Horecasector, Geregistreerd kassasysteem, Niet-proportionele fiscale geldboeten, Bakkerij met verbruikersruimte · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Hof van beroep Gent 5 maart 2024

Zoeken

Horecasector, Geregistreerd kassasysteem, Niet-proportionele fiscale geldboeten, Bakkerij met verbruikersruimte

https://juriel.be/nl/rechtspraak/horecasector-geregistreerd-kassasysteem-proportionele-fiscale-hof-van-beroep-gent-2024-03-05-91a6

Rechtscollege
Hof van beroep
Zetel
Gent
Datum
5 maart 2024

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands
Strekking volgens de FOD
ongunstig voor de Belgische Staat

Tekst

196 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Arrest van het Hof van beroep te Gent d.d. 05.03.2024

WF 708-15-20/016652

[Ongunstig voor de Belgische Staat]

Belasting over de toegevoegde waarde – Horecasector – Geregistreerd kassasysteem – Niet-proportionele fiscale geldboeten – Bakkerij met verbruikersruimte

Wettelijke bepalingen

Artikel 70 § 4 WBTW

Artikel 21bis KB nr. 1 van 29 december 1992

Artikel 3 KB nr. 44 van 9 juli 2012

Samenvatting

1. Feiten en voorgaande procedure

De belastingplichtige baat in hetzelfde gebouw een bakkerij en een eetgelegenheid uit.

Tijdens een controle ter plaatse werd vastgesteld dat er in het gebouw een gemeenschappelijke ingang is met een gang die wat inspringt en die aan weerskanten een deur heeft. De deur links leidt naar de bakkerij en de deur rechts leidt naar de eetgelegenheid.

De belastingplichtige maakt enkel voor de eetgelegenheid gebruik van een geregistreerd kassasysteem. De ontvangsten van de bakkerij worden in een gewone kassa ingevoerd.

De klanten van de eetgelegenheid kunnen, naast de bereidingen op de kaart, ook in de bakkerij patisserie kiezen en deze vervolgens verbruiken in de eetgelegenheid. De patisserie wordt dan met een meerprijs geregistreerd in het geregistreerd kassasysteem.

De klanten kunnen zich niet rechtstreeks van de bakkerij naar de eetgelegenheid verplaatsen. Hiervoor moeten ze langs de gemeenschappelijke ingang. De bakkerij en de eetgelegenheid zijn enkel achter de toonbank met elkaar verbonden.

Op basis van deze vaststellingen werd een proces-verbaal opgesteld waarin een boete voor ‘het niet houden van een geregistreerd kassasysteem’ voor het bakkerijgedeelte werd opgelegd.

Tegen dit proces-verbaal legde belastingplichtige een verzoekschrift neer bij de rechtbank van eerste aanleg.

De eerste rechter verklaarde de vordering ontvankelijk en gegrond.

Tegen dit vonnis ging de administratie in hoger beroep.

2. Het arrest van het hof van beroep

Het hof oordeelde dat door de handelingen waarin het dienstenaspect primeert te onttrekken aan de exploitatieverrichtingen van de bakkerij, de belastingplichtige een zuivere scheiding creëert tussen een inrichting waar het verbruik van maaltijden centraal staat enerzijds en een inrichting waar het verhandelen van brood, patisserie en aanverwante goederen centraal staat anderzijds. Wanneer een belastingplichtige beschikt over meerdere inrichtingen moeten de voorwaarden per inrichting beoordeeld worden. Dat deze inrichtingen fysiek in één gebouw liggen doet hieraan geen afbreuk. Het is verder ook niet relevant dat er sprake is van één toegangsdeur en één ruimte die achter de toonbank doorloopt waarbij het personeel vrij van de ene inrichting naar de andere kan bewegen. De kenmerkende aspecten van de btw-handeling moeten worden beoordeeld vanuit het gezichtspunt van de consument.

Het hof komt tot de slotconclusie dat de bakkerij en de eetgelegenheid niet als één en dezelfde inrichting moeten worden beschouwd en de boete aldus onterecht werd opgelegd.

Tekst van het arrest

Tekst van de beslissing

Hof van beroep Gent, vijfde kamer,

Arrest van 05/03/2024

Rol: 2022/AR/1970

In de zaak van:

BELGISCHE STAAT/FEDERALE OVERHEIDSDIENST FINANCIËN, 0N 0308.357.159,

Minister van Financiën, met kabinet te 1000 BRUSSEL, Wetstraat 12, vertegenwoordigd door de Adviseur-Generaal KMO Centrum Brugge, met burelen te 8000 BRUGGE, G. Vincke Dujardinstraat 4,

appellant,

hebbende als raadsman mr. B. T., advocaat te ...en mr. D. C., advocaat te ...

tegen

C. D. B. BV, 0N 08...24,

met zetel te ...,

geïntimeerde,

hebbende als raadsman mr. J. D., advocaat te ...

wijst het hof het volgend arrest:

1. De procedure voor het hof

Bij verzoekschrift van 28 november 2022 heeft de appellant hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat door de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge, tiende kamer, op 6 september 2022 werd uitgesproken in de zaak met rolnummer 20/646/A, waarvan niet blijkt dat het zou zijn betekend.

De partijen hebben hun middelen en besluiten voorgedragen in de openbare terechtzitting van 6 februari 2024, waarna het debat werd gesloten. Het hof nam vervolgens de zaak in beraad.

Het hof heeft de Nederlandse taal gebruikt in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken.

2. De relevante feiten en de voorafgaande procedure

2.1. De geïntimeerde is als btw-plichtige geregistreerd voor een hoofdactiviteit van detailhandel in brood- en banketbakkerswerk in gespecialiseerde winkels en voor een nevenactiviteit van overige eetgelegenheden. Zij heeft een vestigingseenheid aan de ..., waar zij een kleinhandel banketbakkerij en/aan/met een tearoom uitbaat.

