Deze beslissing werd opgeheven door de Circulaire 2019/C/22 betreffende werken uitgevoerd door een Btw-belastingplichtige in een gebouw dat hij huurt
BTW-Revue, nr. 6, blz. 214
Belasting geheven van bedrijfsmiddelen - Werken aan gehuurd gebouw.
De belasting voldaan door een belastingplichtige ter zake van herstellings-, onderhouds-, omvormings- of verbeteringswerk verricht aan het gebouw dat hij huurt en dat hij geheel of gedeeltelijk gebruikt voor het uitoefenen van de werkzaamheid waarvoor hij belastingplichtige is, mag in aftrek worden gebracht volgens het hierna gemaakte onderscheid:
1° indien de huurder zelf de kosten van deze werken draagt mag hij de door de aannemer in rekening gebrachte belasting in aftrek brengen in de mate waarin de uitgaven betrekking hebben op het gedeelte van het gebouw dat voor zijn belastbare werkzaamheid wordt gebruikt. De belasting voldaan voor omvormings- of verbeteringswerk is echter onderworpen aan de beperking ingesteld bij artikel 100 van het Wetboek, aangezien die belasting in hoofde van de huurder als een belasting geheven van een bedrijfsmiddel moet worden aangemerkt;
2° indien de huurder de door hem gedane kosten, geheel of gedeeltelijk, in de ene of andere vorm, terugbetaald krijgt van de eigenaar of van de hoofdhuurder, dan wordt hij bij toepassing van artikel 20 van het Wetboek geacht aan die eigenaar of hoofdhuurder een dienst te hebben verstrekt in de mate waarin de gedane werken door deze laatste(n) worden vergoed. De huurder moet aan de eigenaar of de hoofdhuurder een factuur uitreiken volgens de gewone regelen. De maatstaf van heffing is de vergoeding in geld of, bij ontstentenis daarvan, de normale waarde van de tegenprestatie, ongeacht of die bestaat in de verbintenis de huurprijs te verlagen, in de verbintenis de huurprijs niet te verhogen gedurende een bepaalde periode of in de verbintenis goederen te leveren tegen een lagere prijs dan die welke normaal wordt toegepast. In die mate mag de huurder de door de aannemer aangerekende belasting in aftrek brengen zonder rekening te houden met artikel 100 van het Wetboek. Het is duidelijk dat de door de huurder aan de eigenaar of hoofdhuurder aangerekende belasting door deze laatste(n) in geen geval in aftrek kan worden gebracht aangezien de onroerende verhuur buiten de werkingssfeer van de belasting valt.
Wanneer de eigenaar bij het verstrijken van het huurcontract aan de huurder een vergoeding betaalt bij toepassing van artikel 9 van de wet van 30 april 1951 betreffende de handelshuur of van artikel 26 van de wet van 4 november 1969 betreffende de pacht, heeft die vergoeding niet tot gevolg dat de huurder geacht wordt een dienst te hebben verstrekt aan de eigenaar.
Ten slotte wordt nog opgemerkt dat ingeval de eigenaar of hoofdhuurder aan de huurder goederen levert tegen een lagere prijs dan die welke hij gewoonlijk toepast, gelet op de werken die de huurder heeft verricht, de wegens die leveringen verschuldigde BTW berekend moet worden over de prijs die hij zou hebben gevraagd indien de huurder die werken niet had verricht.