Arrest van het Hof van 3 maart 1994, C-16/93 · Europese rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen Zesde kamer C-16/93 ECLI:EU:C:1994:80 3 maart 1994

Zoeken

Arrest van het Hof van 3 maart 1994, C-16/93Dienstverrichting onder bezwarende titel, begrip, ten gehore brengen van muziek op de openbare weg

https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-16-93-arrest

Rechtscollege
Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen
Samenstelling
Zesde kamer
Zaak
C-16/93
ECLI
ECLI:EU:C:1994:80
Datum
3 maart 1994

Naar het dictum

De zaak

Procedure
Prejudiciële verwijzing
Verwijzende rechter
Gerechtshof te Leeuwarden, belastingkamer (Nederland) beslissing van 8 januari 1993 283/92
Zaak ingediend op
20 januari 1993
Advocaat-generaal
Lenz conclusie van 20 januari 1994
Opmerkingen
Duitse, Nederlandse regering Commissie
Nationale beslissing na het arrest
Gerechtshof Leeuwarden, belastingkamer beslissing van 13 juni 1994 283/92

Over het document

Verzameling
Europese rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands
Procestaal
Nederlands
Jurisprudentie
Jurispr. 1994, blz. I-743
Meer informatie
Rechter-rapporteur
Schockweiler
Repertorium van het Hof

Tekst

24 paragrafen

Arrest

1.

Bij uitspraak van 8 januari 1993, ingekomen ter griffie van het Hof op 20 januari daaraanvolgend, heeft het Gerechtshof te Leeuwarden krachtens artikel 177 EEG-Verdrag twee prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van artikel 2, sub 1, van de Zesde richtlijn (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der Lid-Staten inzake omzetbelasting — Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag (PB 1977, L 145, blz. 1; hierna: „Zesde richtlijn”)

2.

Deze vragen zijn gerezen in een geding tussen Tolsma en de Inspecteur der Omzetbelasting te Leeuwarden (hierna: „Inspecteur”) naar aanleiding van een naheffing van omzetbelasting.

3.

Blijkens het dossier exploiteert Tolsma een draaiorgel, waarmee hij in Nederland op de openbare weg muziek ten gehore brengt. Daarbij nodigt hij voorbijgangers uit, enig kleingeld in het hen voorgehouden mansbakje te doen; ook gebeurt het, dat hij bij woningen en winkels langsgaat met het verzoek hem geld te geven. Hij kan echter geen aanspraak op een vergoeding maken.

4.

Voor het tijdvak 1 juli- 30 september 1991 kreeg Tolsma van de Inspecteur met betrekking tot de beschreven activiteit een naheffingsaanslag ten bedrage van 1805 HFL uit hoofde van de belasting over de toegevoegde waarde (hierna: „BTW”) en van 180 HFL uit hoofde van een verhoging.

5.

Nadat zijn bezwaarschrift tegen deze naheffingsaanslag door de Inspecteur was afgewezen, stelde Tolsma beroep in bij het Gerechtshof te Leeuwarden.

6.

Aldaar betoogde Tolsma, dat over de bedragen die hij met muziek maken op de openbare weg ontving, geen BTW verschuldigd was, omdat de voorbijgangers niet verplicht waren hem geld te geven, en zij het geschonken bedrag naar eigen goeddunken bepaalden. De dienstverrichting was dus niet afhankelijk van een tegenprestatie en viel derhalve niet onder de werkingssfeer van de Zesde richtlijn.

7.

Hiertegenover stelde de Inspecteur, dat er een rechtstreeks verband bestond tussen de verrichte dienst en de ontvangen tegenprestaties en dat Tolsma' s activiteit derhalve een dienst onder bezwarende titel in de zin van de Zesde richtlijn was. De omstandigheid dat hij geen recht kon doen gelden op een vooraf tussen partijen overeengekomen tegenprestatie, zou niet ter zake doen.

8.

Onder deze omstandigheden heeft het Gerechtshof te Leeuwarden het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld:

la.„ Moet een prestatie, bestaande uit het op de openbare weg ten gehore brengen van muziek, waarvoor geen vergoeding wordt bedongen doch waarvoor wel eenvergoeding wordt ontvangen, als een dienst onder bezwarende titel in de zin van artikel 2 van de Zesde richtlijn betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der Lid-Staten inzake omzetbelasting worden aangemerkt?

1b.Is het voor de beantwoording van deze vraag van belang dat de ontvangen vergoeding weliswaar niet wordt bedongen, doch daarom wel wordt verzocht en deze, hoewel de omvang niet bepaald of bepaalbaar is — gezien de gangbare praktijk— kan worden verwacht?”

9.

