De tekst van dit document is in het Frans. De FOD publiceert er geen Nederlandse versie van.
Fiche van de FOD Financiën
Vonnis van de Rechtbank van eerste aanleg van Waals-Brabant d.d. 29.03.2021
WF 703-15-17/053735
[Gunstig voor de Belgische Staat]
Belasting over de toegevoegde waarde – Horecasector – Geregistreerd kassasysteem – Gebrek aan een kassa – Niet-proportionele geldboeten – (Geen) Prejudiciële vraag
Belasting over de toegevoegde waarde – Ondertekening van het proces-verbaal – Geen oorzaak tot nietigheid – Bewijs door vermoedens
Belasting over de toegevoegde waarde – Uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen – Afdoende motivering in feite en in rechte van het proces-verbaal
Wettelijke bepalingen
Artikelen 53octies, 54, 59 §1 en 70 § 4 WBTW
Artikelen 21bis en 30bis van het koninklijk besluit nr. 1 van 29 december 1992, met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde.
Koninklijk besluit van 30 december 2009 tot het bepalen van de definitie en de voorwaarden waaraan een geregistreerd kassasysteem in de horecasector moet voldoen
Artikel 3 van koninklijk besluit nr. 44 van 9 juli 2012, tot vaststelling van het bedrag van de niet-proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde
Artikelen 10, 11, 16, 159 en 172 van de Grondwet
Artikel 2 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen.
Samenvatting
Eiseres baat een restaurant uit en betwist twee opeenvolgende geldboeten die haar werden opgelegd omdat ze niet beschikt over een “geregistreerd kassasysteem” (hierna GKS genoemd). Sinds 1 juli 2016 en op straffe van een boete moet de inrichting zijn uitgerust met een GKS.
De fiscale administratie stelt vast dat de inrichting niet met een GKS is uitgerust, stelt een “proces-verbaal van vaststellingen” op en heeft vervolgens de oplegging van een geldboete van € 1500 voor een eerste overtreding overeenkomstig de bepalingen van het btw-wetboek ter kennis gebracht.
Eiseres erkende de feiten en rechtvaardigde deze omdat zij de installatie van een GKS niet kan financieren. Op een later tijdstip heeft de administratie een tweede controle uitgevoerd en vastgesteld dat het restaurant nog steeds niet met een GKS was uitgerust. Zij stelde een nieuw “proces-verbaal van vaststellingen” op en heeft de oplegging van een geldboete van € 3000 voor een tweede overtreding ter kennis gebracht.
Eiseres verzocht om kwijtschelding van de boetes. Zij beriep zich echter niet langer op haar financiële moeilijkheden, maar bekritiseerde de wettigheid van het GKS zelf en de grondwettigheid van de grondslag voor de boetes. Dit verzoek werd door de fiscale administratie afgewezen en voor elke boete werd een rechtsvordering ingediend. De zaken worden gevoegd omwille van de samenhang.
Allereerst verwijt eiseres de fiscale administratie dat het proces-verbaal niet werd ondertekend, zodat het Hof de twee geldboeten bijgevolg nietig moet verklaren.
Wat de boete van € 1.500 betreft, heeft de ambtenaar het proces-verbaal en de kennisgeving ondertekend, zodat het middel feitelijke grondslag mist.
Met betrekking tot de boete van € 3.000 is het “proces-verbaal van vaststellingen” ondertekend, het samengevat proces-verbaal en de kennisgeving ervan niet
Dit verhindert niet dat eiseres zich heeft kunnen vergewissen van de echtheid van het document en van de door de administratie weerhouden inbreuk. Zij was aanwezig bij het onderzoek met dezelfde ambtenaren dat geleid heeft tot de vaststelling van de eerste inbreuk en heeft de feiten uitdrukkelijk erkend.
Zij heeft eenzelfde kennisgeving voor de tweede inbreuk ontvangen zonder de minste twijfel over de relevantie en de echtheid ervan. Zij diende hiertegen immers een afzonderlijk administratief beroep in, zonder ooit de materiële vaststellingen (het ontbreken van een GKS) te betwisten.
