Beslissing Btw nr. E.T.106.246 dd. 01.04.2005
Factoringprestaties - Diensten
Naar aanleiding van het arrest gewezen op 26 juni 2003 door het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen in de zaak C-305/01, MKG-Kraftfahrzeuge-Factoring Gmbh, heeft de problematiek inzake factoringdiensten het voorwerp uitgemaakt van de vragen nr. 334 van de heer Volksvertegenwoordiger C. Devlies van 21 oktober 2003 en nr. 604 van de heer Volksvertegenwoordiger J.-J. Viseur van 18 januari 2005.
De inhoud van de antwoorden verstrekt door de heer Minister van financiën op deze vragen wordt hierna samengevat weergegeven.
Rekening houdend met voormeld arrest, dienen de diensten inzake factoring, met of zonder verhaal, te worden geanalyseerd als prestaties van invordering van schuldvorderingen beoogd door de uitzondering op de vrijstelling van artikel 44, § 3, 7°, van het BTW-Wetboek.
Deze diensten dienen derhalve aan de belasting te worden onderworpen tegen het normale tarief.
Naast de eigenlijke factoringprestaties, komt het vaak voor dat de factoringmaatschappijen voorschotten verlenen aan hun cliënten. Gegeven het feit dat deze voorschotten een doel op zich zijn voor deze cliënten en niet een middel om, onder de beste voorwaarden, de factoringprestaties te genieten, kunnen zij derhalve niet worden beschouwd als bijkomstige handelingen in de betekenis die de Europese jurisprudentie aan dit begrip geeft (z. arrest gewezen op 25 februari 1999 in de zaak C- 349/96, Card Protection Plan Ltd.)
Bijgevolg moet het verlenen van deze voorschotten worden beschouwd als kredietverrichtingen onderscheiden en onafhankelijk van de factoringdiensten, die vrijgesteld zijn door artikel 44, § 3, 5°, van het BTW-Wetboek.
Daar deze kredietverrichtingen een specifieke economische activiteit van de factoringmaatschappijen vormen, dienen de daaruit voortvloeiende inkomsten te worden opgenomen in de noemer van het algemeen verhoudingsgetal inzake de aftrek van deze maatschappijen, of, in voorkomend geval, in de noemer van het bijzonder verhoudingsgetal, berekend als een algemeen verhoudingsgetal, wanneer deze maatschappijen de aftrek verrichten volgens het werkelijk gebruik van het geheel of een gedeelte van de goederen en diensten.