Beslissing Btw nr. E.T.125.655 dd. 13.03.2014
Algemene Administratie van de Fiscaliteit - Operationele Expertise en Ondersteuning
Dienst BTW / Geschillen
Belasting over de toegevoegde waarde/ Geschillen
De belastingplichtige bedoeld in artikel 8 of artikel 44, § 3, 1°, a, derde streepje, en b, derde streepje, van het Btw-Wetboek - Recht op aftrek - Inbouwapparatuur in keukens.
Eenieder die een handeling verricht als bedoeld in artikel 8 of in artikel 44, § 3, 1°, a, derde streepje, en b, derde streepje, van het Btw-Wetboek heeft voor deze handeling de hoedanigheid van belastingplichtige overeenkomstig de bepalingen van het koninklijk besluit nr. 14 van 3 juni 1970 met betrekking tot de vervreemdingen van gebouwen, gedeelten van gebouwen en het bijhorende terrein en de vestigingen, overdrachten en wederoverdrachten van een zakelijk recht in de zin van artikel 9, tweede lid, 2°, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde op zulke goederen.
Derhalve heeft hij het recht de btw in aftrek te brengen geheven van de handelingen die strekken of bijdragen tot de oprichting van het gebouw dat werd verkocht of waarop een zakelijk recht werd gevestigd, of die betrekking hebben op de verkrijging van dat gebouw, evenals van de btw geheven van de handelingen die rechtstreeks samenhangen met de overdracht van het gebouw of met de vestiging van het zakelijk recht.
Enkel voor de toepassing van deze bepalingen aanvaardt de administratie dat de btw geheven van de levering van elektrische huishoudapparaten die blijvend aangehecht zijn aan het gebouw (inbouwapparatuur geïntegreerd in het keukenmeubilair) aftrekbaar is voor zover deze apparatuur samen met het gebouw wordt overgedragen en voor zover de waarde ervan begrepen wordt in de maatstaf van heffing van de levering van het gebouw of van de vestiging van het zakelijk recht. De blijvende aanhechting van de apparatuur aan het gebouw kan verricht zijn door de verkoper van de apparatuur, een belastingplichtige onderneming of de eigenaar van het gebouw.
De betrokken belastingplichtigen kunnen zich beroepen op onderhavige beslissing, met inachtneming van de termijn voorzien in artikel 5, § 2, van voornoemd koninklijk besluit.