Volgens vaste rechtspraak en de fiscale rechtsleer ontneemt het ontbreken van een handtekening op een document de waarde ervan niet, op voorwaarde dat de echtheid en de traceerbaarheid ervan niet zijn aangetast. Dat is hier inderdaad het geval, aangezien de kennisgeving is gedaan door dezelfde ambtenaar en het “proces-verbaal van vaststellingen” is bijgevoegd en ondertekend door de controleambtenaar.
Bij gebrek aan een (ernstige) grief is er geen reden om de gevraagde nietigheid uit te spreken.
Zelfs in de veronderstelling dat het vermeende gebrek van de handtekening de nietigheid tot gevolg zou hebben, zou dit niet het absolute karakter hebben waarop eiseres zich beroept om de nietigverklaring van de geldboete van 3.000 euro te verkrijgen.
De vereiste van een handtekening van de persoon die de sanctie heeft opgelegd, vloeit immers niet voort uit de wet, in casu artikel 59, § 1, W.BTW, maar uit een administratieve circulaire nr. Ci.RH.840/610.502 (AGFisc nr. 29/2011) van 30 mei 2011. Deze richtsnoeren zijn tien jaar geleden uitgevaardigd, maar te vrezen valt dat zij achterhaald zullen zijn, gezien de grote technische veranderingen in de communicatiemethoden tussen overheidsdiensten en hun gebruikers, die hebben geleid tot een radicale verandering van het begrip handtekening (d.w.z. "« l'inscription qu'une personne fait de son nom [sous une forme particulière et constante] pour affirmer l'exactitude, la sincérité d’un écrit ou en assumer la responsabilité » (volgens het woordenboek “Robert” (vrije vertaling : de melding die iemand maakt van zijn naam [in een vaste en constante vorm] om de juistheid of oprechtheid van een geschrift te bevestigen of de verantwoordelijkheid ervoor op zich te nemen", volgens het woordenboek “Robert”).
Zelfs indien het ontbreken van een handgeschreven handtekening in zijn verouderde vorm nietigheid zou opleveren, zou dit slechts relatief kunnen zijn, waardoor de rechter ertoe is gehouden te onderzoeken of de in het proces-verbaal vermelde gegevens niet als eenvoudige inlichtingen in aanmerking kunnen worden genomen en als grondslag kunnen dienen van een bewijs op grond van feitelijke vermoedens. (zie Cass., 12 december 2014, F.13.0137.N., www.juportal.be).
In het onderhavige geval en met betrekking tot het ontbreken van een GKS in de inrichting kan de juistheid van de bevindingen in het (samenvattende) proces-verbaal met zekerheid worden afgeleid uit het volgende bekende feit: tijdens de tweede controle op 4 februari 2017 heeft (eiseres) uitdrukkelijk erkend dat "de kassa niet is uitgerust met de fiscale module en niet conform is met een geregistreerd kassasysteem".
De inbreuk is derhalve vastgesteld en de op grond van artikel 3 van KB nr. 44 is de vastgestelde geldboete van € 3.000 voor een herhaalde inbreuk verschuldigd.
Tevens verwijt eiseres de fiscale administratie dat zij de beginselen van uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen heeft geschonden (artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991). Overeenkomstig artikel 3 van de wet moet de opgelegde motivering in de akte de juridische en feitelijke overwegingen vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen. Zij moet afdoende zijn.
Zodoende legt de wet enkel een uitdrukkelijke motivering op die in de akte de juridische en feitelijke overwegingen vermeld waarop de beslissing is gebaseerd. In dit stadium is alleen vereist dat de feitelijke en juridische overwegingen die in de te motiveren akte zijn vermeld, de belastingplichtige in staat stellen de bestanddelen van de belastingheffing te betwisten en bijgevolg de onjuistheid van deze akte aan te tonen.
In onderhavig geval bevatten de kennisgeving van de geldboete en de bijgevoegde processen-verbaal, naast de vaststellingen van de controleambtenaar, alle feitelijke en juridische elementen aan de hand waarvan eiseres de door de fiscale administratie uitdrukkelijk aangevoerde redenen kan beoordelen.
De processen-verbaal voldoen dus aan de wettelijke vereiste van afdoende motivering zoals gedefinieerd door het Hof van Cassatie zoals de vermelding van het belastbare feit, de omvang en de oorzaak van de belastingschuld.
De grief is derhalve ongegrond.
