Fiche van de FOD Financiën
Arrest van het Hof van Cassatie d.d. 30.09.2021 (C.20.0561.N)
WF 711-15-15/050617
[Gunstig voor de Belgische Staat]
Belasting over de toegevoegde waarde – Recht op aftrek – Bedrijfsmiddel – Overdracht bedrijfsmiddel – Herziening recht op aftrek – Autonomie van procespartijen (beschikkingsbeginsel);
Wettelijke bepalingen
Koninklijk besluit nr. 3, art 10 §1, 4°;
Samenvatting
1. Feiten en arrest van het hof van beroep
Een “VZW” verwierf vanaf 1 januari 2011 het recht van erfpacht en een “gemeente” verwierf het recht van opstal met het oog op de oprichting van een sportcomplex.
De gemeente droeg vervolgens bij notariële akte op 26 september 2013 haar recht van opstal met inbegrip van de inmiddels opgerichte opstallen over aan eiseres in hoger beroep (het autonoom gemeentebedrijf AGB). Eiseres in hoger beroep nam de btw, haar aangerekend op de overdracht van het recht van opstal en de opstallen, samen met diverse kosten, integraal in aftrek.
Bij notariële akte van 26 oktober 2015 werd het recht van opstal op de sportzaal, met de opstallen door eiseres ten belope van 73%, onder het stelsel van de registratierechten, overgedragen, waardoor volgens de administratie het bedrijfsmiddel ophield te bestaan in de onderneming, en een herziening diende te worden doorgevoerd ten bedrage van 73 % van de btw.
De betwisting in rechte werd aanhangig gemaakt bij de rechtbank van eerste aanleg Hasselt, dewelke de correctieopgave bevestigde.
Voor het hof van beroep stelde eiseres dat zij de sportzaal, in weerwil van de overdracht van het recht van opstal en van de opstallen, volledig bleef gebruiken voor haar economische activiteit, zodat de sportzaal en het recht van opstal de onderneming van eiseres voor het Hof van beroep niet zouden hebben verlaten. Er zou dan ook geen aanleiding zijn tot herziening van de aftrek in toepassing van artikel 10 §1,4° KB nr. 3.
Het hof oordeelde dat eiseres niet aantoont dat na de overdracht de sportzaal nog voor meer dan de resterende 27% werd gebruikt voor de uitoefening van haar economische activiteit. Terecht werd dan ook een herziening van het recht op aftrek doorgevoerd.
Tegen dit arrest stelde eiseres een cassatieberoep.
2. Arrest van het Hof van Cassatie
In haar grieven stelt eiseres dat de rechter gehouden is het geschil te beslechten overeenkomstig de daarop van toepassing zijnde rechtsregels. Hij moet de juridische aard van de door de partijen aangevoerde feiten en handelingen onderzoeken, en mag, ongeacht de juridische omschrijving die de partijen daaraan hebben gegeven, de door hen aangevoerde redenen ambtshalve aanvullen op voorwaarde dat hij geen betwisting opwerpt waarvan de partijen bij conclusie het bestaan hebben uitgesloten, dat hij enkel steunt op elementen die hem regelmatig zijn voorgelegd, dat hij het voorwerp van de vordering niet wijzigt en dat hij daarbij het recht van verdediging van de partijen niet miskent.
Volgens eiseres zijn beide partijen het eens dat, na de overdracht van 73% van het opstalrecht en de opstallen, eiseres het sportcomplex op dezelfde manier is blijven verder gebruiken en hebben zij elke betwisting daaromtrent uitgesloten.
Het Hof van Cassatie stelt in zijn beoordeling:
“Uit de stukken waarop het Hof kan acht slaan, blijkt dat verweerder (btw-administratie), in zijn appelconclusie van 6 september 2018, aanvoert dat “het feit dat 73% onverdeeldheid van het recht van opstal werd overgedragen” niets wijzigt aan het gebruik van het Sportcomplex. Het Sportcomplex blijft eiseres verder gebruiken, niet als eigenaar, maar als gewone houder.
Hieruit blijkt dat de partijen het eens waren over het feit dat de sportzaal, ook na de overdracht van het recht van opstal en de opstallen zoals voorheen, door eiseres voor 70% werd gebruikt.
De appelrechters die op grond van voornoemde redenen beslissen dat de eiseres niet aantoont dat, na de overdracht van 73% van het recht van opstal en de opstallen, de sportzaal nog voor meer dan de resterende 27% werd gebruikt voor de uitoefening van de economische activiteit van de eiseres, werpen ambtshalve een betwisting op met betrekking tot een feit waarover de partijen
eensluidende conclusies hebben genomen, en miskennen aldus het beginsel van de autonomie van de procespartijen. Het middel is gegrond”.
Het Hof verbreekt het arrest van het hof van beroep en verwijst de zaak naar het hof van beroep te Brussel.
Tekst van het arrest
Tekst van de beslissing
Arrest van het Hof van Cassatie van België, Nr. C.20.0561.N
AG.HDS, met zetel te ..., ingeschreven bij de K.BO onder het nummer 053...11, eiseres, vertegenwoordigd door mr. ..., advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te ..., waar de eiseres woonplaats kiest,
tegen
BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 12, voor wie optreedt de adviseur-generaal directeur van het centrum KMO Hasselt, met kantoor te 3500 Hasselt, Voorstraat 43, bus 104, verweerder, vertegenwoordigd door mr. ..., advocaat bij het Hof van Cassatie, en bijgestaan door mr. ..., advocaat bij de balie Brussel, beiden met kantoor te ..., waar de verweerder woonplaats kiest.
I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 1 oktober 2019.
Sectievoorzitter Geert Jocqué heeft verslag uitgebracht.
Advocaat-generaal met opdracht Michèle Deconynck heeft geconcludeerd.
Il. CASSATIEMIDDELEN
De eiseres voert in een verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan.
III. BESLISSING VAN HET HOF
Beoordeling
Tweede middel
1. De rechter is gehouden het geschil te beslechten overeenkomstig de rechts regels die daarop van toepassing zijn. Hij moet de juridische aard en gevolgen van de door de partijen aangevoerde feiten en handelingen onderzoeken, en mag, on geacht de juridische omschrijving die de partijen daaraan hebben gegeven of de rechtsgevolgen die zij daaraan hebben verbonden, de door hen aangevoerde redenen ambtshalve aanvullen, wijzigen of vervangen op voorwaarde dat hij geen betwisting opwerpt waarvan de partijen bij conclusie het bestaan hebben uitgesloten, enkel steunt op elementen die hem regelmatig zijn voorgelegd, het voorwerp van de vordering niet wijzigt en daarbij het recht van verdediging van de partijen niet miskent.
Door een uitdrukkelijk procedureakkoord dat kan blijken uit eensluidende conclusies, kunnen de partijen de rechter binden over een punt in rechte of in feite waar toe zij het debat willen beperken.
