Fiche van de FOD Financiën
Arrest van het hof van beroep te Antwerpen d.d. 17 februari 2026
WF 711-15-22/013570 - Finaliti 54797257/01
[ Gemengd arrest ]
Belasting over de toegevoegde waarde – Recht op aftrek – Herziening van het recht op aftrek– Bedrijfsmiddelen – Bewijslast
Wettelijke bepalingen
Artikelen 45, § 1, 48, § 2 WBTW
Artikel 9 van het Koninklijk Besluit nr. 3 van 10 december 1969
Samenvatting van het arrest
1. Feiten en vonnis in eerste aanleg
Eiseres was als btw-belastingplichtige geregistreerd voor de activiteit van groothandel in parfumerieën en cosmetica.
Naar aanleiding van een btw-controle voor de jaren 2018 en 2019 heeft de administratie inbreuken vastgesteld op de btw-wetgeving inzake het recht op aftrek en de herziening van de btw-aftrek op bedrijfsmiddelen. Er volgde een btw-navordering ten bedrage 65.192,77 EUR aan verschuldigde btw, een proportionele geldboete ten belope van 6.510,00 euro, meer intresten.
De btw-schuld werd opgenomen in het innings- en invorderingsregister dat op 4 januari 2022 uitvoerbaar werd verklaard.
Eiseres diende een administratief bezwaarschrift in. Bij beslissing van 1 september 2022 werd dit bezwaar integraal afgewezen. Aangezien eiseres hiermee niet akkoord ging, stelde zij een vordering in rechte in bij verzoekschrift neergelegd ter griffie d.d. 5 september 2022.
De eerste rechter merkte op dat eiseres investeringen had gedaan in diverse gehuurde winkelpanden en de btw daarop in aftrek had genomen. De rechtbank stelde vast dat de bedrijfsmiddelen bij het vertrek uit de gehuurde winkelpanden waren achtergelaten, waardoor zij ophielden te bestaan in de onderneming. De rechtbank is van oordeel dat er geen enkel objectief bewijs werd voorgelegd dat er een overdracht van de handelshuur of van de investeringsgoederen onder bezwarende titel had plaatsgevonden. Niettegenstaande het akkoord tussen partijen dat factuur 229, met een terug te vorderen btw-bedrag van 8.400,00 euro verkeerdelijk werd opgenomen in het proces-verbaal van regularisatie, verklaarde de rechtbank de gehele vordering van eiseres ontvankelijk, doch ongegrond.
Eiseres stelde tegen dit vonnis hoger beroep in.
2. Het arrest in hoger beroep
Het hof verwijst naar het proces-verbaal van terechtzitting waaruit blijkt dat partijen zijn overeengekomen de btw-vordering te verminderen met een bedrag van 8.400,00 euro, te verhogen met de corresponderende geldboete van 10%. Ondanks dit akkoord heeft de eerste rechter de vordering van eiseres in hoger beroep volledig ongegrond verklaard. Het hof oordeelt dat het bestreden vonnis moet worden vernietigd wegens schending van het beschikkingsbeginsel.
Wat betreft de verplichting tot herziening van de btw-aftrek verwerpt het hof het standpunt van eiseres in hoger beroep dat er sprake zou zijn van een overdracht ten bezwarende titel. Uit de huurovereenkomsten blijkt dat de uitgevoerde werken kosteloos door de verhuurder werden verworven en de voorgelegde stukken tonen enkel voorstellen tot compensatie, maar geen akkoord. Het achterlaten van de goederen geldt evenmin als vernietiging en een daadwerkelijke vernietiging werd niet aangetoond. Het hof besluit dat eiseres in hoger beroep tot herziening van de afgetrokken btw gehouden was.
Wat betreft de inkomende facturen van Cushman and Wakefield is het hof van oordeel dat geenszins blijkt in welke mate de makelaarskosten hebben bijgedragen tot de totstandkoming, het omvormen of het verbeteren van bedrijfsmiddelen in hoofde van eiseres in hoger beroep. Het hof oordeelt dat hiervoor geen herziening dient te gebeuren.
Wat betreft de inkomende facturen van Scotch & Soda stelt het hof vast dat partijen akkoord zijn dat geen btw in aftrek werd genomen waardoor geen btw-herziening mogelijk is.
Wat betreft factuur nr. 10 is het hof van oordeel dat er op de factuur toepassing wordt gemaakt van de regeling van verlegging van heffing naar de medecontractant. De administratie heeft de verschuldigde btw dienaangaande correct berekend.
Het hof acht de geldboete van 10% in verhouding tot de aard en ernst van de overtreding en ziet geen reden om een kwijtschelding, dan wel een vermindering of uitstel van de tenuitvoerlegging toe te staan
Het hof verklaart het hoger beroep van eiseres in hoger beroep ontvankelijk en deels gegrond.
