°, van het Btw-Wetboek).

A. Radiodistributie en teledistributie

a. Definitie

‘Omroepdiensten betreffen diensten bestaande in de levering van audio- en audiovisuele inhoud, zoals radio- of televisieprogramma’s die door en onder de redactionele verantwoordelijkheid van een aanbieder van mediadiensten op basis van een programmaschema via communicatienetwerken aan het grote publiek worden aangeboden voor het gelijktijdig beluisteren of bekijken’ (artikel 6ter, lid 1, van de uitvoeringsverordening (EU) nr. 282/2011 van de Raad van 15.03.2011, voornoemd).

b. Beoogde diensten

Onder voornoemde definitie (subrubriek a, van deze rubriek) vallen onder andere:

• radio- en televisieprogramma’s die worden uitgezonden of heruitgezonden via een radio- of televisienetwerk

• radio- en televisieprogramma’s die via het internet of een soortgelijk elektronisch netwerk (IP-streaming) worden verspreid indien de uitzending van die programma’s samenvalt met de uitzending of heruitzending van die programma’s via een radio- of televisienetwerk (artikel 6ter, lid 2, van de uitvoeringsverordening (EU) nr. 282/2011, voornoemd en circulaire AFZ nr. 09/2003 van 12.08.2003, randnummer 10).

c. Uitgesloten diensten

Onder voornoemde definitie (subrubriek a, van deze rubriek) vallen niet:

• telecommunicatiediensten (zie rubriek B, van deze titel)

• de langs elektronische weg verrichte diensten (zie titel 16 van deze Afdeling)

• het verstrekken van informatie over bepaalde programma’s op aanvraag

• de overdracht van uitzend- of doorgifterechten

• de leasing van technische uitrusting of faciliteiten die voor de ontvangst van een uitzending worden gebruikt

• radio- of televisieprogramma’s die via het internet of een soortgelijk elektronisch netwerk (IP-streaming) worden verspreid, tenzij de uitzending van die programma’s samenvalt met de uitzending van die programma’s via radio- of televisienetwerken (artikel 6ter, lid 3, van de uitvoeringsverordening (EU) nr. 282/2011, voornoemd).

B. Telecommunicatiediensten

a. Definitie

Artikel 24, lid 2, van de richtlijn 2006/112/EG, voornoemd, die in het Belgisch recht werd omgezet in artikel 18, § 1, tweede lid, 14°, van het Btw-Wetboek, definieert het begrip telecommunicatiediensten: ‘als “telecommunicatiediensten” worden beschouwd de diensten waarmee de transmissie, uitzending of ontvangst van signalen, geschriften, beelden en geluiden of informatie van allerlei aard per draad, via radiofrequente straling, langs optische weg of met behulp van andere elektromagnetische middelen mogelijk wordt gemaakt, met inbegrip van de daarmee samenhangende overdracht en de verlening van rechten op het gebruik van infrastructuur voor de transmissie, uitzending of ontvangst, met inbegrip van het bieden van toegang tot wereldwijde informatienetten.’

b. Beoogde diensten

Worden, onder andere, als telecommunicatiediensten aangemerkt:

• vaste en mobiele telefoondiensten voor de transmissie en schakeling van spraak, data en video, daaronder begrepen telefoondiensten met een beeldcomponent (videofoondiensten)

• telefoondiensten aangeboden via het internet, daaronder begrepen Voice over Internet Protocol (VoIP)

• voicemail, oproepmelding, oproepdoorschakeling, belleridentificatie, gesprek met drie personen en andere oproepbeheerdiensten

• semafoondiensten

• audiotextdiensten

• fax-, telegraaf- en telexdiensten

• toegang tot het internet, daaronder begrepen het wereldwijde web

• particuliere netwerkaansluitingen die telecommunicatieverbindingen bieden ten behoeve van exclusief gebruik door de afnemer (artikel 6bis, lid 1, van de uitvoeringsverordening (EU) nr. 282/2011, voornoemd).

c. Uitgesloten diensten

De wettelijke definitie van telecommunicatiediensten (zie subrubriek a, van deze rubriek) beoogt enkel de transmissie van dergelijke diensten. Alleen de ‘overdracht’ (15) van telecommunicatiediensten is bedoeld en niet de ‘inhoud’ (16) ervan. Dit laatste komt neer op de dienst van informatieverwerking en verschaffing.

(15) De ‘overdracht’ is het vervoer van een bericht, het technisch middel waarmee het wordt gedownload (relatie server-gebruiker).

(16) De ‘inhoud’ is hetgeen dat overgedragen wordt, de doorgegeven boodschap.

Bijvoorbeeld, telefonische ondersteuning voor een informaticaprogramma beantwoordt niet aan de definitie van een telecommunicatiedienst in de zin van artikel 18, § 1, tweede lid 14°, van het Btw-Wetboek maar maakt het voorwerp uit van een intellectueel werk, beoogd door artikel 18, § 1, tweede lid, 1°, van het Btw-Wetboek (aanschrijving nr. 6/1997 van 05.06.1997, randnummer 7).

Zijn zodoende geen telecommunicatiediensten:

• diensten verstrekt door persbureaus, zelfs niet als die diensten gepaard gaan met het ter beschikking stellen van toestellen voor telecommunicatie. In dat geval is er sprake van het verlenen van informatie, beoogd door artikel 18, § 1, tweede lid, 1°, van het Btw-Wetboek

• de reclame verstrekt door zenders wanneer zij bijvoorbeeld de kwaliteiten van een product aanprijzen voor rekening van de fabrikant. Deze diensten worden beoogd door artikel 18, § 1, tweede lid, 1°, van het Btw-Wetboek (zie titel 1, rubriek G, van deze Afdeling)

• radiodistributie en teledistributie (zie rubriek A, van deze titel)

• de langs elektronische weg verrichte diensten (zie titel 16 van deze Afdeling)(artikel 6bis, lid 2, van de uitvoeringsverordening (EU) nr. 282/2011).

C. Kosten van aansluiting

Het bedrag dat de ondernemingen voor telecommunicatie of voor teledistributie aanrekenen aan de persoon op wiens aanvraag zij werken hebben uitgevoerd, is een element van de prijs van de telecommunicatie- of de teledistributiedienst. Dit is, onder andere, het geval voor het bedrag dat de telecomoperator aanrekent aan de personen op wiens aanvraag zij aansluitingswerken uitvoert waarvan ze zelf eigenaar blijft (beslissing nr. E.T. 3.416 van 16.07.1971).

[Top]

15. De toekenning van het recht van toegang tot verkeerswegen en tot de erbij behorende kunstwerken, alsmede de toekenning van het recht er gebruik van te maken (artikel 18, § 1, tweede lid, 15°, van het Btw-Wetboek)

Artikel 18, § 1, tweede lid, 15°, van het Btw-Wetboek beoogt: ‘de toekenning van het recht van toegang tot verkeerswegen en tot de erbij behorende kunstwerken, alsmede de toekenning van het recht er gebruik van te maken’.

Het gaat om het recht van toegang dat mits betaling wordt toegekend door bijvoorbeeld een exploitatievennootschap aan gebruikers van een weginfrastructuur: snelweg, brug, tunnel (bijvoorbeeld de Cointe tunnel te Luik, de Liefkenshoektunnel te Antwerpen), bevaarbare waterwegen en gelijkaardige werken.

[Top]

16. Langs elektronische weg verrichte diensten (artikel 18, § 1, tweede lid, 16°, van het Btw-Wetboek)

A. Niet-limitatieve opsomming

Met het oog op meer duidelijkheid, werd bijlage II bij richtlijn 2006/112/EG, voornoemd, die een niet-limitatieve opsomming geeft van handelingen die in elk geval als ‘langs elektronische weg verrichte diensten’ dienen te worden aangemerkt, omgezet in artikel 18, § 1, tweede lid, 16°, van het Btw-Wetboek.

Met hetzelfde oogmerk, sommen artikel 7, lid 2, van de uitvoeringsverordening (EU) nr. 282/2011 en bijlage I bij deze verordening, op niet beperkende wijze, de handelingen op die worden aangemerkt als langs elektronische weg verrichte diensten:

• het leveren en onderbrengen van computersites, het onderhoud op afstand van programma's en uitrustingen

• de levering van software en de bijwerking ervan

• de levering van beelden, geschreven stukken en informatie, de terbeschikkingstelling van databanken

Bijvoorbeeld de terbeschikkingstelling van audiovisuele inhoud via communicatienetwerken zoals video’s met relaxatiesessies via een internetsite.

• de levering van muziek of films, van spelen, met inbegrip van kans- of gokspelen, en van uitzendingen of manifestaties op het gebied van politiek, cultuur, kunst, sport, wetenschappen of ontspanning

• geautomatiseerd afstandsonderwijs dat enkel over het internet of soortgelijke elektronische netwerken kan worden verstrekt en dat weinig of geen menselijk ingrijpen vergt, met inbegrip van virtuele klaslokalen, behalve wanneer het internet of het soortgelijke elektronische netwerk uitsluitend als een instrument voor de communicatie tussen de leraar en de leerling wordt gebruikt.

Wordt in dit opzicht bijvoorbeeld als een langs elektronische weg verrichte dienst aangemerkt, het verlenen van toegang tot virtuele congressen zonder een live moment dat online interactie tussen de sprekers en de deelnemers mogelijk maakt.

B. E-mail: louter een communicatiemiddel

Artikel 18, § 1, tweede lid, 16°, van het Btw-Wetboek wordt aangevuld met een bepaling die

artikel 58, tweede alinea, van de richtlijn 2006/112/EG omzet. Er wordt aldus een bijkomende verduidelijking aangebracht aan de definitie van langs elektronische weg verrichte diensten in volgende zin: ‘het feit dat de dienstverrichter en de ontvanger langs elektronische weg berichten uitwisselen, betekent op zich niet dat de dienst langs elektronische weg wordt verricht’ (circulaire AFZ nr. 19/2009 van 22.12.2009, randnummer 87).

Een e-mail wijzigt niet de wezenlijke aard van de dienst.

In het algemeen vormt het gebruik van het internet of andere elektronische netwerken voor de communicatie tussen partijen, in verband met transacties of ter vergemakkelijking van het handelsverkeer - evenmin als het gebruik van telefoon of fax - geen beletsel voor de toepassing van de normale btw-regels. Wanneer bijvoorbeeld handelspartners het internet gebruiken om informatie uit te wisselen tijdens een zakelijke transactie of als loutere communicatiemiddel, heeft dit geen invloed op de aard van de transactie.

Voorbeeld: de diensten van juristen of financiële raadgevers, enzovoort, die via e-mail hun klanten adviseren, zijn geen langs elektronische weg verrichte diensten. Het betreft intellectuele diensten als beoogd door artikel 18, § 1, tweede lid, 1°, van het Btw-Wetboek. De omvang van de menselijke tussenkomst is bij deze diensten immers significant en het internet of het elektronisch netwerk wordt hier louter als communicatiemiddel gebruikt (circulaire AFZ nr. 9/2003 van 12.08.2003, nummers 6 tot en met 11).

C. Toepasbare criteria

Een ‘langs elektronische weg’ verrichte dienst beantwoordt aan volgende criteria:

• de dienst moet langs het internet of een elektronisch netwerk worden verstrekt (dit betekent dat de dienst afhankelijk moet zijn van het internet of een gelijkaardig netwerk)

• de aard van de betreffende dienst moet sterk afhankelijk zijn van de informatietechnologie die gebruikt wordt om het te verstrekken. Met andere woorden: de dienst moet wegens zijn aard grotendeels geautomatiseerd zijn en slechts in geringe mate menselijk ingrijpen vergen, en kan niet zonder informatietechnologie worden verricht (artikel 7, lid 1, van de uitvoeringsverordening (EU) nr. 282/2011, voornoemd, circulaire AFZ nr. 9/2003 van 12.08.2003, nummer 7, beslissing nr. E.T. 126.947 van 22.12.2014).

Criterium ‘gering menselijk ingrijpen’

Het criterium ‘gering menselijk ingrijpen’ moet worden onderzocht in de relatie tussen de dienstverrichter en de afnemer van een individuele dienst.

Dit begrip refereert aan de wijze waarop iedere individuele dienst aan de klant wordt verstrekt en naar de graad van menselijke tussenkomst van de dienstverrichter om deze individuele dienst te verstrekken wanneer de klant om deze dienst verzoekt. Het is deze tussenkomst of betrokkenheid van de dienstverrichter die van belang is, niet die van de klant.

In het algemeen hebben de handelingen die voor de klant geen doel op zich zijn, geen invloed op de toetsing van het begrip 'gering menselijke ingrijpen'.

Zodoende hebben de contacten tussen de dienstverrichters en de klanten (bijvoorbeeld uitwisseling van mails, telefonische oproepen, chatsessies, enzovoort) met betrekking tot de aangeboden diensten (bijvoorbeeld om de vragen van de klanten betreffende de dienst of betreffende hun persoonlijke gegevens te beantwoorden, om feedback van de klanten te ontvangen, enzovoort) geen invloed op het begrip ‘in geringe mate menselijk ingrijpen’ (zie circulaire AAFisc nr. 32/2016 (nr. E.T 130.082) van 30.11.2016, nummer 5.2., van toepassing van 01.08.2016 tot 21.05.2018, vervangen door circulaire 2018/C/99 van 22.03.2018 betreffende de gevolgen van het arrest van het Grondwettelijk Hof nr. 34/2018 van 22.03.2018 (nr. E.T. 133.771)).

In gevallen waarbij iedere individuele dienstverrichting menselijk ingrijpen vereist vanwege de dienstverrichter, wordt ervan uitgegaan dat de dienst meer dan slechts in geringe mate menselijk ingrijpen vergt. Meer bepaald vergt het verstrekken van niet-gestandaardiseerde pdf-bestanden via e-mails meer dan slechts in geringe mate menselijk ingrijpen (zie richtsnoeren van het btw-comité van de 102e vergadering van 30.05.2015, document D, taxud.c.1(2015)4128689 – 862, punt 2).

De dienst vergt slechts in geringe mate menselijk ingrijpen, wanneer de dienstverrichter initieel een systeem opzet dat nodig is voor de dienstverrichting, regelmatig het systeem onderhoudt of herstelt in geval van problemen die betrekking hebben op het functioneren ervan (zie richtsnoeren van het btw-comité van de 102e vergadering van 30.05.2015, document D, taxud.c.1(2015)4128689 – 862, punt 3).(Zie ‘Boekwerk VI: Specifieke Topics – Hoofdstuk 16: Specifieke topics, Afdeling 4: Langs elektronische weg verrichte diensten, titel 2, rubriek A’).

D. Beoogde diensten

Rekening houdend met de twee criteria vermeld onder rubriek C, van deze titel, worden onder andere volgende diensten als ‘langs elektronische weg’ verrichte diensten aangemerkt (artikel 7, lid 2, van de uitvoeringsverordening (EU) nr. 282/2011, voornoemd en circulaire AFZ nr. 5/2011 van 27.06.2011, randnummer 16):

• de levering van gedigitaliseerde producten in het algemeen, daaronder begrepen software en wijzigingen of bijwerkingen van software

• diensten die erin bestaan de aanwezigheid van een onderneming of persoon op een elektronisch netwerk, zoals een website of webpagina, te verzorgen of te ondersteunen

• automatisch door een computer over het internet of een elektronisch netwerk voortgebrachte diensten in antwoord op specifieke door de afnemer ingevoerde gegevens

• de toewijzing onder bezwarende titel van het recht om goederen of diensten te koop aan te bieden op een website die als onlinemarktplaats fungeert, waar de potentiële kopers via een geautomatiseerde procedure een bod uitbrengen en de partijen via een door de computer gegenereerd e-mailbericht op de hoogte worden gebracht van de totstandkoming van een verkoop

• internetdienstpakketten (ISP’s) waarbij de telecommunicatiecomponent een ondergeschikt hulpelement is (dit wel zeggen pakketten waarin meer dan alleen internettoegang wordt verschaft en die andere elementen omvatten, zoals webpagina’s met inhoud die toegang verschaffen tot nieuwsberichten, weerberichten of toeristische informatie, spellensites, site hosting, onlinediscussiefora …)

• de in bijlage I van de uitvoeringsverordening (EU) nr. 282/2011, voornoemd, genoemde diensten, die bijlage I van de circulaire AFZ nr. 9/2003 van 12.08.2003 wijzigt.

Voorbeelden:

o onlinegegevensopslag waarbij specifieke gegevens elektronisch worden opgeslagen en opgevraagd

o toegang tot of downloaden van software met inbegrip van boekhoudprogramma’s, antivirussoftware, bannerblockers, firewalls

o abonnement op onlinedagbladen en -tijdschriften, beschikbaarstelling van advertentieruimte op een website of webpagina

o downloaden van spellen op computers en mobiele telefoons, toegang tot geautomatiseerde onlinespellen die afhankelijk zijn van het internet of soortgelijke elektronische netwerken en waarbij de spelers zich op afstand van elkaar bevinden

o bepaalde vormen van afstandsonderwijs die geen menselijk ingrijpen nodig hebben, zoals oefeningen met automatische correctie.

E. Uitgesloten diensten

Worden niet als langs elektronische weg verrichte diensten aangemerkt en behouden zodus hun wezenlijke aard (artikel 7, lid 3, van de uitvoeringsverordening (EU) nr. 282/2011, voornoemd):

• diensten van radiodistributie en teledistributie (zie titel 14, rubriek A, van deze Afdeling)

• telecommunicatiediensten (zie titel 14, rubriek B, van Afdeling 3, van deze Afdeling)

• diensten van beroepsbeoefenaren, zoals advocaten en financiële raadgevers, die hun cliënten per e-mail raad geven (zie rubriek B, van deze titel)

• onderwijs waarbij een leraar de inhoud van de cursus over het internet of een elektronisch netwerk, zoals een afstandsverbinding, uiteenzet

• materiële offlineherstellingsdiensten van computerapparatuur

• offline gegevensopslag

• reclame, zoals in dagbladen, op affiches en op de televisie

• telefonische hulpdiensten

• onderwijs uitsluitend door middel van schriftelijke cursussen, zoals over de post verzonden cursussen

• klassieke veilingen met rechtstreeks menselijk ingrijpen, ongeacht de wijze waarop het bieden gebeurt

• toegangsbewijzen voor culturele, artistieke, sportieve, wetenschappelijke, onderwijs-, amusements- of soortgelijke evenementen die online worden geboekt

• accommodatie, autoverhuur, restaurantdiensten, personenvervoer of soortgelijke diensten die online worden geboekt

• online financiële diensten (beslissing nr. E.T. 126.947 van 22.12.2014).

F. Onderscheid met leveringen van goederen

De aankoop van een goed via internet, gevolgd door zijn fysieke levering, is een levering van goederen maar geen dienst.

Maken niet het voorwerp uit van elektronische diensten maar van leveringen van goederen - in voorkomend geval in het kader van het stelsel van verkopen op afstand – zodat zij beantwoorden aan de specifieke regels van leveringen voor wat betreft de plaats, het tarief en de vrijstelling van de btw:

• goederen waarbij de bestelling en de verwerking van de bestelling langs elektronische weg geschieden

• cd-roms, floppydisks en soortgelijke materiële informatiedragers

• cd’s en audiocassettes

• videocassettes en dvd’s

• spellen op cd-rom

• boeken, kranten en tijdschriften op papier.

G. Bijzondere en gemeenschappelijke regels met diensten inzake radiodistributie, teledistributie en telecommunicatie

Zowel op het vlak van de plaatsbepaling van de dienst (artikel 21bis, § 2, 9°, van het Btw-Wetboek, zie Afdeling 8, titel 4, rubriek G, van dit Hoofdstuk), als inzake de na te leven verplichtingen via het MOSS of Mini One Stop Shop (Mini enig loket) systeem, zijn de langs elektronische weg verrichte diensten, verstrekt door in België gevestigde belastingplichtigen, onderworpen aan dezelfde bijzondere regels als diegene voor diensten inzake radiodistributie, teledistributie en telecommunicatie (beslissing nr. E.T. 126.947 van 22.12.2014) (zie ‘Boekwerk IV: Voldoening van de belasting - Hoofdstuk 13: Regeling voor de voldoening van de belasting’ ).

De langs elektronische weg verrichte diensten worden meer uitgebreid toegelicht in ‘Boekwerk VI: Specifieke Topics – Hoofdstuk 16: Specifieke topics, Afdeling 4: Langs elektronische weg verrichte diensten’.

[Top]

Afdeling 4 - Diensten die worden verricht buiten enige contractuele band (artikel 18, § 2, eerste lid, van het Btw-Wetboek)

1. Beoogde diensten

‘Wordt eveneens als een dienst beschouwd, de uitvoering van een in § 1 bedoelde handeling ingevolge een vordering (17) door of namens de overheid en, meer algemeen, ingevolge een wet, een decreet, een ordonnantie, een besluit of een administratieve verordening’ (artikel 18, § 2, eerste lid, van het Btw-Wetboek).

(17) De vordering is het uitzonderlijk recht van de Staat om, in beginsel tegen betaling van een vergoeding, aan een persoon prestaties op te leggen, de levering van roerende goederen te eisen of de tijdelijke of definitieve afstand van onroerende goederen op te leggen (bijvoorbeeld: onteigening ten algemenen nutte)

Artikel 18, § 2, eerste lid, van het Btw-Wetboek is conform de richtlijn 2006/112/EG, voornoemd, waarvan artikel 25, punt c), bepaalt dat een dienst onder andere de volgende handeling kan zijn: ‘… het verrichten van een dienst op grond van een vordering door of namens de overheid, dan wel krachtens de wet’.

Op grond van deze bepaling, maar uitsluitend in de situaties die ze beoogt, belet het gebrek aan wilsuiting door een van de partijen de belastbaarheid van de handeling niet. Het feit dat betreffende activiteit het resultaat is van een door een rechtsregel opgelegde verplichting heeft geen invloed op de beoordeling van het gegeven dat de activiteit al dan niet onder bezwarende titel wordt verricht (Hof van Justitie van de Europese Unie, onder andere, Arrest Commissie tegen Finland, zaak C-246/08, van 29.10.2009, punt 40 en Arrest E., zaak C-846/19, van 15.04.2021, punt 39 en de geciteerde rechtspraak).)

Artikel 18, § 2, eerste lid, van het Btw-Wetboek is, inzake diensten, de tegenhanger van artikel 10, § 2, a), van het Btw-Wetboek.

De bedoeling van deze bepaling is te vermijden dat een overheid een eigendom verwerft en aan de belasting ontsnapt door middel van een vordering. Ze laat de belastingplichtige die het goed moet leveren ook toe om zijn recht op aftrek van de voorbelasting uit te oefenen (zie Parlementair Document, Kamer van Volksvertegenwoordigers, SE 1968, nummer 88, punt 1, pagina 21).

Het spreekt voor zich dat een dienst beoogd door artikel 18, § 2, eerste lid, van het Btw-Wetboek

slechts aan de btw onderworpen is indien hij wordt verricht onder de voorwaarden bepaald in artikel 2 van het Btw-Wetboek.

De persoon waarvan de diensten worden gevorderd, moet als belastingplichtige handelen. Hij treedt dan op als dienstverrichter hoewel hij handelt op bevel van de overheid. Laatstgenoemde wordt als afnemer van de dienst beschouwd die in principe gehouden is tot de betaling van een vergoeding. Deze wordt als de tegenprestatie beschouwd die noodzakelijk is om te voldoen aan de voorwaarde inzake het verrichten van een dienst onder bezwarende titel.

Er hoeft alleen te worden vastgesteld dat de betrokken vergoeding rechtstreeks samenhangt met de overgang van de eigendom (naar analogie met de gevraagde dienst) en dat de betaling daadwerkelijk heeft plaatsgevonden (Hof van Justitie van de Europese Unie, Arrest Gmina Wroclaw, zaak C-604/19, van 25.02.2021, punt 61).

2. Toepassingsgeval

Conform artikel 18, § 2, eerste lid, van het Btw-Wetboek, worden onder andere als aan de belasting onderworpen diensten beschouwd:

• bepaalde prestaties van een bedrijfsrevisor, bijvoorbeeld wanneer hij door de overheid is aangeduid (aanschrijving nr. 11/1978 van 14.03.1978, randnummer 5)

• de diensten van gerechtelijke deskundigen. Het stelsel dat van toepassing is op gerechtelijke deskundigen wordt uitvoerig besproken in de aanschrijving nr. 15/1979 van 25.07.1979.

3. Vrijstellingen

Een dienst als beoogd door artikel 18, § 2, eerste lid, van het Btw-Wetboek kan, in voorkomend geval, een btw-vrijstelling genieten zoals bijvoorbeeld de vrijstelling voor internationale instellingen bedoeld in artikel 42, § 3, 3°, van het Btw-Wetboek (aanschrijving nr. 2/1978 van 03.01.1978).

De vrijstelling van artikel 44, § 2, 8°, van het Btw-Wetboek is daarentegen niet van toepassing op de diensten verstrekt door een tolk in het specifiek kader van een gerechtelijke procedure, in uitvoering van een gerechtelijk mandaat, tijdens een terechtzitting (openbaar of niet) of een gerechtelijk verhoor (achter gesloten deuren of niet). Sinds 01.01.2014 zijn de simultaanvertalingen verricht door tolken in uitvoering van een gerechtelijk mandaat, diensten die volgens de gewone regels belast zijn met btw (beslissingen nr. E.T. 124.252 van 30.05.2013 en nr. E.T. 124.252/2 van 29.07.2013).

[Top]

Afdeling 5 – Geen diensten op grond van artikel 18, § 3, van het Btw-Wetboek

1. Beoogde gevallen

Bepaalde handelingen die in artikel 18, § 1, van het Btw-Wetboek worden bedoeld, kunnen verricht worden in het kader van een overdracht van een algemeenheid van goederen of van een bedrijfsafdeling, onder de voorwaarden van artikel 11 van het Btw-Wetboek. In dat geval worden deze handelingen bij toepassing van artikel 18, § 3, van genoemd Wetboek niet beschouwd als dienstprestaties en zijn derhalve niet aan de belasting onderworpen.

Op grond van artikel 29 van de richtlijn 2006/112/EG, voornoemd, is artikel 11 van het Btw-Wetboek, onder dezelfde voorwaarden, van toepassing op diensten.

Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn voor:

• de overdracht van cliënteel en de verbintenis een beroepswerkzaamheid niet uit te oefenen (artikel 18, § 1, tweede lid, 5°, van het Btw-Wetboek)

• de overdracht van een verkoopmonopolie (artikel 18, § 1, tweede lid, 6°, van het Btw-Wetboek)

• de overdracht van het recht op gebruik van de firmanaam en de overdracht van merken, modellen en octrooien (artikel 18, § 1, tweede lid, 7°, van het Btw-Wetboek).

2. Draagwijdte van artikel 11 van het Btw-Wetboek en toepassingsvoorwaarden

Artikel 11 van het Btw-Wetboek baseert zich op de fictie dat de overnemer geacht wordt de hoedanigheid van de overnemer verder te zetten.

De draagwijdte van artikel 11 van het Btw-Wetboek en zijn toepassingsgevallen wordt besproken in ‘Boekwerk VI: Specifieke topics – Hoofdstuk 16: Specifieke topics, Afdeling 6: Overdracht van een algemeenheid van goederen of van een bedrijfsafdeling’. Er wordt ook naar dat boekwerk verwezen voor wat betreft de gevolgen inzake het recht op aftrek indien de overdrager bepaalde activa behoudt of in het geval een huurovereenkomst wordt gesloten.

Voor een geval van herziening van de aftrek bij de gratis terbeschikkingstelling van een gebouw, opgericht door een belastingplichtige in eigen naam, aan een feitelijke vereniging die hij samen met een andere belastingplichtige heeft opgericht, wordt verwezen naar het Arrest van het Hof van Cassatie n° F.17.0019.F van 17.01.2019. In dit geval oordeelde het Hof van Beroep te Luik in het arrest nr. WF 702-15-12/068018 van 22.04.2016, dat de circulaire AFER n° 46/2009 (n° E.T. 110.663) van 30.09.2009 een correcte interpretatie gaf van de wet.

Er wordt hier inzonderheid opgemerkt dat de begrippen ‘algemeenheid van goederen’ en ‘bedrijfsafdeling’ dienen te worden beoordeeld in hoofde van de overnemer en niet in hoofde van de overdrager.

Artikel 11 kan worden toegepast wanneer de overdrager bepaalde activa van de overgedragen algemeenheid bewaart indien dit voor de overnemer geen beletsel vormt om een autonome economische activiteit uit te oefenen met de overgedragen elementen (Hof van Justitie van de Europese Unie, Arrest Zita Modes Sàrl, zaak C-497/01, van 27.11.2003, punten 39 tot 46).

Voor zover de overdracht van de goederenvoorraad en de winkeluitrusting volstaat om een autonome economische activiteit te kunnen voortzetten (met uitsluiting van de eenvoudige vereffening), is de overdracht van de onroerende goederen niet beslissend om de transactie als overgang van een algemeenheid van goederen aan te merken.

Wanneer blijkt dat het voor de voortzetting van de betrokken economische activiteit noodzakelijk is dat de overnemer dezelfde ruimte gebruikt waarover de overdrager heeft beschikt, verzet niets in beginsel zich ertegen dat dit bezit wordt overgedragen via een huurovereenkomst die de partijen sluiten (Hof van Justitie van de Europese Unie, Arrest Christel Schriever, zaak C-444/10, van 10.11.2011, punten 35 en 36).

[Top]

Afdeling 6 – De met een belastbare dienst gelijkgestelde handelingen ingevolge de toepassing van artikel 19 van het Btw-Wetboek

1. Doeleinden van de gelijkstelling

Artikel 19 van het Btw-Wetboek stelt dat :

‘§ 1. Met een dienst verricht onder bezwarende titel wordt gelijkgesteld het gebruiken van een tot het bedrijf behorend goed ander dan dat bedoeld in artikel 45, § 1quinquies, voor privé-doeleinden van de belastingplichtige of van zijn personeel of, meer algemeen, voor andere doeleinden dan deze van de economische activiteit van de belastingplichtige, wanneer voor dat goed recht op volledige of gedeeltelijke aftrek van de belasting is ontstaan.

§ 2. Met een dienst verricht onder bezwarende titel wordt eveneens gelijkgesteld de uitvoering door een belastingplichtige van een werk in onroerende staat:

1° voor de doeleinden van zijn economische activiteit, wanneer, ingeval dergelijk werk wordt verricht door een andere belastingplichtige, hij geen volledig recht op aftrek van de belasting zou hebben;

2° om niet, voor zijn privédoeleinden of deze van zijn personeel of, meer in het algemeen, voor andere doeleinden dan deze van zijn economische activiteit.

(…)

§ 3. Teneinde ernstige ongelijkheden in de concurrentieverhoudingen te voorkomen, kan de Koning, in de gevallen en volgens de regelen die Hij bepaalt, de uitvoering door een belastingplichtige, voor de doeleinden van zijn economische activiteit, van andere handelingen dan deze bedoeld in §§ 1 en 2, aan de belasting onderwerpen, wanneer de belastingplichtige, ingeval een dergelijke handeling door een andere belastingplichtige zou zijn verricht, geen recht zou hebben op volledige aftrek van de belasting.’

Artikel 19 van het Btw-Wetboek bevat 3 paragrafen die, in hoofde van de belastingplichtige, bepaalde materiële feiten of gratis verrichte handelingen (zonder tegenprestatie) gelijkstellen met belastbare handelingen. Zonder deze bepaling zou geen enkele btw verschuldigd zijn in de bedoelde gevallen omdat een element ontbreekt om aan een belastbare dienst te beantwoorden zoals, in dit geval, onder bezwarende titel.

Paragraaf 1 beoogt het gebruik van een goed van de onderneming door een belastingplichtige voor doeleinden andere dan deze van zijn economische activiteit (privé…). Deze bepaling vormt een correctiemechanisme van het recht op aftrek. Deze bepaling is dus onderworpen aan de voorwaarde van het geheel of gedeeltelijk recht op aftrek van de belasting wanneer de goederen deel uitmaken van het economisch patrimonium van de belastingplichtige.

Paragraaf 2 beoogt de uitvoering, door een belastingplichtige, van werken in onroerende staat en neemt de doelstellingen over van § 1 van dit artikel (voor andere doeleinden dan deze van de economische activiteit) maar breidt deze uit tot de doeleinden van de economische activiteit van de belastingplichtige.

In het geval de werken andere doeleinden hebben dan deze van de economische activiteit, doet de belastingheffing aan het einde van de bouwwerken, bijvoorbeeld voor privédoeleinden van de belastingplichtige, het recht op aftrek ontstaan van de btw geheven op de aankoop van de materialen. Het ontstaan van dit recht op aftrek is geen voorwaarde maar een gevolg van de toepassing van artikel 19, § 2, eerste lid, 2° van het Btw-Wetboek.

Anderzijds, indien de werken worden verricht voor doeleinden van zijn economische activiteit, vormt het verbod op volledige aftrek van de btw op de uitvoering van de onroerende werken wanneer de belastingplichtige in geval een dergelijke handeling door een andere belastingplichtige zou zijn verricht geen recht zou hebben op de volledige aftrek van de btw op de uitvoering van de onroerende werken, een voorwaarde voor de belastingheffing op de werken in onroerende staat, gelijkgesteld op basis van artikel 19, § 2, eerste lid, 1°, van het Btw-Wetboek.

Paragraaf 3 beoogt alle handelingen verricht door een belastingplichtige voor economische doeleinden, andere dan deze reeds vermeld in §§ 1 en 2, van artikel 19 van het Btw-Wetboek.

Bij gebrek aan een koninklijk besluit ter uitvoering ervan, heeft artikel 19, § 3 van het Btw-Wetboek geen enkel gevolg.

2. Gebruik van goederen behorend tot het bedrijf voor andere doeleinden dan de economische activiteit (artikel 19, § 1, van het Btw-Wetboek)

De titel 2, van deze Afdeling geeft enkel een kort overzicht van artikel 19, § 1, van het Btw-Wetboek, rekening houdend met het doel ervan, namelijk de correctie van de initieel afgetrokken btw. Voor de volledige commentaar wordt verwezen naar ‘Boekwerk III: Recht op aftrek van de voorbelasting - Hoofdstuk 12: Correcties op het recht op aftrek, Afdeling 3’.

A. Doel van de heffing op het gebruik van een bedrijfsmiddel

a. Correctiemechanisme op het recht op aftrek

De ratio legis is dat de belastingplichtige de btw in aftrek heeft gebracht die geheven werd van bedrijfsmiddelen die oorspronkelijk werden aangewend voor de met btw belaste economische activiteit, maar die daarna aan het bedrijf werden onttrokken (zonder het patrimonium van het bedrijf te verlaten) om te worden aangewend voor de privédoeleinden van de belastingplichtige, de privédoeleinden van zijn personeel of, meer algemeen, voor andere doeleinden dan deze van de economische activiteit van de belastingplichtige en dit buiten elk contract onder bezwarende titel om.

De tekst van artikel 19, § 1, van het Btw-Wetboek is in overeenstemming met artikel 26, lid 1, punt a), van de richtlijn 2006/112/EG, voornoemd, rekening houdend met artikel 168bis, van voornoemde richtlijn.

Deze wettelijke bepaling heeft tot doel te vermijden dat een belastingplichtige, wanneer hij een tot zijn bedrijf behorend goed voor andere doeleinden dan die van zijn economische activiteit gebruikt en hij met andere woorden als ‘eindverbruiker’ handelt, een onrechtmatig voordeel geniet te wijten aan het feit dat de btw met betrekking tot dit goed in aftrek werd gebracht.

Samengevat, is het doel van deze bepaling dus de belastingplichtige - eindverbruiker in dezelfde situatie te plaatsen alsof hij geen recht op aftrek had uitgeoefend (circulaire AAFisc nr. 36/2015 (nr. E.T. 119.650) van 23.11.2015, randnummer 172).

b. Verband met de regels inzake recht op aftrek

• Vanaf het begin een volledig gebruik voor beroepsdoeleinden

Als het bedrijfsmiddel of het gedeelte ervan dat behoort tot het bedrijfsvermogen vanaf het begin enkel wordt gebruikt voor beroepsdoeleinden, zijn de toepassingsvoorwaarden van artikel 45, § 1quinquies, van het Btw-Wetboek niet van toepassing.

De aftrek dient in dat geval uitgeoefend te worden volgens de andere ter zake geldende regels (artikel 45, § 1, van het Btw-Wetboek en, in voorkomend geval, artikel 45, § 2, van het Btw-Wetboek) en als achteraf dan een wijziging optreedt in het gebruik van het bedrijfsmiddel, is artikel 19, § 1, van het Btw-Wetboek van toepassing.

• Gemengd gebruik vanaf het begin

Zodra bij de aanschaffing van een bedrijfsmiddel vanaf het begin gemengd gebruik wordt vastgesteld, dient de aftrek van voorbelasting op grond van artikel 45, § 1quinquies, van het Wetboek onmiddellijk beperkt te worden.

Door onmiddellijk de aftrekbeperking toe te passen wordt het privégebruik van het goed verder dus niet meer aan de btw onderworpen op grond van artikel 19, § 1, van het Btw-Wetboek.

Komen er verder nog wijzigingen in de verhoudingen tussen het privégebruik en het beroepsmatig gebruik, dan verlopen de btw-correcties altijd via de herzieningen behalve indien er sprake is van een onttrekking of ingebruikneming voorzien in artikel 12, eerste lid, 1° of 5°, van het Btw-Wetboek (zie ‘Boekwerk III: Recht op aftrek van de voorbelasting - Hoofdstuk 12: Correcties op het recht op aftrek’, Afdeling 2).

• Verwijzing naar de circulaire

De toepassing van de artikelen 19, § 1 en 45, § 1quinquies, van het Btw-Wetboek wordt besproken in de circulaire AAFisc nr. 36/2015 (nr. E.T. 119.650) van 23.11.2015, nummers 6 tot 31.

c. Verband met het stelsel van de herzieningen van het recht op aftrek als beoogd door artikel 48, § 2, van het Btw-Wetboek

De administratie heeft beslist vanaf 01.01.2014 de toepassing van artikel 19, § 1, van het Btw-Wetboek slechts te eisen gedurende de looptijd van het herzieningstijdvak (circulaire AAFisc nr. 36/2015 (nr. E.T. 119.650) van 23.11.2015, randnummers 172 en 173).

d. Onderscheid met een onttrekking van goederen voor andere dan bedrijfsdoeleinden

Zowel artikel 12, § 1, eerste lid, 1°, als artikel 19, § 1, van het Btw-Wetboek beogen een gebruik van een bedrijfsgoed voor andere dan bedrijfsdoeleinden (voor privédoeleinden, voor het personeel, enzovoort), maar:

• artikel 12, § 1, eerste lid, 1°, van het Btw-Wetboek heeft betrekking op de situatie waarin een tot het bedrijf behorend goed volledig en definitief voor andere dan bedrijfsdoeleinden wordt aangewend en dus het bedrijfspatrimonium van de belastingplichtige verlaat

• artikel 19, § 1 van het Btw-Wetboek beoogt de situatie waarin een tot het bedrijf behorend goed, anders dan een bedrijfsmiddel dat van in het begin gemengd wordt gebruikt, voor andere dan bedrijfsdoeleinden wordt gebruikt maar in het bedrijfspatrimonium van de belastingplichtige blijft.

Er wordt opgemerkt dat artikel 12, § 1, eerste lid, 1°, van het Btw-Wetboek enkel roerende goederen beoogt terwijl artikel 19, § 1, van het Btw-Wetboek zowel roerende als onroerende goederen beoogt.

Voor de toepassing van de twee voornoemde wettelijke bepalingen is evenwel vereist dat voor het goed een volledig of gedeeltelijk recht op aftrek werd uitgeoefend.

B. Toepassingsgebied

a. Beoogde goederen

Artikel 19, § 1, van het Btw-Wetboek beoogt zowel de tot een bedrijf behorende roerende als onroerende bedrijfsmiddelen, die van bij de aanvang uitsluitend voor bedrijfsdoeleinden worden gebruikt :

• wanneer voor die goederen recht op volledige of gedeeltelijke aftrek van de belasting is ontstaan

• en die gedurende het herzieningstijdvak van de aftrek gratis ter beschikking worden gesteld van gebruikers (zaakvoerder, bestuurder, personeelslid) of door de belastingplichtige zelf worden gebruikt voor andere dan bedrijfsdoeleinden..

b. Niet beoogde goederen

Artikel 19, § 1, van het Btw-Wetboek moet niet worden toegepast :

• voor de goederen die de belastingplichtige niet in zijn bedrijfsvermogen heeft opgenomen (of voor het gedeelte van het goed dat hij niet in zijn bedrijfsvermogen heeft opgenomen) (Hof van Justitie van de Europese Unie, Arrest Bakcsi, zaak C-415/98, van 08.03.2001, punt 31)

• voor de goederen die geen recht op volledige of gedeeltelijke aftrek hebben doen ontstaan

• voor de goederen die vanaf het begin bedrijfsmiddelen zijn die zowel voor beroeps- als privédoeleinden zijn gebruikt. In het geval van een dergelijk gemengd gebruik dient artikel 45, § 1quinquies, van het Btw-Wetboek te worden toegepast (zie rubriek A, subrubriek b, van deze titel)

• voor de goederen gehuurd of geleased worden (geen bedrijfsmiddelen in hoofde van de afnemer)

• ten aanzien van de diensten met betrekking tot de bedrijfsmiddelen (herstelling, onderhoud, brandstof…)

• voor de goederen waarvan het privégebruik tegen vergoeding gebeurt. In het geval van een huur, is artikel 18, § 1, tweede lid, 4°, van het Btw-Wetboek van toepassing

• voor de goederen waarvan de prijs, of bij ontstentenis van de prijs, de normale waarde, per gebruikelijke handelseenheid van een goed (bijvoorbeeld smartphone, tablet, gsm, portable, enzovoort) lager is dan 1.000 euro, exclusief btw. Deze tolerantie is ook van toepassing ten aanzien van goederen aangeschaft voor 01.01.2014 (circulaire AAFisc nr. 36/2015 (nr. E.T. 119.650) van 23.11.2015, randnummer 179).

C. Vervoermiddelen die worden beoogd door artikel 45, § 2, eerste lid, van het Btw-Wetboek

Betreffende de vervoermiddelen, die beoogd worden door artikel 45, § 2, eerste lid, van het Btw-Wetboek, die de aftrekbeperking van artikel 45, § 1quinquies van het Btw-Wetboek niet hebben ondergaan (omdat er aanvankelijk geen sprake was van een gemengd gebruik), moet - rekening houdend met het neutraliteitsbeginsel - artikel 19, § 1, van het Btw-Wetboek slechts worden toegepast wanneer het gebruik voor andere doeleinden dan deze van de economische activiteit 50% overschrijdt en enkel tot beloop van die overschrijding.

D. Maatstaf van heffing

In het geval van toepassing van artikel 19, § 1, van het Btw-Wetboek moet de maatstaf van heffing bepaald worden krachtens artikel 33, § 1, 2°, van het Btw-Wetboek, zijnde de door de belastingplichtige gedane uitgaven voor het verrichten van de dienst

Aangezien de administratie beslist heeft de facultatieve berekeningswijze om de maatstaf van heffing te bepalen, in het geval een voordeel van alle aard wordt weerhouden inzake inkomstenbelastingen, niet langer toe te passen dient, zoals dit ook reeds het geval was ten aanzien van de belastingplichtige natuurlijke persoon die een goed zelf gebruikt voor andere doeleinden dan deze van zijn economische activiteit, de maatstaf van heffing te worden bepaald rekening houdend met het gebruik van het goed (circulaire AAFisc nr. 36/2015 (nr. E.T. 119.650) van 23.11.2015, randnummer 174).

E. Toepassingsgeval

Een belastingplichtige heeft een woning laten oprichten (oprichtingsprijs van deze woning: 300.000 euro, exclusief btw) en beslist om die woning op te nemen in zijn bedrijfsvermogen tot beloop van 50%. Voor het deel dat niet werd opgenomen in het bedrijfsvermogen heeft hij, op definitieve wijze, geen enkel recht op aftrek.

Het professioneel gebruik komt overeen met het aandeel dat werd opgenomen in het bedrijfsvermogen, zijnde 50%. Artikel 45, § 1quinquies, van het Wetboek, kan niet toegepast worden en de belastingplichtige kan 50% van de btw geheven bij de oprichting van het gebouw in aftrek brengen (artikel 45, § 1, van het Btw-Wetboek), zijnde 31.500 euro (300.000 euro x 50% x 21%).

Indien achteraf blijkt dat het professioneel gebruik van het aandeel opgenomen in het bedrijfsvermogen terugvalt naar 30%, ten gunste van het gebruik voor privédoeleinden, zal dit privégebruik gedurende de herzieningsperiode jaarlijks belastbaar zijn tot beloop van 20% (zijnde 150.000 euro x 1/15 x 20% = 2.000 euro x 21% = 420 euro) krachtens artikel 19, § 1, van het Btw-Wetboek.

3. Uitvoering van werken in onroerende staat door een belastingplichtige voor de doeleinden van zijn economische activiteit of, om niet, voor zijn privédoeleinden of deze van zijn personeel, of meer in het algemeen, voor andere doeleinden dan deze van zijn economische activiteit (artikel 19, § 2, van het Btw-Wetboek)

De titel 3, van deze Afdeling geeft enkel een kort overzicht van artikel 19, § 2, van het Btw-Wetboek. Voor een volledige commentaar wordt verwezen naar ‘Boekwerk III: Recht op aftrek van de voorbelasting – Hoofdstuk 12 : Correcties op het recht op aftrek, Afdeling 4’.

A. Doeleinden van de heffing van werken in onroerende staat

a. Doeleinden van de economische activiteit

Door de werken te belasten tegen hun normale waarde, heeft artikel 19, § 2, eerste lid, 1°, van het Btw-Wetboek tot doel ongelijkheid te vermijden wanneer de uitvoering van dergelijke werken door een andere belastingplichtige geen volledig recht op aftrek van de belasting zou verlenen in hoofde van de bouwheer als belastingplichtige.

b. Andere doeleinden dan deze van de economische activiteit

In de gevallen bedoeld in artikel 19, § 2, eerste lid, 2°, van het Btw-Wetboek, handelt een belastingplichtige, die zelf of door zijn personeel, werken in onroerende staat verricht voor privédoeleinden, in het kader van zijn gebruikelijke economische activiteit maar ook als een consument-eindverbruiker.

Het doel van deze wetsbepaling is deze belastingplichtige op gelijke voet te stellen als diegene die beroep doet op een derde. Het verschil dat hierbij dient te worden opgemerkt is dat de maatstaf van heffing van deze handeling die gelijkgesteld wordt met een belastbare dienst, beperkt wordt tot het bedrag van de gedane uitgaven: het bedrag van de materiaalkost, gebruik van de uitrusting van de onderneming en de arbeidskosten van de werknemers van de onderneming. De persoonlijke arbeidskost van de belastingplichtige als natuurlijk persoon maakt geen voorwerp uit van de belastingheffing bij gebrek aan uitgaven.

B. Aard van de werken

Voor de toepassing van het Btw-Wetboek moet volgens de definitie van artikel 19, § 2, derde lid, van het Btw-Wetboek, onder werk in onroerende staat worden verstaan: ‘(…) het bouwen, het verbouwen, het afwerken, het inrichten, het herstellen, het onderhouden, het reinigen en het afbreken, geheel of ten dele, van een uit zijn aard onroerend goed (…)’ (zie evenwel subrubriek b, van deze rubriek).

Zijn, onder andere, beoogd door artikel 19, § 2, van het Btw-Wetboek:

• bouwwerken, bijvoorbeeld, de oprichting van een sleutel-op-de-deur woning door een aannemer of de bouw van een gebouw casco door een aannemer

• het omvormen van een onroerend goed door een belastingplichtige, dit wil zeggen het onroerend goed vernieuwen, het wijzigen, het saneren of het zodanig aanpassen dat het een toegevoegde waarde krijgt.