2. De appelrechters oordelen en stellen vast dat:
- de eiseres in hoger beroep stelt dat zij de sportzaal, in weerwil van de over dracht van het recht van opstal en van de opstallen voor 73 pct. aan K.ASO vzw op 26 oktober 2015, volledig bleef gebruiken voor haar economische activiteit, zodat de sportzaal en het recht van opstal de onderneming van de eiseres niet hebben verlaten waardoor er geen aanleiding zou zijn tot herziening van de btw-aftrek;
- niet wordt betwist dat het recht van opstal en de opstallen, met name de sport zaal, vóór de voornoemde overdracht ervan, bedrijfsmiddelen waren die bestemd zijn om op een duurzame wijze te worden gebruikt als werkingsinstrument of exploitatiemiddel binnen de onderneming van de eiseres, waardoor voor wat betreft 70 pct. - gelet op de gratis terbeschikkingstelling van 30 pct. van de sporthal aan scholen - de btw op deze onroerende bedrijfsmiddelen in aftrek kon worden genomen;
- deze aftrek moet worden herzien wanneer een bedrijfsmiddel ophoudt in de onderneming te bestaan;
- het gebruik van het bedrijfsmiddel binnen de onderneming voor de economische activiteit hiervoor van belang is;
- de overdracht van het eigendomsrecht niet per definitie tot gevolg heeft dat het bedrijfsmiddel ophoudt in de onderneming te bestaan;
- het blijvend en duurzaam gebruik van de sporthal door de eiseres in weerwil van de overdracht van het recht van opstal, met inbegrip van de opstallen na de voornoemde overdracht op 26 oktober 2015 van cruciaal belang is;
- de eiseres niet aantoont dat zulks niet zou zijn gewijzigd na de overdracht en niet aantoont dat de sportzaal na de overdracht nog steeds volledig voor de economische activiteit van de eiseres zou worden gebruikt;
- de eiseres niet aantoont dat na de overdracht de sportzaal voor meer dan de resterende 27 pct. werd gebruikt voor de uitoefening van haar economische activiteit.
Uit de stukken waarop het Hof kan acht slaan, blijkt evenwel dat:
- de eiseres, in haar appelconclusie van 7 augustus 2018, aanvoert dat na de ver koop van 73 pct. van de eigendom van de sporthal op 26 oktober 2015, "de vol ledige sporthal [... ] nog steeds zoals voorheen gezamenlijk [wordt] gebruikt door [de eiseres] en de scholen";
- de eiseres, tevens in haar nota van 7 juni 2019 betreffende de verduidelijking van de verkoop in oktober 2015, aanvoert "dat deze overdracht alleen maar betrekking heeft op een eigendomsrecht en niet op het gebruik van een deel van het gebouw zelf. Het gebouw zelf blijft zoals vóór de verkoop volledig gebruikt door [de eiseres] en volledig gebruikt door de scholen, zij het op andere tijd stippen. Er verandert w. b. het gebruik van het goed dus niets t.o.v. vorige toes tand. Het enige dat verandert, is de mate waarin men recht op eigendom heeft
in het goed. Dit wordt ten belope van 73 pct. overgedragen aan de scholen. [De eiseresJ is maar ten belope van 2 7 pct. eigenaar van het goed, maar blijft het goed volledig gebruiken";
- de verweerder, in zijn appelconclusie van 6 september 2018, aanvoert dat "het feit dat 73 pct. onverdeeldheid van het recht van opstal werd overgedragen [niets wijzigt] aan het gebruik van het Sportcomplex. Het Sportcomplex blijft voor 30% gebruikt door de school en voor 70 pct. door [de eiseres}" en dat "[de eiseres] het goed verder [blijft] gebruiken [...] niet als eigenaar, maar als gewone houder".
Hieruit blijkt dat de partijen het eens waren over het feit dat de sportzaal, ook na de overdracht van 73 pct. van het recht van opstal en de opstallen aan KASO vzw, net zoals voorheen, door de eiseres voor 70 pct. werd gebruikt.
3. De appelrechters die op grond van voornoemde redenen beslissen dat de eiseres niet aantoont dat, na de overdracht van 73 pct. van het recht van opstal en de opstallen aan KASO vzw, de sportzaal nog voor meer dan de resterende 27 pct. werd gebruikt voor de uitoefening van de economische activiteit van de eiseres, werpen ambtshalve een betwisting op met betrekking tot een feit waarover de partijen eensluidende conclusies hebben genomen, en miskennen aldus het beginsel van de autonomie van de procespartijen.
Het middel is gegrond.
Beschikkend gedeelte
Dictum
Het Hof,
Vernietigt het bestreden arrest.
Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest.
Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de zaak naar het hof van beroep te Brussel.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit ..., en in openbare rechtszitting van 30 september 2021 uitgesproken door ...
Ondertekeningen
Door de FOD bijgevoegde beslissing
Arrest van van het Hof van beroep
Hof van beroep Antwerpen, kamer B6M burgerlijke zaken, Arrest 01.10.2019
Rol: 2017/AR/1290
AG. VAN DE GEMEENTE HDS, ON 053...11, met maatschappelijke zetel te ..., Eiseres in hoger beroep, vertegenwoordigd door mr. ..., advocaat te ... tegen het vonnis van de 11A kamer van de rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Hasselt van 03 april 2017, gekend onder rolnummers 15/2748/A & 16/2380/A
tegen
BELGISCHE STAAT, ON 0308.357.159, in de persoon van de Minister van Financiën, met kabinet te 1000 BRUSSEL, Wetstraat 12, ten verzoeke van de Adviseur-Generaal-directeur van het centrum KMO Hasselt, met diensten te 3500 HASSELT, Voorstraat 43 bus 104 , Verweerder in hoger beroep, vertegenwoordigd door mr. ..., advocaat te ...
Gelet op de door de wet vereiste processtukken in behoorlijke vorm overgelegd waaronder een eensluidend afschrift van het bestreden vonnis van de rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Hasselt, van 3 april 2017 alsmede het verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd ter griffie van het hof van beroep te Antwerpen op 6 juli 2017, waarbij een naar vorm en termijn regelmatig en ontvankelijk hoger beroep wordt ingesteld.
1. Feiteliike en procedurele retroacta.
1.1. Huidige betwisting heeft betrekking op de correctieopgave d.d. 25 september 2015 en de correctieopgave d.d. 9 september 2016, aangepast bij proces-verbaal van regularisatie d.d. 12 september 2016, ingevolge waarvan aanvankelijk respectievelijk 237.416,20 EUR en 386.579,93 EUR als B.T.W. en 23.740 EUR en-38.650 EUR als geldboete, meer intresten en kosten werden nagevorderd. De desgevallend in hoofdsom verschuldigde B.T.W. werd inmiddels, met akkoord van partijen, herleid tot 185.025,49 EUR, wat betreft de correctieopgave d.d. 25 september 2015 en 230.810,60 EUR, wat betreft de correctieopgave
d.d. 9 september 2016.
De betwisting betreft enerzijds het recht op aftrek van B.T.W. op de kosten voor de overname van het recht van opstal en de opstallen evenals diverse andere kosten die betrekking hadden op een sportcomplex dat in 2013 voor 30% gratis aan scholen ter beschikking werd gesteld (correctieopgave d.d. 25 september 2015). Anderzijds betreft de betwisting de herziening van het recht op aftrek van B.T.W. naar aanleiding van de wederoverdracht in 2015 van 73% van de opstallen en het recht op opstal op het sportcomplex aan de VZW KATHOLIEK SECUNDAIR ONDERWIJS SINT-MARTINUS HERK-DESTAD (hierna "VZW KASO") (correctieopgave d.d. 9 september 2016).