Volledige tekst:
Tekst van de beslissing
Arrest van het hof van beroep Antwerpen dd. 17 februari 2026 - 2024/AR/1329
cie1, ON ..., met zetel te ... ..., ...,
Eiseres in hoger beroep,
vertegenwoordigd door mr. MARTENS Tomas, advocaat te ... ..., ... (... ...)
tegen het vonnis van de 11A kamer van de rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Hasselt van 11 juni 2024, gekend onder rolnummer 22/1438/A
tegen
BELGISCHE STAAT - FOD FINANCIËN, ON ..., in de persoon van ..., met kabinet te 1000 BRUSSEL, Wetstraat 12 handelend ten verzoeke van de ..., ON ..., met diensten te 3500 HASSELT, Voorstraat 43 bus 106,
Verweerder in hoger beroep,
vertegenwoordigd door mr. BONGAERTS Bert, advocaat te 2018 ANTWERPEN, Gounodstraat 2A bus 29 (ref.: ...)
Gelet op de door de wet vereiste processtukken in behoorlijke vorm overgelegd waaronder het bestreden vonnis van de rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Hasselt van 11 juni 2024, waarvan partijen verklaren dat het niet betekend werd, alsmede het verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd ter griffie van het hof van beroep te Antwerpen op 28 augustus 2024, waarbij een naar vorm en termijn regelmatig en ontvankelijk hoger beroep wordt ingesteld.
I. Feiten
De voorliggende betwisting betreft de btw-schuld in hoofde van eiseres in hoger beroep zoals opgenomen in het innings- en invorderingsregister op 3 januari 2022 onder het schuldnummer 500.2485.35695.
Eiseres in hoger beroep is als btw-belastingplichtige geregistreerd voor de activiteit van "groothandel in parfumerieën en cosmetica".
Eiseres in hoger beroep werd onderworpen aan een btw-controle voor de periode van 1 januari 2018 tot en met 31 december 2019. Hierbij werden volgens de administratie inbreuken vastgesteld op de btw-wetgeving inzake het recht op aftrek en de herziening van de btw-aftrek op bedrijfsmiddelen.
Er vond op 15 oktober 2021 een bespreking plaats tussen partijen. Er werd een akkoord bereikt met betrekking tot de inbreuken inzake het recht op aftrek. Voor de inbreuken met betrekking tot de herziening van de btw-aftrek op bedrijfsmiddelen (herzieningen wegens het verlaten van gehuurde panden en het achterlaten van gedane investeringen) werd geen akkoord bereikt. Hiervoor werd dan ook een proces-verbaal van regularisatie opgesteld op 23 november 2021.
Overeenkomstig dit proces-verbaal waren de volgende bedragen verschuldigd door eiseres in hoger beroep:
65.192,77 euro aan btw;
6.510,00 euro aan proportionele geldboete op grond van artikel 70 § 1 btw-wetboek;
Intresten op grond van artikel 91 § 1 btw-wetboek.
De btw-schuld werd opgenomen in een innings- en invorderingsregister, hetwelk uitvoerbaar verklaard werd op 4 januari 2022. Op 6 januari 2022 werd een innings- en invorderingsbericht verstuurd aan eiseres in hoger beroep.
Op 22 februari 2022 diende eiseres in hoger beroep bezwaar in hetgeen door de administratie werd afgewezen op 1 september 2022.
Op 5 september 2022 legde eiseres in hoger beroep een verzoekschrift op tegenspraak neer ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Hasselt.
II. Vorderingen eerste aanleg en bestreden vonnis
1Voor de eerste rechter vorderde eiseres in hoger beroep in hoofdorde haar vordering
ontvankelijk en gegrond te verklaren, dienvolgens het proces-verbaal d.d. 23 november 2021 te vernietigen dan wel van onwaarde te verklaren, dienvolgens de inschrijving in het innings-en invorderingsregister te vernietigen dan wel van onwaarde te verklaren en te zeggen voor recht dat de middels voormeld proces-verbaal gevorderde bedragen die zijn opgenomen in het innings- en invorderingsregister niet verschuldigd zijn en de Belgische Staat te veroordelen tot terugbetaling.
In ondergeschikte orde verzocht eiseres in hoger beroep minstens de geldboete van 10% te vernietigen, minstens substantieel te verminderen dan wel met uitstel op te leggen of vast te stellen dat de voorwaarden van uitstel zijn voldaan en de sanctie disproportioneel is met de vooropgestelde inbreuk waardoor de belastingverhoging (lees: boete) ontheven moet worden.
Ze verzocht in elk geval haar te ontslaan van de in het proces-verbaal gevorderde bedragen die zijn opgenomen in het innings- en invorderingsregister en verweerder in hoger beroep te veroordelen tot integrale terugbetaling van alle bedragen die ten onrechte werden betaald of ingehouden meer moratoriumintresten overeenkomstig artikel 91 btw-wetboek en verweerder in hoger beroep te veroordelen tot de kosten van het geding.
2 Verweerder in hoger beroep verzocht de vordering van eiseres in hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond te verklaren, de verschuldigde bedragen zoals opgenomen in het innings- en invorderingsregister te bevestigen en voor recht te zeggen dat er geen reden was om uitstel te verlenen, zelfs indien de wet in die maatregel had voorzien en eiseres in hoger beroep te veroordelen tot de kosten van het geding.
