Algemene Administratie van de Fiscaliteit – Operationele Expertise en Ondersteuning
Dienst BTW
Belasting over de toegevoegde waarde
Beslissing Btw nr. E.T.125.506 dd. 22.06.2015
Belasting over de toegevoegde waarde
Plaats van de dienst
Interne of in-house opleidingen
Het verstrekken van interne of in-house opleidingen vindt plaats daar waar de belastingplichtige ontvanger van de dienst gevestigd is overeenkomstig artikel 21, § 2, van het Btw-Wetboek. Dergelijke diensten moeten bijgevolg het voorwerp uitmaken van een verlegging van heffing indien de voorwaarden van artikel 51, § 2, 1°, van het Wetboek voldaan zijn.
1. Situatie
Het komt voor dat een belastingplichtige een beroepsopleiding of bijscholing organiseert die niet enkel toegankelijk is voor diens personeelsleden, maar ook voor personeelsleden van andere belastingplichtigen waarmee die belastingplichtige een groep van verbonden ondernemingen vormt (zogenaamde interne of in-house opleidingen). De onderneming van de groep die de opleiding organiseert rekent louter de kosten van die opleiding door aan de andere ondernemingen van de groep. Bovendien dekt het doorgerekend bedrag geen andere kosten die de deelname aan dergelijke opleidingen met zich mee kan brengen, zoals vervoer- of verblijfskosten (1).
(1) Wanneer naast de deelname aan een opleiding eveneens andere kosten, zoals vervoer- of verblijfkosten, spijzen en dranken, in rekening worden gebracht dan mag de toepassing van de bijzondere regeling van de reisbureaus niet uit het oog worden verloren (artikel 18, § 2, tweede lid, WBTW). Desgevallend wordt de plaats van de handeling bepaald overeenkomstig artikel 21ter van het Btw-Wetboek en dient toepassing te worden gemaakt van de forfaitaire maatstaf van heffing op de winstmarge (zie artikel 29, § 2, WBTW). Deze bijzondere regeling is in principe van toepassing wanneer de organisator van de opleiding in eigen naam handelt en de voornoemde kosten, die aan hem zijn verstrekt door andere belastingplichtigen, aan de deelnemers in rekening worden gebracht (zie ook arrest C-200/04 van 13.10.2005 van het HJEU, overwegingen nrs. 20 tot 28).
In het kader van het pilootproject van de Europese Commissie met betrekking tot voorafgaandelijke adviesverlening – de zogenaamde procedure inzake Cross Border Rulings (CBR) – werd aan de centrale diensten btw van de Algemene Administratie van de Fiscaliteit gevraagd zich uit te spreken over de plaatsbepaling van het verstrekken van beroepsopleidingen of bijscholingen die uitsluitend worden verstrekt aan personeelsleden van eenzelfde groep van ondernemingen.
2. Standpunt
De administratie neemt aan dat voornoemde interne of in-house opleidingen plaatsvinden daar waar de belastingplichtige ontvanger van de dienst gevestigd is overeenkomstig artikel 21, § 2, van het Btw-Wetboek. Dergelijke diensten moeten bijgevolg het voorwerp uitmaken van een verlegging van heffing indien de voorwaarden van artikel 51, § 2, 1°, van het Wetboek voldaan zijn.
Artikel 21, § 3, 3°, van het Wetboek, op grond waarvan de dienst die bestaat in het verlenen van toegang tot een educatief evenement en met de toegang verlening samenhangende diensten geacht wordt plaats te vinden daar waar het evenement daadwerkelijk plaatsvindt, is niet van toepassing. Er kan immers aangenomen worden dat in het kader van interne of "in-house" opleidingen geen sprake is van een toegang verlenende handeling in de zin van die bepaling.
Indien de afnemer van de dienst geen btw-belastingplichtige is in de zin van artikel 21, § 1, van het Wetboek, vindt de opleiding plaats daar waar ze daadwerkelijk wordt georganiseerd overeenkomstig artikel 21bis, § 2, 5°, b), van het Wetboek.
3. Beoogde groepen van verbonden ondernemingen
Onder "groep van verbonden ondernemingen" in de zin van deze beslissing wordt het volgende begrepen.
(a) Wanneer het rechtspersonen met een in aandelen vertegenwoordigd kapitaal betreft:
- wanneer vennootschappen een consortium vormen in de zin van artikel 10 van het Wetboek van Vennootschappen;
- de verbonden vennootschappen in de zin van artikel 11 van het Wetboek van Vennootschappen;
- de geassocieerde vennootschappen in de zin van artikel 12 van het Wetboek van Vennootschappen;
- vennootschappen waarmee een deelnemingsverhouding bestaat in de zin van artikel 14 van het Wetboek van Vennootschappen.
(b) Betreffende andere personen dan deze bedoeld onder (a) zoals vzw's, economische samenwerkingsverbanden, tijdelijke handelsvennootschappen, stille handelsvennootschappen:
De duurzame band met de andere personen dan deze bedoeld onder (a) moet aangetoond worden aan de hand van feitelijke omstandigheden: eenheid van bestuursorganen, structurele banden op het vlak van administratie, financiën, personeelsbeleid, enz.
Wat voorafgaat is het standpunt van de Belgische administratie, dat echter niet wordt gedeeld door alle lidstaten. Het is daarom aangewezen dat de belastingplichtige die het standpunt van de fiscale administraties van de andere lidstaten ter zake wil kennen zich tot de betrokken fiscale administraties wendt. Wat de lidstaten betreft die eraan deelnemen kan dit via de CBR-procedure (http :// ec.europa.eu /taxation_customs/ taxation/ vat/ traders/ cross_border_rulings/index_en.htm)
J. MARCKX
Adviseur-generaal