2.2. In het kader van een controleactie gericht op het nakijken van de toepassing van het geregistreerde kassasysteem (hierna kortweg 'GKS'), begaven twee ambtenaren van de belastingadministratie zich op 16 september 2019 naar de voornoemde uitbatingszetel van de geïntimeerde. Zij werden er te woord gestaan door de zaakvoerder. Ter plaatse stelden de ambtenaren vast:

[...] dat de uitbating bestaat uit twee gedeelten. Na binnenkomst door de gemeenschappelijke toegangsdeur kan men naar het linkse gedeelte gaan zijnde de bakkerij of via de deuropening rechts naar het tearoomgedeelte gaan. Beide gedeelten zijn achter de toonbank met elkaar verbonden.

De [zaakvoerder] verklaarde dat de mogelijkheid bestaat voor een klant om in het bakkerijgedeelte patisserie te kiezen en deze te verbruiken in het tearoom gedeelte. De patisserie wordt dan, met een meerprijs ten opzichte van de bakkerij, geregistreerd in de GKS volgens zijn verklaring.

Voorts werd vastgesteld dat het GKS dat was opgesteld in het tearoomgedeelte regelmatig werkend was. In het bakkerijgedeelte was een tweede werkende, niet-geregistreerde en/of niet gecertificeerde elektronische kassa opgesteld. De zaakvoerder verklaarde dat deze kassa (waarlangs de aankopen in de bakkerij werden afgerekend) op geen enkele wijze verbonden was met het opgestelde GKS en dat hij van oordeel was dat het bakkerijgedeelte geen GKS nodig had.

De vaststellingen van de verbaliserende ambtenaren werden opgetekend in een proces-verbaal van vaststelling van 1 oktober 2019.

Aan de hand van de vaststellingen gedaan op 16 september 2019 werd een proces-verbaal van regularisatie opgesteld op 2 december 2019. Daarin werd vastgesteld dat de geïntimeerde de ontvangsten van de bakkerij niet had ingevoerd in een GKS in strijd met de voorschriften van het koninklijk besluit van 30 december 2009 tot het bepalen van de definitie en de voorwaarden waaraan een geregistreerd kassasysteem in de horecasector moet voldoen. Er werd op grond van artikel 70, §4 Btw-wetboek een niet-proportionele geldboete van 1.500,00 EUR opgelegd wegens een eerste overtreding. Dit proces-verbaal

werd ter kennis gebracht van de geïntimeerde per aangetekend schrijven van 2 december 2019. De appellant geeft aan dat de geldboete opgenomen werd in een dwangbevel dat nr. 50...13 draagt.

Bij verzoekschrift van 4 maart 2020 stelde de geïntimeerde haar vordering in bij de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge, tot betwisting van de opgelegde geldboete. De eerste rechter oordeelde in zijn vonnis van 6 september 2022 dat uit de feiten bleek dat de geïntimeerde aan de ... beschikte over twee inrichtingen, met name één inrichting waar maaltijden worden verbruikt (het tearoomgedeelte) waar een werkend GKS was geïnstalleerd en één inrichting die niet kwalificeerde als 'inrichting waar maaltijden worden gebruikt' waar geen GKS geïnstalleerd diende te worden. Er was, zo oordeelde de eerste rechter, geen sprake van een fiscale inbreuk. De rechtbank beschikte als volgt:

Verklaart de vordering ontvankelijk en gegrond in de mate zoals hierna bepaald.

Zegt voor recht dat eiseres geen inbreuk heeft begaan door geen afzonderlijke GKS in het bakkerij gedeelte te installeren.

Ontheft de opgelegde administratieve boete ten bedrage van 1.500,00 EUR.

Beveelt de teruggave van alle ten onrechte betaalde bedragen, meer de moratoriuminteresten.

Veroordeelt verweerder tot het betalen van de gerechtskosten, in zijn hoofde niet te begroten aangezien ze hem ten laste blijven en begroot deze aan de zijde van eiseres op 560,00 EUR rechtsplegingsvergoeding en 20,00 EUR bijdrage fonds juridische bijstand.

Het is tegen dat vonnis dat de appellant hoger beroep heeft ingesteld.

3. De vorderingen van de partijen

3.1. De vordering van de appellant

De appellant vraagt in hoger beroep aan het hof om:

Het hoger beroep ontvankelijk, toelaatbaar en gegrond te verklaren.

Dienvolgens het vonnis a quo van de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge in de zaak gekend onder rolnummer 20/646/A te vernietigen

Opnieuw recht doend: het betwiste dwangbevel nr. 50...13 te bevestigen, en tevens te bevestigen dat dit dwangbevel geldig en uitvoerbaar is.

Geïntimeerde te veroordelen tot het betalen van de gedingkosten van beide aanleggen, hierin begrepen de rechtsplegingsvergoeding hoger beroep ad 600,00 EUR (basisbedrag, schaal 750,01- 2.500,00 EUR).

Gezien geïntimeerde, de Belgische Staat in eerste aanleg zonder advocaat optrad, kan hij in graad van eerste aanleg geen recht laten gelden op een rechtsplegingsvergoeding.

3.2. De vordering van de geïntimeerde

De geïntimeerde vraagt in hoger beroep aan het hof om:

Het hoger beroep van de Belgische Staat ontvankelijk doch ongegrond te verklaren, en dienvolgens het vonnis van de 10de Kamer van de Rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen — afdeling Brugge van 6 september 2022 integraal te bevestigen. Ondergeschikt kwijtschelding te verlenen van de aan concluante opgelegde administratieve boete van 1.500,- euro, minstens deze administratieve boete substantieel te willen verminderen.

In ieder geval de terugbetaling te bevelen van de bedragen die concluante heeft betaald, vermeerderd met de wettelijke voorziene moratoriuminteresten.

De Belgische Staat te veroordelen tot de kosten van de beroepsprocedure, in hoofde van concluante begroot op de geïndexeerde rechtsplegingsvergoeding begroot op 560,- euro (onder voorbehoud van verdere indexatie).

4. De betwistingen en de beoordeling ervan

4.1. Over de toelaatbaarheid van de vordering van de geïntimeerde

Het geschil heeft betrekking op de beslissing van de appellant om aan de geïntimeerde een geldboete op te leggen wegens het niet verwerken van de omzet van de bakkerij door middel van een GKS. De geïntimeerde betwist achtereenvolgens het afdoende karakter van de motivering van de ten aanzien van haar opgemaakte processen-verbaal, het bestaan van een inbreuk zelf, de redelijkheid van het optreden van de administratie bij het opleggen van de boete en, uiterst ondergeschikt, de omvang van de opgelegde geldboete waarvan zij om kwijtschelding of vermindering verzoekt.