3 De eerste rechter verklaarde de vordering van eiseres in hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond. Ze veroordeelde eiseres in hoger beroep tot de kosten van het geding in hoofde van verweerder in hoger beroep begroot op 0,00 euro rechtsplegingsvergoeding en 22 euro bijdrage juridische tweedelijnsbijstand.
De eerste rechter wees erop dat er door eiseres in hoger beroep investeringen werden gedaan in diverse winkels in Antwerpen, Brugge, Gent, Hasselt en Leuven waarvoor door eiseres in hoger beroep huurcontracten werden afgesloten. De btw over deze investeringen werd door eiseres in hoger beroep in aftrek genomen. Ze stelde verder dat voor de betreffende panden de bedrijfsmiddelen ophielden te bestaan in de onderneming omdat werd vastgesteld dat de bedrijfsmiddelen waren achtergebleven in de gehuurde panden op het ogenblik dat ze verlaten werden.
De rechtbank stelde vast dat er geen enkel bewijs werd voorgelegd dat er een overdracht ten bezwarende titel van de handelshuur of van de investeringsgoederen had plaatsgevonden.
Verder stelde de eerste rechter dat een loutere bewering, zonder enige objectivering hiervan, dat de investeringen nog steeds een blijvende impact hebben op de marketing, niet volstond om de herziening af te wijzen.
De rechtbank stelde vervolgens vast dat de investeringen/bedrijfsmiddelen waren achtergelaten door eiseres in hoger beroep bij het verlaten van de handelspanden en geenszins vernietigd werden in de zin van artikel 10 § 1, 4° van het KB nr. 3.
Verder was de eerste rechter van oordeel dat door eiseres in hoger beroep geen overmacht bewezen werd. De loutere bewering dat de covid-pandemie geleid had tot een lage rendabiliteit van de winkels die eiseres in hoger beroep ertoe gedwongen had om tot sluiting over te gaan, zonder enige onderbouwende financiële stukken, kon niet als bewijs van overmacht aanvaard worden. Wat ook de oorzaak mocht zijn, financieel onvermogen, betalingsproblemen, ... konden geenszins aanvaard worden als overmacht.
De eerste rechter was van oordeel dat de bemiddeling door een makelaarskantoor tevens viel onder artikel 48 § 2 btw-wetboek.
Met betrekking tot de boete was de eerste rechter van oordeel dat er in onderhavig geval geen concrete elementen werden aangereikt waaruit zou blijken dat de opgelegde boete niet evenredig was en niet in verhouding stond met de concrete gegevens van de zaak. De vordering tot het verlenen van uitstel werd ongegrond verklaard bij gebrek aan bewijs dat de geldboete disproportioneel belastend was.
Tegen dit vonnis werd hoger beroep ingesteld bij verzoekschrift tot hoger beroep ter griffie neergelegd op 28 augustus 2024.
III. Vorderingen in hoger beroep
1Eiseres in hoger beroep verzoekt in hoofdorde het hoger beroep ontvankelijk en
gegrond te verklaren, dienvolgens het bestreden vonnis te vernietigen en opnieuw rechtdoende, de vordering van eiseres in hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren, dienvolgens het proces-verbaal d.d. 23 november 2021 te vernietigen dan wel van onwaarde te verklaren, dienvolgens de inschrijving in het innings- en invorderingsregister te vernietigen en te zeggen voor recht dat de middels voormeld proces-verbaal gevorderde bedragen niet verschuldigd zijn en de Belgische Staat te veroordelen tot terugbetaling meer moratoriumintresten.
In ondergeschikte orde verzoekt eiseres in hoger beroep minstens de geldboete van 10% te vernietigen, minstens substantieel te verminderen dan wel met uitstel op te leggen of vast te stellen dat de voorwaarden van uitstel zijn voldaan en de sanctie disproportioneel is met de vooropgestelde inbreuk waardoor de belastingverhoging (lees: boete) ontheven moet worden.
Ze verzoekt minstens de inschrijving in het innings- en invorderingsregister te verminderen ten bedrage van 8.400 euro verhoogd met de bijhorende geldboete van 10%.
Ze verzoekt in elk geval haar te ontslaan van de in het proces-verbaal gevorderde bedragen die zijn opgenomen in het innings- en invorderingsregister en verweerder in hoger beroep te veroordelen tot integrale terugbetaling van alle bedragen die ten onrechte werden betaald of ingehouden meer moratoriumintresten overeenkomstig artikel 91 btw-wetboek en verweerder in hoger beroep te veroordelen tot de kosten van het geding, in haren hoofde begroot op 22 euro (bijzondere bijdrage begrotingsfonds eerste aanleg), 4.500 euro (rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg), 24 euro (bijzondere bijdrage begrotingsfonds hoger beroep) en 4.709,30 euro (rechtsplegingsvergoeding hoger beroep).