Zijn, onder andere, omvormingswerken, de aanpassingen van een gebouw die in belangrijke mate de bestemming of de structuur ervan wijzigen, zoals bijvoorbeeld de omvorming van een schuur in een fitnesszaal of van een niet-residentieel gebouw in privéwoningen (zie de schriftelijke parlementaire vraag nr. 1.161 van de heer Volksvertegenwoordiger Marc Olivier van 04.07.1994).

Wordt eveneens beoogd in artikel 19, § 2, derde lid, van het Btw-Wetboek: ‘(…) de handeling die erin bestaat een roerend goed te leveren en het meteen op zodanige wijze aan te brengen aan een onroerend goed dat het onroerend uit zijn aard wordt’.

De vraag of een bepaald voorwerp wordt ingelijfd in een gebouw, een constructie of een werk, en derhalve onroerend uit zijn aard wordt, dan wel of hij er slechts een toebehoren van wordt, is hoofdzakelijk een feitenkwestie die beoordeeld moet worden rekening houdend met de specifieke elementen die eigen zijn aan ieder geval.

Een gebouw, een constructie of een werk is onroerend in elk van de delen waaruit het is samengesteld. Dit wil zeggen, in alle onderdelen en apparaten die er een geheel mee uitmaken en wel zo dat - wanneer ze ontbreken - de werken in hun aard zelf zouden worden gewijzigd, doordat zij niet meer volledig zouden zijn.

Wordt, onder meer, met een werk in onroerende staat gelijkgesteld, iedere handeling die betrekking heeft zowel op de levering als op de aanhechting aan een gebouw van de bestanddelen of een gedeelte van de bestanddelen van een installatie voor centrale verwarming of airconditioning, van de bestanddelen of een gedeelte van de bestanddelen van een sanitaire installatie van een gebouw, van de bestanddelen of een gedeelte van de bestanddelen van een elektrische installatie van een gebouw (artikel 20 van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd).

De commentaar met betrekking tot artikel 18 van het Btw-Wetboek geeft meer uitleg over het begrip ‘werk in onroerende staat’ (zie Afdeling 3, titel 1, rubriek C, subrubrieken b en c, van dit Hoofdstuk).

a. Uitsluiting van de intellectuele werken

Artikel 19, § 2, derde lid, van het Btw-Wetboek heeft slechts betrekking op materieel werk in onroerende staat. Deze wetsbepaling doelt derhalve niet op de uitvoering van intellectueel werk met betrekking tot een onroerend goed uit zijn aard.

Zijn dus geen diensten betreffende werk in onroerende staat : studiewerk en toezicht (opmaken van plannen, toezicht op de werken, enzovoort) verricht door architecten, landmeters of ingenieurs van een firma, die met deze firma door een arbeidscontract zijn verbonden, betreffende een bouwwerk dat in dit bedrijf zal worden uitgevoerd (schriftelijke parlementaire vraag nr. 141 van de heer Senator Jean-Pierre de Clippele van 11.03.1986).

b. Uitsluiting van oprichtingswerken door een beroepsoprichter voor de doeleinden van zijn economische activiteit

Het werk dat bestaat in de oprichting van een gebouw door een beroepsoprichter in de zin van artikel 12, § 2, van het Btw-Wetboek voor de behoeften van zijn economische activiteit wordt niet gelijkgesteld met een dienst verricht onder bezwarende titel (artikel 19, § 2, tweede lid, van het Btw-Wetboek).

c. Uitsluiting van herstellings-, onderhouds- of reinigingswerken, door een belastingplichtige voor de doeleinden van zijn economische activiteit

De herstellings-, onderhouds- of reinigingswerken van een uit zijn aard onroerend goed, of een gedeelte ervan, die een belastingplichtige zelf verricht of door zijn personeel laat verrichten voor de doeleinden van zijn economische activiteit, zijn niet gelijkgesteld met een dienst verricht onder bezwarende titel (artikel 19, § 2, tweede lid, van het Btw-Wetboek).

De herstellings-, onderhouds- of reinigingswerken zijn enkel bedoeld om de economische waarde van een bepaald goed in stand te houden. Het begrip ‘herstelling’ omvat de uitvoering van noodzakelijke werken voor het onderhoud en gebruik van een bestaand investeringsgoed, zonder dat dit werk de waarde van het bedrijfsmiddel verhoogt, wat rendement of capaciteit betreft (vooral door gebruik van beter geschikte of duurzamere materialen), of zonder dat het door zijn omvang in feite de vernieuwing of zelfs maar de gedeeltelijke verbouwing van een bedrijfsmiddel tot gevolg heeft (beslissing nr. E.T. 7.885 van 06.09.1972, circulaire 2019/C/19 van 01.03.2019 betreffende de gelijkstelling van een werk in onroerende staat tot een dienstprestatie verricht ten bezwarende titel (artikel 19, § 2, van het Btw-Wetboek) (nr. E.T. 133.041), nummer 4.3.2.).

C. Beoogde personen

Wat ook het doel is van de werken in onroerende staat, artikel 19, § 2, van het Btw-Wetboek is enkel van toepassing op belastingplichtigen. Het artikel is in geen geval van toepassing op het werk in onroerende staat verricht door het personeel van een persoon die niet de hoedanigheid van belastingplichtige heeft, bijvoorbeeld door een niet-belastingplichtige rechtspersoon (gemeente, ocmw, enzovoort).

De bepalingen van artikel 19, § 2, eerste lid, 1°, van het Btw-Wetboek zijn aldus bijvoorbeeld niet van toepassing wanneer het gaat om herstellingswerken door gemeentepersoneel met betrekking tot de gemeentelijke infrastructuur die specifiek wordt gebruikt voor het stellen van handelingen die de gemeente verricht als overheid en waarvoor zij niet de hoedanigheid heeft van belastingplichtige (circulaire AAFisc nr. 42/2015 (E.T. 125.567) van 10.12.2015, randnummer 30).

Hoewel enkel belastingplichtigen worden bedoeld, worden ze niet allemaal op dezelfde manier behandeld. Er dient rekening te worden gehouden met de doeleinden van de werken (zie rubriek D, van deze titel).

D. Doeleinden van de werken in onroerende staat

In principe is artikel 19, § 2, van het Btw-Wetboek van toepassing op bovengenoemd werk in onroerende staat dat wordt verricht door een belastingplichtige ofwel voor de doeleinden van zijn economische activiteit ofwel om niet, voor zijn privédoeleinden of deze van zijn personeel of, meer in het algemeen, voor andere doeleinden dan deze van zijn economische activiteit

Rekening houdend met artikel 2, eerste lid, van het Btw-Wetboek, is het evenwel noodzakelijk dat het werk wordt verricht in het kader van of voor de uitoefening van de economische activiteit die aan zijn verrichter de hoedanigheid van belastingplichtige geeft.

In dit verband wordt opgemerkt dat een werk in onroerende staat uitgevoerd door een belastingplichtige, die een rechtspersoon is, altijd wordt verricht in of ten behoeve van de uitoefening van zijn economische activiteit, terwijl een belastingplichtige, die een natuurlijke persoon is, een werk kan uitvoeren hetzij voor privédoeleinden, hetzij voor de doeleinden van zijn economische activiteit.

Verschillende situaties moeten bijgevolg worden onderzocht. Op dat vlak moet geen onderscheid worden gemaakt naargelang de belastingplichtige de eigendom of het genot heeft van het uit zijn aard onroerend goed waarop het werk betrekking heeft.

Zo ook, wanneer de belastingplichtige een natuurlijke persoon is en het een onroerend goed van de huwelijksgemeenschap betreft, is artikel 19, § 2, van het Btw-Wetboek voor het geheel van toepassing en niet voor de helft. Het huwelijksstelsel van de belastingplichtige kan immers in geen enkel geval een invloed hebben op dit punt (circulaire 2019/C/19 van 01.03.2019, betreffende de gelijkstelling van een werk in onroerende staat met een dienst verricht onder bezwarende titel (artikel 19, § 2, van het Btw-Wetboek, nr. 14).

a. Werken in onroerende staat verricht door een belastingplichtige voor de doeleinden van zijn economische activiteit

Om artikel 19, § 2, eerste lid, 1°, van het Btw-Wetboek in overeenstemming te brengen met artikel 27 van de voornoemde richtlijn 2006/112/EG, is het toepassingsgebied ervan vanaf 16.12.2017 beperkt tot de werken in onroerende staat die geen volledig recht op aftrek van de belasting verlenen ingeval dergelijk werk wordt verricht door een andere belastingplichtige.

Bovendien is sinds dezelfde datum de afwijking om herstellings-, onderhouds- en reinigingswerken uit te sluiten voorzien van een wettelijke basis (wet van 29.11.2017 tot wijziging van het Wetboek van de Belasting over de Toegevoegde Waarde, met betrekking tot de opeisbaarheid van de belasting, de met diensten gelijkgestelde handelingen, de regeling van actieve veredeling bij invoer en de vrijstelling van de belasting voor de levering van schepen voor de vaart op volle zee, MB, 06.12.2017).

Wanneer de toepassingsvoorwaarden zijn voldaan, maakt artikel 19, § 2, eerste lid, 1°, van het Btw-Wetboek geen enkel onderscheid tussen een belastingplichtige natuurlijke persoon of een belastingplichtige rechtspersoon. Dit zonder dat men zich moet afvragen of deze werken tot de geregelde werkzaamheid behoren die hem de hoedanigheid van belastingplichtige verleent.

Worden in ieder geval uitgesloten van de belastingheffing de betrokken werken in onroerende staat:

• in functie van de hoedanigheid van de belastingplichtige en de omvang van zijn recht op aftrek (vanaf 16.12.2007, volledig recht op aftrek indien de btw verschuldigd was op de werken, zie circulaire 2019/C/19 betreffende de gelijkstelling van een werk in onroerende staat met een dienst onder bezwarende titel (artikel 19, § 2, van het Btw-Wetboek) (nr. E.T. 133.041, respectievelijk de nummers 4.2.1., 4.2.3. en 4.2.6.):

o belastingplichtige met volledig recht op aftrek

o gemengde belastingplichtige die de regel van het werkelijk gebruik toepast wanneer de handeling volledig en uitsluitend betrekking heeft op de activiteit met recht op aftrek

o gedeeltelijke belastingplichtige voor het gedeelte van de handeling dat betrekking heeft op zijn activiteit buiten het toepassingsgebied van de btw en het gedeelte met betrekking tot de activiteit met volledig recht op aftrek.

• in functie van een specifieke regeling, een belastingplichtige onderworpen aan:

o de vrijstellingsregeling voor kleine ondernemingen, bedoeld in artikel 56bis van het Btw-Wetboek

o de bijzondere regeling voor landbouwondernemingen bedoeld in artikel 57 van het Btw-Wetboek (circulaire 2019/C/19 betreffende de gelijkstelling van een werk in onroerende staat met een dienst onder bezwarende titel (artikel 19, § 2, van het Btw-Wetboek) (nr. E.T. 133.041, respectievelijk de nummers 4.2.7. en 4.2.9.).

• in functie van de hoedanigheid van de belastingplichtige en/of de aard van de werken en/of het doel ervan( circulaire 2019/C/19 betreffende de gelijkstelling van een werk in onroerende staat met een dienst onder bezwarende titel (artikel 19, § 2, van het Btw-Wetboek) (nr. E.T. 133.041, respectievelijk de nummers 4.3.1. en 4.3.2.):

o de beroepsoprichter die een gebouw opricht bestemd voor de verkoop

o onderhouds-, herstellings- en reinigingswerken.

b. Werken verricht door een belastingplichtige voor doeleinden die vreemd zijn aan zijn economische activiteit

• De belastingplichtige is een natuurlijke persoon

Als het werk in onroerende staat om niet wordt verricht door een belastingplichtige, natuurlijke persoon, voor zijn privédoeleinden of deze van zijn personeel of, meer algemeen, voor andere doeleinden dan deze van zijn economische activiteit, is artikel 19, § 2, eerste lid, 2°, van het Btw-Wetboek slechts van toepassing in de mate dat dit werk behoort tot de geregelde werkzaamheid die hem de hoedanigheid van belastingplichtige verleent.

Als een belastingplichtige natuurlijk persoon personeelsleden gebruikt voor de uitvoering van werk in onroerende staat om niet, voor zijn persoonlijke doeleinden, deze van zijn personeel of, meer algemeen, voor andere doeleinden dan deze van zijn economische activiteit, moet het werk verricht door die personeelsleden altijd worden geacht te zijn verricht in het kader van zijn economische activiteit van belastingplichtige. Artikel 19, § 2, eerste lid, 2°, van het Btw-Wetboek is dan, zonder onderscheid, van toepassing.

Voorbeelden

o Een schrijnwerker en parketlegger, natuurlijke persoon, legt een nieuw eiken parket in de woonkamer van zijn privéwoning. De kostprijs bedraagt 2.500 euro, exclusief btw. Hij plaatst ook een marmeren vloer in zijn badkamer voor een kostprijs van 3.000 euro, exclusief btw.

Enkel het leggen van het parket is een met een dienst verricht onder bezwarende titel gelijkgestelde handeling die aan de btw onderworpen is. De maatstaf van heffing bestaat uit de door de belastingplichtige gedane uitgaven, zijnde 2.500 euro (artikel 33, § 1, 2°, van het Btw-Wetboek). Bij gebrek aan uitgaven wordt de persoonlijke arbeid van de belastingplichtige niet belast. Het tarief dat van toepassing is op de vastgoedwerken met betrekking tot de privéwoning van de belastingplichtige hangt af van de leeftijd van het gebouw. Voor de toepassing van het tarief van 6% op deze werken, zie ‘Boekwerk II: Vaststelling van de belastbare basis en het toepasselijke tarief – Hoofdstuk 7: Tarieven van de belasting, Afdeling 4, Titel 8’.

Uit wat voorafgaat volgt dat de btw op de aankoop van het parket aftrekbaar is.

De btw is daarentegen niet verschuldigd op het plaatsen van de marmeren vloertegels. Deze werken behoren immers niet tot de economische activiteit van de schrijnwerker. De btw op de aankoop van de marmeren tegels is bijgevolg niet aftrekbaar.

o Een schrijnwerker, natuurlijke persoon, onderworpen aan de normale btw-regeling, onttrekt een raamwerk uit zijn voorraad om een beschadigd raamwerk van zijn privéwoning te vervangen. Een arbeider van diezelfde belastingplichtige schildert de andere raamwerken (die niet aan vervanging toe zijn) van dezelfde woning.

Het betreft een schrijnwerk dat de belastingplichtige zelf verricht voor zijn privédoeleinden en die behoort tot de economische activiteit die hem de hoedanigheid van belastingplichtige verleent. Daarnaast betreft het schilderwerken die voor dezelfde doeleinden worden verricht door een personeelslid.

Artikel 19, § 2, eerste lid, 2°, van het Btw-Wetboek is bijgevolg van toepassing zowel op het schrijnwerk als op de schilderwerken. De btw is verschuldigd op het bedrag van de gedane uitgaven. Die btw is vanzelfsprekend niet aftrekbaar. Het feit dat geen belasting wordt geheven op de herstellings- en onderhoudswerken speelt in casu geen rol aangezien de werken worden verricht voor de privédoeleinden van de aannemer.

De toepassing van de uitsluiting van de belastingheffing is beperkt door de economische finaliteit van de werken (zie titel 2, rubriek C, subrubriek b, van deze Afdeling).

• De belastingplichtige is een rechtspersoon

Artikel 19, § 2, eerste lid, 2°, van het Btw-Wetboek is altijd van toepassing wanneer een belastingplichtige, die een rechtspersoon is, werk in onroerende staat zoals bedoeld in deze wetsbepaling, om niet verricht voor privédoeleinden van zijn personeel of, meer algemeen, voor andere doeleinden dan deze van zijn economische activiteit.

Wanneer de bestuurder of zaakvoerder van een belastingplichtige vennootschap (bijvoorbeeld een bouwonderneming) werken, voor privédoeleinden, verricht aan een woning, die eigendom is van de vennootschap, die hij huurt of die hem ter beschikking is gesteld of werken verricht aan zijn eigen privéwoning, dient in beide gevallen te worden aangenomen dat de vennootschap de dienstverrichter is van de werken die door de bestuurder of zaakvoerder worden gerealiseerd. De vennootschap kan slechts handelen via de natuurlijke personen die haar vertegenwoordigen.

Aangezien een werk in onroerende staat, dat wordt verricht door een belastingplichtige rechtspersoon, steeds gebeurt in het kader van zijn economische activiteit – een rechtspersoon heeft immers geen privévermogen – is artikel 19, § 2, tweede lid, 2°, van het Btw-Wetboek altijd van toepassing in de twee voornoemde gevallen in dewelke de werken verricht worden voor de privédoeleinden van een bestuurder of zaakvoerder.

De verschuldigde btw moet, krachtens artikel 33, § 1, 2°, van het Btw-Wetboek, worden berekend over de door de belastingplichtige vennootschap gedane uitgaven. Dit wil zeggen over het bedrag van de gedane uitgaven die een rechtstreeks verband hebben met het verrichte werk en, wanneer het gereedschap betreft, dat rekening houdt met de afschrijvingswaarde ervan, berekend in functie van de duur van de werken (schriftelijke parlementaire vraag nr. 28 van de heer Volksvertegenwoordiger Christian Brotcorne van 07.12.2009).

Op de kwestieuze handelingen is er bijgevolg geen btw verschuldigd op het werk dat wordt verstrekt door de bestuurder of zaakvoerder in de veronderstelling dat laatstgenoemde in principe niet door de vennootschap wordt vergoed voor dat werk. De btw blijft daarentegen verschuldigd op de uitgaven die specifiek voor dat werk zijn gedaan (aankoop materialen, enzovoort).

Het werk dat in voorkomend geval door de personeelsleden van de betrokken vennootschap gepresteerd wordt, maakt in hoofde van deze vennootschap evenwel steeds een gedane uitgave uit die tot de maatstaf van heffing van de belasting behoort (schriftelijke parlementaire vragen nr. 1.177 van de heer Volksvertegenwoordiger John Taylor van 02.08.1994, nr. 1.240 van de heer Volksvertegenwoordiger André Denys van 11.10.1994 en nr. 1.260 van de heer Volksvertegenwoordiger André Denys van 24.10.1994).

c. Werken uitgevoerd door een belastingplichtige, natuurlijke persoon, zowel voor zijn privédoeleinden als voor de doeleinden van zijn economische activiteit

Voor de toepassing van artikel 19, § 2, van het Btw-Wetboek, dienen de hiervoor vermelde regels te worden gecombineerd. De belastingplichtige bepaalt in dit geval, onder de controle van de administratie, in welke mate het werk in onroerende staat dat hij verricht betrekking heeft op privédoeleinden en in welke mate op doeleinden van zijn economische activiteit.

Voorbeeld

Louis, een gemengde belastingplichtige die zijn recht op aftrek uitoefent volgens het algemeen verhoudingsgetal, is eigenaar van een gebouw te Gent. Het gelijkvloers wordt door Louis gebruikt voor zijn economische activiteit. De eerste verdieping is voorbehouden voor zijn gezin.

Louis beslist zijn beroepslokalen te verbouwen. Hij verricht de nodige werken alleen gedurende het tweede trimester van 2021. Terzelfdertijd doet hij een beroep op zijn personeel om de eerste verdieping te verbouwen. Door deze verbouwingswerken moet Louis onderhouds- en reinigingswerken uitvoeren in zijn beroepslokalen. Zes maanden later helpt hij zijn arbeider Mathis met de inrichting van zijn woning.

De verbouwingswerken van de winkel zijn een werk in onroerende staat verricht door een belastingplichtige voor de doeleinden van zijn economische activiteit. Het betreft noch oprichtingswerken verricht door een belastingplichtige beoogd door artikel 12, § 2, van het Btw-Wetboek, noch herstellings-, onderhouds- of reinigingswerken beoogd door artikel 19, § 2, tweede lid, van het Btw-Wetboek. Deze verbouwingswerken worden bijgevolg gelijkgesteld met een dienst verricht onder bezwarende titel die aan de btw onderworpen is krachtens artikel 19, § 2, eerste lid, 1°, van het Btw-Wetboek.

De verbouwing van de eerste verdieping is eveneens een werk in onroerende staat maar deze wordt verricht voor de privédoeleinden van Louis. Artikel 19, § 2, eerste lid, 2°, van het Btw-Wetboek zou niet van toepassing zijn geweest indien Louis de werken zelf zou hebben verricht aangezien deze niet behoren tot zijn economische activiteit. Niettemin, aangezien hij dat werk heeft laten uitvoeren door een personeelslid, moet het steeds worden geacht te zijn verricht in het kader van zijn economische activiteit. Deze handeling moet bijgevolg aan de btw worden onderworpen ingevolge artikel 19, § 2, eerste lid, 2°, van het Btw-Wetboek.

Hoewel de onderhouds- en reinigingswerken die aan de beroepslokalen worden verricht, door de toepassing van het algemeen verhoudingsgetal, geen volledig recht op aftrek zouden doen ontstaan indien deze werden verstrekt door een andere belastingplichtige, moet Louis deze werken niet aan de btw onderwerpen ingevolge artikel 19, § 2, tweede lid, van het Btw-Wetboek.

Betreffende de hulp die hij aan Mathis verleent, kan artikel 19, § 2, eerste lid, 2°, van het Btw-Wetboek niet worden toegepast aangezien Louis niet handelt in de uitoefening van zijn economische activiteit en hij hierbij geen gebruik maakt van de diensten van zijn personeel. Deze werken moeten bijgevolg niet aan de btw worden onderworpen.

E. Werken in onroerende staat verricht door een verhuurder van gebouwen

In bepaalde situaties wordt een natuurlijke persoon die één of meerdere gebouwen verhuurt aldus aangemerkt als btw-belastingplichtige. Niettegenstaande een dergelijke verhuur in principe een van de belasting vrijgestelde activiteit vormt, is de normale waarde van de door deze persoon met betrekking tot de verhuurde gebouwen verrichte werkzaamheden bestaande in de oprichting of renovatie aldus aan de belasting onderworpen (artikel 19, § 2, eerste lid, 1°, van het Btw-Wetboek) op basis van de normale waarde van de werken (artikel 33, § 1, 3°, van het Btw-Wetboek).

Er moet, op basis van een onderzoek van het geheel van de omstandigheden waarin het gebouw wordt geëxploiteerd, worden nagegaan of de verhuurder een economische activiteit uitoefent bestaande uit de exploitatie van het gebouw om duurzaam opbrengsten te verkrijgen (artikel 9, lid 1, tweede lid, van de richtlijn 2006/112/EG, voornoemd) (Hof van Justitie van de Europese Unie, Arrest Enkler, zaak C-230/94, van 26.09.1996, punt 27).

De bepaling van de hoedanigheid van belastingplichtige is een feitenkwestie die berust op de analyse van een geheel van elementen zoals het aantal en de aard van geëxploiteerde goederen, de manier waarop en de context van hun verwerving, de behaalde opbrengsten, de financieringswijze van de activiteit, de hoedanigheid van de exploitant en de omvang van het cliënteel.

Door samenloop van een voldoende aantal van die criteria kan worden afgeleid dat de persoon, door zo te handelen, verder gaat dan het eenvoudig beheer van zijn privévermogen maar daarentegen een economische activiteit uitoefent, zoals een beroepsbeoefenaar binnen die sector.

In het arrest Heerma, werd aan het Hof van Justitie van de Europese Unie de vraag gesteld of het in huur geven van een stal aan een maatschap, door een maat van die maatschap, in hoofde van die maat een zelfstandige economische activiteit vormt.

Het Hof heeft de economische activiteit in hoofde van de heer Heerma erkend, daar hij de stal in huur heeft gegeven om daaruit duurzaam opbrengst te verkrijgen (Hof van Justitie van de Europese Unie, Arrest Heerma, zaak C-23/98, van 27.01.2000, punt 14).

Ofschoon criteria die verband houden met de resultaten van de activiteit op zich niet geschikt zijn om te bepalen of de activiteit erop gericht is duurzaam opbrengsten te verkrijgen, kunnen bij dat onderzoek de werkelijke duur van de verhuur van de zaak, de omvang van het cliënteel en het bedrag van de opbrengsten - factoren dus die tot het geheel van de omstandigheden van het concrete geval behoren - tezamen met andere factoren in aanmerking worden genomen (Hof van Justitie van de Europese Unie, Arrest Enkler, zaak C-230/94, van 26.09.1996, punt 29).

De omstandigheid dat een zaak uitsluitend voor economische exploitatie geschikt is, volstaat daarentegen in de regel om te kunnen aannemen dat de eigenaar ze ten behoeve van zijn economische activiteiten exploiteert en dus om duurzaam opbrengsten te verkrijgen.

Idem wanneer een natuurlijke persoon actief in de bouwsector die één of meerdere bouwvallige woningen aankoopt om deze te renoveren, daarvoor een lening aangaat, en deze gerenoveerde woningen vervolgens verhuurt om er duurzaam opbrengsten uit te verkrijgen, in het kader van een economische activiteit.

Er is dan immers sprake van actieve handelingen die verder gaan dan het loutere beheer van een privévermogen en de omstandigheden benaderen waarin een bouwpromotor gewoonlijk zijn economische activiteit uitoefent.

Teneinde de rechtszekerheid te waarborgen, worden de personen voor wie deze problematiek van belang zou kunnen zijn en die overwegen om dergelijke werkzaamheden te verrichten, uitgenodigd om daaraan voorafgaand contact op te nemen met de bevoegde dienst inzake btw in functie van hun woonplaats (beslissing nr. E.T. 125.229 van 28.05.2014).

[Top]

Afdeling 7 – Commissionair inzake diensten

1. Kwalificatie van de tussenkomst van de commissionair

A. Principe

Als een commissionair, of een door artikel 13, § 2, van het Btw-Wetboek met een commissionair gelijkgestelde tussenpersoon, optreedt in dienstverrichtingen genoemd in artikel 18, § 1, van het Btw-Wetboek, wordt hij geacht die diensten zelf te hebben ontvangen en zelf te hebben verstrekt (artikel 20, § 1, eerste lid, van het Btw-Wetboek).

Deze fictie is het gevolg van artikel 28 van de richtlijn 2006/112/CE, voornoemd, waarin is bepaald dat wanneer een belastingplichtige handelt in eigen naam maar voor rekening van een lastgever, hij geacht wordt de betrokken diensten persoonlijk te hebben verricht.

B. Analogie met leveringen van goederen

Artikel 20, § 1, eerste lid, van het Btw-Wetboek bevat, inzake diensten, een analoge regel zoals voorzien in artikel 13 van het Btw-Wetboek voor de tussenpersonen bij aankoop of verkoop.

De inkoopcommissionair of verkoopcommissionair (of ermee gelijkgestelde) is immers een belastingplichtige alsof hij koper en verkoper zou zijn van het goed dat door zijn tussenkomst wordt aangekocht of verkocht.

C. Commissionair en gelijkgestelde tussenpersoon

a. Soorten tussenpersonen

De tussenpersoon bemiddelt tussen twee personen: de persoon voor wiens rekening hij handelt (de committent of lastgever) en een derde. Hij initieert dus de toenadering tussen de committent en de derde medecontractant. Juridisch gezien is zijn handelen onderworpen aan de richtlijnen van de committent aan wie hij verantwoording moet afleggen. Economisch gezien gebruikt de tussenpersoon geen eigen exploitatiemiddelen bij het verrichten van de leveringen en diensten in de transacties waarin hij bemiddelt.

De tussenpersoon handelt in het algemeen op twee verschillende manieren:

• ofwel handelt hij in naam van een ander.

In dat geval is zijn tussenkomst transparant en wordt zij als dusdanig behandeld (makelaar en/of lastgeving).

De makelaar verstrekt een dienst als beoogd door artikel 18, § 1, tweede lid, 1°, van het Btw-Wetboek die erin bestaat een verkoper/dienstverrichter in contact te brengen met een koper/afnemer van de dienst. Hij is geen partij in het contract en neemt geen enkele verbintenis voor de rekening van zijn committent. De lasthebber, die handelt in naam en voor rekening van zijn lastgever, voert een contract uit in de zin van artikel 18, § 1, tweede lid, 3°, van het Btw-Wetboek.

• ofwel stelt hij zich ten opzichte van derden voor als handelend in eigen naam.

Zijn tussenkomst is in dat geval niet transparant.

Dit is het geval bij een commissionair (zie subrubriek b, van deze rubriek). Het niet-transparante karakter van de tussenkomst wordt, in het algemeen, nagegaan op grond van artikel 13, § 2, van het Btw-Wetboek. Dit is vanaf het ogenblik dat de tussenpersoon een op zijn naam gestelde factuur (of een daarmee gelijkstaand stuk) aan de derde uitreikt of van hem ontvangt (zie subrubriek c, van deze rubriek). De door artikel 13, § 2, van het Btw-Wetboek met een commissionair gelijkgestelde persoon (‘fictieve’ commissionair) moet volgens de bewoordingen van deze bepaling evenwel een rol als tussenpersoon hebben.

In bepaalde gevallen, inzonderheid bij de toepassing van de btw-vrijstellingen van artikel 44 van het Btw-Wetboek (zie titel 5, van deze Afdeling), dient men verder te gaan dan de facturatiestroom en een analyse uitvoeren van alle elementen van de zaak en, in het bijzonder, van de aard van de verplichtingen waarmee de tussenpersoon belast wordt ten opzichte van de eigenlijke afnemers van de dienst. Er mag geen enkele rechtstreekse band ontstaan tussen de werkelijke dienstverrichter en de eigenlijke afnemer.

Aangezien artikel 13, § 3, van het Btw-Wetboek van toepassing is gemaakt in artikel 20 van het Btw-Wetboek hoeft, wat de verenigingen die als commissionair inzake diensten handelen, niet te worden nagegaan of zij al dan niet zijn opgericht in de vorm van een vennootschap of vereniging met rechtspersoonlijkheid (artikel 20, § 1, tweede lid, van het Btw-Wetboek).

Voor het overige wordt er opgemerkt dat, zelfs bij gebrek aan een uitdrukkelijke bepaling in die zin, de verenigingen zonder rechtspersoonlijkheid beoogd zouden worden door artikel 20 van het Btw-Wetboek door de toepassing van de algemene principes. De btw-belastingplicht is immers als dusdanig niet ondergeschikt aan het bezit van de rechtspersoonlijkheid.

b. Commissionair in de eigenlijke zin

De commissionair is diegene die per definitie in eigen naam handelt maar voor rekening van de committent.

Commissionairs inzake diensten kunnen in twee categorieën worden ondergebracht:

• diegene die handelt voor de dienstverrichter (te vergelijken met de verkoop-commissionair)

• diegene die handelt voor de afnemer van de diensten (te vergelijken met de inkoopcommissionair).

c. Commissionair door gelijkstelling

Men kan de commissionairs inzake diensten, onder de voorwaarden van artikel 13, § 2, van het Btw-Wetboek, ook in twee categorieën onderbrengen:

• de tussenpersoon, die in enigerlei hoedanigheid, een op zijn naam gestelde factuur, debetnota of ander daarmee gelijkstaand stuk uitreikt aan de persoon met wie hij, voor rekening van de dienstverrichter, een contract heeft gesloten

• de tussenpersoon, die in enigerlei hoedanigheid, een op zijn naam gestelde factuur, debetnota of ander daarmee gelijkstaand stuk van de dienstverrichter waarmee hij een contract heeft gesloten, ontvangt.

D. Doelstellingen van de gelijkstelling met een commissionair

De richtlijn 2006/112/EG, voornoemd, verwijst enkel naar de commissionair in de strikte zin aangezien artikel 28 van die richtlijn spreekt van ‘(…), handelend op eigen naam, maar voor rekening van een ander, (…)’ en niet van de met een commissionair gelijkgestelde tussenpersoon door het loutere materiële feit van de uitreiking of ontvangst van een op zijn naam opgestelde factuur (‘fictieve’ commissionair).

De gelijkstelling van een tussenpersoon met een commissionair, op grond van artikel 13, § 2, van het Btw-Wetboek, beantwoordt evenwel aan het fundamentele doel van de neutraliteit in een transparante toepassing van het btw-systeem.

Deze gelijkstelling speelt een belangrijke rol in de doorfacturatie van kosten in eigen naam en buiten een hoofdhandeling aan de werkelijke ontvanger van de dienst om (diegene die van de economische voordelen van de handeling geniet), terwijl deze ontvanger niet de persoon is die de oorspronkelijke factuur heeft ontvangen.

Dankzij het stelsel van de commissionair, wordt de kost in deze context op neutrale wijze doorgerekend door het ontdubbelen van de handelingen en door het recht op aftrek dat op basis van de op naam van de ontvanger van de dienst opgestelde factuur kan worden uitgeoefend. Bij gebrek aan het stelsel van de commissionair, zou de doorfacturatie een geldstroom genereren waarbij de btw een kost zou zijn aangezien men zich buiten het btw-stelsel zou bevinden.

E. Onderscheid met het burgerlijk recht en het handelsrecht

Het btw-stelsel inzake de commissionair verschilt van de in het burgerlijk recht en in het handelsrecht toepasbare principes. De commissionair is een lasthebber in de relatie met zijn committent. Daar hij in eigen naam of onder een maatschappelijke benaming handelt, is zijn opdracht verborgen.

Men kan hier bijvoorbeeld de vervoercommissionairs en commissionairs-expediteurs bij het vervoer vernoemen (wet van 26.06.1967 betreffende het statuut van de tussenpersonen in het goederenvervoer, Belgisch Staatsblad van 27.09.1967).

Deze tussenpersonen worden, inzake btw, als de werkelijke vervoerders behandeld.

De commissionair heeft twee essentiële kenmerken:

• enerzijds vervult de commissionair de opdracht, die hem door de committent is toevertrouwd, in eigen naam, wat tot gevolg heeft dat hij persoonlijk verbonden is jegens de derde met wie hij de handeling aangaat

• anderzijds handelt hij voor rekening van de committent aan wie hij verantwoording moet afleggen.

In zijn relatie met de derde, maakt de commissionair werkelijk deel uit van de operatie.

Er zijn twee hypotheses mogelijk:

• hij verstrekt een dienst aan de derde wanneer hij handelt voor rekening van de dienstverrichter

• hij ontvangt de dienst van de derde wanneer hij tussenkomt voor rekening van de ontvanger van de dienst.

In zijn betrekkingen met de committent, zijn de rechten en verplichtingen van de commissionair echter die van een lasthebber (artikelen 1984 tot en met 2000 van het Burgerlijk Wetboek). In zijn boekhouding neemt de commissionair enkel zijn commissie op in zijn omzetcijfer.

Er bestaat geen enkele contractuele band tussen de werkelijke dienstverrichter (bijvoorbeeld: een reclamebureau) en de werkelijke ontvanger van de dienst (bijvoorbeeld: een adverteerder) aangezien hij alle voordelen ontvangt van de juridische handelingen die voor zijn rekening door de tussenpersoon gesteld zijn.

2. Btw-gevolgen van het commissionairsstelsel

De fictie die inzake btw wordt toegepast op de commissionair leidt tot het ontdubbelen van de dienst mits deze onderworpen wordt aan de btw. (zie, in die zin, Europees Hof van Justitie – Arrest Commission c. Luxembourg, zaak C-274/15, van 04.05.2017, punten 87 en 88).

Deze fictie bestaat er dus in twee belastbare handelingen van dezelfde aard te creëren die men afzonderlijk zal moeten behandelen.

De commissionair handelt niet in het kader van een lastgeving als beoogd door artikel 18, § 1, tweede lid, 3°, van het Btw-Wetboek. De lastgeving van de commissionair is gediskwalificeerd ten voordele van een dienst inzake een werk, een vervoer, een verhuur, enzovoort.

Op dezelfde wijze verricht de dienstenmakelaar, die met een commissionair wordt gelijkgesteld, geen makelaarswerk beoogd door artikel 18, § 1, tweede lid, 1°, van het Btw-Wetboek maar wordt hij een dienstverrichter waarvan de aard van de dienst deze van de hoofdhandeling is beoogd door artikel 18 van het Btw-Wetboek (dus de aard van de dienst waarin hij tussenkomt).

A. Twee opeenvolgende handelingen van dezelfde aard

De juridische fictie, vernoemd in titel 1, rubriek A, van deze Afdeling, creëert twee identieke dienstprestaties die achtereenvolgens worden verricht ( Hof van Justitie van de Europese Unie, Arrest A.L.i.S., zaak C‑707/18, van 19.12.2019, punt 37).

Vanaf het ogenblik dat de toepassingsvoorwaarden van artikel 20, § 1, van het Btw-Wetboek van toepassing zijn, is er inzake btw sprake van twee opeenvolgende handelingen van dezelfde aard (vervoer, reclame, verhuur, enzovoort) met alle gevolgen die daaruit voortvloeien (onder andere inzake de plaatsbepaling van de diensten en de schuldenaar van de btw).

Een eerste dienst vindt plaats tussen de werkelijke dienstverrichter en de commissionair of de tussenpersoon. Een tweede dienst van dezelfde aard vindt plaats tussen de commissionair of de tussenpersoon en de uiteindelijke ontvanger van de dienst.

De commissionairs en de ermee gelijkgestelde personen worden dus, bijvoorbeeld, behandeld als vervoersbedrijven, reclamebedrijven, verhuurders, enzovoort, wat betreft de verstrekte diensten waarin zij tussenkomen.

Het ontdubbelen van de dienst veronderstelt dat deze beoogd wordt door artikel 18 van het Btw-Wetboek. In voorkomend geval verhindert dit de eventuele toepassing van een btw-vrijstelling (onder bepaalde voorwaarden) niet (zie titel 5, van deze Afdeling).

Indien eenzelfde handeling verricht wordt door de tussenkomst van meerdere commissionairs, is de dienst eveneens belastbaar in de betrekkingen tussen de commissionairs onderling.

B. Toepassingsgeval

In de twee voorbeelden genoemd onder subrubrieken a en b, van deze rubriek, gaat men ervan uit dat de plaats van de dienst, in alle gevallen, België is. Bovendien is geen enkele btw-vrijstelling van toepassing.

a. Vervoerscommissionair die contracteert met de eigenlijke afnemer van de dienst (de derde opdrachtgever) voor rekening van een vervoerder (zijn committent)

Een commissionair C, handelend voor rekening van een vervoerder T, heeft zich ten opzichte van belastingplichtige A verbonden tot het verrichten van een goederenvervoer voor de prijs van 2500 euro. De uitvoering van het vervoer wordt toevertrouwd aan vervoerder T. De commissionair C ontvangt van de vervoerder T een commissie van 10%. Commissionair C reikt aan belastingplichtige A een op zijn naam gestelde factuur uit en vordert van hem de kost van het vervoer.

Krachtens artikel 20, § 1 van het Btw-Wetboek wordt vervoerder T geacht een vervoer voor commissionair C te verrichten. Hij moet bijgevolg aan C een factuur uitreiken en berekent de belasting overeenkomstig artikel 29, § 1, eerste lid, van het Btw-Wetboek, over de prijs verminderd met de commissie, hetzij 2.500 euro - 250 euro = 2.250 euro.

Bovendien wordt commissionair C geacht een vervoerdienst te verstrekken aan klant A. Hij factureert de prijs van het vervoer aan A en hij belast over de gevraagde prijs, hetzij 2500 euro.

b. Vervoerscommissionair die contracteert met een vervoerder (derde dienstverrichter) voor rekening van de werkelijke afnemer van de dienst (zijn committent)

Commissionair C heeft zich ten opzichte van een belastingplichtige A, zijn committent, verbonden tot het verrichten van een goederenvervoer. Tussen de partijen is een commissie van 500 euro overeengekomen. De uitvoering van het vervoer wordt door C aan vervoerder T toevertrouwd voor de prijs van 3000 euro.

Krachtens artikel 20, § 1, van het Btw-Wetboek wordt commissionair C geacht een vervoer voor belastingplichtige A te verrichten. Hij reikt dus aan A een factuur uit en hij berekent de belasting overeenkomstig artikel 29, § 1, tweede lid, van het Btw-Wetboek, over de prijs vermeerderd met zijn commissie, hetzij 3000 euro + 500 euro = 3500 euro.

Bovendien wordt vervoerder T eveneens geacht een vervoerdienst aan commissionair C te verstrekken. Hij factureert dus de prijs van het vervoer aan C en de belasting wordt berekend over de prijs van het vervoer, hetzij 3000 euro.

c. Financiële tussenkomst in de reclamekosten

Als de leverancier van een product zich jegens een koper verbindt om een deel van de door deze laatste gemaakte reclamekosten te dragen of wanneer een koper met de leverancier een analoge verbintenis aangaat, dienen de sommen betaald ter uitvoering van die verbintenissen in beginsel te worden aangemerkt als de vergoeding voor diensten die geacht worden te zijn verleend op grond van artikel 20, § 1, van het Btw-Wetboek.

Mits de afnemer van de reclamedienst een in België gevestigde belastingplichtige is, zal de administratie echter geen kritiek uitoefenen wanneer de partijen de aangegane verbintenis aanmerken als een modaliteit van de verkoopovereenkomst. In dit geval is de bijdrage in de reclamekosten een prijsvermindering wanneer ze wordt toegestaan door de verkoper ten voordele van de koper en een prijsverhoging wanneer ze wordt toegestaan door de koper ten voordele van de verkoper.

Wanneer het om een prijsvermindering gaat, is de btw die ter zake van de verkoop werd voldaan, voor teruggaaf vatbaar in de mate van die vermindering, op grond van artikel 77, § 1, 2°, van het Btw-Wetboek. Wanneer het gaat om een prijsverhoging is de btw opeisbaar over deze verhoging tegen het tarief dat van toepassing is op de producten waarvoor de koper bijdraagt in de reclamekosten (beslissing nr. E.T. 5.402 van 29.08.1972). Deze tolerantie kan enkel van toepassing zijn indien:

• de leverancier en de koper hebben een volledig recht op aftrek van de btw geheven van respectievelijk de levering van goederen en de dienst

• de toepassing van deze tolerantie oefent geen invloed uit op de inningsgrondslag van andere belastingen, retributies, enzovoort (bijvoorbeeld: accijnzen, milieuheffingen, enzovoort).

Indien de afnemer van de reclamediensten een niet in België gevestigde belastingplichtige is, wordt deze dienst geacht in het buitenland plaats te vinden. Voornoemde tolerantie kan bijgevolg niet van toepassing zijn.

3. Afwezigheid van het optreden van een tussenpersoon: uitsluiting van werken die worden verricht door een huurder in ruil voor de niet-betaling van huur

Deze kwestie werd door zowel de nationale als de Europese rechtspraak onder twee verschillende invalshoeken onderzocht, namelijk: het stelsel van de commissionair en het al dan niet onder bezwarende titel verrichten van de handeling.

Het gaat om een huurder die omvormingswerken verricht aan een gehuurd goed zodat hij dat goed beter kan exploiteren. Als tegenprestatie stelt de eigenaar hem vrij van de betaling van de huur. Hij geniet gedurende de looptijd van de overeenkomst van het genot van de verbeteringen die aan het goed zijn aangebracht.

De huurder handelt niet als commissionair en kan bovendien niet worden aangemerkt als een tussenpersoon die diensten verstrekt in het voordeel van de eigenaar.

Het Hof van Cassatie heeft zich omtrent deze problematiek uitgesproken in het arrest vzw De Nekkerhal. De gelijkstelling ‘andere tussenpersonen’ met een commissionair, in de zin van artikel 13, § 2, van het Btw-Wetboek, is niet van toepassing wanneer de tussenpersoon niet zelf effectief als dienstverrichter optreedt (Arrest van het Hof van Cassatie nr. F.11.0079.N van 15.03.2013).

De niet-betaling van huur is evenwel de tegenprestatie van de uitvoering van de werken. Deze zijn aan de btw onderworpen diensten die onder bezwarende titel worden verricht (Hof van Justitie van de Europese Unie, Arrest Serebryannay, zaak C-283/12, van 26.09.2013, punt 40).

Dit arrest maakt het administratief standpunt ingenomen in beslissing nr. E.T. 9284 van 27.01.1972 ongeldig. Deze beslissing werd ingetrokken.

De administratie geeft nu toe dat de toepassing van de commissionairsfictie, in de zin van de artikelen 13, § 2 et 20, § 1, van het Btw-Wetboek niet relevant is wanneer de verhuurder alle of een deel van zijn kosten terugbetaalt (Circulaire 2019/C/22 van 13.03.2019 betreffende werken uitgevoerd door een Btw-belastingplichtige in een gebouw dat hij huurt (nr. E.T. 128.804), nummer 2.1).

4. Uitsluiting voor reisbureaus

De bepalingen van artikel 20, § 1, van het Btw-Wetboek zijn niet van toepassing op:

• de reisbureaus in de zin van artikel 1, § 7, eerste lid, 2°, van het Btw-Wetboek

• de tussenpersonen in reizen beoogd in artikel 1, § 7, tweede lid, 2° van het Btw-Wetboek wegens het bestaan van een bijzondere regeling (artikel 20, § 2, van het Btw-Wetboek).

Ter herinnering: dit bijzonder stelsel voorziet een heffing op de winstmarge van een reisbureau dat, ten opzichte van de afnemer, in eigen naam handelt en, voor de verwezenlijking van de reis, gebruik maakt van met het oog hierop door andere belastingplichtigen aan hem verstrekte goederen en diensten (zie ‘Boekwerk II: Bepaling van de belastbare basis en het toepasselijke tarief - Hoofdstuk 6: Maatstaf van heffing van de belasting, Afdeling 7’).

5. Vrijstellingen bedoeld in artikel 44 van het Btw-Wetboek van toepassing op de commissionair

A. Tussenkomst van een tussenpersoon bij kansspelen: vrijstelling

Met betrekking tot de tussenkomst van tussenpersonen bij kansspelen heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie voor recht gezegd dat de tussenkomst in eigen naam tot gevolg heeft dat:

• er geen enkele rechtstreekse rechtsverhouding ontstaat tussen de speler en de onderneming die als activiteit weddenschappen aanneemt voor wier rekening de marktdeelnemer als tussenpersoon optreedt

• er een rechtsverhouding ontstaat tussen, enerzijds, de tussenpersoon en de speler en, anderzijds, die tussenpersoon en de onderneming die als activiteit weddenschappen aanneemt (Hof van Justitie van de Europese Unie, onder andere, Arrest Henfling, zaak C-464/10, van 14.07.2011, punten 33 tot en met 35).

Deze analyse bepaalt de toepassing van de btw-vrijstelling van artikel 44, § 3, 13°, van het Btw-Wetboek (zie ‘Boekwerk II: Bepaling van de belastbare basis en het toepasselijke tarief - Hoofdstuk 9: Vrijstellingen beoogd door artikel 44 van het Btw-Wetboek, Afdeling 34, titel 6’).

B. Facturen uitgereikt door een theaterbureau aan een organisator van voordrachten: geen vrijstelling

In de context van de btw-vrijstelling van artikel 44, § 2, 8°, van het Btw-Wetboek met betrekking tot de diensten verstrekt aan de organisatoren van voordrachten en concerten verstrekt door acteurs, orkestleiders, muzikanten, enzovoort, is het loutere feit dat een theaterbureau facturen uitreikt aan een organisator van schouwspelen geen reden om aan te nemen dat deze facturen betrekking hebben op de vergoeding van de artiesten die deelnemen aan de voorstelling, vergoeding voor de betaling waardoor het bureau zou hebben gehandeld als zijnde een tussenpersoon.

Enkel de diensten van de artiesten zijn, overeenkomstig voornoemde bepaling, van de btw vrijgesteld met uitsluiting van de vergoeding aangerekend voor de tussenkomst van het theaterbureau (Arrest van het Hof van Cassatie, nrs. F.14.0194.F en F.14.0195 van 25.03.2016).

[Top]

Afdeling 8 – Plaats van de dienst

1. Criteria

A. Inleiding

Een dienst is slechts aan de belasting onderworpen wanneer hij in België plaatsvindt (artikel 2, eerste lid, van het Btw-Wetboek).

De toepassing van de criteria inzake de plaatsbepaling, bepaald in de artikelen 21, 21bis en 21ter van het Btw-Wetboek is bijgevolg een essentiële stap om de plaats van de heffing (of vrijstelling) te bepalen.

