VRAAG
Een vennootschap - niet-beroepsoprichter - koopt een huis dat zich in een te verbouwen staat bevindt. Dit huis wordt verhuurd - of ter beschikking gesteld - aan de zaakvoerder. De vennootschap doet de grote verbouwingswerken met een geregistreerd aannemer en koopt en betaalt alle nodige materialen voor de afwerking en stelt ze ter beschikking van de zaakvoerder, die geen geregistreerd aannemer is. Deze zaakvoerder doet, als particulier en huurder, gratis de afwerking - eventueel met zijn familie - met die materialen. Dit behelst de installatie van de badkamer, het leggen van parket en plafonds in hout, plaatsen van nieuwe deuren enzovoort.
Volgens het antwoord op vraag nr. 453 van 16 juli 1993 van de heer Cardoen is onbezoldigde hulp van familieleden en vrienden niet aan de BTW onderworpen, behoudens indien de persoon die de onbezoldigde hulp verleent een BTW-plichtige is die werk in onroerende staat uitvoert en het werk behoort tot de werkzaamheid waarvoor hij belastingplichtige is (BTW-wetboek, artikel 2, eerste lid en artikel 19, § 2, 2°) (Vragen en Antwoorden, Senaat 1992-1993, nr. 73, blz. 3766).
1. Dient de vennootschap in dit geval op het gratis werk van de zaakvoerder BTW te betalen ?
2. Artikel 555 van het burgerlijk wetboek bepaalt dat de werken aan gebouwen verricht door de huurder eigendom blijven van de huurder tot het einde van het contract. Bij het einde van het contract kan dan een overeenkomst gesloten worden (of eventueel kan die overeenkomst op voorhand gesloten worden) om een prijs te bepalen van de meerwaarde. Dient de vennootschap in dit geval BTW op de werken te betalen ?
ANTWOORD
1. Ingevolge artikel 19, § 2, 2°, van het BTW-wetboek dat steunt op artikel 6, 2, b) van de zesde richtlijn van 17 mei 1977, wordt met een dienst verricht onder bezwarende titel gelijkgesteld de uitvoering door een belastingplichtige van een werk in onroerende staat voor zijn privé- doeleinden of deze van zijn personeel en, meer algemeen, om niet of voor andere doeleinden dan deze van zijn economische activiteit.
Opdat de werken, die op grond van artikel 19, § 2, 2°, van het BTW- wetboek met een dienst verricht onder bezwarende titel worden gelijkgesteld, belastbaar zouden zijn met BTW is er bovendien vereist dat deze werken worden verricht in de uitoefening van de economische activiteit van betrokken belastingplichtige (BTW-wetboek, artikel 2, eerste lid).
In het door het geachte lid beoogde geval is het wel degelijk de vennootschap die ten aanzien van het door de zaakvoerder gepresteerde werk dient te worden beschouwd als de uitvoerster van de werken in onroerende staat vermits laatstgenoemde slechts kan handelen door middel van de fysieke personen die haar vertegenwoordigen. Gelet op het feit dat een werk in onroerende staat, uitgevoerd door een belastingplichtige rechtspersoon, steeds wordt verricht in of ten behoeve van de uitoefening van haar economische activiteit, vermits een rechtspersoon geen privé- vermogen heeft, is bovengenoemd artikel 19, § 2, 2°, in het bedoelde geval van toepassing.
De verschuldigde BTW dient overeenkomstig artikel 33, 2°, van het BTW-wetboek te worden berekend over de door de belastingplichtige vennootschap gedane uitgaven, d.w.z. de uitgaven die direct betrekking hebben op het verrichte werk. Voor bedoelde handelingen is derhalve geen BTW verschuldigd op het werk gepresteerd door de zaakvoerder in de veronderstelling dat deze laatste normaal door de vennootschap voor dat werk niet wordt vergoed, doch wel op de uitgaven die specifiek voor dat werk werden gedaan (aankoop van materialen, enz.).
De onbezoldigde hulp van familieleden is niet aan de BTW onderworpen tenzij de persoon die de kosteloze hulp verleent een BTW- belastingplichtige en een natuurlijke persoon is die werk in onroerende staat verricht en dat werk behoort tot de economische activiteit waarvoor hij belastingplichtige is (BTW-wetboek, artikel 2, eerste lid en artikel 19, § 2, 2°).
De aldus door de vennootschap op grond van artikel 19, § 2, 2°, van het BTW-wetboek over de gedane uitgaven verschuldigde BTW is in hoofde van de betrokken vennootschap niet aftrekbaar, vermits zij betrekking heeft op werken aan een gebouw dat aangewend wordt voor een door artikel 44, § 3, 2°, van het BTW-wetboek vrijgestelde activiteit, nl. de verhuur van een uit zijn aard onroerend goed.
2. Aangezien het ter zake werken betreft die onafscheidbaar ingelijfd zijn bij het gebouw waaraan ze worden verricht, behoren deze, in tegenstelling met wat het geacht lid beweert, van rechtswege toe aan de vennootschap-verhuurder van het huis zonder dat de eigendomsoverdracht op het einde van de huur moet worden afgewacht. De uitgevoerde werken bezitten geen onderscheiden individualiteit zodat er hier zelfs geen sprake kan zijn van natrekking (zie Dekkers, deel I, nr. 1085; Cass., 23 december 1943, Pas., 1944, I, 123).
De eventueel door de verhuurder aan de huurder op het einde van het huurcontract te betalen prijs met betrekking tot de door de werken bekomen meerwaarde van het gebouw, dient beschouwd te worden als een schadevergoeding die niet aan de BTW onderworpen is.
Uit hetgeen voorafgaat volgt dat door de vennootschap in onderhavig geval enkel de BTW verschuldigd is waarvan sprake onder punt 1.