Algemene Administratie van de Fiscaliteit – Operationele Expertise en Ondersteuning
Dienst BTW
Belasting over de toegevoegde waarde
Beslissing Btw nr. E.T.128.632 dd. 05.11.2015
(Gewijzigde versie)
Belastingplicht
Jeugdhuizen
Vrijstellingen
Instellingen van sociale aard
Maatschappelijk werk
Deze beslissing heeft betrekking op de belastingplicht van jeugdhuizen die veelal door of voor jongeren worden opgericht en die aan jongeren de mogelijkheid bieden om in hun vrije tijd deel te nemen aan tal van sociaal-culturele activiteiten en dit ter bevordering van hun algemene ontwikkeling en maatschappelijke integratie.
1. Vrijstelling voor maatschappelijk werk, sociale zekerheid en bescherming van kinderen en jongeren
In dit kader moet worden onderzocht of de vrijstelling van artikel 44, § 2, 2°, van het Btw-Wetboek kan worden toegepast op de werkzaamheden van jeugdhuizen. Volgens deze bepaling zijn van de belasting vrijgesteld: 'de diensten en leveringen van goederen die nauw samenhangen met maatschappelijk werk, met sociale zekerheid en met de bescherming van kinderen en jongeren en die worden verricht door publiekrechtelijke lichamen of door andere organisaties die door de bevoegde overheid als instellingen van sociale aard erkend worden'.
Met organisaties erkend door de bevoegde overheid worden beoogd:
- hetzij de instellingen die een formele erkenning genieten, in de gevallen waarin in een formele erkenning door de bevoegde federale, regionale of gewestelijke overheid wordt voorzien;
- hetzij de instellingen waarvan de diensten en nauw daarmee samenhangende leveringen van goederen worden verricht in overeenstemming met de voor die instellingen geldende reglementering (z. gepubliceerde beslissing nr. E.T.94.156 van 25.07.2005).
Een dergelijke erkenning kan bijvoorbeeld blijken uit een beslissing van de gemeentelijke overheid of van de OCMW-raad van een gemeente, het feit dat aan het jeugdhuis een subsidie wordt toegekend, ….
Rekening houdend met het feit dat jeugdhuizen er in de regel op gericht zijn jongeren de mogelijkheid te bieden om in hun vrije tijd deel te nemen aan tal van sociaal-culturele activiteiten ter bevordering van hun algemene ontwikkeling en maatschappelijke integratie, gaat de administratie er gelet op dit uitermate sociaal doel van uit dat de door deze jeugdhuizen in dit kader verrichte handelingen in beginsel van de belasting over de toegevoegde waarde zijn vrijgesteld op grond van de bepalingen van artikel 44, § 2, 2°, van het Btw-Wetboek, voor zover voldaan is aan de voorwaarde inzake erkenning.
2. Exploitatie van een drankgelegenheid die voor iedereen toegankelijk is
2.1. Principe: geen vrijstelling
Uit de praktijk is gebleken dat bepaalde jeugdhuizen onder bezwarende titel, met of zonder winstoogmerk, een drankgelegenheid exploiteren die voor iedereen toegankelijk is.
Een dergelijke exploitatie is intrinsiek vreemd aan voornoemde sociale doelstelling zodat de vrijstelling van artikel 44, § 2, 2°, van het Btw-Wetboek niet kan worden toegepast op de omzet die hierdoor wordt gerealiseerd, ongeacht of er hierbij al dan niet sprake is van concurrentieverstoring.
2.2. Administratieve tolerantie voor jeugdhuizen
De administratie gaat er bij wijze van tolerantie evenwel van uit dat de exploitatie van een dergelijke drankgelegenheid door een jeugdhuis deze sociale doelstelling niet schendt en aldus geen belemmering vormt voor de toepassing van de vrijstelling van voornoemd artikel 44, § 2, 2°, van het Btw-Wetboek wanneer cumulatief aan navolgende voorwaarden is voldaan:
- het jeugdhuis verschaft geen maaltijden onder bezwarende titel, ook geen lichte maaltijden zoals onder meer soepen, croques, kroketten (kaas, garnaal, …), belegde broodjes, deegwaren, omeletten, pannenkoeken, e.d. (1);
- de door het jeugdhuis gerealiseerde jaarlijkse omzet in het kader van de exploitatie van een dergelijke drankgelegenheid bedraagt niet meer dan 80.000 euro.
(1) Het al dan niet tegen betaling aanbieden van kleine voedingswaren die over het algemeen samen met dranken worden geserveerd wordt niet aangemerkt als (lichte) maaltijd in de zin van hetgeen voorafgaat en vormt aldus geen belemmering voor de toepassing van de vrijstelling van voornoemd artikel 44, § 2, 2°, van het Btw-Wetboek. Onder kleine voedingswaren wordt verstaan, de kleine caféhapjes die worden verbruikt zonder het gebruik van een bestek, zoals bv. chips, droge worstjes, ansjovis, olijven, koekjes, wafels, chocolade, hardgekookte eieren, enz..
Indien dit drempelbedrag in de loop van een kalenderjaar wordt overschreden, zal het betrokken jeugdhuis gehouden zijn de door hem verrichte handelingen in het kader van de exploitatie van een drankgelegenheid aan de belasting te onderwerpen met ingang van 1 januari van het daaropvolgende jaar en dit voor zover betreffende overschrijding niet als toevallig kan worden aangemerkt.
Hetgeen voorafgaat doet echter niets af aan de bepalingen van artikel 44, § 2, 12°, van het Btw-Wetboek op grond waarvan van de btw zijn vrijgesteld de leveringen van goederen en de diensten, verricht in samenhang met werkzaamheden die ter verkrijging van financiële steun met betrekking tot in artikel 44, § 2, 2°, van hetzelfde Wetboek genoemde handelingen zijn georganiseerd door en uitsluitend ten bate van diegenen die deze handelingen verrichten of ten bate van een goed doel. Niettemin wordt opgemerkt dat de bepalingen van artikel 44, § 2, 12°, van het Btw-Wetboek slechts uitzonderlijke opbrengsten beogen uit activiteiten die geen commerciële werkzaamheid mogen vormen die tot concurrentie kan leiden. Hierbij worden onder meer de organisatie van een jaarlijks eetfestijn, een jaarlijkse taartenverkoop e.d. beoogd.
3. Inwerkingtreding
Deze beslissing treedt in werking op 01.01.2016.
De eerste keer dat moet worden nagegaan of het drempelbedrag van 80.000 euro is overschreden, heeft betrekking op de omzet gerealiseerd in het kalenderjaar 2015.
Jozef MARCKX
Adviseur-generaal