Sinds 01.01.2010 zijn de regels inzake de plaats van diensten, opgenomen in de artikelen 44 tot 59bis, van de richtlijn 2006/112/EG, voornoemd, grondig gewijzigd. Zo werd deze richtlijn, onder meer inzake grensoverschrijdende e-commerce tussen ondernemingen en consumenten (B2C relaties), gewijzigd door :

• Richtlijn (EU) 2017/2455 van de Raad van 05.12.2017 tot wijziging van Richtlijn 2006/112/CE en Richtlijn 2009/132/EG wat betreft bepaalde btw-verplichtingen voor diensten en afstandsverkopen van goederen

• Richtlijn (EU) 2019/1995 van de Raad van 21.11.2019 tot wijziging van Richtlijn 2006/112/EG wat betreft de bepalingen inzake afstandsverkopen en bepaalde binnenlandse leveringen van goederen.

Derhalve werden nieuwe regels inzake de plaatsbepaling van diensten, in functie van hun datum van inwerkingtreding, geleidelijk in het Belgisch recht omgezet door:

• de wet van 26.11.2009 tot wijziging van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, in werking getreden op 01.01.2010 (Belgisch Staatsblad van 04.12.2009), (circulaire AFZ nr. 19/2009 van 22.12.2009, circulaire AOIF nr. 3/2010 (nr. E.T.117.619) van 07.01.2010 en circulaire AOIF nr. 16/2010 (nr. E.T. 117.880) van 25.02.2010)

• de wet van 29.12.2010 betreffende, onder andere, de plaats van culturele, sportieve of vermakelijkheidsactiviteiten, in werking getreden op 01.01.2011 (Belgisch Staatsblad van 31.12.2010), (circulaire AFZ nr. 1/2011 van 25.01.2011, circulaire 2021/C/19 van 26.02.2021 betreffende de plaatsbepaling van diensten inzake onderwijs)

• de wet van 19.12.2014 betreffende, onder andere, de plaats van telecommunicatiediensten en langs elektronische weg verrichte diensten, in werking getreden op 01.01.2015 (Belgisch Staatsblad van 29.12.2014, tweede editie), (beslissing nr. E.T. 126.947 van 22.12.2014)

• de wet van 11.02.2019 tot wijziging van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde voor wat betreft de bijzondere regelingen voor telecommunicatie-, radio- en televisieomroepdiensten of elektronische diensten aan niet-belastingplichtigen, in werking getreden op 01.01.2019 (MB, 22.02.2019)

• de wet van 02.04.2021 tot wijziging van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde wat de regeling betreft die van toepassing is op afstandsverkopen van goederen en op bepaalde leveringen van goederen en diensten, die vanaf 01.07.2021 van toepassing is (BS 13.04.2021) (circulaire 2021/C/72 van 27.07.2021 betreffende de btw-regeling voor grensoverschrijdende e-commerceactiviteiten tussen ondernemingen en consumenten (B2C relatie) – Bijgewerkt (nr. E.T. 135.628).

De nieuwe plaatsbepalingsregels hebben tot doel:

• de btw-wetgeving binnen de Gemeenschap te moderniseren en te vereenvoudigen

• en tevens waarborgen te bieden voor de goede werking van de interne markt

• het principe van de belastingheffing op diensten tussen lidstaten te uniformiseren

• te garanderen dat de btw op diensten meer toekomt aan het land waar deze daadwerkelijk worden verbruikt.

Er zij aan herinnerd dat de voorschriften van de btw-richtlijn ter bepaling van de plaats waar de dienst wordt belast, tot doel hebben bevoegdheidsconflicten te vermijden die tot dubbele belasting kunnen leiden, alsook te voorkomen dat inkomsten onbelast blijven. De logica die ten grondslag ligt aan de bepalingen van de btw-richtlijn betreffende de plaats van de dienst, gebiedt dan ook dat de belasting zo veel mogelijk wordt geheven op de plaats waar de goederen en diensten worden verbruikt (Hof van Justitie van de Europese Unie, Arrest Skatteverket, zaak C-647/17, van 13.03.2019, punten 28 en 29 en de geciteerde rechtspraak, Arrest S.T.C.L., zaak C-593/19, van 15.04.2021, punt 28 en geciteerde rechtspraak).

Om een uniformere toepassing te verzekeren, werden bepaalde aspecten van deze plaatsbepalingsregels verduidelijkt aan de hand van een uitvoeringsverordening die meteen van toepassing is sinds 01.07.2011 (uitvoeringsverordening (EU) nr. 282/2011, voornoemd, die toegelicht wordt in de circulaire AFZ nr. 5/2011 van 27.06.2011).

Deze verordening werd gewijzigd door:

• de uitvoeringsverordening (EU) nr. 1042/2013 van de Raad van 07.10.2013, met onder andere de bedoeling om de heffing van telecommunicatiediensten en langs elektronische weg verrichte diensten vanaf 01.01.2015 te vergemakkelijken, en om de grote lijnen van de nieuwe regels, van toepassing vanaf 01.01.2017, inzake de diensten die betrekking hebben op een uit zijn aard onroerend goed, vast te stellen

• de uitvoeringsverordening (EU) 2017/2459 van de Raad van 5.12.2017 en uitvoeringsverordening (EU) 2019/2026 van de Raad van 21.11.2019 om het juridische btw-kader te moderniseren op het vlak van de grensoverschrijdende e-commerce tussen ondernemingen en consumenten (B2C).

De plaats van de dienst is afhankelijk van:

• de hoedanigheid van de ontvanger, naargelang hij wordt beschouwd als een als zodanig handelende belastingplichtige in de zin van artikel 21, § 1, van het Btw-Wetboek, in de context van de problematiek van de plaatsbepaling van diensten (artikel 21, § 2, en 3, van het Btw-Wetboek) of naargelang hij niet als zodanig wordt beschouwd (artikel 21bis van het Btw-Wetboek)

• de aard van de dienst (zie Afdeling 3, titels 1 tot 16, van dit Hoofdstuk).

B. Algemene regels voor de plaatsbepaling

De regels steunen op het fundamentele onderscheid dat moet worden gemaakt in functie van de hoedanigheid van de ontvanger van de dienst, met name of laatstgenoemde een als zodanig handelende belastingplichtige is (context ‘Business to Business’ of ‘B2B’), in de zin van artikel 21, § 1 van het Btw-Wetboek ter omzetting van artikel 43 van de richtlijn 2006/112/EG, voornoemd of niet (context ‘Business to Consumer’ of ‘B2C’).

Het begrip ‘belastingplichtige’, zoals gedefinieerd in artikel 21, § 1, van het Btw-Wetboek, mag alleen in de specifieke context inzake de plaatsbepaling van diensten worden gebruikt. In geen enkel geval is dit begrip van toepassing in andere bepalingen van het Btw-Wetboek waar alleen de definitie van artikel 4 van het Btw-Wetboek geldt als men het heeft over ‘belastingplichtige’. Onder belastingplichtige voor doeleinden van plaatsbepaling moet worden verstaan: de persoon bedoeld in artikel 4 van het Btw-Wetboek, de gedeeltelijke belastingplichtige en de niet-belastingplichtige rechtspersoon die voor btw-doeleinden is geïdentificeerd of zou moeten zijn (zie rubriek E van deze titel).

a. B2B situatie

In de regel vinden de diensten die worden verstrekt aan een als zodanig handelende btw-belastingplichtige, in de zin van artikel 21, § 1, van het Btw-Wetboek plaats in het land waar deze ontvanger gevestigd is (artikel 21, § 2 van het Btw-Wetboek, ter omzetting van artikel 44 van de richtlijn 2006/112/EG).

Dit algemene criterium inzake plaatsbepaling brengt een belangrijk gevolg betreffende de schuldenaar van de belasting met zich mee.

Om de lasten die op de ondernemingen rusten te beperken, moeten de ontvangers die beoogd worden door het extensief begrip van ‘belastingplichtige’ gebruik maken van de verlegging van heffing:

• indien de plaats van heffing (geen vrijstelling) een lidstaat van de gemeenschap is in dewelke de dienstverrichter niet is gevestigd

• of indien de vaste inrichting waarover de dienstverrichter in de lidstaat van heffing beschikt (geen vrijstelling) niet betrokken is bij het verstrekken van de dienst (artikel 51, § 2, eerste lid, 1° van het Btw-Wetboek ter omzetting van artikel 196 van de richtlijn 2006/112/EG).

Volgende situaties illustreren, bijvoorbeeld, de algemene regel inzake plaatsbepaling:

• de handeling waarbij televisie-uitzendrechten voor voetbalwedstrijden door een instelling aan belastingplichtigen wordt toegewezen (artikel 26 van de uitvoeringsverordening (EU) nr. 282/2011, voornoemd)

• diensten die bestaan in het verzoeken om of ontvangen van een btw-teruggave uit hoofde van Richtlijn 2008/9/EG van de Raad van 12.02.2008 tot vaststelling van nadere voorschriften voor de in richtlijn 2006/112/EG vastgestelde teruggaaf van de belasting over de toegevoegde waarde aan belastingplichtigen die niet in de lidstaat van teruggaaf maar in een andere lidstaat gevestigd zijn (artikel 27 van de uitvoeringsverordening (EU) nr. 282/2011)

• de diensten van beheer en bestuur van een onderneming door een rechtspersoon, als statutaire zaakvoerder of bestuurder of nog krachtens een overeenkomst waardoor de dienstverrichter over de mogelijkheid beschikt zijn beleidslijnen aan de onderneming op te leggen (beslissing nr. E.T. 127.850 van 30.03.2016)

• een Franse belastingplichtige vennootschap verricht een marktonderzoek. Haar klant, een in België gevestigde belastingplichtige, wil de Franse markt veroveren maar wenst voorafgaandelijk een opinieonderzoek bij de verbruikers. Deze dienst vindt in België plaats omdat de Belgische belastingplichtige ontvanger in België is gevestigd (artikel 21, § 2, van het Btw-Wetboek)

• een niet in België gevestigde onderneming verleent voor de hele Benelux een licentie op een brevet aan een belastingplichtige die in België periodieke btw-aangiften moet indienen. De dienst vindt plaats in België op de plaats van vestiging van de belastingplichtige ontvanger die de Belgische btw moet voldoen (artikel 51, § 2, eerste lid, 1°, van het Btw-Wetboek)

• een financiële instelling, uitsluitend gevestigd in Frankrijk, draagt een kredietportefeuille over aan een vennootschap gevestigd in België.

De beheersdiensten verricht door de Franse financiële instelling vinden plaats in België en de afnemer, de Belgische vennootschap, is schuldenaar van de btw (circulaire 2018/C/49 van 24.04.2018, met betrekking tot het beheer van kredieten (n° E.T. 133.200).

b. B2C situatie

In de regel vinden de diensten die worden verstrekt aan een niet-btw-belastingplichtige (niet gelijkgesteld met een belastingplichtige door artikel 21, § 1, van het Btw-Wetboek) plaats daar waar de dienstverrichter gevestigd is (artikel 45 van de richtlijn 2006/112/EG, artikel 21bis, § 1, van het Btw-Wetboek) (circulaire AFZ nr. 19/2009 van 22.12.2009, randnummers 5, 65 tot en met 70).

De volgende diensten worden, onder andere, beoogd door artikel 21bis, § 1, van het Btw-Wetboek:

• diensten die worden verricht in het kader van uitvaartverzorging, voor zover zij deel uitmaken van één enkele dienst (artikel 28 van de uitvoeringsverordening (EU) nr. 282/2011)

• de diensten van beheer en leiding van een passieve holding, die buiten de gemeenschap is gevestigd, wanneer deze worden verricht door een rechtspersoon, als statutaire zaakvoerder of bestuurder of nog krachtens een overeenkomst waardoor de dienstverrichter over de mogelijkheid beschikt zijn beleidslijnen aan de onderneming op te leggen. Hetzelfde geldt voor de adviezen en de informatie verstrekt in het kader van het betreffende mandaat of de overeenkomst (schriftelijke parlementaire vraag nr. 493 van de heer Volksvertegenwoordiger François-Xavier de Donnea van 28.05.2009, beslissing nr. E.T. 95.797 van 19.10.1999, zie titel 4, rubriek H, subrubriek d, van deze Afdeling)

• een in Duitsland gevestigde advocaat verleent juridisch advies, inzake een aandelenportefeuille, aan in België gedomicilieerde natuurlijke personen die voor hun privédoeleinden handelen. Er is geen Belgische btw verschuldigd aangezien de dienst in Duitsland plaatsvindt.

C. Afwijkende plaatsbepalingsregels

Op de algemene regels van de plaatsbepaling van diensten als bedoeld in artikel 21, § 2, en 21bis, § 1, van het Btw-Wetboek bestaan evenwel een aantal afwijkingen. Deze regels wijken af van het criterium inzake territorialiteit.

Sommige diensten wijken aldus af van de algemene regel inzake heffing. Tussen belastingplichtigen zullen bepaalde diensten hun eigen regels ondergaan en dus niet de algemene regel van de plaats van de ontvanger voor wat een B2B-relatie betreft. In een B2C- situatie zullen bepaalde diensten hun eigen regels volgen in de plaats van de plaats van de dienstverrichter. Dit heeft te maken met de aard van de dienst.

Deze goed gedefinieerde afwijkingen zijn in bepaalde specifieke gevallen voorzien. Ze houden rekening met het principe van de heffing op de plaats van het verbruik en vermijden een onevenredig aantal administratieve lasten aan bepaalde belastingplichtigen.

Zoals reeds besproken in rubriek A, van deze titel, is het doel van deze regels met een bijzonder aanknopingspunt het vermijden van, enerzijds, bevoegdheidsconflicten die tot dubbele belasting kunnen leiden en, anderzijds, het niet-belasten van inkomsten (Hof van Justitie van de Europese Unie, Arrest S.T.C.L., zaak C-593/19, van 15.04.2021, punt 42 en geciteerde rechtspraak.

De algemene regels van de artikelen 21, § 2 en 21bis, § 1, van het Btw-Wetboek hebben geen voorrang op de bijzondere regels van de artikelen 21, §§ 3 en 4 en 21bis, § 2, en 21ter van het Btw-Wetboek. Deze bijzondere bepalingen zijn dus geen restrictief uit te leggen uitzonderingen op een algemene regel (Hof van Justitie van de Europese Unie, Arrest S.k.AB, zaak C-647/17, van 13.03.2019, punten 21 en 22).

Alvorens te beslissen of in een gegeven situatie een bepaalde dienst beoogd wordt door de algemene regels, dient aldus te worden nagegaan of deze situatie voorzien is in een van de bijzondere bepalingen van de artikelen 21, § 3 en 21bis, § 2, van het Btw-Wetboek (artikelen 46 tot en met 59bis van de richtlijn 2006/112/EG).

Indien dit niet het geval is, zijn de algemene plaatsbepalingsregels van toepassing (Hof van Justitie van de Europese Unie, Arrest RR Donnelley, zaak C-155/12, van 27.06.2013, Arrest Jürgen Dudda, zaak C-327/94, van 26.09.1996, punten 20 en 21, Arrest Gillan Beach Ltd, zaak C-114/05, van 09.03.2006, punten 14 en 15 en Arrest Heger Rudi GmbH, zaak C-166/05, van 07.09.2006, punten 15 tot en met 17).

Rekening houdend met hetgeen voorafgaat heeft de zogezegde ‘algemene’ plaatsbepalingsregel een residuele aard, zowel in de B2B als in de B2C relaties.

In deze twee relaties bestaat er bijvoorbeeld een specifiek criterium voor de verhuur van een uit zijn aard onroerend goed (de situatie van het gebouw, zie titel 3, rubriek A, van deze afdeling).

In de B2C relatie bestaat er voor de verhuur van een lichamelijk roerend goed dat geen vervoermiddel is, een specifiek voorwaardelijk criterium indien de ontvanger buiten de Gemeenschap is gevestigd (zie titel 4, rubriek H, van deze afdeling).

In het tegengestelde geval is het algemeen criterium inzake de vestigingsplaats van de dienstverrichter van toepassing.

D. Aansprakelijkheid van de dienstverrichter

De diensten die onder de toepassing van artikel 21 van het Btw-Wetboek vallen (B2B relaties), zijn hoe dan ook enkel belastbaar in het land waar de afnemer is gevestigd. Artikel 20, tweede lid, van de uitvoeringsverordening (EU) nr. 282/2011, voornoemd bepaalt dat: ‘De dienstverrichter bepaalt op basis van door de afnemer verstrekte informatie om welke plaats het gaat, en controleert die informatie met behulp van in het handelsverkeer normale veiligheidsmaatregelen, zoals maatregelen inzake identiteits- en betalingscontroles’ (circulaire AFZ nr. 5/2011 van 27.06.2011, punt randnummer 40).

In dat kader moet er een onderscheid worden gemaakt tussen een in de Gemeenschap gevestigde ontvanger of een buiten de Gemeenschap gevestigde ontvanger.

a. De ontvanger is in de Gemeenschap gevestigd

De administratie is van oordeel dat de dienstverrichter die ‘te goeder trouw’ is, wordt ontheven van zijn aansprakelijkheid in de mate dat hij beschikt over het btw-identificatienummer van de afnemer dat door laatstgenoemde zelf werd verstrekt en waarvan hij de geldigheid heeft nagekeken evenals de ermee verbonden naam en het adres (schriftelijke parlementaire vraag nr. 489 van de heer Volksvertegenwoordiger François-Xavier de Donnea van 28.05.2009).

Wanneer, a contrario, de dienstverrichter aantoont dat de afnemer hem zijn individueel btw-identificatienummer niet heeft meegedeeld, kan de dienstverrichter er geldig van uitgaan dat hij in een B2C-context handelt, behalve indien hij over tegenstrijdige informatie beschikt. Hetzelfde geldt wanneer de ontvanger een btw-identificatienummer heeft meegedeeld dat, na verificatie door de dienstverrichter, ongeldig blijkt te zijn.

Om te vermijden dat de bepaling van de plaats van de handeling verbeterd moet worden, werd beslist dat indien de ontvanger van de dienst kan aantonen dat hij een btw-identificatienummer heeft aangevraagd maar hij deze materieel nog niet ontvangen heeft, de dienstverrichter ervan mag uitgaan dat de handeling plaatsvindt in een B2B-context in de mate dat hij de normale en gebruikelijke controles heeft verricht die gelden in het normale handelsverkeer.

Zoals reeds werd verduidelijkt, wanneer de dienstverrichter aantoont dat de ontvanger hem geen individuele btw-identificatienummer heeft meegedeeld, mag de dienstverrichter ervan uitgaan dat de ontvanger niet als een belastingplichtige in de zin van artikel 21, § 1, van het Btw-Wetboek handelt.

Wanneer de dienstverrichter evenwel aantoont dat de ontvanger zijn btw-identificatienummer niet heeft meegedeeld, maar de dienstverrichter over tegengestelde informatie beschikt waaruit blijkt dat de ontvanger een belastingplichtige is in de zin van artikel 21, § 1, van het Btw-Wetboek, zullen de regels inzake plaatsbepaling van de dienst van artikel 21, § 2, van het Btw-Wetboek van toepassing zijn (schriftelijke parlementaire vraag nr. 236 van de heer Volksvertegenwoordiger Christian Brotcorne van 21.01.2011).

De dienstverrichter is van zijn aansprakelijkheid ontheven vanaf het ogenblik dat hij al het nodige heeft gedaan om op correcte wijze de hoedanigheid van de ontvanger te bepalen.

De bedoelde ontheffing van de aansprakelijkheid in hoofde van de dienstverrichters doet geen afbreuk aan de correcte plaatsbepaling van de dienst.

Zo kan de afnemer op geen enkele manier worden ontheven van zijn aansprakelijkheid voor de plaatsbepaling van de diensten, noch van zijn verplichting tot voldoening van de btw (artikel 18, lid 1 en lid 2, van de uitvoeringsverordening (EU) nr. 282/2011, voornoemd en circulaire AFZ nr. 5/2011 van 27.06.2011, randnummers 33 tot en met 36).

b. De ontvanger is buiten de Gemeenschap gevestigd

Ingeval van een buiten de Gemeenschap gevestigde ontvanger, volstaat het voor de dienstverrichter om in het bezit te zijn van de verklaring afgegeven door de belastingautoriteiten van het land van de buiten de Gemeenschap gevestigde afnemer, om de status van de belastingplichtige ontvanger te bevestigen.

Deze verklaring bevestigt dat laatstgenoemde economische activiteiten uitoefent die hem een recht op teruggaaf van de btw verlenen uit hoofde van de richtlijn 86/560/EEG van de Raad van 17.11.1986 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting - Regeling voor de teruggaaf van de belasting over de toegevoegde waarde aan niet op het grondgebied van de Gemeenschap gevestigde belastingplichtigen.

Bij gebrek hiervan, kan de dienstverrichter aan de ontvanger ieder stuk vragen dat tot bewijs kan dienen om op voldoende wijze aan te tonen dat laatstgenoemde weldegelijk als belastingplichtige handelt.

Volgende stukken kunnen in aanmerking komen: het btw-identificatienummer of een soortgelijk bedrijvenidentificatienummer toegekend door het land van de ontvanger of ieder andere pertinente informatie zoals bijvoorbeeld het inschrijvingsnummer in het handelsregister, enzovoort.

Deze stukken moeten het voorwerp uitmaken van controles van een redelijke omvang om de juistheid van de door de ontvanger verstrekte informatie na te gaan (artikel 18, lid 3, van de uitvoeringsverordening (EU) nr. 282/2011, voornoemd en circulaire AFZ nr. 5/2011 van 27.06.2011, randnummer 36).

E. Hoedanigheid van de afnemer – Begrip ‘belastingplichtige’

De plaats waar een dienst wordt belast hangt in de eerste plaats af van de status van de afnemer van de dienst, zijnde een als zodanig handelende belastingplichtige of niet.

De status van als zodanig handelende belastingplichtige van de ontvanger geldt, eveneens, voor de toevallige belastingplichtigen die beoogd worden door artikelen 8 en 8bis van het Btw-Wetboek (circulaire AFZ nr. 19/2009 va 22.12.2009, randnummers 6 tot met 9, artikel 17, lid 1, van de uitvoeringsverordening (EU) nr. 282/2011, voornoemd en circulaire AFZ nr. 5/2011 van 27.06.2011, randnummer 30).

Het begrip ‘belastingplichtige’ zoals gedefinieerd in artikel 21, § 1, van het Btw-Wetboek ter omzetting van artikel 43 van de richtlijn 2006/112/EG, voornoemd, mag alleen in de specifieke context inzake de plaatsbepaling van diensten worden gebruikt. In geen enkel geval is dit begrip van toepassing in andere bepalingen van het Btw-Wetboek waar alleen de definitie van artikel 4 van het Btw-Wetboek geldt als men het heeft over ‘belastingplichtige’.

Onder ‘belastingplichtige’ voor doeleinden van plaatsbepaling, waarvoor de regels B2B van toepassing zijn (artikel 21 van het Btw-Wetboek), moet worden verstaan:

• de persoon of de vereniging zonder rechtspersoonlijkheid bedoeld in artikel 4 van het Btw-Wetboek (zie subrubriek a, van deze rubriek)

• de belastingplichtige die ook werkzaamheden of handelingen verricht die niet als handelingen bedoeld in artikel 2 van het Btw-Wetboek worden aangemerkt (handelingen buiten de werkingssfeer) (zie subrubriek b, van deze rubriek)

• de niet-belastingplichtige rechtspersoon die voor btw-doeleinden is geïdentificeerd (zie subrubriek c, van deze rubriek).

Wat de belastingplichtige betreft die handelt voor zijn privédoeleinden of die van zijn personeel, zijn de B2C-regels van toepassing (artikel 21bis van het Btw-Wetboek), (zie subrubriek d, van deze rubriek).

a. Belastingplichtige in de zin van artikel 4 van het Btw-Wetboek

Onder ‘persoon bedoeld in artikel 4 van het Btw-Wetboek’ moet worden verstaan:

• de als zodanig handelende belastingplichtige in de zin van artikel 4 van het Wetboek

• de belastingplichtige die uitsluitend leveringen van goederen of diensten verricht beoogd door artikel 44 van het Btw-Wetboek waarvoor hij geen enkel recht op aftrek heeft

• de belastingplichtige die de vrijstellingsregeling voor kleine ondernemingen geniet (artikel 56bis van het Btw-Wetboek)

• de belastingplichtige onderworpen aan de landbouwregeling (artikel 57 van het Btw-Wetboek)

• iedere andere belastingplichtige die onderworpen is aan een stelsel van niet-indiening van periodieke aangiften

• de gemengde belastingplichtige (dit wil zeggen: diegene die zowel belaste handelingen verricht die recht op aftrek verlenen (belast, vrijgesteld door de artikelen 39 tot 42 van het Btw-Wetboek) als handelingen vrijgesteld door artikel 44 van het Btw-Wetboek die geen recht op aftrek geven en dit zelfs indien de ontvangen diensten bestemd zijn voor de vrijgestelde activiteit)

• een rechtspersoon die initieel de status van niet-belastingplichtige heeft en die een belastbare activiteit aanvat die bestaat uit leveringen van goederen (bijvoorbeeld de verkoop van hout) en/of diensten. Hij wordt dan aangemerkt als een als zodanig handelende belastingplichtige voor het geheel van zijn activiteiten (circulaire AFZ nr. 5/2011 van 27.06.2011, randnummer 31).

b. Gedeeltelijke belastingplichtige

Onder ‘de belastingplichtige die ook werkzaamheden of handelingen verricht die niet als handelingen bedoeld in artikel 2’, zoals bepaald in artikel 21, § 1, van het Btw-Wetboek, moet worden verstaan de belastingplichtige die ook handelingen verricht die niet binnen de werkingssfeer van de btw vallen (bijvoorbeeld handelingen die om niet worden verricht, het ontvangen van dividenden, niet-zelfstandige economische activiteiten …).

Voorbeeld

Een holdingvennootschap verricht, naast het loutere beheer van aandelen (buiten de werkingssfeer), ook diensten onder bezwarende titel voor haar dochterondernemingen (belaste handelingen).

De holding heeft, voor de plaatsbepaling van de diensten die ze ontvangt, de hoedanigheid van belastingplichtige en dit zelfs indien deze diensten bestemd zijn voor haar activiteit buiten de werkingssfeer van de btw.

c. Niet-belastingplichtige rechtspersoon die voor btw-doeleinden is geïdentificeerd

De niet-belastingplichtige rechtspersoon die uitsluitend voor btw-doeleinden is geïdentificeerd voor zijn intracommunautaire verwervingen, evenals de niet-belastingplichtige rechtspersoon die niet voor btw-doeleinden is geïdentificeerd maar die het zou moeten zijn, worden voor de toepassing van de regels betreffende de plaats van een dienst met een belastingplichtige gelijkgesteld. Deze regel geldt enkel voor de plaatsbepaling van diensten.

De B2B-plaatsbepalingsregels zijn dus van toepassing op de diensten die deze personen ontvangen (artikel 17, lid 2, van de uitvoeringsverordening (EU) nr. 282/2011, voornoemd en circulaire AFZ nr. 5/2011 van 27.06.2011, randnummer 31).

Dit is bijvoorbeeld het geval voor een gemeente beoogd door artikel 6 van het Btw-Wetboek, die voor btw-doeleinden is geïdentificeerd of het zou moeten zijn omdat ze de drempel van 11.200 euro inzake intracommunautaire verwervingen van goederen heeft overschreden of voor deze heffing heeft geopteerd.

De gemeente zal, op dezelfde wijze dan voor haar intracommunautaire verwervingen, via een bijzondere aangifte moeten aangeven dat ze diensten heeft ontvangen die in België plaatsvinden en de verschuldigde btw moeten voldoen (artikel 53ter van het Btw-Wetboek).

d. Privédoeleinden van de belastingplichtige of van zijn personeel

De B2C regels voorzien met betrekking tot artikel 21bis van het Btw-Wetboek zijn van toepassing ten aanzien van een belastingplichtige die uitsluitend handelt voor zijn privédoeleinden of voor die van zijn personeel.

Het begrip ‘uitsluitend voor privédoeleinden’ lijkt evenwel onverenigbaar te zijn met een belastingplichtige ontvanger als deze een rechtspersoon is.

Wanneer diensten bestemd zijn voor de privébehoeften van het personeel van een belastingplichtige, kan laatstgenoemde niettemin een rechtspersoon zijn (bijvoorbeeld reizen gratis aangeboden aan personeelsleden als beloning). In dat geval zal de rechtspersoon optreden als niet-belastingplichtige persoon.

Wanneer de ontvanger hem zijn btw-identificatienummer meedeelt in het kader van een dienst, kan de dienstverrichter, er in principe van uitgaan dat de diensten voor de doeleinden van de economische activiteit van de ontvanger zijn bestemd, onder voorbehoud evenwel dat hij niet over tegenstrijdige informatie beschikt. In laatstgenoemd geval zal hij moeten nagaan of de ontvanger werkelijk als belastingplichtige handelt wanneer hij de diensten ontvangt.

In dit opzicht is de aard van de verstrekte diensten, die op een privégebruik kan wijzen, een belangrijk element waarmee rekening kan worden gehouden (artikel 19, eerste en tweede lid, van de uitvoeringsverordening (EU) nr. 282/2011, voornoemd, circulaire AFZ nr. 5/2011 van 27.06.2011, randnummers 37 en 38).

F. Uniciteit van de plaatsbepaling

a. Gemengd gebruik van de dienst

De dienstverrichter kan te maken hebben met een belastingplichtige ontvanger die de dienst gelijktijdig bestemt voor zijn privédoeleinden, met inbegrip van die van zijn personeel, en voor de doeleinden van zijn economische activiteit.

In dat geval, zodat één en dezelfde dienst slechts op één plaats wordt belast, bepaalt de dienstverrichter de plaats van de dienst alsof de ontvanger volledig handelt als belastingplichtig, voor zover er geen sprake is van rechtsmisbruik (artikel 19, derde alinea, van de uitvoeringsverordening (EU) nr. 282/2011, voornoemd, circulaire AFZ nr. 5/2011 van 27.06.2011, randnummer 39).

Voorbeeld

Een advocaat downloadt antivirus software die enerzijds voor zijn economische activiteit wordt gebruikt en anderzijds voor de behoeften van zijn zoon, student in de rechten. Het betreft voor het geheel een B2B-relatie.

b. Gebruik van de dienst is gewijzigd

Voor de toepassing van de plaatsbepalingsregels zijn enkel de omstandigheden op het tijdstip van het belastbare feit van de belasting van belang.

Iedere toekomstige wijziging in het gebruik van de ontvangen dienst blijft normaal gezien zonder gevolg wat de plaatsbepaling van deze handeling betreft, behalve misbruik (artikel 25 van de uitvoeringsverordening (EU) nr. 282/2011, voornoemd, schriftelijke parlementaire vraag nr. 489 van de heer Volksvertegenwoordiger François-Xavier de Donnea van 28.05.2009 en circulaire AFZ nr. 5/2011 van 27.06.2011, randnummer 48).

2. Territoriale aanknopingsregels

A. Principes

a. B2B – Hoofdregel

De plaats van diensten, verricht voor een als zodanig handelende belastingplichtige in de zin van artikel 21, § 1, van het Btw-Wetboek, is de plaats waar deze belastingplichtige de zetel van zijn economische activiteit heeft gevestigd.

Worden deze diensten evenwel verricht voor een vaste inrichting van de belastingplichtige die gevestigd is op een andere plaats dan die waar hij de zetel van zijn economische activiteit heeft gevestigd, dan geldt als plaats van de dienst de plaats waar deze vaste inrichting zich bevindt.

Bij gebrek aan een dergelijke zetel of vaste inrichting, geldt als plaats van de dienst de woonplaats of gebruikelijke verblijfplaats (artikel 21, § 2, van het Btw-Wetboek ter omzetting van artikel 44 van de richtlijn 2006/112/EG, voornoemd), (artikel 21 van de uitvoeringsverordening (EU) nr. 282/2011, voornoemd, circulaire AFZ nr. 5/2011 van 27.06.2011, randnummer 41).

b. B2C – Hoofdregel

De plaats van diensten, verricht voor een niet-belastingplichtige (niet gelijkgesteld met een belastingplichtige in de zin van artikel 21, § 1, van het Btw-Wetboek), is de plaats waar de dienstverrichter de zetel van zijn economische activiteit heeft gevestigd.

Worden deze diensten echter verricht vanuit een vaste inrichting van de dienstverrichter, gevestigd op een andere plaats dan die waar hij de zetel van zijn economische activiteit heeft gevestigd, dan geldt als plaats van de dienst de plaats waar deze vaste inrichting zich bevindt.

Bij gebrek aan een dergelijke zetel of vaste inrichting, geldt als plaats van de dienst de woonplaats of gebruikelijke verblijfplaats van de dienstverrichter (artikel 21bis, §1, van het Btw-Wetboek ter omzetting van artikel 45 van de richtlijn 2006/112/EG, voornoemd).

Om de plaats van een dienst correct te bepalen, moeten bijgevolg de begrippen ‘zetel van economische activiteit’, ‘vaste inrichting’, ‘woonplaats’ en ‘gebruikelijke verblijfplaats’ worden gedefinieerd en dient te worden vastgelegd hoe de vaste inrichting die als ontvanger van de dienst optreedt moet worden bepaald.

B. Definities

a. Zetel van economische activiteit

De zetel van bedrijfsuitoefening van een belastingplichtige, rechtspersoon of natuurlijke persoon, wordt omschreven als de plaats waar de centrale bestuurstaken van het bedrijf worden uitgeoefend (Hof van Justitie van de Europese Unie, Arrest Planzer Luxembourg, zaak C-73/06, van 28.06.2007, punten 60 tot met 63).

Bij de bepaling van de plaats waar de centrale bestuurstaken van het bedrijf worden uitgeoefend, moet rekening gehouden worden met de volgende drie beoordelingscriteria:

• de plaats waar de essentiële beslissingen worden genomen met betrekking tot de algemene leiding van de onderneming

• de plaats waar de statutaire zetel van de onderneming is gelegen

• de plaats waar de directie vergadert.

Als minstens twee van de drie criteria inzake de bepaling van de plaats van vestiging van de zetel samenvallen, moet die plaats worden aangemerkt als de zetel van bedrijfsuitoefening. Indien het onmogelijk blijkt te zijn om met zekerheid deze plaats te bepalen, dan geldt als enige criterium de plaats waar de essentiële beslissingen genomen worden met betrekking tot de algemene leiding van de onderneming.

Het feit dat de activiteiten van de belastingplichtige effectief worden uitgeoefend in een bepaald land (exploitatie, productie), sluit de mogelijkheid niet uit dat deze persoon de zetel van zijn bedrijfsuitoefening gevestigd heeft in een ander land.

Een fictieve vestiging, zoals dat kenmerkend is voor ‘brievenbus- of schermvennootschappen’, kan niet worden aangemerkt als de zetel van bedrijfsuitoefening van een belastingplichtige, indien deze plaats niet voldoet aan voornoemde voorwaarden (artikel 10, lid 2 en 3, van de uitvoeringsverordening (EU) nr. 282/2011, voornoemd, circulaire AFZ nr. 5/2011 van 27.06.2011, randnummer 20).

b. Vaste inrichting

Voor de toepassing van de wettelijke bepalingen inzake de plaats van de dienstverrichtingen, moet een vaste inrichting die als ontvanger van de dienst optreedt en een vaste inrichting die als dienstverrichter optreedt, verplicht voldoen aan de hieronder vermelde kenmerken.

• Vaste inrichting als ontvanger van de dienst

Voor de toepassing van artikel 44 van Richtlijn 2006/112/EG (artikel 21, § 2, van het Btw-Wetboek) wordt onder „vaste inrichting” verstaan iedere andere inrichting dan de zetel van de bedrijfsuitoefening, bepaald in subrubriek a, van deze rubriek, die gekenmerkt wordt door een voldoende graad van duurzaamheid en een geschikte structuur in termen van menselijke (voldoende personeel) en technische middelen (bureau, computer, machines, rollend materieel) om de verstrekte diensten te kunnen ontvangen en te kunnen verbruiken voor de behoeften van die inrichting zelf (artikel 11, lid 1, van de uitvoeringsverordening (EU) nr. 282/2011).

Met andere woorden de bedoelde inrichting moet in staat zijn om de diensten materieel te ontvangen en te verbruiken (de juridische bekwaamheid speelt ter zake geen rol).

De ontvangen diensten zullen dus werkelijk door de vaste inrichting worden verbruikt (Hof van Justitie van de Europese Unie, Arrest Welmory, zaak C-605/12, van 16.10.2014, punt 58, circulaire AFZ nr. 5/2011 van 27.06.2011, randnummer 21, circulaire AFZ nr. 19/2009 van 22.12.2009, randnummers 16 tot en met 18 en de schriftelijke parlementaire vraag nr. 513 van mevrouw de Volksvertegenwoordiger Veerle Wouters van 08.09.2011).

• Vaste inrichting als dienstverrichter

In het kader van de plaatsbepaling in de B2B en B2C relaties, wordt onder „vaste inrichting” verstaan iedere andere inrichting dan de zetel van de bedrijfsuitoefening, bepaald in subrubriek a, van deze rubriek, die gekenmerkt wordt door een voldoende graad van duurzaamheid en een geschikte structuur in termen van menselijke (voldoende personeel) en technische middelen (bureau, computer, machines, rollend materieel) om de door haar te verrichten diensten te kunnen verstrekken (artikel 11, lid 2, van de uitvoeringsverordening (EU) nr. 282/2011, voornoemd).

Met andere woorden, de vaste inrichting moet een minimale consistentie hebben en moet een entiteit zijn die bekwaam is om, op autonome wijze, diensten te verstrekken. Om na te gaan of een inrichting aan deze criteria voldoet, moet men rekening houden met de economische werkelijkheid. Er wordt vanuit gegaan dat de dienst wordt verricht vanuit bovengenoemde vaste inrichting wanneer deze heeft deelgenomen aan het verstrekken van betreffende dienst, dit wil zeggen, dat deze zijn menselijke en technische middelen heeft gebruikt voor het verrichten van die dienst (circulaire AFZ nr. 19/2009 van 22.12.2009, randnummer 68, zoals gewijzigd door de circulaire AFZ nr. 5/2011 van 27.06.2011, randnummer 22 en Hof van Justitie van de Europese Unie, Arrest DFDS A/S, zaak C-260/95, van 20.02.1997, punt 20, Arrest T.T., zaak C-931/19, van 03.06.2021, punt 42).

Volstaat derhalve niet om te besluiten dat een belastingplichtige een vaste inrichting heeft:

• het hebben van een btw-identificatienummer (artikel 11, lid 3, van de uitvoeringsverordening (EU) nr. 282/2011, voornoemd en circulaire AFZ nr. 5/2011 van 27.06.2011, randnummer 23)

• de aanwezigheid van een wagenpark in een andere lidstaat dan die van de zetel van de economische activiteit (Hof van Justitie van de Europese Unie, Arrest ARO Lease, zaak C-190/95, van 17.07.1990, punt 20, Arrest Lease Plan, zaak C-390/96, van 07.05.1998, punt 28 en de schriftelijke parlementaire vraag nr. 926 van de heer Senator Leo Delcroix van 12.03.1998)

• het feit dat een gebouw verhuurd wordt in een lidstaat waarbij de eigenaar ervan geen eigen personeel heeft om de met de verhuur verband houdende dienst te verrichten (Hof van Justitie van de Europese Unie, Arrest T.L., zaak C-931/19, van 03.06.2021, punt 45).

c. Woonplaats

Indien de belastingplichtige een natuurlijke persoon is, moet bij voorrang de plaats in aanmerking worden genomen waar deze persoon zijn economische activiteit uitoefent die hem de hoedanigheid van belastingplichtige verleent en niet zijn privéwoonplaats of zijn privéverblijfplaats (de privéwoonplaats of –verblijfplaats kan desgevallend wel in aanmerking worden genomen, bijvoorbeeld als betrokken belastingplichtige een ambulante werkzaamheid heeft).

A priori wordt met het begrip ‘woonplaats’ van een natuurlijke persoon het adres bedoeld zoals vermeld in het bevolkingsregister van een gemeente.

In die mate verwijst het begrip woonplaats eerder naar een juridisch begrip dat ook nogal eens in verscheidene andere wetgevingen wordt gehanteerd (met inbegrip van de fiscale wetgeving zoals bijvoorbeeld in de inkomstenbelastingen) als officieel contactpunt zelfs als de betrokkene er niet zijn gebruikelijke verblijfplaats heeft (artikel 12 van de uitvoeringsverordening (EU) nr. 282/2011, voornoemd, circulaire AFZ nr. 19/2009 van 22.12.2009, randnummers 21 en 22, eerste lid).

d. Gebruikelijke verblijfplaats

In tegenstelling tot het juridisch begrip woonplaats, verwijst het begrip ‘gebruikelijke verblijfplaats’ naar een feitelijke situatie, namelijk een plaats waar een privépersoon in feite het grootste deel van zijn tijd doorbrengt, of het nu is om reden van persoonlijke dan wel beroepsmatige bindingen, waaruit een nauwe band blijkt tussen de betrokkene en de plaats waar hij woont (artikel 13, eerste lid, van de uitvoeringsverordening (EU) nr. 282/2011, voornoemd, Hof van Justitie van de Europese Unie, Arrest Ryborg, zaak C-297/89, van 23.04.1991, punt 51 en Arrest Alevizos, zaak C-392/05, van 26.04.2007, punt 55).

In dat verband valt niet uit te sluiten dat een fysieke persoon gedurende een zekere periode tegelijkertijd een woonplaats en een gebruikelijke verblijfplaats heeft die in verschillende landen gelegen zijn. Gezien de mogelijkheid dat beide aanknopingsfactoren gelijktijdig naast elkaar bestaan, gaat de administratie ervan uit dat de woonplaats voorrang heeft op de verblijfplaats, behoudens tegenbewijs dat toelaat voorrang te verlenen aan de plaats die het best belastingheffing op de plaats van het verbruik garandeert (artikel 13, tweede lid, van de uitvoeringsverordening (EU) nr. 282/2011, voornoemd, Hof van Justitie van de Europese Unie, Arrest Louloudakis, zaak C-262/99, van 12.07.2001, punten 52, 53 en 55 en circulaire AFZ nr. 19/2009 van 22.12.2009, randnummer 22, tweede en derde lid).

C. Prioritaire en ondergeschikte aanknopingspunten van de handeling

Uit de vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie blijkt dat het nuttigste - en dus het voornaamste - aanknopingspunt voor het bepalen van de plaats van de dienst vanuit fiscaal oogpunt de plaats is waar de belastingplichtige de zetel van zijn bedrijfsuitoefening heeft gevestigd (zie onder andere Hof van Justitie van de Europese Unie, Arrest Welmory, zaak C-605/12, van 16.10.2014, punten 53 tot en met 56).

De administratie gaat ervan uit dat de plaats van de vaste inrichting als aanknopingspunt voor de plaats van de dienst ondergeschikt is en maar toepassing vindt indien het criterium van de zetel van de economische activiteit niet tot een rationele oplossing leidt inzake de plaats waar de werkelijke verbruiker van de dienst is gevestigd. Het in aanmerking nemen van een vaste inrichting als criterium voor de plaats van de dienst vereist derhalve dat diensten worden verricht voor de eigen behoeften van de bedoelde inrichting en niet voor die van de zetel van de economische activiteit van de belastingplichtige. Met andere woorden, de vaste inrichting moet de daadwerkelijke verbruiker en begunstigde van de bedoelde diensten zijn (schriftelijke parlementaire vraag nr. 489 van de heer François-Xavier de Donnea van 28.05.2009).

De dienst, verstrekt voor de behoeften van een vaste inrichting, vindt plaats in de lidstaat waar deze gevestigd is, mits deze diensten werkelijk door deze vaste inrichting worden verbruikt en ten gunste van laatstgenoemde (rechtstreekse verbruiker). De plaats waar de medecontractant gevestigd is (bijvoorbeeld de moedermaatschappij), juridische ontvanger, speelt daarbij geen rol (Hof van Justitie van de Europese Unie, Arrest Berkholz, zaak C-168/84, van 04.07.1985, punten 17 en 18 – Arrest Aro Lease, zaak C-190/95, van 17.07.1990, punten 14 en 15).

D. Bepaling van de vaste inrichting die optreedt als ontvanger

De vaste inrichting die als ontvanger van de dienst optreedt, moet worden geïdentificeerd aan de hand van criteria die hierna onder de rubrieken a en b, van deze rubriek worden omschreven. Bij gebrek hieraan, dient rekening te worden gehouden met het prioritaire aanknopingspunt, zijnde de zetel van economische activiteit. Daarnaast dienen de verantwoordelijkheden van de dienstverrichter en ontvanger van de dienst te worden bepaald (zie subrubrieken c en d, van deze rubriek), (artikel 22 van de uitvoeringsverordening (EU) nr. 282/2011 van de Raad van 15.03.2011, circulaire nr. AFZ 19/2009, van 22.12.2009, randnummers 19 en 20, zoals gewijzigd door de circulaire AFZ nr. 5/2011, van 27.06.2011, randnummers 42 tot en met 45).

a. Voornaamste onderscheidende criteria

Om te kunnen oordelen of de diensten daadwerkelijk worden verstrekt aan een bepaalde vaste inrichting van de afnemer dan wel aan een andere inrichting (met andere woorden onderzoeken welke vaste inrichting de dienst afneemt en gebruikt voor haar eigen behoeften), zal de dienstverrichter bijzondere aandacht besteden aan de vaststelling van de aard en het gebruik van de diensten.

Wanneer de aard en het gebruik van de verstrekte dienst het mogelijk maken de vaste inrichting te identificeren, met andere woorden als bijvoorbeeld de dienst uitsluitend voor de behoeften van de vaste inrichting wordt verstrekt en duidelijk samenhangt met de werkzaamheid van deze inrichting, is de plaats van deze dienst het land waar de afnemer de vaste inrichting heeft gevestigd.

b. Ondergeschikte onderscheidende criteria

Wanneer de aard en het gebruik van de verstrekte diensten het werkelijk niet mogelijk maken de vaste inrichting te identificeren, dient te worden rekening gehouden met het feit of:

• het contract en/of de bestelbon de vaste inrichting als afnemer van de dienst identificeert

• het btw-identificatienummer meegedeeld door de afnemer overeenkomt met het nummer toegekend door de lidstaat van de vaste inrichting

• de vaste inrichting de entiteit is die de diensten betaalt of dat de prijs van deze diensten daadwerkelijk door deze entiteit ten laste wordt genomen.

c. Aanknoping met de zetel van economische activiteit

Als de plaats van de vaste inrichting van de afnemer overeenkomstig voornoemde criteria onder subrubrieken a en b, van deze rubriek, niet in een welbepaalde lidstaat kan worden gesitueerd, kan de dienstverrichter er rechtsgeldig van uitgaan dat de diensten worden verricht op de plaats waar de afnemer de zetel van zijn economische activiteit heeft gevestigd.

Dit geldt eveneens in het geval van een contract in een relatie B2B dat betrekking heeft op één of meer diensten die op een niet identificeerbare of niet kwantificeerbare manier worden afgenomen (globaal contract).

Dit is bijvoorbeeld het geval bij de levering van software bestemd om te worden gebruikt door verschillende inrichtingen of bij een onderhoudscontract met betrekking tot een IT-park. Aangezien deze dienst noch juridisch noch materieel gesplitst kan worden, zal deze steeds plaatsvinden op de zetel van de economische activiteit van de afnemer, zelfs indien deze dienst in de feiten wordt geleverd voor de noden van andere vaste inrichtingen.

d. Verantwoordelijkheid van de dienstverrichter en de ontvanger

Wanneer de dienstverrichter aantoont dat hij alle materiële en formele controles heeft verricht die noodzakelijk en voldoende zijn om de vaste inrichting van de afnemer te identificeren, eveneens ten aanzien van de door de afnemer verstrekte onjuiste gegevens, kan hem geen onoplettendheid worden verweten. Hij wordt dan ontheven van elke aansprakelijkheid voor de betaling van de verschuldigde belasting.

De administratie kan uiteraard de plaats waar een handeling plaatsvindt zelf aanpassen, als bijvoorbeeld naar aanleiding van een controle aan de hand van de feitelijke omstandigheden kan worden vastgesteld dat de dienst werd afgenomen en gebruikt door een vaste inrichting van de afnemer.