Met betrekking tot het discriminerende karakter van het opleggen van een GKS - uitsluitend belastingplichtigen in de horecasector-, zij erop gewezen dat het stelsel van toepassing is op alle marktdeelnemers die "restaurant- en cateringdiensten" verlenen, met een jaaromzet (exclusief drank en belasting over de toegevoegde waarde) van meer dan 25.000 euro, zelfs indien zij niet hoofdzakelijk tot de horecasector behoren.
Bovendien sluit de rechtbank zich aan bij de Raad van State wanneer deze oordeelt dat de horecasector zodanige bijzonderheden vertoont waardoor de Belgische Staat het passend achtte te voorzien in een passende belastingregeling voor sommige van zijn activiteiten, hetgeen gepaard gaat met specifieke regelingen voor de inning van de btw en het bewijs dat deze is geïnd. Aangezien de horecasector wegens zijn bijzonderheden niet vergelijkbaar is met andere categorieën, dient het verschil in behandeling tussen onvergelijkbare situaties niet te worden gerechtvaardigd.
De grief is ongegrond.
Eiseres verwijt de Belgische staat een regeling te hebben ingevoegd die de bewijslast omkeert voor de inkomsten van belastingplichtigen onderworpen aan het GKS en dit in strijd met de artikelen 16 en 172 van de Grondwet. Het GKS houdt echter geen verband met de bewijsregeling en beperkt zich tot het moderniseren van de door restaurantuitbaters uitgereikte kassatickets en de middelen om de juiste invordering van de belasting te controleren. Het is nuttig te herinneren dat de verplichting om rekeningen (vroeger btw-ontvangstbewijzen) uit te reiken in werking is sinds 1972. De grief is ongegrond.
Tenslotte en in werkelijkheid respecteert de opgelegde geldboete het legaliteits- en evenredigheidsbeginsel, en bestaat er derhalve geen reden om de boete te verminderen.
De Rechtbank verklaart de vordering ontvankelijk maar ongegrond.
Opmerkingen
Tegenpartij heeft berust in het vonnis.
Zie in dit verband inzake het ontbreken van een GKS en het gebrek aan de ondertekening van een van proces-verbaal: Rechtbank van eerste aanleg van Waals-Brabant (14de fiscale kamer) dd. 18.01.2021, RG 19/531/A – Gunstig vonnis voor de Belgische staart, gepubliceerd op Fisconetplus.
Alle marktdeelnemers die "restaurant- en catering"-diensten verlenen en die een jaaromzet (exclusief dranken en belasting over de toegevoegde waarde) hebben van meer dan 25.000,00 euro, zijn onderworpen aan het GKS.
Als tegenprestatie voor dit systeem en de kosten die het met zich meebrengt kan de horecasector sinds 2010 genieten van een verlaging van het btw-tarief van 21% naar 12% en sinds 2015 van een bijkomende lastenverlaging voor overwerk, gelegenheidsarbeid en flexi-jobs (zie het "Charter met de horecasector – fiscaal luik” van 1 mei 2016).
Belastingplichtige, die onderworpen was aan wettelijke en reglementaire voorwaarden op grond waarvan zij over een geregistreerd kassasysteem diende te beschikken, had, gelet op de toepasselijke reglementaire bepalingen, moeten weten dat zij aan een controle en een sanctie kon worden onderworpen.
De rechtbank heeft het standpunt van de Belgische Staat bevestigd en beslist dat de krachtens artikel 70, § 4, WBTW en Koninklijk Besluit nr. 44 opgelegde niet-proportionele geldboete naar behoren was vastgesteld.
De grieven inzake de wettigheid en de grondwettigheid van het geregistreerd kassasysteem in de horecasector zijn steeds en herhaaldelijk verworpen, zowel door de rechters van de rechtbank van eerste aanleg als door de Raad van State.
Er wordt hiervoor verwezen naar de uitspraken van de Raad van State, nr. 241.063, nr. 241.064 en nr. 241.065 van 21 maart 2018, nr. 243.414, nr. 243.415 en nr. 243.416 van 17 januari 2019.