Met het oog op de beantwoording van deze vragen zij eraan herinnerd, dat artikel 2 van de Zesde richtlijn het volgende bepaalt:

„Aan de belasting over de toegevoegde waarde zijn onderworpen:

1.de leveringen van goederen en de diensten, welke in het binnenland door een als zodanig handelende belastingplichtige onder bezwarende titel worden verricht;

(...)”

10.

Voor de uitlegging van de term „diensten welke onder bezwarende titel worden verricht” moet deze bepaling in haar context worden bezien en rekening worden gehouden zowel met de overige bepalingen van de Zesde richtlijn als met de rechtspraak van het Hof, daaronder begrepen die betreffende de Tweede richtlijn (67/228/EEG) van de Raad van 11 april 1967 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der Lid-Staten inzake omzetbelasting — Structuur en wijze van toepassing van het gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (PB 1967, blz. 1303; hierna: „Tweede richtlijn”), die dezelfde strekking had als de Zesde richtlijn, die ervoor in de plaats is gekomen.

11.

In de eerste plaats dient dan te worden gewezen op artikel HA, lid 1, van de Zesde richtlijn, luidende:

„De maatstaf van heffing is:

a)voor andere goederenleveringen en diensten dan hierna bedoeld sub b), c) en d): alles wat de leverancier of dienstverrichter voor deze handelingen als tegenprestatie verkrijgt of moet verkrijgen van de zijde van de koper, van de ontvanger of van een derde (...)”

12.

In de tweede plaats moet worden vastgesteld, dat met betrekking tot de term „diensten welke onder bezwarende titel worden verricht” in artikel 2, sub a, van de Tweede richtlijn, waarvan de bewoordingen overeenkomen met die van artikel 2, sub 1, van de Zesde richtlijn, het Hof reeds heeft geoordeeld, dat belastbare handelingen in het kader van het BTW-stelsel het bestaan onderstellen van een transactie tussen partijen waarbij een prijs of tegenwaarde is bedongen. Het Hof leidde hieruit af, dat wanneer iemands werkzaamheden uitsluitend bestaan in het verschaffen van prestaties zonder directe tegenprestatie, een belastinggrondslag ontbreekt en deze prestaties dus niet aan de BTW zijn onderworpen (zie arrest van 1 april 1982, zaak 89/81, Hong-Kong Trade, Jurispr. 1982, blz. 1277, r. o. 9 en 10)

13.

In zijn arresten van 5 februari 1981 (zaak 154/80, Coöperatieve Aardappelenbewaarplaats, Jurispr. 1981, blz. 445, r. o. 12) en 23 november 1988 (zaak 230/87, Naturally Yours Cosmetics, Jurispr. 1988, blz. 6365, r. o. 11) preciseerde het Hof, dat de belastinggrondslag voor een dienstverrichting bestaat in al hetgeen als tegenprestatie voor die dienst wordt ontvangen, en dat een dienstverrichting dus enkel belastbaar is wanneer er een rechtstreeks verband bestaat tussen de verrichte dienst en de ontvangen tegenprestatie (zie ook arrest van 8 maart 1988, zaak 102/86, Apple and Pear Development Council, Jurispr. 1988, blz. 1443, r. o. 11 en 12).

14.

Uit het voorgaande volgt, dat een dienst enkel „onder bezwarende titel” in de zin van artikel 2 van de Zesde richtlijn wordt verricht en dus enkel belastbaar is, wanneer tussen de verrichter en de ontvanger van de dienst een rechtsbetrekking bestaat waarbij over en weer prestaties worden uitgewisseld, en de door de dienstverrichter ontvangen vergoeding de werkelijke tegenwaarde vormt voor de aan de ontvanger verleende dienst.

15.

In een geval als het onderhavige wordt aan deze voorwaarden echter niet voldaan,

16.

Wanneer iemand muziek ten gehore brengt op de openbare weg en daarvoor enig kleingeld van voorbijgangers ontvangt, kunnen deze ontvangsten niet worden geacht de tegenprestatie te zijn voor een aan die voor bij gangers verleende dienst.

17.

Immers, in de eerste plaats is er geen sprake van een overeenkomst tussen partijen, want de voorbijgangers geven vrijwillig geld en bepalen het bedrag naar eigen goeddunken. In de tweede plaats bestaat er geen enkel noodzakelijk verband tussen de muzikale verrichting en de betaling. De voorbijgangers hebben niet gevraagd om muziek voor hen te maken, en bovendien hangt hun betaling niet af van de muzikale prestatie, maar van persoonlijke motieven, waarbij ook sympathie een rol kan spelen. Sommigen doen namelijk een soms betrekkelijk hoog bedrag in het mansbakje van de draaiorgelman zonder stil te blijven staan, anderen blijven geruime tijd naar de muziek luisteren zonder ook maar iets te geven.

18.