De administratie heeft eveneens de mogelijkheid om het mechanisme van de hoofdelijke aansprakelijkheid ten aanzien van de betaling van de verschuldigde belasting in werking te stellen.

De afnemer kan niet worden ontheven noch wat zijn aansprakelijkheid met betrekking tot de plaatsbepaling van de diensten betreft, noch ten aanzien van de verschuldigdheid van de btw. De afnemer dient alle verplichtingen na te leven die inzake btw zijn voorzien.

3. Gemeenschappelijke afwijkende regels (B2B en B2C)

Eenvoudigheidshalve worden hierna eerst de afwijkende regels die gemeenschappelijk zijn in een B2B en B2C context besproken. Vervolgens worden de specifieke afwijkingen van de B2C uiteengezet (zie titel 4, van deze Afdeling).

A. Diensten die verband houden met een onroerend goed

a. Criteria voor de plaatsbepaling

De diensten die verband houden met een uit zijn aard onroerend goed vinden plaats daar waar het onroerend goed is gelegen (artikels 21, § 3, 1° en 21bis, § 2, 1° van het Btw-Wetboek ter omzetting van artikel 47 van de richtlijn 2006/112/EG, voornoemd).

Artikel 47 van de richtlijn 2006/112/EG bepaalt: ‘De plaats van een dienst die betrekking heeft op onroerend goed, met inbegrip van diensten van experts en makelaars in onroerende goederen, het verstrekken van accommodatie in het hotelbedrijf of in sectoren met een soortgelijke functie, zoals vakantiekampen of locaties die zijn ontwikkeld voor gebruik als kampeerterreinen, het verlenen van gebruiksrechten op een onroerend goed, alsmede van diensten die erop gericht zijn de uitvoering van bouwwerken voor te bereiden of te coördineren, zoals bijvoorbeeld de diensten verricht door architecten en door bureaus die toezicht houden op de uitvoering van het werk, is de plaats waar het onroerend goed is gelegen.’

Om een betere omzetting van dat artikel te garanderen, werd op 01.01.2010 de niet-limitatieve lijst van beoogde diensten in de artikelen 21, § 3, 1° en 21bis, § 2, 1°, van het Btw-Wetboek geïntegreerd. Zijn inzonderheid bedoeld:

• het werk in onroerende staat (artikel 19, § 2, derde lid, van het Btw-Wetboek en artikel 20, § 2 van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd (zie Afdeling 3, titel 1, rubriek C, van deze Afdeling))

• de terbeschikkingstelling van stalling voor rijtuigen, van bergruimte voor het opslaan van goederen, van plaats om te kamperen en het verschaffen van gemeubeld logies, met inbegrip van de door de hotelhouder verstrekte telecommunicatie-, radiodistributie-, en langs elektronische weg verrichte diensten (artikel 31quater van de uitvoeringsverordening (EU) nr. 282/2011, voornoemd), de toekenning van het recht van toegang tot verkeerswegen en tot de erbij behorende kunstwerken, alsmede de toekenning van het recht gebruik ervan te maken (zie artikel 18, § 1, tweede lid, 8° tot 10° en 15°, van het Btw-Wetboek)

• het verlenen van gebruiksrechten op een onroerend goed (bijvoorbeeld: de pacht, de verhuur, de financieringshuur van uit hun aard onroerende goederen, de verhuur van onroerende brandkasten)

• de diensten van experts en makelaars in onroerende goederen of de diensten die erop gericht zijn de uitvoering van bouwwerken voor te bereiden, te coördineren of er toezicht op te houden (bijvoorbeeld: het studie- en controlewerk die tot de geregelde werkzaamheid van architecten, landmeters en ingenieurs behoort).

b. Begrip ‘onroerend goed’

Teneinde de btw-behandeling van diensten die verband houden met een onroerend goed op coherente en efficiënte wijze te behandelen, werden de richtsnoeren, aangenomen door het btw-comité, die op dergelijke diensten betrekking hebben, in de bepalingen van de uitvoeringsverordening nr. 282/2011, voornoemd, opgenomen. Deze richtsnoeren zijn bijgevolg dwingend geworden en zijn, sinds 01.01.2017, meteen van toepassing in alle lidstaten (artikelen 13ter, 31bis en 31ter, van de uitvoeringsverordening (EU) nr. 282/2011, voornoemd).

In een eerste instantie moet worden nagegaan of de dienst verband houdt met een goed dat wordt aangemerkt als een uit zijn aard onroerend goed. Het begrip ‘onroerend goed’ wordt dus eerst gedefinieerd.

Het betreft in essentie terreinen, ieder bouwwerk dat vast met de grond is verbonden (zie artikel 1, § 9, 1°, eerste lid, van het Btw-Wetboek), ieder element dat is geïnstalleerd en een integrerend deel uitmaakt van een gebouw zonder welk het gebouw onvolledig is (deuren, ramen, daken, trappen, liften, enzovoort), ieder element die blijvend geïnstalleerd is (werktuigen, enzovoort) en niet zonder vernietiging of wijziging van het gebouw kan worden verplaatst (artikel 13ter van de uitvoeringsverordening (EU) nr. 282/2011, voornoemd).

De administratie heeft een gelijkaardige definitie van het begrip ‘uit zijn aard onroerend goed’ aangenomen (zie, onder andere, de aanschrijving nr. 3/1979 van 01.02.1979, randnummers 16, 18 en 23 en de circulaire nr. 24/2002 (nr. E.T. 103.009) van 06.12.2002, randnummers 12 en 13).

Overeenkomstig de Europese rechtspraak is het van belang dat de constructies niet gemakkelijk te demonteren en te verplaatsen zijn, doch is het niet nodig dat zij onlosmakelijk met de grond zijn verbonden om als onroerende goederen te worden aangemerkt. De verhuur ervan moet worden aangemerkt als een onroerende verhuur zelfs indien dit gebouw na het verstrijken van de huurovereenkomst moet worden verwijderd en opnieuw dient te worden gebruikt op een ander stuk grond (Hof van Justitie van de Europese Unie, Arrest Rudolf Maierhofer, zaak C-315/00, van 16.01.2003, punten 33 tot en met 35).

c. Diensten die verband houden met een onroerend goed

In een tweede instantie, indien het een onroerend goed betreft, dient te worden nagegaan of de dienst verband houdt met een uit zijn aard onroerend goed.

Diensten die verband houden met onroerende goederen betreffen uitsluitend diensten die een voldoende rechtstreeks verband met een specifiek onroerend goed hebben.

Dit criterium vloeit voort uit de Europese rechtspraak die reeds voor recht had gezegd dat uitsluitend de diensten die een dergelijk verband hebben onder de toepassing van artikel 47 van de richtlijn 2006/112/EG, voornoemd, vallen (Hof van Justitie van de Europese Unie, onder andere, Arrest Inter-Mark, zaak C-530/09, van 27.11.2011, punt 30 en Arrest Heger, zaak C-166/05, van 07.09.2006, punten 23 en 24).

Hebben, in het bijzonder, een dergelijke verband, en vinden dus plaats waar het onroerend goed is gelegen:

• diensten waarvan het resultaat voortvloeit uit een onroerend goed dat zelf een bestanddeel is van de dienst. Dit is bijvoorbeeld het geval van een werfcoördinator die wordt belast met het opzoeken en contacteren van gekwalificeerde aannemers in de voorbereidingsfase van een bepaalde werf (mondelinge parlementaire vraag nr. 18.343 van de heer Volksvertegenwoordiger Luk Van Biesen van 16.05.2017)

• het aanmeren, het voor anker gaan, het aanleggen, het ter beschikking stellen van ligplaatsen in een haven, het verlenen van rechten op het gebruik van een specifiek gebied van een haven en het verlenen van aanvullende diensten in hun geheel, die zelf in het kader van de btw als één enkele dienst worden beschouwd

• metingen en boringen op zee.

Voornoemde Europese uitvoeringsverordening bevat een niet-limitatieve lijst van diensten die verband houden met een onroerend goed evenals een lijst van diensten die niet als dusdanig worden beschouwd (artikel 31bis van de uitvoeringsverordening (EU) nr. 282/2011 van de Raad van 15.03.2011, voornoemd).

De meeste voorbeelden van dienstprestaties die een voldoende rechtstreeks verband met een onroerend goed hebben, evenals, eventueel, de ermee verband houdende diensten die niet aan dat criterium voldoen, en die allemaal uit die lijsten komen, worden hieronder vermeld. Het ermee overeenstemmend standpunt van de administratie wordt telkens vermeld.

• Werk in onroerende staat

o de bouw van een gebouw op een terrein, alsook bouw- en sloopwerkzaamheden verricht aan een gebouw of delen van een gebouw

Bijvoorbeeld: een Belgische aannemer richt in Rijsel een atelier op voor een Frans bedrijf. De dienst van de Belgische aannemer vindt plaats in Frankrijk, zijnde de plaats waar het gebouw gelegen is

o de bouw van blijvende structuren op een terrein, alsook bouw- en sloopwerkzaamheden verricht aan blijvende structuren zoals gas-, water- en rioolleidingen en dergelijke

o werkzaamheden op een terrein, met inbegrip van agrarische diensten zoals grondbewerking, bezaaiing, irrigatie en bemesting

o onderhouds-, renovatie- en herstelwerkzaamheden aan een gebouw of delen van een gebouw, met inbegrip van werkzaamheden zoals schoonmaken, betegelen, behangen en parketteren

o onderhouds-, renovatie- en herstelwerkzaamheden aan blijvende structuren zoals gas-, water- en rioolleidingen en dergelijke

o de installatie of montage van machines of werktuigen die, na installatie of montage, als onroerend goed kunnen worden gekwalificeerd

o onderhouds-, reparatie-, inspectie- en toezichtswerkzaamheden met betrekking tot machines of werktuigen wanneer die machines of werktuigen als onroerend goed kunnen worden gekwalificeerd.

Het administratieve standpunt baseert zich op verscheidene gelijkaardige werken in onroerende staat (aanschrijving nr. 3/1979 van 01.02.1979, randnummers 12 tot en met 17).

• Handelingen van architecten

Het opstellen van plannen van een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat bestemd is om op een bepaald perceel van een terrein op te richten, ongeacht of de oprichting al dan niet wordt gerealiseerd.

Het administratieve standpunt met betrekking tot diensten van architecten, met inbegrip van binnenhuisarchitecten, zoals bepaald in de beslissing nr. E.T. 111.100 van 28.04.2006, is in overeenstemming met het Europese recht.

De administratie is bovendien van mening dat indien, bijvoorbeeld, de prestatie van een ingenieursbureau die erin bestaat tegen betaling te onderzoeken welk project, met inachtneming van de reglementering inzake urbanisatie en ruimtelijke ordening, met optimaal rendement kan worden gerealiseerd op een door een derde te koop aangeboden perceel grond, een dienst is die verband houdt met een uit zijn aard onroerend goed. Het feit dat het project uiteindelijk niet wordt gerealiseerd, heeft ter zake geen invloed (beslissing nr. E.T. 33.944 van 08.09.1980).

• Expertises met betrekking tot een uit zijn aard onroerend goed

o inspectie en beoordeling van de staat van onroerend goed en de daarmee samenhangende risico’s

o taxatie van een onroerend goed, inclusief wanneer dat vereist is voor verzekeringsdoeleinden, met het oog op de waardebepaling van een goed als waarborg voor een lening of de risico- en schadebeoordeling bij geschillen.

De administratie neemt op dezelfde manier aan dat het schatten van een uit zijn aard onroerend goed een werk in verband met een uit zijn aard onroerend goed is (beslissing nr. E.T. 9.241 van 18.11.1971).

Voorbeeld

Een Britse verzekeringsmaatschappij belast een vastgoedexpert die in Antwerpen is gevestigd met het schatten van gebouwen die in Den Haag (Nederland) gelegen zijn. De dienst vindt plaats daar waar het te schatten gebouw gelegen is, zijnde Nederland.

• De leasing of huur van een onroerend goed

o De terbeschikkingstelling van blijvend geïnstalleerde werktuigen en machines

Een in een gebouw blijvend geïnstalleerde machine wordt als een onroerend goed aangemerkt daar ze niet zonder vernietiging of wijziging van het gebouw kan worden verplaatst. Deze machine kan dus het voorwerp uitmaken van een onroerende verhuur.

De kwalificatie van blijvend geïnstalleerde machines en werktuigen als onroerende goederen heeft geen invloed op de verplichte uitzondering op de btw-vrijstelling voor de onroerende verhuur (artikel 135, lid 2, punt c), van de richtlijn 2006/112/EG, voornoemd).

Op dezelfde wijze als bepaald in artikel 13ter, punt d), van de uitvoeringsverordening (EU) nr. 282/2011 van de Raad van 15.03.2011, worden, sinds 01.01.2014, blijvend geïnstalleerde werktuigen en machines in artikel 44, § 3, 2°, a), zesde streepje, van het Btw-Wetboek, aangemerkt als uit hun aard onroerende goederen waarvan de verhuur een dienst is in verband met een onroerend goed (artikel 34 van de wet van 21.12.2013 houdende diverse fiscale en financiële bepalingen, BS, 31.12.2013). Rekening houdend met deze uitzondering op de btw-vrijstelling, is de terbeschikkingstelling van dergelijk materieel aan de btw onderworpen.

Dit standpunt werd reeds opgenomen in antwoorden op parlementaire vragen (zie de schriftelijke parlementaire vragen nrs. 1.189 en 1.190 van de heer Senator Olivier de Clippele van 05.03.2001).

Worden, bijvoorbeeld, beoogd de kranen met een omvangrijk gewicht, die bestemd zijn om op een bepaalde plaats te blijven - en op sporen rusten die zelf in of aan de kade vastzitten – en een beweging kunnen uitvoeren, maar dit enkel voor de noden van het lossen en laden van de schepen (arrest van het Hof van Cassatie nr. F.11.0037.N van 15.03.2012).

o Opslag van goederen

De opslag van goederen in een precies gedeelte van een onroerend goed, bestemd voor de opslag van goederen waarbij aan de ontvanger een exclusief gebruiksrecht wordt toegekend, is een dienst die verband houdt met een onroerend goed.

A contrario, is de opslag van goederen in een onroerend goed waarbij geen enkel precies gedeelte van het onroerend goed exclusief ter beschikking wordt gesteld van de ontvanger, geen dienst die verband houdt met een onroerend goed. Bijgevolg geldt, voor de plaatsbepaling van de dienst, de regel inzake de ligging van het gebouw niet.

Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft voor recht gezegd dat een opslagdienst slechts onder de toepassing van artikel 47 van de richtlijn 2006/112/EG, kan vallen onder de voorwaarde dat aan de afnemer van die dienst een gebruiksrecht op een uitdrukkelijk bepaald onroerend goed of een gedeelte daarvan verleend wordt (Hof van Justitie van de Europese Unie, Arrest RR Donnelley, zaak C-155/12, van 27.06.2013, punten 37 tot en met 39).

Ingevolge voornoemd arrest heeft de administratie een beslissing gepubliceerd die van toepassing is sinds 01.06.2014 en waarin een onderscheid wordt gemaakt tussen het al dan niet verlenen van een exclusief gebruiksrecht voor het geheel of een bepaald deel van het onroerend goed.

* Verlenen van een exclusief gebruiksrecht voor het geheel of een bepaald deel van een gebouw

De dienst vindt plaats daar waar het gebouw gelegen is en dit zowel in de B2B context als B2C context (artikelen 21, § 3, 1°, van het Btw-Wetboek en 21bis, § 2, 1°, van het Btw-Wetboek).

* Niet verlenen van een exclusief gebruiksrecht voor het geheel of een bepaald deel van een gebouw

De dienst vindt plaats daar waar de afnemer is gevestigd (B2B, artikel 21, § 2, van het Btw-Wetboek) of waar de dienstverrichter is gevestigd (B2C, artikel 21bis, § 1, van het Btw-Wetboek).

Anderzijds dient te worden nagegaan of de dienst gepaard gaat met aanvullende (economische) activiteiten die de eigenaar van het onroerend goed verricht ten behoeve van de huurder (eigenaar van de opgeslagen goederen). In dat geval vindt de dienst plaats daar waar de afnemer is gevestigd (B2B, artikel 21, § 2, van het Btw-Wetboek) of waar de dienstverrichter is gevestigd (B2C, artikel 21bis, § 1, van het Btw-Wetboek) (beslissing nr. E.T. 124.412 van 02.06.2014).

o Verhuur van reclamepanelen

Zelfs indien gebruik wordt gemaakt van uit hun aard onroerende goederen, vinden reclamediensten niet plaats daar waar het onroerend goed is gelegen.

Het administratief standpunt is hiermee volledig in overeenstemming. Zelfs indien de ter beschikking gestelde plaats voor het aanbrengen van affiches of reclamepanelen een uit zijn aard onroerend goed is, betreft het een reclamedienst die plaatsvindt daar waar de afnemer is gevestigd (B2B, artikel 21, § 2, van het Btw-Wetboek) of waar de dienstverrichter is gevestigd (B2C, artikel 21bis, § 1, en 21bis, § 2, 10°, b), van het Btw-Wetboek) (beslissing nr. E.T. 77.024 van 10.05.1999).

o De terbeschikkingstelling van standruimte op een beurs- of tentoonstelling

De loutere terbeschikkingstelling van standruimte op een beurs of tentoonstelling die niet gepaard gaat met een andere daarmee samenhangende dienst om de exposant in staat te stellen artikelen ten toon te stellen, is een dienst die verband houdt met een uit zijn aard onroerend goed.

Voorts is de administratie van mening dat de eenvoudige terbeschikkingstelling van een uit haar aard onroerende standplaats aan de inzenders van een beurs met, in bepaalde gevallen, daarmee nauw samenhangende handelingen (elektriciteit, water, verwarming, airconditioning, verlichting, reiniging) - zelfs indien deze handelingen afzonderlijk worden gefactureerd - een enige handeling vormt die plaatsvindt daar waar het gebouw (waar het evenement gebeurt) is gelegen (artikel 21, § 3, 1°, van het Btw-Wetboek in een B2B context en artikel 21bis, § 2, 1°, van het Btw-Wetboek in een B2C context) (aanschrijving nr. 15/1978 van 12.05.1978, randnummer 10).

Is daarentegen geen dienst die verband houdt met een uit zijn aard onroerend goed, de terbeschikkingstelling van standruimte op een beurs- of tentoonstellingsterrein tezamen met andere daarmee samenhangende diensten om de exposant in staat te stellen artikelen ten toon te stellen, zoals het ontwerp van de stand, het vervoer en de opslag van artikelen, de terbeschikkingstelling van machines, het leggen van kabels, verzekering en reclame.

De administratie behandelt deze globale dienst die bijdraagt tot het realiseren of ontwerpen van een stand ook niet als een dienst die verband houdt met een uit zijn aard onroerend goed. Op grond van het arrest Inter-Mark van het Hof van Justitie van de Europese Unie, zaak C-530/09, van 27.10.2011, punten 20 tot en met 33, dient de dienst te worden aangemerkt als:

* een reclamedienst (artikel 21, § 2, van het Btw-Wetboek in een B2B context of 21bis, § 2, 10°, b), of 21bis, § 1, van het Btw-Wetboek in een B2C context) of

* een dienst die verband houdt met een culturele of gelijkaardige activiteit (artikel 21, § 2, van het Btw-Wetboek in een B2B context of 21bis, § 2, 5°, b), van het Btw-Wetboek in een B2C context) of

* de verhuur van roerende goederen (artikel 21, § 2, van het Btw-Wetboek in een B2B context of 21bis, § 2, 10°, g), of 21bis, § 1, van het Btw-Wetboek in een B2C context) (zie Afdeling 3, titel 1, rubriek H, van dit Hoofdstuk).

• Diensten van tussenpersonen

De diensten van tussenpersonen betreffende de verkoop, de leasing of verhuur van uit hun aard onroerende goederen of de overdracht van bepaalde rechten op een uit zijn aard onroerend goed of onroerende zakelijke rechten (ongeacht of ze met lichamelijke goederen worden gelijkgesteld door artikel 9, tweede lid, 2° van het Btw-Wetboek), zelfs door een persoon die niet het beroep uitoefent van expert of vastgoedmakelaar en zelfs indien de hoofdhandeling uiteindelijk niet wordt gefinaliseerd.

Volgens de administratie vindt de dienst verricht door een tussenpersoon die niet handelt zoals bedoeld in artikel 13, § 2, van het Btw-Wetboek (een makelaar of lasthebber die niet beschouwd wordt als een commissionair) en die tussenkomt bij een dienst bedoeld in artikel 21, § 3, 1° van het Btw-Wetboek of artikel 21bis, § 2, 1° van het Btw-Wetboek of bij de vestiging of de overdracht van zakelijke rechten of rechten van genot op een uit zijn aard onroerend goed, eveneens plaats daar waar het onroerend goed gelegen is (circulaire AFZ nr. 19/2009 van 22.12.2009, randnummer 30, circulaire AOIF nr. 16/2010 (nr. E.T. 117.880) van 25.02.2010, randummers 19, 78 en 79 en circulaire AFZ nr. 05/2011 van 27.06.2011, randnummer 54, derde lid).

Een gelijkaardig geval vindt men in volgende situaties terug:

o een notaris komt als makelaar of lasthebber tussen bij de verkoop van een onroerend goed (schriftelijke parlementaire vraag nr. 5-5.133 van de heer Senator Bart Tommelein van 05.01.2012)

o een in Barcelona gevestigd bedrijf dat luxeproducten verhandelt, belast Hector, een in Brussel gevestigde vastgoedmakelaar, om een in Parijs gelegen gebouw te huren teneinde er zijn winkels in te installeren. Hector komt tussen bij het sluiten van de huurovereenkomst (genotsrecht) op een uit zijn aard onroerend goed dat in Frankrijk is gelegen. De plaats van de dienst van Hector is bijgevolg Frankrijk.

De diensten van makelaars en lasthebbers die bemiddelen bij het verstrekken van accommodatie in een hotelbedrijf of in een sector met een soortgelijke functie (zoals bijvoorbeeld vakantiekampen of kampeerterreinen) zijn uitgesloten indien de tussenpersoon in naam en voor rekening van een andere persoon handelt.

Volgens de administratie zijn de diensten van reisbureaus die tussenkomen bij het verstrekken van accommodatie in een hotelbedrijf of soortgelijke, geen diensten die verband houden met een onroerend goed. Ze vinden bijgevolg niet plaats daar waar het onroerend goed is gelegen.

De plaats van de dienst wordt bepaald volgens de regels die van toepassing zijn op tussenpersonen die niet handelen zoals bedoeld in artikel 13, § 2, van het Btw-Wetboek. In een B2B context vindt deze dienst dus plaats daar waar de afnemer is gevestigd (artikel 21, § 2, van het Btw-Wetboek). In een B2C context, daar waar de hoofdhandeling plaatsvindt (artikel 21bis, § 2, 12°, van het Btw-Wetboek) (circulaire AFZ nr. 05/2011 van 27.06.2011, randnummers 53 en 54, eerste en tweede lid).

• Het beheer van uit hun aard onroerende goederen

Het beheer van eigendom bestaande uit de exploitatie van handels-, industriële of residentiële gebouwen door de eigenaar of voor zijn rekening of nog voor rekening van de huurder is een dienst die verband houdt met een uit zijn aard onroerend goed. Het beheer van een portefeuille in vastgoedbeleggingen, dat als een financiële handeling wordt aangemerkt, is echter uitgesloten.

De bedoelde diensten beogen de coördinatie van het toezicht, de reiniging en het onderhoud van het goed, het innen van de huurgelden, het bijhouden van registers, het beheer van de betalingen van lopende uitgaven, de bekendmakingen betreffende het gebouw verzekeren, de clausules van de huurovereenkomsten te laten naleven en de contacten te organiseren om de conflicten tussen de eigenaar, de dienstverrichters en huurders te verminderen en te regelen.

De diensten inzake het beheer van onroerende goederen, met inbegrip van diegene verstrekt door syndici, waren reeds opgenomen in artikel 1, 9°, van het koninklijk besluit nr. 5 van 27.12.1977 met betrekking tot de diensten die verband houden met een uit zijn aard onroerend goed. Voornoemd koninklijk besluit werd op 01.01.2010 opgeheven aangezien zijn bepalingen in het Btw-Wetboek werden ingevoegd.

• Juridische diensten met betrekking tot een uit zijn aard onroerend goed

Zijn hier beoogd: de juridische diensten verstrekt door een belastingplichtige (advocaat, notaris of ander beroep) die een juridische wijziging van het goed teweegbrengen, ook als de onderliggende transactie niet plaatsvindt, zijnde de juridische diensten met betrekking tot:

o de overdracht van een eigendomsrecht op een onroerend goed (verdeling van een gebouw naar aanleiding van een echtscheiding)

o de vestiging of overdracht van bepaalde rechten op een onroerend goed (ongeacht of die met lichamelijke zaken gelijk worden gesteld) zoals het sluiten van een huurcontract of leasing

o de vestiging of overdracht van zakelijke rechten op een onroerend goed (ongeacht of die met lichamelijke zaken gelijk worden gesteld) zoals notariële werkzaamheden of met betrekking tot het opstellen van een koop- of verkoopovereenkomst voor een onroerend goed.

Worden uitgesloten: juridische diensten met betrekking tot andere overeenkomsten dan die hiervoor genoemd, met inbegrip van advies over de contractuele voorwaarden van een overeenkomst voor de overdracht van een onroerend goed, de uitvoering van een dergelijke overeenkomst of het aantonen van het bestaan ervan, wanneer die diensten niet specifiek zien op de overdracht van een eigendomsrecht op een onroerend goed. Bijvoorbeeld, de diensten die geen betrekking hebben op een huidige of potentiële handeling, die betrekking hebben op de contractuele voorwaarden of op geschillen met betrekking tot dat goed, met betrekking tot een insolvabiliteitsprocedure, adviesdiensten in het algemeen.

Vanaf de onderwerping van de diensten van notarissen (op 01.01.2012) en advocaten (op 01.01.2014) aan de btw, heeft de administratie rekening gehouden met de ligging van een onroerend goed bij de bepaling van de plaats van de dienst van een notaris of advocaat wanneer hij een akte of overeenkomst opstelt die uitsluitend betrekking heeft op de overdracht van een onroerend goed of de vestiging, overdracht of wederoverdracht van een zakelijk recht op een onroerend goed. Hetzelfde geldt voor de diensten van een curator die een onroerend goed te koop stelt (zie beslissing nr. E.T. 121.923 van 03.04.2012, schriftelijke parlementaire vraag nr. 5-5133 van de heer Senator Bart Tommelein van 05.01.2012 en circulaire AAFisc nr. 47/2013 (E.T. 124.411) van 20.11.2013, randnummer 52).

Voorbeeld

Indien een in Antwerpen gevestigde notaris of advocaat tussenkomt bij de redactie of verlijden van een akte of overeenkomst met betrekking tot een garage in België (ofwel een sale-and-lease-back overeenkomst) voor rekening van een Nederlands belastingplichtig bedrijf, vindt zijn dienst plaats daar waar het gebouw gelegen is, zijnde België (artikel 21, § 3, 1°, van het Btw-Wetboek).

Indien deze notaris of advocaat zich daarentegen beperkt tot het verstrekken van juridisch advies met betrekking tot de bepalingen van die akte of overeenkomst die niet specifiek zien op de overdracht van het recht beoogd door de akte of de overeenkomst (eigendom), wordt zijn dienst gelokaliseerd overeenkomstig de hoofdregel van de plaats van vestiging van de ontvanger van de dienst (artikel 21, § 2, van het Btw-Wetboek).

Voorts worden de onderstaande diensten, volgens de administratie, niet gelokaliseerd daar waar het onroerend goed gelegen is:

o financieel advies met betrekking tot transacties betreffende onroerende goederen (deze diensten hebben noch rechtstreeks betrekking op de overdracht van een eigendomsrecht op een onroerend goed, noch op de vestiging of overdracht van bepaalde rechten op een onroerend goed of van zakelijke rechten op een onroerend goed)

o de redactie van een overeenkomst inzake de overdracht van vastgoedaandelen (aandelen worden niet gevat door ‘bepaalde rechten’ op een onroerend goed)

o de redactie van een type-contract voor de verhuur of leasing van een onroerend goed (door het gebrek aan een rechtstreeks verband met een specifiek onroerend goed)

o de vereffening van een vennootschap met slechts één actiefbestanddeel, namelijk een onroerend goed, door een advocaat-rechtspersoon. De aard van de dienst bestaat immers in het vereffenen van een vennootschap en niet in de verkoop van het betreffende onroerend goed (beslissing nr. E.T. 126.564 van 18.07.2014, randnummer 58 en beslissing nr. E.T. 127.850 van 30.03.2016, randnummers 37 en 38).

Deze diensten vinden plaats daar waar de ontvanger de zetel van zijn economische activiteit heeft gevestigd (artikel 21, § 2, van het Btw-Wetboek), hetgeen in overeenstemming is met het Europese recht.

• Bewaking of toezicht van een uit zijn aard onroerend goed

Is beoogd, het verrichten van bewakings- en toezichtsdiensten ter plaatse.

Overeenkomstig het administratief standpunt is de bewaking van een gebouw een dienst die bijkomstig is aan de onroerende verhuur zodat deze dienst plaatsvindt daar waar het gebouw is gelegen (aanschrijving nr. 4/1973 van 12.01.1973, randnummer 97).

In diezelfde zin is de administratie van mening dat dergelijke bewakingsdiensten die afzonderlijk of autonoom worden verstrekt, plaatsvinden daar waar het gebouw is gelegen.

• Terbeschikkingstelling van werktuigen en personeel

Artikel 31ter van de uitvoeringsverordening (EU) nr. 282/2011, voornoemd, bepaalt het volgende: ‘Wanneer werktuigen ter beschikking van een afnemer worden gesteld met het oog op het verrichten van werkzaamheden aan een onroerend goed, is slechts sprake van een dienst met betrekking tot onroerend goed als de dienstverrichter de verantwoordelijkheid voor de uitvoering van de werkzaamheden draagt.

Een dienstverrichter die de afnemer voorziet van werktuigen, tezamen met voldoende bedienend personeel, met het oog op het verrichten van werkzaamheden, wordt geacht de verantwoordelijkheid voor de uitvoering van die werkzaamheden te dragen. Het vermoeden dat de

dienstverrichter de verantwoordelijkheid draagt voor de uitvoering van het werk, kan met alle relevante middelen in feite of in rechte worden weerlegd.’

De administratie neemt aan dat de terbeschikkingstelling, in het kader van een enige overeenkomst, van een werfmachine (kraan, bulldozer, graafmachine, transporteur voor bijzondere lasten, enzovoort), tezamen met personeel dat zorgt voor de bediening ervan, in principe voor het geheel wordt aangemerkt als een aannemingscontract bedoeld in artikel 18, § 1, tweede lid, 1°, van het Btw-Wetboek, voor zover de dienstverrichter effectief de verantwoordelijkheid voor de uitvoering van de werken draagt. Dit betekent dat de dienstverrichter verantwoordelijk is voor de schade bij de slechte uitvoering van de werken met een werftoestel, bijvoorbeeld wanneer een gebouw wordt beschadigd door een ongelukkig manoeuvre met een hijswerktuig voor materieel (schriftelijke parlementaire vraag nr. 248 van de heer Volksvertegenwoordiger Jean-Pierre de Clippele van 06.10.1992).

De terbeschikkingstelling van werktuigen tezamen met personeel om het te bedienen, met het oog op het verrichten van een werk op een uit zijn aard onroerend goed, is bijgevolg een dienst die verband houdt met een uit zijn aard onroerend goed, indien de dienstverrichter daadwerkelijk verantwoordelijk is voor de uitvoering van de werken.

Voorbeeld

Een Brussels verhuurbedrijf stelt gedurende twee weken een bulldozer met een werkman om het te bedienen, ter beschikking van in België gevestigde aannemers.

Deze aannemers gebruiken deze dienst in het kader van een aannemingscontract dat tot doel heeft nivelleringswerken uit te voeren op in Frankrijk gelegen terreinen.

Indien het verhuurbedrijf verantwoordelijk is voor de uitvoering van de werken, betreft het een dienst die verband houdt met een onroerend goed (terreinen), die in Frankrijk plaatsvindt, daar waar het goed gelegen is. Maar indien het vaststaat dat de dienstverrichter niet verantwoordelijk is voor de uitvoering van de werken zoals hierboven gepreciseerd, wordt de dienst geacht plaats te vinden waar de ontvanger de zetel van zijn economische activiteit heeft gevestigd (artikel 21, § 2, van het Btw-Wetboek).

d. Toelichting

De diensten van de Europese Commissie hebben een toelichting gepubliceerd, die juridisch niet bindend is, om de toepassing van de bepalingen van de uitvoeringsverordening (EU) nr. 282/2011, met betrekking tot de plaats van diensten die verband houden met een onroerend goed, te verduidelijken. De Engelse versie van deze toelichting is beschikbaar op de website van de Europese Commissie, op het adres:

https://taxation-customs.ec.europa.eu/system/files/2016-09/explanatory_notes_new_en.pdf

De toelichting, die voor de interpretatie en de praktische toepassing van de regel van de plaatsbepaling met betrekking tot diensten die verband houden met een onroerend goed is uitgewerkt in samenwerking met de verschillende lidstaten, wordt als een richtsnoer aangemerkt voor zover ze niet afwijkt van de huidige administratieve doctrine.

Zo worden de juridische diensten met betrekking tot verhuurcontracten of leasecontracten die een rechtstreeks verband hebben met een specifiek uit zijn aard onroerend goed, in principe aangemerkt als diensten die verband houden met een dergelijk goed.

Maar in het algemeen komt de administratieve praktijk overeen met de voorschriften die in de toelichting zijn opgenomen, zoals uit bovengenoemde administratieve commentaren blijkt.

Zodoende, in geval van twijfel bij de blijvende installatie van een machine in een gebouw, dient het onroerende karakter van deze machine geval per geval te worden beoordeeld, rekening houdend met de specifieke elementen eigen aan ieder geval.

B. Personenvervoerdiensten

a. Criteria voor de plaatsbepaling

Personenvervoerdiensten worden geacht plaats te vinden op de plaats waar het vervoer wordt verricht, dit in verhouding tot de afgelegde afstanden (artikelen 21, § 3, 2° en 21bis, § 2, 2°, van het Btw-Wetboek ter omzetting van artikel 48 van de richtlijn 2006/112/EG, voornoemd).

Voor het internationale vervoer moet het gedeelte van het vervoer dat, in principe, aan de belasting is onderworpen, worden bepaald rekening houdend met de in het land afgelegde afstand ten opzichte van het totale internationale traject. Andere elementen, zoals de duur van het vervoer, zijn geen significante elementen (Hof van Justitie van de Europese Unie, Arrest Reiseburo Binder GmbH, zaak C-116/96, van 06.11.1997, punten 12 tot en met 17).

b. Voorwerp en aard van de overeenkomst

Het personenvervoer is een dienst die zijn oorsprong vindt in een vervoersovereenkomst beoogd door artikel 18, § 1, tweede lid, 1°, van het Btw-Wetboek (zie Afdeling 3, titel 1, rubriek F, van dit Hoofdstuk) en dit ongeacht of het een nationaal, intracommunautair of extracommunautair vervoer betreft.

c. Voorbeeld

Een luchthavenpendeldienst verricht het traject van Kortrijk naar de luchthaven van Lille (Frankrijk). De minibus vervoert een arts in het kader van zijn beroep en een koppel gepensioneerden die op vakantie vertrekken.

Het vervoer van personen vindt plaats in België naar verhouding van er de afgelegde afstand, ongeacht of de klant een als zodanig handelende belastingplichtige is (artikel 21, § 3, 2°, van het Btw-Wetboek) of een niet-belastingplichtige (artikel 21bis, § 2, 2°, van het Btw-Wetboek). De vestigingsplaats of de woonplaats/ gebruikelijke verblijfplaats van de vervoerder en van zijn klanten zijn niet van belang.

Om te vermijden dat touringcaroperators zich in de verschillende bezochte landen voor btw-doeleinden moeten laten identificeren, bestaan er vereenvoudigde stelsels voor de betaling van de btw (zie beslissing nr. E.T. 122.611 van 20.02.2014 voor de bijzondere regeling inzake bezoldigd personenvervoer door niet in België gevestigde belastingplichtigen en de toelichting voor het invullen van de specifieke btw-aangifte inzake bezoldigd personenvervoer (2014)).

d. Vrijstellingen

• Met recht op aftrek

Het zeevervoer en internationale luchtvervoer van personen en goederen zijn, voor zover ze in België plaatsvinden, van de btw vrijgesteld door artikel 41, § 1, eerste lid, 1°, van het Btw-Wetboek (circulaire AFZ nr. 19/2009 van 22.12.2009, randnummer 31).

• Zonder recht op aftrek

Zijn onder bepaalde voorwaarden in België vrijgesteld van de belasting:

o het vervoer van zieken of gewonden met speciaal daartoe uitgeruste vervoermiddelen (artikel 44, § 2, 1°, b), van het Btw-Wetboek)

o het vervoer van personen met verminderde mobiliteit (zieken, gewonden, mindervaliden) door instellingen die door de bevoegde overheid als instellingen van sociale aard erkend worden (artikel 44, § 2, 2°, van het Btw-Wetboek en circulaire AAFisc 2020/C/66 van 11.05.2020 betreffende het vrijgesteld vervoer van bepaalde categorieën van personen (nr. E.T.129.928/2, nummer 2, B).

e. Toepassingsgeval

Een speciaal tot ziekenwagen uitgerust vervoermiddel vervoert een zieke van Lille (Frankrijk) naar Kortrijk.

Het personenvervoer vindt plaats:

• in Frankrijk, naar verhouding van de er afgelegde kilometers

• in België, naar verhouding van de er afgelegde kilometers. Deze in België belastbare handeling is van de btw vrijgesteld op grond van artikel 44, § 2, 1°, b), van het Btw-Wetboek (zie circulaire 2020/C/66 van 11.05.2020 betreffende het vrijgesteld vervoer van bepaalde categorieën van personen (nr. E.T. 129.928/2), nummer 2, A.

Het is van belang eerst na te gaan of de handeling in België plaatsvindt, alvorens een btw-vrijstelling in overweging te nemen.

C. Het verlenen van toegang tot culturele, artistieke, sportieve, wetenschappelijke, onderwijs-, amusements- of soortgelijke evenementen

a. Regel voor de plaatsbepaling

Wanneer de dienst bestaat in ‘het verlenen van toegang tot culturele, artistieke, sportieve, wetenschappelijke, educatieve, vermakelijkheids- of soortgelijke evenementen, zoals beurzen en tentoonstellingen, en met de toegangsverlening samenhangende diensten’, vindt deze plaats daar waar het evenement daadwerkelijk plaatsvindt (artikel 21, § 3, 3°, van het Btw-Wetboek in een B2B-context en artikel 21bis, § 2, 5°, a), van het Btw-Wetboek in een B2C-context ter omzetting van artikel 53 van de richtlijn 2006/112/EG, voornoemd).

b. Beoogde diensten

De diensten die bedoeld zijn in deze wettelijke bepalingen, zijn enkel de diensten waarvan het essentiële kenmerk bestaat in het verlenen van een recht van toegang tot een evenement en de met de toegangsverlening samenhangende diensten, in ruil voor een inkomticket of tegen betaling, inclusief de betaling in de vorm van een abonnement of periodieke bijdrage.

Is zodoende beoogd, de toekenning van het recht op toegang tot en het bijwonen van:

• een cultureel, artistiek of amusementsevenement (shows, concerten, schouwburgvoorstellingen, circusvoorstellingen, tentoonstellingen, beurzen en dergelijke evenementen) die in theaters, circussen, handelsbeurzen, bioscopen, amusementsparken, enzovoort, plaatsvinden

• sportevenementen, zoals wedstrijden of competities

• evenementen op het gebied van onderwijs en wetenschappen (congressen, conferenties, seminaries en de samenhangende workshops) die face-to-face plaatsvinden of virtueel indien er sprake is van interactiviteit (zoniet, dan is er sprake van een elektronische dienst) (artikel 32, lid 1 en lid 2, van de uitvoeringsverordening (EU) nr. 282/2011, voornoemd).

De toekenning van het recht op toegang tot dergelijke evenementen moet, in ieder geval, worden belast op de plaats waar het evenement daadwerkelijk plaatsvindt. Deze bepaling is bijgevolg ook van toepassing wanneer de toegangsbewijzen voor dergelijke evenementen niet rechtstreeks door de organisator worden verstrekt maar door tussenpersonen (artikel 33bis van de uitvoeringsverordening (EU) nr. 282/2011).

De duur van he abonnement hoeft niet noodzakelijk een jaar te zijn zoals bijvoorbeeld bij een "pass" die vrije toegang geeft tot filmvoorstellingen.

Worden eveneens bedoeld:

• een ‘pass’ van drie dagen voor een festival of om een seizoensabonnement voor een voetbalkampioenschap, enzovoort

• het vast bedrag dat ‘à la carte’ toegang verleent tot een bepaald aantal evenementen (toneelstukken, enzovoort).

Het feit dat een voorafgaande inschrijving van de deelnemer is vereist, dat het toegangsgeld tot een evenement van tevoren werd betaald of dat het ticket al dan niet langs elektronische weg werd aangekocht, speelt ter zake geen enkele rol (zie circulaire AAFisc Nr. 50/2013 van 29.11.2013 (nr. E.T.124.537), nummer 43).

Er wordt aangestipt dat een evenement, in de zin van hetgeen voorafgaat, zich onderscheidt door het feit dat de organisatie eerder is gebonden aan een specifieke manifestatie of eerder occasioneel van aard is. Aan het begrip ‘evenement’ moet een beperktere draagwijdte worden gegeven dan aan het begrip ‘activiteit’ dat wordt gekenmerkt door een zekere continuïteit of door een herhaling in de tijd (memorie van toelichting met betrekking tot de wet van 26.11.2009 tot wijziging van het Btw-Wetboek, Kamer, Doc 52/2157/001, pagina 11, circulaire AFZ nr. 19/2009 van 22.12.2009, randnummers 32 tot en met 39, zoals gewijzigd door de circulaire nr. 1/2011 van 25.01.2011, randnummer 6 en door de circulaire AFZ nr. 5/2011 van 27.06.2011, randnummer 55).

c. Educatieve evenementen (conferenties, seminaries, vorming…)

• B2B context

Uit artikel 32, lid 2, onder c), van de uitvoeringsverordening (EU) nr. 282/2011, voornoemd volgt dat de in voornoemd artikel 21, § 3, 3°, van het Btw-Wetboek bedoelde diensten die bestaan in het verlenen van toegang tot evenementen op het gebied van onderwijs en wetenschappen, zoals conferenties en seminars, diensten omvatten die in essentie erin bestaan dat in ruil voor een biljet of tegen betaling toegang tot een evenement wordt verleend.

Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft het standpunt ingenomen dat een dienst bestaande in het 'verlenen van toegang tot educatieve evenementen' zich uitstrekt tot een dienst die bestaat in het volgen van een cursus van vijf dagen over accountancy die enkel wordt verzorgd voor belastingplichtigen en waarvoor vereist is dat zowel registratie als betaling op voorhand plaatsvindt (Hof van Justitie van de Europese Unie, Arrest Skatteverket tegen SRF Konsulterna AB, zaak C-647/17, van 19.03.2019, punt 36).

De opinie van de advocaat-generaal in deze zaak luidt terzake : 'De duur van de dienst moet het normaliter mogelijk maken om educatieve evenementen te onderscheiden van andere educatieve activiteiten. Een conferentie of seminar duurt doorgaans enkele uren tot enkele dagen, terwijl een universiteitscursus over het algemeen een aanzienlijk langere periode bestrijkt (bijvoorbeeld drie weken, een maand, een semester, een academisch jaar). Mijns inziens zal het eerste over het algemeen onder artikel 53 (van de richtlijn 2006/112/EG, voornoemd) vallen, terwijl dat voor het laatste niet het geval is.'.

Derhalve werd nummer 45 van de circulaire AAFisc nr. 50/2013 van 29.11.2013 (nr. E.T. 124.537) vervangen als volgt.

Rekening houdend met arrest C-647/17 van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 13.03.2019, in de zaak Skatteverket tegen SRF Konsulterna AB, neemt de administratie aan dat de duur niet meer kan worden beschouwd als het enige doorslaggevend criterium om een evenement te definiëren in de zin van artikel 21, § 3, 3°, van het Btw-Wetboek.

Men moet eveneens andere criteria in aanmerking nemen, zoals het feit dat de educatieve activiteiten op voorhand zijn gepland, op een specifieke plaats plaatsvinden en betrekking hebben op een vooraf omschreven onderwerp (zie parlementaire vraag nr. 195 van de heer volksvertegenwoordiger Benoît Piedboeuf van 06.02.2020).

Ten aanzien van de educatieve evenementen die materieel plaatsvinden in België zal de administratie voor wat het criterium van de duur betreft, uitgaan van de toepassing van artikel 21, § 3, 3°, van het Btw-Wetboek wanneer deze niet hoger is dan zeven kalenderdagen. Wanneer de duur van de educatieve activiteit deze periode van zeven dagen overschrijdt zal de administratie per individueel dossier een beslissing nemen nopens de toepassing van deze bepaling waarbij rekening zal gehouden worden met het geheel van feitelijke omstandigheden, daaronder begrepen de duurtijd, de inhoud en de plaats waar de educatieve activiteit plaatsvindt.

Ten aanzien van educatieve evenementen waarbij tevens minstens één andere lidstaat betrokken is, wordt de aandacht op het navolgende gevestigd.

• Educatieve evenementen die uitsluitend in een andere lidstaat plaatsvinden: overeenkomstig de richtsnoeren van het 114e btw-comité dient bij de beoordeling van dergelijke situatie ook steeds rekening te worden gehouden met het geheel van feitelijke omstandigheden, daaronder begrepen de duurtijd, de inhoud en de plaats waar de educatieve activiteit plaatsvindt.

Indien een Belgische belastingplichtige deelneemt aan een educatief evenement dat uitsluitend in een andere lidstaat plaatsvindt, behoort het aanvankelijk tot de bevoegdheden van de fiscale autoriteiten van de andere lidstaat alwaar voornoemd educatief evenement daadwerkelijk plaatsvindt om zich uit te spreken nopens de toepasbaarheid van artikel 53 van voornoemde richtlijn 2006/112/EG.

Indien er evenwel ingevolge een verschillende interpretatie van de plaatsbepalingsregels een situatie van dubbele heffing zou ontstaan, zal de administratie per individueel dossier een beslissing nemen, eventueel na overleg met de bevoegde autoriteiten van die lidstaat.

• Educatieve evenementen die materieel in verschillende lidstaten plaatsvinden: het behoort aanvankelijk tot de bevoegdheden van de fiscale autoriteiten van elke betrokken lidstaat alwaar voornoemd educatief evenement daadwerkelijk plaatsvindt om zich uit te spreken nopens de toepasbaarheid van artikel 53 van voornoemde richtlijn 2006/112/EG en dit voor wat de educatieve evenementen betreft die daadwerkelijk op haar eigen grondgebied plaatsvinden.

Uit de richtsnoeren van het 114e btw-comité volgt dat wanneer eenzelfde educatief evenement in verschillende lidstaten plaatsvindt, de dienst, voor wat de toepassing van de bepalingen van artikel 53 van voornoemde richtlijn 2006/112/EG betreft, in de regel dient te worden beschouwd als zijnde verricht in elk van de betrokken lidstaten en dit in verhouding tot de duurtijd van dat evenement in elk van die lidstaten.

Een educatief evenement vindt bijvoorbeeld doorgang van 10.12.2021 tot en met 14.12.2021. Van 10.12.2021 tot en met 12.12.2021 gaat het door in Brussel en van 13.12.2021 tot en met 14.12.2021 in Parijs. Het educatief evenement, wordt voor wat de periode van 10.12.2021 tot en met 12.12.2021 overeenkomstig de bepalingen van artikel 53 van voornoemde richtlijn 2006/112/EG geacht in België plaats te vinden. Mutatis mutandis wordt het evenement geacht in Frankrijk plaats te vinden voor wat de periode van 13.12.2021 tot en met 14.12.2021 betreft.

