Vragen en Antwoorder, Kamer 2011-2012, nr. 47 d.d. 24.11.2011, blz. 6
Belastingplicht
Vaste inrichting
Vertegenwoordiging
VRAAG
De definitie in artikel 11, lid 1, van de verordening nr. 282/2011 van vaste inrichting voor de afname van diensten laat ruimte tot interpretatie. In de circulaire AFZ 27 juni 2011, nr. 5/2011, (AFZ/2011-0429), randnummer 21 wordt een representatiekantoor aangemerkt als vaste inrichting.
1. Dient volgens de Belgische fiscus voor het bepalen van de plaats van de inkomende diensten een eigen personeelslid van een Belgische zetel woonachtig in een andere EU-lidstaat aangemerkt te worden als een voor de btw vaste inrichting wanneer hij:
a) enkel prospecties uitvoert in de andere EU-lidstaat?
b) de Belgische onderneming vertegenwoordigt doordat hij bevoegd is contracten voor zijn werkgever te sluiten?
2. Zo ja, heeft dit tot gevolg dat de plaats van de dienst, in verband met bijvoorbeeld de leasing van een bedrijfswagen waarmee hij hoofdzakelijk in het buitenland rondrijdt of zijn GSM-abonnement gefactureerd aan zijn werkgever, in de andere EU-lidstaat wordt geacht plaats te vinden?
3. Indien in tegenstelling tot de Belgische fiscus de andere EU-lidstaat oordeelt dat het niet om een zelfstandige vaste inrichting gaat wat betreft de afname van de dienst en bijgevolg geen btw-identificatienummer uitreikt:
a) is er in dat geval geen Belgische btw noch btw van de andere EU-lidstaat verschuldigd;
b) is door de mededeling van het Belgische btw-identificatienummer aan de dienstverrichter, de Belgische btw onverschuldigd en bijgevolg niet aftrekbaar?
ANTWOORD
(van de heer Reynders, Vice-eersteminister en minister van Financiën en Institutionele Hervormingen)
1. Overeenkomstig artikel 21, § 2, van het Btw-Wetboek (omzetting van artikel 44 van richtlijn 2006/112/EG) en behoudens toepassing van een van de afwijkingen voorzien in § 3, van voormeld artikel, is de plaats van diensten, verricht voor een als zodanig handelende belastingplichtige, de plaats waar deze belastingplichtige de zetel van zijn economische activiteit heeft gevestigd. Worden deze diensten evenwel verricht voor een vaste inrichting van de belastingplichtige op een andere plaats dan die waar hij de zetel van zijn economische activiteit heeft gevestigd, dan is de plaats van de dienst de plaats waar deze vaste inrichting zich bevindt. De Uitvoeringsverordening nr. 282/ 2011 van 15 maart 2011, waarnaar het geachte lid verwijst, definieert het begrip "vaste inrichting" voor de toepassing van artikel 44 van richtlijn 2006/112/EG als een vaste vestiging die zich op een andere plaats bevindt dan de maatschappelijke zetel, zonder evenwel een van die zetel onderscheiden juridische entiteit te vormen, die gekenmerkt wordt door een voldoende mate van duurzaamheid en een - wat personeel en technische middelen betreft - geschikte structuur om de voor haar eigen behoeften verrichte diensten te kunnen afnemen en ter plaatse te gebruiken. Een representatiekantoor dat zich beperkt tot het uitvoeren van prospecties kan derhalve worden aangemerkt als een vaste inrichting in de zin van artikel 21, § 2, van het Btw-Wetboek. Hetzelfde geldt uiteraard ook voor een representatiekantoor waarvan de werknemer bevoegd is voor het sluiten van contracten namens zijn werkgever.
2. Wanneer een representatiekantoor, gevestigd in een andere lidstaat, overeenkomstig de regels hiervoor uitééngezet, wordt aangemerkt als een vaste inrichting in de zin van artikel 44 van richtlijn 2006/112/EG, dan vinden de diensten verricht door een andere btw-belastingplichtige voor dat representatiekantoor plaats op het grondgebied van desbetreffende lidstaat voor zover uiteraard de vaste inrichting de werkelijke verbruiker en begunstigde is van bedoelde diensten. Bijgevolg wordt er afgeweken van de regel dat de dienst plaatsvindt in de lidstaat waar de zetel van economische activiteit zich bevindt ten voordele van de lidstaat waar zich een vaste inrichting bevindt. Teneinde de dienstverrichter, die tenslotte afhankelijk is van de informatie die hem door de ontvanger van de dienst wordt verstrekt nopens de plaats waar de dienst daadwerkelijk wordt afgenomen en wordt verbruikt, te ontlasten van zijn aansprakelijkheid wat de vaststelling van de plaats van de handeling betreft, geldt het volgende. Overeenkomstig artikel 22, eerste en tweede lid, van voornoemde Uitvoeringsverordening bepaalt de dienstverrichter, aan de hand van de aard en het gebruik van de verstrekte dienst, voor welke vaste inrichting van de afnemer de dienst wordt verricht. Wanneer de dienstverrichter niet aan de hand van de aard en het gebruik van de dienst kan bepalen voor welke vaste inrichting van de afnemer de dienst wordt verricht, let hij er in het bijzonder op of de vaste inrichting in het contract, op de bestelbon en middels het door de lidstaat van de afnemer toegekende en door de afnemer aan hem meegedeelde btw-identificatienummer als afnemer van de dienst aangeduid is alsook of de vaste inrichting de entiteit is die de dienst betaalt. Wanneer op basis van wat voorafgaat niet kan worden bepaald voor welke vestiging van de afnemer de dienst wordt verricht of nog wanneer de onder artikel 21, § 2, van het Btw-Wetboek vallende dienst wordt verricht voor een belastingplichtige in het kader van een contract dat betrekking heeft op één of meer diensten die op een niet identificeerbare of niet kwantificeerbare manier worden afgenomen, kan de dienstverrichter er overigens rechtsgeldig van uitgaan dat de diensten worden verricht op de plaats waar de afnemer zijn maatschappelijke zetel heeft gevestigd. Ik verwijs eveneens naar circulaire AFZ nr. 19/2009 van 22 december 2009, randnummers 19 en 23-24. Indien, zoals blijkbaar beoogd door het geachte lid, de dienstverrichter slechts de identificatiegegevens van de maatschappelijke zetel werden meegedeeld, en rekeninghoudend met hetgeen voorafgaat, mag hij er rechtsgeldig van uitgaan dat de diensten worden verricht op de plaats waar de maatschappelijke zetel is gevestigd. De ontvanger van de dienst kan daarentegen niet worden ontheven van enigerlei aansprakelijkheid wat de plaatsbepaling van de diensten betreft, noch van zijn verplichting tot voldoening van de btw. Het spreekt bovendien vanzelf dat de fiscale administratie van de lidstaat waar de vaste inrichting gevestigd is, kan vaststellen door alle middelen, in feite en in rechte, dat de vaste inrichting de werkelijke afnemer is van de diensten en ze voor haar eigen behoeften gebruikt. 3. Indien de andere lidstaat de op haar grondgebied gevestigde inrichting niet aanmerkt als een vaste inrichting in de zin van artikel 44 van richtlijn 2006/112/EG, en bijgevolg deze vestiging geen btw-identificatienummer toekent, dan wordt in bovenvermeld geval de dienst geacht plaats te vinden in België, zijnde de lidstaat waar de zetel van economische activiteit zich bevindt. De btw is dan volgens de normale regels aftrekbaar in hoofde van de in België gevestigde maatschappelijke zetel.