In tegenstelling tot wat de Duitse en de Nederlandse regering verdedigen, is ook het feit dat de draaiorgelman op de openbare weg muziek ten gehore brengt met het doel geld op te halen, en dat hij ook daadwerkelijk bepaalde bedragen ontvangt, niet van belang voor de vraag of de betrokken activiteit als een dienst onder bezwarende titel in de zin van de Zesde richtlijn kan worden aangemerkt.

19.

Aan deze uitlegging wordt niet afgedaan door de omstandigheid, dat een muzikant als verzoeker in het hoofdgeding om geld vraagt en inderdaad mag verwachten bepaalde bedragen te ontvangen doordat hij op de openbare weg muziek ten gehore brengt. Deze bedragen worden immers volstrekt vrijwillig en willekeurig gegeven, terwijl de hoogte ervan in de praktijk onmogelijk is vast te stellen.

20.

Gelet op het voorgaande moet op de vragen van het Gerechtshof te Leeuwarden worden geantwoord, dat artikel 2, sub 1, van de Zesde richtlijn aldus moet worden uitgelegd, dat de term „diensten onder bezwarende titel” in deze bepaling niet ziet op de activiteit bestaande in het op de openbare weg ten gehore brengen van muziek zonder dat hiervoor een vergoeding wordt bedongen, ook al verzoekt de betrokkene om geld en ontvangt hij zekere bedragen, waarvan de hoogte echter niet bepaald of bepaalbaar is.

Kosten

21.

De kosten door de Duitse en de Nederlandse regering en door de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.

Dictum

HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),

uitspraak doende op de door het Gerechtshof te Leeuwarden bij uitspraak van 8 januari 1993 gestelde vragen, verklaart voor recht:

Artikel 2, sub 1, van de Zesde richtlijn (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der Lid-Staten inzake omzetbelasting — Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag, moet aldus worden uitgelegd, dat de term „diensten onder bezwarende titel” in deze bepaling niet ziet op de activiteit bestaande in het op de openbare weg ten gehore brengen van muziek zonder dat hiervoor een vergoeding wordt bedongen, ook al verzoekt de betrokkene om geld en ontvangt híj zekere bedragen, waarvan de hoogte echter niet bepaald of bepaalbaar is.

Hof van Justitie van de Europese Unie · tekst opnieuw opgemaakt

Aangehaalde teksten

7
Zesde richtlijn 77/388 art. 2uitgelegd3 voorkomens
EEG-Verdrag art. 1771 voorkomen
Tweede richtlijn 67/228 art. 21 voorkomen

Rechtspraak

84

België

7

Bekijk alle 7

Europese Unie

77

Hof van JustitieC-744/2323.10.2025

Aan btw onderworpen handelingen

Hof van JustitieC-726/2304.09.2025

Werkingssfeer van de btw

Hof van JustitieC-288/2221.12.2023

Belastingplichtigen

Bekijk alle 77

Administratieve doctrine

20

Bekijk de 104 documenten

Rechtsleer

9
Terra, Ben J.M.: Supplies for Consideration, or Must Consideration be Stipulated? The Case of Organ Grinders and Other Street Musicians, International VAT Monitor 1993 nº 6 p.9-12
Cartou, Louis: L'inspecteur n'aimait pas la musique, Les petites affiches 1994 nº 98 p.15-16
Nieuwenhuizen, W.A.P.: Tolsma en het gelijk van het Hof van justitie, Weekblad voor fiscaal recht 1995 p.252-259
Maublanc-Fernandez, Lucienne ; Maublanc, Jean-Pierre: TVA - Opérations imposables - Définition des prestations de services à titre onéreux - Activité musicale sur la voie publique (non), Revue du Marché Commun 1995 p.178-179
Comelli, Alberto: Il requisito dell'onerosità in relazione alle prestazioni di servizi, Diritto e pratica tributaria 1995 II p.231-242
Bekijk de 4 andere verwijzingen
Alguacil Marí, Pilar ; García Prats, Francisco Alfredo ; Juan Lozano, Ana María ; Peris García, Purificación: Comentario general de jurisprudencia, Revista española de Derecho Financiero 1995 p.149
Dassesse, M. ; Malherbe, J. ; De Wolf, M. ; Bertin, O.: Droit fiscal européen (1er mars 1994 - 1er mars 1995), Journal des tribunaux / droit européen 1995 p.153
Legentil, Philippe ; Daniel-Thézard, Alexandre: La notion de contrat, nouvelle borne du champ d'application de la TVA, Droit fiscal 1996 p.940-944
Caamaño Anido, Miguel Angel ; Calderón Carrero, José Manuel: Impuesto sobre el valor añadido, Jurisprudencia Tributaria del Tribunal de Justicia de las Comunidades Europeas (Comentarios y concordancias con la legislación española) 1992-1995 (Ed. La ley-Actualidad - Madrid) 1997 p.303-305