Eiseres in hoger beroep is B.T.W.-belastingplichtige voor de activiteit van exploitatie van een sportcomplex in HDS.
Er werd een controle gestart voor de periode van 1 september 2013 tot 31 december 2013. Bij de controle werd vastgesteld dat de B.T.W., verschuldigd naar aanleiding van de overdracht van het recht van opstal en de opstallen op het sportcomplex door de Stad aan eiseres In hoger beroep, volledig in aftrek was gebracht. In afwachting van de wederverkoop van het recht op opstal aan VZW KASO werd tijdens de gecontroleerde periode 30% van de opstallen reeds zonder vergoeding gebruikt door de scholen, zodat, naar oordeel van de administratie, niet kon worden gesteld dat deze 30% werd gebruikt voor belaste handelingen en het recht op aftrek niet kon worden toegestaan.
Op 25 september 2015 werd hiervoor een correctieopgave opgesteld ingevolge waarvan een bedrag van 237.416,20 EUR als B.T.W. verschuldigd zou zijn, meer een geldboete van 23.740 EUR en intresten. Een kennisgeving van beslissing tot naheffing werd verzonden op 13 oktober 2015, waaraan een proces-verbaal van vaststelling d.d. 12 oktober 2015 was gehecht.
Een nieuwe controle werd aangevat voor de periode van 1 juli 2015 tot 30 juni 2016 waarbij werd vastgesteld dat het recht van opstal van de sporthal voor 73% was wederovergedragen aan de VZW KASO onder het stelsel van de registratierechten. Dit gaf, aldus de administratie, aanleiding tot een herziening bedoeld in artikel 10, §1, eerste lid, 4° K.B.nr. 3, omdat een bedrijfsmiddel ophield te bestaan in de onderneming. Omdat eiseres in hoger beroep had nagelaten de herziening te verrichten werd een correctieopgave d.d. 9 september 2016 verzonden, ingevolge waarvan een bedrag van 387.396,36 EUR B.T.W. verschuldigd zou zijn, meer een geldboete van 10%. Op 12 september 2016 werd een proces-verbaal van regularisatie opgesteld waarbij de vordering werd aangepast en ingevolge waarvan de verschuldigde B.T.W. 386.579,93 EUR zou bedragen.
1.2. Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Hasselt op 9 oktober 2015, vorderde eiseres in hoger beroep het beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren, de vordering van de B.T.W.-diensten in .de correctie opgave d.d. 25 september 2015 nietig te verklaren, de terugbetaling te bevelen van alle bedragen die wederrechtelijk op grond van dit dwangbevel werden geïnd, meer intresten en de Belgische Staat te veroordelen tot de kosten van het geding, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding en de rolrechten.
Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Hasselt op 14 september 2016, vorderde eiseres in hoger beroep het beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren, de vordering wegens herziening van de aftrek gesteld in de correctieopgave d.d. 9 september 2016 nietig te verklaren, de terugbetaling te bevelen van alle bedragen die wederrechtelijk op grond van dit dwangbevel werden geïnd, meer intresten en de Belgische Staat te veroordelen tot de kosten van het geding, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding.
De eerste rechter voegde beide zaken samen en verklaarde de vorderingen van eiseres in hoger beroep ontvankelijk en in de volgende mate gegrond. De eerste rechter stelde vast dat de door de Belgische Staat toegepaste berekeningswijze niet juist was en dat de bedragen in de nota, neergelegd ter zitting op 9 maart 2017 als juist dienen beschouwd te worden:
"2. Herziening aftrek n.a.v..verkoop in oktober 2015 (16-2380-A)
+ 3.548.920,69
- 498.910,71 (refter)
-104.692,88 (zelf gebruikte lokalen)
- 15.495,08 (lokaal U4}
2.929.822,02 * 73% = 2.138.770,07 * 21% = 449.141,72
Te herzien
449.141,72
419,63
427,67
94,73
450.083,75 * 13/15 = 390.072,58 {1}
Bijkomend te herzien: aankoopfactuur 72 d.d. 14.08.2013, Sporta De Waele, levering en plaatsing van twee scheidingswanden, 22.600,00 + 4.746,00 btw, reeds verworpen met akkoord d.d. 19.02.2016 door de heer Luc Lambrechts: 30% = 1.424,00
Te herzien: 4.746,00 * {73-30 = 43%} = 2.040,78 * 13/15 = 1.768,68 (2)
Totaal te herzien: 390.072,58 (1) + 1.768,68 (2}-391.841,26
3. Vordering eerste geding rechtbank Hasselt (15-2748-A) 745.273,34
104.771,25 (-)
21.985,50 (-)
574,84 (notariskosten: btw over slechts gedeelte van aangerekende sommen) 585,85 (notariskosten: btw over slechts gedeelte van aangerekende sommen) 129,77 (notariskosten: btw over slechts gedeelte van aangerekende sommen) 13,16
11,11
7,10
8,82
154,37
3,99
3.253,97 (-) (zie punt 1)
616.751,63 * 30% = 185.025,49”
De eerste rechter veroordeelde de Belgische Staat tot 1/4de van de kosten, begroot op 12.000 EUR rechtsplegingsvergoeding en 300 EUR rolrecht.
De eerste rechter stelde vast dat eiseres in hoger beroep de gebruiksrechten op de sporthal bezat en een deel daarvan (30%) gratis toekende aan de VZW KASO. De B.T.W. op de aankoopfacturen met betrekking tot de opstal die ten kosteloze titel ter beschikking werd gesteld van de VZW KASO werd onrechtmatig in aftrek gebracht. De stelling dat de VZW een onverdeeld deel heeft in het sportcomplex is niet bewezen. Noch artikel 19, §1 noch artikel 45, § 1quiniquies W.B.T.W. zijn van toepassing. Rekening houdend met het akkoord van eiseres in hoger beroep wat betreft de wijze van berekening zijn de te vorderen bedragen 185.025,49 EUR B.T.W., meer een verminderde boete van 18.500 EUR en meer intresten.
Naar aanleiding van de verkoop van een onverdeeld deel van 73% van het gebouw aan de VZW KASO in 2015 ging de administratie over tot herziening van de aftrek. Men heeft in de toepasselijke regelgeving niet voorzien dat het "volledige" bedrijfsmiddel dient op te houden te bestaan in de onderneming. De vordering werd ongegrond geacht. Gelet op de afwijzing van de eerste vordering van eiseres in hoger beroep dient het bedrag van de tweede vordering tot het passend beloop te worden verminderd. Aldus zal het gevorderde bedrag 230.810,60 EUR bedragen, de verminderde boete 23.080 EUR, meer intresten.
Tegen dit vonnis heeft eiseres in hoger beroep bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het hof op 6 juli 2017, hoger beroep ingesteld.
