Recht op aftrek, Herziening recht op aftrek · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Rechtbank van eerste aanleg Hasselt 6 juni 2019

Zoeken

Recht op aftrek, Herziening recht op aftrek

https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-herziening-uitoefening-beroepswerkzaamheid-rechtbank-hasselt-2019-06-c4b4

Rechtscollege
Rechtbank van eerste aanleg
Zetel
Hasselt
Datum
6 juni 2019

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands
Strekking volgens de FOD
gunstig voor de Belgische Staat

Tekst

77 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van eerste aanleg Limburg, Afdeling Hasselt d.d. 06.06.2019

WF 711-15-17/056879

[Gunstig voor de Belgische Staat]

Belasting over de toegevoegde waarde – Recht op aftrek - Herziening recht op aftrek – Recht uitoefening beroepswerkzaamheid

Wettelijke bepalingen

W.Btw: art.45, § 1; art. 48, § 2 en art. 18, § 1, 6°

KB Btw: art. 1 KB nr.3; art. 9, § 1 KB nr.3 en 10, 1° KB nr. 3

Samenvatting

Niet beschikbaar.

Zie arrest van het Hof van beroep.

Tekst van het vonnis

Tekst van de beslissing

Rechtbank van eerste aanleg Limburg, Afdeling Hasselt, sectie burgerlijk, 11A kamer

Eindvonnis van 06.06.2019

AR: 17/2489/A

IN ZAKE:

H. NV. met maatschappelijke zetel te ..., ondernemingsnummer 0434...... - eiseres - Ter zitting vertegenwoordigd door mr. ... loco mr. ..., advocaat, kantoor houdende te ...

tegen:

DE BELGISCHE STAAT, FEDERALE OVERHEIDSDIENST FINANCIEN. in de persoon van de Minister van Financiën, met kabinet gevestigd te 1000 Brussel, Wetstraat 12. ALGEMENE ADMINISTRATIE VAN DE FISCALITEIT, ADMINISTRATIE KMO, handelend ten verzoeke van de Adviseur-generaal, Directeur van het KMO Centrum Hasselt, met kantoor te 3500 Hasselt, Voorstraat 43 bus 106 - verweerder - Ter zitting vertegenwoordigd door zijn gevolmachtigden mevrouw X, attaché bij een fiscaal bestuur, verbonden aan de afdeling expertise van het KMO-Centrum Hasselt, en mevrouw Y, financieel deskundige bij een fiscaal bestuur, verbonden aan de afdeling controle van het KMO-Centrum Hasselt.

VOLGT HET VONNIS

Gelet op:

- het verzoekschrift op tegenspraak, neergelegd ter griffie van deze rechtbank op 30.10.2017;

- de beschikking overeenkomstig art. 747 , § 1 Ger.W. van 23.11.2017;

- de eerste conclusies, aanvullende conclusies, syntheseconclusies en stukken van verweerder;

- de conclusies, tweede conclusies en stukken van eiseres.

1. FEITEN EN VOORGAANDEN:

Eiseres, de NV H., is wegens de door haar opgegeven activiteit van "handel in eigen onroerend goed" geregistreerd als BTW-belastingplichtige onder het nummer BE 0434...... Zij is dusdanig onderworpen aan de bepalingen van het BTW-Wetgeving en aan de ter uitvoering ervan genomen besluiten.

Op 24.08.2016 vond er bij eiseres een BTW-controle plaats en werden er volgens de administratie inbreuken vastgesteld op de opgelegde verplichting de aftrek te herzien van de BTW geheven op bedrijfsmiddelen.

De door de eiseres voorgelegde investeringsfacturen omvatten hoofdzakelijk de inrichtings­ en bouwkosten van het pand gelegen in de Langveldstraat 1 te 3500 Hasselt, zijnde het adres van een Bed & Breakfast.

De bouw van dit onroerend goed was gespreid over de jaren 2010, 2011 en 2012. De uitbating van deze Bed & Breakfast was het voorwerp van een concessieovereenkomst met toepassing van BTW. Eiseres was de concessiegever. De omzet van deze concessie werd opgenomen in de jaarrekening en BTW-aangifte van eiseres tot en met kalenderjaar 2014. Op 08.09.2016 werd het pand in de ...straat te Hasselt bezichtigd door Y, fiscaal deskundige, samen met Bart Jespers die een controle op de vennootschapsbelasting uitvoerde. Er werd vastgesteld dat het gebouw voldoet aan alle normen en voorwaarden die voor de uitbating van een B&B vereist zijn. Bestuurster M.V., haar vader R.V. en diens echtgenote B.D., zijn op het moment van de bezichtiging zélf woonachtig op het adres, ...straat te Hasselt (sedert juli 2015). Dit blijkt uit de omzet van eiseres nl. vanaf kalenderjaar 2015 werd er namelijk geen omzet meer gerealiseerd met betrekking tot de concessie voor de uitbating B&B.