2Verweerder in hoger beroep verzoekt het hoger beroep ontvankelijk en (groten)deels
ongegrond te verklaren. Hij verzoekt het bestreden vonnis te bevestigen in die mate dat voor recht gezegd moet worden dat eiseres in hoger beroep gehouden was tot het herzien van de btw-aftrek over de bedrijfsmiddelen in kwestie en tot het betalen van de proportionele verminderde geldboete. Hij verzoekt de bedragen gevorderd in het procesverbaal d.d. 23 november 2021 en opgenomen in het innings- en invorderingsregister dat uitvoerbaar verklaard werd op 4 januari 2022 te bevestigen met uitzondering van 8.400 euro btw + 840 euro boete (vordering herziening factuur nr. 229 d.d. 29 augustus 2017 cie3). Hij verzoekt eiseres in hoger beroep te veroordelen tot de kosten van het geding, in zijnen hoofde begroot op 4.709,30 euro (rechtsplegingsvergoeding hoger beroep).
IV. Beoordeling
1 Eiseres in hoger beroep haalt vooreerst aan dat de eerste rechter het beschikkingsbeginsel geschonden heeft. Ze wijst erop dat er tussen partijen eensgezindheid bestond dat de btw-navordering moest worden verminderd met een bedrag van 8.400 euro, te verhogen met de corresponderende geldboete van 10 %. Ondanks dit akkoord heeft de eerste rechter de vordering van eiseres in hoger beroep volledig ongegrond verklaard. Ze stelt dat het bestreden vonnis dient vernietigd te worden wegens schending van het beschikkingsbeginsel.
2 Het hof stelt vast dat de eerste rechter de vordering van eiseres in hoger beroep in haar geheel ongegrond verklaarde. Nochtans werd op het proces-verbaal van de openbare terechtzitting d.d. 14 maart 2024 vermeld dat de fiscus stelde dat factuur 229 met een terug te vorderen btw-bedrag van 8.400 euro verkeerdelijk werd opgenomen. De fiscus verklaarde zich akkoord om de vordering en de boete in die zin aan te passen. Hiermee hield de eerste rechter evenwel geen rekening in het bestreden vonnis.
Op grond van artikel 1138, 2° Ger.W. en het beschikkingsbeginsel zijn het de partijen die de grenzen van het geding bepalen. De rechter is gehouden het geschil te beslechten overeenkomstig de daarop van toepassing zijnde rechtsregels. Hij moet de juridische aard van de door de partijen aangevoerde feiten en handelingen onderzoeken, en mag, ongeacht de juridische omschrijving die de partijen daaraan hebben gegeven, de door hen aangevoerde redenen ambtshalve aanvullen op voorwaarde dat hij geen betwisting opwerpt waarvan de partijen bij conclusie het bestaan hebben uitgesloten, dat hij enkel steunt op elementen die hem regelmatig zijn voorgelegd, dat hij het voorwerp van de vordering niet wijzigt en dat hij daarbij het recht van verdediging van de partijen niet miskent. Hij heeft de plicht ambtshalve de rechtsmiddelen op te werpen waarvan de toepassing geboden is door de feiten die de partijen in het bijzonder hebben aangevoerd tot staving van hun eisen (Cass. (le k.) AR C.16.0526.N, 14 september 2017 (M.S. / P&V Verzekeringen cvba) https://juportal.be (10 oktober 2017); RABG 2018, afl. 11, 1028, noot BOLS, P.).
In voorliggend geval heeft de eerste rechter de vordering van eiseres in hoger beroep volledig ongegrond verklaard hoewel er een akkoord tussen partijen bestond dat de btw-navordering moest worden verminderd met een bedrag van 8.400 euro, te verhogen met de corresponderende geldboete van 10 %.
Het bestreden vonnis dient dan ook wegens schending van het beschikkingsbeginsel te worden vernietigd.
Het hof beoordeelt de vordering van eiseres in hoger beroep dan ook opnieuw.
3 De vordering van eiseres in hoger beroep is ontvankelijk. Het hof ziet geen ambtshalve aan te voeren redenen om deze niet ontvankelijk te verklaren.
4 Tussen partijen bestaat er betwisting omtrent de vraag of eiseres in hoger beroep al dan niet enige inbreuk heeft gepleegd op de verplichting om de aftrek te herzien van btw geheven op bedrijfsmiddelen.
Verweerder in hoger beroep meent dat de bedrijfsmiddelen hebben opgehouden te bestaan in de onderneming bij het verlaten van de panden en de beëindiging van de huurovereenkomsten waardoor eiseres in hoger beroep wel degelijk gehouden was tot herziening van de btw.
Eiseres in hoger beroep stelt dat er geen btw-herziening diende plaats te vinden aangezien de bedrijfsmiddelen ten bezwarende titel werden overgedragen. Minstens stelt eiseres in hoger beroep de intentie te hebben gehad om deze bedrijfsmiddelen ten bezwarende titel over te dragen hetgeen volgens eiseres in hoger beroep reeds voldoende is om te besluiten dat er geen btw-herziening nodig was.