2. De vorderingen in hoger beroep.
2.1. Eiseres in hoger beroep vordert het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren en het bestreden vonnis te vernietigen, opnieuw rechtdoende, de vordering van de B.T.W.-diensten in de twee correctieopgaven nietig te verklaren,
- minstens de opgelegde boete kwijt te schelden, minstens ze met uitstel uit te spreken of ze te herleiden tot een evenredig bedrag,
- de terugbetaling te bevelen van alle bedragen die wederrechtelijk op grond van deze vordering werden geïnd, meer intresten,
- volgende prejudiciële vraag te stellen aan het Europees Hof van Justitie,
''Schenden de artikelen 45, §1 en 45, §lquinquies W.B. T.W. de artikelen 168 en volgende van de richtlijn 2006/112 indien deze bepalingen aldus moeten geïnterpreteerd worden dat zij toelaten dat de aftrek van B. T.W.
1. beperkt wordt in de mate een goed gratis ter beschikking wordt gesteld in de situatie dat een B. T. W.-belastingplichtige een goed zelf volledig voor B. T. W.-doeleinden gebruikt, maar datzelfde goed tezelfdertijd in beperkte mate gratis laat gebruiken door iemand anders, doch er geen verband is tussen bepaalde kosten en dat gratis gebruik de kosten dus niet beïnvloedt;
2. moet herzien worden indien men de eigendom van een onverdeeld deel van dat gebouw verkoopt zonder dat op deze verkoop B.T.W. geheven wordt, wanneer door deze verkoop het werkelijk economisch gebruik niet wijzigtr
- volgende prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof;
"Schendt artikel 91 W.B. T.W. het evenredigheids- en gelijkheidsbeginsel vastgesteld in artikel 10, 11 en 172 GW. doordat in dit artikel een intrest in casu gevraagd wordt van 0,8% per maand, terwijl in andere situaties men toestaat dat slechts een intrest gevraagd wordt overeenkomstig de regels in burgerlijke zaken?"
- en de Belgische Staat te veroordelen tot de kosten van het geding, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding en de rolrechten.
2.2. Verweerder in hoger beroep, de Belgische Staat, vordert het hoger beroep ontvankelijk maar ongegrond te verklaren, het bestreden vonnis te bevestigen of met andere woorden,
- het verzoekschrift op tegenspraak van 9 oktober 2015 ontvankelijk maar ongegrond te verklaren, de vordering van de administratie te bevestigen rekening houdend met de aanpassingen zoals vermeld onder punt Il, nr. 7 in fine,
- het verzoekschrift op tegenspraak van 14 september 2016 ontvankelijk maar ongegrond te verklaren en
* indien het verzoekschrift op tegenspraak van 9 oktober 2015 ongegrond wordt verklaard, de vordering van de administratie te bevestigen rekening houdend met de aanpassingen zoals vermeld onder punt Il, nr. 8, rubriek 'de omvang van de rechtsvordering', tweede alinea, of
* indien het verzoekschrift op tegenspraak van 9 oktober 2015 gegrond wordt verklaard, de vordering van de administratie te bevestigen rekening houdend met de aanpassingen zoals vermeld onder punt Il, nr. 8, rubriek 'de omvang van de rechtsvordering', eerste alinea.
- Te oordelen dat het niet noodzakelijk is om met betrekking tot de artikelen 45, §1 en 45, §lquinquies W.B.T.W. een prejudiciële vraag te stellen aan het Europees Hof van Justitie en dat het evenmin noodzakelijk is om met betrekking tot de intresten een prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof.
- Eiseres in hoger beroep te veroordelen tot de kosten van het geding, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding.
2.3. In een nota die werd neergelegd ter griffie op 18 juli 2019 en die door beide partijen voor akkoord werd ondertekend, bepalen partijen de verschuldigde B.T.W. in hoofdsom als volgt:
- In de hypothese dat eiseres in hoger beroep de discussie in beide betwistingen over de correctieopgaven d.d. 25 september 2015 en d.d. 9 september 2016 verliest, bedraagt de verschuldigde belasting in hoofdsom 185.025,49 EUR Jngevolge de correctieopgave d.d. 25 september 2015 en 230.810,60 EUR ingevolge de correctieopgave d.d. 9 september 2016.
- In de hypothese dat eiseres in hoger beroep de discussie in de betwisting over de correctieopgave d.d. 25 september 2015 wint en deze over de correctieopgave d.d. 9 september 2016 verliest, bedraagt de verschuldigde belasting in hoofdsom O EUR ingevolge de correctieopgave d.d. 25 september 2015 en 391.841,26 EUR ingevolge de correctieopgave d.d. 9 september 2016.
- In de hypothese dat eiseres in hoger beroep de discussie in de betwisting over de correctieopgave d.d. 25 september 2015 verliest en deze over de correctieopgave d.d. 9 september 2016 wint, bedraagt de verschuldigde belasting in hoofdsom 185.025,49 EUR ingevolge de correctieopgave d.d. 25 september 2015 en O EUR ingevolge de correctieopgave d.d. 9 september 2016.
3. Bespreking.
De VZW PATRIMONIUM KATHOLIEK ONDERWIJS LIMBURG verleende vanaf 1 januari 2011 het recht van erfpacht aan de VZW KATHOLIEK SECUNDAIR ONDERWIJS SINT-MARTINUS HDS (hierna "VZW KASO") en het recht van opstal aan de gemeente HDS met het oog op de oprichting van een sportcomplex. De gemeente droeg vervolgens bij notariële akte d.d. 26 september 2013 (stuk 5 administratie) haar recht van opstal met inbegrip van de inmiddels opgerichte opstallen over aan eiseres in hoger beroep. Eiseres in hoger beroep nam de B.T.W., haar aangerekend op de overdracht van het recht van opstal en de opstallen, samen met de notariskosten en enkele diverse kosten die betrekking hadden op het sportcomplex integraal in aftrek.
In een publieke samenwerkingsovereenkomst van 8 februari 2010 (stuk 7 administratie) tussen de gemeente, de VZW PATRIMONIUM KATHOLIEK ONDERWIJS LIMBURG en de VZW KASO was overeengekomen, onder meer, dat de VZW KASO op termijn het publiek deel van de sportruimte en de eetzaalruimte zou aankopen van de gemeente (artikel 3.2 en artikel 4). Tevens werd bepaald dat het sportcomplex zou worden gebruikt volgens een verdeelsleutel waarbij 70% zou worden gebruikt door de gemeente en 30% door de scholen (artikel 5.2 - 'Inzake het verhuurbeheer').
Omdat de administratie vaststelde naar aanleiding van de controle over de periode van 1 september 2013 tot 31 december 2013 dat het gebruik van het sportcomplex door de scholen gratis gebeurde, werd het recht op aftrek van de B.T.W. op de kosten voor de overname van het recht van opstal en de opstallen evenals de diverse andere kosten die betrekking hadden op het sportcomplex verworpen voor 30% middels de correctieopgave d.d. 25 september 2015 (stuk 1 administratie).
Bij notariële akte d.d. 26 oktober 2015 (stuk 8 administratie) werd het recht van opstal op de sportzaal, met de opstallen door eiseres in hoger beroep ten belope van 73% overgedragen aan VZW KASO. Omdat aldus een bedrijfsmiddel ophield te bestaan in de onderneming diende, aldus de administratie, een herziening van de in aftrek genomen B.T.W. te worden doorgevoerd. Zulks gaf aanleiding tot de redactie van de correctieopgave d.d. 9 september 2016 (stuk 17 administratie) en het proces-verbaal van regularisatie d.d. 12 september 2016 (stuk 18 administratie).