Tekst van het vonnis
Het vonnis wordt enkel gepubliceerd in de oorspronkelijke taal
Tekst van de beslissing
Tribunal de première instance du Brabant wallon, quatorzième chambre, affaires fiscales
Jugement du 29.03.2021
Rôle : 18/417/A & 18/418/A
La société à responsabilité limitée L. C. (B.C.E. 087…91) dont le siège social est établi à … ;
demanderesse ;
comparaissant par son conseil : Me I. W. loco Me P. S., avocat dont le cabinet est établi à …;
ET:
L'ÉTAT BELGE, poursuites et diligences du Conseiller général - Directeur du Team « Recouvrement Brabant vvallon - secteur TVA » dont les bureaux sont établis à 1340 Ottignies-Louvain-la-Neuve, Avenue Paul Delvaux 13 ;
défendeur;
comparaissant par son agent: M. X, conseiller …
I. ÉLÉMENTS DE PROCÉDURE ET JONCTION DES CAUSES
1. Le Tribunal a examiné les pièces déposées aux dossiers de la procédure et notamment
- En la cause 18/417/A du rôle général :
- la décision administrative, rendue le 25 octobre 2017;
- la requête contradictoire pour la SRL L. C., déposée le 27 février 2018;
- le calendrier amiable de mise en état de la cause, déposé par les parties à l'audience du 18 juin 2019 ;
- les dernières conclusions de synthèse pour la SRL L. C., déposées le 6 août 2019 ;
- les dernières conclusions de synthèse pour l'ÉTAT BELGE, déposées le 5 novembre 2019;
- En la cause 18/418/A du rôle général:
- la décision administrative, rendue le 25 octobre 2017 ;
- la requête contradictoire pour la SRL L. C., déposée le 27 février 2018;
- le calendrier amiable de mise en état de la cause, déposé par les parties à l'audience du 18 juin2019;
- les dernières conclusions de synthèse pour la SRL L. C., déposées le 6 août 2019;
- les dernières cconclusions de synthèse pour l'ÉTAT BELGE, déposées le 5 novembre 2019.
2. Le Tribunal relève que les demandes s'inscrivent dans le même contentieux fiscal et sont formées entre les mêmes parties, en leurs mêmes qualités et ont un objet identique, de sorte qu'il y a lieu de les instruire et de les juger en même temps.
Dans chaque affaire, le litige porte en effet sur la même cause, la SRL L. C. invoquant les mêmes moyens pour contester l'amende mise à sa charge et l'ÉTAT BELGE y opposant les mêmes moyens de défense.
Partant et dans le souci d'une bonne administration de la justice, il y a lieu d’ordonner la jonction des causes reprises sous les numéros de rôle général 18/417/A et 18/418/A.
3. Les articles 1, 34 à 37, 40 et 41 de la loi du 15 juin 193 5 sur l'emploi des langues ont été appliqués.
La procédure est régulière, ce qui n'est pas contesté.
Il. LE CADRE DU LITIGE ET LES RÉTROACTES
4. La SRL L. C. (ci-après L., la demanderesse) conteste les deux amendes successives mises à sa charge pour défaut d'installation d'un « système de caisse enregistreuse» (ci-après SCE).
L. exploite un restaurant à service complet situé à proximité du complexe cinématographique K. I. et dénommé C..
Depuis le 1er juillet 2016 et sous peine d'amende, l'établissement doit être équipé du SCE.
5. Le 24 novembre 2016, l'administration fiscale effectue un contrôle et effectue un contrôle et constate que l'établissement n'est pas équipé du SCE.
Par courriel du 29 novembre 2016, L. reconnait les faits et les justifie par son incapacité à financer l'installation du SCE. Elle précise encore :
« Nous espérons et comptons régler cette situation pour la fin de l'année. Les recettes actuelles nous le permettront vraisemblablement. »
Le 2 décembre 2016, l'administration fiscale rédige un « procès-verbal de constatations»
(pièce 1 de l'ÉTAT BELGE).
Le 14 mars 2017, elle notifie l'imposition d'une amende de 1.500,00 € due pour une première infraction en application du C. TV A (Code de la Taxe sur la Valeur Ajoutée).
6. Toutefois, dès le 4 février 2017, l'administration fiscale effectue un second contrôle et constate que l'établissement n'est toujours pas équipé du SCE.
Le 21 mars 2017, elle rédige un nouveau « procès-verbal de constatation» (pièce 3 de l’ÉTAT BELGE).
Le 10 mai 2017, elle notifie l'imposition d'une amende de 3.000,00 € due pour une seconde infraction en application du C. TVA (Code de la Taxe sur la Valeur Ajoutée).