Anders dan de geïntimeerde voorhoudt in conclusies besluit de appellant niet tot de (gedeeltelijke) ontoelaatbaarheid van de initiële vordering van de geïntimeerde om op te komen tegen de ten aanzien van haar opgelegde geldboete. De appellant argumenteert enkel dat, eens de aan de geïntimeerde verweten overtreding vaststaat, de rechter beperkt is in zijn toetsingsbevoegdheid om een opgelegde geldboete kwijt te schelden of te verminderen. Daarbij verwijst hij naar het feit dat de geïntimeerde geen verzoekschrift tot kwijtschelding of vermindering van de betwiste boete op grond van het Regentsbesluit van 18 maart 1831 heeft ingediend enerzijds en naar de rechtspraak van het Hof van Cassatie omtrent de toetsing van een administratieve sanctie met een repressief karakter in de zin van artikel 6 EVRM anderzijds.

De mate waarin het hof gerechtigd is om de opgelegde administratieve sanctie kwijt te schelden of te verminderen, raakt de grond van de zaak en zal, in voorkomend geval, voorwerp uitmaken van het onderzoek ten gronde. Het is geen grond om tot de onontvankelijkheid van de vordering van de geïntimeerde te besluiten. In afwezigheid van enige ambtshalve op te werpen middelen die tot onontvankelijkheid van de vordering van de geïntimeerde kunnen doen besluiten, besluit het hof tot de ontvankelijkheid ervan.

4.2. Over de grond van de zaak

4.2.1. Aan de geïntimeerde werd op grond van artikel 70, §4 Btw-wetboek een niet-proportionele geldboete van 1.500,00 EUR opgelegd. Zij zou immers, in strijd met artikel 21bis van het koninklijk besluit nr. 1 van 29 december 1992 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde, bij de uitbating van de bakkerij gebruik maken van een kassasysteem dat niet voldoet aan de voorschriften van het koninklijk besluit van 30 december 2009 tot het bepalen van de definitie en de voorwaarden waaraan een geregistreerd kassasysteem in de horecasector moet voldoen.

De appellant voert aan dat de geïntimeerde kastickets dient uit te reiken door middel van een GKS, zowel voor de verkopen in het verbruikssalon (restaurantdiensten) als voor de verkopen in de bakkerij (levering van voeding of dranken), vermits beide exploitaties deel zouden zijn van éénzelfde inrichting waar maaltijden worden verbruikt. De geïntimeerde betwist deze visie van de appellant en werd in haar stelling gevolgd door de eerste rechter.

4.2.2. Nog afgezien van de vraag of de processen-verbaal van 1 oktober 2019 en 2 december 2019 een afdoende motivering bevatten van de opgelegde geldboete, moet de geïntimeerde bijgetreden worden in haar stelling dat de voorgehouden inbreuk op artikel 21bis van het kb nr. 1 van 29 december 1992, niet voorligt.

4.2.3. Krachtens artikel 21bis, §1 van het kb nr. 1 van 29 december 1992, zijn de exploitant van een inrichting waar maaltijden worden verbruikt alsmede de traiteur die cateringdiensten verricht, gehouden aan de belastingplichtige of niet-belastingplichtige klant het kasticket uit te reiken bedoeld in het voornoemde kb van 30 december 2009, voor alle handelingen die zij in de uitoefening van de economische activiteit verrichten en die verband houden met het verstrekken van maaltijden en dranken, al dan niet verschaft bij de maaltijd, met inbegrip van alle verkopen van spijzen en dranken in voormelde inrichting, wanneer de jaaromzet, exclusief belasting over de toegevoegde waarde, met betrekking tot de restaurant- en cateringdiensten, met uitsluiting van de diensten die bestaan uit het verschaffen van dranken, meer bedraagt dan 25.000 EUR. Wanneer de exploitant beschikt over meerdere inrichtingen waar maaltijden worden verbruikt, worden de voorwaarden bedoeld in het eerste lid per inrichting beoordeeld. Het kb van 30 december 2009 bepaalt de technische vereisten waaraan een GKS in de horecasector moet voldoen.

Uit dit artikel volgt dat de exploitant van een inrichting waar maaltijden worden verbruikt vanaf 1 juli 2016 principieel de verplichting heeft een kasticket uit te reiken door middel van een GKS, op voorwaarde dat de jaaromzet een drempelbedrag overschrijdt. Wanneer de geregistreerde belastingplichtige nog niet over een GKS beschikt of ingeval van storing van de werking van dit systeem, om welke reden ook, is de exploitant ertoe gehouden een rekening of ontvangstbewijs uit te reiken bedoeld in artikel 22 van het kb nr. 1 van 29 december 1992.

4.2.4. Artikel 59, §1 Btw-wetboek bepaalt dat iedere overtreding of elk misbruik van de bepalingen van dit Wetboek of van de ter uitvoering ervan gegeven regelen, alsmede feiten die de opeisbaarheid van de belasting of van een geldboete aantonen of ertoe bijdragen die aan te tonen, door de administratie kunnen worden bewezen volgens de regelen en door alle middelen van het gemene recht, getuigen en vermoedens inbegrepen, doch uitgezonderd de eed, en daarenboven door de processen-verbaal van de ambtenaren van de Federale Overheidsdienst Financiën. De processen-verbaal leveren bewijs op zolang het tegendeel niet is bewezen.

De bijzondere wettelijke bewijswaarde die artikel 59, §1 Btw-wetboek toekent aan een proces-verbaal van de ambtenaren van de Federale Overheidsdienst Financiën heeft betrekking op de persoonlijke materiële vaststellingen van die ambtenaren en niet op de gevolgtrekkingen, veronderstellingen of juridische redeneringen en conclusies die daaruit kunnen worden gemaakt (vgl. Cass. 10 februari 2012, AR F.10.0125.F, via https://juportal.be). De in het proces-verbaal opgenomen vaststellingen waaraan de bijzondere wettelijke bewijswaarde zoals bepaald in artikel 59, §1 Btw-wetboek kleeft, dienen te worden beperkt tot die vaststellingen die de ambtenaar persoonlijk heeft kunnen doen.

