Fiche van de FOD Financiën
Arrest van het Hof van Cassatie d.d. 17.01.2019 (F.17.0019.F)
WF 704-15-12/065018
[Gunstig voor de administratie]
Belasting over de toegevoegde waarde – Recht op aftrek – Herziening – Overdracht van een algemeenheid van goederen
Samenvatting
I.Feiten en voorafgaande procedure
1.Eiser was in de hoedanigheid van fysieke persoon geregistreerd als btw-belastingplichtige voor zijn landbouwactiviteiten. Hij had in 2006 een stal laten bouwen. Hij heeft deze activiteit in eigen naam stopgezet op 31 maart 2008. Op deze datum, heeft hij de helft van zijn landbouwactiviteit overgedragen aan de feitelijke vereniging die hij heeft opgericht samen met een andere landbouwer, met uitzondering van de stal die zijn eigendom blijft, maar die hij gratis ter beschikking heeft gesteld voor de vereniging.
Volgens de fiscale administratie, had er een herziening uitgevoerd moeten worden voor het jaar 2008. Aangezien het hier gaat om een onroerend investeringsgoed is de herzieningstermijn 15 jaar. Gezien de reden voor de herziening heeft plaatsgevonden in 2008, moet de herziening uitgevoerd worden over een periode van 13 jaar en komt de herziening derhalve in dit geval overeen met 13/15 van de in aftrek gebrachte belasting.
Belastingplichtige heeft verzet aangetekend tegen het dwangbevel en won de zaak in eerste aanleg (Burg. Luik, 8 januari 2014, RG 12/6410/A). De Belgische Staat ging in beroep tegen deze beslissing.
2.Het Hof van beroep verklaarde het beroep van de Belgische staat gegrond (Liège, 22 april 2016, 2014/RG/405, Fisconetplus).
Volgens het arrest van het hof van beroep te luik is het doel van artikel 11 W.btw dat de overdracht van een algemeenheid van goederen regelt, de fiscale neutraliteit te waarborgen in hoofde van de overnemer door hem toe te laten om een belasting die toch aftrekbaar zou zijn bij het afronden van de overdracht, niet te hoeven voorfinancieren. Desondanks, vormt de fictie van artikel 11 van het BTW-Wetboek geen belemmering voor de herziening van de door de overdrager op investeringen in aftrek gebrachte BTW (belasting) in de mate dat deze betrekking heeft op de aanwending van goederen voor belastbare handelingen die vrijgesteld zijn van de belasting door artikel 44 van het btw-wetboek, bvb. de onroerende verhuur.
In haar arrest is het hof van beroep van mening dat de administratieve circulaire nr. 46/2009 van 30 september 2009 in dit geval een nauwkeurige uitlegging is van de wet.
3.Belastingplichtige heeft een voorziening in cassatie ingediend tegen dit arrest.
II.Het verwerpingsarrest van het Hof van Cassatie
4.Eiser roept een schending van artikel 46 van de vennootschapswet in. Hij is van mening dat vennootschappen van gemeen recht geen andere rechtspersoonlijkheid hebben dan hun vennoten. Dit sluit voor de betrokken vennoten de mogelijkheid uit om hun rechten uit te oefenen, of het nu gratis is of onder bezwarende titel, ten voordele van deze vennootschappen of met hen handelingen te stellen.
Het Hof van Cassatie wijst erop dat uit het bestreden arrest niet blijkt dat dat arrest het gebruik door de vennootschap van gemeen recht van het goed van eiser zou behandeld hebben als een handeling en het goed zou bestemd hebben voor handelingen die niet onderworpen zijn aan de btw.
5.Eiser was van mening dat de uitoefening van een belastbare economische activiteit met een vennoot, in het kader van een vereniging zonder rechtspersoonlijkheid - die door eiser voordien alleen werd uitgeoefend - niet leidt tot een wijziging in de bestemming van de investerings-goederen die hij blijft gebruiken in de gemeenschappelijk geworden onderneming.
Hij steunde op de schending van artikel 187 van de richtlijn 2006/112/EU (Fisconetplus).
Volgens deze bepaling geschiedt, voor investeringsgoederen , de herziening van het recht op aftrek op basis van de wijzigingen in het recht op aftrek die zich in de loop van de volgende jaren ten opzichte van het jaar van verkrijging, vervaardiging of, in voorkomend geval, eerste gebruik van de goederen hebben voorgedaan, omdat voor belastingplichtige het herzieningstijdvak nog niet is verstreken.
Het Hof van Cassatie is van oordeel dat deze gemeenschappelijke bepaling eigen is aan de manier waarop de herzieningen worden berekend en niet bepalend is voor de oorzaken ervan.
Tekst van het arrest
Het arrest wordt enkel gepubliceerd in de oorspronkelijke taal
Tekst van de beslissing
Arrêt de la Cour de cassation du 17.01.2019 (F.17.0019.F)
J. P., domicilié à …, …, demandeur en cassation, ayant pour conseil Maître P. S., avocat au barreau de Liège, dont le cabinet est établi à …, …,
contre
ÉTAT BELGE, représenté par le ministre des Finances, dont le cabinet est établi à Bruxelles, rue de la Loi, 12, défendeur en cassation représenté par Maître G. d. F., avocat à la Cour de cassation, dont le cabinet est établi à …, …, où il est fait élection de domicile.
I.La procédure devant la Cour
Le pourvoi en cassation est dirigé contre l'arrêt rendu le 22 avril 2016 par la cour d'appel de Liège.
Le président de section M. R. a fait rapport.
Le premier avocat général A. H. a conclu.
II.Le moyen de cassation
Dans la requête en cassation, jointe au présent arrêt en copie certifiée conforme, le demandeur présente un moyen.