7. Les 15 juin 2017 et 9 août 2017, L. forme une demande administrative de remise des amendes enrôlées respectivement les 2 décembre 2016 et 21 mars 2017.
Toutefois, elle n'invoque plus ses difficultés financières, mais critique la légalité même du SDE et la constitutionnalité du C. TVA comme fondement aux amendes.
Le 25 octobre 2017, cette demande est rejetée par l'administration fiscale.
Le 27 février 2018, L. dépose pour chaque amende une requête introductive d'instance.
III. LES DEMANDES DES PARTIES
8. Devant ce Tribunal, L. sollicite d'entendre:
EN ORDRE PRINCIPAL
- prononcer l'écartement sur base de l'article 159 de la Constitution des actes réglementaires et individuels, dérivés et/ou d'exécution, illégaux, ayant fondé l'ÉTAT BELGE à lui infliger l'amende fiscale litigieuse, et plus particulièrement :
- l'arrêté royal du 16 juin 2016 « modifiant l'arrêté royal n° 1 du 29 décembre 1992 relatif aux mesures tendant à assurer le paiement de la taxe sur la valeur ajoutée en ce qui concerne la délivrance d'un ticket de caisse au moyen d'un SCE dans le secteur horeca » ;
- l'arrêté royal n° 44 du 9 juillet 2012 (section 2, rubrique II, A) «fixant le montant des amendes fiscales non proportionnelles en matière de taxe sur la valeur ajoutée»;
- l'arrêté royal du 30 décembre 2009 «fixant la définition et les conditions auxquelles doit répondre un système de caisse enregistreuse dans le secteur horeca » ;
- dire pour droit qu'elle n'est pas redevable des amendes fiscales de 1.500,00 € et de 3.000,00 €, enrôlées respectivement sous les articles n° 500...05 et n° 500...63;
- prononcer l'annulation
- de la décision administrative rejetant sa requête à l'encontre des amendes fiscales enrôlées sous les articles de rôle n° 500...05 et n° 500...63 ;
- des procès-verbaux des 14 mars et 10 mai 2017 infligeant respectivement les amendes fiscales enrôlées sous les articles n° 500...05 et n° 500...63;
- des procès-verbaux de constatations des 2 décembre 2016 et 21 mars 2017;
- des amendes fiscales de 1.500,00 € et de 3.000,00 €, enrôlées respectivement sous les articles n° 500...05 et n° 500...63 ;
- de la contrainte n° 500...05 du 6 décembre 2018 ;
- le cas échéant, après avoir interrogé à titre préjudiciel la Cour constitutionnelle comme il suit :
« Interprété comme habilitant le Roi à instaurer, pour assurer l'exacte perception de la taxe sur la valeur ajoutée et pour éviter la fraude, un système de caisse dans le seul secteur socio-économique de l 'Horeca, le Code de la TVA, et singulièrement son article 53octies, §1er, alinéa 6, viole-t-il les articles 10, 11, 16, 170§1er,. et 172 de la Constitution, lus en combinaison avec ses articles 33, 35, 36, 37, 105, 108, avec l'article 14 de la Convention européenne des droits de l'homme et des libertés fondamentales, avec l'article 1er du 1er Protocole additionnel à la Convention européenne des droits de l'homme et des libertés fondamentales, avec les articles 17.1, 20 et 21 de la Charte des droits fondamentaux de l'Union européenne, lus en combinaison avec l'article 6.1 du Traité sur l'Union européenne, et avec la Directive 2006/112/CE du Conseil du 28 novembre 2006 relative au système commun de taxe sur la valeur ajoutée en traitant de manière différente,
• primo, les assujettis du secteur de l'Horeca et les autres assujettis commerçants ;
• secundo, les assujettis du secteur de l'Horeca dans les établissements desquels sont consommés des repas, suivant que leur chiffre d'affaires annuel "nourriture" soit supérieur ou inférieur à 25. 000€ HTVA ;
• tertio, les assujettis du secteur de l'Horeca dans les établissements desquels sont consommés des repas, et ceux dans les établissements desquels ne sont pas consommés de repas ;
• quarto, les assujettis du secteur de l'Horeca ayant un chiffre d'affaires annuel "nourriture" supérieur à 25.000€ HTVA, et les assujettis autres commerçants ? »
- condamner l'ÉTAT BELGE au remboursement de toute somme payée/retenue, majorées des intérêts moratoires, à dater de la date de paiement/retenue;
- condamner l'ÉTAT BELGE au paiement des dépens, en ce compris l'indemnité de procédure à son taux de base ;
EN ORDRE SUBSIDIAIRE
- prononcer le caractère disproportionné de l'amende infligée, et ordonner en conséquence sa réduction à 50,00 € ;
- condamner l'ÉTAT BELGE au paiement des dépens de l'instance, en ce compris l'indemnité de procédure à son taux de base.
