Vr. en Antw., Kamer, 1994-1995, nr. 139, blz. 14776-14777
Terbeschikkingstelling van stalling voor rijtuigen - Inkomstenbelasting.
VRAAG
Met ingang van 1 januari 1993 werd artikel 18, § 1, 8°, van het BTW- wetboek gewijzigd zodat voortaan iedereen die onder de voorwaarden van de artikelen 2 en 4 van het genoemd wetboek stallingen voor rijtuigen ter beschikking stelt, de hoedanigheid verwerft van BTW-belastingplichtige met recht op aftrek en, behoudens eventuele toepassing van artikel 56, § 2, van het BTW-wetboek, over de aangerekende vergoeding de BTW verschuldigd is tegen het tarief van 20,5 % (cf. beslissing nr. 988, BTW- Revue, 109/617). De BTW-administratie heeft beslist die nieuwe regeling effectief toe te passen met ingang van 1 oktober 1994.
1. Heeft die wijziging van de BTW-wetgeving een weerslag op het stuk van de personenbelasting ?
2. Blijft de Administratie van de directe belastingen van mening dat de verhuur van rijstallingen kan behoren tot het normaal beheer van het privé-patrimonium, zelfs als de verhuur aan de BTW wordt onderworpen ? Of zullen de inkomsten uit die handelingen voortaan als beroepsinkomen worden gekwalificeerd zodra blijkt dat zij aan de BTW onderworpen zijn (met alle gevolgen vandien op het stuk van de sociale bijdragen en de pensioenuitkeringen) ?
ANTWOORD
De classificatie van de inkomsten in de personenbelasting wordt geregeld door de bepalingen van het Wetboek van de inkomstenbelasting 1992 (WIB 92). Daar geen enkele van die bepalingen naar het BTW-wetboek verwijst, hebben de aan dat wetboek gebrachte wijzigingen normaliter geen invloed op de vorenbedoelde classificatie.
Inzake personenbelasting moet de vraag of de verhuur van stallingen voor rijtuigen tot het beheer van het privé-patrimonium behoort, dan wel een winstgevende bezigheid of een eigenlijk beroepswerkzaamheid uitmaakt, bij voortduur worden beantwoord aan de hand van de feitelijke en juridische gegevens van elk geval afzonderlijk, waarbij het feit dat de betrokkene daarvoor de hoedanigheid van BTW-belastingplichtige heeft niet impliceert dat de eruit verkregen inkomsten ipso facto beroepsinkomsten zijn in de zin van artikel 23, § 1, 1° of 2°, WIB 92 zijn.