4.2.5. Uit het proces-verbaal van 1 oktober 2019 waarin de vaststellingen gedaan op 16 september 2019 worden vermeld, blijkt en het is onbetwist dat: de vestigingseenheid aan de ... geregistreerd is als gebruiker van een GKS en een GKS in gebruik genomen heeft;

de exploitatie van de geïntimeerde aan de ... bestaat uit twee gedeelten, waarbij de klant na binnenkomst door een gemeenschappelijke toegangsdeur naar de bakkerij in het linkse gedeelte kan gaan of via een deuropening naar het tearoomgedeelte in het rechtse gedeelte van de exploitatie; de beide gedeelten achter de toonbank met elkaar verbonden zijn; in het tearoomgedeelte een regelmatig functionerend GKS opgesteld staat; in de bakkerij een niet-geregistreerde kassa opgesteld staat; de zaakvoerder verklaarde dat een klant in de bakkerij patisserie kan kiezen om deze in de tearoom te verbruiken, waarna de patisserie met een meerprijs ten opzichte van de bakkerij geregistreerd zou worden in het GKS in het tearoomgedeelte; de zaakvoerder verklaarde dat de niet-geregistreerde kassa en het GKS op geen enkele wijze met elkaar verbonden zijn.

Ook de vaststelling opgenomen in het proces-verbaal van 2 december 2019, dat de ontvangsten van de bakkerij niet worden ingevoerd in het GKS, is onbetwist.

Of de geïntimeerde op grond van deze feitelijke en onbetwiste elementen gebruik diende te maken van een GKS vraagt een juridische beoordeling waartoe de bijzondere bewijswaarde van de voornoemde processen-verbaal zich uiteraard niet uitstrekt. ,

4.2.6. De vraag of er in een inrichting maaltijden worden verbruikt, gaat terug op het onderscheid tussen een levering van spijzen en/of dranken enerzijds en het verrichten van een dienst bestaande in het verschaffen van spijzen en/of dranken in omstandigheden voor het verbruik ter plaatse anderzijds. In dat verband kan verwezen worden naar het arrest van het Hof van Justitie van 22 april 2021 waarin een aantal principes dienaangaande wordt uiteengezet (zaak C-703/19, randnummers 48 e.v.):

In het geval van een samengestelde handeling die bestaat uit een reeks nauw met elkaar verbonden elementen en verrichtingen die objectief gezien één enkele, ondeelbare economische handeling vormen, volgt uit vaste rechtspraak van het Hof dat er, om uit te maken of deze handeling als levering van goederen dan wel als dienstverrichting moet worden gekwalificeerd, rekening moet worden gehouden met alle omstandigheden waaronder de betrokken handeling wordt verricht om daaruit de kenmerkende aspecten naar voren te halen en de overheersende onderdelen ervan te bepalen (zie in die zin arrest van 10 maart 2011, B. e.a., C-497/09, C-499/09, C-501/09 en C-502/09, EU:C:2011:135, punt 61 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

Het Hof heeft ook verduidelijkt dat het overheersende aspect moet worden bepaald uit het oogpunt van de modale consument en in het kader van een algehele beoordeling, met inaanmerkingneming van het kwalitatieve — en niet enkel het kwantitatieve — belang van het dienstenaspect tegenover het met een levering van goederen verband houdende aspect (zie in die zin arrest van 10 maart 2011, B. e.a., C-497/09,C-499/09, C-501/09 en C-502/09, EU:C:2011:135, punt 62).

Aangezien met de verhandeling van een goed steeds een zekere dienstverrichting gepaard gaat, zoals het uitstallen van de producten op schappen of het afgeven van een factuur, kunnen ter bepaling van het aandeel van de dienstverrichting in een complexe transactie die tevens de levering van een goed omvat, enkel de andere diensten dan die welke voor de verhandeling van een goed noodzakelijk zijn in aanmerking worden genomen (arrest van 10 maart 2011, B. e.a., C-497/09, C-499/09, C-501/09 en C-502/09, EU:C:2011:135, punt 63 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

Het Hof heeft meer in het bijzonder geoordeeld dat de restaurantverrichting wordt gekenmerkt door een reeks van aspecten en handelingen, waarvan de levering van voedsel niet meer dan een onderdeel is en waarin het dienstenaspect ruimschoots de overhand heeft, en dat deze verrichting bijgevolg moet worden beschouwd als "dienst" in de zin van artikel 6, lid 1, van de Zesde richtlijn (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting — Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag (PB 1977, L 145,blz. 1), thans artikel 24 van de btw-richtlijn. Dit is echter anders wanneer de verrichting betrekking heeft op afhaalmaaltijden en niet gepaard gaat met diensten die de nuttiging ter plaatse in een passend kader moeten veraangenamen (zie in die zin arresten van 2 mei 1996, F.-G. L. C-231/94, EU:C:1996:184, punt 14, en 10 maart 2011, B. e.a., C-497/09, C-499/09, C-501/09 en C-502/09, EU:C:2011:135, punt 64 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

b..1

Artikel 6, lid 1, van uitvoeringsverordening nr. 282/2011 bepaalt dat "onder restaurant- en cateringdiensten wordt verstaan het verstrekken van bereide of onbereide spijzen of dranken dan wel beide, voor menselijke consumptie, in combinatie met voldoende bijkomende diensten ten behoeve van de onmiddellijke consumptie van die spijzen of dranken", dat "[Net verstrekken van spijzen of dranken dan wel beide [...] niet meer [is] dan een onderdeel van het geheel waarin het dienstenaspect de overhand heeft" en dat "Hestaurantdiensten [...] dergelijke diensten verstrekt in de ruimten van de dienstverrichter [zijn] en cateringdiensten [...] dergelijke diensten verstrekt elders dan in de ruimten van de dienstverrichter [zijnr.