Overgangsmaatregel

Arresten van het Hof van Justitie hebben in de regel uitwerking voor het verleden. Bijgevolg kan de administratie geen kritiek uiten indien belastingplichtigen het arrest C-647/17 van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 13.03.2019 reeds hebben toegepast, in weerwil van de vroegere interpretatie van de draagwijdte van artikel 21, § 3, 3°, van het Btw-Wetboek door de Belgische administratie.

Anderzijds kunnen belastingplichtigen die tot op heden het oude standpunt van de administratie hebben gevolgd, moeilijkheden ondervinden (bijvoorbeeld inzake prijszetting, communicatie, facturatie en boekhouding) om kwestieus arrest vanaf 26.02.2021, datum van publicatie van de nieuwe circulaire terzake. De belastingplichtigen kunnen dus het nummer 45 van de circulaire nr. 50/2013 van 29.11.2013, voormeld, blijven toepassen tot en met 30.06.2021 of tot de datum bepaald middels een individuele beslissing (zie circulaire 2021/C/19 van 26.02.2021 betreffende de plaatsbepaling van diensten inzake onderwijs (nr. E.T. 135.628)).

Wordt trouwens eveneens bedoeld, het verlenen van een recht van toegang tot een online conferentie door een organisator die deze filmt en live uitzendt op internet voor de deelnemers die over een toegangscode beschikken. Deze klanten hebben de mogelijkheid om interactie te voeren met de spreker en kunnen zodoende invloed uitoefenen op de inhoud van de conferentie.

In dit opzicht, volgens het Hof van Justitie van de Europese Unie, dient een dergelijke prestatie te worden beschouwd als zijnde ‘materieel verricht’ op de plaats vanwaar zij werd verleend door de genoemde dienstverrichter.

Dit is de plaats van waaruit de dienstverlener de conferentie organiseert en zijn klanten de mogelijkheid biedt om deze via het internet te bekijken (bijvoorbeeld op hun woonplaats). Het is niet van belang of de dienst al dan niet in de fysieke aanwezigheid van de ontvangers wordt verleend en of deze de dienst vanaf één bepaalde plaats ontvangen (Hof van Justitie van de Europese Unie, Arrest L.W.G., zaak C-568/174, van 08.05.2019, punt 53).

De toekenning van het recht op toegang tot een interactief virtueel seminarie, congres of conferentie door een in België gevestigde organisator aan een als zodanig handelende belastingplichtige, bijvoorbeeld, wordt geacht plaats te vinden waar de manifestatie zich afspeelt, in België dus, indien de manifestatie niet langer dan zeven dagen duurt.

• B2C context

In een B2C context, wordt het verlenen van toegang tot een educatief evenement (seminarie, conferentie, congres) geacht plaats te vinden op de plaats waar dit evenement daadwerkelijk plaatsvindt, ongeacht de duur of inhoud ervan (artikel 21bis, § 2, 5°, a), van het Btw-Wetboek). Dit is het geval met de toekenning van het recht op toegang tot een conferentie, een interactieve virtuele vorming door een in België gevestigde organisator aan niet belastingplichtige natuurlijke personen, die geacht wordt in België plaats te vinden.

d. Uitgesloten diensten

Worden, onder andere, niet aangemerkt als het verlenen van toegang tot een evenement:

• het ontwerpen van een stand, zijn uitwerking, tijdelijke terbeschikkingstelling en, in voorkomend geval, vervoer en montage, door de organisator, voor een bepaalde beurs of expositie in verband met een cultureel of soortgelijk thema’s of wanneer de stand beantwoordt aan een model waarvan de organisator van een bepaalde beurs of expositie de vorm, afmetingen, materiële opbouw of het visuele aspect vastgelegd heeft (Hof van Justitie van de Europese Unie, arrest Inter-Mark, zaak C-530/09, van 27.10.2011, punt 33, zie Afdeling 3, titel 1, rubriek H, van dit Hoofdstuk)

• het recht gebruik te maken van accommodaties, zoals gymnastiekzalen of dergelijke (fitnesszalen…), tegen betaling van een bijdrage (artikel 32, lid 3, van de uitvoeringsverordening (EU) nr. 282/2011, voornoemd en de schriftelijke parlementaire vraag nr. 520 van de heer Volksvertegenwoordiger Christian Brotcorne van 15.06.2009)

• de zogenaamde interne of in-house opleidingen en bij analogie, deze gegeven in de lokalen van de klanten, in de context waarvan er geen sprake is van een handeling bestaande uit het verlenen van een recht op toegang, zoals uiteengezet in de subrubrieken b en c, van deze rubriek (beslissing nr. E.T. 125.506 van 22.06.2015)

• de deelname aan een cursus bloemschikken

• de complexe maar globale dienst inzake management die verstrekt wordt door de organisator van een conferentie en bestaat uit de verhuur van de conferentieruimte, van technische uitrusting, vervoer, logies van de deelnemers, cateringdiensten, fotokopieën, amusementsactiviteiten, enzovoort. Deze complexe dienst wordt aangemerkt als bijkomstig bij een onderwijsactiviteit.

De plaats van de voornoemde diensten wordt in feite bepaald overeenkomstig volgende onderscheiden regels.

• In een B2B-context, daar waar de ontvanger van de dienst de zetel van zijn economische activiteit heeft gevestigd (artikel 21, § 2, van het Btw-Wetboek). Deze diensten moeten dus het voorwerp uitmaken van een verlegging van heffing, zoals beoogd door artikel 51, § 2, 1°, van het Btw-Wetboek, wanneer de dienstverrichter niet in de lidstaat van de effectieve belastingheffing is gevestigd of wanneer hij er over een vaste inrichting beschikt die niet bij de handeling tussenkomt

• In een B2C-context, daar waar de activiteit materieel plaatsvindt. Dit is dezelfde regel als voor het verlenen van toegang tot een evenement maar bij toepassing van een andere bepaling, zijnde artikel 21bis, § 2, 5°, b), van het Btw-Wetboek (zie titel 4, rubriek C, van deze Afdeling).

e. Samenhangende diensten

Bedoelde samenhangende diensten bevatten ook de diensten die rechtstreeks met het verlenen van toegang tot de betrokken manifestatie samenhangen en die afzonderlijk worden verstrekt aan de deelnemer tegen een afzonderlijke vergoeding.

‘Die samenhangende diensten omvatten met name het gebruik van vestiaires of sanitaire voorzieningen maar niet de loutere diensten van tussenpersonen met betrekking tot de verkoop van toegangsbiljetten’ (artikel 33, § 2 van de uitvoeringsverordening (EU) nr. 282/2011, voornoemd, circulaire AFZ nr. 19/2009, van 22.12.2009, randnummer 40, zoals gewijzigd door de circulaire AFZ nr. 5/2011 van 27.06.2011, randnummer 56).

Worden, onder andere, ook als dergelijke samenhangende diensten aangemerkt: het vervoer van de deelnemers naar de plaats van de studiedag of conferentie van hoogstens één dag, evenals de lunch en de fotokopieën van documenten (cursus, hand-outs…) die aan de deelnemers worden verstrekt.

Een dienst moet als bijkomend bij een hoofddienst worden aangemerkt, als hij voor de klanten geen doel op zich is, doch een middel om de hoofddienst zo aantrekkelijk mogelijk te maken.

Het gaat om diensten die, objectief gezien en los van de persoon die ze verstrekt, met het verlenen van toegang samenhangen, maar die dermate nauw met de toegangsverlening verbonden zijn dat het cliënteel er geen beroep op zou kunnen doen als er geen evenement zou plaatsvinden.

Deze samenhangende diensten, die onderscheiden moeten worden van de diensten die verbonden zijn met het evenement zelf, bieden met andere woorden de mogelijkheid om in de beste omstandigheden te kunnen genieten van de hoofddienst. Bijgevolg vallen zij onder dezelfde fiscale regeling als de hoofddienst.

f. Diensten van tussenpersonen

De plaats van de diensten van tussenpersonen - die niet handelen als commissionair in de zin van artikel 13, § 2, van het Btw-Wetboek - bij de verkoop van tickets, wordt bepaald overeenkomstig de regels die eigen zijn aan tussenpersonen. In een B2B-context is dit de plaats van vestiging van de belastingplichtige ontvanger. In een B2C-context, is het daar waar de hoofdhandeling (dus het evenement) plaatsvindt (zie titel 4, rubriek I, van deze Afdeling).

g. Voorbeelden

De artikelen 21, § 3, 3°, en 21bis, § 2, 5°, a), van het Btw-Wetboek zijn, in respectievelijk een B2B en B2C-context, van toepassing in onderstaande gevallen.

• Een voetbalwedstrijd in Brugge. De prijs van een toegangsticket omvat de Belgische btw, ongeacht of de koper een belastingplichtige in de zin van artikel 21, § 1, van het Btw-Wetboek is.

• In het kader van haar public-relations, schenkt een Nederlands belastingplichtig bedrijf een toegangsticket voor een concert te Antwerpen aan haar klanten. De prijs van het ticket omvat de Belgische btw, ongeacht of het ticket aan een loket of online werd gekocht (zie ook subrubriek h, van deze rubriek).

• Een in België gevestigde accountant neemt deel aan een studiedag met betrekking tot de Europese fiscale actualiteit. Die studiedag wordt in Brussel georganiseerd door een Luxemburgse accountantskantoor met vaste inrichting in België. Het recht op toegang tot dit evenement vindt plaats in België, ongeacht of de deelnemer een cijferberoep uitoefent of een rentenier is en ongeacht of de vaste inrichting van de dienstverrichter tussenkomt bij het verlenen van deze dienst.

h. Vrijstellingen

De volgende diensten kunnen, onder andere, van de btw vrijgesteld zijn in België, mits naleving van bepaalde voorwaarden:

• het school- of universitair onderwijs, waaronder onderwijs aan kinderen en jongeren, en de beroepsopleiding of -herscholing, met inbegrip van het verrichten van nauw hiermee samenhangende diensten en leveringen van goederen (zie artikel 44, § 2, 4°, a), van het Btw-Wetboek)

• de organisatie van toneel-, ballet- of filmvoorstellingen, van tentoonstellingen, concerten of conferenties (zie artikel 44, § 2, 9°, van het Btw-Wetboek)

• de diensten aan de bezoekers door de exploitant van musea, monumenten, natuurmonumenten, plantentuinen en dierentuinen (zie artikel 44, § 2, 7°, van het Btw-Wetboek).

D. Restaurant- en cateringdiensten

a. Regel voor de plaatsbepaling

Restaurant- en cateringdiensten vinden plaats daar waar de dienst materieel wordt verricht, met uitzondering van die welke materieel worden verricht aan boord van een schip, vliegtuig of trein tijdens het in de Gemeenschap verrichte gedeelte van een passagiersvervoer (artikelen 21, § 3, 4° (B2B-context) en 21bis, § 2, 6°, a, (B2C-context) van het Btw-Wetboek, ter omzetting van artikel 55 van de richtlijn 2006/112/EG, voornoemd). Voornoemde uitzondering wordt besproken onder rubriek F, van deze titel.

Voor het onderscheid tussen een restaurantdienst, een cateringdienst of een levering van goederen in de zin van artikel 10 van het Btw-Wetboek, wordt verwezen naar Afdeling 3, titel 3, van dit Hoofdstuk (artikel 6 van de uitvoeringsverordening (EU) nr. 282/2011, voornoemd).

b. Voorbeelden

• Personen die in een restaurant in Kortrijk gaan eten zullen de Belgische btw betalen, ongeacht of het een zakelijk diner of een familiefeestje betreft.

• Een belastingplichtige verstrekt, te Brussel, een cateringdienst gedurende een vergadering van de raad van bestuur van een vennootschap. De cateraar verschaft spijzen en dranken die hij bereidt en aan de gasten opdient. Op deze dienst moet hij de Belgische btw toepassen, ongeacht de plaats waar hij is gevestigd.

E. Verhuur op korte termijn van een vervoermiddel

a. Regel voor de plaatsbepaling

De dienst bestaande uit de verhuur op korte termijn van een vervoermiddel wordt geacht plaats te vinden daar waar het vervoermiddel daadwerkelijk ter beschikking van de ontvanger wordt gesteld (artikelen 21, § 3, 5°, eerste lid (in een B2B-context) en 21bis, § 2, 7°, eerste lid, (in een B2C-context) van het Btw-Wetboek, ter omzetting van artikel 56, lid 1, van de richtlijn 2006/112/EG, voornoemd).

b. Daadwerkelijke terbeschikkingstelling

Dergelijke verhuur op korte termijn van een vervoermiddel wordt geacht plaats te vinden op de plaats waar het vervoermiddel daadwerkelijk ter beschikking van de huurder wordt gesteld, met andere woorden de plaats waar hij er lijfelijk bezit van neemt, ongeacht overigens of hij al dan niet de hoedanigheid van belastingplichtige in de zin van artikel 21, § 1, van het Btw-Wetboek heeft.

De loutere juridische inbezitneming (ondertekening van het contract, overhandiging van de sleutels) is ter zake op zich (wegens zijn aard) onvoldoende (artikel 40 van de uitvoeringsverordening (EU) nr. 282/2011, voornoemd, circulaire AFZ nr. 19/2009 van 22.12.2009, randnummer 54, zoals gewijzigd door de circulaire AFZ nr. 5/2011 van 27.06.2011, randnummer 66).

Voorbeeld

Een Amerikaan, op vakantie of zakenreis, komt aan in de luchthaven van Zaventem. Hij huurt een auto gedurende twee weken en neemt deze daadwerkelijk in bezit op de luchthaven. De verhuur is aan de Belgische btw onderworpen, ongeacht waar het vervoermiddel wordt gebruikt.

c. Begrip ‘vervoermiddel’

Volgens artikel 38 van de uitvoeringsverordening (EU) nr. 282/2011 van de Raad van 15.03.2011 wordt onder ‘vervoermiddel’ verstaan: ‘voertuigen, al dan niet gemotoriseerd, alsook ander materieel en andere toestellen bestemd voor het vervoer van personen of zaken van de ene naar een andere plaats, die door voertuigen kunnen worden getrokken, gesleept of geduwd en die gewoonlijk voor vervoer zijn ontworpen en daarvoor feitelijk kunnen worden gebruikt’. (zie circulaire AFZ nr.19/2009 van 22.12.2009, randnummer 55).

Worden, onder andere, als vervoermiddelen beschouwd, in de mate dat ze aan voornoemde definitie beantwoorden:

• al dan niet gemotoriseerde landvoertuigen, zoals auto’s, motorfietsen, twee- en driewielers, en caravans

• aanhangwagens en opleggers

• treinwagons

• vaartuigen, al dan niet gemotoriseerd

Gelet op de ruime interpretatie van het begrip ‘vervoermiddel’ zijn zeegaande zeiljachten, bestemd voor het vervoer van personen of goederen, ook wanneer zij door de huurders voor sportbeoefening worden gebruikt, als vervoermiddelen te beschouwen (Hof van Justitie van de Europese Unie, Arrest K. Hamann, zaak C-51/88, van 15.03.1989).

• luchtvaartuigen, al dan niet gemotoriseerd

• voertuigen speciaal ontworpen voor het vervoer van zieken of gewonden

• landbouwtrekkers en andere landbouwvoertuigen

• militaire voertuigen, andere dan gevechtsvoertuigen, en de bewakingsvoertuigen of voertuigen voor passieve defensie

• mechanisch of elektronisch aangedreven invalidenwagens.

Het gaat om dezelfde voertuigen als die bedoeld in artikel 8bis, § 2, eerste lid, 1°, van het Btw-Wetboek, met dit verschil dat de landvoertuigen bovendien moeten uitgerust zijn met een motor met cilinderinhoud van meer dan 48 cc of met een vermogen van meer dan 7,2 kilowatt.

Worden niet als vervoermiddelen aangemerkt:

• voertuigen die bestemd zijn voor stationair gebruik (machines op bouwwerven zoals kranen, bulldozers, graafmachines of transportbanden voor zware lasten), kranen die aan vaartuigen of boten zijn bevestigd) (schriftelijke parlementaire vraag nr. 248 van de heer Volksvertegenwoordiger Jean-Pierre de Clippele van 06.10.1992)

• containers (beslissing nr. E.T. 95.212 van 01.12.1999)

• dekzeilen, takelwerk of dergelijke toestellen (schriftelijke parlementaire vraag nr. 158 van de heer Volksvertegenwoordiger Jean-Pierre de Clippele van 20.03.1991)

• de landvoertuigen die specifiek bestemd zijn voor sportwedstrijden (bijvoorbeeld de formule 1-wagens), indien zij uit hun aard niet bestemd zijn voor het vervoer van personen of goederen en enkel op een gesloten circuit mogen rijden, hetgeen strikt moet worden toegepast. Ze worden niet toegelaten op de openbare weg en kunnen niet worden ingeschreven bij de DIV.

d. Duur van de verhuur

Overeenkomstig artikelen 21, § 3, 5°, tweede lid en 21bis, § 2, 7°, tweede lid, van het Btw-Wetboek ter omzetting van artikel 56, lid 3, van de richtlijn 2006/112/EG, voornoemd ‘wordt onder ‘kortdurende verhuur’ verstaan het ononderbroken bezit of gebruik van het vervoermiddel gedurende een periode van ten hoogste dertig dagen en voor schepen ten hoogste negentig dagen’.

De duur van het ononderbroken bezit of gebruik van een verhuurd vervoermiddel wordt bepaald op basis van het contract tussen de betrokken partijen.

Het contract vormt een vermoeden dat met alle middelen in feite of in rechte kan worden weerlegd om de werkelijke duur van het ononderbroken bezit of gebruik vast te stellen. Er dient te worden nagegaan of het bedoelde vervoermiddel in feite ter beschikking blijft van de huurder gedurende een ononderbroken periode.

Het als gevolg van overmacht (omstandigheden buiten de wil van de partijen) overschrijden van de contractuele termijn van 30 of 90 dagen met een aantal dagen heeft geen gevolgen voor het bepalen van de duur van het ononderbroken bezit of gebruik van het vervoermiddel (artikel 39, lid 1, van de uitvoeringsverordening (EU) nr. 282/2011, voornoemd, circulaire AFZ nr. 19/2009 van 22.12.2009, randnummer 56, zoals gewijzigd door de circulaire AFZ nr. 5/2011 van 27.06.2011, randnummer 62).

e. Opeenvolgende contracten

Het verhuurcontract met betrekking tot een vervoermiddel en de verlengingen daarvan dienen te worden aangemerkt als opeenvolgende contracten.

Het essentiële element dat hierbij in aanmerking moet worden genomen is het feitelijke ononderbroken bezit gedurende een bepaalde periode, los van de juridische modaliteiten of aanpassingen in de betrokken huurcontracten.

Als twee (of meerdere) contracten met betrekking tot hetzelfde vervoermiddel (met andere woorden betreffende het gebruik van hetzelfde voertuig) elkaar opvolgen zonder of met een zeer korte onderbreking, zal de duur van het eerste contract (of van de eerste contracten) mee in rekening worden gebracht om te bepalen of het (de) daaropvolgende contract(en) op korte termijn zijn of niet.

De status van een huurcontract op korte termijn dat voorafgaat aan een contract dat, gelet op de voorafgaande contract(en), als een contract op lange termijn wordt aangemerkt, zal, voor zover er geen enkele aanwijzing van misbruik is, niet retroactief ter discussie worden gesteld.

Voorbeeld

Een huurder, ongeacht of het een belastingplichtige in de zin van artikel 21, § 1, van het Btw-Wetboek betreft of niet, sluit drie opeenvolgende contracten voor de huur van een autovoertuig.

Het eerste contract heeft betrekking op een periode van 12 dagen en betreft dus een gebruik op korte termijn.

Het volgende contract wordt gesloten voor 15 dagen. Het tweede contract wordt dus nog steeds aangemerkt als een verhuur op korte termijn (12 dagen + 15 dagen < 30 dagen).

Hoewel het derde contract slechts voor een periode van 5 dagen wordt gesloten, zal het worden aangemerkt als een verhuur op lange termijn omdat rekening moet worden gehouden met alle opeenvolgende contracten samen (ononderbroken gebruik): 12 dagen + 15 dagen + 5 dagen > 30 dagen.

Voor de eerste twee contracten op korte termijn, wordt als plaats van de dienst aangemerkt de plaats waar het vervoermiddel daadwerkelijk ter beschikking van de ontvanger wordt gesteld, in een B2B-context (artikel 21, § 3, 5°, eerste lid, van het Wetboek) of in een B2C-context (artikel 21bis, § 2, 7°, eerste lid van het Btw-Wetboek).

Met betrekking tot het derde contract (lange termijn) is de plaatsbepalingsregel voor verhuur op lange termijn van toepassing zonder dat de plaatsbepaling van de voorafgaande contracten, die als contracten van korte termijn worden beschouwd, wordt beïnvloed.

Volgens die regel vindt de verhuur van het voertuig plaats waar de ontvanger is gevestigd in de B2B- en in de B2C-context (artikel 21, § 2 en artikel 21bis, § 2, 7°bis, van het Btw-Wetboek) (zie titel 4, rubriek F, van deze Afdeling).

Elke stilzwijgende verlenging van het oorspronkelijke contract volgt dezelfde regeling zoals bij opeenvolgende contracten.

Als contracten op korte termijn, tussen dezelfde partijen, elkaar opvolgen maar betrekking hebben op verschillende vervoermiddelen, wordt elk contract afzonderlijk beoordeeld tenzij er sprake is van misbruikpraktijken.

In principe zijn dit bijgevolg geen opeenvolgende contracten voor de kwalificatie van de duur van de huurperiode (artikel 39, lid 2, van de uitvoeringsverordening (EU) nr. 282/2011, voornoemd, circulaire AFZ nr. 19/2009 van 22.12.2009, randnummer 57, zoals gewijzigd door de circulaire AFZ nr. 5/2011 van 27.06.2011, randnummers 63 tot en met 65, en de schriftelijke parlementaire vraag nr. 501 van de heer Volksvertegenwoordiger François-Xavier de Donnea van 29.05.2009).

f. Bewijsmiddelen

Wanneer het een huur betreft door een in België gevestigde verhuurder, dient laatstgenoemde het bewijs te leveren van de plaats waar het voertuig effectief ter beschikking wordt gesteld buiten België en van de duur van het gebruik.

Meer bepaald, en in de mate dat het contract wordt beschouwd als een weerlegbaar vermoeden, kan de totale werkelijke duur van het contract worden aangetoond door middel van een geheel van documenten die aan de huurder werden overhandigd gedurende de periode waarin hij het voertuig gebruikt heeft (circulaire AFZ nr. 19/2009 van 22.12.2009, randnummer 58).

F. Restaurant- en cateringdiensten voor verbruik aan boord van een schip, vliegtuig of trein

a. Regel voor de plaatsbepaling

Restaurant- en cateringdiensten die materieel worden verricht aan boord van een schip, vliegtuig of trein tijdens het in de Gemeenschap verrichte gedeelte van het vervoer worden geacht plaats te vinden op de plaats van vertrek van het passagiersvervoer (artikelen 21, § 3, 6°, van het Btw-Wetboek in een B2B-context en 21bis, § 2, 8°, van het Btw-Wetboek in een B2C-context ter omzetting van artikel 57, lid 1, van de richtlijn 2006/112/EG).

b. Definities

De regels voor de plaatsbepaling van bedoelde diensten werden in overeenstemming gebracht met de regels die reeds van toepassing waren inzake de levering van goederen aan boord van bovengenoemde transportmiddelen, zodanig dat de regels van de plaatsbepaling dezelfde zijn, of het nu een levering van een goed betreft dan wel restaurant- of cateringdiensten (schriftelijke parlementaire vraag nr. 519 van de heer Volksvertegenwoordiger Christian Brotcorne van 15.06.2009).

Ingevolge deze overeenstemming dient, voor de toepassing van deze plaatsbepalingsregel, te worden verwezen naar de definities met betrekking tot de twee voornoemde handelingen. Deze definities zijn opgenomen in artikel 1, § 11, van het Btw-Wetboek dat de omzetting is van de artikelen 37, lid 2 en 57, lid 2, van de richtlijn 2006/112/EG, voornoemd:

‘Voor de toepassing van de artikelen 14, § 4, 21, § 3, 6° en 21bis, § 2, 8°, van het Btw-Wetboek wordt beschouwd als:

1° “in de Gemeenschap verricht gedeelte van een passagiersvervoer″: het gedeelte van een vervoer dat, zonder tussenstop buiten de Gemeenschap, plaatsvindt tussen de plaats van vertrek en de plaats van aankomst van het passagiersvervoer

2° ″plaats van vertrek van een passagiersvervoer″: het eerste punt in de Gemeenschap waar passagiers aan boord kunnen komen, eventueel na een tussenstop buiten de Gemeenschap

3° ″plaats van aankomst van een passagiersvervoer″: het laatste punt in de Gemeenschap waar passagiers die binnen de Gemeenschap aan boord zijn gekomen van boord kunnen gaan, eventueel vóór een tussenstop buiten de Gemeenschap.

Ingeval het een heen- en terugreis betreft, wordt de terugreis als een afzonderlijk vervoer beschouwd.’

Een ‘tussenstop’ is een plaats waar de passagiers de mogelijkheid hebben om aan boord te komen of van boord te gaan, dit in tegenstelling tot een loutere technische tussenstop.

Wat de plaats van de restaurant- en cateringdiensten op cruiseschepen en tussenstops buiten de Gemeenschap betreft, vormen reisonderbrekingen van een cruiseschip in havens van derde landen, tijdens dewelke de reizigers het cruiseschip kunnen verlaten, ook al is het maar voor korte tijd, ‘tussenstops buiten de Gemeenschap’ (Hof van Justitie van de Europese Unie, arrest Köhler, zaak C-58/04, van 15.09.2005, punt 27).

De plaats van vertrek en de plaats van aankomst van een passagiersvervoer worden respectievelijk gedefinieerd als het eerste en het laatste punt in de Gemeenschap waar aan boord kan worden gekomen en van boord kan worden gegaan.

Als het vervoermiddel zich verplaatst van EU-lidstaat A naar EU-lidstaat B en dit zonder passagiers aan boord, om reden dat het eerste punt waar passagiers binnen de Gemeenschap aan boord kunnen gaan slechts voorzien is in de tweede EU-lidstaat, zal bijgevolg alleen laatstgenoemde lidstaat van belang zijn voor de plaatsbepaling van de dienst.

c. In de Gemeenschap verricht gedeelte van een passagiersvervoer

De verwijzing naar het eerste punt of laatste punt in de Gemeenschap waar aan boord of van boord wordt gegaan, maakt het mogelijk om nauwkeurig te bepalen welk gedeelte van het passagiersvervoer wordt verricht binnen of buiten de Gemeenschap.

Voor de vaststelling van het gedeelte van het passagiersvervoer dat wordt verricht binnen de Gemeenschap is het traject dat door het vervoermiddel wordt afgelegd bepalend en niet de reisweg van de diverse passagiers die het vervoermiddel gebruiken. Anders gezegd, als de reis wordt verricht door middel van één enkel vervoermiddel, is er slechts sprake van één gedeelte van het passagiersvervoer dat binnen de Gemeenschap wordt verricht, zelfs als er tussenstops zijn in de Gemeenschap (artikel 35 van de uitvoeringsverordening (EU) nr. 282/2011 van de Raad van 15.03.2011, voornoemd).

Als het een binnen de Gemeenschap verricht gedeelte van een passagiersvervoer betreft, heeft de plaats waar de verschillende passagiers aan boord of van boord gaan geen enkel belang. Dit geldt zowel voor de passagiers die aan boord gaan of van boord gaan binnen de Gemeenschap als voor hen die aan boord of van boord gaan in een derde land. De restaurant- en cateringdiensten aan boord van een schip, vliegtuig of trein die op hetzelfde ogenblik worden verricht aan boord van hetzelfde vervoermiddel moeten, met andere woorden, op dezelfde wijze worden belast (maaltijden die aan boord worden verstrekt op hetzelfde ogenblik, zelfs aan dezelfde tafel, mogen dus niet op verschillende wijze worden belast afhankelijk van de plaats waar de passagiers aan boord of van boord gaan).

Voorbeelden

• Een vlucht met één enkel vluchtnummer met tussenstops in de Gemeenschap dient te worden aangemerkt als één enkel binnen de Gemeenschap verricht gedeelte van een passagiersvervoer.

• Voor treinen is het traject aan boord van dezelfde trein doorslaggevend om het gedeelte te bepalen van een passagiersvervoer dat als één geheel kan worden aangemerkt. Er dient ook te worden onderzocht of de passagier aan boord van hetzelfde vervoermiddel blijft.

Bij voorbeeld, als de HST vanuit Parijs in Brussel wordt opgesplitst waarbij een deel van de trein verder rijdt naar Amsterdam en het andere deel naar Keulen, heeft men te maken met drie verschillende vervoermiddelen en dus met telkens een verschillend passagiersvervoer. Hetzelfde geldt als de HST, vanuit Keulen, wordt samengevoegd met de trein vanuit Amsterdam en vervolgens zijn reis vervolgt naar Parijs.

d. Toepassingsgevallen

• Cateringdiensten verstrekt aan boord van een schip, vliegtuig of trein, gedurende het gedeelte van het passagiersvervoer dat wordt verricht binnen de Gemeenschap.

Een maaltijd wordt aan de passagiers verstrekt aan boord van een vlucht van Narbonne naar Brussel.

Deze dienst vindt plaats daar waar het passagiersvervoer vertrekt, zijnde Frankrijk (artikelen 21, § 3, 6°, en 21bis, § 2, 8°, van het Btw-Wetboek ter omzetting van artikel 57, lid 1, van de richtlijn 2006/112/EG, voornoemd).

Indien het vliegtuig, alvorens passagiers aan boord te laten gaan in Narbonne, een zekere tijd om technische redenen in Barcelona geparkeerd was, dan blijft de dienst in Frankrijk gelokaliseerd aangezien er in Spanje geen passagiers aan boord zijn gekomen.

Er moet dus geen rekening worden gehouden met die tussenstop (artikel 36, eerste alinea, van de uitvoeringsverordening (EU) nr. 282/2011 van de Raad van 15.03.2011, voornoemd).

• Restaurantdiensten en cateringdiensten die buiten een gedeelte van het binnen de Gemeenschap verricht passagiersvervoer maar op het grondgebied van een lidstaat, een derde land of een derdelandsgebied worden verricht.

Een vervoer van Italië naar Marokko waarbij de maaltijd wordt opgediend tijdens het gedeelte van het vervoer dat plaatsheeft in Italië.

De restaurant- en cateringdienst vindt plaats waar die materieel wordt verricht, zijnde Italië (artikelen 21, § 3, 4°, en 21bis, § 2, 6°, a), van het Btw-Wetboek ter omzetting van artikel 55 van de richtlijn 2006/112/EG, artikel 36, tweede alinea, van de uitvoeringsverordening (EU) nr. 282/2011, voornoemd).

• Een in de Gemeenschap verrichte restaurantdienst of cateringdienst die deels binnen een in de Gemeenschap verricht gedeelte van een passagiersvervoer wordt verricht en deels buiten een dergelijke gedeelte, maar steeds op het grondgebied van de Gemeenschap.

o Een trein rijdt van Brussel naar Bern met Luxemburg als laatste plaats in de Gemeenschap waar passagiers aan boord of van boord kunnen gaan vooraleer de trein in Bern aankomt. De cateringdienst begint voor Luxemburg en gaat na deze laatste tussenstop verder, binnen de Gemeenschap.

De plaatsbepaling van deze restaurant- en cateringdiensten gebeurt, in principe, op grond van twee verschillende bepalingen. Om te komen tot een eenvoudiger en meer uniforme regeling, moest worden verduidelijkt welke regel inzake plaatsbepaling, onder voormelde omstandigheden, van toepassing is. Er werd bijgevolg een regeling aangenomen die toelaat om op ondubbelzinnige wijze de toepasbare regel van plaatsbepaling vast te stellen. Zodoende moet rekening worden gehouden met het tijdstip waarop de dienst aanvangt om te bepalen welke regel inzake plaatsbepaling voor het geheel van de cateringdienst van toepassing is. Bijgevolg vindt de volledige dienst plaats in België aangezien Brussel de eerste plaats is waar passagiers in de Gemeenschap aan boord kunnen gaan (artikelen 21, § 3, 6° en 21bis, § 2, 8°, van het Btw-Wetboek ter omzetting van artikel 57, lid 1, van de richtlijn 2006/112/EG).

o Een cateringdienst vangt aan binnen de fysieke grenzen van de Gemeenschap tijdens een in de Gemeenschap verricht gedeelte van een passagiersvervoer (Boedapest-Wenen) en wordt beëindigd binnen de fysieke grenzen van de Gemeenschap gedurende het gedeelte van het vervoer dat niet plaatsheeft tijdens het communautair gedeelte van het vervoer (Wenen-Bern). De dienst wordt beëindigd op Oostenrijks grondgebied.

Deze dienst vindt volledig plaats in Hongarije aangezien Budapest de eerste plaats is waar passagiers in de Gemeenschap aan boord kunnen gaan (artikel 57, lid 1, van de richtlijn 2006/112/EG, artikelen 21, § 3, 6°, en 21bis, § 2, 8°, van het Btw-Wetboek en artikel 37 van de uitvoeringsverordening (EU) nr. 282/2011, voornoemd).

Voor de andere situaties, die door voornoemde uitvoeringsverordening niet worden beoogd, zal de administratie geen kritiek uiten op de door de dienstverrichter gevolgde benadering, voor zover deze op coherente wijze wordt toegepast (circulaire AFZ nr. 19/2009 van 22.12.2009, randnummers 59 tot en met 61, zoals gewijzigd door de circulaire AFZ nr. 5/2011 van 27.06.2011, randnummers 58 tot en met 60).

G. Diensten van reisbureaus

Artikel 21ter van het Btw-Wetboek luidt als volgt: ‘In afwijking van de artikelen 21 en 21bis, worden de diensten bedoeld in artikel 18, § 2, tweede lid, geacht plaats te vinden op de plaats waar het reisbureau de zetel van zijn economische activiteit of een vaste inrichting heeft gevestigd van waaruit het de dienst heeft verricht.’

Deze bepaling is de omzetting van artikel 307, tweede alinea, van de richtlijn 2006/112/EG.

Volgens de bijzondere regeling voor de reisbureaus wordt de globale dienst die door een reisbureau aan de afnemer wordt verstrekt, belast in de lidstaat waar dat reisbureau de zetel van zijn economische activiteit of een vaste inrichting heeft gevestigd van waaruit het de dienst heeft verricht, zonder dat een onderscheid dient te worden gemaakt of de afnemer handelt in de hoedanigheid van een belastingplichtige (B2B) of niet (B2C) (circulaire AFZ nr. 19/2009 van 22.12.2009, randnummer 95, circulaire 2020/C/44 van 23.03.2020 betreffende de bijzondere reisbureauregeling en de btw-regeling voor reishandelingen waarop de bijzondere reisbureauregeling toepasselijk is (nr. E.T. 135.877), nummer 73).

4. Afwijkende bepalingen eigen aan de verhouding B2C

Naast voornoemde gemeenschappelijke afwijkende regels (zie titel 3, van deze Afdeling), moet ook rekening worden gehouden met de volgende afwijkende regels die specifiek zijn voor de verhouding tussen een belastingplichtige en een niet-belastingplichtige (B2C).

Ter herinnering: inzake de plaatsbepaling van diensten wordt het begrip ‘belastingplichtige’ gedefinieerd in artikel 21, § 1, van het Btw-Wetboek (zie titel 1, rubriek E, van deze Afdeling).

A. Andere goederenvervoerdiensten dan het intracommunautair goederenvervoer

a. Regel voor de plaatsbepaling

De andere goederenvervoerdiensten dan het intracommunautair goederenvervoer vinden plaats waar het vervoer wordt verricht, dit in verhouding tot de afgelegde afstanden (artikel 21bis, § 2, 3°, van het Btw-Wetboek ter omzetting van artikel 49 van de richtlijn 2006/112/EG, voornoemd).

Deze pro rata-regel is dezelfde als diegene die van toepassing is op het personenvervoer (laatstgenoemde geldt zowel in de B2B als in de B2C context).

Deze plaatsbepalingsregel is van toepassing zowel op het nationale vervoer van goederen waarvan de plaatsen van vertrek en aankomst in hetzelfde land zijn gelegen, als op het internationale vervoer van goederen waarvan de plaats van vertrek en/of de plaats van aankomst buiten de Gemeenschap zijn gelegen (circulaire AOIF nr. 3/2010 (nr. E.T. 117.619) van 07.01.2010, randnummers 141 en 149).

b. Voorbeelden

• Een goederenvervoer van Aarlen naar Luik, voor rekening van een niet-belastingplichtige natuurlijke persoon die in Frankrijk gedomicilieerd is, is aan de Belgische btw onderworpen ongeacht de vestigingsplaats van de vervoerder.

• Een in België gevestigde niet-belastingplichtige natuurlijke persoon, belast een Belgisch vervoerbedrijf met een goederenvervoer van Bologna (Italië) naar Turijn (Italië). Deze vervoerdienst vindt plaats in Italië, zijnde daar waar het vervoer wordt verricht, in verhouding van de afgelegde afstanden.

c. Vrijstellingen

Artikel 41, § 1, eerste lid, 2° tot en met 5°, van het Btw-Wetboek stelt bepaalde vervoerdiensten met een internationaal karakter, die in België plaatsvinden, vrij van btw (zie ‘Boekwerk II: Bepaling van de belastbare basis en het toepasselijke tarief – Hoofdstuk 8: Vrijstellingen voor uitvoer, intracommunautaire leveringen en verwervingen, invoer en internationaal vervoer, Afdeling 6’ en circulaire 2021/C/96 van 27.10.2021 betreffende de btw-vrijstelling voor vervoerdiensten die rechtstreeks verband houden met een uitvoer van goederen (nr. E.T. 132.341/3), bijgewerkt door de circulaire 2021/C/101 van 22.11.2021, de circulaire 2022/C/26 van 15.03.2022 en de circulaire 2022/C/72 van 19.07.2022 waardoor de inwerkingtreding van de circulaire 2021/C/96 van 27.10.2021 wordt opgeschort. De laatste circulaire bevat het nieuwe administratieve standpunt van toepassing vanaf 01.04.2022)

B. Het intracommunautaire goederenvervoer

a. Regel voor de plaatsbepaling

Het intracommunautaire vervoer van goederen wordt geacht plaats te vinden op de plaats van het vertrek van het vervoer (artikel 21bis, § 2, 4°, van het Btw-Wetboek ter omzetting van artikel 50 van de richtlijn 2006/112/EG, , circulaire AOIF nr. 3/2010 (nr. E.T. 117.619) van 07.01.2010, randnummers 140 en 149).

b. Definities

Het begrip ‘intracommunautair goederenvervoer’ is, in tegenstelling tot de toepasselijke regeling wanneer de ontvanger van de dienst een belastingplichtige is in de zin van artikel 21, § 1, van het Btw-Wetboek, altijd belangrijk voor de plaatsbepaling indien deze dienst wordt verstrekt voor een niet-belastingplichtige (circulaire AOIF nr. 3/2010 (nr. E.T. 117.619) van 07.01.2010, randnummers 142 tot en met 147).

Overeenkomstig artikel 1, § 6, van het Btw-Wetboek wordt voor de toepassing van het Btw-Wetboek verstaan onder:

‘1° “intracommunautair goederenvervoer”: vervoer van goederen waarvan de plaats van vertrek en de plaats van aankomst op het grondgebied van twee verschillende Lidstaten zijn gelegen;

2° “plaats van vertrek”: de plaats waar het goederenvervoer daadwerkelijk begint;

3. “plaats van aankomst”: de plaats waar het goederenvervoer daadwerkelijk eindigt;’

c. Voorbeelden

• Een vervoerder krijgt opdracht van een Brusselse gepensioneerde om zijn meubels te verhuizen van Brussel naar Nice (Frankrijk), waar laatstgenoemde voortaan gedomicilieerd zal zijn.

Dit intracommunautair goederenvervoer wordt geacht in België plaats te vinden, zijnde de plaats van vertrek van het vervoer van de meubels en dit ongeacht de vestigingsplaats van de verhuizer.

• Een niet-belastingplichtige natuurlijke persoon, die in België gevestigd is, geeft opdracht aan een Belgisch vervoerbedrijf om goederen te vervoeren van Dudelange (Groot Hertogdom Luxemburg) naar Aarlen (België).

De dienst van het Belgische vervoerbedrijf wordt geacht in Groot Hertogdom Luxemburg plaats te vinden, zijnde de plaats van vertrek van de goederen.

d. Vrijstellingen

Artikel 41, § 1, eerste lid, 6°, van het Btw-Wetboek stelt, in België, bepaalde intracommunautaire goederenvervoer vrij van de btw. (zie ‘Boekwerk II: Bepaling van de belastbare basis en het toepasselijke tarief – Hoofdstuk 8: Vrijstellingen voor uitvoer, intracommunautaire leveringen en verwervingen, invoer en internationaal vervoer, Afdeling 6’ en circulaire 2021/C/96 van 27.10.2021 betreffende de btw-vrijstelling voor vervoerdiensten die rechtstreeks verband houden met een uitvoer van goederen (nr. E.T. 132.341/3), bijgewerkt door de circulaire 2021/C/101 van 22.11.2021, de circulaire 2022/C/26 van 15.03.2022 en de circulaire 2022/C/72 van 19.07.2022 waardoor de inwerkingtreding van de circulaire 2021/C/96 van 27.10.2021 wordt opgeschort. De laatste circulaire bevat het nieuwe administratieve standpunt van toepassing vanaf 01.04.2022).

C. Culturele, artistieke, sportieve, wetenschappelijke, onderwijs-, en vermakelijkheidsactiviteiten of soortgelijke activiteiten

a. Regel voor de plaatsbepaling

De dienst die verband houdt met culturele, artistieke, sportieve, wetenschappelijke, educatieve, vermakelijkheids- of soortgelijke activiteiten, zoals beurzen en tentoonstellingen, met inbegrip van de diensten van de organisatoren van dergelijke activiteiten en alsmede van de daarmee samenhangende diensten, vindt plaats waar de activiteit daadwerkelijk plaatsvindt (artikel 21bis, § 2, 5°, b), van het Btw-Wetboek ter omzetting van artikel 54, lid 1, van de richtlijn 2006/112/EG, voornoemd).

b. Beoogde diensten

Met ‘organisator van een evenement’ wordt bedoeld de persoon die het evenement op het hoogste niveau leidt en de commerciële risico’s draagt. Het is eigenlijk de persoon die in de ogen van derden naar voren treedt als de organisator, wat niet wegneemt dat hij een deel van of de volledige organisatie in onderaanneming kan geven.

Volgens het Hof van Justitie van de Europese Unie, vinden de gemeenschappelijke kenmerken van de verschillende categorieën diensten, beoogd door deze bepaling, hun oorsprong in:

• het complexe karakter van de betrokken diensten, die verschillende prestaties omvatten

• het feit dat de betrokken diensten gewoonlijk worden verricht ten behoeve van een groot aantal personen, namelijk alle personen die, in diverse hoedanigheden, aan culturele, artistieke, sportieve, wetenschappelijke, onderwijskundige of vermakelijkheidsactiviteiten deelnemen (Hof van Justitie van de Europese Unie, Arrest Gillan Beach, zaak C-114/05, van 09.03.2006, punt 23).

c. Onderscheid met het verlenen van toegang tot culturele, artistieke, sportieve, wetenschappelijke, onderwijs-, vermakelijkheids- of soortgelijke evenementen

In de eerste plaats houdt het verlenen van een recht van toegang tot een bepaald evenement in dat toestemming wordt verleend om het evenement bij te wonen.

In de tweede plaats wordt een cultureel of gelijkaardig evenement onderscheiden van een activiteit van hetzelfde type door het occasioneel karakter van de organisatie ervan (zie titel 3, rubriek C, van deze Afdeling).

Het begrip ‘activiteit’, in tegenstelling tot het begrip ‘evenement’, wordt in feite gekenmerkt door een zekere continuïteit of door een herhaling in de tijd.

Worden bijvoorbeeld als een ‘activiteit’ aangemerkt:

• de uitwerking, de tijdelijke terbeschikkingstelling en, in voorkomend geval, het vervoer en de montage, door een organisator, van een stand voor een beurs of expositie in verband met een cultureel of soortgelijk thema die geregeld op een welbepaalde plaats plaatsvindt (Hof van Justitie van de Europese Unie, Arrest Inter-Mark, zaak C-530/09, van 27.10.2011, punten 23 tot en met 33).

• de toekenning van een recht op toegang tot en gebruik van een sportinfrastructuur of dergelijke, zoals een sportzaal, fitnesszaal… tegen betaling van een bijdrage

• het recht op deelname aan een cursus bloemschikken

• het verstrekken van een zogenaamde interne of in-house opleiding. Het betreft een beroepsopleiding of bijscholing die niet enkel toegankelijk is voor de personeelsleden van de organisator, maar ook voor personeelsleden van andere ondernemingen van dezelfde groep. Bij analogie, het verstrekken van een opleiding in lokalen van niet-belastingplichtige klanten, in het kader waarvan er geen sprake is van een handeling die bestaat uit het verlenen van recht op toegang (beslissing nr. E.T. 125.506 van 22.06.2015).

d. Samenhangende diensten

Dit begrip is een toepassing van het principe ‘bijzaak volgt hoofdzaak’. Ter herinnering: de samenhangende diensten vormen een middel om in de beste omstandigheden te kunnen genieten van de hoofddienst en derhalve vallen zij onder dezelfde fiscale regeling als de hoofddienst.

De met activiteiten samenhangende diensten betreffen in het algemeen de bijkomende diensten die, zonder zelf een dergelijke activiteit in de eigenlijke zin uit te maken, een noodzakelijke voorwaarde vormen voor de verwezenlijking van de hoofddienst.

Het samenhangende karakter van dergelijke diensten moet objectief worden beoordeeld en los van de persoon die ze verstrekt (Hof van Justitie van de Europese Unie, Arrest Jürgen Dudda, zaak C-327/94, van 26.09.1996, punten 27 en 28, circulaire AFZ nr. 19/2009 van 22.12.2009, randnummers 32 tot en met 41, circulaire AFZ nr. 1/2011 van 25.01.2011, randnummers 3 tot en met 6 en circulaire AFZ nr. 5/2011 van 27.06.2011, randnummers 55 en 56).

