Vr. en Antw., Kamer, 2005-2006, nr. 109, blz. 20410-20412
Bedrijvencentra
VRAAG
Aanschrijving AOIF 39/2005 E.R.108.816 van 27 september 2005 regelt vanaf 1 januari 2006 de BTW-belastingplicht van de bedrijvencentra. Tot op heden waren zij gemengd BTW-plichtigen. Aangezien zij hierdoor dikwijls grote bedragen aan BTW niet konden aftrekken, kwam onder druk en op vraag van de bestaande bedrijvencentra deze aanschrijving tot stand.
In de aanschrijving worden de voorwaarden opgesomd waaraan de verhuring binnen de bedrijvencentra dient te voldoen opdat zij voor 100% BTW-plichtigen zouden worden aangezien. Een van de voorwaarden is dat er "ingerichte" kantoren dienen verhuurd te worden. Aangezien de meeste bedrijvencentra reeds jaren aan het werk zijn, zijn de lopende contracten niet in die zin opgemaakt en beschikken de huurders al over hun eigen meubilair. Dit zou dus betekenen dat de bedrijvencentra onder wier druk en vraag deze aanschrijving tot stand kwam, het nieuwe regime niet kunnen genieten.
Bent u bereid om deze voorwaarde inzake meubilair te laten vallen, zeker wat betreft de reeds bestaande bedrijvencentra?
ANTWOORD
(vice-eerste minister en minister van Financiën, 16.02.2006)
Hoewel het nieuwe BTW-stelsel dat sinds 1 januari 2006 van toepassing is op de bedrijven- en dienstencentra in overleg met vertegenwoordigers van de betrokken sector werd uitgewerkt, wordt de wijziging van het administratief standpunt in de eerste plaats verantwoord door de evolutie van de nationale en Europese rechtspraak. De circulaire nr. 39/2005 die in dat verband werd gepubliceerd door de fiscale administratie laat toe het onderscheid te maken tussen, enerzijds, de handelingen van bedrijven- of dienstencentra die worden belast en, anderzijds, de handelingen inzake de van de belasting vrijgestelde onroerende verhuur (in voorkomend geval met bijkomende diensten).
Opdat de forfaitaire prijs voor het geheel zou worden belast, moet het bedrijven- of dienstencentrum een minimum aantal diensten als tegenprestatie voor deze prijs aanbieden. Het gezamenlijk aanbieden van al deze diensten is absoluut noodzakelijk opdat de prestaties van het dienstencentrum zich zouden onderscheiden van een vrijgestelde onroerende verhuur.
Ik herinner er bovendien aan dat de prestaties die worden verricht door bedrijven- en dienstencentra worden aangemerkt als doorlopende diensten, die aanleiding geven tot opeenvolgende afrekeningen of betalingen, waarvoor de belasting opeisbaar is bij het verstrijken van elke periode waarop een afrekening of betaling betrekking heeft. Het nieuwe stelsel is bijgevolg van toepassing op de diensten verstrekt door de bedrijven- en dienstencentra waarvoor vanaf 1 januari 2006 de belasting opeisbaar is, ongeacht de datum waarop de overeenkomst werd gesloten.
Om een gelijke behandeling van alle betrokkenen te waarborgen en met het oog op een uniforme en transparante toepassing van het nieuwe BTW-stelsel kan ik het voorstel van het geachte lid niet bijtreden om ten aanzien van de bestaande bedrijven- en dienstencentra af te wijken van voornoemde principes.