9. L'ÉTAT BELGE conclut à la recevabilité de cette demande, mais à son absence de fondement.
Il sollicite la condamnation de L. aux frais et dépens de l'instance.
IV. L'EXAMEN DES MOYENS DES PARTIES
10. Le litige est centré sur la contestation par L. du SCE, lequel contreviendrait à la Constitution, en ses articles 10, 11 et 172 (instaurant le principe d'égalité et de non- discrimination), ainsi que 16 et 172 (instaurant les règles relatives à l'établissement de l'impôt).
Pour mémoire, il est fait obligation à certains assujettis du secteur de l'Horeca de s'équiper à leurs ses frais, puis de faire usage, d'un SCE dont les caractéristiques sont fixées par arrêté royal et qui délivre un ticket de caisse pour toutes les opérations effectuées.
Sont assujettis au SCE tous les opérateurs économiques qui effectuent des prestations de service de« restaurant et de restauration», pour un chiffre d'affaires annuel (hors boissons et hors taxe sur la valeur ajoutée) de plus de 25.000,00 €.
En contrepartie de ce système et de son coût, le secteur Horeca bénéficie depuis 2010 d'une réduction du taux de TVA de 21 à 12% et, depuis 2015, d'une réduction des charges salariales pour les heures supplémentaires, le travail occasionnel et les flexi-jobs (voyez la «Charte avec le secteur Horeca - volet fiscal » du 1er mai 2016).
11. Le SCE procède du cadre législatif suivant.
L'article 53octies § 1er alinéa 6 C.TVA habilite le Roi à prévoir« d'autres obligations pour assurer l'exacte perception de la taxe et pour éviter la fraude. »
L'article 54 alinéa 1er C.TVA habilite le Roi à régler« les mentions que doivent contenir les factures émises par les assujettis, [ .. .} et toutes autres mesures propres à assurer le paiement de la taxe. »
L'arrêté royal du 30 décembre 2009 (pris en exécution des articles ci-dessus) définit le SCE applicable au secteur Horeca et en fixe les conditions. Cet arrêté sera modifié à plusieurs reprises jusqu'en 2016.
Enfin, l'arrêté royal du 16 juin 2016 fixe les mesures tendant à assurer le paiement de la taxe sur la valeur ajoutée en ce qui concerne la délivrance d'un ticket de caisse au moyen d'un SCE dans le secteur Horeca.
12. En l'espèce et à titre liminaire, L. fait grief à l'administration fiscale du défaut de signature d'un procès-verbal, avec pour conséquence que ce Tribunal doive prononcer la nullité des deux amendes.
Toutefois, L. se méprend sur le titre infligeant les amendes, lequel n'est pas trouvé dans les procès-verbaux, mais bien dans les notifications de ceux-ci au contribuable.
S'agissant de l'amende de 1.500,00 €, le procès-verbal de constatation du 2 décembre 2016 et la notification du 14 mars 2017 sont bien signés par le fonctionnaire, de sorte que le moyen manque en fait.
S'agissant de l'amende de 3.000,00 €, le procès-verbal de constatation du 21 mars 2017 est signé, ce qui n'est pas le cas d'un procès-verbal de synthèse et de la notification du 10 mai 2017.
Il n'empêche qu'en aucune façon L. ne s'est méprise sur l'authenticité du document ni sur le grief retenu par l'administration à son égard.
Ainsi, L. a participé à l'instruction de la première infraction avec les mêmes fonctionnaires et a expressément reconnu les faits.
Elle a reçu la même notification pour la seconde infraction sans éprouver le moindre doute sur sa pertinence et son authenticité puisqu'elle a formé un recours administratif individualisé contre celle-ci le 9 août 2017, puis une requête distincte le 27 février 2018, sans jamais contester la matérialité des faits (i.e. l'absence de SCE).
