Parlementaire vraag nr. 195 van de heer Benoît Piedboeuf d.d. 06.02.2020
Kamer, Vragen en Antwoorden, 2019-2020, QRVA 55/014 d.d. 24.03.2020, blz. 175
Vraag nr.195 van de heer volksvertegenwoordiger Benoît Piedboeuf van 06 februari 2020 (Fr.) aan de vice-eersteminister en minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, en minister van Ontwikkelingszaken:
Organisatie van seminars buiten België. - Btw.
ANTWOORD
van de vice-eersteminister en minister van Financiën, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, en minister van Ontwikkelingszaken van 12.03.2020:
Uw vraag heeft betrekking op het bepalen van de plaats van diensten, bestaande uit het verlenen van toegang tot educatieve evenementen aan belastingplichtigen.
In dit verband bepaalt artikel 21, § 3, 3°, van het Btw-Wetboek (omzetting naar Belgisch recht van artikel 53, van de Btw-Richtlijn 2006/112/EG) dat "als plaats van de dienst wordt aangemerkt: de plaats waar het evenement of de activiteit daadwerkelijk plaatsvindt wanneer de dienst bestaat in het verlenen van toegang tot culturele, artistieke, sportieve, wetenschappelijke, educatieve, vermakelijkheids- of soortgelijke evenementen, zoals beurzen en tentoonstellingen, en met de toegangverlening samenhangende diensten".
Tot op heden heeft de administratie het standpunt ingenomen dat de draagwijdte van artikel 21, § 3, 3°, van het Btw-Wetboek beperkt blijft tot het verlenen van toegang tot een evenement op het vlak van onderwijs met een duur van hoogstens één volledige dag (punten 44 en 45 van de circulaire AAFisc. nr.50/2013 (ET 124.537) van 29 november 2013).
De administratie heeft eveneens haar bedoeling verduidelijkt om deze visie te behouden in afwachting van een gemeenschappelijk standpunt van de Lidstaten (vraag nr.1461 van L. Van Biesen van 3 februari 2017, Vragen en Antwoorden, Kamer, 2016-2017, nr.105, blz.258).
Dit administratieve standpunt werd weerlegd door het Hof van Justitie van de Europese Unie in het arrest SRF Konsulterna AB, van 13 maart 2019, zaak C-647/17. In dit arrest heeft het hof een vijfdaags seminarie, met onderbreking van een dag, als evenement aangemerkt in de zin van artikel 53 van de richtlijn 2006/112/EG.
Rekening houdend met dit arrest, neemt de administratie voortaan aan dat de duur niet meer kan worden beschouwd als het enige doorslaggevend criterium om een evenement te definiëren in de zin van artikel 21, § 3, 3°, van het Btw-Wetboek. Men moet eveneens andere criteria in aanmerking nemen, zoals het feit dat de educatieve activiteiten op voorhand zijn gepland, op een specifieke plaats plaatsvinden en betrekking hebben op een vooraf omschreven onderwerp.
Bijgevolg is het mogelijk dat de plaats van de dienst betreffende het verlenen van het recht op toegang tot een meerdaags seminarie, overeenkomstig artikel 21, § 3, 3°, van het Btw-Wetboek, bepaald wordt daar waar het evenement daadwerkelijk plaatsvindt.
Het Btw-Comité bereidt momenteel een ontwerprichtsnoer voor dat een verdere verduidelijking met betrekking tot dit onderwerp zou kunnen vormen.