Cross-border leasing · Parlementaire vragen

Naar de tekst
Juriel

926 12 maart 1998

Zoeken

Cross-border leasing

https://juriel.be/nl/parlementaire-vragen/926-cross-border-leasing-delcroix-c7b4

Nummer
926
Datum
12 maart 1998

Over het document

Verzameling
Parlementaire vragen
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

26 paragrafen

BTW-Revue nr. 138, blz. 830

Vr. en Antw., Senaat, 1997-1998, nr. 1-77, blz. 4041-4043

Cross-border leasing

VRAAG

Op 17 juli 1997 heeft het Europees Hof van Justitie het arrest "Aro Lease" geveld.

In dat arrest werd de interpretatie van de Belgische Staat (BTW- administratie) van wat in het kader van een cross-border leasing als een vaste inrichting in de zin van artikel 9, lid 1-2, van de Zesde BTW-richtlijn dient te worden beschouwd, afgewezen (voor een gedetailleerde studie van het arrest: zie Debroe, L., "Cross-border leasing van auto's in België: aspecten van BTW - Vrij verkeer van diensten: analyse van en commentaar op het ARO Lease-arrest van het Hof van Justitie", AFT, 1997,382-397).

De Belgische BTW-administratie hechtte volgens het Europees Hof van Justitie te weinig aandacht aan de subsidiariteit van het criterium van de vaste inrichting om te bepalen welk land voor de heffing van BTW bevoegd is. Het land van de zetel van de dienstverlenende leasingmaatschappij is het toonaangevende criterium (in plaats van het land waar het voertuig in gebruik wordt genomen). Slechts als de constitutieve elementen van de dienstverlening niet aan het land van de zetel kunnen worden geattacheerd, is het volgens het Europees Hof van Justitie noodzakelijk om het begrip vaste inrichting als alternatief criterium te hanteren.

Deze constitutieve elementen zijn bij het leasen van autovoertuigen onder meer het onderhandelen over het leasingcontract, het opmaken, ondertekenen en het latere beheer van de overeenkomst.

Als elementen die niet doen besluiten tot het voorhanden zijn van een vaste inrichting waardoor BTW in het land van die (Belgische) inrichting zou moeten worden geheven, merkt het Europees Hof van Justitie aan: het feit dat de auto's worden uitgezocht bij een Belgische dealer; het feit dat zelfstandige Belgische makelaars de potentiële klant prospecteren en in contact brengen met de buitenlandse leasingmaatschappij, enz.

De Belgische BTW-administratie heeft naar ons weten nog altijd haar officieel standpunt, dat afwijkt van de voorgaande door het Europees Hof van Justitie geponeerde principes, niet gewijzigd. Dit leidt tot de nodige rechtsonzekerheid.

Al deze vaststellingen nopen tot de volgende vragen:

•Kan de geachte minister medelen of er een wijziging is opgetreden in het administratieve standpunt: treedt de BTW-administratie de voornoemde principes bij? Waaraan is de eventuele vertraging in de wijziging van het standpunt van de administratie te wijten?

•Is de wijziging van het standpunt van de BTW-administraties reeds kenbaar gemaakt in de hangende BTW-procedures voor de burgerlijke rechtbanken?

•Wat is de geschatte budgettaire impact van dit arrest van het Europees Hof van Justitie?

•Kan de geachte minister voorts bevestigen dat de Belgische wetgeving die voorschrijft dat leasewagens moeten worden ingeschreven op een Belgisch adres door de juridische eigenaar in overeenstemming is met de voorgaande criteria en met het principe van het vrij verkeer van diensten? Hoe wordt de onderscheiden behandeling tussen Belgische en buitenlandse dienstverleners op dat vlak redelijk verantwoord?

•In diverse persberichten en artikelen in de vakpers is melding gemaakt van de mogelijkheid om de Belgische Staat aansprakelijk te stellen voor het verkeerde standpunt van de BTW-administratie. Heeft de geachte minister weet van dergelijke vorderingen tot schadeloosstelling?

•Is deze hele hetze niet veroorzaakt door het hoge Belgische BTW-tarief ter zake en de beperking op het recht van aftrek van BTW? Dringt zich desgevallend aan deze regimes geen wijziging op?

ANTWOORD

Ingevolge het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschap van 17 juli 1997 in de zaak C-190/95 (Aro Lease BV/Inspecteur van de belastingdienst grote ondernemingen te Amsterdam) kon het standpunt van de administratie van de BTW, Registratie en Domeinen dat inhield dat de aanwezigheid van een vloot van voertuigen in een andere lidstaat een vaste inrichting uitmaakt voor de bepaling van de plaats van de dienst niet langer worden behouden.

Daaruit volgt dat de handelingen van grensoverschrijdende verhuur van personenwagens en meer algemeen van vervoermiddelen onder de voorwaarden gesteld in het bovengenoemde arrest niet onderworpen zijn aan de BTW in België. Het arrest dient uiteraard te worden toegepast ten aanzien van alle dergelijke verhuringen.

Mijn antwoord op de parlementaire vraag nr. 249 van 23 januari 1996 van de heer volksvertegenwoordiger Fournaux (Vragen en Antwoorden, Kamer, 1995-1996, nr. 26, 18 maart 1996, blz. 3023-3024) waarin voor het bepalen van de plaats van de dienst inzake verhuur van vervoermiddelen de "vloottheorie" wordt gegeven vervalt vanzelfsprekend in die mate.

•De centrale administratie van de BTW, Registratie en Domeinen heeft haar buitendiensten onmiddellijk per elektronische mailing in kennis gesteld van dat arrest en de gevolgen ervan. Bovendien werd het arrest onmiddellijk uitgevoerd, zodat normaliter er voor de rechtbank geen procedures meer hangende zijn inzake cross-border leasing van auto's.

•Het budgettair verlies, opgenomen in de Rijksmiddelenbegroting voor het jaar 1998 (parl. doc. 1250/1-97/98), is geraamd op 2 016 miljoen frank. Voor de jaren 1999 en volgende zal dit bedrag uiteraard rekening houdend met de reële verliezen geleden in het jaar 1998, op passende wijze worden bijgesteld.

•De problematiek inzake inschrijving van voertuigen behoort tot de bevoegdheid van mijn collega van Verkeer en Infrastructuur.

•Sinds het arrest werden geen vorderingen tot schadevergoeding ingesteld.

•Inzake de laatste vraag van het geachte lid laat ik opmerken dat zolang ter zake geen volledige harmonisatie van de BTW-wetgevingen van alle lidstaten is verwezenlijkt, een verlegging van vestiging van activiteit omwille van een gunstiger fiscaal regime in een andere lidstaat steeds mogelijk is.

Aangehaalde teksten

1

Administratieve doctrine

4

« … van een wagenpark in een andere lidstaat dan die van de zetel van de economische activiteit (Hof van Justitie van de Europese Unie, Arrest ARO Lease, zaak C-190/95, van 17.07.1990, punt 20, Arrest Lease Plan, zaak C-390/96, van 07.05.1998, punt 28 en de schriftelijke parlementaire vraag nr. 926 van de heer Senator Leo Delcroix van 12.03.1998 ) het feit dat een gebouw verhuurd wordt in een lidstaat waarbij de eigenaar ervan geen eigen personeel heeft om de met de verhuur verband houdende dienst te verrichten (Hof van Justitie van de Europese Unie, Arrest T.L., zaak C-931/19, van 03.06.2021, punt … »

Diensten (01.07.2026)Administratieve commentaar01.07.2026

Bekijk de 4 documenten