Or, il est de jurisprudence et de doctrine fiscale constante que le défaut de signature d'un acte ne le prive pas de valeur pour autant que son authenticité et sa traçabilité ne soient pas affectées.
Tel est bien le cas de l'espèce, la notification émanant du même fonctionnaire et le procès- verbal de constatation du 4 février 2017 étant dument annexé et signé par l'agent vérificateur
(voyez pièce 3 du dossier de l'ÉTAT BELGE).
Faute de grief (sérieux), il n'y a pas lieu de prononcer la nullité demandée.
13. A supposer même que le défaut de signature allégué soit constitutif de nullité, celle-ci ne présenterait pas le caractère absolu invoqué par L. pour obtenir l'annulation de l'annulation de l'amende de 3.000,00 €.
En effet, l'exigence de signature par le verbalisant ne procède pas de la loi, en l'occurrence l'article 59 § 1er C.TVA, mais bien d'une circulaire administrative n° Ci.RH.840/610.502 (AGFisc N° 29/2011) du 30 mai 2011.
Prise il y a dix ans, l'on peut craindre l'obsolescence de ces guidelines, compte tenu de l'importante évolution technique des modes de communication entre les services publics et leurs usagers, avec pour conséquence une évolution radicale de la notion de signature (i.e. « l 'inscription qu'une personne fait de son nom [sous une forme particulière et constante] pour affirmer l'exactitude, la sincérité d'un écrit ou en assumer la responsabilité», selon le dictionnaire Robert).
À supposer que le défaut de signature manuscrite dans sa formule vieillie soit constitutif d'une nullité, celle-ci ne pourrait être que relative, obligeant le juge à examiner si les éléments contenus dans le procès-verbal ne peuvent être pris en considération à titre de simples renseignements et servir de fondement à une preuve sur la base de présomption de fait (voyez Cass., 12 décembre 2014, F.13.0317.N., Pas., p. 2902).
En l'espèce et s'agissant de l'absence de SCE dans l'établissement, l'exactitude des mentions du procès-verbal (de synthèse) du 10 mai 2017 peut être induite avec certitude du fait connu suivant: lors du second contrôle du 4 février 2017, L. a expressément reconnu que « la caisse n'est pas équipée du module fiscal et ne correspond pas au système de caisse SCE » (voyez procès-verbal de constatation dument signé, en pièce 3 de l'ÉTAT BELGE).
L'infraction étant établie, l'amende de 3.000,00 € due pour une récidive constatée sur la base de l'article 3 de l'arrêté royal 11° 44 est bien exigible.
14. Encore à titre liminaire, L. fait grief à l'administration fiscale d'avoir violé les principes de motivation interne et formelle des actes administratifs.
Ainsi, l'article 2 de la loi du 29 juillet 1991 relative à la motivation formelle des actes administratifs dispose que les actes administratifs des autorités administratives [ .. .] doivent faire l'objet d'une motivation formelle.
Selon l'article 3 de la loi, la motivation exigée consiste en l'indication, dans l'acte, des considérations de droit et de fait servant de fondement à la décision. Elle doit être adéquate.
Ce faisant, la loi n'impose donc qu'une motivation formelle consistant en l'indication, dans l'acte, des considérations de droit et de fait servant de fondement à la décision.
À ce stade, il est seulement requis que les considérations de fait et de droit, indiquées dans l'acte à motiver, puissent permettre au redevable de contester les éléments constitutifs de la taxation et en conséquence de prouver l'inexactitude de cet acte.
En l'espèce, la notification de l'amende et les procès-verbaux joints en am1exe contiennent à suffisance de droit, outre les constatations de l'agent taxateur, l'ensemble des éléments de fait et de droit permettant à L. l'appréciation formelle des motifs retenus par l'administration fiscale.
Le procès-verbal du 2 décembre 2016 identifie l'assujetti, l'établissement et son activité effective, le chiffre d'affaires au taux de 12%, le motif de l'enquête fiscale, le constat d'absence du SCE et la législation violée.
L. a parfaitement pu apprécier les éléments de fait et de droit relatifs à l'infraction avant de reconnaitre les faits et de communiquer de nouvelles pièces à l'agent instructeur.