Bij een tweede notariële akte d.d. 26 oktober 2015 (stuk 9 administratie) werd het recht van opstal op de refter, met de opstallen door eiseres in hoger beroep ten belope van 100% overgedragen aan VZW KASO. De refter werd vanaf de eerste ingebruikneming uitsluitend gebruikt door de scholen. Hiervoor werd een correctieopgave opgesteld op 8 juli 2016 die namens eiseres in hoger beroep voor akkoord werd ondertekend (stuk 15 administratie). Deze correctieopgave maakt niet het voorwerp uit van huidige betwisting.
3.1. Wat betreft de correctieopgave d.d. 25 september 2015: het recht op aftrek bij gratis gebruik van 30% van het sportcomplex door scholen.
3.1.1. In de correctieopgave d.d. 25 september 2015 (stuk 1 administratie) wordt de aftrek van de B.T.W. aangerekend naar aanleiding van de overdracht van het recht van opstal, met inbegrip van de opstallen en de diverse kosten verworpen voor 30% onder verwijzing naar artikel 4 K.B. nr. 14. Uit de argumentatie van partijen blijkt daarentegen dat het recht op aftrek wordt verworpen omdat het sportcomplex niet volledig werd gebruikt tijdens de gecontroleerde periode voor het verrichten van belaste handelingen, gelet op de kosteloze terbeschikkingstelling van 30% van het sportcomplex aan scholen. Zulks wordt niet door partijen betwist.
Het recht op aftrek wordt evenmin verworpen ingevolge de artikelen 19, §1 en 45, § 1quinquies W.B.T.W.. Partijen sluiten de toepassing van deze artikelen in deze uitdrukkelijk uit.
Het hof beperkt de beoordeling van huidig geschil dan ook tot de gedeeltelijke verwerping van het recht op aftrek in toepassing van artikel 45, §1, 1° W.B.T.W. omdat de sporthal niet integraal werd gebruikt voor belaste handelingen.
3.1.2. In toepassing van artikel 45, §1, 1° W.B.T.W. mag elke belastingplichtige op de belasting die hij verschuldigd is, de belasting in aftrek brengen, geheven op de aan hem geleverde goederen en verleende diensten in de mate dat hij die goederen en diensten gebruikt voor het verrichten van belaste handelingen.
Eiseres in hoger beroep die het recht op aftrek inroept, dient het bewijs te leveren dat zij zich in de vereiste voorwaarden bevindt om het recht op aftrek te kunnen uitoefenen.
In casu werd de B.T.W. voor een bedrag van 185.025,49 EUR, naar oordeel van de administratie, ten onrechte in aftrek gebracht omdat het sportcomplex voor 30% gratis werd gebruikt door scholen tijdens de gecontroleerde periode.
Eiseres in hoger beroep stelt dat het recht op aftrek van B.T.W. op een bedrijfsmiddel niet in het gedrang komt wanneer de belastingplichtige dit goed zelf volledig blijft gebruiken in het kader van haar belastbare activiteit maar tezelfdertijd dat zelfde goed gratis door derden laat gebruiken. Eiseres in hoger beroep verwijst ter zake naar rechtspraak van het Hof va.n Justitie, onder meer d.d. 29 oktober 2009 inzake AB SKF (H.v.J. 29 oktober 2009, C-29/08, inzake AB SKF), d.d. 22 oktober 2015 inzake Sveda UAB (H.v.J. 22 oktober 2015, C-126/14, inzake Sveda UAB) en d.d. 14 september 2017 inzake lberdrola (H.v.J. 14 september 2017, C- 132/16, inzake lberdrola).
3.1.3. Het Hof van Justitie stelt in het arrest inzake AB SKF dat, om recht op aftrek te hebben, er volgens vaste rechtspraak in beginsel een rechtstreeks en onmiddellijk verband dient te bestaan tussen een bepaalde handeling in een eerder stadium en één of meerdere handelingen in een later stadium waarvoor recht op aftrek bestaat. Het recht op aftrek veronderstelt dat de voor de verwerving gedane uitgaven zijn opgenomen in de prijs van de belaste handelingen in een later stadium waarvoor recht op aftrek bestaat (dr. H.v.J. 29 oktober 2009, C-29/08, inzake AB SKF, overweging 57 en de daar aangehaalde rechtspraak van het Hof). De belastingplichtige heeft niettemin eveneens recht op aftrek, zonder dat voormeld rechtstreeks en onmiddellijk verband bestaat, wanneer de kosten voor de betrokken diensten deel uitmaken van de algemene kosten en als zodanig zijn opgenomen in de prijs van de door hem geleverde goederen en diensten (overweging 58). Of er sprake is van recht op aftrek hangt dus af van de handelingen in een later stadium ten behoeve waarvan de handelingen in een eerder stadium worden gebruikt. Ofwel is er een rechtstreeks en onmiddellijk verband tussen de eerdere kosten en de latere handelingen ofwel maken de eerdere kosten deel uit van de algemene kosten van de economische activiteit van de belastingplichtige. In beide gevallen moeten de eerdere kosten, waarvan men de aftrek vraagt, opgenomen zijn opgenomen zijn in de prijs van de handelingen in een later stadium of in de prijs van de door de belastingplichtige in het kader van zijn economische activiteit geleverde goederen of verrichte diensten (vgl. overweging 60). Uitdrukkelijk vermeldde het Hof daarbij dat, wanneer door een belastingplichtige ontvangen goederen en diensten daarentegen verband houden met vrijgestelde handelingen of handelingen die niet binnen de werkingssfeer van de B.T.W. vallen, er geen sprake kan zijn van heffing van belasting in een later stadium noch van aftrek van voorbelasting {overweging 59). In dat geval wordt immers het rechtstreekse en onmiddellijke verband tussen de eerdere uitgaven en de economische activiteit van de belastingplichtige verbroken (cfr. H.v.J. 22 oktober 2015, C-126/14, inzake Sveda UAB, overweging 32).
3.1.4. Of er in casu sprake is van recht op aftrek hangt af van de vraag of er een rechtstreeks en onmiddellijk verband bestaat tussen de kosten voor de verwerving van het recht van opstal, met inbegrip van de opstallen en de overige diverse kosten met betrekking tot het sportcomplex en de gratis terbeschikkingstelling van 30% van het sportcomplex aan de scholen en, zo niet, of deze kosten deel uitmaken van de algemene kosten van de economische activiteit van eiseres in hoger beroep.
Een rechtstreeks en onmiddellijk verband tussen de kosten en de latere gratis terbeschikkingstéUing kan niet worden vastgesteld, nu vaststaat dat de kosten geenszins zijn opgenomen in de prijs van de terbeschikkingstelling, aangezien deze kosteloos geschiedde. Evenwel dient te worden vastgesteld dat de kosten voor de verwerving van het recht van opstal, met inbegrip van de opstallen en de overige diverse kosten desbetreffend, deel uitmaken van de algemene economische activiteit van eiseres in hoger beroep, met name de exploitatie van het sportcomplex. Het betreffen kosten zonder dewelke eiseres in hoger beroep haar economische activiteit niet zou kunnen uitoefenen. Er bestaat derhalve een rechtsreeks en onmiddeUijk verband tussen de betrokken kosten en de economische activiteit van eiseres in hoger beroep. In die context kan principieel het recht op aftrek worden toegestaan van de B.T.W. aangerekend op de kosten voor de verwerving van het recht van opstal, met inbegrip van de opstallen en de overige diverse kosten.
