Arrest
Bij beschikking van 30 mei 1994, ingekomen bij het Hof op 11 augustus daaraanvolgend, heeft het Bundesfinanzhof krachtens artikel 177 EG-Verdrag drie prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van de Zesde richtlijn (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der Lid-Staten inzake omzetbelasting — Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag (PB 1977, L 145, biz. 1; hierna: „Zesde richtlijn”), inzonderheid de artikelen 5, 6, 8 en 9.
Die vragen zijn gerezen in een geschil tussen Faaborg-Gelting Linien A/S (hierna: „FG-Linien”), gevestigd te Denemarken, en de Duitse belastingdienst, ter zake van de belastingheffing over de verstrekking van maaltijden voor consumptie aan boord van veerboten die een lijndienst tussen de haven van Faaborg (Denemarken) en die van Gelting (Duitsland) onderhouden.
Volgens artikel 5, lid 1, van de Zesde richtlijn, wordt als „levering van een goed” beschouwd de overdracht of overgang van de macht om als een eigenaar over een lichamelijke zaak te beschikken. Volgens artikel 6, lid 1, wordt als „dienst” beschouwd elke handeling die geen levering van een goed in de zin van artikel 5 is.
De bepaling van de plaats van belastbare handelingen is geregeld in de artikelen 8 en 9 van de Zesde richtlijn. Artikel 8, lid 1, sub b, luidt als volgt:
1.„ Als plaats van een levering van goederen wordt aangemerkt:
a)(...)
b)ingeval het goed niet wordt verzonden of vervoerd: de plaats waar het goed zich bevindt op het tijdstip van de levering.”
Artikel 9, lid 1, luidt als volgt:
1.„ Als plaats van een dienst wordt aangemerkt de plaats waar de dienstverrichter de zetel van zijn bedrijfsuitoefening of een vaste inrichting heeft gevestigd van waaruit hij de dienst verricht, of bij gebreke van een dergelijke zetel of vaste inrichting, zijn woonplaats of zijn gebruikelijke verblijfplaats.”
Omdat zij de betrokken restaurantverrichtingen beschouwde als diensten in de zin van het Umsatzsteuergesetz (Duitse wet op de omzetbelasting, hierna: „UStG”), die ingevolge artikel 9 van de Zesde richtlijn moeten worden geacht te zijn verricht op de plaats waar de dienstverrichter de zetel van zijn bedrijfsuitoefening heeft gevestigd, vermeldde FG-Linien deze handelingen niet in haar aangiften omzetbelasting die zij over de jaren 1984 tot en met 1989 bij de Duitse belastingdienst indiende.
De Duitse belastingdienst daarentegen beschouwde de restaurantverrichtingen als leveringen van goederen in de zin van de UStG, die ingevolge artikel 8 van de Zesde richtlijn moeten worden geacht plaats te vinden op de plaats waar het goed zich op het tijdstip van de levering bevindt. Zij legde FG-Linien derhalve een aanslag op ter zake van de restaurantverrichtingen die in het betrokken tijdvak binnen de territoriale werkingssfeer van het UStG op de veerboot hadden plaatsgevonden.
Nadat haar bezwaarschrift bij het Finanzamt en haar beroep bij het Finanzgericht beide waren verworpen, stelde FG-Linien beroep tot „Revision” in bij het Bundesfinanzhof.
In zijn verwijzingsbeschikking overweegt deze rechterlijke instantie, dat de restaurantverrichtingen te beschouwen zijn als leveringen van goederen in de zin van het UStG. Deze kwalificatie zou niet in strijd zijn met onder meer de artikelen 5 en 6 van de Zesde richtlijn, die geen specifieke bepalingen bevatten die restaurantverrichtingen als leveringen van goederen dan wel als diensten kwalificeren. Aangezien deze handelingen niet in alle Lid-Staten als leveringen van goederen worden gekwalificeerd, bestaat het gevaar dat zij dubbel worden belast, hetgeen door een uniforme uitlegging zou kunnen worden voorkomen.
Het Bundesfinanzhof heeft het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld:
1)„ Welke regels bevat de Zesde richtlijn (77/388/EEG) voor de belastingheffing ter zake van de verstrekking van spijzen voor nuttiging ter plaatse (restaurantverrichtingen) ?
2)Bij ontbreken van dergelijke regels: welke gemeenschapsrechtelijke regeling geldt voor restaurantverrichtingen aan boord van vervoermiddelen die zich verplaatsen tussen Lid-Staten met verschillende nationale regelingen inzake de plaats waar die handelingen moeten worden belast?
3)Bij ontbreken van een gemeenschapsrechtelijke regeling: kunnen de afzonder-. lijke Lid-Staten hun onderling verschillende regelingen met betrekking tot rcstaurantverrichtingen respectievelijk de plaats waar de verrichtingen plaatsvinden, handhaven, wanneer zij door middel van afspraken in concrete gevallen dubbele heffing ter zake van deze verrichtingen vermijden?”
Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in hoofdzaak te vernemen, of restaurantverrichtingen leveringen van goederen zijn in de zin van artikel 5 van de Zesde richtlijn, die ingevolge artikel 8, lid 1, sub b, worden geacht plaats te vinden op de plaats waar het goed zich op het tijdstip van de levering bevindt, dan wel diensten in de zin van artikel 6, lid 1, die ingevolge artikel 9, lid 1, van deze richtlijn worden geacht te zijn verricht op de plaats waar de dienstverrichter de zetel van zijn bedrijfsuitoefening heeft gevestigd.