5 Krachtens artikel 48 § 2, eerste lid btw-wetboek en artikel 9 van het Koninklijk Besluit nr. 3 van 10 december 1969 is de aftrek van de belasting geheven van bedrijfsmiddelen en diensten die kenmerken hebben die vergelijkbaar zijn met de kenmerken die doorgaans aan bedrijfsmiddelen worden toegeschreven onderworpen aan herziening gedurende een tijdvak van vijf jaar. De herziening wordt elk jaar verricht tot beloop van een vijfde van het bedrag van die belasting, wanneer enige wijziging is ingetreden in de factoren die aan de berekening van de aftrek ten grondslag liggen.
Artikel 10 § 1 van het Koninklijk Besluit nr. 3 van 10 december 1969 bepaalt dat de in artikel 9 bedoelde herziening moet worden verricht wanneer gedurende het in dat artikel bedoelde tijdvak:
1° het bedrijfsmiddel door de belastingplichtige geheel of gedeeltelijk wordt gebruikt voor privé-doeleinden of ter verwezenlijking van handelingen die geen recht op aftrek verlenen, of die recht op aftrek verlenen in een andere verhouding dan die welke als grondslag heeft gediend voor de oorspronkelijke aftrek; deze bepaling geldt evenwel niet wanneer het hele privé-gebruik aanleiding geeft tot een belastbare levering in de zin van artikel 12, § 1, 1° of 2°, van het Wetboek;
2° enige wijziging is ingetreden in de factoren die, met inachtneming van de uitgeoefende economische activiteit, aan de berekening van de aftrek gedaan voor het bedrijfsmiddel ten grondslag hebben gelegen;
3° het bedrijfsmiddel het voorwerp is van een handeling die recht op aftrek verleent en in de mate waarin de aftrek van de belasting geheven op dat goed een beperking heeft ondergaan andere dan die voortspruitend uit artikel 45, § 2, van het Wetboek; 4° het bedrijfsmiddel ophoudt in de onderneming te bestaan of wanneer het niet meer gebruikt wordt voor de BTW-eenheid ingevolge de uittreding van één van haar leden, tenzij wordt aangetoond dat zulks het gevolg is van een handeling die recht op aftrek verleent of dat het bedrijfsmiddel vernietigd of ontvreemd werd; (eigen onderlijning)
5° iemand de hoedanigheid van belastingplichtige verliest of wanneer hij toetreedt tot een BTW-eenheid, of nog slechts handelingen verricht die geen recht op aftrek verlenen wat betreft de aan herziening onderworpen onroerende goederen uit hun aard en de zakelijke rechten, tenzij die goederen het voorwerp hebben uitgemaakt van een levering die recht op aftrek verleent of die zakelijke rechten met toepassing van de belasting werden overgedragen of wederovergedragen.
De bij artikel 10 § 1, 3° tot 5° en § 2, bedoelde herziening wordt in eenmaal verricht voor het jaar waarin de oorzaak van de herziening zich heeft voorgedaan en voor de nog te lopen jaren van het herzieningstijdvak tot beloop, volgens het geval, van een vijfde, een vijftiende of een vijfentwintigste per jaar:
1° in de gevallen bedoeld in artikel 10, § 1, 3°, van het bedrag van de belasting welke de in die bepaling bedoelde beperking van de aftrek heeft ondergaan;
2° in de gevallen bedoeld in artikel 10, § 1, 4° en 5° en § 2, van het bedrag van de oorspronkelijk in aftrek gebrachte belasting (artikel 11 § 3 van het Koninklijk Besluit nr. 3 van 10 december 1969).
6Het hof is van oordeel dat op basis van de feitelijke gegevens van het dossier en de
hogergemelde bepalingen verweerder in hoger beroep terecht van oordeel is dat eiseres in hoger beroep tot herziening gehouden was.
Er bestaat geen betwisting omtrent het feit dat eiseres in hoger beroep investeringen heeft gedaan in de door haar gehuurde panden om deze in te richten en dat de btw over deze investeringen door haar in aftrek werd genomen.
Evenmin bestaat betwisting omtrent het feit dat deze bedrijfsmiddelen/investeringen werden achtergelaten in de gehuurde panden bij de voortijdige beëindiging van de huurovereenkomsten.
Geenszins blijkt dat deze bedrijfsmiddelen ten bezwarende titel werden overgedragen, zoals eiseres in hoger beroep voorhoudt. Uit de met betrekking tot de gehuurde panden voorgelegde huurovereenkomsten blijkt dat werd overeengekomen dat de inrichtingswerken, verfraaiings- en verbouwings- en aanpassingswerken aan de panden kosteloos door de verhuurder werden verworven (zie de huurovereenkomsten zoals voorgelegd onder de stukken 7 tot en met 11 bundel verweerder in hoger beroep).
Er blijkt niet dat deze goederen werden afgestaan ter compensatie met de handelshuur. De door eiseres in hoger beroep voorgelegde stukken (uittreksels uit conclusies in het kader van procedures voor het vredegerecht) tonen dit niet aan. Hieruit kan hoogstens afgeleid worden dat er voorstellen/pogingen werden gedaan om de investeringen over te laten aan de verhuurder als compensatie voor de huurprijs doch uit deze stukken blijkt niet dat er dienaangaande een akkoord werd bereikt. Uit het feit dat hieromtrent voorstellen werden geformuleerd kan niet afgeleid worden dat deze investeringen ten bezwarende titel werden overgedragen. De loutere intentie vanwege eiseres in hoger beroep is terzake onvoldoende. Op basis van artikel 10 van het Koninklijk Besluit nr. 3 van 10 december 1969 betreft het de feitelijke situatie die bepaalt of er al dan niet tot herziening dient overgegaan te worden.