III.La décision de la Cour
Sur le moyen :
Quant à la première branche :
Il ne ressort pas des motifs de l'arrêt qu'il aurait traité l'usage du bien du demandeur par la société de droit commun comme une opération et comme une affectation du bien du demandeur à. des opérations non visées par la taxe sur la valeur ajoutée.
Le moyen, qui., en cette branche, repose sur une lecture inexacte de l’arrêt, manque en fait
Quant à la deuxième branche :
L'arrêt, par les motifs du premier juge qu'il s’approprie, constate que le demandeur « était assujetti. à la taxe sur la valeur ajoutée pour une activité d'agriculteur; [qu']il était immatriculé sous le n° … et a cessé son activité en nom personnel le 31 mars 2008; [qu']en 2005 et 2006, il a fait construire une nouvelle étable sur un terrain lui appartenant; [qu’]en date du 1er avril 2008, [il] s'est associé à monsieur G. R. pour poursuivre l'exploitation agricole; [que], pour ce faire, ils ont constitué l'association P.-R. qui a fait l'objet d'une immatriculation à la taxe sur la valeur ajoutée sous le n° BE …; (qu'] à cette occasion les actes suivants [ont été] établis :
- en date du 6 mai 2008, une cession par [le demandeur] à monsieur G. R. de la moitié de l'exploitation agricole [...];
- en date du 20 mai 2009, un bail à ferme conclu par acte notarié entre [le demandeur] et l'association P.-R. pour les terres et pâtures appartenant [au demandeur] et mises à disposition de l'association, [dans lequel] il est précisé que 'les bâtiments d'habitation sont occupés par [le demandeur] et donc non repris à la présente convention, et que les bâtiments d'exploitation sont mis à la disposition gratuite de l'association jusqu'au jour de la cessation d'activité [du demandeur] ou jusqu'au jour de son décès., ».
Par des motifs propres. l'arrêt considère« qu'il n'est pas contesté que [le demandeur] a conservé les bâtiments agricoles dont il était propriétaire et que ceux-ci ont été mis à la disposition de l'association», qu'il ne suit pas de l'article 11 du Code de la taxe sur la valeur ajoutée que « le cédant ne pourrait pas être contraint de procéder aux révisions des taxes déduites sur investissement dans la mesure où il affecte certains biens-(ici les immeubles) à des opérations non visées par la taxe à l'égal des opérations exemptées de taxes comme la location immobilière (article 44 du Code de la taxe sur la valeur ajoutée) », que « les règles applicables en matière de révision des déductions (articles 48 et 49 du Code de la taxe sur la valeur ajoutée et arrêté royal d'exécution n° 3, article 9, § 1er) demeurent applicables pour [le demandeur] dans la mesure où les opérations qu'il réalise ne rentrent pas intégralement dans le champ d'application de la taxe sur la valeur ajoutée (cfr la circulaire administrative n° 46/2009 et 110.663 du 30 novembre 2009 relativement aux opérations de locations immobilières)».
Il ajoute que« c'est à tort que [le demandeur] tente de soutenir que le bien immeuble à l'origine du litige aurait été apporté à l'association, ce qui manifestement est .inexact puisque la convention de reprise indique seulement une mise à disposition gratuite du bien conservé par [le demandeur], ou encore qu'il y aurait eu constitution d'un droit réel, lesquels sont alors soumis à transcription, ce qui ne correspond pas au cas d'espèce» et que la circonstance que l'usage du bien immobilier ait été gratuit « est sans relevance puisqu'il s'agit d'une opération hors champ ne donnant, comme le bail, lieu à aucune opération taxable autorisant la déduction ».
L'arrêt indique ainsi que la cause de la révision de la déduction de la taxe sur la valeur ajoutée réside dans la mise à disposition gratuite du bien litigieux par le demandeur.
Le moyen, qui, en cette branche, procède d'une lecture inexacte de l'arrêt, manque en fait.
Quant à la troisième branche :
Aux termes de l'article 187, 2, alinéa 1er, de la directive 2006/112/CE du Conseil du 28 novembre 2006 relative au système commun de taxe sur la valeur ajoutée, chaque année, la régularisation ne porte que sur le cinquième ou, dans le cas où la période de régularisation a été prolongée, sur la fraction correspondante de la taxe sur la valeur ajoutée dont les biens d'investissement ont été grevés.
Le second alinéa précise que la régularisation visée au premier alinéa est effectuée en fonction des modifications du droit à déduction intervenues au cours des années suivantes, par rapport à celui de l'année au cours de laquelle le bien a été acquis, fabriqué ou, le cas échéant, utilisé pour la première fois.
Cette disposition, relative au mode de calcul de la régularisation, ne détermine pas les causes de celle-ci.
Le moyen, qui, en cette branche, repose sur le soutènement contraire, manque en droit.
Et il n'y a pas lieu de poser à. la Cour de justice de l'Union européenne la question préjudicielle formulée par le demandeur, qui repose sur une prémisse inexacte.
Beschikkend gedeelte
Par ces motifs,
La Cour
Rejette le pourvoi ;
Condamne le demandeur aux dépens.
Les dépens taxés à la somme de six cent quatorze euros quatre-vingt-quatre centimes envers la partie demanderesse.
Ainsi jugé par la Cour de cassation, première chambre, à. Bruxelles, où siégeaient le président de section Ch. S., président, le président de section M. R., les conseillers M. L., S. G. et A. J. et prononcé en audience publique du dix-sept janvier deux mille dix-neuf par le président de section Ch. S., en présence du premier avocat général A. H., avec l'assistance du greffier P. D. W.
Signatures