Om te bepalen of handelingen leveringen van goederen dan wel diensten zijn, moeten alle omstandigheden waaronder de betrokken handeling wordt verricht in aanmerking worden genomen om daaruit de kenmerkende elementen naar voren te halen.
De verstrekking van toebereide spijzen en dranken voor onmiddellijke consumptie is het resultaat van een serie diensten, die begint bij de tocbereiding van de spijzen en eindigt bij de feitelijke opdiening, en waarbij de klant een infrastructuur ter beschikking wordt gesteld, bestaande uit een rcstauratiezaal met bijbehorende ruimten (garderobe etc.) alsmede meubilair en serviesgoed. In voorkomend geval zullen de natuurlijke personen wier beroep dit is, de tafel dekken, de klant adviseren en hem informeren over de aangeboden spijzen of dranken, de gerechten aan tafel opdienen en ten slotte na de maaltijd de tafel afruimen.
De restaurantverrichting wordt derhalve gekenmerkt door een reeks van elementen en handelingen, waarvan de levering van voedsel niet meer dan een onderdeel is en waarin het dienstenaspect ruimschoots de overhand heeft. Zij moet bijgevolg als dienst in de zin van artikel 6, lid 1, van de Zesde richtlijn worden beschouwd. Dit is echter anders, wanneer de verrichting betrekking heeft op „afhaal”-maaltijden en niet gepaard gaat met diensten die de nuttiging ter plaatse in een passend kader moeten veraangenamen.
Nu vaststaat dat de restaurantverrichting aan boord van een veerboot een dienst is, moet worden bepaald op welke plaats hij moet worden geacht te zijn verricht.
Dienaangaande volgt uit vaste rechtspraak (zie arrest van 4 juli 1985, zaak 168/84, Berkholz, Jurispr. 1985, blz. 2251, r. o. 17), dat volgens artikel 9, lid 1, de plaats waar de dienstverrichter de zetel van zijn bedrijfsuitoefening heeft gevestigd, in dit verband de voorkeur lijkt te verdienen, daar het in aanmerking nemen van een andere inrichting van waaruit de dienst wordt verricht, slechts van belang is in geval de zetel niet tot een fiscaal rationele oplossing leidt of een conflict met een andere Lid-Staat doet ontstaan.
Volgens bedoelde rechtspraak blijkt uit het onderlinge verband tussen de in artikel 9 gebruikte begrippen, dat slechts kan worden overwogen een andere inrichting dan de zetel aan te merken als plaats waar de dienst wordt verricht, indien die inrichting een zekere bestendigheid vertoont, doordat zij duurzaam over het personeel en de technische middelen beschikt die voor bepaalde diensten noodzakelijk zijn (r. o. 18 van het aangehaalde arrest).
Dit is kennelijk niet het geval met een restauratieruimte op een schip, vooral niet wanneer, zoals in casu, de vaste zetel van de exploitant van het schip een bruikbaar aanknopingspunt voor de belastingheffing vormt.
Op de eerste vraag dient dus te worden geantwoord, dat restaurantverrichtingen te beschouwen zijn als diensten in de zin van artikel 6, lid 1, van de Zesde richtlijn, die overeenkomstig artikel 9, lid 1, van deze richtlijn moeten worden geacht te zijn verricht op de plaats waar de dienstverrichter de zetel van zijn bedrijfsuitoefening heeft gevestigd.
Gelet op dit antwoord behoeven de tweede en de derde vraag niet te worden beantwoord.
Kosten
De kosten door de Duitse, de Italiaanse en de Nederlandse regering en de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening hunner opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),
uitspraak doende op de door het Bundesfinanzhof bij beschikking van 30 mei 1994 gestelde vragen, verklaart voor recht:
Restaurantverrichtingen zijn te beschouwen als diensten in de zin van artikel 6, lid 1, van de Zesde richtlijn (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der Lid-Staten inzake omzetbelasting — Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag, die overeenkomstig artikel 9, lid 1, van deze richtlijn moeten worden geacht te zijn verricht op de plaats waar de dienstverrichter de zetel van zijn bedrijfsuitoefening heeft gevestigd.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.
Hof van Justitie van de Europese Unie · tekst opnieuw opgemaakt
Aangehaalde teksten
6Rechtspraak
50België
11Hof van CassatieF.05.0088.F16.11.2006
Rusthuizen, Collectieve maaltijdverstrekking door een derde, Dienst, bejaardentehuis
Hof van beroep te Bergen2023/RG/57201.04.2026
Levering van goederen, verlaagd Btw-tarief, eetgelegenheid
Hof van beroep te Gent05.03.2024
Horecasector, Geregistreerd kassasysteem, Niet-proportionele fiscale geldboeten, Bakkerij met verbruikersruimte
Europese Unie
39Hof van JustitieC-703/1922.04.2021
Mogelijkheid voor de lidstaten om een of twee verlaagde btw-tarieven toe te passen op bepaalde goederenleveringen en diensten
Hof van JustitieC-547/1807.05.2020
Uitvoeringsverordening (EU) nr. 282/2011
Hof van JustitieC-605/1216.10.2014