Worden, bijvoorbeeld, geacht plaats te vinden daar waar de activiteit, die als hoofdhandeling wordt aangemerkt, materieel plaatsvindt (artikel 21bis, § 2, 5°, b), van het Btw-Wetboek):

• de complexe maar globale en enige handeling inzake ‘racebijstand’, waarvan het hoofdvoorwerp bestaat uit de terbeschikkingstelling, ter gelegenheid van een kartwedstrijd, van een rijklare kart, die beschouwd wordt als samenhangend met een sportwedstrijd (arrest van het Hof van Cassatie F.12.0102.F van 25.10.2013)

• de diensten verstrekt in het kader van vermakelijkheids- of soortgelijke activiteiten door grimeurs, machinisten, souffleurs, geluidstechnici en, meer in het algemeen, door personen waarvan de diensten noodzakelijk zijn voor de verwezenlijking van de betreffende activiteit (Hof van Justitie van de Europese Unie, Arrest Jürgen Dudda, zaak C-327/94, van 26.09.1996, punt 31)

• de verhuur van podia met geluids- en lichtinstallatie waarbij de verhuurder eveneens voor de montage en de demontage zorgt, hangt samen met de organisatie van een activiteit als beoogd door artikel 21bis, § 2, 5°, b), van het Btw-Wetboek. Wanneer de verhuurder bovendien voor de bediening van de apparatuur instaat, krijgt de gehele handeling het karakter van een aannemingscontract, die volgens dezelfde regel wordt gelokaliseerd (beslissing nr. E.T. 77.319 van 10.05.1993)

• de verhuur van een tent die op de speelplaats wordt opgericht, ter gelegenheid van een door de school georganiseerd spektakel

• de complexe maar globale en enige handeling inzake management die wordt verstrekt door de organisator van een conferentie en bestaat uit de huur van een zaal, van technische uitrusting, vervoer, verblijf van de deelnemers, cateringdiensten, het fotokopiëren van documenten, vermakelijkheidsactiviteiten, enzovoort.

e. Toepassingsgevallen

Bijvoorbeeld, volgende diensten vinden plaats waar de activiteiten daadwerkelijk plaatsvinden (artikel 21bis, § 2, 5°, b), van het Btw-Wetboek):

• de diensten van artiesten en andere personen die hun medewerking verlenen aan programma’s die voor het publiek toegankelijk zijn en gerealiseerd worden door radio- en televisiestations (aanschrijving nr. 13/1997 van 19.11.1997, randnummer 18)

• een managementcursus van meer dan een week, die verstrekt wordt op de zetel van een openbare instelling die niet voor btw-doeleinden is geïdentificeerd

• de deelname aan een tentoonstelling met inbegrip van het vervoer, de montage en terbeschikkingstelling van een stand, die overeenstemt met een model waarvan de organisator de vorm, de afmetingen, de materiële samenstelling of het visuele aspect heeft vastgelegd

• een vermakelijkheidsactiviteit die bestaat in het aanbieden van rechtstreeks via het Internet uitgezonden interactieve erotische webcamsessies die moet worden geacht materieel daadwerkelijk te worden verricht op de plaats waar de dienstverrichter de zetel van zijn bedrijfsuitoefening of een vaste inrichting heeft gevestigd van waaruit hij de dienst verricht of, bij gebreke daarvan, zijn woonplaats of zijn gebruikelijke verblijfplaats (Hof van Justitie van de Europese Unie, Arrest L.W.G., zaak C-568/17, van 08.05.2019, punt 53).

D. De met goederenvervoer samenhangende diensten

a. Regel voor de plaatsbepaling

De met goederenvervoer samenhangende diensten, zoals het laden, lossen, behandelen en soortgelijke activiteiten, vinden plaats waar deze diensten materieel plaatsvinden (artikel 21bis, § 2, 6°, b), van het Btw-Wetboek ter omzetting van artikel 54, lid 2, punt a, van de richtlijn 2006/112/EG, voornoemd).

b. Voorwerp en aard van het contract

Alle diensten die samenhangen met een nationaal of intracommunautair goederenvervoer of in het kader van een vervoer bij invoer of uitvoer, worden beoogd.

Opdat een handeling kan worden aanzien als ‘samenhangend met een vervoer’, in de zin van deze bepaling, dient deze rechtstreeks te slaan op het vervoerde goed en bovendien een directe band te hebben met het vervoer.

De administratie aanvaardt dat de diensten opgesomd in navolgende niet-limitatieve lijst, in elk geval, aan deze voorwaarden beantwoorden:

• het laden van goederen in schepen, boten, luchtvaartuigen, spoorwagons, vrachtwagens en andere vervoermiddelen

• het lossen van goederen uit dergelijke vervoermiddelen

• het overslaan van goederen uit een vervoermiddel in een andere vervoermiddel

• het overpompen van vloeibare producten, met of zonder verwarming, bij laden of lossen

• het stuwen (of stouwen), ontstuwen, verstuwen, trimmen (een schip in evenwicht brengen door verplaatsing van de lading)

• het wegen, meten, peilen; de controle en de ambtshalve inontvangstneming van de goederen; het tellen van zakken, vaten en balen; de hulpverlening bij deze handelingen en de controle erop; het in ontvangst nemen van goederen, het nemen en analyseren van monsters; het opmaken van gewicht- of meetnota’s, luiklijsten en tally-lijsten

• het opmaken van rapporten en getuigschriften in verband met het meten, wegen en andere handelingen die verband houden met de inontvangstneming van de goederen

• het beveiligen van goederen tegen slecht weer, diefstal, brandgevaar en ander gevaar voor verlies of vernieling

• het verpakken, overpakken en het uitpakken van goederen, voor zover deze handelingen verricht worden ten behoeve van het vervoer van de goederen, zoals: het verpakken van goederen in kisten, kratten of vaten, het paletteren van goederen, het opzakken, het opensnijden van zakken, het samenstellen en ontbinden van eenheidsladingen, het inladen in containers, het uitladen uit containers, het schoren en het ontschoren van goederen: de controle op voorgaande handelingen

• het klasseren en sorteren van goederen met het oog op het vervoer of het opbergen; het stofvrij maken en het ontsmetten van goederen

• het verplaatsen van goederen met bijzondere toestellen op kaaien en in opslagplaatsen

• het merken van zakken, vaten, enzovoort. Het etiketteren, het verzegelen van goederen, containers en vervoermiddelen

• de expertise van de vervoerde goederen in geval van beschadiging van de goederen tijdens het vervoer.

c. Uitsluiting: opslag van goederen

De opslag van goederen wordt door onderhavige bepaling niet beoogd, zelfs niet wanneer deze zou plaatsvinden in het kader van een vervoer bij invoer, uitvoer of een intracommunautair vervoer van goederen. De opslag van goederen wordt bijgevolg niet aanzien als een met een vervoer samenhangende dienst (circulaire AOIF nr. 3/2010 (nr. E.T. 117.619) van 07.01.2010, randnummers 183 en 184).

Het btw-comité definieert een opslagdienst als zijnde een dienstverrichting waarbij de ontvanger van de dienst goederen toevertrouwt aan een onderneming die deze goederen bewaart totdat deze wordt gevraagd om de goederen terug te geven aan de ontvanger van de dienst of aan een derde persoon.

Voor de bepaling van de plaats van de dienst moet een onderscheid worden gemaakt:

• enerzijds naargelang er al dan niet een exclusief recht van gebruik op (een specifiek deel van) het onroerend goed wordt toegekend. Deze dienst vindt, in het eerste geval, plaats daar waar het onroerend goed gelegen is (artikel 21bis, § 2, 1°, van het Btw-Wetboek) en, in het tweede geval, daar waar de dienstverrichter gevestigd is (artikel 21bis, § 1, van het Btw-Wetboek)

• en anderzijds naargelang de dienst gepaard gaat met aanvullende (economische) activiteiten die de eigenaar van het onroerend goed verricht ten behoeve van de huurder (eigenaar van de opgeslagen goederen). In dit geval vindt de dienst plaats daar waar de dienstverrichter is gevestigd (artikel 21bis, § 1, van het Btw-Wetboek) (Hof van Justitie van de Europese Unie, Arrest RR Donnelley, zaak C-155/12, van 27.06.2013, punten 37 tot en met 39 en beslissing nr. E.T. 124.412 van 02.06.2014) (zie titel 3, rubriek A, subrubriek c, van deze Afdeling).

d. Globale dienst

Wanneer een dienstverrichter een globale dienst factureert welke tegelijk het vervoer van goederen, diensten samenhangend met goederenvervoer en de opslag van de goederen omvat, dient het volgende onderscheid te worden gemaakt.

• Het vervoer van goederen vormt het hoofdvoorwerp van de tussen de partijen gesloten overeenkomst, terwijl de andere gefactureerde diensten (met vervoer samenhangende diensten en opslag van goederen) niet anders kunnen worden aanzien dan als modaliteiten van dit vervoer.

De dienst wordt in haar geheel als een goederenvervoer aangemerkt die plaatsvindt:

o op de plaats van het vertrek van het vervoer wanneer het een intracommunautair goederenvervoer betreft (artikel 21bis, § 2, 4°, van het Btw-Wetboek)

o daar waar het vervoer plaatsvindt, naar verhouding van de afgelegde afstanden, in het geval van ander goederenvervoer dan het intracommunautair transport van goederen (artikel 21bis, § 2, 3°, van het Btw-Wetboek).

• De opslag van goederen vormt het hoofdvoorwerp van de tussen de partijen gesloten overeenkomst, terwijl de andere gefactureerde diensten (met vervoer samenhangende diensten en goederenvervoer) niet anders kunnen worden aanzien dan als modaliteiten van deze goederenopslag.

Deze dienst dient in haar geheel te worden aanzien als een goederenopslag die sinds 01.06.2014 wordt gelokaliseerd overeenkomstig de regels die opgenomen zijn onder subrubriek c, van deze rubriek.

Het feit dat de dienstverrichter eventueel een beroep doet op onderaannemers om het vervoer, de diensten samenhangend met vervoer en de opslag te verrichten, heeft geen invloed op de plaatsbepaling van deze in haar geheel gefactureerde dienst.

In de verhouding tussen de onderaannemer en de dienstverrichter is daarentegen de specifieke eigen regeling voor elke dienst individueel van toepassing (circulaire AOIF nr. 3/2010 (nr. E.T. 117.619) van 07.01.2010, randnummers 184 tot en met 187).

e. Vrijstellingen

Bepaalde diensten die in België plaatsvinden en die bijkomstig zijn aan een internationaal goederenvervoer (artikel 41, § 1, eerste lid, 2° tot en met 5°, van het Btw-Wetboek) of een intracommunautair goederenvervoer (artikel 41, § 1, eerste lid, 6°, van het Btw-Wetboek), zijn van de btw vrijgesteld.

f. Voorbeelden

• Belgische natuurlijke personen, die voor privédoeleinden handelen, kopen wijn in Frankrijk. Ze geven opdracht aan een lokale firma om de goederen op te laden in de vrachtwagen van de Belgische vervoerder die het vervoer van Frankrijk naar België verricht.

De dienst inzake het laden vindt plaats in Frankrijk, zijnde de plaats waar de dienst materieel wordt verricht (artikel 21bis, § 2, 6°, b), van het Btw-Wetboek). De Belgische vervoerder verricht een vervoerdienst die in Frankrijk plaatsvindt, zijnde de plaats waar het intracommunautair goederenvervoer vertrekt (artikel 21bis, § 2, 4°, van het Btw-Wetboek).

• Een niet-belastingplichtige natuurlijke persoon, gevestigd in Rusland, geeft opdracht aan een Belgisch bedrijf om in Mechelen (België) gemeenschapsgoederen op te laden die bestemd zijn om naar Sint-Petersburg (Rusland) te worden vervoerd. De goederen werden in België onder het douanestelsel inzake uitvoer geplaatst.

De met vervoer samenhangende dienst (laden) vinden plaats in België, zijnde de plaats waar deze materieel plaatsvindt (artikel 21bis, § 2, 6°, b), van het Btw-Wetboek). Deze dienst, die rechtstreeks verband houdt met een uitvoer van goederen, is van de btw vrijgesteld (artikel 41, § 1, eerste lid, 3°, van het Btw-Wetboek).

E. Expertises en werkzaamheden met betrekking tot lichamelijke roerende goederen

a. Regel voor de plaatsbepaling

De diensten in verband met een expertise of een werkzaamheid met betrekking tot een lichamelijk roerend goed, met inbegrip van maakloonwerk, worden geacht plaats te vinden op de plaats waar ze materieel worden verricht (artikel 21bis, § 2, 6°, c), van het Btw-Wetboek ter omzetting van artikel 54, lid 2, punt b), van de richtlijn 2006/112/EG, voornoemd).

b. Beoogde diensten

Voor de definitie van een materieel werk met betrekking tot een lichamelijk goed, wordt verwezen naar Afdeling 3, titel 1, rubriek B, van dit Hoofdstuk (zie circulaire 2019/C/97 betreffende diensten in een intracommunautaire context die een materieel werk (waaronder het maakloonwerk) of een expertise met betrekking tot een lichamelijk roerend goed tot voorwerp hebben (nr. E.T. 127.645/2), nummers 4 tot 7).

Bijvoorbeeld, vinden plaats daar waar ze materieel worden verricht:

• de dienst van een belastingplichtige die erin bestaat de diverse onderdelen van een machine, die hem alle door zijn afnemer zijn bezorgd, te assembleren, behalve wanneer de te assembleren goederen geïntegreerd worden in een onroerend goed (artikel 34 van de uitvoeringsverordening (EU) nr. 282/2011, voornoemd)

• de omvorming, bewerking, aanpassing, maakloonwerk, herstelling, onderhoud, reiniging, expertise… met betrekking tot een uit zijn aard roerend goed (voertuig, vrachtwagen, gereedschap, computer….) of onroerend goed door bestemming (apparatuur, machines…) (schriftelijke parlementaire vraag nr. 530 van de heer Volksvertegenwoordiger Jean-Pierre de Clippele van 22.04.1993)

• de verpakking of herverpakking evenals de conditionering van goederen met het oog op de verkoop ervan, voor zover de twee eerstgenoemde handelingen niet noodzakelijk zijn voor het vervoer van die goederen aangezien het in die situatie een met het vervoer samenhangende handeling betreft (zie rubriek D, van deze titel)

• de handelingen bestaande uit het steriliseren, schilderen of galvaniseren van nieuwe roerende goederen (schriftelijke parlementaire vraag nr. 529 van de heer Volksvertegenwoordiger Jean-Pierre de Clippele van 22.04.1993)

• de handelingen die erin bestaan fruit naar grootte te sorteren, schoon te maken, schoon te wrijven, te snoeien en van een paraffinelaag te voorzien en ze te conditioneren in een verpakking (schriftelijke parlementaire vraag nr. 727 van de heer Volksvertegenwoordiger Jean-Pierre de Clippele van 29.09.1993)

• de dienst, inzake expertise, die tot doel heeft de kenmerken of de staat van een goed, andere dan een uit zijn aard onroerend goed, te onderzoeken, te definiëren en te bepalen, bijvoorbeeld: het evalueren van de schade aan een goed

Het begrip ‘expertise’ dient in de gebruikelijke zin te worden opgevat, dit betekent elke handeling die erin bestaat een goed of een zaak te beoordelen of te schatten (beslissing nr. 76.563 van 25.11.1992, schriftelijke parlementaire vraag nr. 530 van Jean-Pierre de Clippelle van 22.04.1993).

c. Uitgesloten diensten

• De diensten van dierenartsen hebben noch betrekking op een materieel werk noch op een expertise met betrekking tot een dier. De plaats van hun diensten wordt bepaald overeenkomstig de hoofdregel, zijnde waar de dienstverrichter gevestigd is (artikel 21bis, § 1, van het Btw-Wetboek) (Hof van Justitie van de Europese Unie, Arrest Linthorst, zaak C-167/95, van 06.03.1997, punten 14 tot en met 18).

• De analyse of studie die verder gaat dan het expertisewerk, beschreven onder subrubriek b, van deze rubriek, en die ruimer is dan diegene die zich beperkt tot een welbepaald goed, zoals de analyse van farmaceutische producten. Daar het om intellectuele werkzaamheden gaat, vinden dergelijke diensten plaats waar de ontvanger van de dienst is gevestigd wanneer de dienst wordt verleend aan een ontvanger die buiten de Gemeenschap is gevestigd (artikel 21bis, § 2, 10°, van het Btw-Wetboek) of, in de andere gevallen, daar waar de dienstverrichter gevestigd is (artikel 21bis, § 1, van het Btw-Wetboek) (zie rubriek H, van deze titel) (beslissing nr. E.T. 76.563 van 25.11.1992).

• De werken met betrekking tot bepaalde goederen die, omwille van hun definitieve aanhechting aan een gebouw onroerend door bestemming zijn, aangemerkt kunnen worden als werk in onroerende staat. De plaats van deze diensten wordt bepaald overeenkomstig artikel 21bis, § 2, 1°, van het Btw-Wetboek (zie titel 3, rubriek A, van deze Afdeling).

d. Vrijstellingen

Artikel 39, § 1, 3° en § 2, 2°, van het Btw-Wetboek stelt, in België, bepaalde werken vrij wanneer zij in België plaatsvinden en betrekking hebben op roerende goederen die verband houden met het internationale goederenvervoer.

e. Voorbeelden

• Een privé-eigenaar uit Gent doet beroep op een artiest om ter plaatse de schade, ingevolge een brand, aan een schilderij te herstellen.

Het werk is aan de Belgische btw onderworpen, ongeacht waar de artiest gevestigd is en ongeacht waar de eigenaar zijn woonplaats of gebruikelijke verblijfplaats heeft (artikel 21bis, § 2, 6°, c), van het Btw-Wetboek). Indien de ontvanger van de dienst evenwel een museum is met de hoedanigheid van btw-belastingplichtige, dan is de vestigingsplaats van die ontvanger bepalend voor de plaats van de dienst van de artiest (artikel 21, § 2, van het Btw-Wetboek).

• Een persoon die in Londen verblijft, vraagt aan een expert om naar Ierland te gaan met het oog op het verrichten van een expertise van zijn privégoederen die er zich bevinden.

De dienst vindt plaats in Ierland (artikel 21bis, § 2, 6°, c), van het Btw-Wetboek).

F. Verhuur anders dan op korte termijn van een vervoermiddel

a. Algemene regel van de plaatsbepaling

De verhuur anders dan op korte termijn van een vervoermiddel vindt, sinds 01.01.2013, in principe, plaats daar waar de ontvanger van de dienst is gevestigd of zijn woonplaats of gebruikelijke verblijfplaats heeft (artikel 21bis, § 2, 7°bis, van het Btw-Wetboek ter omzetting van artikel 56, lid 2, eerste alinea, van de richtlijn 2006/112/EG, voornoemd).

Artikel 56, lid 2, eerste alinea, van richtlijn 2006/112 moet aldus worden uitgelegd dat de werkingssfeer ervan zich niet uitstrekt tot de terbeschikkingstelling door een belastingplichtige van een tot het bedrijf behorend voertuig aan zijn werknemer, wanneer deze handeling geen dienst onder bezwarende titel in de zin van artikel 2, lid 1, onder c), van die richtlijn vormt.

Dat artikel 56, lid 2, eerste alinea, is daarentegen wel van toepassing op een dergelijke handeling indien het een dienst onder bezwarende titel in de zin van artikel 2, lid 1, onder c), van richtlijn 2006/112 betreft en deze werknemer permanent het recht heeft dat voertuig voor privédoeleinden te gebruiken en anderen daarvan uit te sluiten, tegen betaling van huurgeld en voor een overeengekomen duur van meer dan dertig dagen (Hof van Justitie van de Europese Unie, Arrest Q., zaak C-288/19, van 20.01.2021, punt 56).

De vestigingsplaats van een niet-belastingplichtige rechtspersoon is:

• de plaats waar de centrale bestuurstaken van die persoon worden uitgeoefend, of

• de plaats van iedere andere inrichting die gekenmerkt wordt door een voldoende mate van duurzaamheid en een - wat personeel en technische middelen betreft - geschikte structuur om de voor haar eigen behoeften verrichte diensten te kunnen afnemen en gebruiken (artikel 13bis van de uitvoeringsverordening (EU) nr. 282/2011, voornoemd).

b. Afwijkende regel: pleziervaartuigen

In afwijking, wanneer het vervoermiddel een pleziervaartuig betreft, vindt de verhuur anders dan op korte termijn, plaats waar het vaartuig daadwerkelijk ter beschikking van de ontvanger wordt gesteld, indien de verhuur daadwerkelijk door de dienstverrichter wordt verricht, vanuit de zetel van zijn economische activiteit of een vaste inrichting, gevestigd in het land van de daadwerkelijke terbeschikkingstelling van het goed aan de ontvanger (artikel 21bis, § 2, 7°ter, van het Btw-Wetboek ter omzetting van artikel 56, lid 2, tweede alinea, van de richtlijn 2006/112/EG).

Er moet eerst worden nagegaan of aan voornoemde voorwaarde voldaan is. Is dit niet het geval, dan dient bovengenoemde algemene regel te worden toegepast.

Voorbeeld

De terbeschikkingstelling van een pleziervaartuig door de dienstverrichter geschiedt in een ander land dan datgene waar hij zijn economische activiteit uitoefent. In dat geval is de algemene regel van toepassing, zijnde daar waar de ontvanger is gevestigd of zijn woonplaats of gebruikelijke verblijfplaats heeft (artikel 21bis, § 2, 7°bis, van het Btw-Wetboek).

c. Duur van de verhuur

Onder ‘anders dan op korte termijn’, of met andere woorden onder ‘lange termijn’, verstaat men het ononderbroken bezit of gebruik van het vervoermiddel gedurende een periode van meer dan dertig dagen en in het geval van schepen gedurende een periode van meer dan negentig dagen (artikel 21bis, § 2, 7°, tweede lid, van het Btw-Wetboek ter omzetting van artikel 56, lid 3, van de richtlijn 2006/112/EG,– zie titel 3, rubriek E, subrubrieken d en e van deze Afdeling).

d. Voorbeelden

• De leasing van een auto voor een periode van 6 maanden, door een in Nederland gevestigde leasinggever aan een in België gevestigde natuurlijke persoon die voor privédoeleinden handelt.

De dienst vindt plaats in België, ongeacht waar de overhandiging van de sleutels plaatsvindt (hetzelfde geldt in een B2B context).

• Een in Duitsland gevestigde natuurlijke persoon die voor privédoeleinden handelt, huurt een pleziervaartuig van een Deens bedrijf. De huurder zal het pleziervaartuig het ganse jaar door gebruiken. De huurder neemt het vaartuig in ontvangst in de haven van Oostende (België).

Het volgende onderscheid moet worden gemaakt:

o Het Deense bedrijf heeft geen vaste inrichting in België

De daadwerkelijke terbeschikkingstelling van het vaartuig geschiedt in een ander land dan datgene waar de dienstverrichter zijn economische activiteit uitoefent. In dat geval is de algemene regel van toepassing. De dienst vindt plaats in Duitsland, waar de ontvanger zijn woonplaats heeft (artikel 21bis, § 2, 7°bis, van het Btw-Wetboek).

o Het Deense bedrijf heeft een vaste inrichting in België die het vaartuig daadwerkelijk ter beschikking stelt van de Duitse klant.

De daadwerkelijke terbeschikkingstelling van het vaartuig door de dienstverrichter geschiedt in hetzelfde land als dat van zijn activiteit. De afwijkende regel dient te worden toegepast. De verhuur van het vaartuig, anders dan op korte termijn, vindt plaats in België, waar het vaartuig daadwerkelijk ter beschikking wordt gesteld (artikel 21bis, § 2, 7°ter, van het Btw-Wetboek).

• Om Nederland en Denemarken te bezoeken, huren vakantiegangers uit Frankrijk een kampeerwagen van 01.09.2021 tot 15.10.2021 bij een in België gevestigde firma. Het voertuig wordt in België ter beschikking gesteld van de klanten.

De dienstverrichting vindt plaats in Frankrijk omdat de klanten er hun woonplaats hebben (artikel 21bis, § 2, 7°bis, van het Btw-Wetboek).

Indien het huurcontract betrekking zou hebben op de periode van 01.09.2021 tot 30.09.2021 (maximaal 30 dagen), zou de dienstverrichting in België plaatsvinden en zou de Belgische btw verschuldigd zijn aangezien het voertuig daadwerkelijk ter beschikking van de verkrijger wordt gesteld in België (artikel 21bis, § 2, 7°, van het Btw-Wetboek), (zie titel 3, rubriek E, van deze afdeling).

e. Problematiek betreffende het bewijs van de vestigingsplaats van de ontvanger van de dienst

De dienstverrichter dient op grond van een geheel van overeenstemmende elementen de plaats te bepalen waar de afnemer is gevestigd.

Wanneer de afnemer in meerdere landen is gevestigd (de afnemer heeft zijn woonplaats en gebruikelijke verblijfplaats in verschillende landen), zal voor de plaatsbepaling van de dienst rekening worden gehouden met de plaats van het daadwerkelijke verbruik van de dienst of met de plaats die dat het dichtst benadert.

Een dergelijke situatie werd reeds besproken onder titel 2, rubriek B, subrubrieken c en d, van deze Afdeling (artikelen 23 en 24 van de uitvoeringsverordening (EU) nr. 282/2011 van de Raad van 15.03.2011 en circulaire AFZ nr. 5/2011 van 27.06.2011, randnummers 46 en 47).

f. Vermoedens met betrekking tot de vestigingsplaats van de ontvanger van de dienst

Er wordt vermoed dat de ontvanger gevestigd is of zijn woonplaats of gebruikelijke verblijfplaats heeft op de plaats die door de dienstverrichter als zodanig is vastgesteld aan de hand van twee afzonderlijke, niet-tegenstrijdige bewijsstukken:

• het factuuradres van de ontvanger

• bankgegevens, zoals de plaats waar de voor de betaling gebruikte bankrekening wordt aangehouden of het factuuradres van de ontvanger waarover die bank beschikt

• de inschrijvingsgegevens van het door de ontvanger gehuurde vervoermiddel, indien inschrijving van dat vervoermiddel verplicht is op de plaats waar het wordt gebruikt, of andere soortgelijke gegevens

• andere relevante zakelijke gegevens (artikelen 24quater en 24sexies van de uitvoeringsverordening (EU) nr. 282/2011, voornoemd).

g. Weerleggen van vermoedens

Een belastingdienst kan voornoemde vermoedens weerleggen in geval van aanwijzingen voor verkeerd gebruik of misbruik door de dienstverrichter (artikel 24quinquies, lid 2, van de uitvoeringsverordening (EU) nr. 282/2011, voornoemd).

G. Telecommunicatiediensten, radio- en televisieomroepdiensten en langs elektronische weg verrichte diensten

a. Algemene regel voor de plaatsbepaling

Telecommunicatiediensten, radio- en televisieomroepdiensten en langs elektronische weg verrichte diensten vinden plaats daar waar de ontvanger van de dienst is gevestigd of zijn woonplaats of gebruikelijke verblijfplaats heeft (artikel 21bis, § 2, 9°, van het Btw-Wetboek ter omzetting van artikel 58 van de richtlijn 2006/112/EG, paragraaf 1, van de richtlijn 2006/112/CE, voornoemd).

Volgens deze algemene regel vinden de betrokken diensten in ieder geval plaats in het land van verbruik, ongeacht waar de dienstverrichters en ontvangers gevestigd zijn.

De vestigingsplaats van een niet-belastingplichtige rechtspersoon is:

• de plaats waar de centrale bestuurstaken van die persoon worden uitgeoefend, of

• de plaats van iedere andere inrichting die gekenmerkt wordt door een voldoende mate van duurzaamheid en een - wat personeel en technische middelen betreft - geschikte structuur om de voor haar eigen behoeften verrichte diensten te kunnen afnemen en gebruiken (artikel 13bis van de uitvoeringsverordening (EU) nr. 282/2011, voornoemd).

b. Voorwaardelijke afwijkende regeling voor de plaatsbepaling

In afwijking op de algemene regel voor de plaatsbepaling op de plaats van vestiging van de afnemer, worden de telecommunicatiediensten, radio- en televisieomroepdiensten en langs elektronische weg verrichte diensten geacht plaats te vinden in de lidstaat waar de dienstverrichter de zetel van zijn economische activiteit heeft gevestigd (artikel 21bis, § 2, 9°, tweede tot vijfde lid, van het Btw-Wetboek, van toepassing vanaf 01.01.2019 en gewijzigd op 01.07.2021).

Deze afwijkende regeling is van toepassing mits aan bepaalde voorwaarden wordt voldaan:

• de dienstverrichter is gevestigd of heeft, bij gebrek aan een dergelijke vestiging, zijn woonplaats of zijn gebruikelijke verblijfplaats in één enkele lidstaat

• de betrokken diensten worden verleend aan niet-belastingplichtige personen die zijn gevestigd of hun woonplaats of gebruikelijke verblijfplaats hebben in een andere lidstaat dan deze waar de zetel van de economische activiteit van de dienstverrichter is gevestigd

• de totale waarde exclusief btw van de betrokken diensten aan voornoemde afnemers en van de intracommunautaire afstandsverkopen ter bestemming van een andere lidstaat dan die waar de dienstverrichter is gevestigd, (in alle lidstaten samen) van het lopende kalenderjaar bedraagt niet meer dan 10.000 euro of de tegenwaarde ervan in de nationale munteenheid en heeft deze drempel in het voorgaande kalenderjaar niet overschreden.

Wanneer in de loop van een kalenderjaar de bovengenoemde drempel wordt overschreden, is de algemene regel voor de plaatsbepaling de plaats van vestiging van de afnemer van de dienst vanaf de eerste handeling, in haar geheel genomen, waardoor deze drempel wordt overschreden.

De dienstverrichters die vallen onder deze afwijkende regeling kunnen er echter voor opteren om deze niet toe te passen. Zodoende kunnen zij ervoor kiezen om hun diensten onmiddellijk plaats te laten vinden volgens de algemene regel, in de lidstaat waar de afnemer van de dienst is gevestigd. Deze optie heeft betrekking op een periode van ten minste twee kalenderjaren en geldt eveneens als optie voor de plaatsbepaling van de intracommunautaire afstandsverkopen in de lidstaat van aankomst van de verzending of het vervoer van de goederen.

Artikel 7ter, nieuw, van het koninklijk besluit nr. 10, voornoemd (BS, 01.07.2021) bepaalt de toepassingsmodaliteiten van de bepalingen betreffende de overschrijding van de drempel en betreffende de voorziene optie, ingeval van niet overschrijding. De te vervullen formaliteiten voor de mededeling van de drempeloverschrijding alsook de modaliteiten voor het uitoefenen van de optie worden er toegelicht.

Voor de definitie van de begrippen ‘Telecommunicatiediensten, radio- en televisieomroepdiensten en langs elektronische weg verrichte diensten’, wordt verwezen naar Afdeling 3, titels 14 en 16, van dit Hoofdstuk en naar ‘Boekwerk VI: Specifieke topics – Hoofdstuk 16, Afdeling 4: Langs elektronische weg verrichte diensten’.

c. Uitzondering

De telecommunicatiediensten, radio- en televisieomroepdiensten en langs elektronische weg verrichte diensten, verstrekt door een hotelinrichting, vinden plaats daar waar het hotel gelegen is (artikel 21bis, § 2, 1°, van het Btw-Wetboek en artikel 31quater van de uitvoeringsverordening (EU) nr. 282/2011, voornoemd).

d. Problematiek betreffende het bewijs van de vestigingsplaats van de ontvanger van de dienst

De dienstverrichter dient op grond van een geheel van overeenstemmende elementen de plaats te bepalen waar de afnemer is gevestigd.

Wanneer de afnemer in meerdere landen is gevestigd (de afnemer heeft zijn woonplaats en gebruikelijke verblijfplaats in verschillende landen), zal voor de plaatsbepaling van de dienst rekening worden gehouden met de plaats van het daadwerkelijke verbruik van de dienst of met de plaats die dat het dichtst benadert. Een dergelijke situatie werd reeds besproken onder titel 2, rubriek B, subrubrieken c en d, van deze Afdeling (artikelen 23 en 24 van de uitvoeringsverordening (EU) nr. 282/2011 van de Raad van 15.03.2011, voornoemd en circulaire AFZ nr. 5/2011 van 27.06.2011, randnummers 46 en 47).

Als diensten, zoals telecommunicatiediensten, worden verstrekt op een adres buiten de Gemeenschap en het consumptiepatroon duidt op een verbruik op deze plaats, dragen deze elementen ertoe bij om te besluiten dat de ontvanger op deze plaats is gevestigd (circulaire AFZ nr. 19/2009 van 22.12.2009, randnummer 90).

e. Vermoedens met betrekking tot de vestigingsplaats van de ontvanger van de dienst

Aangezien in een aantal gevallen de vestigingsplaats van de ontvanger van de dienst niet eenvoudig kan worden vastgesteld, werden in dat kader verschillende wettelijke vermoedens ingevoerd.

In een B2C context (maar evenzeer in een B2B context) kan zodoende worden vermoed dat:

• indien de ontvanger fysiek op een plaats aanwezig moet zijn opdat de dienst voor hem kan worden verricht, zijn woonplaats geacht wordt zich op die plaats te bevinden (telefooncel, een wifi-hotspot, een internetcafé)

• indien de dienst aangeboden wordt aan boord van een schip, vliegtuig of trein, de woonplaats van de ontvanger geacht wordt zich te bevinden in het land van vertrek van de passagiersvervoerdienst (artikel 24bis van de uitvoeringsverordening (EU) nr. 282/2011, voornoemd).

De volgende wettelijke vermoedens gelden enkel in een B2C context (artikel 24ter van de uitvoeringsverordening (EU) nr. 282/2011).

Wijze waarop de dienst wordt aangebodenDe ontvanger wordt geacht gevestigd te zijn
Via een vaste lijnOp de plaats waar de vaste lijn geïnstalleerd is
Via mobiele netwerkenIn het land dat wordt aangeduid met de mobiele landencode van de simkaart
Via een decoderOp de plaats waar de decoder zich bevindt
via een viewing cardOp de plaats waarheen de viewing card is gezonden

f. Weerleggen van vermoedens

De dienstverrichter kan een hiervoor genoemd vermoeden weerleggen op grond van drie

afzonderlijke, niet-tegenstrijdige bewijsstukken, waaruit blijkt dat de ontvanger van de dienst gevestigd is of zijn woonplaats of gebruikelijke verblijfplaats op een andere plaats heeft. Volgende elementen kunnen, met name, als bewijs dienen:

• het factuuradres van de ontvanger van de dienst

• het internetprotocoladres (IP-adres) van het door de afnemer van de dienst gebruikte toestel of een andere methode voor het bepalen van de geografische locatie

• bankgegevens, zoals de plaats waar de voor de betaling gebruikte bankrekening wordt aangehouden of het factuuradres van de ontvanger van de dienst waarover die bank beschikt

• de mobiele landencode (MCC) van het IMSI-nummer (identiteitsnummer ten behoeve van internationale mobiliteit) dat is opgeslagen op de door de ontvanger van de dienst gebruikte simkaart (identiteitsmodule abonnee)

• de plaats van de vaste lijn van de ontvanger, langs welke de dienst voor hem wordt verricht

• andere relevante zakelijke gegevens (artikelen 24quinquies, lid 1, en 24 septies van de uitvoeringsverordening (EU) nr. 282/2011, voornoemd).

Een belastingdienst kan voornoemde vermoedens weerleggen in geval van aanwijzingen voor verkeerd gebruik of misbruik door de dienstverrichter (artikel 24quinquies, lid 2, van de uitvoeringsverordening (EU) nr. 282/2011, voornoemd).

g. Toelichting - Referentie

De diensten van de Europese Commissie hebben een, juridisch niet wettelijk bindende, toelichting gepubliceerd met betrekking tot de btw-regels betreffende de plaats van telecommunicatie-, radio en -omroepdiensten en langs elektronische weg verrichte diensten die in 2015 in werking zijn getreden.

De administratie sluit zich, wat betreft de interpretatie en de praktische toepassing van voornoemde nieuwe regels, volledig aan bij de inhoud van deze toelichting dewelke werd opgesteld in overleg met de verschillende lidstaten. De Nederlandstalige versie van die toelichting kan worden geraadpleegd via de website van de Europese Commissie op het volgende adres:

https://ec.europa.eu/taxation_customs/business/vat/telecommunications-broadcasting-electronic-services/sites/default/files/explanatory_notes_2015_nl_0.pdf

h. Voorbeelden

• Wanneer een voor privédoeleinden handelende en in België gedomicilieerde natuurlijke persoon MP3 en software (bv. antivirus…) downloadt via de website van een dienstverrichter gevestigd in Canada, is Belgische btw verschuldigd (artikel 21bis, § 2, 9°, eerste lid, van het Btw-Wetboek).

• Wanneer een niet voor de btw-doeleinden geïdentificeerde niet-belastingplichtige rechtspersoon, met maatschappelijke zetel te Brussel, facturen van een Canadees bedrijf ontvangt voor in België verrichte GSM-communicatie via satelliet, is Belgische btw verschuldigd. De afwijking voorzien in artikel 21bis, § 2, 9°, tweede tot vijfde lid, van het Btw-Wetboek is niet van toepassing aangezien de dienstverrichter niet in de Gemeenschap is gevestigd.

• In het kader van een in België georganiseerd muziekfestival verleent een, uitsluitend in België gevestigde, dienstverlener aan in andere lidstaten gevestigde niet-belastingplichtigen een recht van toegang tot een digitaal platform dat hun toelaat eerder opgenomen en gemonteerde video’s van artiesten te raadplegen. Uit deze grensoverschrijdende dienstprestatie behaalt hij een jaaromzet van minder dan 10.000 euro. De Belgische dienstverrichter, die geen intracommunautaire afstandsverkopen verricht, beschikt over de volgende mogelijkheden:

o Omdat voldaan werd aan de voorwaarden voor de plaatsbepaling van de dienst in België (plaats van de dienstverrichter), rekent hij Belgische btw aan (artikel 21bis, § 2, 9°, tweede lid, van het Btw-Wetboek)

o Indien hij ervoor opteert om als plaats van de dienst de lidstaat van de afnemer te nemen waar hij niet geïdentificeerd is voor de btw, rekent hij de btw aan van de lidstaat van de afnemer (artikel 21bis, § 2, 9°, vierde en eerste lid, van het Btw-Wetboek).

H. Diverse diensten verstrekt aan buiten de Gemeenschap gevestigde personen

a. Regel voor de plaatsbepaling

Ten aanzien van bepaalde diensten wordt als plaats van de dienst aangemerkt de plaats waar de ontvanger van de dienst is gevestigd of zijn woonplaats of zijn gebruikelijke verblijfplaats heeft, wanneer de dienst wordt verleend aan een ontvanger die buiten de Gemeenschap is gevestigd of aldaar zijn woonplaats of gebruikelijke verblijfplaats heeft (artikel 21bis, § 2, 10°, van het Btw-Wetboek ter omzetting van artikel 59 van de richtlijn 2006/112/EG, voornoemd).

Ingevolge deze bepaling worden de diensten, opgesomd in dat artikel, die worden verleend door een belastingplichtige gevestigd in België voor een niet-belastingplichtige ontvanger, gevestigd buiten de Gemeenschap, niet aan de btw onderworpen (circulaire AFZ nr. 19/2009 van 22.12.2009, randnummer 88).

De vestigingsplaats van een niet-belastingplichtige rechtspersoon is:

• de plaats waar de centrale bestuurstaken van die persoon worden uitgeoefend, of

• de plaats van iedere andere inrichting die gekenmerkt wordt door een voldoende mate van duurzaamheid en een - wat personeel en technische middelen betreft - geschikte structuur om de voor haar eigen behoeften verrichte diensten te kunnen afnemen en gebruiken (artikel 13bis van de uitvoeringsverordening (EU) nr. 282/2011, voornoemd).

b. Toepassingsvoorwaarden

Deze plaatsbepalingsregel is van toepassing indien de dienst:

• wordt verstrekt aan een niet belastingplichtige ontvanger in de zin van artikel 21, § 1, van het Btw-Wetboek en die buiten de Gemeenschap is gevestigd

• in de lijst a) tot en met h) van artikel 21bis, § 2, 10°, van het Btw-Wetboek is opgenomen (artikel 59, punten a) tot en met h), van de richtlijn 2006/112/EG).

Indien niet voldaan is aan een van deze voorwaarden, zoals het geval is voor de uitgesloten diensten (zie subrubriek d, hierna), worden deze diensten, overeenkomstig de hoofdregel, geacht plaats te vinden daar waar de dienstverrichter de zetel van zijn economische activiteit heeft (artikel 21bis, § 1, van het Btw-Wetboek).

Dit is, bijvoorbeeld, het geval voor de dienst bestaande uit het vertalen van teksten die verstrekt wordt aan ontvangers die in de Gemeenschap zijn gevestigd en die niet de hoedanigheid hebben van btw-belastingplichtige in de zin van artikel 21, § 1, van het Btw-Wetboek (artikel 29 van de uitvoeringsverordening (EU) nr. 282/2011).

c. Beoogde diensten

Artikel 21bis, § 2, 10°, a) tot h), van het Btw-Wetboek somt volgende diensten op:

• De overdracht en het verlenen van auteursrechten, octrooien, licentierechten, fabrieks- en handelsmerken en soortgelijke rechten

Kunnen als toepassingsgevallen worden genoemd:

o de tijdelijke overdracht van melkquota (beslissing nr. E.T. 87.178 van 09.01.1998)

o de overeenkomst waarbij de organisator van een of andere manifestatie aan een radio- en/of televisiestation de toestemming verleent om die manifestatie uit te zenden (beslissing nr. E.T. 79.369 van 04.02.1994). Bijvoorbeeld: de Belgische organisator van een concert van een bekende zangeres verleent aan de Japanse televisie het recht om het optreden in Japan uit te zenden

o de overdracht van gestandaardiseerde software voor zover het aantal materiële dragers dat aan de klant wordt verstrekt, miniem is in vergelijking met het aantal licenties dat verleend wordt. Het voorwerp van de overeenkomst is het verlenen van licentierechten op een standaardsoftware dan wel de overdracht van auteursrechten (zie Afdeling 2, titel 8, rubriek B, van dit Hoofdstuk en beslissing nr. E.T. 101.848 van 13.02.2002)

o de overdracht van quota voor de uitstoot van gassen met broeikaseffect, die vergelijkbaar zijn met soortgelijke rechten als licentierechten (Hof van Justitie van de Europese Unie, Arrest Strafzaak tegen A en B, zaak C-453/15, van 08.12.2016, punten 22 tot en met 30 en beslissing nr. E.T. 109.133 van 16.03.2005).

• Diensten op het gebied van reclame

Kunnen, bij wijze van voorbeeld, worden geciteerd:

o de reclame voor de verhuur van een al dan niet in België gelegen woning (beslissing nr. E.T. 28.579 van 05.04.1979)

o het ontwerpen van een reclameaanplakbiljet zonder het zelf te drukken en, meer algemeen, zonder aan de afnemer andere diensten te verlenen (beslissing nr. E.T. 31.009 van 07.05.1979)

o het ter beschikking stellen van ruimte voor het aanbrengen van reclame of van een reclamebord, door een persoon wiens economische activiteit er hoofdzakelijk (reclamebureau) of bijkomstig (sportclub) in bestaat reclame te voeren (beslissing nr. E.T. 77.024 van 10.05.1999)

o de dienst bestaande in de uitwerking, de tijdelijke terbeschikkingstelling en, in voorkomend geval, het vervoer en de montage van een beurs- of expositiestand die ontworpen of gebruikt wordt voor reclamedoeleinden ( Hof van Justitie van de Europese Unie, Arrest Inter-Mark, zaak C-530/09, van 27.10.2011, punten 20 en 33, zie Afdeling 3, titel 1, rubriek H, van dit Hoofdstuk).

• Diensten verricht door raadgevende personen, ingenieurs, adviesbureaus, advocaten, accountants en andere soortgelijke diensten, alsmede gegevensverwerking en informatieverschaffing

Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft in het arrest von Hoffmann voor recht verklaard dat betreffende wettelijke bepaling niet gaat om de titel verbonden aan beroepen, zoals het beroep van raadgever, ingenieur, advocaat of accountant, maar om diensten die hoofdzakelijk en gewoonlijk worden verricht in het kader van de in dit artikel genoemde beroepen. De gemeenschapswetgever gebruikt de in deze bepaling genoemde beroepen als middel om de daarin bedoelde categorieën van diensten te omschrijven. Het begrip ‘andere soortgelijke diensten’ verwijst inzonderheid naar soortgelijke diensten als elk van deze activiteiten, afzonderlijk beschouwd. Een dienst moet als een soortgelijke dienst als één van de in dit artikel genoemde activiteiten worden beschouwd, wanneer beide hetzelfde doel hebben (Hof van Justitie van de Europese Unie, Arrest Von Hoffmann, zaak C-145/96, van 16.09.1997, punten 15, 20 en 21).

Hierna volgen een aantal toepassingsgevallen met betrekking tot dergelijke diensten:

o de dienst verricht door personen die teksten schrijven, vertalen of verbeteren, alsmede de diensten verricht door tolken (artikel 41 van de uitvoeringsverordening (EU) nr. 282/2011, voornoemd, beslissing nr. E.T. 28.456 van 14.07.1978) (zie Afdeling 3, titel 1, rubriek D, subrubriek b, van dit Hoofdstuk)

o diensten van ingenieurs die bestaan in de uitvoering van onderzoeks- en ontwikkelingswerkzaamheden op het gebied van leefmilieu en technologie (Hof van Justitie van de Europese Unie, Arrest Kronospan Mielec, zaak C-222/09, van 07.10.2010, punt 30)

o de terbeschikkingstelling van beursinformatie

o het verlenen van telefonische support bij het gebruik van een computerprogramma

o het ter beschikking stellen van het adressenbestand van de abonnees op een tijdschrift door de uitgever van dit tijdschrift (beslissing nr. E.T. 31.320 van 15.03.1979)

o de diensten van gerechtelijke deskundigen, met uitzondering van de prestaties die bestaan in de expertise van een roerend goed of een onroerend goed uit zijn aard (aanschrijving nr. 15/1979 van 25.07.1979)

o het analyseren van farmaceutische of andere producten (beslissing nr. E.T. 76.563 van 25.11.1992)

o het louter verstrekken van advies en informatie aan een passieve holding gevestigd buiten de Gemeenschap (beslissing nr. E.T. 95.797 van 19.10.1999).

• De verplichting om een beroepsactiviteit of bovengenoemd intellectueel recht geheel of gedeeltelijk niet uit te oefenen

• Bank-, financiële en verzekeringsverrichtingen met inbegrip van herverzekeringsverrichtingen en met uitzondering van de verhuur van safeloketten

Bijvoorbeeld: de diensten van incassobureaus wier prestaties bestaan in het invorderen van schuldvorderingen voor rekening van derden, tegen betaling van een vergoeding (beslissing nr. E.T. 35.243 van 12.03.1990).

• Het ter beschikking stellen van personeel

• De verhuur van lichamelijke roerende goederen, met uitzondering van alle vervoermiddelen

De verhuur van containers is hier, onder andere, beoogd (beslissing nr. E.T. 95.212 van 01.12.1999)

• Het bieden van toegang tot een op het grondgebied van de Gemeenschap gesitueerd aardgassysteem of een op een dergelijk systeem aangesloten net, tot het elektriciteitssysteem of tot warmte- of koudenetten, alsmede het verrichten van transmissie- of distributiediensten via deze systemen of netten en het verrichten van andere daarmee rechtstreeks verbonden diensten.

De verhuur van meters is, onder andere, een daarmee rechtstreeks verbonden dienst.

Voorbeeld

Een in Antwerpen gevestigde notaris stelt een successieaangifte voor rekening van een gepensioneerde erfgenaam.

Eerste hypothese: de erfgenaam woont in Zwitserland.

De dienst vindt plaats in Zwitserland, land waar de afnemer zijn woonplaats heeft, aangezien het om een derde land gaat, dit wil zeggen, een gebied dat niet binnen een lidstaat van de Gemeenschap is gelegen (artikel 21bis, § 2, 10°, c), van het Btw-Wetboek.

Tweede hypothese: de erfgenaam woont in Monaco.

De dienst vindt plaats in België, in het land waar de notaris is gevestigd (artikel 21bis, § 1, van het Btw-Wetboek. De afnemer is immers binnen de Gemeenschap gevestigd, het Vorstendom Monaco dat deel uitmaakt van de Franse Republiek (artikel 1, § 5, 2°, van het Btw-Wetboek).

d. Uitgesloten diensten

Onderstaande diensten worden niet beoogd door artikel 21bis, § 2, 10°, van het Btw-Wetboek:

• de diensten verricht door een dierenarts (Hof van Justitie van de Europese Unie, Arrest Linthorst, zaak C-167/95, van 06.03.1997, punten 19 tot en met 23)

• de diensten verricht door bemiddelaars of arbitragekamers, zelfs indien ze worden verricht door advocaten

In het arrest von Hoffmann heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie beslist dat de diensten van een arbiter niet kunnen worden beschouwd als diensten van advocaten of als soortgelijke diensten.

Daar het niet gaat om de titel verbonden aan de beoogde beroepen maar om de diensten die door deze beroepen worden verricht, dient, volgens het Hof, gekeken te worden naar de aard van de prestatie. Een advocaat is een belangenbehartiger terwijl een arbiter een bemiddelaar is en aldus geen belangen behartigt zoals een advocaat doet. Om dezelfde reden verricht hij geen soortgelijke diensten (Hof van Justitie van de Europese Unie, Arrest von Hoffmann, zaak C-145/96, van 16.09.1997, punten 17, 18 en 22 tot en met 26).

