VRAAG
Een bouwheer van een nieuwbouw (private woning) heeft van de bvba waarvan zijn vader statutair zaakvoerder is en die geregistreerd is als aannemer in sanitaire en elektrische werken, goederen ontvangen tegen sterk verminderde prijzen, die gefactureerd werden en waarvan de prijs en hoeveelheden voldoende omschreven waren op de facturen. De vader is statutair zaakvoerder van de bvba, de broer van de bouwheer is loontrekkende van die bvba en zowel de vader als de broer helpen de bouwheer, om niet, bij het aansluiten van sanitaire en elektrische toestellen, tijdens het weekend. De bouwheer zelf voerde de voorbereidende werken uit.
1. Werden de werken voor de aansluitingen uitgevoerd door niet- belastingplichtige natuurlijke personen of door een belastingplichtige rechtspersoon ?
2. De eigenaar moet een aangifte indienen krachtens artikel 64, § 4, van het BTW-wetboek. Houdt de administratie voor de beoordeling daarvan rekening met de lage factuurprijs van de goederen ?
3. Wat is de maatstaf van heffing voor dergelijke werken uitgevoerd in het jaar 1992 en wat is de maatstaf van heffing in het jaar 1993 ? Wordt toepassing gemaakt van artikel 33, 2° (oud), van het BTW-wetboek voor het jaar 1992 en voorgaande jaren en van artikel 33, 2°, voor het jaar 1993 als er een verschil is ?
4. Is het antwoord op vraag nr. 262 van 13 oktober 1992 van de heer Hollogne (Vragen en Antwoorden, Kamer, 1992-1993, nr. 37, blz. 2704) in dit geval van toepassing ?
ANTWOORD
1. Ingevolge artikel 19, § 2, 2°, van het BTW-Wetboek dat steunt op artikel 6, 2, b, van de Zesde Richtlijn van 17 mei 1977, wordt met een dienst verricht onder bezwarende titel gelijkgesteld de uitvoering door een belastingplichtige van een werk in onroerende staat voor zijn privé- doeleinden of deze van zijn personeel en, meer algemeen, om niet of voor andere doeleinden dan deze van zijn economische activiteit.
In principe is onbezoldigde hulp van familieleden niet aan de BTW onderworpen tenzij de persoon die de kosteloze hulp verleent een BTW- belastingplichtige en een natuurlijk persoon is die werk in onroerende staat verricht en dat werk behoort tot de werkzaamheid waarvoor hij belastingplichtige is (BTW-wetboek, artikel 2, eerste lid, en artikel 19, § 2, 2°).
In het door het geacht lid beoogde geval, is het wel degelijk de vennootschap die dient te worden beschouwd als de uitvoerster van de werken in onroerende staat vermits laatstgenoemde slechts kan handelen door middel van de fysieke personen die haar vertegenwoordigen, in onderhavig geval de zaakvoerder. Gelet op het feit dat een werk in onroerende staat, uitgevoerd door een belastingplichtige rechtspersoon, steeds wordt verricht in of ten behoeve van de uitoefening van haar beroepswerkzaamheid, vermits een rechtspersoon geen privé-vermogen en bijgevolg evenmin privé-behoeften heeft, is bovenvernoemd artikel 19, § 2, 2°, in het bedoelde geval van toepassing wat a fortiori eveneens het geval is wanneer een arbeider van de vennootschap (in casu de zoon van de zaakvoerder), tegen betaling van een vergoeding of volledig kosteloos, meewerkt aan de uitvoering van de werken.
2. In de mate dat materialen rechtstreeks door de eigenaar werden gekocht en niet in een dienstverrichting begrepen waren, wordt de waarde van die materialen, voor het bepalen van de minimummaatstaf van heffing, van de normale waarde van het gebouw afgetrokken.
Dit heeft tot gevolg dat wanneer om praktische redenen de normale waarde van een gebouw wordt geraamd met inbegrip van de bedoelde materialen, de normale waarde van die materialen en niet hun werkelijke kostprijs van die raming moet worden afgetrokken.
Zulks houdt vanzelfsprekend in dat de eigenaar-oprichter moet bewijzen dat hij de materialen gekocht heeft tegen prijzen die lager liggen dan de normale. Dat bewijs kan onder meer worden geleverd door facturen waarop aanzienlijke kortingen voorkomen of door de bijzondere omstandigheden van de zaak (bijvoorbeeld werkzaamheid van de bouwheer in de onroerende sector, beroepsrelatie, enz.). De familieverhouding van de bouwheer met de leverancier van de bouwmaterialen wordt niet aanzien als een bijzondere omstandigheid.
3. Op grond van de gewijzigde tekst van artikel 33, 2°, van het BTW- Wetboek ingevolge de aanpassing vanaf 1 januari 1993 van genoemd Wetboek aan de Zesde Richtlijn van 17 mei 1977 van de Raad van de Europese Gemeenschap, dient ten aanzien van de onder punt 1 bedoelde belastbare handelingen de verschuldigde BTW te worden berekend over de door de belastingplichtige vennootschap gedane uitgaven, dit wil zeggen de uitgaven die direct betrekking hebben op het verrichte werk.
Derhalve is voor bedoelde handelingen geen BTW verschuldigd op het werk gepresteerd door de zaakvoerder in de veronderstelling dat deze laatste normaal door de vennootschap voor dat werk niet wordt vergoed, doch alleen op de uitgaven die specifiek voor dat werk werden gedaan (aankoop van materialen, enz.). Het werk dat in voorkomend geval wordt gepresteerd door de personeelsleden van de betrokken vennootschap maakt in hoofde van laatstgenoemde evenwel steeds een gedane uitgave uit die tot de maatstaf van heffing van de belasting behoort.
Vóór de aanpassing op 1 januari 1993 van het BTW-Wetboek aan genoemde Richtlijn diende de BTW voor de handelingen bedoeld in artikel 19, § 2, 2°, van dat Wetboek op grond van artikel 33, 2° (oud), ervan te worden berekend over de normale waarde van de dienst, dit is de prijs die hier te lande, op het tijdstip waarop de belasting verschuldigd wordt, in dezelfde handelsfase voor iedere van de prestaties kan worden verkregen onder vrije mededinging tussen twee van elkaar onafhankelijke partijen.
Derhalve was vóór 1 januari 1993 in het door het geacht lid beoogde geval de BTW eveneens verschuldigd op het werk dat door de zaakvoerder van bedoelde vennootschap werd gepresteerd.
Het tijdstip waarop de dienst is voltooid waardoor de belasting derhalve opeisbaar wordt (zie artikel 22, § 1 en § 2, van het BTW- Wetboek), is bepalend of toepassing dient te worden gemaakt van de oude dan wel de nieuwe bepaling van artikel 33, 2°, van het BTW-Wetboek.
4. Zoals blijkt uit hetgeen voorafgaat geldt ten aanzien van een BTW- belastingplichtige rechtspersoon die om niet of voor andere doeleinden dan deze van zijn economische activiteit handelingen stelt, op het stuk van de belastbaarheid, dezelfde regeling als die welke van toepassing is in het geval waarnaar het geacht lid verwijst. Alleen bestaat er een verschil inzake de bepaling van de belastbare grondslag te wijten aan bovengenoemde wijziging van artikel 33, 2°, van het BTW-Wetboek.