Vr. en Antw., Kamer, 1992-1993, nr. 67, blz. 6317-6318
BTW. - Maakloonwerk.
VRAAG
1. Wordt het steriliseren van een nieuw roerend goed dat door een medecontractant wordt verstrekt, beschouwd als maakloonwerk zoals bedoeld in artikel 10, § 2, 2°, van het BTW-wetboek ?
2. Is dat eveneens het geval voor het schilderen of galvaniseren van nieuwe roerende goederen die door een medecontractant worden verstrekt ?
ANTWOORD
Artikel 10, § 2, 2°, van het BTW-wetboek, beschouwt als een levering van een goed de afgifte door de opdrachtnemer aan zijn medecontractant van een roerend goed dat hij heeft vervaardigd of samengesteld met behulp van materialen en voorwerpen die die medecontractant hem heeft verstrekt, ongeacht of de opdrachtnemer al dan niet een deel van de gebruikte materialen heeft verstrekt. De beoogde handeling is die welke in het algemeen "maakloonwerk" wordt genoemd en de bepaling waarover het gaat is de omzetting naar Belgisch recht van artikel 5, paragraaf 5, letter a), van de zesde richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen van de lidstaten inzake omzetbelasting.
De handelingen die erin bestaan nieuwe roerende voorwerpen te steriliseren, te schilderen of te galvaniseren zijn doorgaans niet aan te merken als maakloonwerk in de zin van artikel 10, § 2, 2°, van het BTW-wetboek. Ze zijn meestal te beschouwen als dienstprestaties die overeenkomstig artikel 21, § 3, 2°, van hetzelfde wetboek, worden geacht plaats te vinden daar waar het goed zich bevindt op het tijdstip waarop het materiële werk eraan wordt verricht.
Indien het geacht lid overigens een concreet geval beoogt, wordt hij verzocht mij in kennis te stellen van de concrete gegevens van die zaak zodat door de bevoegde diensten van de administratie een onderzoek kan worden ingesteld.