Het feit dat eiseres in hoger beroep geen kosten voor leegmaking van de verschillende panden moest dragen, doet geen afbreuk aan het hogergemelde en doet er geenszins toe besluiten dat er sprake was van een overdracht ten bezwarende titel. Dit betrof het loutere gevolg van de bepalingen van de huurovereenkomst.
Aldus was verweerder in hoger beroep terecht van oordeel dat de bedrijfsmiddelen hadden opgehouden te bestaan in de zin van artikel 10 § 1, 4° van het Koninklijk Besluit nr. 3 van 10 december 1969.
Geenszins kan het standpunt van eiseres in hoger beroep gevolgd worden waar deze stelt dat de investeringen niet zouden opgehouden hebben te bestaan aangezien ze een nuttig effect bleven ressorteren voor de activiteiten van eiseres in hoger beroep. Dit wordt door haar geenszins aangetoond. De huurovereenkomsten werden immers beëindigd en de bedrijfsmiddelen/investeringen werden achtergelaten in de panden waardoor niet blijkt dat ze een nuttig effect bleven ressorteren voor de activiteiten van eiseres in hoger beroep.
De aftrekregeling heeft tot doel de belastingplichtige geheel te ontlasten van de btw die hij is verschuldigd of heeft betaald in het kader van al zijn economische activiteiten. Het gemeenschappelijke btw-stelsel waarborgt bijgevolg de neutraliteit van de fiscale druk op alle economische activiteiten, ongeacht de doelstellingen of resultaten van deze activiteiten, mits zij in beginsel zelf aan de btw zijn onderworpen (arrest van 25 juli 2018, Gmina Ryjewo, C-140/17, EU:C:2018:595, punt 29). Om recht op aftrek te krijgen, moet een belanghebbende in de eerste plaats een „belastingplichtige" in de zin van de btw-richtlijn zijn en moet hij in de tweede plaats de betrokken goederen en diensten voor zijn belaste handelingen gebruiken, met dien verstande dat het daadwerkelijke of voorgenomen gebruik van de goederen of diensten enkel bepalend is voor de omvang van de oorspronkelijke aftrek waarop de belastingplichtige recht heeft en voor de omvang van eventuele herzieningen tijdens de daaropvolgende perioden, maar niet van invloed is op het ontstaan van het recht op aftrek (zie in die zin arrest van 28 februari 2018, Imofloresmira — Investimentos Imobiliários, C-672/16, EU:C:2018:134, punten 33 en 39). Evenzo heeft het mechanisme tot herziening waarin de btw-richtlijn voorziet en dat een integrerend deel is van die aftrekregeling, tot doel de precisie van de aftrek te vergroten en zo de fiscale neutraliteit te waarborgen, zodat de in het vorige stadium verrichte handelingen slechts recht blijven geven op aftrek voor zover zij worden gebruikt voor verrichtingen die zijn onderworpen aan btw (arrest van 9 juli 2020, Finanzamt Bad Neuenahr-Ahrweiler, C-374/19, EU:C:2020:546, punt 20). Dit mechanisme beoogt dus een nauw en rechtstreeks verband te vestigen tussen het recht op aftrek van voorbelasting en het gebruik van de betrokken goederen of diensten voor belaste handelingen in een later stadium (zie in die zin arrest van 27 maart 2019, Mydibel, Cl 1201/18, EU:C:2019:254, punt 27).
7 Eiseres in hoger beroep werpt nog op dat de bedrijfsmiddelen zouden vernietigd zijn zoals opgenomen in artikel 10 § 1, 4° van het Koninklijk Besluit nr. 3 van 10 december 1969.
Uit de voorliggende gegevens blijkt evenwel geenszins dat de bedrijfsmiddelen zouden vernietigd zijn. Het loutere feit dat ze werden achtergelaten bij de voortijdige beëindiging van de huurovereenkomsten betekent niet dat deze vernietigd zouden zijn. Het feit dat deze nadien zouden vernietigd zijn door de volgende huurders, hetgeen op basis van de voorliggende stukken overigens niet bewezen is, doet er evenmin toe besluiten dat er sprake was van een vernietiging in de zin van artikel 10 § 1, 4° van het Koninklijk Besluit nr. 3 van 10 december 1969. Op het ogenblik dat de huurovereenkomsten voortijdig werden beëindigd, werden deze geenszins vernietigd doch kosteloos achtergelaten door eiseres in hoger beroep.