Daarbij rijst de vraag of de gratis terbeschikkingstelling van 30% van het sportcomplex aan scholen -deels- afbreuk kan doen aan het principiële recht op aftrek en in het bijzonder of deze gratis terbeschikkingstelling dient te worden beschouwd als een handeling die niet binnen de werkingssfeer van de B.T.W. valt (cfr. H.v.J. 29 oktober 2009, C-29/08, inzake AB SKF, overweging 59 en H.v.J. 22 oktober 2015, C-126/14, inzake Sveda UAB, overweging 32).
3.1.5. Het Hof van Justitie heeft zich in-het arrest van 22 oktober 2015 inzake Sveda UAB uitgesproken over de gevolgen van de gratis terbeschikkingstelling aan het publiek van een investeringsgoed (een ontdekkingspad) op het recht op aftrek (H.v.J. 22 oktober 2015, C- 126/14, inzake Sveda UAB). In het arrest van 14 september 2017 inzake lberdrola sprak het Hof zich uit over de gevolgen op het recht op aftrek van herstelkosten uitgevoerd aan een pompstation, eigendom van de gemeente, die noodzakelijk waren voor de uitoefening van de economische activiteit van de belastingplichtige doch die ook om niet ten goede kwamen aan de gemeente (H.v.J. 14 september 2017, C-132/16, inzake lberdrola).
In beide arresten herneemt het Hof van Justitie, zoals hiervoor uiteengezet (sub 3.1.3), dat het recht op aftrek een rechtstreeks en onmiddellijk verband vereist tussen de eerdere kosten en latere belastbare handelingen of tussen de eerdere kosten en de economische activiteit van de belastingplichtige. Het Hof aanvaardt in beide arresten dat de ten laste genomen kosten bestemd zijn voor de door de belastingplichtigen beoogde economische activiteiten. Het Hof oordeelde vervolgens, in de zaak lberdrola, dat, als het rechtstreeks en onmiddellijk verband met de economische activiteit aldus vaststaat, het feit dat de dienst ook om niet ten goede komt van een derde, met name de gemeente, niet kan rechtvaardigen dat het recht op aftrek aan de belastingplichtige wordt ontzegd (H.v.J. 14 september 2017, C-132/16, inzake lberdrola, overweging 35). In de zaak Sveda UAB stelde het Hof dat de omstandigheid dat de investeringsgoederen gratis ter beschikking moeten worden gesteld van het publiek, geen afbreuk doet aan de vaststelling dat de investeringsgoederen werden verworven of vervaardigd met de bedoeling een economische activiteit uit te oefenen (H.v.J. 22 oktober 2015, C-126/14, inzake Sveda UAB, overweging 23 en 24). Hierbij nam het Hof uitdrukkelijk in overweging dat de gratis terbeschikkingstelling aan het publiek de belastingplichtige niet belette om haar econom.ische activiteiten uit te oefenen (H.v.J. 22 oktober 2015, C-126/14, inzake Sveda UAB, overweging 25).
De gratis terbeschikkingstelling van een investeringsgoed of gratis (herstel}diensten aan een goed dat gebruikt wordt voor de uitoefening van de economische activiteit, hebben derhalve principieel geen invloed op het recht op aftrek, met dien verstande dat het investeringsgoed, dan wel het goed waaraan de herstellingen werden verricht, blijvend ten behoeve van de economische activiteit dienen te worden gebruikt (H.v.J. 22 oktober 2015, C-126/14, inzake Sveda UAB, overweging 36) en derhalve niet worden gebruikt voor vrijgestelde handelingen of handelingen buiten de werkingssfeer van de B.T.W. (H.v.J. 22 oktober 2015, C-126/14, inzake Sveda UAB, overweging 32 en H.v.J. 14 september 2017, C-132/16, inzake lberdrola, overweging 30).
3.1.6. Eiseres in hoger beroep leidt ten onrechte uit voormelde arresten af dat zij in casu recht kan doen gelden op de integrale aftrek van de B.T.W. op de kosten voor de verwerving van het recht van opstal, met inbegrip van de opstallen en de overige diverse kosten desbetreffend, in weerwil van de gratis terbeschikkingstelling van 30% van het sportcomplex aan scholen.
Beide arresten hebben immers betrekking op andere feitelijke omstandigheden dan in casu voorliggen.
In het arrest inzake Sveda UAB, had de vraag naar het recht op aftrek betrekking op de kosten voor de aanleg van een ontdekkingspad die voor 10% ten laste werden genomen door Sveda en voor 90% door de overheid, waarbij vooraf was bepaald dat het pad -gratis ter beschikking diende te worden gesteld van het publiek, doch dat niettemin bestemd was voor de uitoefening van de beoogde economische activiteit. Het was immers bestemd om bezoekers aan te trekken en deze aan te moedigen om de door Sveda aangeboden aan B.T.W. onderworpen goederen en diensten te kopen. Het Hof nam daarbij in overweging dat de gratis terbeschikkingstelling Sveda niet belette haar economische activiteiten uit te oefenen (overweging 25).
In het arrest inzake lberdrola betrof het de vraag naar het recht op aftrek van hersteldiensten aan een pompstation, eigendom van de gemeente, dat niet alleen de economische activiteit van lberdrola doch ook de gemeente ten goede kwam en waarvoor de gemeente geen vergoeding diende te betalen.
In beide zaken kwamen de gedane uitgaven, waarvoor het recht op aftrek werd gevraagd, ten goede van de volledige economische activiteit van de belastingplichtige, zonder dat deze op enigerlei wijze werd gehinderd in de uitoefening van zijn economische activiteit door de gratis terbeschikkingstelling of de gratis herstelling.
In casu belet de gratis terbeschikkingstelling van 30% van het sportcomplex aan de scholen daarentegen wel degelijk de uitoefening van de economische activiteit door eiseres in hoger beroep deels in tijd en deels in oppervlakte.
Uit de samenwerkingsovereenkomst d;d. 8 februari 2010 blijkt immers enerzijds dat het sportcomplex zal worden gebruikt volgens een verdeelsleutel waarbij 70% wordt gebruikt door de gemeente en 30% door de scholen zodat tijdens de schooluren het gebruik aan de scholen is voorbehouden en buiten de schooluren het gebruik aan eiseres in hoger beroep (stuk 7, artikel 5.2). Zulks wordt bevestigd in de aanvraag van cfe ruling d.d. 19 september 2012 (stuk 10, 8/51). Er is ook sprake van een opdeling van het sportcomplex in publieke en private delen in de samenwerkingsovereenkomst (artikel 2). Uit de bijkomende correctieopgave d.d. 8 juli 2016 blijkt bovendien dat, behoudens de private delen in gebruik door de scholen, -minstens- de refter, die deel uitmaakt van het sportcomplex dat voor 30% gratis aan de scholen ter beschikking werd gesteld, voor 100% uitsluitend door de scholen in gebruik werd genomen, reden waarom het recht op aftrek integraal werd geweigerd (stuk 15 administratie). Eiseres in hoger beroep heeft hiermee ingestemd en de correctieopgaven voor akkoord ondertekend. De opdeling van de sporthal in gemeenschappelijke delen en delen die exclusief zijn voorbehouden voor de scholen, de stad en een private partner blijkt eveneens uit de onderhandse overeenkomsten tussen de stad en VZW KASO en het grondplan van het sportcomplex (stuk 1 eiseres in hoger beroep).
