Beslissing Btw nr. E.T.106.904 dd. 31.03.2004
Terbeschikkingstelling van stalling voor rijtuigen
Wat de terbeschikkingstelling van stalling voor rijtuigen betreft is de belastingheffing de regel en is de vrijstelling de uitzondering. Dienaangaande geldt dat de vrijstelling beoogd door artikel 44, § 3, 2°, van het BTW-Wetboek beperkend dient te worden toegepast, zoals dat voor elke andere oorzaak van vrijstelling het geval is.
Zo ook kan de terbeschikkingstelling van stalling voor rijtuigen slechts van de belasting worden vrijgesteld op grond van voornoemd artikel 44, § 3, 2° op voorwaarde dat de handeling nauw verbonden is met een eveneens door dezelfde bepaling vrijgestelde huurovereenkomst betreffende een voor een ander gebruik bestemd gebouw (bewoning, commerciële doeleinden, …) en dat die terbeschikkingstelling van stalling voor rijtuigen die vrijgestelde handeling aanvult. Dit veronderstelt dat:
· de betrokken partijen dezelfde zijn en handelen in dezelfde hoedanigheid (d.w.z. zelfde huurder en zelfde verhuurder);
· en dat de stalling voor rijtuigen zich dichtbij het perceel bevindt waarop het hoofdgebouw is opgetrokken.
Wat evenwel de appartementsgebouwen betreft, is rekening houdend met het geheel dat dergelijk gebouw vormt, de voormelde vrijstelling eveneens van toepassing ten aanzien van de terbeschikkingstelling van stalling voor rijtuigen ingericht op hetzelfde terrein als het appartementsgebouw en toegestaan aan een medeëigenaar door een andere medeëigenaar van hetzelfde gebouw of toegestaan aan een huurder van een appartement door een andere medeëigenaar dan diegene die het appartement in huur geeft (z. besl. nr. E.T. 78.929 van 21 februari 1994; BTW-Revue nr. 109, Nr. 988, blz. 617-618, alinea 6)
Anderzijds dient de vraag of de vrijstelling van toepassing is voor de terbeschikkingstelling van stalling voor rijtuigen geval per geval te worden onderzocht, in functie van het al dan niet bestaan van het hoger genoemd verband tussen die terbeschikkingstelling en de verhuur van een "hoofdgebouw" waarbij ze bijkomstig is. Het is bijgevolg niet uitgesloten dat de eigenaar van meerdere stallingen voor rijtuigen de vrijstelling bedoeld in artikel 44, § 3, 2°, van het BTW-Wetboek dient toe te passen voor bepaalde terbeschikkingstellingen en andere met BTW moet belasten.