Aangezien deze investeringen in de B & B oorspronkelijk aangewend werden voor de BTW­ plichtige beroepsactiviteit, is het uitgeoefende recht op aftrek bij het inboeken van deze kostenfacturen rechtmatig. Rekening houdend met het feit dat deze investeringen sinds juli 2015 uitsluitend voor de privébehoeften van de bestuurster, haar vader en diens echtgenote worden aangewend, was de administratie van oordeel dat er een herziening van de uitgeoefende BTW-aftrek diende te gebeuren.

Dit feitelijkheden gaven aanleiding tot de herziening, bedoeld in art. 10, § 1, eerste lid, van het KB nr. 3.

Op 18.10.2017 ging de administratie over tot de opstelling van een proces-verbaal van regularisatie lastens de NV H. ten einde haar aanspraken definitief vast te leggen.

In het proces-verbaal werden de volgende bedragen gevorderd:

- 372.240,02 euro BTW;

- 37.220,00 euro als geldboete;

- interesten van 0,8% per maand over de som van 372.240,00 euro vanaf 21.01.2016 overeenkomstig art. 91 § 1 WBTW.

Bij verzoekschrift op tegenspraak, neergelegd ter griffie op 30.10.2017, heeft eiseres een vordering in rechte ingesteld.

ll. BEOORDELING

1. De ontvankelijkheid van de vordering

Er worden door verweerder geen middelen van niet-ontvankelijkheid opgeworpen en de rechtbank bemerkt geen ambtshalve op te werpen excepties met betrekking tot haar bevoegdheid en de ontvankelijkheid van de vordering.

De vordering is dan ook ontvankelijk.

2. Ten gronde

1. In het proces-verbaal van regularisatie deelde de administratie mee dat er een naheffing zou volgen in toepassing van art. 48, § 2 WBTW en de artikelen 10 en 11 van het KB nr. 3.

Op grond van artikel 10, § 1 KB nr. 3, moet de in artikel 9, § 1 bedoelde herziening worden verricht wanneer gedurende het in dat artikel bedoelde tijdvak :

1° het bedrijfsmiddel door de belastingplichtige geheel of gedeeltelijk wordt gebruikt voor privédoeleinden of ter verwezenlijking van handelingen die geen recht op aftrek verlenen, of die recht op aftrek verlenen in een andere verhouding dan die welke ais grondslag heeft gediend voor de oorspronkelijke aftrek; deze bepaling geldt evenwel niet wanneer het hele privé-gebruik aanleiding geeft tot een belastbare levering in de zin van artikel 12, § 1, 1° of 2° van het Wetboek;

2° enige wijziging is ingetreden in de factoren die, met inachtneming van de uitgeoefende economische activiteit, aan de berekening van de aftrek gedaan voor het bedrijfsmiddel ten grondslag hebben gelegen;

3° het bedrijfsmiddel het voorwerp is van een handeling die recht op aftrek verleent en in de mate waarin de aftrek van de belasting geheven op dat goed een beperking heeft ondergaan andere dan die voortspruitend uit artikel 45, § 2 van het Wetboek;

4° het bedrijfsmiddel ophoudt in de onderneming te bestaan of wanneer het niet meer gebruikt wordt voor de BTW-eenheid ingevolge de uittreding van één van haar leden, tenzij wordt aangetoond dat zulks het gevolg is van een handeling die recht op aftrek verleent of dat het bedrijfsmiddel vernietigd of ontvreemd werd;

5° iemand de hoedanigheid van belastingplichtige verliest of wanneer hij toetreedt tot een BTW-eenheid, of nog slechts handelingen verricht die geen recht op aftrek verlenen wat betreft de aan herziening onderworpen onroerende goederen uit hun aard en de zakelijke rechten, tenzij die goederen het voorwerp hebben uitgemaakt van een levering die recht op aftrek verleent of die zakelijke rechten met toepassing van de belasting werden overgedragen of wederovergedragen.

Het tijdstip en de wijze waarop de herziening dient te worden verricht wordt bepaald in art. 11 van het KB nr. 3.

In het proces-verbaal van vaststellingen van 18.10.2017 werd vastgesteld dat gezien deze bedrijfsmiddelen aanvankelijk voor de BTW-activiteit waren bestemd, maar deze naderhand voor privédoeleinden of handelingen die geen recht op aftrek verlenen, werden aangewend, dient er een herziening van de BTW-aftrek te gebeuren.

2. Eiseres is van oordeel dat de herziening ten onrechte wordt doorgevoerd. Vooreerst is eiseres van oordeel dat ze zich niet in één van de vijf gevallen van artikel 10, § 1 KB nr. 3 bevindt.

Er heeft nooit een exploitatie van een Bed & Breakfast plaats gevonden volgens eiseres. Reden waarom de administratie in de inkomstenbelasting een abnormaal en goedgunstig voordeel wou belasten. Aangezien het goed niet gebruikt is voor een BTW-activiteit, zijn de regels voor herziening niet van toepassing. Het bedrijfsmiddel is namelijk niet van bestemming veranderd.