Zowel in tijd als in oppervlakte is er dan ook sprake van een exclusieve terbeschikkingstelling aan de scholen voor 30%, waardoor eiseres in hoger beroep op bepaalde tijdstippen, met name tijdens de schooluren en in bepaalde delen van het sportcomplex die uitsluitend aan de scholen voor gebruik zijn voorbehouden (refter en private delen), haar economische activiteit niet kan uitoefenen terwijl zij wel, als opstalhouder, eigenaar is van het volledige sportcomplex en haar economische activiteit bestaat in de uitbating ervan zonder enige beperking ter zake.
Gelet op de gratis terbeschikkingstelling van 30% aan scholen wordt het sportcomplex dan ook niet uitsluitend ten behoeve van de economische activiteit van eiseres in hoger beroep gebruikt (H.v.J. 22 oktober 2015, C-126/14, inzake Sveda UAB, overweging 36} doch deels voor handelingen buiten de werkingssfeer van de B.T.W. (H.v.J. 22 oktober 2015, C-126/14, inzake Sveda UAB, overweging 32 en H.v.J. 14 september 2017, C-132/16, inzake lberdrola, overweging 30). Het gratis gebruik kan daarbij geenszins beschouwd worden als een deel van de economische activiteit van eiseres in hoger beroep die bestaat in de uitbating van het volledige sportcomplex zonder enige beperking ter zake. Dat in 2010 reeds een wederverkoop van het recht van opstal met inbegrip van de opstallen was vooropgesteld, doet daaraan geen afbreuk. De vergelijking die eiseres in hoger beroep in conclusie tracht te maken met gemengde belastingplichtigen gaat niet op omdat eiseres in hoger beroep geen gemengde belastingplichtige is. De door eiseres in hoger beroep vooropgestelde prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie dient niet te worden gesteld nu deze uitgaat van het volledig gebruik van het goed door de belastingplichtige zelf voor B.T.W.-doeleinden, volledig gebruik dat in casu noch in tijd, noch in oppervlakte blijkt.
In die context wordt het recht op aftrek op de kosten voor de verwerving van het recht van opstal, met inbegrip van de opstallen en de overige diverse kosten desbetreffend, terecht voor 30% verworpen. Het vonnis van de eerste rechter verdient dan ook bevestiging.
3.2. Wat betref t de correctieopgave d.d. 9 september. 2016: herziening van het recht op aftrek naar aanleiding van de wederoverdracht van 73% van het recht van opstal, met inbegrip van de opstallen aan VZW KASO.
Eiseres in hoger beroep was in haar hoedanigheid van opstalhouder, eigenaar van de sportzaal. Zij heeft bij notariële akte d.d. 26 oktober 2015 (stuk 8 administratie) het recht van opstal op de sportzaal met de opstallen ten belope van 73% overgedragen aan VZW KASO, die aldus als opstalhouder, eigenaar werd voor 73% van de sportzaal. Eiseres in hoger beroep stelt dat zij de sportzaal, in weerwil van de overdracht van het recht van opstal en van de opstallen, volledig bleef gebruiken voor haar economische activiteit, zodat de sportzaal en het recht van opstal de onderneming van eiseres in hoger beroep niet hebben verlaten. Er zou dan ook geen aanleiding zijn tot herziening van de aftrek in toepassing van artikel 10, §1, 4° K.B. nr. 3.
In casu wordt niet betwist dat het recht van opstal en de opstallen, met name de sportzaal, bedrijfsmiddelen zijn die bestemd zijn om op een duurzame wijze te worden gebruikt als werkingsinstrument of exploitatiemiddel binnen de onderneming van eiseres in hoger beroep (artikel 6, eerste lid K.B. nr. 3). De B.T.W. op deze onroerende bedrijfsmiddelen kon dan ook principieel volledig in aftrek worden genomen in zoverre was voldaan aan de voorwaarden daartoe bepaald in artikel 45 W.B.T.W. In die context werd de aftrek terecht beperkt tot 70%, gelet op de gratis terbeschikkingstelling van 30% van, onder meer, de sporthal aan scholen (cfr. supra sub 3.1).
In toepassing van artikel 48, §2 W.B.T.W. wordt de aftrek van de belasting geheven op bedrijfsmiddelen onderworpen aan herziening. Ingevolge artikel 9, tweede lid en derde lid, 2° en 3° K.B. nr. 3 wordt de termijn voor herziening van de aftrek ten aanzien van de belasting geheven van onroerende bedrijfsmiddelen, waaronder de belasting naar aanleiding van de verkrijging van gebouwen en van zakelijke rechten op onroerende goederen als bedoeld in artikel 9, tweede lid, 2° W.B.T.W., gebracht op 15 jaar. Onroerende goederen die het voorwerp zijn van zakelijke rechten zijn aldus bedrijfsmiddelen in hoofde van diegene die houder is van het zakelijk recht en aldus vatbaar voor herziening.
Artikel 10, §1, 4° K.B. nr. 3 bepaalt dat de herziening moet worden verricht wanneer een bedrijfsmiddel ophoudt in de onderneming te bestaan. Het gebruik binnen de onderneming voor de economische activiteit is daarbij van belang. De overdracht van het eigendomsrecht van het bedrijfsmiddel heeft dan ook niet per definitie tot gevolg dat het bedrijfsmiddel ophoudt in de onderneming te bestaan. De primauteit van het gebruik van h.et bedrijfsmiddel bij de beoordeling of al dan niet een herziening moet worden verricht, wordt bevestigd door het Hof van Justitie in haar arrest d.d. 27 maart 2019 inzake Mydibel (H.v.J. 27 maart 2019, C-201/18, inz. Mydibel, overwegingen 28 en 40).
Cruciaal is dan ook het blijvend en duurzaam gebruik van de sporthal door eiseres in hoger beroep in weerwil van de overdracht van het recht van opstal, met inbegrip van de opstallen na 26 oktober 2015. Dat zulks niet zou zijn gewijzigd en dat de sportzaal nog steeds volledig voor de economische activiteit van eiseres in hoger beroep zou worden gebruikt, wordt door eiseres in hoger beroep niet aangetoond. Eiseres in hoger beroep brengt ter zake geen stukken bij. Het hof verwijst ter zake bovendien andermaal naar de publieke samenwerkingsovereenkomst d.d. 8 februari 2010 waaruit een opdeling blijkt in private en publieke delen en een opdeling in tijd (cfr. supra sub 3.1.6). Deze opdeling blijkt ook uit de onderhandse overeenkomsten tussen de statj en VZW KASO waarin een onderscheid wordt gemaakt tussen gemeenschappelijke delen van de sporthal en delen die exclusief zijn voorbehouden voor de scholen, de stad en een private partner en uit het grondplan van het sportcomplex (stuk 1 eiseres in hoger beroep).