Voor de bedoelde scheidsrechtelijke beslissingen van advocaten-arbiters die worden verstrekt aan buiten de Gemeenschap gevestigde niet-belastingplichtige ontvangers dient de hoofdregel te worden toegepast volgens dewelke de plaats van de dienst de plaats is waar de dienstverrichter is gevestigd (artikel 21bis, § 1, van het Btw-Wetboek). In dat geval moet een Belgische advocaat-arbiter dus altijd Belgische btw aanrekenen, ook aan een buiten de Gemeenschap gevestigde niet-belastingplichtige ontvanger (circulaire AAFisc nr. 47/2013 (E.T. 124.411) van 20.11.2013, randnummers 50 en 51).

• de diensten, verstrekt door een in België gevestigde dienstverrichter aan een buiten de Gemeenschap gevestigde passieve holding, van beheer en leiding in het kader van een mandaat of nog krachtens een overeenkomst waardoor eerstgenoemde over de mogelijkheid beschikt zijn beleidslijnen aan laatstgenoemde op te leggen (schriftelijke parlementaire vraag nr. 493 van de heer Volksvertegenwoordiger François-Xavier de Donnea van 28.05.2009 en beslissing nr. E.T. 95.797 van 19.10.1999) (zie titel 1, rubriek B, subrubriek b, van deze Afdeling)

• het verlenen van bijstand door een advocaat aan een vluchteling met woonplaats in een niet-EU-lidstaat die tijdens de procedure feitelijk in België verblijft. In het geval van een natuurlijke persoon, wordt er immers voorrang gegeven aan de gebruikelijke verblijfplaats, hetgeen verwijst naar een feitelijke situatie, namelijk een plaats waar een natuurlijke persoon het grootste deel van zijn tijd doorbrengt (artikel 24, lid 2, van de uitvoeringsverordening (EU) nr. 282/2011, voornoemd).

Dezelfde oplossing geldt wanneer een advocaat bijstand verleent aan een gedetineerde met woonplaats buiten de Gemeenschap die tijdens de procedure feitelijk in België verblijft (beslissing nr. E.T. 126.564 van 18.07.2014).

e. Problematiek betreffende het bewijs van de vestigingsplaats van de ontvanger van de dienst

Wanneer de betreffende diensten opgesomd zijn in artikel 21bis, § 2, 10°, van het Btw-Wetboek (bijvoorbeeld de intellectuele diensten), zijn ze belastbaar op de plaats van vestiging van de ontvanger. Het is voldoende dat de dienstverrichter aantoont dat de ontvanger buiten de Gemeenschap is gevestigd. Hij dient dan geen btw aan te rekenen op de verstrekte dienst.

De dienstverrichter dient op grond van een geheel van overeenstemmende elementen de plaats te bepalen waar de ontvanger is gevestigd.

Wanneer de ontvanger in meerdere landen is gevestigd (de afnemer heeft zijn woonplaats en gebruikelijke verblijfplaats in verschillende landen), zal voor de plaatsbepaling van de dienst rekening worden gehouden met de plaats van het daadwerkelijke verbruik van de dienst of met de plaats die dat het dichtst benadert. Een dergelijke situatie werd reeds besproken onder titel 2, rubriek B, subrubrieken c en d, van deze Afdeling 8 (artikelen 3, punt c), 23 en 24 van de uitvoeringsverordening (EU) nr. 282/2011, voornoemd, circulaire AFZ nr. 5/2011 van 27.06.2011, randnummers 10, 46 en 47).

Om de vestigingsplaats van de ontvanger te bewijzen, zal de dienstverrichter dus de nodige gegevens van hem moeten verkrijgen en de juistheid van deze gegevens moeten onderzoeken aan de hand van de bestaande veiligheidsprocedures. Voor een niet-belastingplichtige ontvanger (B2C-context) zouden een paspoort, identiteitskaart of elk ander gelijkaardig document nuttige gegevens kunnen verschaffen over de woonplaats of verblijfplaats van de ontvanger.

Het spreekt vanzelf dat de gegevens die door de ontvanger worden verstrekt (zoals bij belastingplichtige ontvangers) bijkomend zullen moeten worden gestaafd door andere inlichtingen die worden bijeengebracht door de dienstverrichter of die reeds in zijn bezit zijn en die meer bepaald gebruikt worden voor het beheer van de betalingen en het onderzoek naar de solvabiliteit (circulaire AFZ nr. 19/2009 van 22.12.2009, randnummer 90).

I. Diensten van tussenpersonen

a. Regel voor de plaatsbepaling

Als plaats van de dienst wordt aangemerkt de plaats waar de hoofdhandeling wordt verricht wanneer het de tussenkomst betreft van een tussenpersoon die niet handelt als bedoeld in artikel 13, § 2, van het Btw-Wetboek (artikel 21bis § 2, 12°, van het Btw-Wetboek ter omzetting van artikel 46 van de richtlijn 2006/112/EG, voornoemd).

In een dergelijk geval dienen voor de plaatsbepaling van de onderliggende dienst dezelfde regels van toepassing te zijn als voor de hoofdhandeling waarvoor bedoelde tussenpersoon tussenkomst verleent (circulaire AFZ nr. 19/2009 van 22.12.2009, randnummer 93).

b. Voorwerp en aard van het contract

Onder ‘diensten van tussenpersonen’ wordt verstaan de diensten verricht door tussenpersonen die handelen in naam en voor rekening van een derde, zijnde een makelaar (zie Afdeling 3, titel 1, rubriek E, van dit Hoofdstuk) of een lasthebber (zie Afdeling 3, titel 3, van dit Hoofdstuk) met uitzondering van een commissionair of ieder andere tussenpersoon die handelt onder de voorwaarden van artikel 13, § 2, van het Btw-Wetboek (zie Afdeling 7, van dit Hoofdstuk).

Er moet geen onderscheid worden gemaakt naargelang:

• de tussenpersoon handelt in naam en voor rekening van de afnemer dan wel van de dienstverrichter van de hoofdhandeling (artikel 30 van de uitvoeringsverordening (EU) nr. 282/2011, voornoemd, circulaire AFZ nr. 5/2011 van 27.06.2011, randnummer 53)

• deze hoofdhandeling een levering van goederen, een dienst of een intracommunautaire verwerving van goederen is waarvan de plaats wordt bepaald overeenkomstig de regels voorzien in de artikelen 14, 14bis, 15, 21, 21bis of 25quinquies van het Btw-Wetboek

• deze hoofdhandeling effectief met btw is belast of niet.

De regel die ingesteld is door artikel 21bis, § 2, 12°, van het Btw-Wetboek is derhalve van toepassing ongeacht de hoedanigheid van de personen die de handeling verrichten waarvoor bedoelde tussenpersoon tussenkomst verleend (circulaire AOIF nr. 16/2010 van 25.02.2010, randnummers 71 tot en met 77).

c. Toepassingsgevallen

Artikel 21bis, § 2, 12°, van het Btw-Wetboek is van toepassing in de volgende gevallen.

• De diensten van makelaars en lasthebbers die bemiddelen bij het verstrekken van accommodatie in het hotelbedrijf of in een sector met een soortgelijke functie. Deze diensten moeten niet worden behandeld als diensten met betrekking tot onroerende goederen (artikel 31 van de uitvoeringsverordening (EU) nr. 282/2011, voornoemd, circulaire AFZ nr. 5/2011 van 27.06.2011, randnummer 54).

• Een onafhankelijke tussenpersoon, gevestigd in Gent, komt op vraag van een verkoper (ook in Gent gevestigd) die voor privédoeleinden handelt, tussen bij de verkoop van een auto. De auto wordt verkocht en naar een koper in Oekraïne verstuurd. De dienst van de makelaar vindt plaats in België, zijnde de lidstaat waar de hoofdhandeling plaatsvindt (de levering van de auto vindt plaats in België omdat de auto zich hier bevindt op het tijdstip van vertrek van de verzending of het vervoer).

• Een tussenpersoon gevestigd in Frankrijk komt tussen, op vraag van een in Nederland gevestigde niet-belastingplichtige, bij een maakloonwerk met betrekking tot een roerend goed dat wordt verricht door een belastingplichtige gevestigd in België. De dienst van de tussenpersoon wordt dan geacht plaats te vinden in België, namelijk de lidstaat waar de hoofdhandeling plaatsvindt (het maakloonwerk vindt plaats in België, waar het werk materieel wordt verricht).

d. Vrijstellingen

Zijn, bijvoorbeeld, van de belasting vrijgesteld wanneer ze in België plaatsvinden, de diensten van makelaars of lasthebbers (die niet handelen als in artikel 13, § 2, van het Btw-Wetboek) die tussenkomen bij handelingen die plaatsvinden buiten de Gemeenschap of van de btw vrijgesteld zijn, namelijk om reden van uitvoer, (artikel 41, § 2, van het Btw-Wetboek en circulaire AOIF nr. 16/2010 van 25.02.2010, randnummers 49 tot en met 59).

5. Afwijkende plaatsbepalingsregel ‘use and enjoyment’

Vooraf moet worden opgemerkt dat de diensten die beoogd worden door de regel inzake ‘use and enjoyment’ op drie niveaus worden geciteerd, respectievelijk in de richtlijn 2006/112/EG, voornoemd, het Btw-Wetboek en het koninklijk besluit nr. 57 van 31.10.2017, voornoemd.

Er moet bijgevolg een onderscheid worden gemaakt tussen, enerzijds, het mogelijke toepassingsgebied van de regel ‘use and enjoyment’ – bestaande uit de richtlijn 2006/112/EG (mogelijkheid die aan de lidstaten wordt geboden) en het Btw-Wetboek (delegatie aan de Koning) dat al beperkter is – en, anderzijds, het daadwerkelijke toepassingsgebied van deze regel, dat nog bijkomend beknot wordt. Koninklijk besluit nr. 57 beoogt immers alleen de goederenvervoerdiensten en ermee samenhangende diensten, in een B2B-relatie.

Van de drie voornoemde niveaus, met een zeer variabele omvang, laat alleen het toepassingsgebied van het koninklijk besluit nr. 57 toe om de regel van de ‘use and enjoyment’ daadwerkelijk uit te voeren.

A. Mogelijkheid tot afwijking in de relaties B2B en B2C

Krachtens artikelen 21, § 4, en 21bis, § 3, van het Btw-Wetboek ter omzetting van artikel 59bis van de richtlijn 2006/112/EG () is het mogelijk om, onder bepaalde voorwaarden, af te wijken van de plaatsbepalingsregels vermeld onder titels 3 en 4 van deze Afdeling. Deze afwijking kan niettemin enkel betrekking hebben op de diensten die op limitatieve wijze opgesomd worden in voornoemde artikelen.

Het doel van deze mogelijkheid tot afwijking is, onder andere, om:

• situaties te voorkomen die zouden kunnen leiden tot een dubbele of niet-heffing, of zelfs concurrentieverstoring

• de lidstaten toe te laten de plaats van werkelijk gebruik of exploitatie in aanmerking te nemen voor de bepaling van de plaats van bepaalde diensten.

B. Afwijking in de B2B relatie

‘Teneinde dubbele heffing of niet-heffing van de belasting alsmede concurrentieverstoring te voorkomen, kan de Koning, voor de diensten bedoeld in de paragrafen 2 en 3, 5° of voor sommige ervan:

1° de plaats van deze diensten, die krachtens dit artikel in België is gelegen, aanmerken als buiten de Gemeenschap te zijn gelegen, wanneer het werkelijke gebruik of de werkelijke exploitatie buiten de Gemeenschap geschieden;

2° de plaats van deze diensten die, krachtens dit artikel, buiten de Gemeenschap is gelegen, aanmerken als in België te zijn gelegen, wanneer het werkelijke gebruik of de werkelijke exploitatie in België geschieden (artikel 21, § 4, van het Btw-Wetboek).’

De enige diensten die worden beoogd, zijn de diensten die vallen onder de hoofdregel inzake plaatsbepaling en onder de regel betreffende de verhuur op korte termijn van een vervoermiddel.

Om te kunnen worden toegepast, vereist deze bepaling van het Btw-Wetboek het aannemen van een uitvoerend koninklijk besluit. Dit wordt besproken onder rubriek C, van deze titel.

C. Toepassing van de afwijking in een B2B relatie

In een B2B-relatie werd in België een toepassingsmaatregel van de afwijking, voorzien in artikel 21, § 4, van het Btw-Wetboek, ingevoerd voor de goederenvervoerdiensten en ermee samenhangende diensten.

Artikel 1 van het koninklijk besluit nr. 57 (oud) van 17.03.2010 (Belgisch Staatsblad van 25.03.2010), dat in werking is getreden op 04.04.2010 heeft, voor de eerste keer, artikel 21, § 4, 1°, van het Btw-Wetboek geïmplementeerd. Voornoemd koninklijk besluit werd opgeheven door artikel 2 van het koninklijk besluit nr. 57 (nieuw) van 31.10.2017 (Belgisch Staatsblad van 13.11.2017) met betrekking tot de plaats van diensten in functie van hun werkelijke gebruik of hun werkelijke exploitatie inzake belasting over de toegevoegde waarde wat goederenvervoerdiensten en ermee samenhangende diensten betreft, dat in werking is getreden op 23.11.2017.

Het koninklijk besluit nr. 57 (nieuw) wordt besproken in de circulaire 2018/C/68 van 31.05.2018 betreffende de plaats van goederenvervoerdienstn en ermee samenhangende diensten in functie van hun daadwerkelijk gebruik (use and enjoyment-regel)(E.T. 132.830).

a. Eerste regel inzake de plaatsbepaling: buiten de Gemeenschap, plaats van het werkelijk gebruik of van de werkelijke exploitatie van de dienst

Artikel 1, § 1, van het koninklijk besluit nr. 57 (nieuw), voornoemd, bepaalt het volgende:

‘Overeenkomstig artikel 21, § 4, 1°, van het Wetboek wordt de plaats van navolgende diensten die op grond van artikel 21, § 2, van het Wetboek in België is gelegen, in afwijking hiervan, geacht buiten de Gemeenschap te zijn gelegen, wanneer het werkelijke gebruik of de werkelijke exploitatie buiten de Gemeenschap geschieden:

1° de goederenvervoerdiensten;

2° de diensten die met het goederenvervoer samenhangen zoals het laden, lossen, de behandeling van goederen en soortgelijke activiteiten.

Het werkelijke gebruik of de werkelijke exploitatie van goederenvervoerdiensten en van de diensten die met goederenvervoer samenhangen geschiedt buiten de Gemeenschap wanneer het volledige traject van de goederenvervoerdienst wordt afgelegd buiten de Gemeenschap.’

Deze toepassing zal geen enkel probleem veroorzaken op het niveau van de Gemeenschap. Als een lidstaat beslist om een dienst die wordt verricht op zijn grondgebied aan te merken als een dienst waarvan het werkelijke gebruik of exploitatie buiten de Gemeenschap plaatsvindt zodat deze niet moet worden belast, heeft dat inderdaad in principe geen gevolgen voor de andere lidstaten (circulaire AFZ nr. 19/2009 van 22.12.2009, randnummer 64).

Om te bepalen dat het werkelijke gebruik of de werkelijke exploitatie van een goederenvervoerdienst buiten de Gemeenschap plaatsvindt, werden in artikel 1 van het koninklijk besluit nr. 57 (oud) de afgelegde afstanden buiten de Gemeenschap als criterium weerhouden.

Om praktische redenen, nam de administratie aan dat enkel het vervoer waarvan zowel de plaats van vertrek, de plaats van aankomst als het gehele afgelegde traject buiten de Gemeenschap liggen, door deze bepaling beoogd was.

Het koninklijk besluit nr. 57 (nieuw) bevestigt het administratieve standpunt volgens hetwelk het werkelijke gebruik of de werkelijke exploitatie van de goederenvervoerdiensten en de diensten die met het goederenvervoer samenhangen buiten de Gemeenschap geschieden wanneer het volledige traject van de goederenvervoerdiensten wordt afgelegd buiten de Gemeenschap.

A contrario worden de goederenvervoersdiensten die, overeenkomstig artikel 21, § 2, van het Btw-Wetboek, in België plaatsvinden en waarbij de afgelegde afstanden deels binnen en deels buiten de Gemeenschap gelegen zijn, niet bedoeld in artikel 21, § 4, 1°, van het Btw-Wetboek en in artikel 1, § 1, van koninklijk besluit nr. 57 (nieuw), aangezien het werkelijke gebruik of de werkelijke exploitatie niet volledig buiten de Gemeenschap geschiedt (bijvoorbeeld de situatie waarbij goederen worden vervoerd tussen België en Italië via Zwitserland) (schriftelijke parlementaire vraag nr. 241 van de heer Volksvertegenwoordiger Christian Brotcorne van 24.01.2011).

b. Tweede regel inzake de plaatsbepaling: in België, plaats van het werkelijk gebruik of van de werkelijke exploitatie van de dienst

Artikel 1, § 2, van het koninklijk besluit nr. 57 (nieuw), voornoemd, bepaalt het volgende:

‘Overeenkomstig artikel 21, § 4, 2°, van het Wetboek wordt de plaats van de in paragraaf 1, eerste lid, 1° en 2° bedoelde diensten die op grond van artikel 21, § 2 van het Wetboek buiten de Gemeenschap is gelegen, in afwijking hiervan, geacht in België te zijn gelegen, wanneer het werkelijke gebruik of de werkelijke exploitatie in België geschieden.

Het werkelijke gebruik of de werkelijke exploitatie van goederenvervoerdiensten en van de diensten die met goederenvervoer samenhangen geschiedt in België wanneer het volledige traject van de goederenvervoerdienst wordt afgelegd in België.’

Deze bepaling voert zo, voor de voormelde diensten, de tegenhanger in van de bepaling opgenomen in paragraaf 1, van artikel 1, van het koninklijk besluit nr. 57 (nieuw) door de betrokken diensten in België te laten plaatsvinden wanneer die er werkelijk worden gebruikt of werkelijk worden geëxploiteerd.

Wanneer de toepassing van de algemene regel van artikel 21, § 2, van het Btw-Wetboek ten aanzien van de goederenvervoerdiensten en de diensten die met het goederenvervoer samenhangen tot gevolg heeft dat die diensten plaatsvinden buiten de Gemeenschap omdat de belastingplichtige afnemer daar gevestigd is, zullen die diensten bijgevolg voortaan geacht worden in België plaats te vinden wanneer hun werkelijke gebruik of werkelijke exploitatie in België plaatshebben.

Voor de toepassing van deze nieuwe bepaling geschiedt het werkelijke gebruik of de werkelijke exploitatie van de goederenvervoerdiensten en de diensten die met het goederenvervoer samenhangen in België wanneer het volledige traject van de goederenvervoerdienst wordt afgelegd in België (zie verslag aan de Koning bij het koninklijk besluit nr. 57 van 31.10.2017, Belgisch Staatsblad van 13.11.2017).

c. Voorbeelden

• Een bedrijf in Rotterdam, Hans, verricht goederenvervoerdiensten voor opdrachtgever Paul, commissionair-expediteur, in Brussel gevestigd en Belgische belastingplichtige indiener, van:

o Brussel tot Singapore

De goederenvervoerdiensten vinden plaats daar waar de afnemer de zetel van zijn economische activiteit heeft gevestigd, zijnde België (artikel 21, § 2, van het Btw-Wetboek) (dat vervoer dat rechtstreeks in verband staat met een uitvoer is van de btw vrijgesteld krachtens artikel 41, § 1, eerste lid, 3°, van het Btw-Wetboek).

o Singapore tot Antwerpen

De goederenvervoerdiensten vinden plaats daar waar de afnemer de zetel van zijn economische activiteit heeft gevestigd, zijnde België (artikel 21, § 2, van het Btw-Wetboek) (dat vervoer is van de btw vrijgesteld onder de voorwaarden van artikel 41, § 1, eerste lid, 2°, van het Btw-Wetboek).

o Singapore tot Hong Kong

De goederenvervoerdiensten die, in principe, in België plaatsvinden (artikel 21, § 2, van het Btw-Wetboek), worden bij afwijking geacht plaats te vinden buiten de Gemeenschap (artikel 1 van het koninklijk besluit nr. 57 (nieuw), voornoemd). Het volledige traject vindt immers buiten de Gemeenschap plaats.

• Een bedrijf dat in Luxor (Egypte) is gevestigd, vervoert goederen van Luxor naar Caïro (Egypte) op verzoek van een in Luik gevestigde belastingplichtige-indiener.

Aangezien het werkelijke gebruik van de goederenvervoerdienst volledig buiten de Gemeenschap is gelegen, wordt de vervoerdienst geacht plaats te vinden buiten de Gemeenschap (artikel 21, § 4, 1°, van het Btw-Wetboek en artikel 1 van het koninklijk besluit nr. 57 (nieuw), voornoemd).

• Een in België gevestigde vervoerder vervoert pakjes voor rekening van een opdrachtgever, als zodanig handelende belastingplichtige, die in Zwitserland, Bern, is gevestigd, van:

o Luik tot Bern

De goederenvervoerdienst vindt plaats daar waar de afnemer de zetel van zijn economische activiteit heeft gevestigd, zijnde buiten de Gemeenschap (artikel 21, § 2, van het Btw-Wetboek). De regel vervat in artikel 1, § 2, van het koninklijk besluit nr. 57 (nieuw), voornoemd, speelt niet aangezien het vervoer niet volledig in België plaatsvindt.

o Bern tot Luik

Zie oplossing vervoer van Luik tot Bern.

o Luik tot Aalst (zonder het land te verlaten)

De goederenvervoerdienst vindt plaats daar waar de afnemer de zetel van zijn economische activiteit heeft gevestigd, zijnde buiten de Gemeenschap (artikel 21, § 2, van het Btw-Wetboek). De dienst wordt evenwel geacht in België plaats te vinden, zijnde de plaats van het werkelijke gebruik of de werkelijke exploitatie (artikel 1, § 2, van het koninklijk besluit nr. 57 (nieuw), voornoemd).

D. Geen afwijkende regel in een B2C-relatie

Artikel 21bis, § 3, van het Btw-Wetboek stemt overeen met artikel 21, § 4, van het Btw-Wetboek, met dien verstande dat deze maatregel ter voorkoming van dubbele heffing of niet-heffing van de belasting slechts zin heeft voor diensten die bedoeld zijn in artikel 21bis, § 1 en § 2, 7° en 10°, a) tot en met j), van het Btw-Wetboek.

Zijn dus inzonderheid beoogd: de diensten die vallen onder de hoofdregel inzake plaatsbepaling, de verhuur op korte termijn van vervoermiddelen en de diverse diensten verstrekt aan niet-belastingplichtige personen die buiten de Gemeenschap gevestigd zijn.

Er werd in België geen enkele uitvoeringsbepaling ingevoerd met betrekking tot deze afwijkende regel.

6. Samenvatting van de regels inzake plaatsbepaling

Om didactische redenen volgt hierna een samenvatting van de plaatsbepalingsregels met betrekking tot:

• vervoerdiensten en ermee samenhangende diensten

• culturele, artistieke, sportieve, wetenschappelijke, onderwijs-, en vermakelijkheidsevenementen of soortgelijke evenementen

• diensten van tussenpersonen

• alle diensten, in de vorm van samenvattende tabellen.

A. Vervoerdiensten en ermee samenhangende diensten

a. Personenvervoer

Personenvervoerdiensten worden geacht plaats te vinden op de plaats waar het vervoer wordt verricht, dit in verhouding tot de afgelegde afstanden, ongeacht of het een binnenlands, een intracommunautair of extracommunautair personenvervoer betreft, en dit zowel in een B2B als in een B2C context (artikelen 21, § 3, 2°, en 21bis, § 2, 2°, van het Btw-Wetboek).

b. Goederenvervoer

Er dient een onderscheid te worden gemaakt tussen een B2B context en een B2C context.

• B2B context

Ieder goederenvervoer wordt gelokaliseerd overeenkomstig de hoofdregel, zijnde daar waar de ontvanger de zetel van zijn economische activiteit heeft gevestigd (artikel 21, § 2, van het Btw-Wetboek).

Het koninklijk besluit nr. 57 (nieuw), voornoemd, die uitvoering geeft aan artikel 21, § 4, 1°, van het Btw-Wetboek, voorziet evenwel in twee afwijkingen.

Een goederenvervoerdienst die op grond van artikel 21, § 2, van het Btw-Wetboek in België plaatsvindt, zal in afwijking hiervan, geacht worden buiten de Gemeenschap plaats te vinden, wanneer het werkelijke gebruik of de werkelijke exploitatie van de dienst buiten de Gemeenschap geschiedt (artikel 1, § 1, van het koninklijk besluit nr. 57 (nieuw), voornoemd).

Omgekeerd, een goederenvervoer dat op grond van artikel 21, § 2, van het Btw-Wetboek buiten de Gemeenschap plaatsvindt, zal ingevolge hetzelfde koninklijk besluit geacht worden in België plaats te vinden wanneer het volledig in België wordt verricht (artikel 1, § 2, van het koninklijk besluit nr. 57 (nieuw), voornoemd).

• B2C context

o Andere goederenvervoerdiensten dan het intracommunautair goederenvervoer

De andere goederenvervoerdiensten dan het intracommunautair goederenvervoer vinden plaats daar waar het vervoer wordt verricht, dit in verhouding tot de afgelegde afstanden (pro rata regel). Deze regel is zowel van toepassing op het nationale goederenvervoer als op het internationale goederenvervoer waarvan de plaats van vertrek en/of aankomst buiten de Gemeenschap gelegen is (zijn) (artikel 21bis, § 2, 3°, van het Btw-Wetboek).

o Intracommunautair goederenvervoer

Het intracommunautair vervoer van goederen wordt geacht plaats te vinden op de plaats van het vertrek van het vervoer (artikel 21bis, § 2, 4°, van het Btw-Wetboek).

c. De met goederenvervoer samenhangende diensten

• B2B context

De met goederenvervoer samenhangende diensten, zoals het laden, lossen, behandelen en soortgelijke activiteiten, worden gelokaliseerd overeenkomstig de hoofdregel, zijnde daar waar de ontvanger de zetel van zijn economische activiteit heeft gevestigd (artikel 21, § 2, van het Btw-Wetboek).

Het koninklijk besluit nr. 57, voornoemd, dat uitvoering geeft aan artikel 21, § 4, 1°, van het Btw-Wetboek, voorziet evenwel in twee afwijkingen.

Een goederenvervoerdienst die op grond van artikel 21, § 2, van het Btw-Wetboek in België plaatsvindt, zal in afwijking hiervan, geacht worden buiten de Gemeenschap plaats te vinden, wanneer het werkelijke gebruik of de werkelijke exploitatie van de dienst buiten de Gemeenschap geschiedt (artikel 1, § 1, van het koninklijk besluit nr. 57 (nieuw), voornoemd).

Omgekeerd, een goederenvervoer dat op grond van artikel 21, § 2, van het Btw-Wetboek buiten de Gemeenschap plaatsvindt, wordt bij afwijking geacht in België plaats te vinden wanneer het werkelijke gebruik of de werkelijke exploitatie daar geschiedt (artikel 1, § 2, van het koninklijk besluit nr. 57 (nieuw), voornoemd).

De opslag van goederen is uitgesloten. Deze vindt plaats:

o daar waar het onroerend goed gelegen is wanneer de dienst betrekking heeft op de toekenning van een exclusief recht van gebruik, van een (bepaald gedeelte van een) onroerend goed (artikel 21, § 3, 1°, van het Btw-Wetboek)

o overeenkomstig de hoofdregel, daar waar de ontvanger de zetel van zijn economische activiteit heeft, wanneer de dienst betrekking heeft op de toekenning van een niet exclusief recht van gebruik van een (bepaald gedeelte van een) onroerend goed of wanneer de dienst gepaard gaat met aanvullende (economische) activiteiten die de eigenaar van het onroerend goed verricht ten behoeve van de huurder (eigenaar van de opgeslagen goederen) (artikel 21, § 2 , van het Btw-Wetboek).

• B2C context

De met goederenvervoer samenhangende diensten vinden plaats daar waar deze diensten materieel plaatsvinden (artikel 21bis, § 2, 6°, b), van het Btw-Wetboek).

De opslag van goederen is uitgesloten. Deze vindt plaats:

o daar waar het onroerend goed gelegen is wanneer de dienst betrekking heeft op de toekenning van een exclusief recht van gebruik, van een (bepaald gedeelte van een) onroerend goed (artikel 21bis, § 2, 1°, van het Btw-Wetboek)

o overeenkomstig de hoofdregel, daar waar de dienstverrichter de zetel van zijn economische activiteit heeft, wanneer de dienst betrekking heeft op de toekenning van een niet exclusief recht van gebruik van een (bepaald gedeelte van een) onroerend goed of wanneer de dienst gepaard gaat met aanvullende (economische) activiteiten die de eigenaar van het onroerend goed verricht ten behoeve van de huurder (eigenaar van de opgeslagen goederen) (artikel 21bis, § 1, van het Btw-Wetboek).

B. Culturele, artistieke, sportieve, wetenschappelijke, educatieve, vermakelijkheids- of soortgelijke evenementen

Er moet een onderscheid worden gemaakt tussen het verlenen van toegang tot een punctueel evenement, hetgeen de toestemming omvat om de plaats waar het evenement plaatsvindt te betreden of op zijn minst het evenement bij te wonen, en alle andere diensten die worden verstrekt in het kader van betreffende activiteiten of evenementen.

a. De diensten inzake het verlenen van toegang tot een evenement dat voor iedereen toegankelijk is en de met toegangsverlening samenhangende diensten

Deze diensten vinden plaats daar waar het evenement daadwerkelijk plaatsvindt ongeacht of er sprake is van een B2B dan wel een B2C context (respectievelijk de artikelen 21, § 3, 3°, en 21bis, § 2, 5°, a), van het Btw-Wetboek).

In een B2B context, met betrekking tot een enkel educatief evenement dat zich afspeelt gedurende maximaal zeven kalenderdagen, vinden deze diensten plaats daar waar het evenement daadwerkelijk plaatsvindt (artikel 21, § 3, 3°, van het Btw-Wetboek tot omzetting van artikel 53 van de richtlijn 2006/112/EG, voornoemd).

Indien het educatief evenement langer dan zeven dagen duurt, zal de administratie, rekening houdend met het geheel aan feitelijke elementen waaronder de duur, de inhoud en de plaats waar het evenement plaatsvindt, per individueel dossier een standpunt innemen met betrekking tot de toepassing van deze bepaling.

Ten aanzien van een educatief evenement waarbij minstens een andere lidstaat is betrokken, komt het eerst toe aan de fiscale autoriteiten van de lidstaat waar het evenement daadwerkelijk plaatsvindt om zich uit te spreken over de toepasselijkheid van artikel 53 van de richtlijn 2006/112/EG, rekening houdend met het geheel aan feitelijke elementen waaronder de duur, de inhoud en de plaats waar het educatief evenement plaatsvindt (zie titel 3, rubriek C, subrubriek c, van deze Afdeling).

b. Alle diensten, andere dan die betreffende het verlenen van toegang door de organisator van het evenement (beheer). De diensten die culturele of soortgelijke activiteiten als voorwerp hebben, evenals de diensten van de organisatoren van dergelijke activiteiten (recht op toegang tot een interne opleiding, tot een inrichting waar een activiteit plaatsvindt) en de daarmee samenhangende diensten.

Deze diensten vinden plaats:

• in een B2B context: overeenkomstig de hoofdregel, daar waar de ontvanger de zetel van zijn economische activiteit heeft (artikel 21, § 2, van het Btw-Wetboek)

• in een B2C context: daar waar de activiteit daadwerkelijk plaatsvindt (artikel 21bis, § 2, 5°, b), van het Btw-Wetboek).

C. De tussenpersonen

a. Makelaars of lasthebbers

De plaats van de dienst verstrekt door een tussenpersoon die niet handelt onder de voorwaarden van artikel 13, § 2, van het Btw-Wetboek, wordt bepaald rekening houdend met het volgende onderscheid:

• Tussenkomst in een onroerende handeling

De diensten van tussenpersonen betreffende een dienst die verband houdt met een uit zijn aard onroerend goed (met inbegrip van de vestiging of overdracht van een zakelijk recht op genotsrecht op een uit zijn aard onroerend goed), zelfs door een persoon die niet het beroep uitoefent van expert of vastgoedmakelaar, vinden plaats daar waar het onroerend goed gelegen is, ongeacht of er sprake is van een B2B dan wel B2C context (respectievelijk de artikelen 21, § 3, 1°, en 21bis, § 2, 1°, van het Btw-Wetboek).

• Andere tussenkomsten

De andere diensten van tussenpersonen vinden plaats:

o in een B2B context: overeenkomstig de hoofdregel, daar waar de ontvanger de zetel van zijn economische activiteit heeft (artikel 21, § 2, van het Btw-Wetboek)

o in een B2C context: daar waar de hoofdhandeling plaatsvindt (artikel 21bis, § 2, 12°, van het Btw-Wetboek).

b. Commissionairs

De commissionairs en de door artikel 13, § 2, van het Btw-Wetboek ermee gelijkgestelde personen die tussenkomen in een dienst worden geacht de dienst zelf te hebben ontvangen en zelf te hebben verstrekt (artikel 20, § 1, van het Btw-Wetboek) (zie Afdeling 7, van dit Hoofdstuk). Ze worden dus twee keer geconfronteerd met de problematiek inzake de plaats van de dienst.

Voorbeeld

Een in België gevestigd reclamebureau handelt als commissionair voor een in Zwitserland gevestigde natuurlijke persoon die voor privédoeleinden handelt. Het reclamebureau bestelt een advertentie bij een Belgische krantenuitgever.

• In de relatie tussen de Belgische krantenuitgever en het Belgisch reclamebureau

De dienst wordt geacht plaats te vinden daar waar de ontvanger de zetel van zijn economische activiteit heeft, zijnde België (artikel 21, § 2, van het Btw-Wetboek).

• In de relatie tussen het Belgisch reclamebureau en de Zwitserse persoon die voor privédoeleinden handelt

De dienst wordt verstrekt aan een buiten de Gemeenschap gevestigde ontvanger (B2C context). De dienst vindt plaats daar waar de ontvanger gevestigd is, zijnde Zwitserland (artikel 21bis, § 2, 10°, b), van het Btw-Wetboek).

D. Samenvattende tabellen voor de plaats van de dienst

a. Hoofdregels

Aard van de dienstenInwerkingtredingPlaats B2BPlaats B2C
Alle diensten die niet onder een afwijkende bepaling vallen (zie subrubriek b, van deze rubriek)2010Plaats van de zetel van economische activiteit van de ontvanger (artikel 21, § 2, van het Btw-Wetboek)Plaats van de zetel van economische activiteit van de dienstverrichter (artikel 21bis, § 1, van het Btw-Wetboek)

b. Afwijkende regels

Aard van de dienstenInwerkingtredingPlaats B2B(referenties Btw-Wetboek – behoudens andersluidende vermelding)Plaats B2C (referenties Btw-Wetboek)
Diensten in verband met een uit zijn aard onroerend goed2010Ligging van het uit zijn aard onroerend goed (artikel 21, § 3, 1° )Ligging van het uit zijn aard onroerend goed (artikel 21bis, § 2, 1°)
Goederenvervoer2010Algemene regel: zetel van de economische activiteit van de ontvanger (artikel 21, § 2)Waar het vervoer plaatsvindt, zulks naar verhouding van de afgelegde afstanden (artikel 21bis, § 2, 3°)Uitzondering: plaats van vertrek van het vervoer indien intracommunautair goederenvervoer (artikel 21bis, § 2, 4°)
04.04.2010Afwijking: buiten de Gemeenschap indien:• gelokaliseerd in België (artikel 21, § 2)• het volledige vervoer buiten de Gemeenschap (artikel 21, § 4, 1° en artikel 1, § 1, 1°, van het koninklijk besluit nr. 57)
23.11.2017Afwijking: in België indien:• buiten de Gemeenschap (artikel 21, § 2)• volledige traject in België (artikel 21, § 4, 2°, en artikel 1, § 1, 2°, van het koninklijk besluit nr. 57)
Met goederenvervoer samenhangende diensten (laden, lossen, behandelen…)2010Algemene regel: zetel van de economische activiteit van de ontvanger (artikel 21, § 2)Waar de dienst materieel wordt verricht (artikel 21bis, § 2, 6°, b))
04.04.2010Afwijking: buiten de Gemeenschap indien:• gelokaliseerd in België (artikel 21, § 2)• het volledige vervoer buiten de Gemeenschap (artikel 21, § 4, 1° en artikel 1, § 1, 1°, van het koninklijk besluit nr. 57)
23.11.2017Afwijking: in België indien:• buiten de Gemeenschap (artikel 21, § 2)• volledige traject in België (artikel 21, § 4, 2°, en artikel 1, § 1, 2°, van het koninklijk besluit nr. 57)
Personenvervoer2010De plaats waar het vervoer wordt verricht, zulks naar verhouding van de afgelegde afstanden, (artikel 21, § 3, 2°)De plaats waar het vervoer wordt verricht, zulks naar verhouding van de afgelegde afstanden (artikel 21bis, § 2, 2°)
Verlenen van toegang tot culturele, artistieke, sportieve, wetenschappelijke, educatieve, vermakelijkheids- of soortgelijke evenementen en met de toegangsverlening samenhangende diensten2010De plaats waar het evenement daadwerkelijk plaatsvindt (artikel 21, § 3, 3°)De plaats waar het evenement daadwerkelijk plaatsvindt (artikel 21bis, § 2, 5°, a))
Culturele, artistieke, sportieve… activiteiten2011Algemene regel: zetel van de economische activiteit van de ontvanger (artikel 21, § 2)De plaats waar de activiteit daadwerkelijk plaatsvindt (artikel 21bis, § 2, 5°, b))
Restaurant- en cateringdiensten2010Waar de dienst materieel wordt verricht (artikel 21, § 3, 4°)Waar de dienst materieel wordt verricht (artikel 21bis, § 2, 6°, a))
Restaurant- en cateringdiensten aan boord van een schip, vliegtuig of trein tijdens het in de Gemeenschap verrichte gedeelte van het vervoer2010De plaats van vertrek van het passagiersvervoer (artikel 21, § 3, 6°)De plaats van vertrek van het passagiersvervoer (artikel 21bis, § 2, 8°)
Verhuur op korte termijn van vervoermiddelen(maximum 30 dagen/ 90 dagen voorschepen)2010Plaats van de terbeschikkingstelling (artikel 21, § 3, 5°)Plaats van de terbeschikkingstelling (artikel 21bis, § 2, 7°)
Verhuur op lange termijn van vervoermiddelen (vanaf 31 dagen/91 dagen voor schepen)2013Algemene regel: zetel van de economische activiteit van de ontvanger (artikel 21, § 2)Plaats vestiging ontvanger (artikel 21bis, § 2, 7°bis) behalve indien:• pleziervaartuig• de terbeschikkingstelling geschiedt daadwerkelijk in de lidstaat van vestiging van de dienstverrichter: plaats van de daadwerkelijke terbeschikkingstelling (artikel 21bis, § 2, 7°ter)
Expertises en werkzaamheden met betrekking tot roerende goederen2010Algemene regel: zetel van de economische activiteit van de ontvanger (artikel 21, § 2)Waar de dienst materieel wordt verricht (artikel 21bis, § 2, 6°, c))
Diensten van makelaars of lasthebbers die niet handelen onder de voorwaarden van artikel 13, § 2 (andere dan diensten die verband houden met een uit zijn aard onroerend goed)2010Algemene regel: zetel van de economische activiteit van de ontvanger (artikel 21, § 2)Plaats van de hoofdhandeling (artikel 21bis, § 2, 12°)
Diverse diensten (andere dan diegene die verband houden met een welbepaald gebouw, zoals juridische diensten, expertise) verstrekt aan personen gevestigd buiten de Gemeenschap2010Algemene regel: zetel van de economische activiteit van de ontvanger (artikel 21, § 2)Plaats van vestiging van de afnemer indien:• de ontvanger buiten de Gemeenschap gevestigd is• dienst is opgesomd in de lijst a) tot en met h) van artikel 21bis, § 2, 10°)
Telecommunicatie-diensten, langs elektronische weg verrichte diensten, radio- en televisieomroep-diensten20152019/01.07.2021Algemene regel: zetel van de economische activiteit van de ontvanger (artikel 21, § 2)Algemene regel: Plaats van vestiging van de ontvanger (artikel 21bis, § 2, 9°, eerste alinea)Afwijkende bepaling: plaats waar de zetel van de economische activiteit van de dienstverrichter is gevestigd indien:• de dienstverrichter gevestigd is in slechts een lidstaat• de afnemer een niet btw-plichtige natuurlijk persoon is gevestigd in een andere lidstaat• de totale waarde van de diensten/en de intracommunautaire afstandsverkopen exclusief btw ≤ 10.000 euro gedurende het lopende kalenderjaar en het vorige jaarbehalve indien de dienstverrichter opteert voor de algemene regel (artikel 21bis, § 2, 9°, tweede tot vijfde lid)
Globale dienst omvattende de prestaties die deel uitmaken van of horen bij een reis(artikel 18, § 2, tweede lid, van het Btw-Wetboek)2010Zetel van economische activiteit van het reisbureau (artikel 21ter )Zetel van economische activiteit van het reisbureau (artikel 21ter )

[Top]

Afdeling 9 – Belastbaar feit en opeisbaarheid van de belasting

1. Definities – Belang van de begrippen

A. Belastbare feit en opeisbaarheid van de belasting

‘Voor de toepassing van dit Wetboek wordt verstaan onder:

1° ″belastbare feit″: het feit waardoor de wettelijke voorwaarden worden vervuld die vereist zijn voor het opeisbaar worden van de belasting;

2° ″opeisbaarheid van belasting″: het recht dat de Schatkist heeft om krachtens de wet de belasting vanaf een bepaald tijdstip te vorderen van de persoon die de belasting moet voldoen, ook al kan de betaling daarvan worden uitgesteld.’ (artikel 1, § 12, van het Btw-Wetboek).

Deze definities zijn de omzetting van artikel 62 van de richtlijn 2006/112/EG, voornoemd.

De bepaling van het tijdstip waarop de belasting opeisbaar wordt, is niet alleen van belang voor het vastleggen van het aangiftetijdperk van de belastbare handeling maar ook:

• voor de bepaling van de facturatietermijnen (artikel 4, § 1, van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd)

• voor de bepaling van het tijdstip waarop het recht op aftrek ontstaat (artikel 2 van het koninklijk besluit nr. 3 van 10.12.1969 met betrekking tot de aftrekregeling voor de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde)

• voor het vastleggen van het tijdstip van betaling van de belasting aan de Schatkist (artikel 53, § 1, eerste lid, 3°, van het Btw-Wetboek

• ingeval van een tariefwijziging (artikel 38 van het Btw-Wetboek, gewijzigd op 10.07.2021, zie circulaire 2021/C/81 van 03.09.2021 betreffende de wijzigingen aangebracht aan het Btw-Wetboek en aan het koninklijk besluit nr. 20 door de wet van 27.06.2021 houdende diverse bepalingen inzake belasting over de toegevoegde waarde (nr. E.T. 138.537), nummer 4 )

• voor het vastleggen van de verjaringsdatum voor de invordering (artikel 81bis, § 1, van het Btw-Wetboek).

B. Intracommunautaire diensten

Intracommunautaire diensten zijn onderworpen aan bijzondere regels. Een definitie van deze diensten is bijgevolg noodzakelijk.

Artikel 22bis, § 2, derde lid, van het Btw-Wetboek bepaalt: ‘Onder “intracommunautaire diensten" wordt verstaan, diensten, andere dan die welke in de lidstaat waar deze belastbaar zijn van de belasting zijn vrijgesteld en waarvoor de belasting is verschuldigd door de ontvanger van de dienst krachtens de nationale bepaling die artikel 196 van de Richtlijn 2006/112/EG omzet in de lidstaat waar die diensten belastbaar zijn.’

De diensten die beoogd worden door artikel 196 van de richtlijn 2006/112/EG (omgezet in artikel 51, § 2, eerste lid, 1°, van het Btw-Wetboek) komen volledig overeen met de diensten die beoogd worden door artikel 53sexies, § 1, 3°, van het Btw-Wetboek, zijnde diegene die in de ‘intracommunautaire listing’ moeten worden opgenomen. Laatstgenoemde moet, krachtens artikel 53sexies, § 1, van het Btw-Wetboek, maandelijks worden ingediend (memorie van toelichting met betrekking tot de wet van 06.12.2015 tot wijziging van het Btw-Wetboek betreffende de opeisbaarheid van de belasting, Kamer, Doc 54/1311/001, pagina 1).

Meer bepaald, veronderstelt een ‘intracommunautaire dienst’ dat:

• hij plaatsvindt in een andere lidstaat van de Gemeenschap omdat de ontvanger van de dienst er zijn zetel van economische activiteit heeft (artikel 21, § 2, van het Btw-Wetboek ter omzetting van artikel 44 van de richtlijn 2006/112/EG, voornoemd)

De diensten die gelokaliseerd worden overeenkomstig een afwijkende plaatsbepalingsregel voorzien in de artikelen 21, § 3, of 21ter van het Btw-Wetboek, zijn derhalve uitgesloten, zijnde:

o de diensten die verband houden met een uit zijn aard onroerend goed

o het personenvervoer

o het verlenen van toegang tot culturele, artistieke, sportieve, wetenschappelijke, educatieve, vermakelijkheids- of soortgelijke evenementen

o de restaurant- en cateringdiensten

o de verhuur op korte termijn van een vervoermiddel

o de globale dienst omvattende de prestaties die deel uitmaken van of horen bij een reis en verricht wordt door een reisbureau.

• de ontvanger van de dienst wordt aangeduid als de schuldenaar van de belasting overeenkomstig artikel 51, § 2, eerste lid, 1°, van het Btw-Wetboek ter omzetting van artikel 196 van de richtlijn 2006/112/EG.

De dienstverrichter mag niet gevestigd zijn in de lidstaat van de effectieve taxatie (geen vrijstelling). Indien hij in die lidstaat een vaste inrichting heeft, mag deze niet tussenkomen bij de dienstverrichting.

De beoogde ontvangers zijn:

o de belastingplichtigen die als zodanig handelen, zelfs indien ze niet gehouden zijn tot de indiening van periodieke aangiften (artikel 53 § 1, eerste lid, 2°, van het Btw-Wetboek), onder andere diegene die beoogd zijn door de vrijstellingsregeling voor kleine ondernemingen (artikel 56bis van het Btw-Wetboek) of de bijzondere landbouwregeling (artikel 57 van het Btw-Wetboek)

o de niet-belastingplichtige rechtspersonen die voor btw-doeleinden zijn geïdentificeerd voor hun intracommunautaire verwervingen van goederen

o de niet-belastingplichtige rechtspersonen die niet voor btw-doeleinden zijn geïdentificeerd maar het zouden moeten zijn wegens overschrijding van de drempel van hun intracommunautaire verwerving van goederen (artikel 17, lid 2, van de uitvoeringsverordening (EU) nr. 282/2011, voornoemd)

o de personen die zowel handelingen verrichten die beoogd zijn door artikel 2 van het Btw-Wetboek (binnen de werkingssfeer van de btw) als handelingen die niet door die bepaling beoogd zijn (buiten de werkingssfeer)

o de personen beoogd door artikel 8 van het Btw-Wetboek (toevallige belastingplichtige ingevolge optie) of de personen beoogd door artikel 8bis van het Btw-Wetboek (verplichte belastingplicht ingevolge de toevallige levering van een nieuw vervoermiddel onder de voorwaarden van artikel 39bis van het Btw-Wetboek).

2. Verband tussen het belastbare feit en het tijdstip van opeisbaarheid van de belasting

Het belastbare feit van de belasting vindt plaats op het tijdstip waarop de dienst verricht is. Op hetzelfde tijdstip wordt de btw opeisbaar zowel voor de andere diensten dan intracommunautaire diensten (artikel 22, § 1, van het Btw-Wetboek) als voor de intracommunautaire diensten (artikel 22bis, § 2, eerste lid, van het Btw-Wetboek).