In artikel 6, lid 2, van deze uitvoeringsverordening heet het dat "Net verstrekken van bereide of onbereide spijzen of dranken dan wel beide, al dan niet inclusief het vervoer ervan, maar zonder andere bijkomende diensten [...] niet [wordt] aangemerkt als restaurant- en cateringdiensten in de zin van lid 1".

Uit de bewoordingen van artikel 6 van de uitvoeringsverordening volgt dus dat de Uniewetgever voor de kwalificatie van een belastbare handeling als "restaurant- en cateringdiensten" geen doorslaggevend belang heeft willen toekennen aan de wijze waarop de spijzen worden bereid of geleverd, maar wel aan de bijkomende diensten die met de levering van de bereide spijzen gepaard gaan, aangezien die diensten toereikend moeten zijn om de onmiddellijke consumptie van deze spijzen mogelijk te maken en die diensten de overhand moeten hebben op de geleverde spijzen.

Uit de definitie van "restaurant- en cateringdiensten" in artikel 6 van uitvoeringsverordening nr. 282/2011, gelezen in het licht van de in de punten 52 tot en met 54 van dit arrest in herinnering gebrachte rechtspraak, komt derhalve naar voren dat de doorslaggevende criteria om te beoordelen of de met de levering van bereide spijzen gepaard gaande diensten kunnen worden beschouwd als "voldoende bijkomende diensten", verband houden met het niveau van de dienstverlening dat de consument wordt aangeboden.

In dit verband houdt het Hof met name rekening met aspecten zoals de vraag of er kelners zijn, of er sprake is van bediening — die met name bestaat in het doorgeven van bestellingen aan de keuken, het vervolgens presenteren van de gerechten en het opdienen van deze gerechten aan tafel voor de klant —, of er gesloten en verwarmde, speciaal voor het nuttigen van de spijzen ingerichte ruimten ter beschikking worden gesteld, alsook of er garderobes en toiletten zijn en of er wordt gezorgd voor serviesgoed, meubilair en tafelgerei(zie in die zin arrest van 10 maart 2011, B. e.a., C-497/09, C-499/09, C-501/09 en C-502/09,EU:C:2011:135, punt 69).

[...] moet bij de toepassing van deze criteria rekening worden gehouden met de keuze van de consument om van de bijkomende diensten bij de levering van spijzen of dranken gebruik te maken, welke keuze zal worden vermoed naargelang van de wijze waarop de onmiddellijk te nuttigen maaltijden worden verkocht.

Zoals in punt 49 van het onderhavige arrest in herinnering is gebracht, moet bij samengestelde verrichtingen het overheersende aspect van een handeling immers worden bepaald vanuit het gezichtspunt van de consument. Wanneer de consument ervoor kiest om geen gebruik te maken van de materiële en personele middelen die de belastingplichtige te zijner beschikking stelt, zijn deze middelen niet doorslaggevend voor die consument. Bijgevolg moet in dat geval worden aangenomen dat de levering van spijzen en dranken niet gepaard gaat met enige bijkomende dienst en dat de betrokken handeling moet worden aangemerkt als levering van goederen.

4.2.7. Het is ter zake onbetwist dat de tearoom van de geïntimeerde een inrichting betreft waar, met een jaaromzet van meer dan 25.000,00 EUR in de zin van artikel 21bis, §1, eerste lid in fine van kb nr. 1 van 29 december 1992, maaltijden worden verbruikt in het kader van een geheel van restauratiediensten die toereikend zijn om de onmiddellijke consumptie van deze spijzen mogelijk te maken en die de overhand hebben op de geleverde spijzen.

Gelet op de gevoegde foto's, de plannen van het gebouw die de geïntimeerde op de openbare terechtzitting van 6 februari 2024 heeft neergelegd, de menukaart en de vaststellingen van de verbalisanten kan aangenomen worden dat:

- consumenten plaatsnemen aan een tafel in een besloten, speciaal voor het nuttigen van de spijzen ingerichte ruimte, spijzen kiezen uit een menukaart (waarbij gekozen kan worden tussen onder meer toasts met een assortiment garnituur, broodjes, salades, pasta's, wraps, eiergerechten, snacks, quiches, kroketten, pannenkoeken, wafels, ijs, patisserie en dessertdegustatieborden) die hen wordt gepresenteerd door het personeel van de inrichting, aan wie zij hun bestelling ook doorgeven; deze spijzen ter plaatse in het keukengedeelte bereid worden en vervolgens door het personeel van de inrichting opgediend worden;

het personeel instaat voor het afdienen van het vuile eetgerei en het netjes houden van de ruimte;

- er een sanitaire ruimte is waarvan de consumenten van het tearoomgedeelte gebruik kunnen maken.

Bijgevolg is de geïntimeerde voor deze inrichting zonder meer verplicht om een kasticket uit te reiken door middel van een GKS voor alle handelingen die zij verricht in het kader van de uitoefening van deze economische activiteit en die verband houden met het verstrekken van maaltijden en dranken, al dan niet verschaft bij de maaltijd, met inbegrip van alle verkopen van spijzen en dranken in deze inrichting. De partijen zijn het hierover eens en het is onbetwist dat de geïntimeerde voor wat betreft het verbruik in het tearoomgedeelte op regelmatige wijze voldoet aan de verplichtingen die haar opgelegd worden door artikel 21bis, §1, eerste lid in fine van kb nr. 1 van 29 december 1992 en het voornoemde kb van 30 december 2009.

4.2.8. Het is de stelling van de appellant dat de geïntimeerde ook voor wat betreft het bakkerijgedeelte een kasticket met behulp van een GKS moet uitreiken. Volgens hem is er in wezen sprake van één inrichting doordat de geïntimeerde als bakker een verbruikssalon/tearoom uitbaat.