Eiseres in hoger beroep toont niet aan dat na de overdracht de sportzaal nog voor meer dan de resterende 27% werd gebruikt voor de uitoefening van haar economische activiteit. De door eiseres in hoger beroep vooropgestelde prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie dient niet te worden gesteld nu deze uitgaat van het volledig gebruik van het goed door de belastingplichtige voor B.T.W.-doeleinden, na de overdracht van het recht van opstal, met inbegrip van de opstallen, volledig gebruik dat in casu noch in tijd, noch in oppervlakte blijkt. Voor 73% is de sportzaal derhalve, bij gebrek aan bewijs van daadwerkelijk, volledig gebruik, opgehouden in de onderneming te bestaan.
Terecht werd dan ook een herziening van het recht op aftrek doorgevoerd voor een bedrag van 230.810,60 EUR. Het vonnis van de eerste rechter verdient dan ook bevestiging.
3.3. Wat betreft de opgelegde boete van 10%.
Eiseres in hoger beroep betwist de opgelegde geldboete van 10% en verzoekt deze te verminderen tot een evenredig bedrag, minstens deze met uitstel op te leggen.
Het hof is van oordeel dat de opgelegde geldboete van 10 % evenredig is met de ernst en de aard van de gepleegde inbreuken en een aangepaste en adequate sanctionering is van de door de belastingplichtige gepleegde feiten. De boete van 10% betreft een verminderde geldboete waarbij derhalve reeds rekening werd gehouden met de goede trouw van eiseres in hoger beroep (artikel 1, laatste lid K.B. nr. 41). Waarom de boete van 10% overdreven zou zijn of onredelijk met inachtneming van de aard van de inbreuk wordt door eiseres in hoger beroep niet toegelicht. Eiseres in hoger beroep motiveert evenmin welke concrete omstandigheden in casu een uitstel zouden rechtvaardigen.
Rekening houdende met de aard en de ernst van de feiten is er in casu dan ook geen enkele reden om de boete van 10% kwijt te schelden dan wel te verminderen, noch om deze met uitstel op te leggen, mocht de wet in deze maatregel hebben voorzien.
3.4. Wat betreft de nalatigheidsintresten a rato van 9,6% in toepassing van artikel 91, §1, 1° W.B.T.W.
Eiseres in hoger beroep stelt dat er sprake is van een schending van het gelijkheidsbeginsel in zoverre de intresten, verschuldigd in toepassing van artikel 91, §1, 1° W.B.T.W., worden berekend aan een rentevoet van 9,6% op jaarbasis en de intresten, verschuldigd in toepassing van artikel 91, §4 W.B.T.W., worden berekend aan de rentevoet in burgerlijke zaken op jaarbasis.
De in de artikelen 10 en 11 van de Grondwet vervatte regels met betrekking tot de gelijkheid van de Belgen schrijven voor dat ieder die zich in eenzelfde toestand bevinden op dezelfde wijze moeten worden behandeld en dat zij die zich in een verschillende toestand bevinden, op verschillende wijze moeten worden behandeld, behoudens redelijke verantwoording. Artikel 911 §§1, 2 en 3 W.B.T.W. en artikel 91, §4 W.B.T.W. viseren verschillende toestanden, waarbij §§ 1, 2 en 3 wordt bepaald welke intrest van rechtswege verschuldigd is bij niet betaling van de verschuldigde B.T.W. of bij teruggave van onverschuldigde B.T.W. en waarbij § 4 wordt bepaald welke intrest verschuldigd is in alle andere gevallen, waarbij de intrest niet van rechtswege verschuldigd is, doch na ingebrekestelling. Het is dan ook gerechtvaardigd dat deze verschillende toestanden verschillend worden behandeld. Eiseres in hoger beroep toont niet aan dat en op welke wijze zij in concreto zou worden gediscrimineerd door de verschillende rentevoeten voorzien in artikel 91 W.B.T.W. Er ligt dan ook kennelijk geen schending van het gelijkheidsbeginsel voor, zodat een prejudiciële vraag ter zake niet dient te worden gesteld.
Het hoger beroep van eiseres in hoger beroep is ontvankelijk doch ongegrond. Het bestreden vonnis dient te worden bevestigd, behoudens wat betreft de berekening van de
B.T.W. in hoofdsom, verschuldigd ingevolge de correctieopgave d.d. 9 september 2016. In het beschikkend gedeelte werd deze bepaald op 391.841,26 EUR, waar in het motiverend gedeelte het verschuldigd bedrag werd bepaald op 230.810,60 EUR. Met inachtneming van de nota van partijen d.d. 18 juli 2019, hervormt het hof het vonnis van de eerste rechter in die zin dat de B.T.W. in hoofdsom verschuldigd ingevolge de correctieopgave d.d. 9 september 2016 wordt bepaald op 230.810,60 EUR.
Eiseres in hoger beroep begroot de rechtsplegingsvergoeding op een bedrag van 16.800 EUR per aanleg zijnde het maximumbedrag voor een in geld waardeerbare vordering tussen
250.000 EUR en 500.000 EUR. De Belgische Staat verzoekt de rechtsplegingsvergoeding te begroten 12.000 EUR in hoger beroep zijnde het basisbedrag voor een in geld waardeerbare vordering tussen 500.000 EUR en .000.000 EUR.
Artikel 1022, derde lid Ger.W. voorziet in de mogelijkheid tot verhoging dan wel vermindering van het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding met inachtneming van de financiële draagkracht van partijen, de complexiteit van de zaak, contractueel bepaalde vergoedingen en het kennelijk onredelijk karakter van de situatie. Eiseres in hoger beroep motiveert niet waarom een hogere rechtsplegingsvergoeding wordt gevorderd dan het basisbedrag. Geen van de bij wet voorziene redenen zijn in casu voorhanden om over te gaan tot verhoging van de rechtsplegingsvergoeding.
Aangezien het bedrag van de vordering in hoofdsom 415.836,09 EUR bedraagt {185.025,49 EUR + 230.810,60 EUR meer een boete van 10%) begroot het hof de rechtsplegingsvergoeding op 8.400 EUR in hoger beroep en legt deze, met het bedrag van de rolrechten en het bedrag van 20 EUR bijzondere bijdrage begrotingsfonds, ten laste van eiseres in hoger beroep als de in het ongelijk gestelde partij.
4. Beslissing.
Het hof beslist bij arrest op tegenspraak.
De rechtspleging verliep in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van de taal in gerechtszaken.
Het hof verklaart het hoger beroep van eiseres in hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond.
Het hof hervormt het vonnis van de eerste rechter in die zin dat de B.T.W. in hoofdsom verschuldigd ingevolge de correctieopgave d.d. 9 september 2016 wordt bepaald op 230.810,60 EUR. Het vonnis wordt voor het overige integraal bevestigd.
Het hof vereffent de kosten van het hoger beroep op 600 EUR rolrecht, 20 EUR bijzondere bijdrage begrotingsfonds en 8.400 EUR rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep en legt deze ten laste van eiseres in hoger beroep als de in het ongelijk gestelde partij.
Dit arrest werd uitgesproken in de openbare zitting van 01 oktober 2019 door...
Ondertekeningen
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.