Vr. en Antw., Kamer, nr. 26, 1995-1996, blz. 3023-3024
BTW-Revue nr. 122, blz. 506
Verhuur vervoermiddel zoals aanhangwagen vrachtwagen - Plaats van de dienst.
VRAAG
Belgische ondernemingen verhuren vaak aanhangwagens aan klanten die in een andere lidstaat van de Europese Unie zijn gevestigd. Gewoonlijk rekenen die bedrijven voor dergelijke diensten BTW aan. Het zou echter blijken dat uw bestuur de mening is toegedaan dat op dergelijke diensten geen Belgische BTW moet worden aangerekend, omdat de huurder van aanhangwagens in het buitenland over een wagenpark beschikt. De verwarring die rond de toepassing van de BTW op dergelijke handelingen heerst, leidt tot concurrentievervalsing waarvan de ondernemingen die wel BTW aanrekenen, het slachtoffer zijn.
1. Op welke wetsbepaling berust de nieuwe interpretatie van het bestuur ?
2. Sinds wanneer is die interpretatie van kracht ?
ANTWOORD
1. Overeenkomstig artikel 21, § 2, van het BTW-wetboek, wordt als plaats van een dienst aangemerkt, de plaats waar de dienstverrichter de zetel van zijn economische activiteit of een vaste inrichting heeft gevestigd van waaruit hij de dienst verricht, of bij gebrek aan een dergelijke zetel of vaste inrichting, zijn woonplaats of zijn gebruikelijke verblijfplaats.
Overeenkomstig artikel 21, § 3, 6°, van genoemd wetboek wordt evenwel de dienst bestaande in de verhuur van een vervoermiddel zoals een aanhangwagen van een vrachtwagen door een in België gevestigde verhuurder geacht plaats te vinden daar waar het vervoermiddel wordt gebruikt in de mate waarin dat gebruik buiten de Europese Gemeenschap plaatsvindt.
Bijgevolg vindt in de door het geacht lid bedoelde hypothese, de verhuur van een vervoermiddel, ongeacht waar de huurder is gevestigd, in principe plaats in België en is dus aan de BTW in België onderworpen, behalve in de mate waarin het vervoermiddel buiten de Europese Gemeenschap wordt gebruikt.
Hetzelfde geldt wanneer een verhuurder in hoofdzaak vervoermiddelen verhuurt hier te lande en daarnaast sporadisch enkele vervoermiddelen verhuurt in een andere lidstaat. Ten aanzien van laatstgenoemde verhuur blijft de BTW in België verschuldigd.
Wanneer daarentegen een in België gevestigde verhuurder in een andere lidstaat beschikt over een vloot van voor verhuur bestemde vervoermiddelen en er ipso facto een vaste inrichting heeft van waaruit de dienst wordt verricht, vindt laatstgenoemde, rekening houdend met hetgeen voorafgaat, niet in België plaats zodat de BTW in België niet is verschuldigd.
Tenslotte wordt het geacht lid erop gewezen dat artikel 21, § 5, van het BTW-wetboek een vermoeden juris tantum bevat op grond waarvan de plaats van een dienst wordt geacht zich in België te bevinden als een van de bij de dienst betrokken partijen er een zetel van beroepswerkzaamheid of een vaste inrichting heeft gevestigd, of bij gebrek aan een dergelijke zetel of vaste inrichting, een woonplaats of een gebruikelijke verblijfplaats. Het tegenbewijs bestaat er bijgevolg in dat de in België gevestigde verhuurder aantoont dat de plaats van de dienst zich, bij toepassing van hetgeen voorafgaat, niet hier te lande bevindt.
2. Deze interpretatie is van toepassing vanaf 1 januari 1993. <span id="ms-rterangecursor-start" rtenodeid="1"></span><span id="ms-rterangecursor-end"></span>