Uit de stukken van het dossier, waaronder de foto's bijgebracht door de appellant in zijn stuk 10, blijkt dat het linker gedeelte van de exploitatie aan de ... een bakkerij is waar allerlei soorten brood en gebak, geëtaleerd op schappen langs de wanden en in de toonbank, worden verkocht. Er is geen ruimte voorzien voor de consumenten om plaats te nemen in het bakkerijgedeelte om de aangekochte goederen te verbruiken. De geïntimeerde ontkent en de appellant bewijst niet dat het de consumenten vrijstaat om een aankoop te doen in de bakkerij en zich met de afgerekende goederen naar de tearoom te begeven om deze aldaar te verbruiken en gebruik te maken van de restauratiediensten die er worden geleverd. Uit de plannen die de geïntimeerde op de openbare terechtzitting van 6 februari 2024 heeft neergelegd, blijkt ook dat het onmogelijk is om zich van in het bakkerijgedeelte te begeven naar de sanitaire ruimtes die ten dienste van de consumenten van het tearoomgedeelte staan. In het licht van die omstandigheden moet worden aangenomen dat de loutere aankoop van brood, patisserie en aanverwante producten in de bakkerij door consumenten die vervolgens het gebouw verlaten, vanuit hun oogpunt het leveren van goederen behelst, waarbij die verrichtingen niet gepaard gaan met bijkomende, kenmerkende restauratiediensten.

Uit de menukaart van de tearoom blijkt dat consumenten van de tearoom een individueel gebak uit het assortiment in de toonbank kunnen gaan kiezen om te nuttigen in het tearoomgedeelte, en daarvoor de winkelprijs vermeerderd met 1,25 EUR betalen. Het gekozen gebak wordt door het personeel aan tafel in het tearoomgedeelte geserveerd en afgerekend, waarbij het gebak wordt ingegeven in het GKS. Deze handelswijze blijkt ook uit de verklaring die de zaakvoerder van de geïntimeerde op 16 september 2019 aflegde aan de speurders, uit de vaststellingen die de verbalisanten deden op 27 maart 2023 ter gelegenheid van een anoniem plaatsbezoek (zoals opgenomen in het proces-verbaal 3 april

2023) en uit de omschrijving van de appellant onder randnummer 10 van zijn synthese beroepsconclusie. Het betreft een verkoopsmethode waarbij de tearoom een specifieke dienstverlening aanbiedt om haar consumenten toe te laten gebak rechtstreeks te kiezen in de toonbank van de aanpalende bakkerij om die vervolgens in de tearoom te consumeren, met gebruikmaking van de personele en materiële diensten die daar geleverd worden.

De goederen die gekozen worden in de bakkerij maar bestemd zijn voor consumptie in het tearoomgedeelte worden aldus onttrokken aan de omzet en btw-verrichtingen van de bakkerij die gericht zijn op het leveren van goederen en, middels de aanrekening via het GKS, toegewezen aan de exploitatieomzet van de tearoom wanneer de klant ervoor kiest om gebruik te maken van de dienstverlening die de tearoom aanbiedt.

De appellant legt geen omzetcijfers van de geïntimeerde voor met betrekking tot de exploitatie van de bakkerij en/of de tearoom. Er kan bijgevolg niet worden vanuit gegaan dat de goederenleveringen in de bakkerij bijzonder beperkt zouden zijn of volkomen ondergeschikt aan de hierboven omschreven samenwerking met de tearoom. De appellant bewijst niet dat de bakkerij geen onafhankelijk bestaan heeft van de tearoom of dat de levering van spijzen niet meer dan een onderdeel is van een geheel van btw-handelingen waarin het dienstenaspect (geleverd vanuit de tearoom) primeert. Omgekeerd blijkt uit de menukaart van het tearoomgedeelte dat daar tal van spijzen kunnen worden genuttigd (zoals toast met garnituur, slaatjes, pasta's, ijs, pannenkoeken en wafels) waarvan aangenomen moet worden dat die niet verkocht worden in het bakkerijgedeelte. Er zijn geen elementen in het dossier voorhanden die toelaten het tearoomgedeelte te beschouwen als het verbruikssalon van de bakkerij.

In die omstandigheden is het niet bewezen dat de bakkerij een tearoom uitbaat, zoals de appellant voorhoudt. Integendeel, precies door die handelingen waarin het dienstenaspect primeert te onttrekken aan de exploitatieverrichtingen van de bakkerij, creëert de geïntimeerde een zuivere scheiding tussen een inrichting waar het verbruik van maaltijden centraal staat enerzijds en een inrichting waar het verhandelen van brood, patisserie en aanverwante goederen centraal staat anderzijds. Wanneer een exploitant, zoals ten deze, beschikt over meerdere inrichtingen, worden de voorwaarden per inrichting beoordeeld. Dat deze inrichtingen fysiek in één gebouw liggen, doet hieraan geen afbreuk. De eerste rechter oordeelde dan ook terecht dat het bakkerijgedeelte van het pand aan de ... niet te aanzien is als een inrichting waar maaltijden worden gebruikt in de zin van artikel 21bis, §1, eerste lid in fine van kb nr. 1 van 29 december 1992 en dat er bijgevolg geen GKS moet worden geïnstalleerd.

4.2.9. De elementen opgeworpen door de appellant om aan te tonen dat er sprake is van één enkele inrichting bestaande uit een bakkerij met tearoom, overtuigen niet in het licht van het bovenstaande.

Waar de kenmerkende aspecten van de btw-handeling moeten worden beoordeeld vanuit het gezichtspunt van de consument, is het niet relevant dat er sprake is van één toegangsdeur en één ruimte die achter de toonbank doorloopt waarbij het personeel vrij van de ene inrichting naar de andere kan bewegen. Ook het feit dat de deuropeningen tussen de bakkerij enerzijds en de tearoom anderzijds niet van een deur voorzien zijn, is niet determinerend. Ongeacht de wijze waarop de geïntimeerde zich 'achter de schermen organiseert' blijkt immers dat de consument ervoor kan kiezen, ofwel om brood, patisserie of aanverwante goederen aan te kopen in de bakkerij zonder gebruik te maken van de materiële en personele middelen die worden aangeboden in de tearoom, ofwel om iets te eten in de tearoom en gebruik te maken van de ruime personele en materiële dienstverlening aangeboden aldaar, waarbij hem in het bijzonder de mogelijkheid geboden wordt om, indien hij gebak wil nuttigen, zijn keuze te maken in het assortiment aangeboden in de toonbank van de bakkerij. Of de ruimtes achter de toonbank al dan niet doorlopen en materieel met elkaar verbonden zijn en of de toegang tot elke afzonderlijke inrichting al dan niet afgesloten kan worden met een deur, heeft daarmee geen uitstaans.