Il en va de même pour le procès-verbal subséquent du 21 mars 2017, lequel indique expressément le maintien de la situation infracti01rnelle et le tarif prévu par le C. TVA.
Les procès-verbaux répondent ainsi à l'exigence légale de motivation adéquate, définie par la Cour de cassation comme étant l'indication du fait imposable, de l'étendue et de la cause de la dette fiscale.
Partant, le grief n'est pas fondé.
15. Par ailleurs, L. fait grief à l'ÉTAT BELGE de plusieurs discriminations, en violation des articles 10, 11 et 170 de la Constitution.
Ainsi, s'agissant du caractère discriminatoire de l'imposition du SCE aux seuls assujettis de l'Horeca, il y a lieu de préciser que le système s'applique à tous les opérateurs économiques qui effectuent des prestations de service de « restaurant et de restauration », pour un chiffre d'affaires annuel (hors boissons et hors taxe sur la valeur ajoutée) de plus de 25.000,00 €, quand bien même il ne ressortirait pas à titre principal au secteur Horeca.
En outre, le Tribunal se rallie au Conseil d'État lorsqu'il estime que le secteur Horeca présente des particularités telles que l'ÉTAT BELGE a pu estimer opportun de prévoir un régime fiscal approprié pour certaines de ses activités, le dit régime organisant des modalités spécifiques de perception de la TVA et de la preuve de cette perception.
Dès lors que, par ses particularités, le secteur Horeca n'est pas comparable avec d'autres catégories d'assujettis, il n'y a pas lieu de justifier une différence de traitement entre des situations incomparables.
Le grief n'est pas fondé.
16. S'agissant du caractère discriminatoire du seuil de 25.000,00 € de chiffre d'affaires annuel (hors boissons et hors taxe sur la valeur ajoutée) pour être soumis à l'obligation de s'équiper à ses frais du SCE, l'ÉTAT BELGE fournit une justification objective, raisonnable et proportionnée à ce traitement différentié.
En effet, l'ÉTAT BELGE a recherché une cohérence au sein du régime de la TVA en Belgique avec la franchise TVA du même seuil applicable aux petites entreprises.
L'arrêté royal du 16 juin 2016 justifie le traitement différencié accordé à ces petites entreprises par le fait qu'elles sont à considérer comme étant des exploitants Horeca de petite taille auxquels il n'est pas opportun d'imposer la charge administrative et financière liée à la mise en œuvre d'un système de caisse enregistreuse.
Le grief n'est pas fondé.
17. Par ailleurs, L. fait grief à l'ÉTAT BELGE d'avoir instauré un régime inversant la charge de la preuve des revenus des contribuables soumis au SCE, en violation des articles 16 et 172 de la Constitution.
Toutefois, le SCE est totalement étranger au régime de cette preuve et se limite à moderniser (1) la délivrance des reçus délivrés par les restaurateurs et (2) les moyens de contrôle de la correcte perception de la taxe.
Il n'est pas inutile de rappeler que l'obligation de délivrer des reçus (anciennement extraits de carnets à souches TVA) est en vigueur depuis 1972.
Le grief n'est pas fondé.
18. Enfin et dans la réalité des faits de la cause, l'amende infligée respecte les principes de légalité et de proportionnalité, de sorte qu'il n'y a pas lieu de la réduire.
En synthèse, il découle des observations et des considérations qui précèdent que la demande de L. ne peut être accueillie.
Beschikkend gedeelte
V. LA DÉCISION DU TRIBUNAL
Écartant tout autre moyen devenu sans pertinence en raison de la motivation de sa décision, Le Tribunal, après avoir entendu les parties,
- ordonne la jonction des causes inscrites au rôle général sous les numéros 18/417/A et 18/418/A;
- dit la demande de la SRL L. C. recevable, mais non fondée ;
- pour autant que de besoin, valide les amendes de 1.500,00 € et de 3.000,00 €, enrôlées respectivement sous les articles 11° 500...05 et 11° 500...63, ainsi que toute contrainte subséquente ;
- condamne la SRL L. C. aux dépens de l'instance et constate l'absence de dépens à liquider dans le chef de l'ÉTAT BELGE ;
- déboute les parties du surplus de leurs demandes.
Ce jugement est prononcé contradictoirement.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.