A. Andere diensten dan intracommunautaire diensten

In de veronderstelling dat een factuur moet worden uitgereikt, wordt de overeenstemming tussen het belastbare feit (dat aanleiding geeft tot het ontstaan van de btw-schuld) en de datum van opeisbaarheid van de belasting (tijdstip waarop de Schatkist zijn recht op de fiscale schuld kan claimen) verlaten (artikel 22bis, § 1, van het Btw-Wetboek). In dat geval wordt de btw opeisbaar:

• op de datum waarop de factuur wordt uitgereikt, ongeacht of de uitreiking plaatsvindt vóór of na het belastbare feit, met als uiterste datum de vijftiende dag van de maand volgend op de maand waarin het belastbare feit plaatsvindt

• op de datum van ontvangst van een voorafbetaling (voor het belastbare feit).

Deze regels zijn van toepassing op de diensten waarvoor de belastingplichtige verplicht is een factuur uit te reiken op grond van artikel 53, § 2, van het Btw-Wetboek. Worden derhalve eveneens bedoeld, diensten verstrekt aan natuurlijke personen die ze bestemmen voor hun privédoeleinden en waarvoor de belastingplichtige gehouden is een factuur uit te reiken op grond van artikel 1 van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd (artikel 22bis, vierde lid, van het Btw-Wetboek, zie circulaire 2018/C/20 van 12.02.2018 betreffende de aanpassingen aan het Btw-Wetboek door de wet van 29.11.2017 (E.T. 131.539)).

B. Intracommunautaire diensten

In tegenstelling tot de regels van toepassing met betrekking tot de andere diensten dan intracommunautaire diensten, is de uitreiking van de factuur geen oorzaak van opeisbaarheid van de belasting.

Voor intracommunautaire diensten wordt de belasting dus opeisbaar:

• op de datum waarop de betaling wordt ontvangen, ten belope van het bedrag ontvangen voor het voltooien van de dienstprestatie (voor het belastbare feit); (artikel 22bis, § 2, tweede lid, van het Btw-Wetboek dat de omzetting is van de artikelen 65 en 196 van de richtlijn 2006/112/EG, voornoemd)

• op het tijdstip waarop de dienst is verricht (belastbare feit), over het saldo (artikel 22bis, § 2, eerste lid, van het Btw-Wetboek dat, in feite, een toepassing is van de algemene regel voorzien in artikel 22, § 1, van het Btw-Wetboek en gebaseerd is op artikel 63 van de richtlijn 2006/112/EG, memorie van toelichting met betrekking tot de wet van 06.12.2015 tot wijziging van het Btw-Wetboek betreffende de opeisbaarheid van de belasting, Kamer, Doc 54/1311/001, pagina 11).

C. Diensten verstrekt aan natuurlijke personen die voor privédoeleinden handelen en aan publiekrechtelijke lichamen beoogd door artikel 6 van het Btw-Wetboek

Voor de bepaling van het tijdstip van opeisbaarheid van de belasting wordt de datum van het belastbare feit verlaten en houdt men rekening met de datum van ontvangst van de betaling verricht door:

• een natuurlijke persoon die voor privédoeleinden handelt mits er geen verplichting is tot uitreiken van een factuur (relatie Business to Consumer - B2C) (artikel 22bis, § 3, van het Btw-Wetboek)

• een publiekrechtelijk lichaam beoogd door artikel 6 van het Btw-Wetboek, hoewel in dat geval steeds een factuur moet worden uitgereikt (relatie Business to Government – B2G) (artikel 22bis, § 4, van het Btw-Wetboek).

Circulaire 2019/C/65 van 09.07.2019 met betrekking tot de opeisbaarheid van de btw (nr. E.T. 128.969/3) analyseert ten gronde de wettelijke bepalingen met betrekking tot de opeisbaarheid van de btw.

Voor het tijdstip waarop de schuld moet worden betaald (opeisbaarheid van de betaling), wordt verwezen naar ‘Boekwerk IV: Voldoening van de belasting - Hoofdstuk 13: Regeling voor de voldoening van de belasting’.

3. Belastbare feit

A. Algemene regel

Conform artikel 63 van de richtlijn 2006/112/EG, vindt het belastbare feit plaats op het tijdstip waarop de dienst verricht is (artikel 22, § 1, van het Btw-Wetboek).

Een dienst is verricht wanneer deze is voltooid. Dit is wanneer de dienstverrichter de essentiële verplichtingen die normaal op hem rusten ingevolge de met de ontvanger van de dienst gesloten overeenkomst volledig en tot voldoening van deze laatste is nagekomen.

a. Werken in onroerende staat

Inzake werk in onroerende staat, wordt de handeling geacht te zijn verricht op het ogenblik van de voorlopige oplevering, het is te zeggen vanaf het ogenblik waarop de werken kunnen worden aangewend voor de doeleinden waarvoor zij werden uitgevoerd.

In feite kunnen er, na de overdracht van de werken, moeilijkheden ontstaan tussen de partijen met betrekking tot de omvang van de werken of de aard ervan zodat de aanvaarding van de werken door de bouwheer niet onmiddellijk plaatsvindt.

Daarom wordt er geen enkele kritiek geuit wanneer de partijen ervan uitgaan dat de werken zijn verricht bij het verstrijken van de derde maand volgend op deze waarin de aannemer de werken heeft beëindigd. Bijgevolg wordt aanvaard dat het belastbare feit zich pas op dat moment voordoet (wat de termijn voor de uitreiking van de facturen betreft, wordt verwezen naar ‘Boekwerk IV: Voldoening van de belasting – Hoofstuk 13: Regeling voor de voldoening van de belasting, Afdeling 4, titel 3, rubriek B, subrubriek e’).

b. Vouchers voor enkelvoudig gebruik

• Overdracht door een belastingplichtige handelend in eigen naam

Iedere overdracht van een voucher voor enkelvoudig gebruik door een belastingplichtige die in eigen naam handelt, wordt beschouwd als een dienst waarop de voucher betrekking heeft. Dit betekent dat de uitgever van de voucher voor enkelvoudig gebruik en elke daaropvolgende overdrager van die voucher (die handelt in eigen naam) btw verschuldigd is over elke overdracht alsof de diensten waarop de voucher betrekking heeft daadwerkelijk zouden zijn verstrekt. Het belastbare feit doet zich dus voor op het moment van de overdracht van de voucher.

Wanneer de uitgifte en elke daaropvolgende overdracht wordt belast alsof de onderliggende handeling daadwerkelijk zou zijn verstrekt, dient de effectieve verrichting van de onderliggende handeling op het moment van de overhandiging van de voucher niet opnieuw te worden onderworpen aan de btw.

De feitelijke dienstverrichting, in ruil voor een door de verrichter van de levering van goederen of dienst als volledige of gedeeltelijke tegenprestatie aanvaarde voucher voor enkelvoudig gebruik, wordt niet als een zelfstandige handeling beschouwd die aan de btw moet worden onderworpen (artikel 22ter, § 1, eerste alinea, van het Btw-Wetboek).

• Overdracht door een belastingplichtige die niet handelt in eigen naam

Indien de distributeur van de voucher voor enkelvoudig gebruik niet handelt in eigen naam maar wel in naam en voor rekening van een ander, bijvoorbeeld de uitgever van die voucher, verricht de distributeur alleen een distributiedienst voor zijn opdrachtgever.

De distributeur dient de btw te betalen over de vergoeding van deze distributiedienst, volgens de algemene regels voor toepassing van de btw.

De overdracht van de voucher door de distributeur wordt dus beschouwd als een dienst waarop de voucher betrekking heeft en die wordt verricht door een andere belastingplichtige in wiens rekening de distributeur handelt (artikel 22ter, § 1, tweede lid, van het Btw-Wetboek).

Het belastbare feit doet zich dus voor op het moment dat de voucher wordt overgemaakt aan de eindverbruiker of aan een volgende distributeur die in eigen naam handelt.

• De dienstverrichter is niet dezelfde persoon als de belastingplichtige die de voucher in eigen naam uitgeeft

In de specifieke situatie waarin de dienstverrichter (die effectief de dienst verricht waarvoor de voucher wordt uitgewisseld), niet dezelfde persoon is als de belastingplichtige die de voucher in eigen naam heeft uitgegeven, wordt die dienstverrichter daarvoor uitsluitend met de voucher betaald. De uitgever van die voucher daarentegen ontvangt een geldbedrag voor de verkoop van de voucher aan een distributeur of consument.

In de praktijk zal de uitgever in deze situatie een vergoeding betalen aan de belastingplichtige die effectief de diensten verricht in ruil voor de voucher die hij heeft uitgegeven.

De belastingplichtige, die de dienst verricht tegen inwisseling van de voucher, wordt geacht voor deze gevallen die dienst te hebben verricht aan de belastingplichtige uitgever van de voucher (artikel 22ter, § 1, derde lid, van het Btw-Wetboek).

Het belastbare feit met betrekking tot deze handeling doet zich voor op het tijdstip waarop de aan de consument verrichte onderliggende dienst plaatsvindt, rekening houdend met de bepalingen van artikel 22 van het Btw-Wetboek (voor de terzake toepasselijke regels sinds 01.01.2019, zie circulaire 2020/C/121 van 18.09.2020 betreffende btw-behandeling van vouchers (E.T. 135.111), nummer 5.1, en ‘Boekwerk VI: Specifieke topics – Hoofdstuk 16: Specifieke topics, Afdeling 11: Vouchers’).

B. Diensten die aanleiding geven tot opeenvolgende afrekeningen of betalingen

a. Belastbare feit

‘In afwijking van paragraaf 1, worden diensten die aanleiding geven tot opeenvolgende afrekeningen of betalingen, geacht te zijn verricht bij het verstrijken van elke periode waarop een afrekening of betaling betrekking heeft’ (artikel 22, § 2, eerste lid, van het Btw-Wetboek). Dit artikel is de omzetting van artikel 64, lid 1, van de richtlijn 2006/112/EG.

Bij diensten die aanleiding geven tot opeenvolgende afrekeningen of betalingen, factureert de dienstverrichter wat hij gedurende een bepaalde periode verricht. In zo’n gevallen wordt niets betaald of gefactureerd per dienst vergoed maar per periode en dit ongeacht de duur ervan.

b. Beoogde diensten

Worden, onder andere, als dergelijke diensten aangemerkt:

• de roerende of onroerende verhuur (bijvoorbeeld: de verhuur op lange termijn van een autovoertuig)

• radio- en televisieomroepdiensten en telecommunicatiediensten

• het trainen en dresseren van paarden (Hof van Justitie van de Europese Unie, Arrest V.O.F. Dressuurstal Jespers, zaak C-233/05, van 01.06.2006)

• de diensten verricht door een bedrijven- of dienstencentrum (schriftelijke parlementaire vraag nr. 1.091 van de heer Volksvertegenwoordiger Dirk Van Der Maelen van 17.01.2006)

• meer in het algemeen, de intellectuele diensten die aanleiding geven tot een periodieke staat van de honoraria.

Deze regeling geldt ook voor de gevallen waarvoor het moeilijk is te bepalen op welk tijdstip de dienst werd verricht, doordat afrekeningen worden gemaakt of betalingen worden verricht bij het verstrijken van welbepaalde opeenvolgende perioden, zoals bij het verstrekken van telefoonverbindingen (circulaire AFZ nr. 02/2013 van 23.01.2013, randnummer 95).

In dergelijke gevallen gaat men ervan uit dat de diensten zijn verricht bij het verstrijken van elke periode waarop de afrekening of de betaling betrekking heeft.

c. Toepassingsgeval

Op 03.02.2021 verhuurt een Brusselse verhuuronderneming een mini bulldozer aan een Belgische aannemer van wegenwerken voor een duurtijd van één jaar, van 01.03.2021 tot en met 28.02.2022.

Zoals de overeenkomst voorziet, wordt de maandelijkse huur betaald op de vijftiende van elke maand en dit vanaf 15.04.2021 (voor de maand maart) op grond van een factuur die de vijfde van iedere maand wordt uitgereikt en dit vanaf 05.04.2021 (voor dezelfde periode).

De dienst wordt geacht te zijn verricht bij het verstrijken van elke maand vanaf maart 2021 tot en met februari 2022. Het belastbare feit vindt op dat tijdstip plaats (artikel 22, § 2, eerste lid, van het Btw-Wetboek). Niettemin wordt de belasting opeisbaar op de datum van het uitreiken van de factuur, zijnde de vijfde van elke maand, vanaf 05.04.2021.

C. Doorlopende intracommunautaire diensten

a. Belastbare feit

‘Doorlopende diensten waarvoor de belasting wordt verschuldigd door de ontvanger van de dienst krachtens artikel 51, § 2, eerste lid, 1° en die gedurende een periode langer dan één jaar geen aanleiding geven tot afrekeningen of betalingen in die periode worden geacht te zijn verricht bij het verstrijken van elk kalenderjaar totdat de dienst wordt beëindigd’ (artikel 22, § 2, tweede lid, van het Btw-Wetboek). Dit artikel is in overeenstemming met artikel 64, lid 2, tweede alinea, van de richtlijn 2006/112/EG, voornoemd.

b. Beoogde diensten

Het betreft doorlopende intracommunautaire diensten die worden verricht gedurende een periode langer dan één jaar en die geen aanleiding geven tot voorafgaandelijke afrekeningen of betalingen in die periode zoals, naargelang de feitelijke omstandigheden:

• de verhuur van containers aan een maritiem vervoerder

• diensten van advocaten

• het verlenen van octrooien of auteursrechten (zie de schriftelijke parlementaire vraag nr. 500 van de heer François-Xavier de Donnea van 29.05.2009).

c. Toepassingsgeval

Een KMO uit Doornik, btw-belastingplichtig, neemt contact op met een Frans advocatenkantoor (zonder vaste inrichting in België) met het oog op het sluiten van een juridisch abonnement voor de afhandeling van juridische zaken.

De dienst van het advocatenkantoor vangt aan op 01.12.2020 en loopt door in 2021 om tot een eind te komen op 30.04.2022.

Ingevolge de verlegging van heffing is de Belgische KMO de schuldenaar van de Belgische btw (artikel 51, § 2, eerste lid, 1°, van het Btw-Wetboek).

Hoe moet deze onderneming het belastbare feit bepalen in de veronderstelling dat ze zich niet kan beroepen op het verstrijken van enige precieze periode voorafgaand aan de voltooiing van de dienst, bij gebrek aan afrekeningen of betalingen?

Op 31.12.2020 vindt de dienst nog niet doorlopend plaats voor een periode langer dan één jaar. Bijgevolg wordt de dienst, op dat tijdstip, niet beoogd door betreffende bepaling. Het is bijgevolg slechts op 31.12.2021 dat de dienst als gedeeltelijk verricht wordt aangemerkt (pro rata temporis) en bij de voltooiing van de dienst voor het overblijvende saldo (zie ook titel 4, rubriek C, subrubriek c, van deze Afdeling).

4. Tijdstip van opeisbaarheid van de belasting indien de belastingplichtige een factuur moet uitreiken op grond van artikel 53, § 2, van het Btw-Wetboek en van artikel 1 van het koninklijk besluit nr. 1, voornoemd

A. Facturatie voor of na het belastbare feit

Voor de andere diensten dan de intracommunautaire diensten, stelt de datum van uitreiking van de verplichte factuur, die verschilt van de datum van het belastbare feit, het ogenblik van de opeisbaarheid van de belasting vast, ongeacht of deze zich voor of na het belastbare feit voordoet, behoudens indien een andere afwijking van toepassing is, in casu de ontvangst van de betaling (zie rubriek B, van deze titel) (artikel 22bis, § 1, eerste lid, van het Btw-Wetboek, dat zich baseert op artikel 66, eerste alinea, punt a), van de richtlijn 2006/112/EG, voornoemd en de schriftelijke parlementaire vraag nr. 1.522 van mevrouw de Volksvertegenwoordiger Leen Dierick van 23.02.2017).

Indien de factuur niet of laattijdig is uitgereikt, hoewel het een verplichting betreft, heeft de wetgever een deadline voorzien: de belasting wordt opeisbaar op de vijftiende dag van de maand volgend op de maand waarin het belastbare feit heeft plaatsgevonden en dat, voor wat diensten betreft, wordt gedefinieerd in artikel 22 van het Btw-Wetboek (artikel 22bis, § 1, tweede lid, van het Btw-Wetboek dat zich baseert op artikel 66, eerste alinea, punt c), van de richtlijn 2006/112/EG).

De uiterste datum van opeisbaarheid van de belasting valt samen met het verstrijken van de deadline voor het uitreiken van facturen (artikel 4, § 1, van voornoemd koninklijk besluit nr. 1).

Voorbeelden

• Een Brusselse krantenuitgever factureert reclamediensten aan een in België gevestigde belastingplichtige.

In 2022 vinden de feiten chronologisch als volgt plaats:

o de bestelling wordt op 08.08 geplaatst

o het verschijnen van de reclame in de krant vindt plaats op 31.08

o de factuur wordt uitgereikt op 10.09

o de volledige betaling wordt ontvangen op 01.10.

De btw is opeisbaar op de datum van uitreiking van de factuur (10.09), na het belastbare feit (31.08) maar binnen de wettelijke termijn (ten laatste op 15.09).

• Een onderneming verricht renovatiewerken aan de poort van de abdij van Maredsous voor de prijs van 3.000 euro. De werken worden beëindigd op 02.03.2021. Een factuur voor de totale prijs wordt door de onderneming uitgereikt op 08.05.2021. De integrale betaling wordt ontvangen op 15.05.2021.

De administratie neemt aan dat het belastbare feit zich pas op 30.06.2021 voordoet (zie titel 3, rubriek A, van deze Afdeling).

Niettemin wordt de btw, gelet op het feit dat op 08.05.2021 een factuur wordt uitgereikt, op deze datum over de totale prijs opeisbaar (artikel 22bis, § 1, eerste lid, van het Btw-Wetboek).

Met betrekking tot werken in onroerende staat, heeft de Europese rechtspraak beslist dat in het geval van afwezigheid van uitreiking of laattijdige uitreiking van de factuur met betrekking tot de geleverde diensten, de formele ontvangst van deze dienst beschouwd wordt als het moment waarop de dienst werd verricht, indien:

• de lidstaat, zoals België, voorziet dat de belasting opeisbaar wordt bij het verstrijken van een termijn die ingaat op de dag waarop de dienst werd verricht

• de formaliteit van oplevering en aanvaarding is door de partijen bedongen in de overeenkomst die hen bindt overeenkomstig contractuele bepalingen die de economische en commerciële realiteit weergeven in de sector waarin de dienst werd verricht

• deze formaliteit stemt overeen met de materiële voltooiing van de dienst en legt definitief het bedrag vast van de verschuldigde tegenprestatie (Hof van Justitie van de Europese Unie, Arrest BS., zaak C-224/18, van 02.05.2019, punt 37).

B. Ontvangst van een betaling voor het belastbare feit

a. Principe

Wanneer de prijs of een deel ervan wordt ontvangen voor het tijdstip waarop de dienst (onderworpen aan een facturatieverplichting) is verricht, wordt de belasting opeisbaar over het ontvangen bedrag, op het tijdstip waarop de betaling werd ontvangen. Dit is het geval voor:

• de andere diensten dan intracommunautaire diensten, indien ze nog niet werden gefactureerd (artikel 22bis, § 1, derde lid, van het Btw-Wetboek dat de omzetting is van artikel 65 van de richtlijn 2006/112/EG, voornoemd)

• de intracommunautaire diensten, zelfs indien ze reeds gefactureerd zijn (artikel 22bis, § 2, tweede lid, van het Btw-Wetboek dat de omzetting is van de artikelen 65 en 196 van de richtlijn 2006/112/EG).

b. Wijze van betaling

De datum van ontvangst van de betaling is afhankelijk van de gebruikte wijze van betaling en zelfs van de persoon die de betaling uitvoert.

Wanneer de betaling wordt uitgevoerd:

• in speciën (cash), stemt deze datum overeen met de datum van de overhandiging ervan

• via storting of overschrijving op een rekening, stemt deze datum overeen met de datum waarop het bedrag, overgemaakt op vraag van de begunstigde van de handeling, wordt geboekt op de creditzijde van een rekening waarover de dienstverrichter beschikt

• met een elektronische kaart, stemt deze datum overeen met deze waarop de dienstverrichter de betaling op zijn rekening ontvangt

• met een kredietkaart, stemt deze datum overeen met de datum waarop de uitgiftemaatschappij van de kredietkaart aan de dienstverrichter het verschuldigde bedrag betaalt

• met elektronische maaltijdcheques, stemt deze datum overeen met de datum waarop de begunstigde van de cheque het bedrag effectief ontvangt

• door een tussenpersoon die handelt in naam en voor rekening van de dienstverrichter, stemt deze datum overeen met de datum waarop deze tussenpersoon de betaling vanwege de klant op zijn rekening ontvangt en niet wanneer de dienstverrichter vanwege de tussenpersoon de betaling op zijn rekening ontvangt (beslissing nr. E.T. 127.740 van 22.03.2016, randnummers 66 tot 68, met betrekking tot de chirurgische handelingen met een esthetisch karakter).

c. Toepassingsgevallen

• Ontvangst van een vooruitbetaling voor een dienst andere dan een intracommunautaire dienst

Een in België gevestigde belastingplichtige neemt deel aan een studiedag met betrekking tot de fiscale actualiteit die in Brussel wordt georganiseerd door een Belgisch accountantskantoor.

In 2022 vinden de feiten chronologisch als volgt plaats:

o Inschrijving op 05.01

o Betaling inschrijving ontvangen op 03.02

o Studiedag op 15.02

o Factuur uitgereikt op 28.02.

De btw is opeisbaar op de datum van ontvangst van de nog niet gefactureerde betaling (03.02) aangezien deze plaatsvindt voor het belastbare feit (15.02).

• Ontvangst van een vooruitbetaling voor een intracommunautaire dienst

Een vervoerder die uitsluitend in België is gevestigd en maandelijkse aangiften indient, ontvangt van een belastingplichtige de opdracht koopwaar van Brussel naar München (Duitsland) te vervoeren.

In 2022 vinden de feiten chronologisch als volgt plaats:

o Gedeeltelijke facturatie van 1.000 euro op 15.02

o Ontvangst van deze 1.000 euro op 27.02

o Datum vervoer op 10.03

o Saldofactuur voor 3.000 euro op 01.04

o Ontvangst betaling saldo op 28.04.

De opdrachtgever is een uitsluitend in Duitsland gevestigde belastingplichtige.

De vervoerder verricht een in Duitsland gelokaliseerde intracommunautaire dienst (algemene regel van de plaats waar de ontvanger van de dienst is gevestigd, artikel 44 van de richtlijn 2006/112/EG, artikel 21, § 2 van het Btw-Wetboek). De dienst is er belastbaar en wordt er, in hoofde van de ontvanger van de dienst, effectief belast bij gebrek aan een vrijstelling in die lidstaat (artikel 196 van de richtlijn 2006/112/EG).

De btw is, respectievelijk, opeisbaar op 27.02.2022 over een bedrag van 1.000 euro (ontvangst van de betaling) en op 10.03.2022 over het saldo van 3.000 euro (belastbare feit) (artikel 22bis, § 2, eerste en tweede lid, van het Btw-Wetboek).

De maatstaf van heffing die overeenstemt met het voorschot (1.000 euro) wordt opgenomen in rooster 44 van de aangifte met betrekking tot de handelingen van de maand februari 2022. De maatstaf van heffing die overeenstemt met het saldo van de dienstverrichting (3.000 euro) wordt opgenomen in rooster 44 van de aangifte met betrekking tot de handelingen van de maand maart 2022. Er dient rekening te worden gehouden met deze bedragen in de intracommunautaire listings voor de maanden februari 2022 en maart 2022.

• Ontvangst van een betaling voor een doorlopende intracommunautaire dienst voor een periode van langer dan één jaar

Hernemen we het voorbeeld van het Franse advocatenkantoor (titel 3, rubriek C, subrubriek c, hiervoor) waarvan het abonnement (van 01.12.2020 tot en met 30.04.2022) aanleiding geeft tot een belastbaar feit, gedeeltelijk op 31.12.2021 (einde van het kalenderjaar zonder betaling noch afrekening) en tot een tweede belastbare feit bij afloop van het abonnement op 30.04.2022.

Indien het advocatenkantoor de volledige betaling (bijvoorbeeld 7000 euro) ontvangt op 31.03.2022 voor de voltooiing van de dienst, wordt de btw opeisbaar over:

o 5.353 euro (7.000 x 13/17) op 31.12.2021 (artikel 22, § 2, tweede lid, van het Btw-Wetboek)

o het saldo van 1.647 euro op 31.03.2022, bij de ontvangst van de betaling (artikel 22bis, § 2, tweede lid, van het Btw-Wetboek).

Wat het tijdstip van opeisbaarheid van de belasting betreft, speelt de datum van uitreiking van de factuur geen rol voor intracommunautaire diensten.

d. Rechtspraak

• In het geval een vooruitbetaling wordt gestort zonder dat de handeling reeds werd uitgevoerd, moeten alle relevante elementen van het belastbare feit, dat wil zeggen van de toekomstige dienst, reeds bekend zijn opdat de belasting opeisbaar zou kunnen worden, en dus moeten in het bijzonder, de diensten op het tijdstip van de vooruitbetaling nauwkeurig zijn omschreven (Hof van Justitie van de Europese Unie, Arrest Bupa, zaak C-419/02, van 21.02.2006, punt 48).

• Het voorschot mag in natura worden gestort (Hof van Justitie van de Europese Unie, Arrest Efir, zaak C-19/12, van 07.03.2013, punt 38) maar het is noodzakelijk dat dit voorschot in geld kan worden uitgedrukt (Hof van Justitie van de Europese Unie, Arrest Orfrey Balgaria, zaak C-549/11, van 19.12.2012, punt 36).

C. Diensten verstrekt aan publiekrechtelijke lichamen beoogd door artikel 6 van het Btw-Wetboek

a. Principe

Hoewel een belastingplichtige steeds verplicht is een factuur uit te reiken aan een publiekrechtelijk lichaam (behalve bij self-billing), wordt de btw, bij afwijking op de artikelen 22 en 22bis, § 1, van het Btw-Wetboek, opeisbaar over het ontvangen bedrag naarmate van de ontvangst van de betaling, met uitzondering van de gevallen die hierna onder subrubriek c, van deze rubriek worden opgesomd (artikel 22bis, § 4, van het Btw-Wetboek en de schriftelijke parlementaire vraag nr. 1.522 van mevrouw de Volksvertegenwoordiger Leen Dierick van 23.02.2017).

Deze bepaling is vergelijkbaar met het incasseringsstelsel dat van toepassing is op natuurlijke personen die voor privédoeleinden handelen (artikel 22bis, § 3, van het Btw-Wetboek), met dat verschil dat de diensten die worden verstrekt aan publiekrechtelijke lichamen steeds gefactureerd moeten worden krachtens artikel 53, § 2, 1° en 4°, van het Btw-Wetboek. De uitreiking van de factuur speelt dus helemaal geen rol voor de opeisbaarheid van de belasting behalve wanneer de belasting door de medecontractant verschuldigd is omwille van de toepassing van de verlegging van heffing voorzien in artikel 51, §§ 2 en 4, van het Btw-Wetboek (zie subrubriek c, van deze rubriek) (memorie van toelichting met betrekking tot de wet van 06.12.2015 tot wijziging van het Btw-Wetboek betreffende de opeisbaarheid van de belasting, Kamer, Doc 54/1311/001, pagina 6).

b. Beoogde personen

Volgende ontvangers van de dienst worden door dit bijzonder stelsel beoogd: de Staat, de Gemeenschappen en de Gewesten van de Belgische Staat, de provincies, de agglomeraties, de gemeenten en de openbare instellingen (bijvoorbeeld de Ordes van geneesheren, advocaten en van architecten of de universiteiten van Luik en Gent) beoogd door artikel 6 van het Btw-Wetboek, met inbegrip van de genoemde publiekrechtelijke lichamen die de hoedanigheid hebben van btw-belastingplichtige ingevolge de toepassing van artikel 6, tweede en derde lid, van voornoemd Wetboek.

c. Uitgesloten handelingen

De diensten waarvoor de belasting door de afnemer of de medecontractant verschuldigd is overeenkomstig artikel 51, §§ 2 en 4, van het Btw-Wetboek, zijn uitgesloten van de regel van ontvangst van de betaling, die specifiek van toepassing is op publiekrechtelijke lichamen, en vallen onder de regels die van toepassing zijn in de relatie met een belastingplichtige of een niet-belastingplichtige rechtspersoon.

Worden, onder andere, bedoeld: de diensten die onderworpen zijn aan het stelsel van de verlegging van heffing beoogd door artikel 51, § 4, van het Btw-Wetboek dat betrekking heeft op de voldoening van de btw door de ontvanger voor in artikel 20, § 2, van voornoemd koninklijk besluit nr. 1, bedoeld werk in onroerende staat , dat door een in België gevestigde belastingplichtige wordt verricht.

Deze verlegging moet worden toegepast door publiekrechtelijke lichamen die de in artikel 53, § 1 eerste lid, 2°, van het Btw-Wetboek bedoelde periodieke aangiften, , moeten indienen, zelfs wanneer het werk in onroerende staat enkel betrekking heeft op een domein dat volledig buiten de toepassingssfeer van de btw valt (zie beslissing nr. E.T. 122.360 van 20.03.2012).

d. Toepassingsgeval: Belgisch en buitenlands publiekrechtelijk lichaam

Een onderneming, die enkel in België is gevestigd, verhuurt dekzeilen. Er wordt een huurovereenkomst gesloten met:

• eerste hypothese: een Belgische gemeente, niet-btw-belastingplichtig

• tweede hypothese: een Duitse gemeente, niet-btw-belastingplichtig en niet voor btw-doeleinden geïdentificeerd.

De dekzeilen worden verhuurd van 12 tot en met 14.07.2022.

De factuur, die betrekking heeft op de volledige prijs, wordt uitgereikt op 30.06.2022.

De volledige prijs wordt betaald op 11.07.2022.

De belasting is opeisbaar:

• in de eerste hypothese: op 11.07.2022, zijnde de datum van ontvangst van de betaling. De gemeente wordt beoogd door artikel 6 van het Btw-Wetboek. Indien, bijvoorbeeld, de betaling ontvangen werd op 24.09.2022, zou de belasting opeisbaar geworden zijn op die datum, hoewel dat tijdstip plaatsvindt na het belastbare feit dat plaatsvindt op het einde van de dienst, zijnde op 14.07.2022

• in de tweede hypothese: op 30.06.2022, zijnde de datum van uitreiking van de factuur. Bij gebrek aan een belastingplichtige ontvanger of ermee gelijkgestelde (artikel 43 van de richtlijn 2006/112/EG en artikel 21, § 1, van het Btw-Wetboek), betreft het geen intracommunautaire dienst. De Duitse gemeente wordt bovendien niet beoogd door artikel 6 van het Btw-Wetboek. De regel van ontvangst van de betaling, eigen aan publiekrechtelijke lichamen, is in casu niet van toepassing.

5. Tijdstip van opeisbaarheid van de belasting voor de diensten verstrekt aan natuurlijke personen die voor privédoeleinden handelen

A. Principe

In afwijking van artikel 22 van het Btw-Wetboek wordt, voor de diensten verricht door een belastingplichtige die gewoonlijk diensten verricht voor particulieren en waarvoor hij niet verplicht is een factuur uit te reiken, de belasting opeisbaar over het ontvangen bedrag op het tijdstip waarop de betaling of de subsidies als bedoeld in artikel 26, eerste lid, van het Btw-Wetboek worden ontvangen. Dit geldt ongeacht of de incassering plaatsvindt voor of na de dienst (artikel 22bis, § 3, van het Btw-Wetboek). Deze bepaling is de omzetting van artikel 66, eerste alinea, punt b), van de richtlijn 2006/112/EG, voornoemd.

De uitreiking van een factuur, die niet het gevolg is van een wettelijk verplichting, is geen oorzaak van opeisbaarheid van de belasting. Het incasseringsstelsel is van toepassing.

B. Toepassingsgeval

Een onderneming die gespecialiseerd is in de herstelling van tuinbouwtoestellen, verricht deze diensten gewoonlijk voor natuurlijke personen die voor privédoeleinden handelen. Voor een bedrag van 100 euro verricht ze het onderhoud van een grasmaaier waarbij de maaier op 23.04.2022 aan huis wordt opgehaald en na het onderhoud op 28.04.2022 terug aan huis wordt bezorgd. Op 23.04.2022 betaalt de klant 50 euro. Op 07.05.2022 betaalt de klant het saldo van 50 euro. Op 30.04.2022 wordt een factuur voor de totale prijs uitgereikt.

De btw wordt opeisbaar op 23.04.2022 over 50 euro en op 07.05.2022 over 50 euro bij de ontvangst van de vooruitbetaling en van het saldo (artikel 22bis, § 3, van het Btw-Wetboek).

De circulaire 2019/C/65 van 09.07.2019 inzake de opeisbaarheid van btw analyseert ten gronde de wettelijke bepalingen met betrekking tot de opeisbaarheid van de btw.

6. Samenvattende tabellen met betrekking tot het tijdstip van de opeisbaarheid van de btw – onderscheid tussen andere dan intracommunautaire diensten en intracommunautaire diensten

A. Overzicht – Verwijzingen naar de circulaire 2019/C/65 van 09.07.2019 met betrekking tot de opeisbaarheid van de btw

HANDELINGENVERPLICHTE FACTURATIE?
JAJANEEN
B2B EN B2CB2GB2C
DIENSTEN ANDERE DAN INTRACOMMUNAUTAIRE(nummers 89 tot 132)• Datum van uitreiking van een factuur voor of na het belastbare feit met deadline (de 15de dag van de maand volgend op het belastbare feit), (nummers 92 tot 94)• ontvangst van een betaling voor het belastbare feit, bij gebrek aan een reeds uitgereikte factuur (nummers 95 tot 97)Datum ontvangst van een betaling
(nummers 129 tot 132)(nummers 111 tot 120)
BEHALVE verlegging van heffing in hoofde van de medecontractant (artikel 51, §§ 2 en 4, van het Btw-Wetboek): zie B2B
INTRACOMMUNAUTAIRE DIENSTEN(nummers 133 tot 149)Voltooiing van de dienst (nummers 106 tot 110)Ontvangst van een betaling voor de voltooiing van de dienst (nummers 138 tot 145)/
B. Toepassing op vervoerdiensten en verhuurdiensten voor een als zodanig handelende belastingplichtige (Referenties naar het Btw-Wetboek)
Aard van de dienstIntracommunautaire dienstAndere dan een intracommunautaire dienst
Vervoervan goederenArtikelen 22, § 1 en 22bis, § 2Artikelen 22, § 1 en 22bis, § 1
van personenUitgesloten (artikel 22bis, § 2, derde lid) (18)Artikelen 22, § 2 en22bis, § 2 (20)
VerhuuronroerendArtikelen 22, § 2, eerste lid en 22bis, § 1 (19)
roerendVervoer-middelenKorte duur
Andere
Andere

(18) circulaire 2019/C/65 du 09.07.2019 inzake de opeisbaarheid van btw, nummer 133

(19) circulaire 2019/C/65 du 09.07.2019 inzake de opeisbaarheid van btw, nummers 106 tot 110

(20) circulaire 2019/C/65 du 09.07.2019 inzake de opeisbaarheid van btw, nummers 133 tot 140 en 142

7. Toepassing op een roerend werk

Een autohersteller herstelt een autovoertuig. De dienst, die in België plaatsvindt, wordt verstrekt op 15.02.2022. De dienstverrichter reikt een factuur uit op 10.03.2022 en ontvangt het gefactureerde bedrag op 02.04.2022.

A. Dienst andere dan een intracommunautaire dienst – Verwijzingen naar het Btw-Wetboek
ONTVANGERFACTUURDATUM OPEISBAARHEID VAN DE BTWDatum uitreiking van de verplichte factuur, met naleving van de wettelijke termijn, zelfs na het belastbare feit dat heeft plaatsgevonden op 15.02.2022 (artikel 22bis, §1, eerste lid)
Belastingplichtige of niet-belastingplichtige privaatrechtelijke rechtspersoonverplicht10.03.2022
Natuurlijke persoon die voor privédoeleinden handeltIndien verplicht
Indien niet verplicht02.04.2022Datum van ontvangst van de betaling, ongeacht de datum van het belastbare feit (15.02.2022), (artikel 22bis, §3 (B2C) en § 4 (B2G)
Publiekrechtelijk lichaam (artikel 6)Verplicht
B. Intracommunautaire dienst
ONTVANGERFACTUURDATUM OPEISBAARHEID VAN DE BTWDatum van de voltooiing van de dienst (artikel 22bis, § 2, eerste lid)Is nooit een oorzaak van opeisbaarheid:• de uitreiking van de factuur• de betaling na de voltooiing van de dienst
Belastingplichtige (artikel 21, § 1), schuldenaar van de btw (artikel 51, § 2, eerste lid, 1°)verplicht15.02.2022

8. Bijzonderheden verbonden aan bepaalde beroepen of functies

A. Architecten, landmeters, ingenieurs

Aangezien architecten in de regel hun diensten verstrekken aan niet-belastingplichtigen, aanvaardt de administratie dat de btw slechts opeisbaar wordt naarmate van de incassering van de honoraria. Deze regel geldt zowel voor de diensten verstrekt aan als zodanig handelende belastingplichtigen als voor de diensten verstrekt aan niet-belastingplichtige rechtspersonen of aan natuurlijke personen die voor privédoeleinden handelen.

De uitreiking van de gebruikelijke ereloonnota heeft nooit een invloed uitgeoefend op het tijdstip van opeisbaarheid inzake btw (aanschrijving nr. 50/1971 van 02.04.1971).

De administratie heeft het stelsel beoogd door de aanschrijving nr. 50/1971 van 02.04.1971 opnieuw onderzocht en heeft beslist dat voornoemd stelsel slechts nog mag worden toegepast door architecten, landmeters en ingenieurs die onderworpen zijn aan de boekhoudverplichtingen voorzien in artikel 320 van het Wetboek op de Inkomstenbelastingen 1992 (beslissing nr. E.T. 63.401 van 03.05.1990). Het betreft natuurlijke personen of natuurlijke personen die samenwerken onder de vorm van een burgerlijke vennootschap of vereniging zonder rechtspersoonlijkheid.

Een burgerlijke vennootschap die de vorm heeft aangenomen van, bijvoorbeeld een bvba of een coöperatieve vennootschap, moet zich evenwel aan de principes houden. In de relatie met hun klanten natuurlijke personen die voor privédoeleinden handelen en waarvoor geen facturatieplicht geldt, dient de incasseringsregel te worden toegepast, ongeacht of er een factuur wordt uitgereikt.

B. Gerechtsdeurwaarders

In het algemeen wordt de dienst verricht door een gerechtsdeurwaarder betaald door een andere persoon dan de medecontractant inzake btw.

Rekening houdend met het specifieke kader waarbinnen een gerechtsdeurwaarder zijn functie uitoefent, evenals met de praktische moeilijkheden, is de btw bijgevolg, bij wijze van tolerantie, in principe slechts opeisbaar bij de ontvangst van de betaling, ten belope van het ontvangen bedrag, ongeacht het tijdstip van uitreiking van een factuur, van het belastbare feit en van de persoon die de betaling verricht (zie beslissing nr. E.T. 122.121 van 08.03.2012).

C. Notarissen

a. Prestaties die resulteren in het verlijden van een akte

De diensten die een notaris verstrekt naar aanleiding van het verlijden van een notariële akte zijn ten vroegste voltooid bij het verlijden van die akte. Het is op dat tijdstip dat het belastbare feit plaatsvindt en dat de btw, in principe, opeisbaar wordt, zonder rekening te houden met de provisies aangezien deze niet als ontvangsten van een betaling worden aangemerkt.

b. Prestaties die niet resulteren in het verlijden van een akte

De gewone regels inzake opeisbaarheid die hierboven worden uitgelegd, en vervat zijn in de artikelen 22 en 22bis van het Btw-Wetboek, zijn van toepassing (beslissing nr. E.T. 121.923 van 03.04.2012).

D. Advocaten

Bij wijze van tolerantie aanvaardt de btw-administratie om er vanuit te gaan dat elke advocaat, ook een zakenadvocaat, een belastingplichtige is die diensten verstrekt aan natuurlijke personen die de ontvangen diensten bestemmen voor privédoeleinden.

Bijgevolg is de btw, in principe, opeisbaar op het tijdstip van ontvangst van de betaling, ten belope van het ontvangen bedrag (artikel 22bis, § 3, van het Btw-Wetboek). Indien de advocaat vrijwillig een factuur uitreikt, mag hij de regel van de factureringsdatum toepassen indien deze voorafgaat aan de ontvangst van de betaling en mits deze regel wordt toegepast op alle uitgereikte facturen.

Indien niet voldaan is aan voornoemd vermoeden, is het aan de advocaat om dit aan te tonen. In dat geval zijn de hierboven beschreven regels inzake opeisbaarheid, zoals vervat in de artikelen 22 en 22bis, van het Btw-Wetboek, van toepassing.

Indien een advocaat bijvoorbeeld diensten verstrekt voor een publiekrechtelijk lichaam, wordt de btw opeisbaar over het ontvangen bedrag op het tijdstip waarop de betaling wordt ontvangen (artikel 22bis, § 4, van het Btw-Wetboek) (circulaire AAFisc. nr. 47/2013 (E.T. 124.411) van 20.11.2013, beslissing nr. E.T. 126.564 van 18.07.2014 en circulaire 2019/C/65 van 09.07.2019 inzake de opeisbaarheid van btw, nummers 121 tot 129).

E. Bestuurders-rechtspersonen en zaakvoerders-rechtspersonen

Het belastbare feit van een mandaat als bestuurder, dat in de regel aanleiding geeft tot opeenvolgende afrekeningen of betalingen, vindt plaats bij het verstrijken van elke periode waarop een afrekening of betaling betrekking heeft. De btw is in ieder geval opeisbaar overeenkomstig de gewone regels vervat in de artikelen 22 en 22bis van het Btw-Wetboek die hierboven worden uiteengezet.

De administratie gaat ervan uit dat inzake tantièmes de btw opeisbaar wordt op de datum waarop de jaarlijkse algemene vergadering de beslissing tot uitkering van de tantièmes neemt, ongeacht de datum waarop het boekjaar wordt afgesloten, en ongeacht de datum waarop de factuur wordt uitgereikt of waarop de tantièmes worden betaald (beslissing nr. E.T. 127.850 van 30.03.2016, inzonderheid randnummer 55, met betrekking tot tantièmes).

F. Esthetische chirurgie/ Ingrepen en behandelingen zonder therapeutisch doel

De diensten die betrekking hebben op ingrepen en behandelingen zonder therapeutisch doel en die worden verricht door de in artikel 44, § 1, van het Btw-Wetboek bedoelde medische beroepsbeoefenaars of de in artikel 44, § 2, eerste lid, 1°, a), van het Btw-Wetboek bedoelde zorginstellingen (bijvoorbeeld artsen, doktersvennootschappen, ziekenhuizen, privé klinieken…) worden in het kader van onderhavige commentaar in principe verricht voor particulieren en bijgevolg wordt de btw opeisbaar in verhouding tot de ontvangst van de prijs (artikel 22bis, § 3, van het Btw-Wetboek).

Mits naleving van onderstaande voorwaarden is het evenwel toegestaan dat de btw begrepen in het geïncasseerd bedrag slechts opeisbaar wordt op het tijdstip waarop de gemachtigde derde de definitieve factuur (of het ermee gelijkgesteld document) met betrekking tot de verstrekte handelingen opmaakt. De uiterste datum voor de opeisbaarheid is dan het verstrijken van de tweede maand volgend op de datum van voltooiing van de handelingen.

Deze bijzondere regel is van toepassing indien voldaan is aan de drie onderstaande cumulatieve voorwaarden:

• de gemachtigde derde (bijvoorbeeld een ziekenhuis) int een voorschot, gebaseerd op een raming van de kost van de te realiseren ingreep/behandeling zonder therapeutisch doel

• de identiteit van één of meerdere dienstverrichters is nog onbekend op het tijdstip van de incassering van het voorschot en/of hun aandeel in de geïncasseerde bedragen is nog niet bepaald

• en de gemachtigde derde bewaart tijdelijk de totaliteit van het geïncasseerd voorschot en dit ten minste tot het ogenblik van de opmaak van de definitieve factuur (of het ermee gelijkgesteld document) met betrekking tot de verstrekte handelingen (beslissingen nr. E.T. 127.740 van 22.03.2016, nummers 66 tot 68, nr. E.T. 127.740/2 van 31.05.2016 en circulaire 2021/C/114 van 20.12.2021 betreffende de vrijstelling van de belasting inzake medische verzorging verricht door bepaalde personen en inzake ziekenhuisverpleging (nr. E.T. 138.926), randnummer 8.1.).

[Top]

Aangehaalde teksten

245
WBTW art. 18204 voorkomens
WBTW art. 44167 voorkomens
WBTW art. 21108 voorkomens
WBTW art. 21bis99 voorkomens
WBTW art. 1972 voorkomens
WBTW art. 22bis25 voorkomens
WBTW art. 1323 voorkomens
WBTW art. 220 voorkomens
WBTW art. 419 voorkomens
KB nr. 57 art. 118 voorkomens
WBTW art. 2018 voorkomens
WBTW art. 2214 voorkomens
WBTW art. 4114 voorkomens
WBTW art. 113 voorkomens
WBTW art. 4513 voorkomens
WBTW art. 1112 voorkomens
WBTW art. 56bis12 voorkomens
WBTW art. 611 voorkomens
WBTW art. 5110 voorkomens
WBTW art. 109 voorkomens
KB nr. 30 art. 17 voorkomens
WBTW art. 537 voorkomens
KB nr. 1 art. 205 voorkomens
WBTW art. 125 voorkomens
KB nr. 1 art. 14 voorkomens
WBTW art. 144 voorkomens
WBTW art. 21ter4 voorkomens
WBTW art. 334 voorkomens
WBTW art. 394 voorkomens
WBTW art. 44bis4 voorkomens
WBTW art. 574 voorkomens
WBTW art. 153 voorkomens
WBTW art. 22ter3 voorkomens
WBTW art. 263 voorkomens
WBTW art. 8bis3 voorkomens
WBTW art. 93 voorkomens
WBTW art. 25ter2 voorkomens
WBTW art. 292 voorkomens
WBTW art. 32 voorkomens
WBTW art. 322 voorkomens
WBTW art. 39bis2 voorkomens
WBTW art. 422 voorkomens
WBTW art. 482 voorkomens
WBTW art. 502 voorkomens
WBTW art. 53sexies2 voorkomens
WBTW art. 82 voorkomens
KB nr. 1 art. 41 voorkomen
KB nr. 1 art. 51 voorkomen
KB nr. 3 art. 21 voorkomen
KB nr. 55 art. 11 voorkomen
KB nr. 57 art. 21 voorkomen
KB nr. 5 art. 11 voorkomen
WBTW art. 14bis1 voorkomen
WBTW art. 361 voorkomen
WBTW art. 381 voorkomen
WBTW art. 38ter1 voorkomen
WBTW art. 461 voorkomen
WBTW art. 53ter1 voorkomen
WBTW art. 54bis1 voorkomen
WBTW art. 581 voorkomen
WBTW art. 641 voorkomen
WBTW art. 771 voorkomen
WBTW art. 81bis1 voorkomen

Administratieve doctrine

1

« … diensten verstrekt aan zijn opdrachtgever, kan er immers sprake zijn van twee of meer afzonderlijke diensten dan wel van één globale of complexe dienst (19). (19) Voor een algemene uitleg met betrekking tot deze btw-begrippen, wordt verwezen naar de Btw-Commentaar: Boekwerk I: Belastingplicht en belastbare handelingen, Hoofdstuk 3: Diensten , Afdeling 2, titel 7: Complexe handelingen – Omvang van de handeling. 24. Zijn prestaties als vertegenwoordiger, al dan niet aangevuld met bijkomende opdrachten, kunnen zowel doorlopend, over een bepaalde periode, als eenmalig of occasioneel worden … »

Circulaire 2022/C/98 over de vergoedingen toegekend aan voetballers en voetbalmakelaarsOmzendbrief28.09.2022

Bekijk het document