Waar de appellant teruggrijpt naar de circulaire 2017/C/70 betreffende het geregistreerde kassasysteem, kan opgemerkt worden dat in de circulaire inzake het onderscheid tussen leveringen van goederen en restaurant- of cateringdiensten, verwezen wordt naar dezelfde arresten van het Hof van Justitie als deze waarnaar het Hof zelf in het hierboven geciteerde arrest (dat van latere datum is) verwijst. Bovendien gaat de appellant met zijn verwijzingen en voorbeelden geput uit de circulaire, uit van verkeerde premissen. Zo is in het voorliggende geval geen sprake van inrichtingen waarbij de klanten zich vrij kunnen verplaatsen tussen de verschillende inrichtingen (ze moeten immers de keuze maken tussen het verrichten van aankopen in de bakkerij dan wel plaatsnemen in het tearoomgedeelte waarbij zij de mogelijkheid hebben om bij het plaatsen van hun bestelling iets te kiezen in de etalage van de bakkerij), noch van een bakker die een verbruikssalon uitbaat.

Ook uit het feit dat gebruikgemaakt wordt van één gezamenlijke website, compatibele openingsuren, dezelfde contactgegevens en een gezamenlijk logo laat niet toe te besluiten dat er sprake zou zijn van één enkele inrichting waar maaltijden worden verbruikt, zoals de appellant voorhoudt.

De vordering van de geïntimeerde is gegrond in die zin dat er geen overtreding van artikel 21bis, §1, eerste lid in fine van kb nr. 1 van 29 december 1992 kan worden vastgesteld. De geïntimeerde diende voor de uitbating van de bakkerij geen gebruik te maken van een kassasysteem dat voldoet aan de voorschriften van het kb van 30 december 2009. Gelet op dit oordeel, is er geen aanleiding om de overige middelen van de partijen te ontmoeten.

Het hoger beroep van de appellant wordt afgewezen.

5. De gerechtskosten

De appellant wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de gerechtskosten in hoger beroep dragen.

Het rolrecht is vrijgesteld (belastingen (art. 162, 4° + 279/1 Wb.Reg.)).

Wat de rechtsplegingsvergoeding betreft, stelt het hof vast dat de vordering in hoger beroep in geld waardeerbaar is. De rechtsplegingsvergoeding wordt geïndexeerd op datum van de uitspraak (vandaag). De waarde van de vordering bevindt zich in de schijf van 750,01 tot 2.500,00 EUR. Na indexatie is het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding gelijk aan 600,00 EUR. Er is geen reden om af te wijken van het basisbedrag. De appellant is voor de procedure in hoger beroep aan de geïntimeerde een rechtsplegingsvergoeding verschuldigd van 600,00 EUR.

Beschikkend gedeelte

BESLISSING VAN HET HOF

Het hof doet recht op tegenspraak;

Het hof beslist als volgt:

het hoger beroep is ontvankelijk maar ongegrond;

het bestreden vonnis wordt bevestigd;

het hof veroordeelt de appellant tot het betalen van de gerechtskosten van het

hoger beroep, vastgesteld als volgt:

aan de kant van de appellant (maar te zijnen laste blijvend):

bijdrage begrotingsfonds hoger beroep 24,00 EUR aan de kant van de geïntimeerde:

rechtsplegingsvergoeding hoger beroep: 600,00 EUR

Aldus gewezen en uitgesproken in de openbare terechtzitting van het hof van beroep te Gent, VIJFDE KAMER, recht doende in fiscale zaken, op 5 maart 2024.

Aanwezig:

S. V. H., raadsheer, wn. voorzitter, alleenrechtsprekend J. D., griffier

Door de FOD bijgevoegde beslissing

Vonnis van de Rechtbank van eerste aanleg

Rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge, sectie burgerlijke rechtbank, Tiende Kamer

Vonnis van 06/09/2022

Rol: 20/646/A

In de zaak : 20/646/A

C. D. B. bv (KBO: 08...24), met zetel te ...,

eisende partij,

voor wie optreedt meester J. D., advocaat te ...(ref.: …),

tegen :

de BELGISCHE STAAT- FOD FINANCIËN (KBO: 0308.357.159), in de persoon van de Minister van Financiën, met kantoren gevestigd te 1000 BRUSSEL, Wetstraat 12, handelend ten verzoeke van de Adviseur-generaal, Directeur van het Centrum KMO te Brugge, met kantoor te 8000 BRUGGE, G. Vincke Dujardinstraat 4,

verwerende partij,

voor wie optreedt mevrouw X, attaché (ref.: kmo.b.e.i@minfin.fed.be).

I.RECHTSPLEGING.

Gelet op het fiscaal verzoekschrift ingediend ter griffie de dato 4.03.2020.

De rechtbank nam kennis van het dossier van de rechtspleging en van de door partijen overgelegde bundels.

Partijen werden gehoord in hun middelen in de openbare terechtzitting van 14.06.2022.

Artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden in acht genomen.

II.BIJZONDERSTE GEGEVENS VAN DE ZAAK.

2.1. Eiseres is ingeschreven als BTW-belastingplichtige onder het BTW-registratienummer BE08...24, voor haar activiteit van detailhandel in brood en banketbakkerswerk in gespecialiseerde

winkels en overige eetgelegenheden. Zij is derhalve onderworpen aan de bepalingen van de BTW-wetgeving en de ter uitvoering ervan genomen besluiten.

Eiseres heeft o.m. een vestigingseenheid te ... alwaar zij een bakkerij met tearoom uitbaat.

Op 16.09.2019 hebben beëdigde ambtenaren voormelde vestigingseenheid bezocht. Naar aanleiding van dit plaatsbezoek werd op 1.10.2019 een proces-verbaal van vaststelling opgemaakt.

Op 2.12.2019 werd een proces-verbaal opgesteld waarin werd opgenomen dat eiseres een overtreding had begaan op de BTW-wetgeving. Een boete van 1.500,00 EUR werd opgelegd omdat de ontvangsten van de bakkerij niet werden ingevoerd in een GKS.