8 Eiseres stelt ten slotte dat er geen herziening dient plaats te vinden aangezien de bedrijfsmiddelen ophielden te bestaan/zijn tenietgegaan door overmacht. Ze stelt dat ze verplicht was haar winkels gedurende een geruime periode in 2020 te sluiten ingevolge de Covid 19-pandemie en de sanitaire maatregelen opgelegd door de Belgische Staat. Deze verplichte sluiting had aanzienlijke gevolgen voor de rendabiliteit van de fysieke winkels van eiseres in hoger beroep en de onderneming in haar totaliteit.
Het hof is van oordeel dat er door eiseres in hoger beroep geenszins wordt aangetoond dat er in haren hoofde sprake was van overmacht waardoor de bedrijfsmiddelen ophielden te bestaan/zijn tenietgegaan. Een loutere algemene verwijzing naar de Covid 19-pandemie toont dit niet aan. Door eiseres in hoger beroep wordt bovendien geenszins aangetoond in welke mate de Covid 19-pandemie enige invloed had op haar rendabiliteit. Het hof gaat hier dan ook niet verder op in.
9 Eiseres in hoger beroep stelt dat de fiscale administratie bepaalde facturen onterecht heeft gekwalificeerd als diensten waarvoor de herzieningstermijn van vijf jaar toepasselijk is. Ze verwijst terzake naar drie facturen van cie2 en een factuur van cie3. Ze stelt dat deze kosten betrekking hebben op "diensten en diverse goederen" die slechts voor een kort gebruik dienden en niet voor een duurzame bedrijfsexploitatie.
Omtrent de factuur van cie3 zijn partijen het eens dat geen btw-herziening mogelijk is (zie hierna) zodat het hof hier niet verder op ingaat.
Met betrekking tot de facturen van cie2, waarvan geen kopie aan het hof werd voorgelegd, is het hof van oordeel dat op basis van de voorliggende gegevens niet blijkt dat hiervoor een herziening dient te gebeuren. Het hof is van oordeel dat geenszins blijkt in welke mate deze (makelaars)kosten hebben bijgedragen tot de totstandkoming, het omvormen of het verbeteren van bedrijfsmiddelen in hoofde van eiseres in hoger beroep. De loutere verwijzing door verweerder in hoger beroep naar de btw-commentaar waarin opgenomen staat dat in bepaalde gevallen de belasting op de bemiddeling door een makelaarskantoor aan herziening kan onderworpen zijn, acht het hof terzake onvoldoende. Er blijkt niet waar deze kosten specifiek betrekking op hebben, meer bepaald welke prestaties er precies door cie2 werden geleverd. Het hof merkt op dat voor zover deze kosten betrekking hebben op de bemiddeling bij het aangaan van de huurovereenkomsten, deze geenszins betrekking hebben op de totstandkoming, het omvormen of verbeteren van bedrijfsmiddelen. Deze hebben alsdan immers geen betrekking op de omvormings- en verbeteringswerken aan de gehuurde panden. De gehuurde panden zelf kunnen niet als een bedrijfsmiddel beschouwd worden, dit geldt enkel voor onroerende goederen waarop een zakelijk recht van gebruik is gevestigd hetgeen niet het geval is voor een gehuurd pand.
De inschrijving in het innings- en invorderingsregister moet aldus verminderd worden met een bedrag van 4.624,20 euro en de bijhorende geldboete van 10%.
10 Partijen zijn het erover eens dat met betrekking tot de factuur van cie3 geen btw in aftrek is genomen waardoor er geen btw-herziening mogelijk is in het nadeel van eiseres in hoger beroep. Partijen zijn akkoord dat dit tot gevolg heeft dat de inschrijving in het innings- en invorderingsregister verminderd moet worden met een bedrag van 8.400 euro en de bijhorende geldboete van 10%.
11 Eiseres in hoger beroep werpt op dat de maatstaf van heffing met betrekking tot de factuur 10 d.d. 31 mei 2017 (stuk 15 bundel verweerder in hoger beroep) slechts 34.427,75 euro bedroeg en geenszins 44.262,02 euro.
Dit standpunt kan geenszins gevolgd worden. Op deze factuur werd immers geen bedrag aan btw vermeld doch werd wel vermeld dat er toepassing werd gemaakt van de regeling verlegging van heffing naar de medecontractant (conform artikel 20 van het Koninklijk besluit 1 van 29 december 1992 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde). De administratie heeft de verschuldigde btw dienaangaande aldus correct berekend.
12Eiseres in hoger beroep haalt tot slot aan dat er ten onrechte een boete van 10%
werd opgelegd. Ze haalt aan dat de motivering die in het proces-verbaal werd aangehaald, door haar weerlegd werd. Bijgevolg bestond er volgens haar geen geldige motivering om de boete op te leggen.
Aangezien het hof hierboven geoordeeld heeft dat er wel degelijk een btw-herziening diende doorgevoerd te worden, gaat het hof niet in op de argumentatie van eiseres in hoger beroep dat er geen sprake zou zijn van een afdoende motivering. Deze gaat immers uit van de verkeerde premisse. De motivering die werd aangehaald in het proces-verbaal werd, in tegenstelling tot hetgeen eiseres in hoger beroep voorhoudt, geenszins door haar weerlegd.
Vervolgens haalt eiseres in hoger beroep aan dat de opgelegde boete niet evenredig zou zijn met de ernst van de inbreuk.
