(Het opschrift van KB nr. 14, werd vervangen met ingang van 01.01.2011 (Art. 7, KB 19.12.2010, B.S. 24.12.2010))
(Uitvoering van de artikelen 8, 44, § 3, 1°, a), 2de streepje, b), 2de streepje, van het Wetboek.)
Officieuze coördinatie nr. 4- Laatstelijk gewijzigd met ingang van 01.01.2024 bij:
17 DECEMBER 2023 - Koninklijk besluit tot wijziging van de koninklijke besluiten nrs. 1, 2, 2bis, 3, 14, 19, 22, 31, 41 en 44 met betrekking tot de belasting over de toegevoegde waarde en tot uitstel van de datum van inwerkingtreding van de wet van 12 maart 2023 tot modernisering van de btw-ketting en van de inning van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen binnen de FOD Financiën (B.S. 22.12.2023, pg. 120969, Numac: 2023048329)
art. 1
lid 1(De tekst van KB nr. 14, artikel 1, werd vervangen (Art. 15, KB 17.12.2023, B.S. 22.12.2023, pg. 120969, Numac: 2023048329) met ingang van 01.01.2024 (Art. 36, eerste lid, KB 17.12.2023))
lid 2Eenieder die een in artikel 8 of artikel 44, § 3, 1°, a), derde streepje, of b), derde streepje, van het Wetboek bedoelde handeling verricht onder de daarin bepaalde voorwaarden, en die geen belastingplichtige is die dergelijke handelingen geregeld verricht in het kader van zijn economische activiteit, heeft voor die handeling de hoedanigheid van belastingplichtige, op voorwaarde dat hij zijn medecontractant op de hoogte brengt van zijn bedoeling om de handeling met toepassing van de belasting te verrichten, door middel van een vermelding in de eerste akte die tussen hen de titel vormt van de vervreemding van een gebouw of een gedeelte van een gebouw en het bijhorende terrein, van de vestiging, de overdracht of de wederoverdracht van een zakelijk recht in de zin van artikel 9, tweede lid, 2°, van het Wetboek, op zulke goederen.
art. 2
lid 1(De tekst van KB nr. 14, artikel 2, werd vervangen (Art. 16, KB 17.12.2023, B.S. 22.12.2023, pg. 120969, Numac: 2023048329) met ingang van 01.01.2024 (Art. 36, eerste lid, KB 17.12.2023))
lid 2Om de betaling van de door hem verschuldigde belasting te waarborgen, dient de in artikel 1 bedoelde persoon voor elke in artikel 1 bedoelde handeling bij de bevoegde dienst van de administratie belast met de belasting over de toegevoegde waarde waaronder hij ressorteert, een aangifte in drievoud in, waarvan één exemplaar hem wordt teruggegeven na van een ontvangstbewijs te zijn voorzien.
lid 3De in het eerste lid bedoelde aangifte wordt ingediend binnen een maand volgend op het tijdstip waarop de belasting over de gehele maatstaf van heffing van de betrokken handeling opeisbaar is geworden.
lid 4De verschuldigde belasting wordt betaald binnen de termijn die is vastgesteld voor de indiening van de in het tweede lid bedoelde aangifte.
art. 3
lid 1(De tekst van KB nr. 14, artikel 3, werd vervangen (Art. 17, KB 17.12.2023, B.S. 22.12.2023, pg. 120969, Numac: 2023048329) met ingang van 01.01.2024 (Art. 36, eerste lid, KB 17.12.2023))
lid 2Voor de toepassing van artikel 2, eerste lid, valt de in artikel 1 bedoelde persoon onder de bevoegde dienst van de administratie belast met de belasting over de toegevoegde waarde in het ambtsgebied waarvan hij zijn woonplaats of zijn maatschappelijke zetel heeft.
art. 4
93 documentenlid 1(De tekst van KB nr. 14, artikel 4, eerste lid, werd gewijzigd met ingang van 27.05.2019 (Art. 8, KB 12.05.2019, B.S. 27.05.2019, Ed. 1, pg. 50443))
lid 2De belastingplichtige bedoeld in artikel 1 kan van de verschuldigde belasting over de in dat artikel bedoelde handelingen in aftrek brengen, de belasting geheven van handelingen omschreven in artikel 9, § 2, tweede lid, van het koninklijk besluit nr. 3 met betrekking tot de aftrekregeling voor de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde, evenals de belasting geheven van de goederen en diensten die rechtstreeks samenhangen met deze handeling.