Op 4.03.2020 werd hiertegen een verzoekschrift neergelegd.

2.2. Eiseres vraagt dat:

- De vordering ontvankelijk en gegrond wordt verklaard

Het proces-verbaal van 2.12.2019 nietig wordt verklaard wegens ontoereikende motivering.

- Voor recht wordt gezegd dat zij geen inbreuk heeft begaan door geen afzonderlijke GKS in het bakkerijgedeelte te installeren.

- De administratieve boete van 1.500,00 EUR wordt ontheven.

- In ondergeschikte orde, de boete wordt kwijtgescholden of verminderd.

- De terugbetaling wordt bevolen van alle ten onrechte betaalde bedragen, meer de moratoriuminteresten.

- Tenslotte verweerder wordt veroordeeld tot de kosten van het geding, in haar hoofde begroot op de rechtsplegingsvergoeding ten bedrage van 480,00 EUR en 20,00 EUR bijdrage fonds juridische bijstand.

2.3. Verweerder vraagt dat de vordering ontvankelijk en ongegrond wordt verklaard en dat eiseres wordt veroordeeld tot de kosten van het geding.

III. BEOORDELING.

3.1. nopens de ontvankelijkheid.

3.1.1. Aangezien eiseres de inbreuk te gronde betwist, kan zij zich rechtstreeks tot de rechtbank wenden. Een voorafgaand verzoek tot kwijtschelding of vermindering van de boete bij de Minister van Financiën op basis van artikel 9 van het regentsbesluit van 18.03.1831 was niet nodig.

3.1.2. Verweerder voert verder geen redenen aan die tot de onontvankelijkheid van de vordering kan leiden. Nu de rechtbank evenmin middelen van onontvankelijkheid, die hij ambtshalve zou moeten opwerpen, ontwaart, is de vordering ontvankelijk.

3.2. nopens de grond.

3.2.1. Uit de feitelijke vaststellingen die door het Team Opsporingen Brugge 1 ter plaatse werden gedaan blijkt dat het bakkerijgedeelte en het tearoomgedeelte van het pand twee onderscheiden "inrichtingen" zijn. Er is weliswaar aan de straatzijde één gezamenlijke ingang, maar deze geeft slechts toegang tot een soort sas, waarbij er via afzonderlijke toegangsdeuren toegang moet genomen worden tot hetzij de bakkerij, hetzij de tearoom.

De benaming "c. D." wordt enkel gebruikt voor de tearoom. De bakkerij wordt uitgebaat onder de benaming "B. T.". De beide onderdelen van de uitbating met name "bakkerij" en "tearoom" staan duidelijk afzonderlijk op de website aangegeven. Ook de openingsuren van de bakkerij en tearoom zijn enigszins afwijkend.

Voor de klanten is het niet mogelijk om in het bakkerijgedeelte van het pand gelegen aan de ... zelf maaltijden te verbruiken. Er bestaat enkel de mogelijkheid voor de klanten van het tearoomgedeelte om in het bakkerijgedeelte een stuk patisserie te kiezen om dit vervolgens te verbruiken in het tearoomgedeelte. Dit verbruik wordt dan geregistreerd in de GKS die zich in het tearoomgedeelte bevindt.

3.2.2. Uit artikel 21bis, §1, tweede lid van het KB nr.1 van 29 december 1992 blijkt duidelijk dat de beoordeling of er al dan niet een GKS moet worden geïnstalleerd, moet worden beoordeeld 'per inrichting' en dat het moet gaan om inrichtingen waar maaltijden worden verbruikt.

3.2.3. Eiseres beschikt slechts over één enkele inrichting waar maaltijden worden verbruikt, met name het tearoomgedeelte van het pand aan de .... Voor deze inrichting werd vastgesteld dat eiseres wel degelijk een werkende GKS had geïnstalleerd. Omdat het bakkerijgedeelte van het pand aan de ... zich niet kwalificeert als een "inrichting waar maaltijden worden verbruikt" in de zin van artikel 21bis van het KB nr.1 van 29 december 1992 moet daar geen GKS worden geïnstalleerd.

3.2.4. Eiseres heeft geen fiscale inbreuk begaan door geen afzonderlijke GKS in het bakkerijgedeelte te installeren. De administratieve boete van 1.500,00 EUR werd ten onrechte opgelegd. Zij dient te worden ontheven.

3.3. nopens de kosten.

Verweerder wordt in het ongelijk gesteld. Overeenkomstig artikel 1017, 1se lid van het gerechtelijk wetboek moet hij de gerechtskosten dragen. De waarde van de vordering situeert zich tussen de 750,01 en de 2.500,00 EUR. In hoofde van eiseres worden zij begroot op 560,00 EUR rechtsplegingsvergoeding (basisbedrag) en 20,00 EUR bijdrage fonds juridische bijstand.

OM DEZE REDENEN,

De rechtbank,

Wijzende in eerste aanleg en op tegenspraak.

Alle verdere middelen van partijen verwerpende als niet dienend.

Verklaart de vordering ontvankelijk en gegrond in de mate zoals hierna bepaald.

Zegt voor recht dat eiseres geen inbreuk heeft begaan door geen afzonderlijke GKS in het bakkerijgedeelte te installeren.

Ontheft de opgelegde administratieve boete ten bedrage van 1.500,00 EUR.

Beveelt de teruggave van alle ten onrechte betaalde bedragen, meer de moratoriuminteresten.

Veroordeelt verweerder tot het betalen van de gerechtskosten, in zijn hoofde niet te begroten aangezien ze hem ten laste blijven en begroot deze aan de zijde van eiseres op 560,00 EUR rechtsplegingsvergoeding en 20,00 EUR bijdrage fonds juridische bijstand.

Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare terechtzitting van de rechtbank van eerste aanleg West-

Vlaanderen, afdeling Brugge, burgerlijke sectie, tiende kamer, op DINSDAG ZES SEPTEMBER

TWEEDUIZEND TWEEËNTWINTIG waar zitting hadden:

N. H., rechter;

N. L., griffier.

Aangehaalde teksten

10

Vergelijkbare beslissingen

8