3. De volgende concessieovereenkomsten werden voorgelegd:

- voor de periode 01/01/2013 - 30/04/2013 (een overeenkomst tussen de NV H. en de BVBA Lidima);

- voor de periode 01/05/2013 - 31/12/2013 (een overeenkomst tussen de NV H. en de BVBA Dnovo).

Uit de bepalingen opgenomen in de desbetreffende overeenkomsten blijkt dat onroerende verhuur niet het voorwerp is van deze overeenkomsten: de overeenkomsten vermelden duidelijk dat de huidige overeenkomst onverenigbaar is met elke huur - en tewerkstellingsovereenkomst. De wetgeving op de handelshuur is evenmin van toepassing (artikel 1, A).

De overeenkomst heeft tot doel, de zelfstandige exploitatie door de uitbater van een bestaande handelszaak genaamd "B&B" gelegen te 3500 Hasselt, Langveldstraat 1 (artikel 1, B);

- Artikel 2 vermeldt... Op de dag van het in voege treden van huidige overeenkomst zal een gedetailleerde plaatsbeschrijving en een volledige inventaris opgemaakt worden van materieel en de uitbatingsuitrusting aan de uitbater toevertrouwd.

Hiervan wordt een detail in bijlage toegevoegd.

Geen enkele wijziging kan worden aangebracht, noch aan de plaatsen noch aan de door de eigenaar ter beschikking gestelde goederen zonder de voorafgaandelijke schriftelijke toestemming van laatstgenoemde (terbeschikkingstelling van uitbatingsuitrusting+ inmenging van de NV H.);

- Sinds de invoering van de huurwet in 1991 is het niet meer mogelijk om een huurovereenkomst van onbepaalde duur af te sluiten. Alle huurovereenkomsten hebben een bepaalde duur. In tegenstelling tot deze bepaling vermeldt artikel 3 dat de overeenkomst is afgesloten voor een onbepaalde duur. Ook hieruit blijkt weer dat onroerende verhuur niet het voorwerp is van de betreffende overeenkomsten.

- Artikel 9 vermeldt: 'De uitbating dient te geschieden volgens de regels van goed vakmanschap. De consumptiewaren moeten steeds van goede kwaliteit zijn. De lokalen, meubelen en materialen moeten steeds onberispelijk en proper gehouden worden. Ook hieruit blijkt inmenging van de NV H. in de uitbating.

Ook uit het aangifteformulier van ingebruikname van het gebouw blijkt dat het een concessie betreft en geen huurcontract (het woord huurprijs werd namelijk geschrapt en vervangen door concessie).

Gelet op het voorgaande is de toekenning van het genot van een onroerend goed niet het hoofddoel doch is het onroerend goed een middel voor de uitvoering van een te belasten dienst zijnde het recht om een beroepswerkzaamheid uit te oefenen (artikel 18 §1, 6° WBTW).

Het feit dat de uitbater(s) niet zijn overgegaan tot de effectieve uitbating van de B&B doet geen afbreuk aan het feit dat het hier wel degelijk gaat over het verlenen van het recht om een beroepswerkzaamheid uit te oefenen. De NV H. had wel degelijk een intentie om een B&B te laten uitbaten door de respectievelijke uitbaters. Dit blijkt ook uit het feit dat de BTW met betrekking tot de investeringen en kosten van het gebouw onmiddellijk en integraal in aftrek werd gebracht door de NV H..

Overeenkomstig de concessieovereenkomsten werd er een vergoeding (3.000,00 euro) aangerekend aan de uitbaters; dat er niet effectief werd overgegaan tot uitbating doet hieraan geen afbreuk.

De administratie heeft dan ook terecht een herziening doorgevoerd.

Wat betreft de kosten van de procedure dient er rekening gehouden te worden met de inwerkingtreding van de wet van 21.04.2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten van een advocaat (B.S., 31.05.2007) en de onmiddellijke toepassing van deze wet op alle hangende gedingen vanaf 01.01.2008 (zie art. 13 en 14).

Partijen hebben ter zake standpunt ingenomen.

De voorschriften van de artikelen 2-30 tot 37 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken werden nageleefd.

Beschikkend gedeelte

OM DEZE REDENEN

De rechtbank, rechtdoende op tegenspraak,

Verklaart de vordering van eiseres ontvankelijk doch ongegrond,

Veroordeelt eiseres tot de kosten van het geding en begroot deze kosten aan de zijde van verweerder op 0,00 euro rechtsplegingsvergoeding bij gebreke aan vertegenwoordiging door een advocaat.

Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare terechtzitting van de 11A kamer, op het gerechtshof te Hasselt op 06.06.2019, alwaar zetelden:

Ondertekeningen

Aangehaalde teksten

9
KB nr. 3 art. 104 voorkomens
KB nr. 3 art. 12 voorkomens
KB nr. 3 art. 112 voorkomens
KB nr. 3 art. 92 voorkomens
WBTW art. 121 voorkomen
WBTW art. 181 voorkomen
WBTW art. 451 voorkomen
WBTW art. 481 voorkomen
WBTW art. 911 voorkomen

Vergelijkbare beslissingen

8