Krachtens artikel 70 § 1 btw-wetboek wordt voor iedere overtreding van de verplichting de belasting te voldoen, een geldboete opgelegd die gelijk is aan het dubbel van de ontdoken of niet tijdig betaalde belasting. Deze geldboete werd verminderd conform tabel G, eerste afdeling, rubriek IV van de bijlagen bij K.B. nr. 41 van 30 januari 1987 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde tot 10% voor een bedrag aan verschuldigde belasting van meer dan 1.250 EUR. De boete van 10% betreft aldus de minimale boete en werd terecht opgelegd.
Gelet op deze herleiding tot 10% kan het hof niet vaststellen dat de opgelegde btw-boete van 10% onevenredig zou zijn met de aard en de ernst van de inbreuk en is er geen aanleiding om de opgelegde boete te herleiden beneden het wettelijk minimum. Door eiseres in hoger beroep worden er geen concrete elementen naar voren geschoven op basis waarvan zou dienen besloten te worden dat de boete onevenredig zou zijn in haren hoofde.
Het hof ziet dan ook geen redenen om de debatten op dit punt te heropenen teneinde partijen standpunt te laten innemen over de toepassing van het Regentbesluit van ... en het recente arrest van het Hof van Cassatie van 25 april 2025 (Cass. 25 april 2025, F.22.0162.N en F.22.0166.N).
Rekening houdende met de aard en de ernst van de feiten en de concrete gegevens van de zaak is er in casu dan ook geen enkele reden om de geldboete van 10% kwijt te schelden dan wel te verminderen, evenmin om deze met uitstel op te leggen, mocht de wet in deze maatregel hebben voorzien.
13 Gelet op voorgaande wijst het hof de overige aanvoeringen van partijen af als niet ter zake dienend en/of overbodig.
14 Rekening houdende met het procedureresultaat wordt eiseres in hoger beroep veroordeeld tot 3/4 van de kosten van het geding in beide aanleggen, verweerder in hoger beroep tot 1/4. Het hof vereffent de kosten van het geding in hoofde van eiseres in hoger beroep op 22 euro (bijzondere bijdrage begrotingsfonds eerste aanleg), 4.500 euro (rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg), 24 euro (bijzondere bijdrage begrotingsfonds hoger beroep) en 4.709,30 euro (rechtsplegingsvergoeding hoger beroep) en in hoofde van verweerder in hoger beroep op 4.709,30 euro (rechtsplegingsvergoeding hoger beroep).
Het hof stelt vast dat onderhavige zaak vrij is van rolrecht overeenkomstig art. 2791, 1°, juncto 162, 4° W.Reg..
Beschikkend gedeelte
V Uitspraak
Het hof doet uitspraak bij arrest op tegenspraak.
De rechtspleging verliep in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van de taal in gerechtszaken.
Het hof verklaart het hoger beroep van eiseres in hoger beroep ontvankelijk en gegrond als volgt.
Het hof vernietigt het bestreden vonnis.
Het hof verklaart de vordering van eiseres in hoger beroep ontvankelijk en gegrond als volgt.
Het hof vernietigt de inschrijving in het innings- en invorderingsregister onder het schuldnummer 500.2485.35695 voor een bedrag van 13.024,20 euro aan btw en de hiermee corresponderende boete van 10%.
Het hof veroordeelt verweerder in hoger beroep tot terugbetaling van alle onterecht ingehouden of betaalde bedragen meer de wettelijke moratoriumintresten overeenkomstig artikel 91 btw-wetboek.
Het hof wijst het anders en/of meer gevorderde af.
Het hof veroordeelt eiseres in hoger beroep tot % van de kosten van beide aanleggen, verweerder in hoger beroep tot %. Deze worden in hoofde van eiseres in hoger beroep begroot op 22 euro (bijzondere bijdrage begrotingsfonds eerste aanleg), 4.500 euro (rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg), 24 euro (bijzondere bijdrage begrotingsfonds hoger beroep) en 4.709,30 euro (rechtsplegingsvergoeding hoger beroep). In hoofde van de Belgische Staat worden deze begroot op 4.709,30 euro (rechtsplegingsvergoeding hoger beroep).
Het hof stelt vast dat onderhavige zaak vrij is van rolrecht overeenkomstig art. 2791, 1°, juncto 162, 4° W.Reg..
Op het ogenblik van de uitspraak van huidig arrest, waarover raadsheer E. DE BRAUWER mede beraadslaagd heeft, en die thans, wettelijk verhinderd zijnde, in de onmogelijkheid verkeert om dit arrest mede te ondertekenen, handelend volgens art. 785 van het Ger. W., tekenen de overige raadsheren, die mede hebben beraadslaagd, en de griffier, en aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het hof van beroep te Antwerpen van 17 februari 2026,
C. PRINCEN Raadsheer dd. voorzitter
K. LEYSEN Raadsheer
E. CLEYMANS Griffier
Nota van de FOD Financiën
Referentie WF
WF 711-15-22/013570 - Finaliti 54797257/01
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.