lid 3Ten aanzien van de belasting die betaald of verschuldigd is vóór het in artikel 2, tweede lid, bepaalde tijdstip, ontstaat het recht op aftrek, in afwijking van artikel 2 van het koninklijk besluit nr. 3, pas op dat tijdstip.
lid 4Om zijn recht op aftrek te kunnen uitoefenen moet de belastingplichtige, op het tijdstip waarop hij de in artikel 2 bedoelde aangifte indient, in het bezit zijn van de in artikel 3 van het koninklijk besluit nr. 3 bedoelde facturen of stukken.
art. 5
24 documenten(De tekst, in het Nederlands, van KB nr. 14, artikel 5, § 2, eerste lid, werd gewijzigd met ingang van 01.01.2013 (Art. 18, KB 30.04.2013, B.S. 08.05.2013))
De belastingplichtige bedoeld in artikel 1 oefent zijn recht op aftrek uit door op het totaalbedrag van de door hem verschuldigde belasting, het totaalbedrag toe te rekenen van de belasting waarvoor het recht op aftrek is ontstaan op het tijdstip van indiening van de in artikel 2 bedoelde aangifte.
Wanneer volgens de gegevens van die aangifte het resultaat een door de Staat verschuldigd bedrag is, wordt dat bedrag aan de belastingplichtige teruggegeven overeenkomstig artikel 12 van het koninklijk besluit nr. 4, van 29 december 1969. De aangifte geldt als aanvraag om teruggaaf.
Wanneer de formaliteiten waaraan het uitoefenen van het recht op aftrek onderworpen is niet vervuld zijn op het tijdstip van indiening van de in artikel 2 bedoelde aangifte en, in het biezonder, wanneer niet is voldaan aan de door artikel 4, derde lid, gestelde voorwaarden, kan van de belasting die niet in aftrek kon worden gebracht teruggaaf worden verkregen vóór het verstrijken van het derde kalenderjaar volgend op dat waarin de oorzaak van de teruggaaf zich heeft voorgedaan. Hetzelfde geldt ten aanzien van de aftrekbare belasting die opeisbaar is geworden na de indiening van de in artikel 2 bedoelde aangifte.
Om de in deze paragraaf bedoelde teruggaaf te verkrijgen moet de belastingplichtige een aanvraag indienen bij het controlekantoor waaronder hij ressorteert.
De teruggaaf vindt plaats overeenkomstig artikel 12 van het koninklijk besluit nr. 4, van 29 december 1969.
De Minister van Financiën bepaalt welke stukken de belastingplichtige moet overleggen.
art. 6
lid 1(De tekst van KB nr. 14, artikel 6, werd ingevoerd met ingang van 01.01.1971 (KB 03.06.1970))
lid 2Dit besluit treedt in werking op dezelfde datum als de wet van 3 juli 1969 tot invoering van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde.
art. 7
lid 1(De tekst van KB nr. 14, artikel 7, werd ingevoerd met ingang van 01.01.1971 (KB 03.06.1970))
lid 2Onze Minister van Financiën is belast met de uitvoering van dit besluit.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.
Aangehaalde teksten
5Rechtspraak
13België
13Hof van CassatieF.20.0038.F17.06.2022
Periodieke Btw-aangifte, Teruggaaf van de belasting
Hof van CassatieC.20.0561.N30.09.2021
Recht op aftrek, Bedrijfsmiddel, Overdracht bedrijfsmiddel
Hof van CassatieF.14.0175.N26.11.2015
Recht van opstal, recht op aftrek, toevallige belastingplichtige
Administratieve doctrine
105104 documenten hangen aan een welbepaald punt van het artikel, 9 verwijzen naar geen enkel bijzonder punt, 5 verwijzen naar een punt dat de gepubliceerde tekst niet draagt. De koppeling wordt in de tekst van de documenten gelezen.